Vervolg van den achtsten ommegang.
Dante geeft zich lucht over de verdorvenheid van Florence. De beide Dichters vervolgen hun weg en zien in den Achtsten Buidel. Deze is vol van lichtjes, van welken elk eenen zondaar huisvest. In één vlam schuilen Ulisses en Diomedes; de eerste doet een verhaal van beider laatste lotgevallen en dood.
1 Verheug u, Florence, dat gij zoo groot zijt dat gij over zee en land de vleugelen uitslaat, en dat door de Hel uw naam zich verbreidt.
4 Onder de dieven vond ik vijf zoodanige burgers van u, dat ik er mij over schaam en gij er in groote eer door stijgt.
7 Maar indien men tegen den morgen van de waarheid droomt, dan zult gij binnen weinig tijd dat gene ondervinden wat Prato, laat staan anderen, u van harte toewenscht:
10 en zoo het nu al gebeurde, niet laat zoude het komen. Aldus zij het, nademaal het nu eenmaal zoo zijn moet! Want te meer zal het mij bezwaren, hoe ouder ik word.
13 Wij vertrokken, en de trappen, die de duisternis ons had doen afklimmen, klom de Gids wederom op en hij trok mij mede.
16 En den eenzamen weg vervolgende tusschen de klippen en de rotsen van den rotsweg, kon de voet zonder de hand niet verder komen.
19 Toen deerde mij en nu nog deert mij, wanneer ik de heuchenis richt op dat wat ik zag; en meerder houd ik de toomen van mijnen geest in dan ik gewoon ben,
22 dat hij niet loope, waar de deugd hem niet stuurt; opdat, als mijn goed gesternte of nog betere zaak mij het goede gegeven heeft, ik het mij zelven niet misgunne.
25 Zoovele lichtjes als de daglooner, die tegen de helling uitrust, in den tijd dat degene, die de wereld verlicht, zijn aangezicht korter voor ons verborgen houdt,
28 ziet (op het uur) wanneer de vlieg wijkt voor de mug: zoovele lichtjes als hij dan ziet onder (zich) in de vallei, wellicht daar waar hij (des daags) in de wijngaard werkt of ploegt;
31 van zoovele lichtjes weerschitterde de gansche Achtste Buidel, zooals ik bemerkte zoodra ik daar was, waar diens bodem zichtbaar werd.
34 En gelijk degene, die zich wreekte met de beren, den wagen van Elia bij het vertrekken zag, toen de paarden steigerend naar den hemel opstegen;
37 zoodat hij hem niet zoo met de oogen kon volgen, dat hij nog wat anders dan alleen maar een vlam, als een wolkje, ten hoogen zag varen:
40 zóó bewoog zich elk (lichtje) door de geul der gracht, zoodat geen (lichtje) den buit liet zien, en elke vlam draagt eenen zondaar in zich.
43 Recht-op stond ik boven op de brug om te zien, zoodat, indien ik geen rots-punt had gegrepen, ik naar beneden zou zijn gevallen, zonder een zet te hebben gekregen.
46 En de gids, die mij zoo aandachtig zag, zeide: „Binnen in die vuren zijn de geesten: elke geest wordt omwikkeld door dat vuur, door hetwelk hij wordt in brand gestoken.”
49 „Meester mijn,” antwoordde ik: „door u te hooren heb ik reeds meer zekerheid; maar reeds had ik de meening dat het zóó was, en reeds wilde ik tot u zeggen:
52 wie is in dat vuur, dat van boven zoo gedeeld aankomt dat het schijnt op te gaan van den brandstapel, waarop Eteocles met zijnen broeder was nedergelegd?”
55 Hij antwoordde mij: „Daarbinnen wordt gemarteld Ulisses en Diomedes en zóó loopen zij te zamen naar de straf als vroeger om hun toorn (te koelen):
58 en binnen in hunne vlam wordt gezucht over de hinderlaag van het paard, dat de poort maakte, waardoor het edel zaad der Romeinen naar buiten ging.
61 en daarbinnen in wordt de list beweend, waardoor Dëidamia, gestorven, nog treurt over Achilles, en voor het Palladium wordt daar geboet.”
64 „Indien ze daarbinnen in die vlammen kunnen spreken,” zeide ik: „Meester, dan bid ik u wel zeer, en bid ik u nogmaals dat dit gebed voor duizend gebeden gelde,
67 dat gij mij niet verbiedt te wachten, totdat de gehorende vlam hier komt: gij ziet dat ik uit begeerte mij naar hem buig.”
70 En hij tot mij: „Uw gebed is zeer prijzenswaardig, en daarom neem ik het aan: maar maak dat uw tong zich stil houde.
73 Laat mij spreken, daar ik begrepen heb dat wat gij wilt; daar zij wel, omdat zij Grieken waren, schuw zouden kunnen zijn van uwe spraak.”
76 Nadat de vlam dáár was gekomen, waar het mijnen Gids tijd en plaats scheen, hoorde ik hem in dezer voege spreken:
79 „O gij, die twee zijt binnen in één vuur, zoo ik mij, terwijl ik leefde, verdienstelijk bij u heb gemaakt, zoo ik mij veel of weinig verdienstelijk bij u heb gemaakt,
82 wanneer ik in de wereld de hooge verzen schreef, beweeg u niet (verder); maar dat de één van u zegge waar door hem, verdoold, ten doode gegaan werd.”
85 De grootste hoorn der antieke vlam begon murmelende te flakkeren, zooals ééne, welke de wind teistert.
88 Daarna den top ginds- en hierheen bewegende, of het de tong ware die sprak, wierp zij eene stem uit en zeide: „Wanneer
91 ik weggegaan was van Circe, die mij aan mij zelven onttogen hield meer dan een jaar daar dicht bij Caieta, voordat Aeneas dat (voorgebergte) aldus had genoemd,
94 toen konden noch de zoetheid mijns zoons, noch de eerbied voor mijnen ouden vader, noch de verschuldigde liefde, die Penelope moest verheugen
97 (die allen konden) niet binnen-in mij de brandende begeerte overwinnen, welke ik had om ondervinding van de wereld op te doen, zoowel van de menschelijke gebreken als van hun deugd:
100 maar ik begaf mij op de hooge, opene zee alleen met één hulk, en met dat kleine gezelschap, waardoor ik niet werd verlaten.
103 De ééne en de andere kust zag ik tot aan Spanje, tot aan Marocco en het Eiland Sardinië, en de andere (eilanden) welke die zee rondom bespoelt.
106 Ik en mijne tochtgenooten, wij waren oud en traag, wanneer wij aan dat nauwe keelgat kwamen, waar Hercules zijne grenssteenen zette
109 opdat de mensch zich niet verder begeve; aan mijne rechter hand liet ik Sevilla, aan de andere had ik Ceuta gelaten.
112 „O broeders,” zeide ik: „die door honderd duizend gevaren tot het Westen gekomen zijt, wilt niet aan dit zoo korte wakker-zijn
115 van uwe zinnen, dat u nog rest, weigeren de kennismaking, achter de zon, met de wereld zonder menschen.
118 Beschouwt uwe afkomst: gij waart niet gemaakt om te leven als redelooze beesten, maar om deugd en kennis na te jagen.”
121 Mijne tochtgenooten maakte ik met deze kleine toespraak, zóó gespitst op de reis, dat ik ze noode zou hebben kunnen terughouden.
124 En, met den achtersteven naar den Morgen gericht, maakten wij (ons) van de riemen vleugels voor de dwaze vlucht, altijd aanhoudende naar de linker hand.
127 Reeds alle sterren van den anderen pool zag ik des nachts, en den onze zoo láág dat hij niet meer opkwam boven het vlak der zee.
130 Vijf malen ontstoken en even vele (malen) gedoofd was het licht aan den onderkant der maan, nadat wij den hoogen tocht waren begonnen,
133 wanneer ons een berg verscheen, donker door den afstand, en hij scheen mij zóó hoog, als ik er nooit éénen gezien had.
136 Wij verheugden ons, maar dra verkeerde die (verheuging) in klacht; daar uit dat nieuwe land een wervel-wind geboren werd, die den voorkant van het schip schudde.
139 Drie malen deed hij het met alle de wateren rondwielen, bij de vierde maal deed hij het den achtersteven op-rijzen en de voorsteven naar beneden gaan, gelijk het Een Andere behaagde,
Vervolg van den achtsten ommegang.
Uit een volgende vlam hooren zij de stem komen van Guido di Montefeltro, die door Paus Bonifacius verleid werd hem den slechten raad te geven.
1 Reeds was de vlam recht op gericht en stil door dat zij niets meer zeide, en reeds ging zij van ons weg met verlof van den zoeten Dichter;
4 wanneer een andere, die achter gene kwam, ons de oogen naar haar top deed richten, door een verward geluid, dat van haar uitging.
7 Gelijk het Siciliaansche rund, dat het eerst geloeid heeft van de klacht van dengene—en dat was recht—die het gevormd had met zijne vijl,
10 loeide met de stem des gepijnigden, zoodat, hoezeer het van koper was, het toch scheen van pijn doorvlijmd te zijn;
13 zóó, door geen uitweg of opening te hebben, verkeerden bij het begin zich de verstoorde woorden in het vuur tot zijn spraak.
16 Maar nadat zij zich hunnen weg hadden gebaand naar boven aan den punt, daaraan dien draai gevend, dien de tong hun in hun doortocht had gegeven,
19 hoorden wij zeggen: „O gij, naar wien ik de stem richt, en die zoo even Lombardisch spraakt, zeggende: „„Nu ga heen, (tot) meer prikkel ik u niet;””
22 omdat ik wellicht wat traag ben gekomen, verdriete het u niet stil te staan om met mij te spreken; zie hoe het mij niet verdriet, en ik brand nog wel.
25 Indien gij eerst onlangs in deze blinde wereld gevallen zijt uit dat zoet Latijnsche land, van waar ik al mijne schuld mededraag:
28 zeg mij of die van Romagna vrede of oorlog hebben; daar ik van de bergen was, daar tusschen Urbino en den berg-kam, waarop de Tiber ontspringt.”
31 Nog was ik naar beneden oplettend en voorovergebogen, wanneer mijn Gids mij van ter zijde aanstiet, zeggende: „Spreek gij, dat is een Latijner.”
34 En ik die reeds het antwoord gereed had, zonder verpoozing begon ik te spreken: „O ziele, die daar beneden verborgen zijt,
37 uw land van Romagna is niet, noch was ooit zonder oorlog in het hart van zijne tirannen; maar geenen opentlijken (oorlog) liet ik er nu achter.
40 Met Ravenna staat het, gelijk het er vele jaren mee gestaan heeft: de adelaar van Polenta nestelt daar, zoodat hij ook Cervia met de vlerken dekt.
43 Het land dat reeds de lange proef doorstond, en een bloedige stapel van de Franschen maakte, beweegt zich weder onder de groene klauwen.
46 De oude Hofhond en de nieuwe van Verruchio, die over Montagna het kwaad beheer voerden, maken daar, waar zij plachten, hun tanden tot avegaar.
49 De steden van den Lamone en den Santerno leidt de leeuwen-wulp van het witte nest, die van zomer tot winter van partij verandert:
52 en die (stad) welker flank de Savio bespoelt, gelijk zij ligt tusschen vlakte en berg, zoo leeft zij tusschen tirannie en vrijen staat.
55 Nu wie gij zijt bid ik u dat gij ons verhaalt: wees gij niet stugger dan (menig) ander is geweest, zóó (waarlijk) moge uw naam in de wereld het voorhoofd ophouden.”
58 Nadat het vuur een oogenblik op zijn manier had geruischt, bewoog de spitse punt zich her en der en voorts gaf het zóódanigen asem:
61 „Indien ik geloofde dat mijn antwoord ware tot iemand, die ooit in de wereld wederkeerde, dan zoude deze vlam zonder verdere schuddingen blijven stilstaan:
64 maar, òmdat uit deze diepte nooit iemand levend wederkeerde, zoo ik de waarheid hoor, dáárom antwoord ik u zonder vrees voor schande.
67 Ik was een man des zwaards en voorts droeg ik den koorden gordel, vertrouwende dat ik, aldus gegordeld, mijzelf zou verbeteren: en zekerlijk dat vertrouwen was in vervulling gekomen;
70 ’t en ware de Hooge Priester, (wien het slecht verga) die mij in mijne eerste schuldigheden terugwierp; en hoe en waardoor, wil ik dat gij van mij vernemet.
73 Zoolang ik gestalte was van het been en vleesch, dat mijne moeder mij gaf, waren mijne werken niet die van eenen leeuw maar van eenen vos.
76 De knepen en de bedekte wegen, ik wist ze allen; en zóó leidde ik hunne kunstigheid, dat er de roep van uitging tot aan het einde der aarde.
79 Wanneer ik mij gekomen zag tot dat gedeelte van mijnen leeftijd, waarop ieder de zeilen moest strijken en de touwen inhalen;
82 toen verdroot mij datgene, wat mij eerst geviel, ik berouwde mij en biechtte en begaf mij (in de orde) wee mij! en het hadde mij gebaat.
85 De vorst der nieuwe Pharizeërs, een oorlog hebbend dicht bij het Lateraan (en dat niet tegen de Saracenen noch tegen de Joden;
88 want elk van zijne vijanden was Christen, en geen had medegedaan om Akra te winnen, of was handelaar geweest in het land van den Sultan)
91 noch het hooge ambt, noch de heilige verordeningen achtte hij in zich-zelven, noch in mij dat koord, hetwelk zijne gegorden placht magerder te maken.
94 maar gelijk Constantijn Silvester vroeg binnen Siratti om hem te genezen van de melaatschheid, zóó vroeg hij mij als heelmeester,
97 om hem te genezen van die verwoede koorts: hij vroeg mij om raad en ik zweeg omdat zijne woorden mij schenen als die eens dronkenen.
100 En voorts zeide hij: „„Uw hart hebbe geen achterdocht, van nu aan geef ik u aflaat, en gij, onderricht mij te doen zóó dat ik het land van Praeneste ter aarde werpe.
103 Den hemel kan ik sluiten en ontsluiten gelijk gij weet; daarvoor zijn de twee sleutels, welke mijn voorganger niet dierbaar hield.””
106 Toen nepen mij de zware bewijs-gronden (en drongen mij daarheen) waar het zwijgen mij de slechtere partij docht en ik zeide: „„Vader, sinds gij mij schoon wascht
109 van die zonde, waarin ik aanstonds vallen moet: veel belooven en weinig nakomen zal u doen zegevieren op den hoogen stoel.””
112 Sint Franciscus kwam later, toen ik dood was, om mij (te halen); maar één der zwarte Cherubijnen zeide tot hem; „„Draag hem niet weg; verongelijk mij niet.
115 Hij moet beneden komen onder mijne schalken, omdat hij den bedriegelijken raad gaf, van welken af aan ik hem altijd in de haren heb gezeten:
118 want vrij gesproken kan niet worden, wie zich niet berouwt; en zich berouwen en willen (de daad gedaan te hebben) dat kan niet samen-gaan wegens de tegenspraak, die daar niet in toestemt.””
121 Ai mij ellendige! hoe sidderde ik, wanneer hij mij greep, tot mij zeggende: „„Wellicht dacht gij niet dat ik een redekunstige was!””
124 Naar Minos droeg hij mij: en die kronkelde acht malen zijn staart over zijn harden rug; en, nadat hij uit groote woede zich zelven daarin gebeten had,
127 zeide hij: „„Deze is van de schuldigen van het dievig vuur:”” en daarom ben ik daarheen verwezen waar gij mij ziet, en aldus bekleed gaande, word ik gepijnigd.”
130 Wanneer hij aldus zijn spreken had voleindigd, vertrok de vlam, in droefenis, draaiende en verwringende zijnen spitsen hoorn.
133 Wij gìngen verder voort èn ik èn mijn Gids boven over den rotsweg tot op den volgenden boog, die de gracht dekt, waarin de schatting wordt betaald door
Vervolg van den achtsten ommegang.
In den Negenden Buidel zien de beide dichters, de stokers van scheuring en onmin, door steeds op nieuw geslagen wonden gehavend.
1 Wie zou er ooit, ook met ongebonden woorden, ten volle kunnen spreken van het bloed en van de wonden, die ik nu zag, (zelfs) door het meerdere malen te verhalen.
4 Alle taal zou voorzeker te kort schieten wegens onze spraak en onze heuchenis, die weinig macht hebben om zoo veel te bevatten.
7 Indien zich nog eens al het volk vergaarde, dat voormaals op het fortuinig land van Apulië zijn bloed verloor
10 wegens de Romeinen en wegens den langen oorlog, die zoo grooten buit van ringen maakte, gelijk Livius schrijft, die niet dwaalt;
13 (te zamen) met dat volk, dat de pijn der slagen voelde, omdat het zich tegenoverstelde aan Robert Guiscardo; en met dat volk, welks gebeente nog gegaard wordt
16 bij Ceperano, daar waar elke Apuliër verrader was, en ginds van Tagliacozzo, waar de oude Allard zonder wapenen overwon;
19 en al wie dan een van zijn ledematen doorboord en al wie er een verminkt vertoonde, hij ware nog niets om de gruwelijke wijze te evenaren van den negenden buidel.
22 Geen vat wordt door duig of bodem te verliezen zoo lek, als ik er éénen zag, open-gespalkt van de kin tot daar waar men veest.
25 Tusschen de beenen hingen hem de darmen; het midden-rif was zichtbaar en de nare zak, die drek maakt van al wat er door heen zijgt.
28 Terwijl ik er mij gansch op spits om hem te zien, schouwde hij naar mij, en met de handen opende hij zich de borst, zeggende: „Nu zie, hoe ik mij kerf:
31 zie hoe Mahomed verminkt is: vóór mij gaat weenende Ali, gespleten in het aangezicht van de kin tot aan de kuif:
34 en alle de anderen, die gij hier ziet, waren, levend, zaaiers van ergernis en van splitsing, en daarom zijn zij aldus gespleten.
37 Een duivel is daarachter die ons zoo wreedelijk verscheurt, een-elk van dezen riem op de snede van het zwaard nemend,
40 wanneer wij den smartelijken weg ten einde zijn gekeerd: daarom zijn de wonden weer gesloten vóórdat men weer voor hem terugkomt.
43 Maar gij, wie zijt gij, die boven op den rotsweg staart, wellicht om uitstel te krijgen van het gaan tot de straf, die uitgesproken is over uwe schuld?”
46 „Niet kwam de dood nog tot hem, noch leidt hem schuld,” antwoordde mijn Meester: „ter pijniging; maar om hem volle hoop te geven,
49 voegt het mij, die dood ben, hem hier beneden door de Hel te voeren van kring tot kring: en dit is zóó waar als ik hier tot u spreek.”
52 Meer dan honderd waren er die, wanneer zij het hoorden, stil bleven staan in de gracht om mij te beschouwen, door verwondering de marteling vergetend.
55 „Nu zeg aan Broeder Dulcino toch dat hij zich toeruste, gij die wellicht in kort de zon zult zien, indien hij niet spoedig hier mij wil volgen,
58 (dat hij zich zóó toeruste) met proviand, dat belemmering van sneeuw de overwinning niet aan den Novarees verschaffe, want dat anders hem meester te worden niet licht zou zijn.”
61 Nadat hij éénen voet, om weg te gaan, had gelicht, zeide Mahomed mij dat woord; daarna, om verder te gaan, zette hij dien op den grond.
64 Een ander die de keel doorboord had en den neus geknot onder den wenkbrauw, en niet meer dan één oor over had,
67 stil gebleven staan uit verwondering met de anderen, hij opende vóór de anderen de keel, die van buiten aan alle kant bloedrood was;
70 en zeide: „O gij, wien geen schuld veroordeelt, en wien ik vroeger reeds zag in het latijnsche land, indien te groote gelijkenis mij niet verschalkt,
73 herinner u Pieter van Medicina, indien gij ooit wederkeert om de zoete vlakte te zien, die van Vercello naar Marcabò afglooit.
76 En doe weten aan de twee besten van Fano, aan Heer Guido en ook aan Angiolello, dat, zóó het vóórzien hier niet ijdel is,
79 zij met een steen om den nek bezwaard en uit hun vaartuig geworpen zullen worden dicht bij Cattolica, door het verraad van den wreeden tiran.
82 Tusschen het eiland van Cyprus en dat van Majorca zag Neptunus nooit zoo groot vergrijp, noch door zeeroovers noch door Grieken (bedreven).
85 Die verrader, die maar met één oog ziet, en van dat land heer is, van hetwelk te zien één, die hier bij mij is, wel wenschte nuchter gebleven te zijn,
88 zal ze tot hem doen komen, tot eene onderhandeling; voorts zal hij zóó doen dat ze gelofte noch gebed meer van noode zullen hebben tegen den wind van Focara.”
91 En ik tot hem: „Verwittig mij en openbaar mij, zoo gij wilt dat ik boven bericht van u breng, wie is degene met den bitteren blik.”
94 Toen legde hij de hand aan de kinnebak van één zijner metgezellen, en hij opende hem den mond schreeuwende: „Hij zelf is het, en hij spreekt niet:
97 deze, verjaagd zijnde, verstikte bij Caesar het weifelen, verzekerende dat de toegeruste altijd met schade het wachten leed.”
100 O hoe met vrees geslagen scheen hij mij, met de tong uit den strot gesneden, hij, Curio, die zóó onvertsaagd was tot spreken.
103 En één, die de ééne èn de andere hand verminkt had, het stompje door de donkere lucht opheffend, zóó dat het bloed zijn gelaat bespatte,
106 schreeuwde: „Zult gij ook om Mosca denken die helaas! gezegd heeft: „„Die zaak loopt wel los!”” hetwelk het slechte zaad was voor het volk van Toscane.”
109 En ik voegde erbij: „En de dood van uw geslacht!” waardoor hij, de eene pijn op de andere pijn stapelend, wegging als een verslagen en uitzinnig mensch.
112 Maar ik bleef staan om den optocht te zien, en ik zag een ding dat ik zou vreezen zoo maar zonder meer bewijs te verhalen;
115 indien niet mijn geweten mij gerust stelde, het goede geleide, dat den mensch vrijmoedig maakt onder den halsberg dien het bewustzijn geeft van eigen zuiverheid.
118 Ik zag voorzeker, en nog schijnt het mij dat ik zie, een romp zonder hoofd voortgaan, zooals de andere van de akelige kudde gingen.
121 En het afgeslagen hoofd hield hij bij de haren zoodat het hing aan zijne hand naar de wijze van een lantaarn, en dat (hoofd) zag ons aan en zei: „Wee mij!”
124 En hij lichtte zich-zelven met zich zelven bij, en het waren twee in één, en één in twee: hoe dat zijn kan dat weet Hij, Die het aldus bestuurt.
127 Toen hij recht onder de brug was, hief hij den arm met het gansche hoofd hoog op, om zijne woorden nader bij ons te doen zijn,
130 en die waren: „Nu zie bezwaarlijke straf, gij, die ademend gaat, ziende de dooden: zie of er één straf zóó groot is als deze.
133 En opdat gij bericht van mij medenemet, weet dat ik ben Bertram de Born, degene, die den jongen Koning de slechte vertroostingen gaf.
136 Ik maakte den vader en den zoon tweedrachtig tegen elkander: Achitofel deed niet erger tegen Absolon en tegen David door het kwaadwillig stoken.
139 Omdat ik zoo nauw-verbonden personen scheidde, daarom draag ik helaas! het hoofd aldus gescheiden van zijnen oorsprong, die in dezen romp is.
Vervolg van den achtsten ommegang.
Van den negenden tot den tienden Buidel overgegaan, zien de beide Dichters daarin de alchimisten en vervalschers van metalen, door vuile ziekten bezocht en op elkander gestapeld.
1 Het vele volk en de verscheidene verwondingen hadden mijne oogen zóó dronken gemaakt, dat zij begeerig waren om stil te staan tot weenen.
4 Maar Virgilius zeide tot mij: „Waarom toch blijft uw blik daar beneden gevestigd tusschen de schimmen, de ellendig verminkten?
7 Niet aldus deedt gij bij de andere buidelen: bedenk, indien gij meent ze te tellen, dat de vallei (in een kringloop van) twee en twintig mijlen rondloopt;
10 en reeds is de maan onder onze voeten: weinig is nog maar de tijd die ons is toegestaan, en wat ànders is er nog te zien wat gij (nog) niet ziet.”
13 „Indien gij,” antwoordde ik daarop: „gelet had op de aanleiding waarom ik keek, dan had gij mij wellicht nog het staan gegund.”
16 Ondertusschen ging mijn Gids voort, en ik ging achter hem, nog het antwoord gevende en er bijvoegende: „Binnen in die holte,
19 waarin ik de oogen zóó gevestigd hield, geloof ik dat een geest van mijn bloed de schuld beweent, die daar beneden zoo duur te staan komt.”
22 Toen zeide de Meester: „Niet botse uw gedachte van nu aan op hem: let op eenen anderen, en hij blijve daar;
25 want ik zag hem aan den voet van de brug naar u met den vinger wijzen en u heftig bedreigen, en ik hoorde hem noemen Geri del Bello.
28 Gij waart toen zoo ganschelijk ingenomen door dengene, die eertijds Altaforte bezat, dat gij niet naar ginds keekt, en zóó was hij verdwenen.”
31 „O Gids mijn, de gewelddadige dood, die hem nog niet gewroken is,” zeide ik: „door iemand die (door verwantschap) zijn schande deelde,
34 maakte hem verontwaardigd, waarom hij heenging zonder tot mij te spreken, naar ik meen; en daarin heeft hij mij meer medelijdend met hem gemaakt.
37 Zóó spraken wij tot aan de eerste plaats, die van den rotswand de volgende vallei, zoo er meer licht ware, zichtbaar maakt.
40 Wanneer wij waren boven het laatste klooster der Buidelen des Kwaads, zoodat de leekebroeders ervan zich konden vertoonen aan ons gezicht,
43 troffen mij verscheidene jammerklachten (als pijlen) die de spitsen met erbarmelijkheid beslagen hadden; waarom ik de ooren met de handen dekte.
46 Hoeveel lijden het zoude zijn, indien uit de gasthuizen van Valdichiana tusschen Juli en September, en uit die van Maremma en Sardinië alle de kwalen
49 in ééne gracht bij één waren; zulk een lijden was daar en zulk een stank ging daar uit op, als op pleegt te gaan van de rotte ledematen.
52 Wij daalden neder op den uitersten oever van den langen rotsrand, steeds ter slinker hand, en toen was mijn blik reeds krachtiger om
55 tot onder op den bodem te zien, waar de dienstmaagd des hoogen Heeren, onfeilbare Gerechtigheid, de valschaards straft die Hij hier opteekent.
58 Ik geloof niet dat dát gansche kranke volk in Egina grooter droefenis was om te zien, toen de lucht zóó vol was van kwaadaardigheid
61 dat de beesten, tot de kleine worm toe, dood nedervielen en voorts de volkeren van vroeger, naar de dichters voor zeker vertellen,
64 zich weder aanwonnen uit het zaad der mieren; dan het was om in deze donkere vallei de schimmen te zien lijden bij verscheidene hoopen te gelijk.
67 Daar lagen zij, deze over den buik en gene over de schouderbladen van den ander, en die ging kruipende naar een andere plaats over het nare pad.
70 Schrede voor schrede gingen wij zonder te spreken, schouwende en luisterende naar de bezochten, die hunne personaadjen niet konden oprichten.
73 Ik zag er twee zitten tegen elkanderen geleund, gelijk aarden pan tegen aarden pan geleund is om elkander te warmen, van het hoofd tot de voeten korsten verontreinigd:
76 en nooit zag ik de roskam zoo zich reppen onder den stalknecht, op wien de meester wacht, noch onder hem, die zeer onwillig waken blijft;
79 als daar ieder de beet der nagels heen en weder repte over zich zelven door de groote woede van den krabber, die geen andere verlichting heeft.
82 En zoo trokken de nagels de schurft weg, als het mes bij de papegaai-visch de schubben (wegsnijdt), en bij een andere visch die ze nog breeder heeft.
85 „O gij, die u met de vingeren ontmaliet,” begon de Gids mijn tot, één van hen; „en die van uwe vingeren zóó vele malen tangen maakt,
88 zeg mij, of onder degenen, die daar binnen zijn, een Latijner is, zóó waarlijk moge de nagel u eeuwiglijk volstaan tot dit werk.”
91 „Latijners zijn wij, die hier aldus beiden gebroken ziet,” antwoordde de ééne weenende: „maar gij, wie zijt gij, die naar ons vraagdet!”
94 En de Gids zeide: „Ik ben één, die nederdaal met dezen levende van rots-rand tot rand, en vermeen dezen de Hel te toonen.”
97 Toen brak zich het gemeenschappelijk tegenelkanderleunen; en sidderende wendde zich ieder naar mij met de anderen die het hoorden door den wedergalm.
100 De goede Meester richtte zich gansch tot mij, zeggende: „Zeg hun dat wat gij wilt.” En ik begon nademaal hij het wilde:
103 „Indien uwe heuchenis in de eerste wereld zich niet uitwischt uit de menschelijke geesten, maar indien zij leeft onder vele zonnen,
106 zegt mij wie gij zijt en van wat volk: uw rauwe en afzichtelijke straffe make u niet schuw om u aan mij te openbaren.”
109 „Ik was van Arezzo, en Albero van Siena,” zeide de één: „deed mij in het vuur zetten; maar dat waarom ik stierf, leidt mij niet hier.
112 Waarheid is dat ik tot hem zeide, sprekende in scherts: „„ik zoude mij in de lucht kunnen opheffen ter vlucht:”” en gene, die begeerte had en weinig verstand,
115 wilde, dat ik hem de kunst zou vertoonen, en alleen omdat ik hem niet tot een Daedalus maakte, deed hij mij branden door zoo eenen die hem als zijnen zoon beschouwde.
118 Maar tot den laatsten Buidel van de Tien doemde mij Minos, die niet màg falen, wegens de Alchimie, die ik in de wereld uitoefende.”
121 En ik zeide tot den Dichter: „Was er ooit volk zoo wuft als dat van Siena? Voor zeker dat van Frankrijk is het niet zóó zeer.”
124 Waarop die andere melaatsche, die mij hoorde, op mijn gezegde antwoordde: „Maar zonder me Stricca daarvan uit, die zóó gematigde uitgaven wist te doen;
127 En Nicolaas, die het eerst het kostbaar gebruik van den kruidnagel ontdekte in den tuin, waar zulk zaad goed gedijt;
130 en zonder mij de bent uit, in welke Caccia d’Ascian den wijngaard en het groote loof verdierf, en waarin Abbagliato zijn grooten geest luchtte.
133 Maar opdat gij wetet wie u inlichtte tegen de Sanesen, spits naar mij uw oog, zoodat mijn aangezicht u goed antwoorde:
136 zóó zult gij zien dat ik de schim ben van Cappocchio, die met alchimie de metalen vervalschte; en als ik u goed beoog, dan moet gij u wel herinneren,
Vervolg van den achtsten ommegang.
In den Tienden Buidel voortgaande te kijken, zien de beide dichters de plegers van valschheid elkander als razenden achtervolgen en verscheuren (1–46); voorts zien zij den valschen munter, Adam van Brescia, die eene kijverij houdt met Sinon, den Griek (46–einde).
1 Ten tijde dat Juno wegens Semele tegen het thebaansche bloed toornend was, zooals zij wel één en ander maal vertoonde,
4 werd Athamas zóózeer waanzinnig, dat hij, ziende zijne vrouw, gaande aan beide handen bevracht met hun twee zoontjes,
7 schreeuwde: „Spannen we de netten, zoodat ik de leeuwin en de wulpjes pakke bij het voorbijgaan;” en voorts spreidde hij de meedoogenlooze vingeren uit,
10 grijpende daarmede den éénen, die heette Learchus, en hij verbrijzelde hem en stiet hem tegen een rots; en gene wierp zich te water met de andere vracht.
13 En wanneer de fortuin ter neder wierp de hoogheid der Trojanen, die zich tot alles vermat, zoodat te zamen met zijn rijk de koning werd geslagen;
16 toen heeft de droeve Hecuba, ellendig en gevangen, nadat zij Polyxena had zien sterven en nadat de smartenrijke aan den oever
19 der zee Polydorus had aanschouwd, uitzinnig geblaft gelijk een hond; zoo zeer had de smart haar den geest verdraaid gemaakt.
22 Maar noch van Thebe noch van Trojaanschen zag men zoo rauwe waanzinnigheden, niet om beesten, laat staan dan menschelijke ledematen te steken,
25 als ik er zag in twee vale en naakte schimmen, die liepen bijtende op zulk een wijze, waarop het varken (loopt) wanneer het uit het varkenskot ontvlucht.
28 De ééne kwam tot Capocchio, en zette hem de tanden boven in den knoop van zijn hals, zóó dat hij, hem medetrekkende, hem den buik deed schuren langs den vasten grond.
31 En de Aretijn, die sidderende achterbleef, zeide tot mij: „Die dwaal-geest is Gianni Schicchi, en hij gaat aldus dolzinnig, den ander den weg wijzende.”
34 „O,” zeide ik tot hem: „zoo waarlijk moge de ander u niet de tanden in den rug slaan, als het u niet te moeielijk zij om te zeggen wie dat is, voor die zich van hier verwijdere.”
37 En hij tot mij: „Dat is de oude schim der schendige Myrrha, die haren vader, buiten de richtige liefde, lief werd.
40 Deze kwam aldus met hem samen om te zondigen, zich zelve vermommende onder eens anders gestalte; gelijk de ééne, die daar ginds gaat, onderstond,
43 ten einde de meesteresse der stoeterij te winnen, zich valschelijk voor te doen als Buoso Donati, testeerende en zijn testament vormelijkheid gevende.”
46 En nadat de beide dolzinnigen voorbij waren, op wie ik het oog gevest had gehouden, wendde ik het, om de andere kwalijk-geborenen te zien.
49 Ik zag er éénen gemaakt tot de gelijkenis van een luit, als hij maar de lies geknot hadde gehad, daar waar de mensch die verlengd heeft tot eenen gaffel.
52 De zware waterzucht, die zoozeer misdeelt de leden door het vocht, dat zij kwalijk scheidt, dat het aangezicht niet beantwoordt aan den buik,
55 deed hem de lippen geopend houden, gelijk de koortslijder doet, die door den dorst, de eene naar de kin en de andere naar boven richt.
58 „O gij, die zonder eenige pijniging zijt (en ik weet niet waarom) in de gramme wereld,” zeide één tot ons: „ziet en let
61 op de ellende van Meester Adam: ik had bij mijn leven genoeg van wat ik wilde, en nu helaas! smacht ik naar een drupsken waters.
64 De vlietkens, die van de groene heuvelen van den Casentino naar beneden schieten in den Arno, makende hunne beddingen koel en zacht,
67 staan mij altijd te voren en niet voor niet, daar hun beeld mij al wijd meer uitzuigt, dan de kwaal, door welke ik mij in het aangezicht ontvleesch.
70 De gestrenge rechtvaardigheid die mij steekt, neemt aanleiding uit de plaats, waar ik zondigde, om mijne zuchten meer aan te wakkeren.
73 Dáár is Romena, dáár waar ik het allooi vervalschte, gestempeld met den Dooper, waarom ik het lichaam boven verbrand liet.
76 Maar zoo ik hier de droeve schim zag van Guido, of van Allessandro of van hun broeder, dan zoude ik dat gezicht niet geven voor de bron van Branda.
79 Daarbinnen is er reeds ééne, indien de dolzinnige schimmen, die rond mij gaan, waarheid spreken: maar wat baat het mij, daar ik de ledematen gebonden heb.
82 Als ik nog maar zoo vlug ware, dat ik in honderd jaren één duim kon gaan, dan hadde ik mij reeds op het pad gezet,
85 hem zoekende onder die wanstaltige luiden, ofschoon ook deze (vallei) elf mijlen in de rondte loopt en (de omgang) niet minder dan een halve (mijl) over dwars heeft.
88 Door hèn ben ik onder dusdanig gezelschap: zij verleidden mij om de florijnen te slaan, die drie karaten onreinigheid hadden.”
91 En ik tot hem: „Wie zijn de twee vuigen, die rooken als een hand, des winters onder water gedompeld, die liggen uitgestrekt aan uwe rechter begrenzing?”
94 „Hier vond ik ze, en daarna keerden zij zich niet om”, antwoordde hij: „wanneer ik neder regende in dezen greppel, en ik geloof niet, dat zij zich ooit zullen keeren in eeuwigheid.
97 De eene is de valsche, die Josef betichtte; de andere is de valsche Grieksche Sinon van Troje: door heete koorts geven zij zulk een wasem af.
100 En de ééne van hen, wien het wellicht verdroot zoo smadelijk genoemd te worden, sloeg hem met de vuist op den lederen buik:
103 die klonk of hij een trom ware geweest: en meester Adam sloeg hem op het aangezicht met zijn arm, die niet minder hard bleek,
106 tot hem zeggende: „Al is mij ook het mij verplaatsen ontnomen van wege mijne leden, die zwaar zijn, toch heb ik den arm tot zulken arbeid vrij.”
109 Waarop hij antwoordde: „Toen gij ten vure gingt, hadt gij dien niet zoo reede, maar wèl en meer nog hadt gij dien reede, toen gij munttet.”
112 En de waterzuchtige: „Des spreekt gij waarheid; maar gij waart niet zoo reede ter getuigenis, toen gij bij Troje naar de waarheid werd gevraagd.”
115 „Zoo ik valschheid sprak, gij vervalschtet de munt,” zeide Sinon: „en ik ben hier om één vergrijp, maar gij om meer dan eenige andere verdoemde.”
118 „Gedenk, meineedige, het paard,” antwoordde hij, die den buik gezwollen had: „en het zij u kwaad dat de gansche wereld het weet.”
121 „En u zij de dorst kwaad, waardoor u,” zeide de Griek: „de tong berste, en het vuile water dat u aldus den buik voor de oogen opblaast.”
124 Toen (zeide) de munter: „Zoo moge uw mond splijten wegens het kwaad spreken, dat hij gewoon is; want als ik dorst heb, en vocht mij opvult,
127 dan hebt gij toch die heete koorts, en het hoofd, dat u pijn doet; en om den spiegel van Narcissus te lekken, niet veel woorden zoudt gij behoeven om u daartoe te nooden.”
130 Om ze aan te hooren, daarop was ik gansch gericht, wanneer de Meester tot mij zeide: „Blijf maar staan te kijken, want weinig scheelt het dat ik twist met u zoek.”
133 Wanneer ik bemerkte dat hij in toorn tot mij sprak, wendde ik mij tot hem met zulk een schaamte, dat het mij nog door het geheugen wielt.
136 En gelijk degene is die van zijn eigen schade droomt dat hij, droomende, begeert te droomen, zoodat hij dat, wat is, begeert, als ware het niet;
139 tot eenen zoodanigen maakte ik mij, niet kunnende spreken en ik verontschuldigde mij gansch en al, en ik geloofde het niet (voldoende) te doen.
142 „Minder schaamte wascht grooter vergrijp,” zeide de Meester: „dan het uwe is geweest, daarom ontlast u van alle treurigheid:
145 en bedenk dat ik u altijd ter zijde ben, zoo het weder voorkomt dat de fortuin u brengt, waar menschen zijn in dergelijk dispuut;