Een-en-dertigste Zang.

Overtocht tot den negenden ommegang.

Den laatsten der Buidelen achter zich latende, naderen de Dichters den rand des afgronds, waaruit zij als torens, de reuzen ter halverlijve zien uitsteken. Een van hen, Antaeus, zet hen op den negenden ommegang, die den bodem vormt, neer.

1 Eéne zelfde tong (was het die) mij eerst beet, zoodat ze mij de eene en de andere wang verfde, en (die) mij voorts de artsenij toereikte.

4 Aldus hoor ik, dat de speer van Achilles en van zijnen vader placht oorzaak te zijn eerst van eene schâlijke en dan van eene goelijke gave.

7 Wij keerden der rampzalige vallei den rug toe, over den oever-rand, die haar van rondom omgeeft, voortgaande zonder eenig gesprek.

10 Daar was minder dan nacht en minder dan dag, zoodat de blik mij maar weinig vóóruit ging: maar ik hoorde eenen luidruchten horen schallen,

13 zóó luide dat hij elken donder zou hebben verdoofd, en die deed mij, hem tegemoet (en) zijnen weg opgaande, mijne oogen ganschelijk naar ééne plaats richten.

16 Na den pijnlijken knak, wanneer de Groote Karel faalde in zijn heilig ondernemen, toen heeft Roeland niet zoo gruwelijk getoet.

19 Nog kort maar hield ik het hoofd ginds-heen gericht, wanneer ik me docht vele hooge toornen te zien; waarom ik (zeide):„Meester, zeg, wat is dat voor een land?”

22 En hij tot mij: „Omdat gij van te verre door de duisternis uwe blikken doet gaan, gebeurt het dat gij voorts in uwe voorstelling dwaalt.

25 Gij zult wèl zien, indien gij ginds aankomt, hoezeer het zintuig door den afstand zich laat misleiden: daarom zet u zelven wat meer tot spoed aan.”

28 Voort vatte hij mij liefderijk bij de hand, en hij zeide: „Vóór dat wij dichterbij zullen zijn, opdat de zaak minder vreemd voorkome,

31 weet dat het geen torens, maar reuzen zijn en dat zij van den navel nederwaart gansch en al in den put zijn rondom langs den oever.”

34 Gelijk, wanneer de nevel zich verspreidt, de blik langzamerhand herteekent dat wat de damp verbergt, die de lucht verdikt;

37 alzoo, daar (mijn blik) de dikke en duistere lucht doorboorde, en wij al nader kwamen bij den rand, vlood mij de dwaling en won mij de vrees;

40 omdat, gelijk hoven op den ronden ring-muur Montereggion met torenen zich bekroont, aldus betorenden den rand, die den punt omringt,

43 ter halverlijve de schrikkelijke reuzen, welke Jupiter nog uit den Hemel bedreigt, wanneer hij dondert.

46 En van enkelen werd ik reeds het aangezicht gewaar, de schouders en de borst, en van den buik een groot gedeelte en langs de ribben nederwaart de armen.

49 Gewis Natuur, wanneer zij afliet van de kunst om zulke levende wezens te maken, deed wel om zulke uitvoerders aan Mars te ontnemen.

52 En dat haar geen olifanten of walvisschen rouwen, wie het keuriger beschouwt, hij houdt er haar te meer rechtvaardig en bescheiden om;

55 want, waar de drijfveer van de reden zich voegt bij den kwaden wil en het vermogen, daar kan de mensch gansch geen tegenweer bieden.

58 Zijn aangezicht scheen mij zóó lang en breed als de pijn-appel van Sint Pieter te Rome; en naar verhouding daarvan waren de overige gebeenten.

61 Zoodat de oever, die hem tot broek was van het midden nederwaart, zooveel van hem daarboven vertoonde, dat tot zijne lokken te (kunnen) komen

64 drie Friezen zich kwalijk zouden hebben beroemd; omdat ik dertig groote palmen zag van die plaats nederwaart, waar de mensch zich den mantel gespt.

67 „Rafel mai amech zabialmi,” begon de wreede muil te zingen, wien geen zoetere lofzangen voegen.

70 En de Gids mijn tot hem: „Botte ziel, houd u bij den hoorn, en geef u daarmede lucht, wanneer toorn of hartstocht u raakt.

73 Zoek aan uwen hals en daar zult gij het koord vinden, dat hem gebonden houdt, o ziel-in-verwarring, en zie naar hem, die u de groote borst omkringt.”

76 Voorts zeide hij tot mij: „Deze beschuldigt zich-zelven; dat is Nimrod, door wiens kwaden inval niet maar ééne taal in de wereld in zwang is.

79 Laten wij hem staan, en spreken we niet onnut met hem: daar deze taal voor hem zóó is als de zijne voor een ander, want aan niemand is zij bekend.”

83 Dies doen wij verder de reize, ter slinker gewend; en op een boogschot afstand, vinden wij den ander, die nog veel trotscher en grooter is.

85 Wie de meester geweest was om hem te gorden, dat weet ik niet te zeggen, maar hij hield de andere hand vóór en de rechter achter opgebonden

88 door een ketting, die hem omwonden hield van den hals nederwaart, zoodat boven het verborgene van hem, die ketting zich kronkelde tot den vijfden draai.

91 „Die hoovaardige wilde de proef nemen van zijne kracht tegen den hoogsten Jupiter,” zeide mijn Gids: „en vandaar heeft hij zoodanige verdiende straf.

94 Ephialtes heet hij; en hij deed zijne groote proefstukken, toen de reuzen de goden bevreesd maakten: de armen die hij beurde, beweegt hij nooit meer.”

97 En ik tot hem: „Indien het zijn kan, dan zoude ik wel willen dat mijne oogen ondervinding kregen van den mateloozen Briareus.”

100 Waarop hij antwoordde: „Gij zult Antaeus dicht hierbij zien, die spreekt en niet gebonden is, en die zal ons nederzetten, op den bodem van alle kwaad.

103 Diegene, dien gij zien wilt, is veel verder naar ginds, en is gebonden en van eene gedaante zooals deze, behalve dat hij veel woester schijnt in het gelaat.”

106 Nooit was er zóó geweldige aardbeving die een toren zoo hevig schudde als Ephialtes zich repte om zich heen en weer te schudden.

109 Toen vreesde ik meer dan ooit den dood; en er ware niet meer noodig geweest (om mij te doen sterven) dan die angst, indien ik niet de koorden gezien hadde.

112 Toen gingen wij verder voort en wij kwamen tot Antaeus, die wel vijf ellen, zonder het hoofd, boven de grot uitstak.

115 „O Gij, die in het fortuinig dal, dat Scipio erfgenaam van glorie maakte, wanneer Hannibal met de zijnen hem den rug toekeerde,

118 voorhenen duizend leeuwen tot buit erlangdet; en van wien het nog schijnt dat men gelooft dat, indien gij bij den hoogen oorlog uwer broeders waart geweest,

121 de zonen der aarde hadden gewonnen; zet ons beneden neer (en heb daar geen afkeer van) waar de Cocytus de kilte omsluit.

124 doe ons niet gaan tot Tityos of Typhon: deze vermag te geven datgene waarnaar men hier begeert: daarom nijg u en verdraai niet den muil.

127 Nog kan hij u roem in de wereld geven; want hij leeft, en verwacht nog een lang leven, indien niet voor den tijd de Genade hem tot zich roept.”

130 Aldus sprak de Meester; en gene breidde in der haast de handen uit, en nam mijnen Gids op met die handen van welke Hercules het nijpen had gevoeld.

133 En Virgilius, wanneer hij zich voelde vastgrijpen, zeide tot mij: „Rep u hierheen, zoodat ik u vatte:” Voorts deed hij zoo dat één bundel werden hij en ik.

136 Gelijk de Carisenda schijnt voor den kijker, die staat onder hare helling, wanneer eene wolk over haar gaat zóódat zij in tegengestelde richting helt:

139 zoo scheen Antaeus voor mij, die oplette om hem te zien zich overbuigen, en het was een oogenblik zóó dat ik wel liever langs een anderen weg had willen gaan.

142 Maar lichtelijk zette hij ons op den bodem, die Lucifer en Judas verslindt; noch bleef hij daar, aldus genegen,

145 en als een mast op een schip richtte hij zich op.

Twee-en-dertigste Zang.

De negende ommegang.

Deze loopt om het eeuwige ijs, dat zich in het Middenpunt van het Heelal bevindt, waarin de zondaars naar vier afdeelingen gerangschikt zijn. Deze zang handelt van de Kaïna, naar Kaïn genoemd, en van Antenora, genoemd naar den Trojaanschen verrader Antenor.

1 Zoo ik rijmen hadde, stugge en klokkende, zooals voegen zoude bij het doodsche hol, op het welk alle de andere rotsen rusten,

4 dan zoude ik van mijn opzet wel volkomener het sap uitpersen; maar omdat ik ze niet heb, begeef ik mij niet zonder vreeze tot het spreken.

7 Want om den bodem van het gansche heelal te beschrijven, dat is geen stuk om voor kortswijl aan te pakken, noch iets voor een taal, die paatje of maatje roept.

10 Maar die Jonkvrouwen helpen mijn vers, die Amphion hielpen om Thebe te ommuren, zoodat het woord niet verschillend zij van de daad.

13 O boven allen kwalijk geschapen gepeupel, die in die plaats zijt, waarvan te spreken hard valt, beter waart gij hier rundvee of geiten geweest.

16 Toen wij waren onder in den duisteren put, onder (aan) den voet des reuzen, gansch zeer laag, en terwijl ik nog den hoogen wand aangaapte,

19 hoorde ik tot mij zeggen: „Pas op, daar gij voorbij gaat; maakt dat gij niet met de voetzolen trapt op de hoofden der rampzalige, afgematte broederen.”

22 Waarom ik mij omdraaide, en ik zag mij te voren en onder mijne voeten een meer, dat door de vorst gelijkenis had met glas en niet met water.

25 Nooit heeft zich voor zijnen loop zoo dikken, hul des winters de Donau in Oostenrijk gemaakt noch de Don, ginds onder den kouden hemel,

28 als dáár was: zoodat als de Tabernich of de Pietrapana er op gevallen ware, het ook aan den zoom geen krak hadde gegeven.

31 En gelijk de kikvorsch staat om te kwaken met den muil buiten het Water, wanneer het huiswijf vaak van het aren lezen droomt;

34 Zóó waren, loodkleurig, de treurende schimmen in het ijs, er onder tot daar waar het blozen troont, de tanden stemmend op den toon van den ooievaar.

37 Elke hield het aangezicht naar boven gekeerd: bij hen verschaft de koude zich een uiting door den mond, en door de oogen het droeve hart.

40 Wanneer ik eerst een weinig in het rond had geschouwd, wendde ik mij naar de voeten en ik zag er twee zoo tegen elkander gedrongen dat zij de huid van het hoofd ondereen gemengd hadden.

43 „Zegt mij, gij, die de borsten zóó tegen elkander dringt,” zeide ik: „wie zijt gij.” En zij bogen de halzen, en nadat zij de aangezichten tot mij hadden opgericht,

46 leekten hunne oogen, die eerst slechts van binnen nat waren, over hunne lippen, en de vorst versteef de tranen in de oogen en sloot die:

49 Nooit sloot klamp hout aan hout zoo stevig; waardoor zij, als twee bokken, tegen elkander botsten; zoo groote toorn verwon hen.

52 En een, die de beide ooren door de koude verloren had, zeide toch nog met het gezicht naar boven: „Waarom staart gij zoo zeer op ons?

55 zoo gij weten wilt wie die beiden zijn, de vallei, van welke de Bisenzio afloopt, was van hunnen vader Alberto en van hen.

58 Van één lichaam kwamen zij voort: en de geheele Kaïna, zult gij kunnen doorzoeken, en gene schimme zult gij kunnen vinden, waardiger om te zijn vastgestoken in het ijs:

61 niet degene, wien de borst èn de schaduw werd gebroken door dien éénen slag van de hand van Arthur: niet Focaccia, niet degene die mij

64 zoo zeer met het hoofd overstelpt dat ik niet meer uit kan zien, en Sassol Mascheroni genoemd werd: zoo gij Toscaner zijt, dan weet gij voorwaar wel wie hij was.

67 En op dat gij mij niet in meer gesprekken wikkelt, weet dat ik was Camicione dei Pazzi en dat ik wacht op Carlino dat hij mijne schuld verduistere.”

70 Voorts zag ik duizend gezichten, hondsch geworden door de kou: waardoor mij huivering aanvaart en aanvaren zal altijd voor bevrozen plassen.

73 En terwijl wij naar dat middenpunt toegingen, waar alle zwaarte op samenkomt, en terwijl ik beefde in de eeuwige duisternis;

76 het zij het willens was, of noodlot, of toeval, ik weet het niet; maar passeerende tusschen de hoofden, stiet ik den voet hard tegen het gezicht van éénen.

79 Krijtende riep hij tot mij: „Waarom stoot gij mij? Zoo gij niet komt om de wraak over Monte Aperti te verergeren, waarom plaagt gij mij?”

82 En ik: „Meester mijn, nu wacht mij hier, zóódat ik door dezen van eenen twijfel ontheven worde: voorts zal ik, zooveel gij maar zult willen, haast maken.

85 De gids bleef stil staan; en ik zeide tot hem, die nog hard vloekte: „Wie zijt gij, die aldus een ander gispt?”

88 „Maar wie zijt gij, die door Antenora gaat,” antwoordde hij: „een ander de wangen stootende, zoodat, als gij levend waart, het te erg zoude zijn?”

91 „Levend ben ik, en lief kan het u zijn,” was mijn antwoord: „indien gij naar roem verlangt, dat ik uw naam zette onder mijn andere opteekeningen.”

94 En hij tot mij: „Het tegendeel begeer ik: pak u van hier en geef mij niet meer overlast: want kwalijk weet gij te schertsen in deze delling.”

97 Toen nam ik hem bij de nekharen, en ik zeide: „Het zal pas geven dat gij of u zelven noemt, of dat u hier geen haar op over blijve.”

100 Waarop hij tot mij: „Omdat gij mij onthaart, daarom zal ik u toch niet zeggen wie ik ben, noch zal ik het u openbaren, al valt ge mij ook duizend malen op het hoofd.”

103 Ik had reeds zijne haren in mijn hand geplukt, en ik had er hem meer dan eene lok uitgetrokken, terwijl hij blafte met de oogen naar beneden afgewend gehouden,

106 wanneer een ander riep: „Wat hebt gij Bocca? is het u niet genoeg te klapperen met de kaken, dat gij ook nog blaft? wat duivel pakt u.”

109 „Voortaan,” zeide ik: „wil ik niet dat gij spreekt, kwade verrader, daar ik tot uwe schande ware kwade berichten van u zal mededragen,”

112 „Ga weg,” antwoordde hij: „en vertel wat gij wilt; maar zwijg niet, als gij van hier-binnen weggaat, van hem die de tong zóó rad had.

115 Hier weent hij over het geld der Franschen: „„ik zag,”” zult gij kunnen zeggen: „„dien van Duera, daar waar de zondaars koel staan.””

118 Indien ge gevraagd wordt naar anderen die er waren, aan uw ééne zijde hebt ge dien van Becheria, van wien Florence de keel afsneed.

121 Gianni del Soldanier geloof ik dat meer ginds heen is met Ganeloen en Tribaldello, die Faenza opende toen men sliep.”

124 Wij waren reeds van hem verscheiden, toen ik er twee zag, bevroren in één hol, zóó dat het ééne hoofd aan het andere tot hoofd-deksel was.

127 En gelijk men uit honger op het brood kauwt, zóó zette de bovenste de tanden in den onderste, daar waar de hersen-kast met den nek samenkomt.

130 Niet anders knauwde Tydeus de slapen van Melanippus uit verbetenheid, dan deze deed met het hoofd en de andere dingen.

133 „O gij, die door zoo beestelijk kenteeken toont den haat op gene, dat gij hem eet, zeg mij het waarom,” zeide ik: „op zulk beding:

136 dat, als gij u met reden over hem beklaagt, ik wetende wie gij beiden zijt, en zijn vergrijp, ik in de wereld hierboven het u nog vergelde,

139 zoo deze (tong), waarmede ik spreek, niet verdorre.”

Drie-en-dertigste Zang.

Vervolg van den negenden ommegang.

Dante verneemt van Graaf Ugolino zijn gruwelijken dood hem door zijn buurman Aartsbisschop Ruggieri berokkend; en verneemt dan van Broeder Alberigo het lot der vriendschaps-verraders.

1 Die zondaar hief den mond op van dat wreede voeder, hem afwisschende aan de haren van het hoofd, dat hij van achter open-gebroken had.

4 Voorts begon hij: „Gij wilt dat ik vernieuwe de wanhopige smart, die mij het hart prangt, reeds zoo door harer te gedenken, voor ik er van spreke.

7 Maar zoo mijn woorden het zaad moeten zijn, dat schande doe opgroeien voor den verrader dien ik knauw, zult gij mij tegelijk zien weenen en spreken.

10 Ik weet niet we gij zijt, noch op wat wijze gij hier beneden zijt gekomen; maar Florentijner schijnt gij mij in waarheid, wanneer ik u hoor.

13 Gij moet weten dat ik graaf Ugolino was, en deze de Aartsbisschop Ruggieri: nu zal ik u zeggen waarom ik hem zóó na ben.

16 Dat door de uitvoering van zijne kwade gedachten, ik, mij op hem vertrouwende, gevangen en voorts ter dood gebracht werd, dit is niet noodig te zeggen.

19 Dies, dat wat gij niet kunt hebben vernomen, dat is hoe rauw mijn dood was, dat zult gij hooren, en gij zult beseffen of hij mij heeft beleedigd.

22 Het kleine luchtgat binnen in het hol, dat door mij den naam „des Hongers” heeft, en waarin nog weer een en ander moest opgesloten worden,

25 had mij door zijne opening reeds meerdere manen doen zien, wanneer ik den kwaden droom droomde, die mij van de toekomst den sluier scheurde.

28 Deze hier scheen mij heer en meester, jagende den wolf en de welpjes naar het gebergte, waardoor de Pisanen Lucca niet kunnen zien.

31 Met honden, mager, gierig en wèl beproefd, had hij Gualandi met Sismondi en met Lanfranchi voor zich henen gezonden.

34 Na korten loop schenen mij de vader en de zonen vermoeid en ik docht me genen hun met de slagtanden de flanken te zien klieven.

37 Wanneer ik tegen den morgen ontwaakt was, merkte ik dat mijn zonen, die met mij waren, in den slaap weenden en om brood vroegen.

40 Wel zijt gij wreed, zoo gij u niet reeds bedroeft, bepeinzende dat wat zich aan mijn hart aankondigde; en als gij nu niet weent, om wat pleegt gij dan te weenen?

43 Reeds waren zij ontwaakt, en het uur naderde, waarop de spijze ons placht gebracht te worden, en door zijn droom twijfelde een elk:

46 En ik hoorde den toegang beneden tot den gruwelijken toren (met de sleutel) sluiten; waarom ik mijne zonen in het aangezicht keek zonder een woord te spreken.

49 ik weende niet; zóó was ik van binnen versteend: zij weenden: en mijn Anselmuccio zeide: „„Gij kijkt zoo, vader: wat hebt gij?””

52 Nog weende ik daarom niet, noch antwoordde dien ganschen dag, noch den nacht daarna, totdat de volgende zon in de wereld opging.

55 Toen een weinig daglicht zich had nedergelegd in den smartelijken kerker, en ik aan vier aangezichten mijn eigen aanblik gewaar werd,

58 beet ik mij de beide handen van smart. En genen, denkende dat ik ze kliefde uit verlangen om te eten, rezen plotseling op

61 en zeiden: „„Vader, veel minder wierd onze smart, als gij van ons at: gij bekleeddet ons met dit ellendige vleesch, berooi gij ons ook daarvan.””

64 Ik hield mij toen stil, om hem niet droever te maken; dien dag en den volgenden bleven we gansch verstomd; wee, harde aarde, waarom opendet ge u niet?

67 Nadat wij aan den vierden dag waren gekomen, wierp Gaddo zich uitgestrekt mij voor de voeten, zeggende: „„Mijn vader, waarom helpt gij mij niet?””

70 Daar stierf hij: en zoowaar als gij mij ziet, ik zag ze vallen alle drie, één voor een, tusschen den vijfden en den zesden dag: waarop ik mij begaf

73 reeds blind te tasten over elk van hen, en twee dagen riep ik hen, nadat zij gestorven waren: daarna, meer dan de smart vermocht het vasten.

76 Wanneer hij dat gezegd had, hervatte hij met de oogen verdraaid, het ellendig hoofd met de tanden, die, als die van een hond, kracht hadden voor het gebeente.

79 Wee Pisa, schande der volkeren van het schoone land waar het si klinkt; omdat uwe naburen traag zijn om u te straffen,

82 laat (de eilanden) Capraia en Gorgona zich opmaken en een dam maken voor den Arno aan zijn keelgat, zoodat die in u alle man verzuipe.

85 Want al had Graaf Ugolijn den roep van u door verraad om de forten te hebben gebracht, daarom moest gij nog niet zijne zonen tot zulk een marteldood brengen.

88 Onschuldig maakte de jonge leeftijd, o hernieuwd Thebe, Hugo en Brigata en de andere twee, die het gedicht hierboven noemt.

91 Wij gingen verder voort, daar waar het ijs een ander volk rauw te zamen bundelt, niet naar boven gewend, maar ganschelijk omgekeerd.

94 De weeklacht zelf laat ze niet toe te weeklagen, en de smart, die boven op de oogen verstopping vindt, keert zich naar binnen om de benauwenis te doen aangroeien,

97 daar de eerste tranen eene ophooping maken, en, als een visier van ijs, onder het ooglid de gansche kas vervullen.

100 En hoewel als door eelt, alle gevoel voor koude geweken was van mijn gezicht,

103 reeds scheen ik mij toe eenigen wind te gevoelen; waarom ik (zeide: „Meester mijn, wie beweegt dit? is hier beneden niet alle warmte òp?”

106 Waarop hij tot mij: „Spoedig zult gij daar zijn, waar het oog u hierop antwoord zal geven, ziende de oorzaak, die den wind doet komen.”

109 En één der droeven van de koude korst schreeuwde naar ons: „O zóó wreede zielen, dat u de uiterste standplaats is gegeven,

112 licht mij van het gezicht de harde sluiers, zoodat ik de smart luchte, die mij het hart drenkt, maar even vóórdat het weensel (weer) bevriest.”

115 Waarom ik tot hem: „Zoo gij wilt dat ik u te hulp kome, zeg mij wie gij zijt; en zoo ik u niet ontbolstere, voege het mij te gaan tot aan den bodem van het ijs.”

118 Dies antwoordde hij: „Ik ben broeder Alberigo, ik ben die van de vruchten van den slechten tuin, die hier dadels voor vijgen krijg.”

121 „O,” zeide ik tot hem: „zijt gij nu reeds dood?” En hij tot mij: „Hoe het mijn lichaam vergaat, boven in de wereld, geen wetenschap draag ik daarvan.

124 Zoodanig voorrecht heeft deze Ptolemea, dat vele malen de ziel er in nedervalt voordat Atropos haar den zet geeft.

127 En opdat gij te liever mij de verglaasde tranen van de oogen afstrijkt, weet dat, zoodra de ziel verraadt,

130 gelijk ik deed, haar lichaam haar ontnomen wordt door eenen duivel, die voorts haar bestuurt totdat haar gansche tijd verstreken is.

133 Zij echter stort neder in dusdanigen put; en wellicht verschijnt het lichaam nog boven van de schim, die ginds achter mij overwintert.

136 Gij moet het weten, indien gij eerst kortelings beneden komt: dat is Heer Branca d’Oria, en er zijn reeds meerdere jaren later voorbijgegaan sedert hij aldus werd opgesloten.”

139 „Ik geloof,” zeide ik tot hem: „dat gij mij misleidt; want Branca d’Oria is nog gansch niet dood, en eet en drinkt en slaapt en draagt kleeren.”

142 „In de gracht boven,” zeide hij; „van Kwaadklauw, daar waar het kleverig pek kookt was Michel Zancho nog niet gekomen

145 of deze liet eenen duivel ter zijner vervanging in zijn lichaam, en in dat van een zijner verwanten, die het verraad te zamen met hem pleegde.

148 Maar spreid nu de hand naar hier uit; open mij de oogen.”—Maar ik opende ze hem niet; en hupschheid was het tegen hem vlegel te zijn.

151 Wee, Genuanen, menschen wars van alle goede zeden, en vol van alle slechtheid, waarom zijt gij niet van de wereld verdelgd?

154 Daar ik met den slechtsten geest van Romagna van ulieden eenen zoodanigen vond, dat hij wegens zijne werken met de ziel reeds in den Cocytus zich baadt

157 en in het lichaam nog levend hier boven schijnt.

Vier-en-dertigste Zang.

Vervolg van den negenden ommegang.

De Dichters zien Lucifer en komen langs hem tot het ander halfrond.

1Vexilla Regis prodeunt Inferni te ons-waart: daarom zie voor u uit,” zeide mijn Meester: of gij hem onderscheidt.”

4 Gelijk, wanneer een dichte nevel rijst of wanneer ons half-rond in den nacht is, van verre een molen zich vertoont, welken de wind draait;

7 docht ik mij alstoen een zoodanig gebouw te zien: voorts wegens den wind drong ik mij terug tegen mijnen gids, daar er geen andere beschutting was.

10 Reeds was ik (en met vreeze stél ik het in dichtmaat) dáár, waar de schimmen gansch bedekt waren en dóórschemerden als een halm door glas.

13 Sommigen zijn liggende; anderen staan recht op, deze met het hoofd en gene met de voetzolen naar boven; weer een andere, als een boog, het aangezicht naar de voeten gekeerd.

16 Wanneer wij zooveel voor hem waren gekomen, dat het mijnen meester behaagde mij te toonen het schepsel, dat het schoone voorkomen hàd,

19 ging hij van vóór mij weg en deed hij mij stil staan, zeggende: „Zie dit is Dis, en dit is de plaats, waar het voegt dat gij u met dapperheid wapent.”

22 Hoe ik toen bevrozen werd en bezweem, wil het niet vragen, lezer, daar ik het niet beschrijf, omdat alle spreken te kort zou schieten.

25 Ik stierf niet en bleef niet levend: dies denk nu maar bij u zelven, zoo gij een greintje geest hebt hoedanig één ik werd, van het ééne en het andere verstoken.

28 De beheerscher van het smartelijke rijk kwam ter halver borst uit het ijs naar buiten; en minder kom ik met een reus overéén,

31 dan de reuzen overéénkomen met zijne armen: dan zie hoe groot hij moet zijn in zijn geheel, dat evenredig is aan dusdanig deel.

34 Indien hij zoo schoon was als hij nu leelijk is, en (dan toch) tegen zijnen Maker de wenkbrauwen verhief, dan moet wel van hem alle rouw uitgaan.

37 O hoe groot een wonder scheen hij mij toe, wanneer ik drie aangezichten aan zijn hoofd zag! Het ééne van voren, en dat was vleeschkleurig;

40 van de andere twee, die zich toevoegden aan dat (andere) boven het midden van elken schouder, en die samenkwamen aan de plaats van de kam,

43 scheen het rechter mij toe (te zijn) tusschen het witte en gele; het linker was om te zien zoodanig als (zij zijn die) komen van daar van waar de Nijl af komt zakken.

46 Onder elk (aangezicht) kwamen twee groote vleugels te voorschijn, zóó groot als paste aan zoo grooten vogel: zeilen van een zeeschip zag ik nooit dusdanig:

49 zij hadden geen vederen, maar van een vleermuis was hun manier, en die (vleugels) wuifde hij, zóódat drie winden zich van hem weg bewogen.

52 Vandaar dat de gansche Cocytus bevroos: met zes oogen weende hij, en langs drie kinnen gudste het weensel en bloedig schuim.

55 In êlken mond brak hij met de tanden een zondaar op de wijze van een hennep-raak zoodat hij er drie zoo zeer door deed pijn lijden.

58 Voor dien in den voorsten bek was het bijten niets vergeleken met het krauwen, zóódat meermalen de ruggegraat gansch ontbloot bleef van de huid.

61 „Die ziel daarboven, die de grootste straffe heeft,” zeide de Meester „is Judas Iscarioth, die het hoofd binnen en de beenen buiten houdt.

64 Van de andere twee die het hoofd naar omlaag hebben, is die, die hangt uit het zwarte aangezicht, Brutus; zie hoe hij zich wringt en geen woord spreekt:

67 en de andere is Cassius, die zoo wel ter vleesche lijkt.—Maar de nacht verrijst, en van nu aan is het (tijd) om te vertrekken, daar wij alles gezien hebben.”

70 Gelijk hem behaagde, omwond ik hem den hals; en hij nam zijn tijd en plaats waar: en wanneer de vlerken genoegzaam geopend waren

73 greep hij zich vast aan de bevachte flanken: van vacht tot vacht daalde hij voorts af tusschen de ruige huid en de bevrozen korsten.

76 Wanneer wij dáár waren waar de heup zich draait vlak boven het dikke der schoften, draaide de Gids met moeite en als in doodsnood

79 het hoofd daarheen waar gene de voeten had, en hij klampte zich vast aan de vacht als een mensch die stijgt, zoodat ik nog weer geloofde in de hel terug te keeren.

82 „Houd u goed vast, daar langs dusdanige trappen,” zeide de Meester hijgende als een vermoeid mensch: „het voegt te vertrekken van zoo groot kwaad.”

85 Voorts ging hij naar buiten door de opening van een rots en hij zette mij zoodat ik zat boven op den rand, voorts strekte hij naar mij de voorzichtige voeten.

88 Ik hief de oogen op en meende Lucifer te (zullen) zien, gelijk ik hem verlaten had, en ik zag hem de beenen naarboven houden:

91 en of ik toen in verwarring geraakte, dat bedenke het grove volk, dat niet inziet hoedanig het punt was dat ik was gepasseerd.

94 „Richt u op,” zeide de Meester: „op de voeten: de reis is lang en de weg is moeielijk, en reeds is het anderhalf uur dat de zon terugkeert.”

97 Geen zaal van een paleis was het daar, waar wij waren, maar een natuurlijke grot, die een slechten vloer had en gebrek aan licht.

100 „Voordat ik mij van den afgrond wegruk, Meester mijn,” zeide ik, wanneer ik recht op stond; „spreek een weinig tot mij om mij uit de dwaling te helpen.

103 Waar is het ijs? En gene, hoe is die zoo ondersteboven geplaatst? en hoe heeft in zoo weinig tijds de Zon van avond tot ochtend de reis gemaakt?”

106 En hij tot mij: „Gij verbeeldt u nog te zijn aan gene zijde van het middelpunt, daar waar ik mij vastgreep aan de vacht van den kwaden Worm, die de wereld doorboort.

109 Ginds waart gij, zoolang ik daalde; wanneer ik mij omkeerde, passeerdet gij het punt waarhenen zich van alle kanten de zwaarten laten aantrekken:

112 en nu zijt gij onder dat (hemelsch) halfrond gekomen, dat tegenovergesteld is aan dat, hetwelk het groote vasteland overstolpt, en onder welks hoogste punt gedood

113 werd de Mensch, die geboren werd en leefde zonder zonde: gij hebt de voeten boven den kleinen cirkel die de keerzijde uitmaakt van de Judecca.

118 Hier is het morgen wanneer het dáár avond is: en gene die ons met de vacht tot trap diende, is nog geplaatst zooals hij eerst was.

121 Van deze zijde viel hij neder van den Hemel; en de aarde, die te voren aan deze zijde oprees, maakte zich uit vrees voor hem van de zee een sluier,

124 en kwam tot ons halfrond, en wellicht liet de aarde die ginds te zien is, hier de plaats ledig om hem te ontvluchten.”

127 Daar beneden is eene plaats van Belzebub zóó ver verwijderd als het Graf zich uitstrekt, welke plaats niet door het gezicht maar aan een geluid gekend wordt

130 van een beekje, dat daar nederdaalt door de holte van een rots, die het heeft uitgehold door den loop dien het kronkelend neemt, en dat weinig helt.

133 De gids en ik, langs dien verborgen weg kwamen wij daar om weder te keeren tot de lichte wereld: en zonder ons te bekommeren om eenige rust

136 stegen wij, hij eerst en ik de tweede, zoolang tot ik van de schoone zaken, die de Hemel draagt, iets zag door een ronde opening:

139 en daar kwamen wij naar buiten om weder te zien de sterren.