Waterplanten met drijvende bladeren.

Naast de in het vorige hoofdstuk behandelde planten, die onder water groeien, staan, wat betreft de geringe zorgen, die met drijvende bladeren. Deze planten vormen meestal zeer lange bladstelen, die tot aan het wateroppervlak groeien, waarna zij de vlak op het water drijvende bladeren ontwikkelen. De bijna altijd schoone, dikwijls zelfs imposante bloemen drijven ook op het watervlak of heffen zich daar slechts een weinig bovenuit. Veel dezer planten zijn echter gevoelig voor de droge kamerlucht; staan zij daarin, dan worden de bladeren spoedig door bladluizen aangetast. De beste wijze om deze ongenoode gasten te verwijderen is het blad voorzichtig uit het water te nemen en het met verdund tabaksextract in te smeren. De meeste waterplanten met drijvende bladeren vermenigvuldigen zich, evenals de onder water groeiende, door uitloopers, terwijl andere zich gemakkelijk uit zaad laten kweeken. Des winters sterven de hiertoe behoorende planten meer of minder terug, veel sterven zelfs geheel in. In het voorjaar groeien zij echter, bij een weinig warmte, weder zeer spoedig uit. Staan deze planten in een stoffige kamer, dan moet men niet vergeten de bovenzijden der bladeren nu en dan met een sponsje af te vegen. Bespuiten der bladeren is dàn slechts wenschelijk, wanneer het goed helder weer is; bij donker weer doet men er meer kwaad dan goed mee, wijl er dan gemakkelijk rotplekken in de bladeren ontstaan.

a. Uitheemsche soorten.

Een der beste aquarium-planten met drijvende bladeren is de Aponogeton distachyon; deze is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop en heeft een knolachtigen wortelstok. De Aponogeton is een dankbare bloeister en ontwikkelt haar bloemen zeer geregeld in de kamer. De

bloemen zijn tweerijig, zuiver wit en welriekend; daarbij duren zij zeer lang. De bloei duurt bijna het geheele jaar door, en de harde zaden rijpen niet alleen zeer goed in de kamer, maar kiemen er meestal zonder eenige hulp, somtijds zelfs reeds aan den bloemstengel. De langwerpige, drijvende bladeren kunnen vrij groot worden. Indien men wil, dat de Aponogeton zich goed ontwikkelt, dan moet men haar planten in een ruim aquarium, en daarbij goeden graszodengrond gebruiken. Bijzondere eischen, wat warmte aangaat, stelt deze plant niet; zelfs kan zij bij een niet al te strenge vorst ons winterklimaat verdragen. In den laatsten tijd heeft een Fransch kweeker van de typische soort een variëteit, de Aponogeton distachyon Lagrangeï gewonnen, die zich kenmerkt door een krachtigen groei en rose bloemen. In Oost-Indië komt nog een andere soort met slechts één bloemaar, de Aponogeton monostachyon, voor. Een zeer interessante hiertoe behoorende plant is ook de Aponogeton fenestralis, afkomstig uit Madagascar. Haar bladeren bevatten geen bladmoes en bestaan slechts uit de nerven en aders; daarbij komen zij nooit boven water. Jammer is het, dat zij behoefte heeft aan warm water, en daarbij zóó lastig in de cultuur is, dat men haar slechts zeer zelden aantreft. Een heel aardige aquarium-plant is de Limnocharis Humboldtii, ook wel Hydrocleis nympheoides genaamd; zij is afkomstig uit Caracas en heeft veel overeenkomst met een kleine Nymph. Midden in den zomer ontwikkelt zij een groot aantal alleen staande, citroengele bloemen, die uit drie bloemblaadjes bestaan. Zij vormt een aantal drijvende stengels, die aan de knoopen wortels maken; deze kunnen afgesneden worden en vormen dan zelfstandige planten. Een goede plant is ook de Limnanthemum indicum of Villarsia Humboldtiana. Deze éénjarige plant komt voor in de wateren van Azië, Australië en Afrika. Zij vormt boschachtige stengels, die in het najaar zinken; hieruit ontwikkelen zich dan in de lente, wanneer de moederplant reeds afgestorven is, een aantal jonge plantjes. De bladeren zijn rond-hartvormig, de bloemen wit, ongeveer 2 cM. in doorsnede; de bloembladeren zijn aan de randen fijn gefranjed. Er zijn nog verscheidene soorten van bekend, waarvan de Limnanthemum crenatum, afkomstig uit Australië, de meest bekende is. Deze soort heeft rondachtige, onregelmatig ingesneden bladeren en een weinig grootere, gele, eveneens gefranjede bloemen.

Fig. 259. Aponogeton distachyon.

Fig. 259. Aponogeton distachyon.

De Limnanthemums houden van een goeden grond en voldoende warmte, verder stellen zij geen eischen. Lastig is de voortkweeking uit zaden, die direct na het rijpen moeten gezaaid worden, doch meestal eerst in de volgende lente kiemen. Voor grootere aquariums zijn ook Nymphæa’s aan te bevelen. De schoonste tropische soorten, die zich kenmerken door prachtig gekleurde bloemen, zijn voor kamercultuur niet geschikt, daar zij veel te groot worden en ook een zeer vochtige lucht en warm water verlangen. De schoonste uitheemsche Nymph voor kleinere aquariums is de Nymphæa pygmæa, afkomstig uit Oost-Siberië en China. Deze soort heeft bladeren, die slechts 4–5 cM. doorsnede hebben en bijna gevulde, witte bloemen met een diameter van ongeveer 4 cM.

Fig. 260. Nymphæa Marliacea chromatella.

Fig. 260. Nymphæa Marliacea chromatella.

Fig. 261. Sagittaria natans.

Fig. 261. Sagittaria natans.

Een aardige Nymph, die echter reeds vrij omvangrijk wordt, is de uit Noord-Amerika afkomstige en bij ons winterharde Nymphæa odorata, met zeer welriekende, witte bloemen. Een variëteit van den lateren tijd, de Nymphæa odorata rosea, heeft zacht roode bloemen. Er bestaat van deze soort ook een witte variëteit met zeer kleine bloemen, de Nymphæa odorata minor. Een zeer fraaie, geel bloeiende Nymph is de Nymphæa Marliacea chromatella (Fig. 260). Deze mooie plant is beter geschikt voor grootere tuin-bassins dan voor een kamer-aquarium. De Nymphæa’s verlangen een zwaren, zeer voedzamen grond; het best is baggergrond, vermengd met graszodengrond en zand. Den grooteren soorten moet men een aardlaag van minstens 20 cM. dikte geven. Des winters zijn deze planten bijna of geheel bladerloos; in het voorjaar beginnen zij echter reeds vroegtijdig uit te groeien. De voortkweeking geschiedt door verdeeling van den wortelstok, beter echter door zaden, die van hun rijping tot het uitzaaien in gesloten, met water gevulde fleschjes moeten bewaard worden. De kiembladeren der Nymphæa’s hebben een anderen vorm dan de volwassen bladeren, en blijven steeds onder water. Als een zeer sierlijke plant met drijvende bladeren moet nog vermeld worden de Sagittaria natans (Fig. 261), die naast de Vallisneria als een der beste waterplanten is te beschouwen. De jonge bladeren van deze soort gelijken sprekend op die van de Vallisneria; een goed groeiende plant vormt echter spoedig draadvormige bladstelen, die drijvende, ovale bladeren dragen; na korten tijd verschijnen nu ook de op het water drijvende, lieve, driebladerige, witte bloempjes, waarvan steeds enkele te zamen vereenigd zijn. De Sagittaria natans stelt geen bijzondere eischen en kweekt uit zichzelf door uitloopers gemakkelijk voort. Een zeer interessante soort, die in Polen wordt aangetroffen, doch daar blijkbaar aan het uitsterven is, is de Trapa natans. Dit is een éénjarige plant, die drijvende rozetten vormt, welke door een in den bodem gewortelden, draadvormigen stengel worden vastgehouden. De bladeren hebben een zeer eigenaardigen, vierhoekigen vorm. De bloemen zijn onbeduidend, de zaden, waaruit eertijds de arme landbewoners een soort meel bereidden, zijn tamelijk groot, vreemd gevormd en van twee of drie groote horens voorzien. Nadat de zaden rijp geworden zijn, drijven zij eenigen tijd op het water. Tot het voorjaar bewaart men ze in water op een koele plaats; zij worden dan in het aquarium geworpen, waarna de kieming spoedig volgt.

b. Inlandsche soorten.

Een der dankbaarste inlandsche aquarium-planten is zeker wel de Alisma natans, die in jongen toestand lange, onder water groeiende bladeren heeft. De plant brengt stengels voort, die tot aan de oppervlakte van het water doorgroeien en in een knop eindigen; uit dezen knop ontspruiten de ovale, drijvende bladeren en ook de lieve, op het water drijvende, witte bloemen. In een kamer-aquarium beginnen deze bloemen reeds vroeg in het voorjaar, omstreeks Maart of April, te ontluiken. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk langs kunstmatigen weg. Men snijdt den aan de oppervlakte drijvenden stengel onder den knop af en plant dezen afzonderlijk op. Na korten tijd zal hij wortel hebben en doorgroeien. Naast de reeds genoemde uitheemsche Limnanthemum komt ook de inlandsche, de Limnanthemum nymphæoïdes (Fig. 262), als een fraaie aquariumplant in aanmerking. Zij wordt het meest aangetroffen in stilstaande of zacht stroomende waters en bloeit daar meestal omstreeks Juli en Augustus. De vorm der bladeren is juist zooals de gravure dien aantoont; de bloemen zijn helder geel. Deze fraaie, zeer weinig eischende plant, kweekt zeer gemakkelijk voort door uitloopers, die door te weinig ruimte vaak in den bodem verstikken. Deze Limnanthemum sterft, des winters in een kamer gehouden, niet geheel af. Door vele liefhebbers van waterplanten, worden ook jonge inlandsche Nymphæa’s in hun kamer-aquariums gekweekt. Zij blijven er wel goed, doch komen er uiterst zelden tot bloei. Plant men deze Nymphen echter in groote middendoor gezaagde vaten, die half met goede, vette aarde en half met water gevuld zijn, dan groeien en bloeien zij uitstekend. Men moet er op letten, goede gave wortelstokken te planten. De meest voorkomende soort is de Nymphæa alba, een onzer schoonste inlandsche waterplanten, die men overal in stilstaand water aantreft.

Fig. 262. Limnanthemum nymphæoïdes.

Fig. 262. Limnanthemum nymphæoïdes.

Een zeer schoone variëteit is de Nymphæa alba rosea, met karmijnroode bloemen, roode knoppen en roode blad- en bloemstelen. Deze variëteit is in een Zweedsch meer gevonden. Jammer is het echter, dat zij nog betrekkelijk weinig voorkomt en daarbij zeer duur is. Een andere schoone soort is de Nymphæa candida. Deze heeft kleinere bloemen, die echter bijna geheel gevuld zijn.

Als kleine plant wordt ook wel in de aquariums gekweekt de Nuphar luteum, evenals de kleinere en zeldzamere Nuphar pumilum. De Nuphars groeien echter beter buiten in tonnen; in een betrekkelijk klein aquarium zullen zij nooit haar goudgele bloemen kunnen ontwikkelen. De behandeling der inlandsche Nymphæa-soorten is juist dezelfde als die, welke in het vorige hoofdstuk voor de uitheemsche is opgegeven. Een aardige plant met drijvende bladeren is ook de Potamogeton natans met een langen drijvenden stengel en lancetvormige bladeren. De tamelijk onbeduidende bloemaartjes steken boven het water uit. Deze is een zeer veel voorkomende plant, die men veel in greppels vindt en drogen die uit, dan verandert zij in een landplant. De voortkweeking geschiedt door stekken, van den stengel gesneden.

Drijvende waterplanten.

Tot de drijvende waterplanten behooren al die gewassen, welke niet in de aarde wortelen, doch op het wateroppervlak drijven en waarvan de vaak lange wortels vrij in het water hangen.

De drijvende waterplanten dragen veel bij tot de versiering der oppervlakte van het water; zij laten zich echter niet zeer gemakkelijk kweeken, daar de droge, stoffige kamerlucht zeer nadeelig voor haar is. Zeer goed groeien eenige inlandsche soorten, de overige zal men beter in een gesloten aquarium kweeken, of wel, in een met een glasplaat bedekten schotel. Deze schotels moeten bij warm weder behoorlijk gelucht en de glasplaat moet dagelijks goed met een doek afgeveegd worden. Verscheidene onzer inlandsche drijvende waterplanten zijn éénjarig; zij vormen voor het afsterven winterknoppen of sporen die men in vlakke schotels met een weinig aarde op den bodem, zoo mogelijk vorstvrij moet laten overwinteren. In het voorjaar ontwikkelen deze plantjes zich eerst onder water, spoedig komen zij echter aan de oppervlakte, en blijven daarop drijven met behulp van haar met lucht gevulde bladeren of bladstelen.

De uitheemsche drijvende planten zijn voor het meerendeel meerjarig; tegen den herfst worden zij echter zeer gevoelig, zij moeten dan uit het aquarium genomen en voorzichtig in potten met gehakt sphagnum opgeplant worden. De opgepotte planten moet men vochtig en warm, het best in een woonvertrek onder glas, laten overwinteren.

Vele drijvende planten laten zich zeer gemakkelijk, door haar dikwijls zeer talrijke uitloopers, voortkweeken.

Het dikwijls slechte groeien der drijvende waterplanten is te wijten aan het te heldere water in het aquarium, wijl dit te arm aan voedende bestanddeelen is. Het fraaist ontwikkelen de drijvende planten zich in vlakke schotels met een weinig aarde op den bodem. De wortels dringen in deze aarde door en vinden daar rijkelijk voedsel voor een goeden groei.

a. Uitheemsche soorten.

Fig. 263. Pistia Stratiotes.

Fig. 263. Pistia Stratiotes.

Een zeer lief drijvend waterplantje is de Azolla caroliniana, afkomstig uit Noord-Amerika en dat blijkt hier te lande winterhard te wezen. Deze plant, ook wel bekend onder den naam van “Rood Kroos,” is in sommige slooten zóó sterk ontwikkeld, dat zij er last veroorzaakt. Zij heeft de eigenaardigheid, binnen gehouden, levendig groen, doch buiten, vooral in de zon, donkerrood van kleur te worden. Zoowel buiten als in een kas groeit de Azolla zeer snel en bedekt het water in korten tijd met een levendig groene laag. In droge kamerlucht daarentegen groeit zij slecht. Ook wordt zij veel door de visschen opgegeten. In den herfst ontwikkelt de Azolla zeer kleine sporenhoopjes, die naar den bodem zakken.

Fig. 264. Salvinia elegans.

Fig. 264. Salvinia elegans.

Een andere, zeer fraaie plant is de Pistia Stratiotes (Fig. 263). Deze plant is een ware cosmopoliet, daar zij overal in stilstaand water der warmere landen wordt aangetroffen. Dit geelgroene plantje, dat met zijn aan den voet sterk verdikte bladeren een rozet vormt, behoort tot de familie der Aroïdeeën, de bloemen zijn echter zeer onbeduidend.

Fig. 265. Trianea bogotensis.

Fig. 265. Trianea bogotensis.

Een eigenaardig verschijnsel is het, dat deze plant, onder water gedompeld, als met zilver overtogen schijnt, terwijl zij dan weder bovenkomende, geheel droog blijkt te zijn. Dit wordt veroorzaakt door zeer talrijke kleine haartjes, die het blad bedekken. De lucht blijft tusschen deze haartjes hangen, waardoor de zilveren tint ontstaat, terwijl het water dadelijk van de haartjes afloopt. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door middel van uitloopers. Des zomers, wanneer het zeer warm is, groeit de Pistia ook goed buiten, in het najaar moet men haar echter uit het water nemen, in mos opplanten en zoo warm laten overwinteren. Een zeer fraaie rozetvormige plant met niervormige bladeren, dik opgezwollen bladstelen en blauwe bloemen is de Pontederia of Eichhornia crassipes, afkomstig uit Brazilië. Deze plant is een uiterst dankbare bloeister. Zij laat zich gemakkelijk door uitloopers voortkweeken. De overwintering moet warm geschieden en op dezelfde wijze als met de Pistia. Een eveneens mooie waterplant is de Salvinia elegans (Fig. 264), afkomstig uit Mexico. Zij behoort onder de fraaiste waterplantjes. In den herfst sterft zij af, doch vormt dan talrijke sporenhoopjes; zet men ze echter in vlakke schalen met de wortels in goede, vochtige veenaarde, dan is zij overblijvend en blijft, wanneer men haar op een warme plek zet, den geheelen winter door groen. Als laatste drijvende waterplant willen wij nog de Trianea bogotensis (Fig. 265), afkomstig uit Columbia, vermelden. De Trianea groeit goed in een kamer, zij laat zich zeer gemakkelijk door uitloopers voortkweeken en vormt aardige rozetten, die, wanneer men ze in een ondiepen schotel met wat aarde op den bodem kweekt, zich zeer goed ontwikkelen. Onze gravure vertoont een plantje in zijn geheel en de achterzijde van een der sponsachtige bladeren. De overwintering geschiedt in vlakke schotels, die met een glasplaat moeten bedekt en goed warm gezet worden. Ook des winters moet de aarde, waarin zij met haar wortels staan, goed vochtig gehouden worden.

b. Inlandsche soorten.

Fig. 266. Salvinia natans (bovenzijde.)

Fig. 266. Salvinia natans (bovenzijde.)

Een veel in stilstaand of langzaam vlietend water voorkomende drijvende waterplant is de Hydrocharis Morsus-ranæ, die aardige, cirkelronde blaadjes en witte bloempjes draagt. De voortkweeking geschiedt door zaden, meer echter nog door uitloopers, die sterke exemplaren naar alle zijden ontwikkelen. Met het begin van den winter sterven deze planten af, zij vormen echter eerst winterknoppen, die tot de lente op den bodem blijven rusten. De Hydrocharis verdraagt de kamerlucht zeer goed en is daardoor een zeer aanbevelenswaardige aquarium-plant. De meest bekende der inlandsche waterplanten is zeker wel de Lemna (Eendenkroos), een klein plantje, dat in de stilstaande wateren zeer algemeen in meerdere soorten voorkomt en dikwijls geheele slooten met een groene laag overdekt. De voortkweeking geschiedt door de knopvorming zóó snel, dat de Lemna in korten tijd alle andere planten overgroeit, wanneer men er niet voor zorgt nu en dan eens wat te verwijderen. Dit plantje, dat zich ook in de kamer zeer goed houdt, wordt door talrijke visschen gaarne gegeten. De fraaiste drijvende waterplant is de in ons land slechts zeldzaam voorkomende Salvinia natans. Op een paar plaatsen van ons land wordt zij in stilstaand water aangetroffen. Deze plant komt in een open aquarium niet al te best vooruit, daar zij de droge kamerlucht niet kan verdragen. Het best groeit zij in een met een glasplaat bedekte vlakke schaal, die voldoende gelucht wordt. In den herfst vormt deze Salvinia sporenhoopjes, waarna zij afsterft. Fig. 266 toont een Salvinia, aan de bovenzijde gezien, en Fig. 267 dezelfde aan de onderzijde. Op deze laatste zijn de sporenhoopjes duidelijk zichtbaar.

Fig. 267. Salvinia natans (onderzijde.)

Fig. 267. Salvinia natans (onderzijde.)

Een veelvuldig voorkomende inlandsche waterplant is de Stratiotes aloïdes (Wateraloë); zij vormt in stilstaand water groote bossen, die door de lange, gezaagde bladeren een zeer eigenaardig voorkomen hebben. De voortkweeking geschiedt hoofdzakelijk door uitloopers. In haar bloeitijd verheffen deze planten zich boven het water uit. Laat in den herfst zinkt de Stratiotes op den bodem en blijft daarin dan met haar wortels vastzitten. In de kamer ontwikkelt deze plant zich even goed, doch verkrijgt niet die fraai groene kleur, welke zij buiten heeft. Zij verdraagt de kamerlucht overigens goed en blijft ook des winters groen. Een aardig éénjarig plantje, dat vóór het afsterven winterknoppen vormt, is de Utricularia. Zij behoort tot de insecten-etende planten en is geheel wortelloos. De bladeren zijn schubachtig en de zich boven het water verheffende bloemen geel. Deze plant wordt vooral in veenachtige streken aangetroffen. Als laatste inlandsche waterplant willen wij nog vermelden de Riccia; deze is éénjarig, ziet er mosachtig uit en behoort tot de levermossen. Op zichzelf onbeteekenend, vormt deze plant lange, te zamen hangende, op het water drijvende bossen, die ook als zuurstofverwekkers groote waarde hebben.

Het terrarium.

Fig. 268. Warm-waterinrichting voor een terrarium.

Fig. 268. Warm-waterinrichting voor een terrarium.

Een der schoonste inrichtingen voor het kweeken van planten hebben wij in het terrarium. Het terrarium, dat hoofdzakelijk tot het kweeken van planten moet dienen, gelijkt uiterlijk volkomen op een kamerkasje. Terwijl men daarin echter slechts in potten staande planten kweekt, tracht men in het terrarium een stukje landschap na te bootsen, doordat men de planten er vrij in uitplant, rotspartijtjes of ook wel met klimplanten omwonden boomstammetjes er in zet en er een kleinen vijver, een bassintje, niet in laat ontbreken, in welken laatste dan weder water- en moerasplanten kunnen gekweekt worden. Wil men een betrekkelijk groote inrichting maken, dan kan het terrarium met het aquarium vereenigd worden, in welk geval men van een terra-aquarium spreekt. Zulke terra-aquariums hebben vooral groote waarde voor dierenliefhebbers, die er niet alleen visschen, doch ook amphibieën in willen houden.

Fig. 269. Uit een kist vervaardigd terrarium.

Fig. 269. Uit een kist vervaardigd terrarium.

a. Toevoerbuis; R. houten rooster; S. luchtschuif; 1. opening in het deksel om het slangetje in de toevoerbuis te kunnen brengen; 2 sluitschroeven met oogen; b. beweegbaar raam in het deksel; W. warm-waterbus.

Al naar de planten of dieren, die men er in wil houden, onderscheidt men vochtige en droge aquariums, die weder in vochtig-warme en vochtig-koude, dus ook in droog-warme en droog-koude worden verdeeld. Het vochtig-warme terrarium dient om er uitheemsche Varens, bladplanten en Palmen in te kweeken, het droog-warme daarentegen om er weinig vocht verlangende Cactussen en andere Vetplanten in te kweeken. In het koude terrarium kweekt men inlandsche of uit sub-tropische streken afkomstige gewassen. Onze plaat toont een klein, vochtig-warm, beplant terrarium. Gewoonlijk staan deze terrariums op elegante ijzeren voetstukken of op een behoorlijk sterke tafel. Al naar de grootte wordt het geraamte van het terrarium vervaardigd uit sterk blik, hout of smeedijzer. De ruiten moeten er bij voorkeur niet met stopverf in vastgezet worden, doch moeten er ingeschoven of met kleine haakjes aan kunnen bevestigd worden. Het eenzijdige dak moet zóó gemaakt zijn, dat men het openen kan en aan één zijde moet zich een deur bevinden, waardoor men, zoo noodig, den planten frissche lucht kan geven. Houdt men dieren in het terrarium, zoodat men het niet openen kan, dan moet het zóó gemaakt zijn, dat men er des zomers een ruit kan uitnemen, die dan door een met gaas bespannen raampje wordt vervangen. De bodem van het terrarium wordt uit metaal vervaardigd en mag niet vlak, doch moet een weinig hellend zijn; op het laagste punt bevindt zich dan een afvoerbuisje, waardoor het overvloedige water kan wegloopen. De terrariums worden tegenwoordig in alle soorten vervaardigd en zijn in bijna alle grootere luxe-winkels verkrijgbaar. Het duurst zijn zeker die, welke verwarmd kunnen worden, hetgeen door een aangebrachte warmwaterinrichting kan geschieden. Een dergelijk terrarium heeft echter niet iedere liefhebber noodig; slechts een dierenliefhebber, die de teerste reptiliën en amphibieën wil houden, moet zich zulk een aanschaffen. Hij, die zeer fijne planten in zijn terrarium wil kweeken, kan het zóó laten inrichten, dat hij op den bodem een platte, van een toe en afvoerbuisje voorziene warm-waterbus kan inschuiven, welke bus dagelijks enkele malen met heet water moet gevuld worden. Fig. 268 toont zulk een inrichting ter verwarming van een terrarium, Fig. 269 een zeer eenvoudig, uit een kist vervaardigd terrarium, dat door warm water verwarmd kan worden. Hierin staat reeds de verwarmingsinrichting, die uit sterk zink gemaakt wordt en juist passen moet. Daar deze waterbus voortdurend onder den druk van de aarde zou lijden en men haar er ook niet zou kunnen uitnemen, wordt er een houten rooster op aangebracht, waarop een metalen plaat wordt gelegd. Fig. 271 toont een dergelijk, uit een kist vervaardigd terrarium, nadat het beplant en met dieren bevolkt is. Dergelijke terrariums zijn het eerst door den Heer H. Lachmann in het tijdschrift “Natur und Haus” aanbevolen.

Fig. 270. Terrariums.

Fig. 270. Terrariums.

Vochtig-warm terrarium. Droog-warm terrarium.

De beste tijd om het terrarium te beplanten is in de maanden April en Mei. Op den bodem, die, zooals reeds gezegd is, den vorm van een bak moet hebben, zet men eerst het schaaltje met water. Hierna bedekt men de vrijgebleven ruimte met een laag scherven en stukjes turf, ten einde een goede drainage te verkrijgen. In den omtrek van het waterafvoerbuisje moet de drainage zóó aangebracht worden, dat dit niet verstoppen kan. Op de drainage brengt men dan de aarde. De samenstelling der aarde moet men wijzigen naar den aard der planten, die men er in kweeken wil; het best doet men echter er een grof, goed met scherp zand vermengd mengsel voor te gebruiken. Heeft men een warm, droog terrarium, dan kan men er dien grond inbrengen, welke is opgegeven in de hoofdstukken, handelende over Cactussen en Vetplanten. Zulke droge terrariums kan men met rotsjes van tufsteen heel aardig versieren; in de gaten van deze steensoort groeien de Succulenten zeer goed. In het vochtig, warme terrarium plant men een jongen Palm of een struikachtige bladplant en verscheidene der soorten, die in de hoofdstukken “Kruidachtige Bladplanten voor warme vertrekken”, “Varens” en “Mossen” zijn opgegeven en afgebeeld. Een zeer mooi effect verkrijgt men nog, wanneer men den bodem van het terrarium belegt met versche sphagnum-kopjes. Deze kopjes groeien er zeer goed in door; zij vormen ten laatste een groen tapijt en voorkomen het uitdrogen der aarde.

Fig. 271. Uit een kist vervaardigd terrarium, geheel gereed.

Fig. 271. Uit een kist vervaardigd terrarium, geheel gereed.

Bij het beplanten van het terrarium moet men vooral oppassen er niet te veel in te zetten; beter is het, de planten zeer wijd uiteen te planten, opdat zij zich goed kunnen ontwikkelen. Langer dan één jaar kan men het beplante, warme terrarium niet laten staan, daar de planten dan te wild dooreengroeien. Elk voorjaar moet men ze er uitnemen en het geheel opnieuw beplanten; de aarde kan dan tegelijkertijd vernieuwd, en te groot of leelijk geworden planten kunnen door andere vervangen worden. De verzorging van het terrarium is zeer eenvoudig. Dadelijk na de beplanting wordt de aarde zóó aangegoten, dat het overvloedige water door het afvoerbuisje wegloopt, waaruit men kan opmaken, dat de aarde in haar geheel goed vochtig is. Voor het vervolg bestaat de verzorging in hoofdzaak hierin, dat men het vochtige terrarium bij warm weder enkele keeren per dag bespuit. Ten gevolge van dit spuiten droogt de aarde zeer weinig uit, zoodat gieten slechts hoogst zelden noodig is. Ook het droge terrarium mag bij warm weer een enkelen keer bespoten worden; men moet er echter voor zorgen, dat de aarde slechts matig vochtig blijft en dat zij des winters geheel opdroogt. De verdere zorg bestaat in het behoorlijk zindelijk houden der planten en ruiten, in op tijd luchten en schermen. In den regel behoeven slechts de vochtige terrariums geschermd te worden; het best doet men dit, door een raam te laten maken, dat er precies op past, dit met linnen te laten bespijkeren en het er, zoo noodig, op te leggen.

Wanneer men de planten werkelijk mooi in een terrarium wil zien ontwikkelen, dan moet men er geen dieren in houden. De reptiliën en amphibieën, die men in het terrarium kan houden, brengen er wel een eigenaardig leven aan en maken het interessanter, maar zij beschadigen den plantengroei eendeels door het afvreten der jonge scheuten, en anderdeels door hun wroeten in den bodem; ook kan het gewicht van hun lichaam veel kwaad doen, wanneer zij over bladeren of takken kruipen. Heeft men een droog terrarium met Cactussen beplant, dan kan men daarin gerust ook dieren houden, daar de dorens haar voor afvreten voldoende beschermen.


1 Eigenlijk is dit geen Aralia, maar in den handel komt deze plant toch steeds onder dien naam voor. VERT.

2 Hoewel de naam Plectogyne wetenschappelijk juister is, gebruik ik bij voorkeur den naam Aspidistra, waaronder deze plant algemeen bekend is. Vert.

3 De Schr. bedoelt hier blijkbaar de Solanum Capsicastrum. De S. Pseudo-Capsicum toch (het ouderwetsche Capsicum-boompje) wordt beter van stek gekweekt; het duurt toch te lang, eer men van zaden vruchtdragende heestertjes heeft. Vert.