Carex japonica fol. var. Deze plant, die tot de familie van de Rietgrassen toehoort, is pas betrekkelijk korten tijd in den handel, en daardoor nog lang niet algemeen verspreid; zij bezit echter zooveel goede eigenschappen, dat zij niet warm genoeg kan aanbevolen worden. De ongeveer 4 m.M. breede bladeren van dit bonte plantje kunnen 75 cM. lang worden, en hangen dan elegant gebogen over den pot heen. Zij ontspruiten uit den wortelstok en zijn helder groen met een lichtgelen rand. Een eigenaardige schoonheid verleenen ook nog de bloemaren aan deze plant, hetgeen op de gravure duidelijk zichtbaar is.
Fig. 215. Carex japonica fol. var.
De bonte Carex is een ijzersterke kamerplant, die uitstekend voor de bloemtafel geschikt is. Over het algemeen ziet men haar voor een warme kasplant aan, en kweekt men haar dus in een vochtig warme lucht; dit is echter geenszins noodig, daar zij zelfs zonder bedekking eenige graden vorst kan verdragen en dan ook beter voor de koelere vertrekken geschikt is. De Carex verlangt in goede broeiaarde geplant te worden, en verdraagt des zomers zeer veel water. Door verdeeling en ook uit zaden laat zij zich zeer gemakkelijk voortkweeken.
Farfugium grande. Een der allerbeste en hardste kamerplanten is zeker wel de uit China afkomstige Farfugium. De bladeren ontspruiten direct uit den wortelstok en staan op lange, sappige stelen; zij zijn tamelijk groot, onregelmatig van vorm, en met gele vlekken bezet. Deze plant is zeer geschikt voor den beginnenden liefhebber, die nog niet op de hoogte is van al de eischen, door de planten gesteld. Daar zij flink groeit, moet men haar in tamelijk groote potten zetten, bij voorkeur in zeer voedzame broeiaarde, vermengd met een goede hoeveelheid graszodengrond. Voor het begieten behoeft men niet bevreesd te zijn, daar zij tamelijk veel water kan verdragen. Des zomers verlangt de Farfugium een luchtige, tegen te scherpe zon beschermde plaats; het best doet men, haar in den tuin of op het balkon te plaatsen.
Des winters stelt zij geen hooge eischen, daar men haar in een koude, doch ook in een matig warme kamer kan laten overwinteren, terwijl zij ook met een minder lichte standplaats tevreden is. Oude exemplaren kan men in het voorjaar bij het verplanten door scheuring vermenigvuldigen.
Fig. 216. Ophiopogon Jaburan fol. var.
Gynura aurantiaca. De Gynura is een sierlijke, kruidachtige Oost-indische bladplant, met ovale, dicht behaarde bladeren, die in jeugdigen toestand door haar blauw-violetten glans de opmerkzaamheid trekken. Door haar fraaie kleur heeft men gemeend deze plant voor mozaïek-vakken te kunnen gebruiken; zij bleek daarvoor echter ongeschikt te zijn en is thans bijna geheel uit de cultures verdwenen.
Toch is de Gynura als kamerplant zeer aan te bevelen; zij groeit in bijna iederen voedzamen grond zeer goed, krijgt vooral in de zon een zeer fraaie kleur en kan des zomers voor het venster staan. De kruidachtige stengelspitsen groeien als stekken zeer goed en leveren spoedig jonge plantjes.
Ophiopogon. Verschillende Japansche Ophiopogon-soorten zijn harde potplanten, die in de kamer zeer duurzaam zijn. Zij zijn door haar elegante grasachtige, nú eens groene, dán weder bonte bladeren uitstekend geschikt voor bloemtafels, kamerkasjes en terrariums. De schoonste en meest bekende soort is zeker wel de uit Japan ingevoerde Ophiopogon Jaburan fol. var., door Fig. 216 afgebeeld. Deze plant, met fraaie, groen met geel gestreepte bladeren en niet onaardige blauwe bloempjes, is werkelijk hard, en kan jaar in, jaar uit in een warm vertrek gehouden worden. Het liefst overwintert zij echter in een koel vertrek, een eigenschap van bijna alle Japansche planten; des zomers geeft men haar dan een plaatsje in het bloemenrekje voor het venster. Hoewel men de Ophiopogon veelal als kleine plant aantreft, laat zij zich toch, wanneer men haar jaarlijks in goede aarde verplant, tot een werkelijk schoon exemplaar aankweeken. De voortkweeking geschiedt door verdeeling der oude planten, waarbij de dikke wortelstok met een, scherp mesje doorgesneden moet worden.
Fig. 217. Plectogyne (Aspidistra) elatior.
Plectogyne (Aspidistra) elatior. Wanneer men den naam van deze plant hoort en de gravure er van ziet, dan zal men haar direct als een oude bekende herkennen. Wie toch kent deze kruidachtige plant niet; wie heeft haar nooit in de kamer gekweekt? De uit China en Japan afkomstige Aspidistra2 is goed ontwikkeld, een werkelijk schoone plant. De bladeren, die bij de typische soort groen, bij de ééne variëteit groen met gele of witte strepen en bij de andere groen met witte vlekken zijn, ontspruiten uit een wortelstok, die zich even onder de oppervlakte van de aarde bevindt. Een zich ontwikkelend blad is met een steunblad omgeven, waaruit het langzaam te voorschijn komt. De nu en dan verschijnende bloemen zijn onbeduidend; zij zitten vlak tegen de aarde aan den wortelstok en hebben een lichtgroene kleur. Deze plant schijnt geheel ongevoelig te zijn voor een donkere standplaats, droge kamerlucht en stof; ook schijnt te veel warmte haar niet te hinderen; dit neemt evenwel niet weg, dat men beter doet haar goed te behandelen, geregeld te begieten, de bladeren schoon te houden en ze op een lichte plaats te zetten. Het is voldoende, wanneer men haar eens om de twee jaren verpot, waartoe men een mengsel gebruikt van blad- en broeiaarde; heeft men dit niet, dan kan men ook lichten tuingrond gebruiken. Het best overwintert zij in een vertrek met een temperatuur van 45°–50° Fahr. De voortkweeking geschiedt door verdeeling der planten.
Phormium tenax (Nieuw-Zeelandsch Vlas). De Phormium is een zeer fraaie plant, met lange, zwaardvormige, groene bladeren, die voor een gedeelte uit een zeer taaie vezelstof bestaan, welke voor het vervaardigen van touw wordt gebruikt. Het is een harde plant, die, in een kuip gekweekt, zeer geschikt voor decoratie is.
Fig. 218. Reineckia carnea.
Er bestaan talrijke variëteiten van met fraaie bont gestreepte bladeren. Zeer goed laat zich de Phormium des winters gebruiken tot het versieren van vestibules en trappen, terwijl zij des zomers buiten wil staan. Een eigenlijke kamerplant is zij dus niet. Voor het verplanten, dat bij oude exemplaren slechts weinig noodig is, wordt goede, zware grond gebruikt. De vermenigvuldiging geschiedt bij de groene soort door zaden en verdeeling, maar bij de bonte variëteiten uitsluitend door deeling.
Reineckia carnea. Dit is een sierlijke, in China inheemsche, kruidachtige bladplant, die zeer hard is en zich daardoor uitstekend in de kamer laat kweeken. Zeer mooi vooral is de witbonte variëteit. De Reineckia heeft vleeschkleurige bloempjes, die, zooals ook de gravure aantoont, in aartjes vereenigd zijn en haar waarde nog verhoogen. Wij durven gerust het kweeken van dit lieve plantje, dat de kweekers veel tot het beplanten van jardinières gebruiken, aanbevelen. Plant men haar in goede aarde, in potten van 10–12 cM. wijdte, dan zal zij zich spoedig zeer fraai ontwikkelen. Des winters verlangt zij een temperatuur van 45°–50° Fahr.; zij verdraagt echter zeer goed de temperatuur van een niet te warm woonvertrek, en wordt liefst op een eenigszins beschaduwde plek gezet. De voortkweeking geschiedt gemakkelijk door verdeeling der moederplant. Staat zij op een vochtige plaats, dan maken de scheuten reeds wortel, wanneer zij nog aan de moederplant zitten.
Fig. 219. Begonia Rex.
Fig. 220. Het voortkweeken van Bladbegonia’s.
Fig. 221. Begonia rubella.
Begonia Rex (Bladbegonia). Behooren de Knol- en Heesterachtige Begonia’s tot de schoonste en dankbaarste bloemplanten, de z.g.n. Bladbegonia’s moeten zeker tot de allerfraaiste bladplanten gerekend worden, die voor kamercultuur geschikt zijn. Hoewel ook de Bladbegonia’s bloemen voortbrengen, worden zij toch uitsluitend ter wille van haar schoone bladeren gekweekt. Deze Begonia’s behooren tot de fraaiste en duurzaamste planten, waarmede men de kamer gedurende den herfst en den winter versieren kan. Het was ongeveer in het jaar 1850, dat de Bladbegonia’s haar glanspunt bereikten, evenals dit nu met de Knolbegonia’s het geval is. Geheel uit de mode geraakt zijn zij echter niet. Ook tegenwoordig is het nog steeds een zeer gezochte marktplant; daar men echter in de fabrieken van kunstbloemen de Bladbegonia’s beter dan eenig andere plant kan namaken, vindt men nu meer nagemaakte dan echte Begonia’s in de kamers. Natuurlijk is dit zeer te betreuren, te meer, daar die metalen planten, die nooit veranderen, juist niet geschikt zijn, om den smaak van het publiek te verbeteren. Er bestaat een zeer groot aantal prachtige variëteiten, die zeer groote bladeren maken, welke met de fraaiste kleuren geteekend zijn. Tegenwoordig heeft men ook een éénkleurige variëteit, de Begonia “Perle de Paris”, een zeer teere soort met zilverwitte bladeren. Een zeer interessante soort is ook de Begonia Comtesse Louise Erdody, waarvan de bladeren aan den voet spiraalsgewijze gewonden zijn. In tegenstelling met de Knolbegonia’s groeien de Bladbegonia’s het gansche jaar door. Zij verlangen zandige heideaarde, een warme standplaats en een niet te droge lucht; verder moet men ze tegen te scherpe zon beschermen en ze vooral niet bespuiten. Zeer interessant is de voortkweeking dezer planten, hetgeen door de bladeren geschiedt. Men snijdt daartoe een goed volwassen blad met een stukje steel af, en geeft dit met een scherp mesje aan de ondervlakte eenige insnijdingen in de hoofdnerf, bij voorkeur daar, waar deze zich vertakt. Het op deze wijze ingesneden blad wordt nu zoodanig in een, met een glasplaat bedekten, schotel gelegd, dat de steel in de aarde staat en de ingesneden hoofdnerf op de aarde komt te liggen. Om het oplichten te voorkomen, legt men kleine steentjes of scherven op de bovenzijde van het blad. Na eenige weken zullen zich aan al de insnijdingen en ook aan den bladvoet knoppen vormen, die zich spoedig ontwikkelen en dan heel aardige jonge plantjes worden. Jammer genoeg slaagt deze wijze van voortkweeken meestal in een kamer niet al te best, daar den liefhebber de daartoe zeer noodige bodemwarmte ontbreekt. Toch is het wel waard, er de proef eens mede te nemen. Schijnt de zon, dan moet het op de beschreven wijze neergelegde blad daartegen geschermd worden. Het gieten mag alleen maar langs den potrand gebeuren, opdat de bladvlakte niet vochtig wordt.
Fig. 222. Curculigo recurvata.
De Bladbegonia’s zijn kruidachtige planten met een dikken, vleezigen wortelstok. Men kan ze zeer lang goed houden, wanneer zij in het voorjaar verplant worden in een mengsel van heide- en broei-aarde, waaraan wat hoornspaanders zijn toegevoegd. Des winters moet men ze slechts matig begieten. Heeft men hardere variëteiten, dan groeien zij ook zeer goed buiten, mits men ze op een beschaduwde plek zet. Naast de Begonia Rex zijn er nog verscheidene kruidachtige Begonia’s, die om de bladeren gekweekt worden. Eenige daarvan groeien tamelijk hoog op, en hebben fraai geteekende of gevlekte bladeren, van andere hardere soorten daarentegen zijn deze groot en groenachtig. Tot deze laatste behoort de Begonia rubella, (Fig. 221.)
Fig. 223. Fittonia Verschaffeltii.
Coleus. Van de Coleus behooren verscheidene soorten op Java thuis, en van deze stammen al de prachtige variëteiten, die tegenwoordig gekweekt worden, af. De hardere soorten spelen een voorname rol bij het aanleggen van mozaïek-vakken; de teerderen, waarvan vele zich door werkelijk prachtige kleuren onderscheiden, vormen zeer schoone potplanten, die des zomers zeer goed achter een zonnig, gesloten venster groeien. Terwijl de Coleus des zomers op een warme standplaats zeer goed groeit, vooral, wanneer men ze verscheidene malen in goede broeiaarde verpot, ze rijkelijk giert en begiet, is zij in den winter zeer gevoelig, zoodat zij moet overwinteren in een vertrek met een gemiddelde temperatuur van 65° Fahr. Is men nu zeer voorzichtig met gieten en let men goed op het ongedierte, dan zullen zij wellicht goed den winter doorkomen; zeker is dit echter niet. Het best doet men in het voorjaar jonge planten te koopen, die zeer goedkoop zijn. Het schoonst is de Coleus met roode bladeren, die bij eenige grootbladerige soorten bijna de afmeting van een Ficus-blad kunnen bereiken. De bloemen zijn zeer onbeduidend en verschijnen slechts bij zeer groote planten of bij die, welke gebrek aan voedsel hebben. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door stekken, die binnen enkele dagen wortel maken.
Curculigo recurvata. De Curculigo is een der fraaiste kruidachtige planten voor warme vertrekken. Op lange, grootvormige bladstelen draagt zij bladeren, die tot een Meter lengte kunnen bereiken, met een gegolfde oppervlakte en van een frisch groene kleur, die bij een teerdere soort met gele strepen wordt afgewisseld. Door deze elegant omgebogen bladeren is de Curculigo uitstekend geschikt voor vrijstaande plant op een standaard. Op de bloemtafel kan men haar als middenplant gebruiken, doch men moet er dan voorzichtig mede zijn; door het gieten toch, wordt licht tegen de bladeren gestooten, die dan zeer gemakkelijk knakken. Een natuurlijk verschijnsel is het, ook bij gezonde planten, dat de bladspitsen dor en zwart worden; zij mogen daarom echter niet afgesneden worden. Dicht aan den wortelhals verschijnen, half tusschen schutbladeren verborgen en tot een dichten bundel vereenigd, de gele bloemen, die volstrekt geen waarde aan de plant geven.
De Curculigo is niet zeer teer; zij verdraagt de droge kamerlucht heel goed en ontwikkelt in één zomer drie tot vier fraaie, groote bladeren, wanneer men ze in het voorjaar behoorlijk verpot heeft in met wat graszodengrond vermengde heide-aarde. Bij het verplanten kunnen de talrijke worteluitloopers afgesneden en in een afzonderlijk potje opgeplant worden. Zorgt men er niet voor, dat de bladeren goed zuiver gehouden worden, en vergeet men ze bij warm weder aan beide zijden te bespuiten, dan warden zij spoedig door ongedierte aangetast. Wanneer men te veel giet, wordt de Curculigo wortelziek; de frisch groene bladeren verkrijgen dan een geelachtige, ongezonde kleur.
Fittonia. De Fittonia’s zijn sierlijke, kruidachtige, bont geaderde bladplanten, welke ieder, die haar ziet, direct bevallen. Evenals zooveel andere fraaie bonte bladplanten zijn ook de Fittonia’s zeer gevoelig; zij houden van schaduw, warmte en vochtige lucht, waarom men ze het best kan kweeken in het kamerkasje of het terrarium. Plant men ze in het terrarium uit, dan ontwikkelen deze over den bodem kruipende planten, die niet veel hooger dan 10 cM. worden, zich zeer fraai; wil men ze in potten houden, dan groeien zij het best in platte schalen. De grond, dien men ze geeft, moet vooral poreus wezen; het best gebruikt men grove stukjes heide-aarde, waar de fijne bestanddeelen uit gezeefd zijn, vermengd met stukjes turf en een weinig zand. De potten moeten van een goede drainage, bestaande uit scherven en stukjes houtskool, voorzien worden. Staan zij in een vochtig warme lucht, dan hebben de Fittonia’s geen behoefte aan veel licht. Des zomers moeten zij rijkelijk, des winters spaarzamer begoten worden. In den handel treft men twee soorten aan, namelijk Fittonia argyroneura, een tamelijk teere soort, met zeer fraaie, wit geaderde bladeren, en Fittonia Verschaffeltii, een hardere soort, met grootere, rood geaderde bladeren. Van beide soorten zijn de bloemen onbeduidend. De voortkweeking geschiedt door stekken, die, in het kamerkasje, gemakkelijk wortel maken.
Maranta. De Maranta’s zijn prachtige bladplanten, afkomstig uit tropisch Amerika; het is echter jammer, dat zij zoo gevoelig zijn voor droge kamerlucht. Van de talrijke soorten, waaronder er zijn met zeer schoon geteekende bladeren, die in de kassen der groote liefhebbers worden gekweekt, zijn slechts zeer weinigen voor kamercultuur geschikt. Deze planten verlangen een zeer vochtige lucht en een beschaduwde standplaats. Staan zij in de zon, of is de aarde een weinig te droog, dan rollen de bladeren zich direct op; en staan zij in een te koud vertrek, dan worden zij wortelziek. De beste soorten, voor kamercultuur zijn Maranta Lietzeï, die tamelijk hoog opgroeit en kleine, groene, mooi geteekende bladeren draagt, alsook de laag blijvende Maranta Kerchovei. Beide soorten laten zich door verdeeling zeer gemakkelijk voortkweeken. Een der schoonste soorten, die het bij een zorgzame behandeling eenigen tijd in de kamer uithoudt, is de in Fig. 225 afgebeelde Maranta zebrina.
Fig. 224. Maranta Kerchovei.
De Maranta’s moeten geplant worden in grove broeiaarde, vermengd met wat graszodengrond, zand en stukjes houtskool. Het meest durf ik de Maranta Kerchovei aanbevelen, die zich, door haar gedrongen groei, uitstekend leent voor het kamerkasje.
Fig. 225. Maranta zebrina.
Musa (Banaan). De Musa’s zijn kruidachtige gewassen, met zulke groote bladeren, dat zij slechts als jonge plantjes voor kamercultuur geschikt zijn; worden zij grooter, dan deugen zij er niet meer voor, ook omdat de bladeren zeer gemakkelijk inscheuren, en de plant dan haar sierlijk voorkomen verliest. Lastig in de cultuur zijn de meeste Musa’s niet. Zij verlangen een zeer vette aarde, moeten des zomers veel begoten en gegierd worden, terwijl er voor moet worden gezorgd, dat zij een luchtige standplaats hebben. Des winters moeten zij tamelijk warm gezet en vooral droog gehouden worden. Geeft men ze te veel water, dan worden dadelijk de wortels ziek. De bekendste soort is zeker wel de Musa Ensete (Abessinische Banaan). Deze soort wordt veel gebruikt om des zomers in parken te worden uitgeplant. Geeft men ze een goeden bodem en standplaats, dan kunnen zij, zoo behandeld, in één zomer reusachtige afmetingen verkrijgen. Des winters kan zij slechts dàn binnenshuis gebruikt worden, wanneer men over zeer groote salons te beschikken heeft. Andere schoone soorten zijn: Musa Cavendishii (M. chinensis), M. paradisiaca en M. zebrina.
Fig. 226. Peperomia Verschaffeltii.
Panicum plicatum. Dit is een heel aardige, kruidachtige plant, die tot de familie der Grassen behoort en welker bladeren wel eenigszins doen denken aan die van een Curculigo, doch van kleinere afmeting zijn. Deze soort laat zich zeer gemakkelijk uit zaad voortkweeken, dat ook in de kamer rijpt. Ongeveer veertien dagen na het uitzaaien kiemt het zaad, en de jonge plantjes groeien gewoonlijk zóó snel, dat men ze al zeer spoedig in potjes met broeiaarde kan uitplanten. Deze Panicum is een zeer elegante plant voor de bloemtafel, daar zij zich rijkelijk uit den wortelstok vertakt. De geheele verzorging bestaat in het meermalen verpotten in zeer voedzamen grond, het gelijkmatig begieten en het geven van een goede, lichte standplaats.
Peperomia. De Peperomia, waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben, was een mooie bloemplant; er zijn echter verscheidene soorten, die als bladplanten in aanmerking komen, en die bijzonder geschikt zijn voor het kamerkasje of het terrarium. De Peperomia’s, die meest gestreepte bladeren hebben, moeten op dezelfde wijze behandeld worden als de Fittonia’s; alleen zijn zij veel minder gevoelig.
Een zeer lieve soort is Peperomia Verschaffeltii, die tamelijk gemakkelijk groeit.
Andere fraaie soorten zijn nog Peperomia marmorata, met gemarmerde bladeren, en Peperomia metallica, waarvan de bladeren een metaalglans bezitten. De wijze van voortkweeken is reeds vroeger vermeld.
Phrynium variegatum. Deze plant is in den laatsten tijd zeer verspreid geworden. Zij heeft groen-, wit- en geelbonte bladeren en is een der fraaiste kruidachtige bladplanten voor warmere vertrekken. Zij kan zeer gevoeglijk tot de Maranta’s gerekend worden en is slechts op streng wetenschappelijke gronden van dit geslacht gescheiden. Men behandelt deze Phrynium, die zich tamelijk goed in de kamer houdt, op dezelfde wijze als de Maranta’s. De voortkweeking geschiedt door de verdeeling der oude planten.
Sanchezia nobilis. Wanneer men plezier heeft in bladplanten met geelbonte bladeren, dan moet men niet verzuimen zich de Sanchezia nobilis aan te schaffen. Zij heeft tamelijk groote, eironde, groen met geel gestreepte bladeren. Zeer mooi is deze plant vooral in jongen toestand, wanneer zij nog tot op den pot toe met bladeren bezet is. Oude planten ruimt men liefst op, na ze den kop te hebben afgesneden, die, als stek behandeld, zeer gemakkelijk wortel maakt. De bloemen gelijken eenigszins op die van de naverwante Justicia, doch bij goed gekweekte planten krijgt men ze niet te zien. De jonge Sanchezia’s moeten herhaaldelijk ingesneden worden, om goede, bossige exemplaren te verkrijgen; overigens is de behandeling dezelfde als die van de Justicia.
Strobilanthes Dyeriana. Deze Strobilanthes is een nog tamelijk nieuwe plant; zij heeft ongeveer 15 cM. lange bladeren, die grof gezaagd zijn en een blauwpaarsachtige kleur hebben.
De kleur der bladeren is het, die haar tot een prachtige bladplant maakt; de slechts zelden verschijnende bloemen zijn violetkleurig en trechtervormig.
Plaatst men de Strobilanthes voor een zonnig venster, dan groeit zij zeer gemakkelijk; men kan haar echter ook met succes in den tuin, vooral in mozaïek-vakken, gebruiken. Zij wil gekweekt worden in zandige broeiaarde en laat zich goed door stekken voortkweeken.
De Palmen zijn de “Koningen van het plantenrijk”; zij zijn de edelste vertegenwoordigers der tropische planten en tegelijkertijd de elegantste en meest trotsche bladplanten voor de kamer. Langen tijd heeft men de bruikbaarheid der Palmen voor de kamer bestreden; langzaam maar zeker hebben zij zich echter een der eerste plaatsen onder de kamerplanten weten te veroveren. De Palm is het zinnebeeld van kracht en schoonheid, en de meeste der meer dan duizend bekende soorten, die bij voorkeur in keerkringslanden gevonden worden, ontwikkelen een buitengewone pracht.
Er zijn toch soorten onder, waarvan een enkel blad een breedte kan bereiken van twee Meter, bij een lengte van acht à tien Meter. In de cultuur ontwikkelen de Palmen zich natuurlijk niet tot zulke reusachtige afmetingen; in de kamer worden zij slechts zelden zóó groot, dat zij lastig worden, doch in de groote palmenkassen der Botanische Tuinen kan men exemplaren vinden met hooge, slanke stammen, gekroond door een reusachtige bladermassa, die ons dan ook eenigszins het idee geven van de grootsche pracht, die deze planten op haar natuurlijke groeiplaats ten toon spreiden.
Hoewel het aantal tegenwoordig in cultuur zijnde Palmen niet gering is, zijn er toch niet veel van die soorten, welke meestal in Botanische Tuinen gekweekt worden, welke voor kamerplanten geschikt zijn. Met slechts enkele is dit het geval, maar die enkele kan men zich gemakkelijk aanschaffen; zij worden tegenwoordig in zeer grooten getale gekweekt, men kan ze in alle afmetingen verkrijgen en de prijzen zijn niet meer buitensporig hoog.
De Palmen, voor kamercultuur geschikt, hebben lang niet zulk een behoefte aan warmte, als men algemeen gelooft; enkele soorten overwinteren zeer goed in een temperatuur van 40°–45° Fahr., en het is zelfs mogelijk een enkele soort onder zeer goede bedekking des winters buiten uitgeplant te laten staan. Wanneer een Palm in de kamer niet groeien wil, en ten slotte doodgaat, dan gelooft men gewoonlijk, de schuld in de te lage temperatuur te moeten zoeken; meestal echter schuilt die in te veel warmte. Deze hoogere temperatuur zal op zichzelf de plant weinig kwaad doen, maar zooals die heerscht in een kamer met een droge, stoffige lucht, is zij voor Palmen steeds zeer verderfelijk.
Slechts een goed onderhouden, ongeschonden Palm, die zóó schoon ontwikkeld is, dat hij als middenplant voor de bloemtafel of als alleenstaande plant op een bloemenstandaard kan gebruikt worden, is werkelijk schoon; is hij echter onregelmatig ontwikkeld en heeft hij half verdorde bladeren, dan ontsiert hij een kamer meer dan elke andere plant. Wil men zijn kamers met fraaie Palmen versieren, en wil men er pleizier van hebben, dan moet men reeds met het koopen voorzichtig zijn. De beste tijd om Palmen te koopen is de herfst, daar men dan in de kweekerijen goed geharde planten vindt. Men kiest bij voorkeur die soorten, welke aan het einde van dit hoofdstuk worden opgegeven en die voor de kamer geschikt zijn. Vooral moet men er op letten, dat de planten in niet te kleine, doch in goed geëvenredigde potten staan, en ook, dat zij niet doorgeworteld zijn, daar men ze anders dadelijk, of korten tijd na het koopen moet verplanten, terwijl dit pas noodig moet wezen, wanneer zij goed aan de kamer gewend zijn. De bladeren der Palmen moeten geheel gaaf zijn, d.w.z. zij moeten geen dorre punten hebben, of de punten moeten niet bijgesneden zijn; ook moeten zij vrij van ongedierte wezen, dat zich bij voorkeur achter op de bladeren of op de bladstelen nestelt.
Werden de gekochte planten in een warme kas of bak gekweekt, dan moet men ze nog eenige weken in de kweekerij laten, opdat de kweeker ze langzamerhand kan afharden.
Heeft men eenmaal een Palm gekocht, en dien goed ingepakt aan huis laten bezorgen, dan wil men hem niet alleen goedhouden, doch ook gaarne zien, dat hij doorgroeit. De zorg, die men er dan aan moet besteden, is tamelijk eenvoudig. Men zet de plant op een lichte plaats, zoo dicht mogelijk voor het venster van een vertrek, dat over dag een temperatuur heeft, van 55°–60° Fahr., welke des nachts kan vallen op 45°–50° Fahr.; terwijl zij voor enkele soorten nog lager kan zijn. Men moet er nu voor zorgen, dat zij nòch aan tocht, nòch aan stof wordt blootgesteld, waartoe men haar, o.a. wanneer het vertrek schoongemaakt wordt, tijdelijk in een andere kamer moet zetten, die voldoende verwarmd is, terwijl zij eerst dàn weder op haar oorspronkelijke plaats mag gebracht worden, wanneer het vertrek weer op temperatuur is gekomen. Eenmaal in de week wascht men haar met een spons en lauw warm water voorzichtig af, er voor zorgende, dat de bladeren niet scheuren; ook moet men des winters de bladeren één keer per dag met den rafraîchisseur van onder en van boven bespuiten. Wordt zij aangetast door ongedierte, dan wordt dit met de middelen, vermeld in het hoofdstuk over deze plagen, bestreden. Het verdorren der bladspitsen heeft bij de Palmen een natuurlijk verloop, maar gewoonlijk gebeurt dit in de kamer veel meer dan in de kas. Dit vindt waarschijnlijk zijn oorzaak in den veel langzameren groei in de kamers en ook in de droge lucht, waaraan de planten zijn blootgesteld. De meest afdoende middelen, om dit dor-worden zooveel mogelijk te voorkomen, zijn: de planten niet te warm te zetten, de bladeren wekelijks af te wasschen en ze dagelijks te besproeien. Verdorren de punten zóó sterk, dat de plant er een minder fraai voorkomen door verkrijgt, dan neemt men een schaar en knipt ze zoodanig af, dat het blad zoo weinig mogelijk van zijn vorm verliest. Slechte bladeren worden met een scherp mes onder bij den bladsteel afgesneden.
De Palmen groeien in den winter slechts zeer weinig; in Maart beginnen zij weder langzaam aan den groei te komen. Niettegenstaande zij dus een werkelijken rusttijd hebben, mag men de aarde in de potten nooit droog laten worden. De groote bladeren verdampen toch heel wat water, dat door wortels moet aangevoerd worden. Gedurende den winter moet men ze steeds begieten met water, dat minstens de temperatuur heeft van het vertrek, waarin zij staan, daar te koud water zeer licht wortelziekte kan veroorzaken.
Des zomers is de behandeling der hardere soorten zeer eenvoudig, wanneer men over een tuin kan beschikken, waarin zij ter versiering goed gebruikt kunnen worden. Van Juni tot September groeien de hardere soorten zeer goed buiten, als men ze op een beschutte, half beschaduwde, plek zet. De Palmen, die ook des zomers in de kamer blijven, moeten tegen scherpe zon geschermd worden, daar de bladeren anders licht brandvlekken bekomen, en daardoor hun schoonheid verliezen. Verder moeten zij dagelijks, al naar het weer donker of helder is, een, twee of drie keer flink bespoten worden, terwijl men ze ook rijkelijk moet begieten. Bij het gieten moet men er vooral op letten, dat de, er onderstaande bakjes niet vol water blijven staan, zooals maar al te vaak gebeurt. Direct, wanneer de planten na het gieten uitgezakt zijn, moeten de bakjes geledigd worden.
Goed gezonde en bewortelde Palmen kan men des zomers minstens één keer per week gieren. Verdunde koemest is hiertoe zeker het meest geschikt; levert het gebruik hiervan in de kamers bezwaar op, dan moet men zich met kunstmeststoffen behelpen.
Terwijl jongere Palmen ieder voorjaar moeten verpot worden, kunnen de oude exemplaren, wanneer zij voldoende bemest worden, drie tot vier jaren in denzelfden pot of kuip blijven staan. Bij het verplanten moet men zeer voorzichtig zijn. De Palmen toch bezitten een zeer sterk wortelgestel, lange zware hoofdwortels, die soms tien of vijftien maal in den pot rondgegroeid zijn, zij hebben daarbij betrekkelijk zeer weinig haarwortels. Nadat men den te verplanten Palm uit den pot genomen heeft, wordt de kluit voorzichtig losgemaakt; men mag echter aan de gezonde wortels in het geheel niet snijden, daar de ingesneden Palmwortels zich meestal niet vertakken, doch geheel afsterven. Daar deze lange hoofdwortels zich altijd onder aan de kluit ophoopen, en er zich in het midden slechts weinig wortels bevinden, wordt het gebruik van potten, die hooger zijn dan wijd, wel eens noodig. Men vermijde het gebruik van zulke potten echter zooveel mogelijk, en gebruike in geen geval de leelijke buisvormige potten, die wel in den handel voorkomen. Sommige Palmsoorten ontwikkelen wortels uit den stam, die dezen ten laatste uit de kluit tillen, zoodat zij dan geheel vrij in de lucht staan. Zulke wortels behoeft men bij het verplanten niet onder de aarde te brengen, daar zij zich na korten tijd met een kurkhuid bedekken; wil men ze toch voedsel doen opnemen, dan bedekt men ze met een laagje mos, dat goed vochtig gehouden wordt.
Voor het bevestigen van dit mos gebruikt men het best dun koper- of looddraad. Van veel belang is de grondsoort, die men bij het verplanten gebruikt, daar deze geregeld moet worden naar den gezondheidstoestand, den leeftijd en de sterkte der plant. Heeft men jongere of zieke Palmen, dan wordt lichtere, heeft men oudere en gezonde planten, dan wordt zwaardere aarde gebruikt.
Fig. 227. Potten met Palm-zaailingen.
Drie- à vierjarige Palmen worden geplant in een mengsel van twee deelen blad- of heide-aarde en één deel broeiaarde. Is de plant ouder, dan gebruikt men meer broeiaarde en voegt, al naar de grootte van het exemplaar, meer of minder graszodengrond aan het aardmengsel toe. Heeft men planten in kuipen, dan kan dit mengsel bestaan uit gelijke deelen bladaarde, broeiaarde en graszodengrond. Aan het grondmengsel worden nog een hoeveelheid zand en eenige hoornspaanders toegevoegd. Daar de Palmen in de kamer slechts langzaam groeien, moet men niet te groote potten gebruiken. Bij het verplanten moet de aarde tamelijk vast aangedrukt worden. Na het verplanten worden ze goed aangegoten en voorloopig gesloten gehouden, d.w.z. volstrekt niet voor een geopend venster gezet. Totdat zij beginnen door te groeien, moet men matig zijn met gieten, doch des te meer spuiten.
Fig. 228. Kentia Balmoreana.
De meeste Palmen zijn boomachtig; zij vertakken zich niet, men kan ze dus niet door stekken, maar slechts langs den natuurlijken weg, door middel van zaden, voortkweeken. Daar de Palmen in de grootere kassen slechts zeer zeldzaam bloeien, en deze nog lang niet altijd vrucht dragen, moeten de zaden dus uit het land van oorsprong worden ingevoerd. Gewoonlijk ontvangt men de zaden nog omgeven met het verdroogde vruchtvleesch. Daar de Palmzaden tamelijk spoedig hun kiemkracht verliezen, moeten zij dadelijk na ontvangst in den grond gebracht worden. Wil men ze in de kamer zaaien, dan doet men het best een platten schotel of anders een 10 cM. wijden pot te nemen. Nadat men den pot goed van drainage voorzien heeft, wordt het te gebruiken grondmengsel niet te vast daarop gelegd en de pot daarmede bijna tot den rand toe gevuld. In plaats van aarde, die niet erg voor warmte toegankelijk is, gebruikt men bij voorkeur turfmolm, zaagsel of kokos-vezel om in te zaaien, welk materiaal vóór het gebruik goed vochtig moet gemaakt worden.
Fig. 229. Areca Baueri.
Heeft men de zaden van het hen omgevende vruchtvleesch ontdaan, dan worden zij één voor één, dicht tegen elkaar in den grond gelegd, daarna nog met een laagje gedekt en ten slotte flink aangedrukt. De zaadpotten worden nu steeds matig vochtig en zeer warm gehouden; het best zet men ze in het kamerkasje; heeft men een warmere plaats dan daar, ook al is die minder licht, wat geen bezwaar is, daar de zaden toch tamelijk lang werk hebben voordat zij kiemen, dan is dit nog veel beter. Fig. 227 vertoont een enkelen pot met goed opgekomen Palmzaden, alsook twee opgenomen zaailingen. Hebben de zaailingen de grootte, zooals op de gravure staat, bereikt, dan worden zij uit den pot genomen en afzonderlijk in kleine potjes opgepot. Voor dit eerste oppotten gebruikt men zandige blad- of heide-aarde. Men moet nu vooral voorzichtig zijn, dat de zaadkorrel niet afbreekt, daar deze de jonge plant gedurende den eersten tijd nog gedeeltelijk voedt. Men neemt een niet te klein stekpotje, brengt daarin drainage, doet er wat aarde in en houdt dan den zaailing er zóó in, dat de zaadkorrel onder den rand komt te liggen. Het potje wordt nu geheel met aarde aangevuld, die goed aangedrukt moet worden, waarna de opgepotte zaailing goed wordt aangegoten.
Het kweeken van Palmen uit zaden is, wanneer men het in de kamer moet doen, wel zeer interessant, maar niet erg loonend. Afgezien nog daarvan, dat onder de betrekkelijk ongunstige omstandigheden de kieming zeer lang duurt of wel geheel mislukt, moeten de jonge zaailingen noodzakelijk in het kamerkasje worden gezet, waarin zij zich nog zeer langzaam ontwikkelen. Bij slechts zeer weinig soorten brengen de Palmzaailingen direct hun gekarakteriseerde bladeren voort; de meeste maken de eerste twee, drie jaren lange smalle bladeren, zooals op onze gravure zijn te zien, en die, al naar de soorten, wat smaller of wat breeder zijn. Men moet bij in de kamer gekweekte zaailingen veel langer op het eerste goed ontwikkelde blad wachten dan bij in de kas gekweekte.
De Palmen worden in twee groepen verdeeld: die met vedervormige en die met waaiervormige bladeren. Uit beide groepen willen wij slechts die soorten vermelden, welke voor de kamer geschikt zijn en die men overal goedkoop kan verkrijgen. De schoonste en dankbaarste Vederpalmen voor de kamer behooren tot het geslacht Kentia.
De Kentia’s behooren in Nieuw-Holland te huis. Ongeveer vijftig jaar geleden werden zij nog tot de duurste soorten gerekend; sedert dien tijd zijn er echter groote massa’s goede zaden van ingevoerd, waardoor zij veel goedkooper zijn geworden. Een der meest bekende en gezochte soorten is de Kentia Balmoreana, (Fig. 228). Men kan op de gravure de meest kenmerkende eigenschappen van het gansche geslacht zien, namelijk de fraaie, licht gebogen bladeren, met de naar beide zijden afhangende zijblaadjes en het flinke, krachtige voorkomen der geheele plant. Naast deze soort wordt de Kentia Forsteriana het meest aangetroffen, en zij verdient deze onderscheiding ten volle, daar zij door haar lange bladstelen een zeer elegante verschijning is. Veel gelijkenis met de Kentia’s hebben de Areca’s. Is de kleur der bladeren bij de eerstgenoemde soorten eenigszins geelachtig, bij de laatste is die donkergroen. De slanke bladeren zijn over het algemeen grooter; de bladstelen en ook de vederblaadjes zijn eenigszins wit bestoven, wat men zoo mogelijk niet moet afwasschen.
De schoonste en beste soort voor kamercultuur is de Areca Baueri. Uit Fig. 229 kan men duidelijk zien, dat ook dit een zeer schoone soort is. Deze van het eiland Norfolk afkomstige soort is tegenwoordig zeer gezocht.
Een Areca Baueri, op een standaard geheel vrij staande, is een prachtige kamerversiering, en, wat hoofdzaak is, zij is dit niet voor eenige dagen, maar voor zeer langen tijd, wanneer men haar voorzichtig en met overleg behandelt. Ook de stijvere Areca sapida (Fig. 230) is een mooie en zeer dankbare kamerplant.
Zeer dicht aan het geslacht Areca sluit zich het geslacht Hyophorbe aan. Een der hiertoe behoorende soorten, de Hyophorbe indica, in den handel ook wel als Areca lutescens bekend, is een zeer goede kamerplant. Deze soort groeit eenigszins bossig, wijl zij verscheidene stengels vormt.
Fig. 230. Areca sapida.
De voor kamercultuur meest bekende Vederpalmen behooren zeker wel tot het geslacht Phoenix, waarvan zeer veel soorten in cultuur zijn. Het zijn alle zeer elegante Palmen, met gootvormig gevouwen vederblaadjes en aan den voet gedoornde bladstelen. Aan deze dorens kan men, wanneer men niet voorzichtig is, zich vrij erg bezeeren.
De echte Dadelpalm, Phoenix dactilifera, laat zich gemakkelijk kweeken uit de pitten der in den handel voorkomende dadels.
Deze zaden hebben voor hun kieming geen behoefte aan veel warmte; des zomers kiemen zij zelfs wel buiten. De schoonste soorten van het geslacht zijn Phoenix tenuis, met zeer fijne bladeren; Phoenix rupicola, een zeer elegante soort, en Phoenix leonensis, die niettegenstaande haar groote vederblaadjes, toch zeer sierlijk is.
Ook onder de Cocos-soorten treft men zeer fraaie kamerplanten aan. Terwijl de echte Kokospalm, de Cocos nucifera, in de kamer in het geheel niet en in een kas uiterst moeilijk te kweeken is, zijn er andere soorten, die zeer dankbaar zijn. De Cocos Weddeliana, afkomstig uit Brazilië, is zeker wel een der beste en te gelijk een der mooiste Palmen voor de kamer. De fraaie, elegante bladeren van deze soort zijn aan de bovenzijde glanzend groen en aan de onderzijde zilverwit. Zij verkiest een kleiachtige aarde, voorzichtige begieting en een eenigszins koele standplaats, daar zij anders spoedig wortelziek wordt. In de laatste jaren wordt de Cocos Weddeliana in zeer grooten getale gekweekt en overal voor kamercultuur aanbevolen, zoodat men er jonge planten van vindt in bijna iedere uitstalling der grootere bloemenwinkels. Een zeer dankbare kamerplant is ook de Cocos Romanzoffiana; deze is afkomstig uit de gematigde streken van Brazilië en vormt zeer lange bladeren, met elegant afhangende vederblaadjes.
Fig. 231. Groep van Waaierpalmen.
| Livistona australis. | Chamærops humilis. | |
| Livistona chinensis. |
Zeer sierlijke Palmen zijn ook eenige soorten van Chamædorea, van wier slanke stammen wandelstokken worden gemaakt. Zij worden nog betrekkelijk weinig gekweekt, hoewel zij in de kassen gemakkelijk bloeien en zaad geven. De meest bekende soorten zijn de Chamædorea Ernesti-Augusti en de Chamædorea elegans.
Fig. 232. Rhapis flabelliformis.
Ten laatste willen wij van de Vederpalmen nog de Caryota’s vermelden. De bladeren, der soorten, die hiertoe behooren, zijn dubbel gevederd, d.w.z. de bladsteel vertakt zich en aan deze zijtakjes zijn de bladeren bevestigd. De vederblaadjes op zichzelf zijn tamelijk breed, scheef, driekantig en sterk ingesneden, vooral de groote eindbladeren hebben veel overeenkomst met de staartvin van een visch. Interessant zijn de Caryota urens en de Caryota sobolifera. De Caryota’s, die niet veel aangetroffen worden, zijn zeer goede kamerplanten gebleken; omdat zij niet al te groot worden. Hoewel zij, in de kamer gekweekt, volstrekt geen stam vormen, zijn het in haar vaderland imposante boomen, met slanke, gladde stammen.
Niet zoo groot als bij de Vederpalmen is de keuze bij de Waaierpalmen. De meest bekende en wellicht ook de fraaiste der hiertoe behoorende soorten is de Livistona chinensis (Latania borbonica). Iedere plantenliefhebber kent deze fraaien Palm, die in elke kweekerij aangetroffen wordt. Zij houdt zich in de kamer vrij goed, doch vormt niet zulke lange bladstelen, waardoor zij spoedig haar elegant voorkomen verliest. Dit is vooral het geval, wanneer men planten koopt, die in de kweekerijen zeer warm hebben gestaan. De hartbladeren blijven dan in den kop steken, zij groeien niet goed door en de plant verliest veel van haar schoonheid. Een veel zeldzamere, doch ook zeer fraaie soort is de Livistona rotundifolia. Beide soorten bezitten gedoornde bladstelen. Zeer hard is de Livistona australis; ook deze soort heeft gedoornde bladstelen en bijna cirkelronde, fijn ingesneden bladeren. Als jonge plant is zij echter wel een beetje stijf. De hardste Waaierpalmen zijn de Chamærops. Twee soorten komen van dit geslacht veel voor: de Chamærops excelsa en de Chamærops humilis. De eerste, die ongedoornde bladstelen heeft en hooger opgroeit dan de tweede, is ook veel fraaier. Beide soorten groeien des zomers zeer goed buiten en stellen zich des winters tevreden met een temperatuur van 40°–50° Fahr.
Ten laatste willen wij nog vermelden de Rhapis flabelliformis. Dit is een struikachtige harde Palm, die bossig groeit en vrij lange stengels vormt. De bladeren zijn donkergroen, handvormig ingesneden en worden door zeer dunne bladstelen gedragen. De stengels zijn met een stugge vezelstof omgeven.
Een zeer sierlijke soort is ook de laag blijvende Rhapis humilis. Deze is, evenals de voorgaande, voor koelere vertrekken bestemd. Men kan ze gemakkelijk voortkweeken door scheuring; ook worden er talrijke exemplaren van ingevoerd, die, na in de kweekerijen aan den groei te zijn gebracht, door de kweekers worden aangeboden.