III. Het Forceeren.

Inleiding.

Tot een der belangwekkendste bezigheden voor bloemen- en plantenliefhebbers behoort het forceeren gedurende den winter der hiervoor geschikte gewassen.

Wanneer de winter ingetreden is, en buiten zoo goed als alle groei opgehouden is, dan moet men door het forceeren van bloemen de lente weder in de kamer te voorschijn roepen.

Onder het forceeren van planten verstaat men planten, welke zich in haar rustperiode bevinden, door verhoogde temperatuur tot groeien brengen en ze gedurende den winter haar bloemen doen ontplooien, terwijl zij dit onder natuurlijke omstandigheden eerst in de lente of in den zomer doen. Dat een dergelijke behandeling der planten, hoe belangwekkend en aangenaam ook, tegennatuurlijk is, spreekt vanzelf, en het ligt dan ook voor de hand, dat er betrekkelijk slechts weinige zijn, waarmede men het met goed gevolg kan doen.

Van de planten, die voor het forceeren geschikt zijn, verdragen enkele deze bewerking zeer goed, en laten zich iederen winter, zonder er merkbaar van te lijden, opnieuw in bloei trekken, verondersteld natuurlijk, dat zij goed behandeld worden. Andere planten daarentegen verdragen het forceeren minder goed; zij verzwakken er zeer door, en komen pas weer na korteren of langeren tijd volmaakt tot haar kracht, zonder welke zij niet met succes in bloei getrokken kunnen worden. Een zeer groot aantal, en, jammer genoeg, lang niet de slechtste soorten, worden na den bloei totaal waardeloos, daar zij door het forceeren zoodanig verzwakken, dat verder kweeken niet meer loonend of mogelijk schijnt.

Onder de fraaie planten, voor forceeren geschikt, zijn er enkele, die slechts door bloemkweekers in hun kassen in bloei getrokken kunnen worden en, wil hij zijn moeiten en zorgen met een succes bekroond zien, dan moet hij niet alleen volkomen op de hoogte zijn van de levensvoorwaarden der planten, maar hij moet ze ook met de grootste zorgvuldigheid verzorgen. Hoe nader toch het tijdstip komt, waarop hij loon voor zijn werk zal krijgen, des te noodlottiger kan het kleinste verzuim worden, en een kleine vergissing kan opeens aan alle verwachtingen den bodem inslaan. Naast deze planten, waarvan het in bloei trekken als het ware een monopolie der kweekers is, staan een aantal andere, die zich gedurende den winter, door elken verstandigen plantenliefhebber laten forceeren. Is er iemand, die er aan zou willen twijfelen, dat het forceeren een der aardigste liefhebberijen voor den bloemenliefhebber gedurende de donkere wintermaanden is? Het is voor den welgestelde zeer gemakkelijk gedurende den winter, wanneer sneeuw en ijs ons in huis houden, zijn vertrekken met allerhande gekochte bloemplanten te versieren, maar de zelf in bloei getrokken planten zullen toch veel meer waarde voor hem hebben. Het forceeren begint dan ook in alle standen hoe langer hoe meer aanhangers te verkrijgen. Het is vooral het in bloei trekken der bolgewassen, dat zeer populair is geworden, terwijl de vaste-planten en de bloemheesters, die voor dit doel geschikt zijn, er slechts zelden door de liefhebbers voor gebruikt worden. Wat ook het forceeren zoo interessant maakt, is niet alleen, dat men er des winters de bloemenpracht van den zomer door kan genieten, maar het is ook de buitengewoon snellen groei, dien men kan waarnemen en die ons dag in dag uit nieuwe verrassingen bereidt.

Algemeene regels voor het forceeren.

Het forceeren kan door iederen liefhebber in de kamer geschieden, mits hij slechts een verwarmd vertrek tot zijn beschikking heeft. De ligging van het vertrek is van minder belang; zij mag zelfs noordelijk zijn. Hoe groot ook de rol is, die de zon bij het kweeken van planten speelt, bij het forceeren is haar invloed slechts zeer gering en kan men haar zelfs dikwijls geheel missen. De natuurlijke bloeitijd der meeste voor het forceeren gebruikte gewassen valt, wanneer zij in de vrije natuur gekweekt worden, in het voorjaar, dus een tijd, waarin de zon nog geen heel grooten invloed uitoefent, en maar al te dikwijls is het woud de natuurlijke groeiplaats van deze voorjaarsbloemen, waardoor zij dus zelfs aan helder licht niet gewend zijn.

Een plant, die, om in bloei getrokken te worden, directe behoefte heeft aan zon, is de Roos; slechts weinig zon daarentegen verlangen de meeste bolgewassen, de kruidachtige planten en de groenblijvende gewassen; in het geheel geen zon is noodig bij het in bloei trekken der blad-afwerpende bloemstruiken; zoo forceert men o.a. de Sering het schoonst, wanneer men ze geheel in donker plaatst. Licht, lucht, vochtigheid en warmte, alles in juiste mate, zijn de hoofdvoorwaarden, om met succes planten in bloei te kunnen trekken.

Koude tocht, sterke afwisseling van temperatuur en droogte zijn nadeelig voor alle planten, die men forceeren wil. Voor de meeste planten, die men in bloei wil trekken, is de gewone kamerwarmte voldoende, dus een temperatuur van 60°–65° Fahr. overdag en van 55°–60° Fahr. des nachts. Zijn de vensters van het vertrek, waar men zijn bloemen wil forceeren, zóó ingericht, dat zij van boven geopend kunnen worden, dan is dit zeer nuttig, daar men dan overdag luchten kan, zonder dat de planten aan de directe luchtstroomingen zijn blootgesteld. Heeft men dubbele vensters, dan zijn die uitstekend geschikt tot het in bloei trekken van verschillende planten, want al is de ruimte daartusschen niet zóó groot, dat er een pot tusschen kan staan, voor een met water gevuld Hyacint-glas is er toch altijd wel ruimte genoeg. Tusschen de dubbele vensters gaat de groei niet zoo snel, wijl er een lagere temperatuur heerscht dan in de kamer, maar de bloemen ontwikkelen er fraaier.

Het is voor de meeste te forceeren planten zeer goed, wanneer men ze, zoo mogelijk, een lichte plaats voor het venster geeft. Naast de ruimte tusschen de dubbele vensters is voor kleinere planten een plaats op de vensterbank het meest geschikt. Zeer goed bruikbaar zijn ook de veelal aangetroffen trapvormige eenzijdige stellages, die dan zóó moeten opgesteld worden, dat de planten naar het venster gericht staan. De naar de kamer gekeerde zijde biedt dan wel geen heel schoonen aanblik, doch men kan ze gemakkelijk met klimop of hardere groen blijvende planten bedekken.

Ten gevolge van den snellen groei hebben alle planten, die men forceert, veel behoefte aan water. Men lette er vooral op, dat de aarde niet geheel uitdroogt, want daarmede zou alle kans op succes verdwenen zijn. Juist aangeven, wanneer men moet gieten, is onmogelijk, daar het steeds moet gebeuren, wanneer de aarde neiging toont tot opdrogen en hoewel men weder niet te veel moet gieten, is in dit geval te groote vochtigheid toch niet zoo nadeelig als te groote droogte. Het water, waarmede men giet, moet minstens de temperatuur hebben van het vertrek, waarin de planten staan; vele zijn echter zeer dankbaar, wanneer zij begoten en bespoten worden met water van 75°–85° Fahr. Bij het spuiten moet men zich van een goeden rafraîchisseur bedienen en het zóó doen, dat de bladeren aan de onder- en bovenzijde goed nat zijn. Voordat het vertrek, waarin de planten staan, goed verwarmd is, mag men niet spuiten; is dit echter eenmaal het geval, dan spuit men bij helder weer twee à driemaal, bij donker weer daarentegen een à twee keer per dag. Bolgewassen echter mogen niet bespoten worden; zij zouden dan gaan rotten; ook wanneer de planten in bloei staan, moet men het laten, daar er anders zwarte vlekjes op de bloemen komen.

Slechts enkele planten kunnen zonder voorafgaande maatregelen geforceerd worden; zij moeten daartoe voorbereid worden en ook alleen goed gezonde planten zijn er met uitzicht op succes voor te gebruiken. Ook laat lang niet iedere plant zich op elk willekeurig tijdstip van den winter in bloei trekken. Verscheidene plantengeslachten laten zich vroeg, andere laat forceeren, maar ook tusschen de verschillende soorten van ieder geslacht bestaat er dienaangaande verschil; vandaar dat men, om met succes te kunnen forceeren, een uitgebreide kennis der soorten moet bezitten.

Geforceerde planten, die in bloei zijn, worden in een koeler vertrek gezet, omdat de bloemen daar veel langer duren en men er dus meer genot van heeft.

Bolgewassen.

De Bolgewassen, die voor forceeren geschikt zijn, behooren voor het meerendeel tot die soorten, welke het vroegst in het voorjaar bloeien; reden, waarom zij ook veel ter versiering van tuinen worden gebruikt. Met het aankweeken van bolgewassen kan een liefhebber zich niet bezighouden, want ten eerste kan men het niet overal doen en ten tweede is het een zeer moeilijke cultuur; dit is trouwens geen bezwaar, daar er tusschen de steden Haarlem en Leiden tal van goede bollenkweekers zijn, die tegen niet al te hooge prijzen uitstekende bollen leveren. Men lette er echter op, de bloembollen slechts te koopen bij een goed, solied kweeker, en make men nooit gebruik van de z.g.n. goedkoope aanbiedingen, die dikwijls in de groote dagbladen worden geadverteerd. Maar al te dikwijls is het mislukken toch aan den bol en niet aan het forceeren zelf te wijten.

Van alle planten, die zich in bloei laten trekken, zijn de bolgewassen voor den liefhebber zeker het aanbevelenswaardigst. In de eerste plaats stellen zij weinig eischen en laten zij zich gemakkelijk in bloei trekken, en in de tweede plaats brengen zij meerendeels zeer schoone bloemen voort. Van het bescheiden Sneeuwklokje tot de trotsche geurige Hyacint, steeds zijn het schoone verschijningen. De talrijke variëteiten der verschillende soorten bieden daarbij zulk een kleurenrijkdom, dat ieder er de kleur in kan vinden, welke hem het best past.

Zooals bij alle bolgewassen, onderscheidt men ook bij deze een rusttijd en een groeitijd. Nadat de bollen hun bladeren ontwikkeld, gebloeid en in sommige gevallen zaad gegeven hebben, verdrogen de wortels; de bladeren en stengels sterven langzaam af en, zijn zij afgestorven, dan is de rusttijd aangevangen. Bij de meeste bolgewassen treedt de rusttijd omstreeks Juli in; zij worden dan uit den grond genomen, gedroogd en schoongemaakt, zoodat omstreeks einde Augustus en September de tijd aanbreekt, waarin de liefhebber zijn inkoopen moet doen.

Voor het in bloei trekken kan men slechts zeer goede bollen gebruiken; mindere qualiteit kan men wellicht nog in den tuin planten. Een goede bol moet een groote hoeveelheid reserve-voedsel opgehoopt hebben, en dit is steeds het geval, wanneer hij goed vast is en een met zijn grootte overeenstemmend gewicht heeft. Aan de grootte zelf kan men geen bijzondere waarde hechten, daar er talrijke soorten zijn, die slechts een kleinen bol vormen, en een kleine, vaste en zware bol zal steeds beter zijn dan een groote, die zacht en licht is.

Ieder bolgewas moet een bepaalden rusttijd gehad hebben, maar zoo goed als men dien verlengen kan, door den bol droog te laten liggen, zoo goed kan men hem verkorten, door den tijd van opplanten in te korten. Deze tijd is van groot belang voor het tijdstip, waarop de bol zal bloeien. De vroege bolgewassen moeten ook vroeg geplant worden, wil men vroegtijdig bloemen er aan hebben. Men moet er wel om denken, dat, met enkele uitzonderingen, geen bol direct na het oppotten geforceerd mag worden, doch dat men pas met het in bloei trekken moet beginnen, wanneer hij een flinken scheut en krachtige wortels heeft gemaakt. Het succes hangt dus niet alleen van de gekochte bollen, maar ook van de allereerste behandeling af. Deze eerste behandeling is tamelijk eenvoudig. Gewoonlijk wordt de opgeplante bol flink diep, ± 25 c.M., onder de aarde gegraven, of wel, men zet hem op een donkere plek in den kelder. In het laatste geval moet men er voor zorgen, dat de aarde in de potten steeds matig vochtig blijft. Wanneer men over een stukje grond kan beschikken, doet men steeds wijzer de potten onder te graven. Men bereikt hiermede een tweeledig doel: in de eerste plaats behoeft men niet te gieten, aangezien de aarde in de potten steeds behoorlijk vochtig blijft; en in de tweede plaats behoeft men niet bevreesd te zijn, dat de bollen door het maken der wortels uit den pot gelicht worden. Dit laatste is bij in den kelder staande bollen niet altijd te voorkomen.

Voor het ingraven der potten doet men het best een leeg groentenbed of een gedeelte van een rabat te gebruiken. Dit stukje grond graaft men, al naar de grootte der potten, een of anderhalve spa diepte uit, men maakt den bodem van het gat gelijk en zet dan de potten er, dicht tegen elkander aan, in. Bij het plaatsen der potten moet men er op letten, dat de vroegste soorten bij elkander staan, om zoo langzamerhand naar de latere af te dalen. Op deze wijze geplaatst, kan men de potten des winters van de rij af in de kamer brengen. Heeft men al de potten in het gat gezet, dan worden zij duchtig aangegoten, en nadat het water goed in de aarde is getrokken, worden zij met den uitgegraven grond bedekt.

Hiermede moet men voorzichtig te werk gaan, en er op letten, dat uitsluitend fijne aarde over de potten wordt gebracht. De plek, waar de potten staan, is nu aan de verhooging kenbaar; men kan er voor zekerheid nog een etiquette bij steken, die dan dáár geplaatst moet worden, waar de eerste pot staat en die goed boven de aarde moet uitsteken. Doet men dit, dan loopt men geen gevaar des winters bij het uitgraven een of meer potten te breken. Van den tijd van oppotten af, totdat men begint te forceeren, verloopen twee à drie maanden, zoodat een op 1 September opgepotte vroege bol niet vóór 1 November warm gezet mag worden. Hoewel het meerendeel der bollen wel zonder hinder een enkelen graad vorst kan verdragen, moet men er toch voor zorgen, dat de potten niet in de aarde bevriezen, daar dit minder goed voor de bollen is, en men ze des winters dan slechts met groote moeite kan opgraven. Om deze reden moet men de plek, waarin de potten staan, vóór het intreden van harde vorst met riet of blad goed bedekken. De, in den winter opgegraven potten, mogen niet direct in de warme kamer gezet worden; maar moeten eerst enkele dagen in een koele, vorstvrije kamer staan, ten einde zoodoende aan de warmte te wennen. Ook moet men er op letten, dat vroege bolgewassen niet te lang ingegraven blijven staan. Alle bloembollen moeten goed vast opgepot worden, d.w.z.: dat de aarde flink moet worden aangedrukt. Hoe men iedere soort moet planten, wordt verderop besproken.

De beste bolgewassen om te forceeren.

Fig. 272. Romeinsche Hyacint.

Fig. 272. Romeinsche Hyacint.

Hyacinthus orientalis (Hyacint). De Hyacint is zonder twijfel een der beste en schoonste bolgewassen, geschikt om te forceeren. Het eigenlijke vaderland van de Hyacint ligt in het Oosten en van daar is zij naar deze Westersche streken gevoerd. In de zestiende eeuw zal zij van uit Bagdad over Konstantinopel naar Italië gebracht zijn, van waar zij naar deze streken is gebracht. Tegenwoordig wordt de Hyacint op reusachtige schaal gekweekt tusschen Haarlem en Leiden; in den loop der tijden zijn ontelbare enkel- en dubbelbloemige variëteiten gewonnen, en nog steeds worden nieuwe en betere vormen in den handel gebracht. De bloemen der Hyacinten prijken met de schitterendste kleuren en zij verspreiden een heerlijken geur, die echter voor de kamer wel eens wat al te sterk kan zijn. Men onderscheidt vroege, middelmatige en late Hyacinten. De allervroegste soort is de niet zeer fraaie Romeinsche Hyacint (Fig. 272), ook wel Romaine blanche geheeten. Deze heeft kleine, witte bollen en brengt witte bloemen voort; zij ontwikkelt meerdere bloemstengen, die echter slechts betrekkelijk weinige kleine bloemen dragen. Deze soort kan men reeds in November in bloei hebben. De andere vroege soorten brengen reeds fraaie bloemtrossen voort; men kan echter blijde zijn, wanneer die tegen Kerstmis in de kamer bloeien. Van deze soorten achten wij de beste: Homerus en Emilius, beide enkel rood; Willem de Eerste, enkel donkerblauw, La tour d’Auvergne, dubbel wit, en Norma, zacht rozerood. Meerdere soorten behoeven wij niet op te geven, aangezien de catalogi der handelskweekers en zaadhandelaars niet alleen de beste soorten vermelden met opgave der kleur, doch ook de noodige wenken omtrent het forceeren geven.

Voor het forceeren gebruikt men slechts, zooals reeds gezegd is, de beste bollen, die vast en zwaar moeten zijn (Fig. 273); ook moet de wortelhals geheel onbeschadigd zijn. De qualiteit van den bol kan men onmogelijk uit de afmeting opmaken, daar er veel soorten zijn, die werkelijk prachtige bloemtrossen ontwikkelen en toch slechts kleine bollen vormen. In den regel zijn de bollen der dubbelbloemige Hyacinten niet zeer groot. De bloemtrossen der enkele Hyacinten zijn over het algemeen eleganter en voor het forceeren in de kamer beter geschikt.

Fig. 273. Hyacinthen bollen.

Fig. 273. Hyacinthen bollen.

Het forceeren van Hyacinten in potten. Voor het forceeren van Hyacinten in potten moet men als regel slechts zeer fraaie soorten gebruiken, die ieder afzonderlijk in potten van 10 cM. wijdte worden geplant. Van de kleinbollige Romeinsche Hyacint, die, alleenstaande, weinig indruk maakt, plant men er in den regel 3 tot 6 in een weinig grooteren pot (Fig. 272). Voor het forceeren van Hyacinten, die later in bloei moeten zijn, gebruikt men de zoogenaamde “rommel-bollen”; dit zijn minder sterke, vroeg bloeiende soorten zonder namen, die slechts volgens de kleuren gesorteerd zijn. Van dezen “rommel” kan men gewoonlijk drie bollen in een wat grooteren pot planten. Plant men er meer in één pot, dan moet die zóó groot zijn, dat zij elkander nóch raken, nóch drukken. Daar de Hyacinten slechts lange, witte wortels en geen haarwortels maken, plant men ze wel eens in hooge pijpvormige potten (Fig. 102). Dergelijke potten zijn echter zeer leelijk en doen volstrekt geen dienst. De aarde, die men voor de Hyacinten en ook voor de andere bolgewassen gebruikt, moet zandig en niet al te vet zijn. Daar de bollen het voedsel, dat zij voor den bloei noodig hebben, zelf reeds grootendeels verzamelden, is een goede, zandige tuingrond voor hen voldoende. Gewoonlijk gebruikt men een mengsel van twee deelen kleivrije tuinaarde, één deel oude broei- of compostaarde en een half deel zand. Daar de bollen slechts betrekkelijk korten tijd in den pot blijven, behoeft men van drainage niet heel veel werk te maken; enkele scherven onder in den pot zijn voldoende. Men vult bij het oppotten den pot tot over den rand los met aarde, zet den bol daar zóó op, dat hij midden in den pot staat, en drukt hem dan met beide handen in de aarde (Fig. 274)1. De aarde moet goed vast om den bol heengedrukt worden, zoodat men, na het indrukken van den bol, hieraan meestal nog wat moet toevoegen. Is men met het oppotten klaar, dan moet de bol zóó geplant zijn, dat zijn z.g.n. neus niet boven den potrand uitsteekt. Plant men hem te hoog, dan is dat wel niet direct schadelijk, maar het ziet er niet netjes uit. Fig. 275 toont een drogen Hyacinten-bol, een goed opgepotten en een te hoog opgepotten bol. Het oppotten van de vroegste soorten begint in de tweede helft van Augustus; het begin van September is echter nog vroeg genoeg. De middelmatige soorten kunnen nog in October, op zijn allerlaatst zelfs in het begin van November opgepot worden. Is men hiermede gereed en heeft men de potten van etiquetten voorzien, die de namen der soorten dragen, dan worden zij verscheidene keeren goed aangegoten. Hierna graaft men de potten, op de medegedeelde wijze onder den grond, of men zet ze op een donkere plek in den kelder. Doet men het laatste, dan brengt men over de tegen elkander gezette potten een handdikte aarde of wel, men zet over iederen beplanten een kleineren ledigen pot (Fig. 276); in het eerste geval moet men de aardbedekking nu en dan aangieten, opdat zij matig vochtig blijft; in het laatste geval moet nu en dan gegoten worden. Aan de bedekking met aarde is de voorkeur te geven, daar door den druk hiervan voorkomen wordt, dat de zich ontwikkelende wortels den bol uit de aarde lichten. In ieder geval moeten de opgepotte bollen donker en gelijkmatig vochtig staan.

Fig. 274. Het oppotten van Hyacinten-bollen.

Fig. 274. Het oppotten van Hyacinten-bollen.

Fig. 275. Links een te hoog, rechts een goed opgepotte Hyacinten-bol.

Fig. 275. Links een te hoog, rechts een goed opgepotte Hyacinten-bol.

Fig. 276. Bedekte Hyacinten-pot.

Fig. 276. Bedekte Hyacinten-pot.

De opgepotte vroege soorten laat men nu twee à drie maanden op deze donkere plaats staan, de latere soorten blijven daar nog aanmerkelijk langer. Men kan eerst dan met het forceeren beginnen, wanneer de Hyacint een vier à vijf centimeter langen scheut gevormd heeft en zij rijkelijk wortels heeft gemaakt; wat men, door en paar voorzichtig uit den pot te kloppen, gemakkelijk kan waarnemen. Het eigenlijke forceeren der Hyacinten gaat gemakkelijk en zonder veel moeite. Men graaft de potten op of haalt ze uit den kelder, waarna zij, na behoorlijk afgewasschen te zijn, een paar dagen in een koel vertrek worden gezet; eerst dan zet men ze op de vensterbank van de warme kamer. Men moet er nu op letten, dat de aarde steeds behoorlijk vochtig blijft en dat zij niet aan tocht of koude buitenlucht worden blootgesteld. In den beginne zet men de uit het donker gehaalde potten niet dadelijk in het volle daglicht, maar men bedekt ze met papieren peperhuisjes of leege potten (Fig. 276) en neemt deze bedekking er na 6 of 8 dagen af. De eerst gele, aangesloten bladeren krijgen, in het licht gezet, reeds na 24 uren een lichtgroene kleur, wijken van elkander af en de bloemtros komt te voorschijn. Zet men de bollen niet te vroeg warm, en doet men dit pas na een voldoende voorbereiding, dan zullen de bloemen en bladeren zich in de juiste verhouding ontwikkelen. Deze ontwikkeling gaat bij de vroege soorten zeer snel. Drie of vijf weken, nadat zij warm gezet zijn, ontluiken de eerste knoppen en de bloemtros moet dan geheel vrij boven de gootvormige bladeren uitsteken. Afgezien van de Romeinsche Hyacinten, die men reeds in November warm kan zetten, moet men met het forceeren der vroegste soorten niet vóór den eersten December beginnen. Daar de kale potten op de vensterbank niet erg mooi staan, en het tapijt door het veelvuldige gieten licht bemorst wordt, doet men beter de Hyacinten in daarvoor vervaardigde bakjes te zetten (Fig. 277). In deze bakjes moet zich een zinken bak bevinden, voorzien van een afvoerbuisje, waardoor men het overvloedige gietwater, zoo noodig kan aftappen. De bloeiende Hyacinten maken, met andere in bloei getrokken planten voor het venster gezet, een prachtig figuur. Zet men de Hyacinten te vroeg warm, voordat zij voldoende beworteld zijn en een goeden scheut gemaakt hebben, dan krijgt men in den regel een zeer treurig resultaat. In veel gevallen begint het hart te rotten en krijgt men in het geheel geen bloem of wel de bladeren groeien buitengewoon krachtig door en de bloemtros blijft, door gebrek aan voedsel, achter en komt niet boven de bladeren uit; de knoppen verdrogen of ontwikkelen zich slechts onvoldoende, zoodat in beide gevallen de plant haar waarde heeft verloren. Nu en dan komt het ook wel voor, dat oogenschijnlijk gezonde bollen een slechten, kleurloozen scheut ontwikkelen of wel, dat de bloem niet wil doorgroeien. In dit geval heeft de verzorger, wanneer hij onze wenken in acht genomen heeft, er geen schuld aan. De fout schuilt dan in den bol en zulke gevallen zijn zelfs door den knapsten vakman lang niet altijd te voorzien.

Fig. 277. Vensterbakje voor Hyacinten in potten.

Fig. 277. Vensterbakje voor Hyacinten in potten.

Forceert men late Hyacinten, dan mogen die niet te warm gezet worden, daar dan de bloemen en bladeren te zwak worden. Het schoonst is gewoonlijk de vroeg geforceerde Hyacint, die haar bloemsteng zonder steun flink rechtop draagt. Dit laatste is echter niet altijd het geval en dan moet deze aangebonden worden. Hiertoe bedient men zich het best van een metalen staafje, zooals in Fig. 278 is afgebeeld, dat zóó ingericht is, dat men het bij den bol kan steken zonder dien te beschadigen. Dit staafje bestaat uit dubbel gedraaid koperdraad, dat van onder zóó gebogen is, dat het tegen den potrand bevestigd kan worden. Ieder bekwaam koperslager kan deze staafjes vervaardigen.

Fig. 278. Metalen staafje voor het aanbinden van Hyacinten-bloemen.

Fig. 278. Metalen staafje voor het aanbinden van Hyacinten-bloemen.

Een bloeiende Hyacint is, in de warme kamer geplaatst, slechts betrekkelijk kort van duur. Wil men lang genot van zijn planten hebben, dan moet men ze, nadat de eerste bloemen ontloken zijn, in een koele kamer zetten; de bloei duurt dan veel langer. Men moet er echter voor zorgen, dat de bloeiende Hyacinten niet in een kamer gezet worden, waar het kan vriezen, aangezien zij daarvoor zeer gevoelig zijn.

Uitgebloeide Hyacinten hebben haar waarde verloren; zij geven echter het volgend jaar nog een bescheiden bloempje, wanneer men ze na den bloei langzaam laat afsterven, dan uit de potten neemt, ze schoonmaakt en tot het begin van den planttijd droog en luchtig bewaart.

Het forceeren van Hyacinthen op water. Een liefhebberij, die om haar zindelijkheid en eenvoud zeer in trek is, is het forceeren van Hyacinthen op water. Om dit te doen bedient men zich van zoogenaamde Hyacintenglazen. Deze glazen zijn in verschillende vormen en prijzen te verkrijgen. Enkele van onze gravures toonen eenvoudige glazen, die in verschillende kleuren overal te koop zijn. Men heeft in den laatsten tijd ook andere glazen vervaardigd, die het bijvullen van het water gemakkelijk maken. Ook het ververschen van het water, hoewel niet dikwijls noodig, kan met deze glazen zeer gemakkelijk geschieden. Het nieuwste en doelmatigste Hyacintenglas is door J. C. Schmidt, te Erfurt, in den handel gebracht. Over de geheele lengte van dit glas loopen gootjes (Fig. 279). Door deze kan, zooals onze gravure aantoont, het eventueele vuile water zeer gemakkelijk afgegoten worden, daar men den bol met zijn wortels niet uit het glas behoeft te nemen; hij wordt zelfs, wanneer men het water voorzichtig afgiet, niet eens vochtig. Dicht onder den hals van dit glas bevindt zich tusschen iedere twee gootjes een glazen uitsteeksel. Deze uitsteeksels maken het mogelijk bollen van iedere grootte er op te zetten, terwijl de bollen er ook luchtig door staan, waardoor het ontstaan van rotting wordt voorkomen. Het gewone Hyacintenglas echter is ook in alle opzichten voldoende, daar men, om er water af of bij te gieten, slechts den bol even behoeft op te lichten. Wij moeten nog opmerken, dat men in den laatsten tijd ook zeer fraaie, elegante glazen in den handel heeft gebracht.

Fig. 279. Nieuw Hyacintenglas met gootjes, om het water af te kunnen gieten.

Fig. 279. Nieuw Hyacintenglas met gootjes, om het water af te kunnen gieten.

De Hyacinten, die men op glazen forceert, komen lang niet zoo vroeg in bloei als die, welke in potten geplant zijn. Men moet, wil men voorkomen dat de bollen rotten, ze niet vóór October op de glazen zetten. Daar de wortels in het water zoo goed als geen voedingstoffen vinden, kan men voor het forceeren op glazen slechts bollen van eerste qualiteit gebruiken. Enkelbloemige soorten zijn veel beter voor dit doel geschikt dan dubbele. Bij het aankoopen moet men uitdrukkelijk te kennen geven, dat men bollen verlangt, die op glazen moeten gezet worden. Wanneer in October de tijd voor het op glazen zetten gekomen is, dan worden deze, na eerst zeer goed schoongemaakt te zijn, tot vrij dicht onder den hals met helder regen- of leidingwater gevuld. Op ieder glas kan men zooveel keukenzout toevoegen, als op de punt van een ontbijtmes liggen kan; dat moet dienen om het water eenigszins vrij van groene Wieren te houden. Heeft men de glazen gevuld, dan kunnen de bollen er op gezet worden; zij moeten goed in den hals passen en dus vastzitten. De wortelhals van den bol moet dicht boven het water zijn, doch mag dit niet aanraken, daar hij dan begint te rotten. Fig. 280 toont een pas opgezetten bol; men kan daaraan duidelijk zien, hoe hoog het water staan mag. Den waterstand moet men natuurlijk, regelen na het opzetten van den bol. Op ieder glas plakt men een etiquetje met den naam van den opgezetten bol.

Evenals de in potten geplante Hyacinten, moeten ook de op glazen gezette minstens een paar maanden in donker staan. Het best zet men ze in den kelder of in een niet te warme kast. Kan men geen van beide doen, dan zet men ze op de donkerste plek van de kamer en bedekt iederen bol met een papieren peperhuis. In den loop van een paar maanden zullen de meeste bollen rijkelijk wortel gemaakt en een krachtige spruit gevormd hebben. Binnen dezen tijd zal een paar keer bijvullen der glazen noodig zijn. De wortels nemen water op en ook verdampt er een weinig, zoodat men telkens, wanneer het een paar centimeters gezakt is, de glazen opnieuw moet bijvullen. Fig. 280 toont, hoe een Hyacint er vier weken na het op water staan uitziet. Natuurlijk ontwikkelen niet alle bollen zich even goed, enkele rotten en hebben dan hun waarde verloren, weer andere werken volstrekt niet, hoewel de bol gezond blijft. Men doet het best deze laatste van de glazen te nemen en ze in potten te planten, waarin zij dan meestal spoedig wortelen en nog goed terechtkomen. Hebben de wortels den bodem van de glazen bereikt, dan zet men ze voor het venster; de scheuten mogen dan echter nog niet direct aan het licht blootgesteld worden, maar men bedekt die nog enkele dagen met een peperhuis.

Fig. 280. Links glas met pas opgezetten Hyacinten-bol, rechts een glas met bol, vier weken na het opzetten.

Fig. 280. Links glas met pas opgezetten Hyacinten-bol, rechts een glas met bol, vier weken na het opzetten.

Fig. 281. Hyacint, voldoende uitgegroeid om in het licht gezet te worden.

Fig. 281. Hyacint, voldoende uitgegroeid om in het licht gezet te worden.

Daar de Hyacinten op glazen langzaam groeien en meestal pas in Maart bloeien, moet men ze niet dadelijk aan een te hooge temperatuur blootstellen. De beste plaats voor Hyacinten op glazen is tusschen de dubbele vensters van een verwarmd woonvertrek; zij staan daar zeer goed en ontwikkelen er zich langzaam maar zeker. Zijn de scheuten ongeveer zoover uitgegroeid als Fig. 281 aanduidt, dan kan men ze in het volle licht zetten, en neemt men dus de peperhuizen weg. De verzorging is zeer eenvoudig, en bepaalt zich tot het bijvullen van het verbruikte water. Geheel ververschen van het water is slechts noodig, wanneer de bollen wortelziek zijn geworden, daar gezonde wortels ook het water tamelijk zuiver houden. Heeft men zeer koude nachten, waarin het water in de glazen voor het venster zou kunnen bevriezen, dan neemt men ze des avonds weg en zet ze midden in de kamer. Enkele bollen ontwikkelen kweekbolletjes, die men tijdig moet wegsnijden. Begint met de lente de zon meer en meer krachtig te schijnen, dan groeien de bloemen der Hyacinten zeer welig door. Daar de bollen, door het gewicht van den bloemtros, dan niet erg vast meer staan en de bloemtrossen zelf gaan overhangen, gebruikt men het in Fig. 278 afgebeelde staafje om ze hieraan op te binden. Fig. 282 toont aan, hoe men dit staafje aan het glas kan bevestigen. Wanneer de Hyacinten zich op de glazen niet goed ontwikkelen, wanneer zij te lange bladeren vormen en de bloemen blijven steken, dan is dit meestal een gevolg van het te vroeg in het licht zetten, of van een te warme standplaats.

Fig. 282. Aan metalen staafje gebonden Hyacint.

Fig. 282. Aan metalen staafje gebonden Hyacint.

Zijn de bollen op glazen uitgebloeid, dan zijn zij ook geheel uitgeput. Men kan ze wel langzaam laten afsterven, droog bewaren en in het najaar in potten of in den tuin planten, maar een voldoenden bloei zullen zij in geen geval meer geven, zoodat men beter doet ze direct na den bloei weg te werpen.

Fig. 283. Dubbel Hyacinten-glas.

Fig. 283. Dubbel Hyacinten-glas.

Het kweeken van Hyacinten op dubbele glazen. Zeer interessant is het kweeken van Hyacinten op de in Fig. 283 afgebeelde dubbele glazen. Zulk een glas bestaat uit twee deelen: het onderste fleschvormige gedeelte, dat een voet heeft, en het bovenste tulpvormige gedeelte, dat los op het eerste past. Tot het beplanten van zulk een glas behooren twee bollen; gewoonlijk neemt men een roode en een witte of blauwe variëteit die te gelijk bloeien. Nadat men het bovenste gedeelte van het onderste heeft afgenomen, zet men de roode Hyacint met de spruit naar onder in den hals ervan, waarin de bol goed moet passen, zoodat er geen openingen blijven. Hierop wordt het geheele bovenste gedeelte met het reeds vermelde grondmengsel gevuld, en daarin de blauw bloeiende soort met de spruit naar boven geplant. Heeft men dit gedaan, dan zet men het bovenste gedeelte weder op het onderste, zet het geheel donker en zorgt er voor, dat de aarde gelijkmatig vochtig blijft. Beginnen de bollen goed te wortelen, dan zet men de glazen op een lichte standplaats in de kamer en vult het onderste fleschvormige gedeelte met helder water.

De onderste Hyacint blijft nu naar beneden groeien en bloeit in het water, terwijl de bovenste zich als iedere andere Hyacint ontwikkelt. Altijd gelukt het niet, beide te gelijk in bloei te hebben; het wil wel voorkomen, dat de bovenste bol te vroeg bloeit; dit bezwaar is echter te voorkomen door den uitgebloeiden bol door een anderen te vervangen. Erger is het, wanneer de onderste bol begint te rotten, in welk geval het geheel verloren is, daar deze niet door een ander vervangen kan worden. Het geheel maakt, wanneer het goed gelukt, een alleraardigsten indruk.

Tulipa (Tulp). Naast de Hyacint is de Tulp ontegenzeglijk het meest gezochte bolgewas, en daar de meeste soorten òf reukeloos zijn, òf slechts zeer zacht geuren, wordt zij door vele liefhebbers boven eerstgenoemde verkozen, daar deze hun veel te sterk riekt.

Fig. 284. Geforceerde Hyacinten, Tulpen en Lelietjes der dalen.

Fig. 284. Geforceerde Hyacinten, Tulpen en Lelietjes der dalen.

In de vijftiende eeuw kwam de Tulp uit Perzië in Turkije, waar zij spoedig zeer bemind werd, zóó zelfs, dat men jaarlijks ter harer eere een groot feest vierde. Nog heden ten dage bestaat deze gewoonte en de Sultan beschouwt het als een groot blijk van liefde wanneer de bewoonsters van den harem jaarlijks dit feest voor hem bereiden. In 1559 kwamen de Tulpen in Duitschland, en in het begin der zeventiende eeuw werden ze hier te lande ingevoerd. Nergens heeft de Tulp zoo’n opgang gemaakt als in ons land, en nergens heeft zij tot zulke dolzinnige speculaties aanleiding gegeven. Van af 1634–1637 waren het de meest in trek zijnde handelsartikelen op de markten van Amsterdam, Utrecht, Leiden, Rotterdam, enz. Als geboren koopman maakte men toen ter tijd de Tulp tot een gewild handelsartikel. Het volk werd als het ware met een Tulpenkoorts besmet en de werkelijke handel veranderde in de grootste zwendelarij. Iedereen hield er een grootere of kleinere Tulpenkweekerij op na, in de hoop spoedig rijk te worden. De voornaamste zwendelarij bestond in het verkoopen van Tulpen, die in het geheel niet bestonden. Door de groote vraag werden de prijzen buitengewoon opgedreven en voor zeldzame soorten werden fabelachtige sommen besteed. Zoo werd o.a. voor één enkelen bol van de ”Semper Augustus” de som van 14.600 gulden besteed; een openbare verkoop van 120 Tulpen bracht in 1637 op de markt te Alkmaar 90.000 gulden op, en te Amsterdam werd in één week voor 10 millioen gulden aan Tulpenbollen verkocht. Op den duur was deze zwendelarij onhoudbaar, zoodat de Staten Generaal er den 27sten April 1637 een wet tegen uitvaardigden. Ten gevolge hiervan geraakte de Tulpenhandel spoedig weder in zijn natuurlijk spoor, en de zwendelaars verlieten met gevulde zakken het tooneel hunner speculaties. Hoewel de Tulpenzwendelarij verdwenen is, bestaat er hier te lande tusschen den Nieuwen Waterweg en het Amsterdamsche Noordzee-kanaal toch nog een zeer uitgebreide Tulpencultuur.

Fig. 285. Verschillende soorten Tulpen-bollen.

Fig. 285. Verschillende soorten Tulpen-bollen.

Fig. 286. Het oppotten van Tulpen-bollen.

Fig. 286. Het oppotten van Tulpen-bollen.

Van af einde Augustus tot aan November kan men de Tulpen, die men wil forceeren, opplanten. Soorten echter, die men vroegtijdig in bloei wil hebben, moeten ook tijdig opgepot worden. Het beste plant men de Tulpen in een grondmengsel, dat bestaat uit gelijke deelen broei- en tuinaarde, waarbij men rijkelijk zand voegt; ieder ander zandig, doch niet te kleiachtig of vet grondmengsel kan men echter ook voor het oppotten van Tulpen gebruiken. Het best doet men drie bollen in een pot te planten, die maar juist zóó groot mag zijn, dat zij elkander niet raken. Nadat men den pot met aarde gevuld heeft, worden de bollen er in gedrukt (Fig. 286) en wel zóó diep, dat hun neuzen in één lijn liggen met den rand van den pot of er slechts even bovenuit steken. Het best doet men de beplante potten met Tulpen in den kelder te zetten en ze een centimeter of drie met aarde te bedekken. Men moet echter goed op deze bollen letten, daar zij bij voorkeur door muizen worden afgeknaagd. Graaft men de potten in den tuin onder, dan mag men vooral de vroegere soorten niet te lang zoo laten staan, daar de scheuten dan na een paar maanden reeds een buitengewone lengte hebben bereikt, waardoor de bloemen zich later niet mooi zouden ontwikkelen. Hierbij komt nog, dat de langstengelige Tulpen dan niet rechtop blijven staan en daardoor veel van haar schoonheid verliezen. Bij het forceeren in de kamer stelt de Tulp even weinig eischen als de Hyacint; de vroege soorten verdragen ook, wanneer zij vroeg geforceerd worden, tamelijk veel warmte. De vroegste soorten zijn de enkele Duc-van-Thol. De vroegste en kleinste van deze soort is de rood met gele, dan volgen de scharlaken, rose, gele, goudbonte, maximus en vermiljoen-variëteiten. De meeste van deze verspreiden een zachten geur. Ook onder de talrijke niet-riekende Tulpen bevinden zich verscheidene vroegere soorten. De eerste Duc-van-Thol’s kunnen omstreeks St. Nicolaas bloeien. Fig. 287 toont een pot met enkele, Fig. 288 een met de minder aanbevelenswaardige, dubbele Tulpen. De vroege Tulpen moeten ook vroeg in December en Januari geforceerd worden, daar bij een later in bloei trekken de bladeren zich buitengewoon ontwikkelen en de bloemknoppen verdorren. Bij het forceeren van vroege Tulpen wil het wel voorkomen, dat de bladeren zóó stijf in elkander gerold zitten, dat de knop er niet door kan breken; is dit het geval, dan moet men de bladeren voorzichtig uit elkander rollen.

Fig. 287. Pot met enkele Tulpen.

Fig. 287. Pot met enkele Tulpen.

Late Tulpen zijn voor het forceeren minder geschikt, daar zij tegen het voorjaar haar waarde voor de kamer verliezen. De Tulpen zijn het fraaist, wanneer de bloemen gesloten zijn; des winters blijven zij dit in een koel vertrek zeer lang en duren dan ook geruimen tijd; in het voorjaar gaan zij, onder den invloed van de zon, openstaan en bloeien daardoor zeer snel uit. Iedere Tulpen-bol brengt als regel één, slechts zelden twee bloemen voort.

Narcissus (Narcis). Door de kweekers worden de hiertoe behoorende soorten, met meestal zeer welriekende bloemen, verdeeld in drie groepen: Narcissen, Tazetten en Jonquilles. De Narcissen dragen slechts één of twee, de Tazetten daarentegen een aantal bloemen op één steng; zij hebben smalle, grasachtige bladeren en sterke bollen. De Jonquilles dragen minstens twee of drie, meestal echter meer bloemen op één steng; zij hebben smalle, grijsachtige bladeren en kleine bollen (Fig. 289); het zijn over het algemeen zeer sierlijke plantjes. De Narcissen behooren te huis in Spanje, Portugal, Italië en Griekenland, doch blijven hier te lande des winters onder bedekking zeer goed buiten over.

Fig. 288. Gevulde Tulpen.

Fig. 288. Gevulde Tulpen.

Al de hiertoe behoorende bollen worden tegen het einde van Augustus in potten geplant. Men gebruikt hiertoe zandige broeiaarde, waaraan een weinig tuingrond kan worden toegevoegd. In iederen pot worden gewoonlijk drie bollen geplant en daar zij elkander niet mogen aanraken, moet men voor Narcissen en Tazetten potten gebruiken van ongeveer 15 cM. wijdte, terwijl voor Jonquilles, die kleinere bollen hebben, potten van 10 cM. groot genoeg zijn. De bollen worden geheel in de aarde geplant; slechts de lange neus mag er een eindje bovenuit steken en mag zelfs iets boven den potrand uitkomen. Men kan nu de beplante potten, hetzij ondergraven, hetzij op een schaduwrijke plek in den tuin zetten, totdat de vorst begint in te treden; zij moeten dan voorloopig in den kelder worden geplaatst. In het eerste geval mag men de potten hoogstens tot midden Januari ondergegraven laten staan, opdat de bladeren, door het te vroeg warm zetten niet te lang worden; in het tweede geval moet men niet vergeten de potten gelijkmatig vochtig te houden. Van het begin van het forceeren tot den bloei verloopen 4–6 weken.

Fig. 289. Jonquillen-bollen.

Fig. 289. Jonquillen-bollen.

Fig. 290. Narcissen-bollen.

Fig. 290. Narcissen-bollen.

Fig. 291. Tazetten-bollen.

Fig. 291. Tazetten-bollen.

Al de verschillende soorten Narcissen laten zich zeer goed in bloei trekken, wanneer men daarmede niet vóór half Januari begint; zij zijn dan in dien tijd goed beworteld en hebben zich flink ontwikkeld. Het in bloei trekken moet niet al te snel gaan. Men brengt deze planten eerst in een vertrek, waarin niet gestookt wordt, doch dat vorstvrij is; acht à tien dagen later zet men ze dan in een temperatuur van 50° à 55° Fahr. Zooals steeds bij het in bloei trekken, moet men er ook bij deze planten op letten, dat de aarde nooit uitdroogt, doch gelijkmatig vochtig blijft. Fig. 289 toont de bollen van een paar Jonquillen-soorten; Fig. 290 die van twee verschillende Narcissen-soorten, en Fig. 291 die van drie Tazetten-soorten, terwijl Fig. 292 een pot met een bloeiende Narcis vertoont. Bij het inkoopen van deze bollen moet men ze goed bekijken; zij worden toch door de larven van twee verschillende vliegen bewoond, toonen dan ronde gaten en komen niet tot bloei. Niet al de tot het geslacht Narcissus behoorende planten laten zich forceeren, verscheidene soorten hebben slechts waarde ter versiering van den tuin. De vroegste soort om in bloei te trekken is de niet zeer schoone Marseiller Tazette, die reeds in December warm gezet kan worden en zeer goed een hooge temperatuur verdraagt. Andere Narcissen moet men voor het zonnige venster van een warme kamer langzamerhand tot ontwikkeling laten komen. De Jonquilles mogen niet vóór Maart in de kamer worden gezet.

Fig. 292. Bloeiende Narcis.

Fig. 292. Bloeiende Narcis.

Scilla. De Scilla-soorten zijn allerliefste, kleine plantjes, met stervormige kleine blauwe bloempjes, die reukeloos zijn en met meerdere te zamen aan kleine steeltjes zitten. Iedere bol brengt drie, vier of meer van deze bloemtrosjes voort.

Men plant de bolletjes (Fig. 293), vier à vijf te zamen, in een potje van 10 cM. wijdte, in het grondmengsel, dat ook voor Hyacinten gebruikt wordt. De potten kunnen, totdat het begint te vriezen, op een beschutte plek in den tuin blijven en dan in den kelder gezet worden; men kan ze echter ook, evenals de Hyacinten, ondergraven; zij moeten dan echter in de eerste helft van Januari opgenomen worden, om ze, wanneer men ze nog niet warm wil zetten, verder in den kelder of een koude kamer te plaatsen, daar de scheuten anders te lang en geel worden.

Fig. 293. Bollen van Scilla sibirica.

Fig. 293. Bollen van Scilla sibirica.

De soort, die het meest voor forceeren gebruikt wordt, is de Scilla sibirica met fraaie, donker blauwe bloemen. Wanneer zij op tijd wordt geplant, kan men midden December reeds beginnen haar te forceeren en zij bloeit dan in Januari. Aanvankelijk zet men ze in een matig warme kamer; zoodra zij dan teeken van leven begint te geven, wordt zij voor het venster van een warmere kamer gezet. Heeft men een kamer, die op het Zuiden ligt en waarin de zon nu en dan eens schijnt, dan is dit voor een goede ontwikkeling zeer voordeelig. Gewoonlijk willen bij het forceeren de vast aaneengesloten blaadjes niet loslaten en de bloem heeft niet de noodige kracht, ze van elkander te wringen, en zou dus bederven, wanneer men haar niet een weinig hielp. Om dit te doen, maakt men voorzichtig de bladeren aan de spitsen een weinig los; zij gaan dan, wanneer het goed gedaan is, vanzelf verder uit elkander.

Wil men de Scilla later in bloei hebben, dan is daarvoor beter geschikt de Scilla bifolia, een lieve, in Duitschland en Frankrijk te huis behoorende voorjaarsbloeister, met blauwe bloemen. Van deze soort zijn ook witte, vleeschkleurige, roode en lichtblauwe variëteiten bekend. Ook de Scilla campanulata uit Spanje en Portugal is voor dit doel zeer goed geschikt. Van deze soort is ook een wit bloeiende variëteit in den handel.

Naast de besproken bolgewassen komen er nog één knol- en één wortelgewas meer in het bijzonder voor het forceeren in aanmerking n.l.:

Crocus vernus (Krokus). Onder de planten, geschikt tot forceeren, nemen de Krokussen een voorname plaats in. Buiten uitgeplant, bloeien zij slechts even later dan de Sneeuwklokjes. De tamelijk groote bloemen prijken in alle kleurnuancen tusschen wit, blauw en geel; dikwijls zijn zij ook fraai gestreept of anders geteekend. Zeer duidelijk toont Fig. 294 het voorkomen van den gewonen Krokus.

Fig. 294. Gewone Krokus.

Fig. 294. Gewone Krokus.

Een mooie soort is ook nog de Crocus Imperati (Fig. 295), met fraai geaderde bloemen. De kleine knolletjes (Fig. 296), die met een taai, droog omhulsel zijn omgeven, gelijken in voorkomen zeer veel op Gladiolus-knollen en evenals bij deze kan men ook bij de Krokus-knollen de eigenaardigheid waarnemen, dat zij nooit ouder worden dan één jaar.

Fig. 295. Crocus Imperati.

Fig. 295. Crocus Imperati.

De oude knol droogt in den loop van den groeitijd geheel in, maar onder aan de jonge scheuten, die zich uit hem ontwikkelden, vormen zich de dadelijk bloeibaar zijnde jonge knollen. Neemt men een afgestorven Krokus uit den grond, dan vindt men één tot drie krachtige jonge knolletjes en aan hun voet den ouden, ingedroogden knol. In de catalogi der kweekers worden tegenwoordig talrijke fraaie variëteiten vermeld, die ieder op zichzelf toch nog te klein zijn om afzonderlijk te worden opgepot. Van de Krokus worden zooveel mogelijk knolletjes in den pot of de schaal geplant, zonder dat zij elkander aanraken; zij moeten 2–3 cM. diep onder de aarde geplant worden. Zeer geschikt om ze in te planten is zandige compost- of tuinaarde. Heeft men de potten of schalen beplant, dan worden zij aangegoten en in den tuin ingegraven of in den kelder gezet. Met het in bloei trekken moet men niet vóór Februari beginnen en dit doen voor een zonnig gelegen venster van een koude kamer. Door kunstmatige warmte kan men bij deze planten niets bereiken, vooral niet, wanneer men gebrek heeft aan zon. In dit geval groeien de Krokussen krachtig door en vormen groote lange bladeren, de bloemen verdwijnen echter, zonder tot ontwikkeling te komen. Kweekt men deze planten voorzichtig, dan zorgt men, dat de temperatuur bij zonnig weer een weinig stijgt en daarentegen bij donker weer daalt. Brengt men goed bewortelde Krokussen voor een venster, dan zullen, bij zonnig weer, de bloemen zich reeds na enkele dagen ontplooien. Iedere knol vormt meerdere scheuten en uit iederen scheut ontspruiten weer verscheidene bloemen. De bloemen zijn in gesloten toestand verreweg het mooist. Geregeld sluiten zij zich des avonds, maar blijven ook bij donker weer overdag gesloten; geheel openen doen zij zich slechts onder helderen zonneschijn. Heeft men ze op een koele standplaats staan, dan laten de bloeiende Krokussen zich van 4 tot 6 weken lang goedhouden; zet men ze daarentegen op een warme plaats, dan zijn zij reeds na 8 of 10 dagen uitgebloeid. De Krokus, die in een pot is uitgebloeid, heeft meestal nog slechts zeer weinig waarde, omdat de jonge scheuten zich dan zwak ontwikkelden. Wil men er nog plezier van hebben, dan plant men ze na den bloei in den tuin uit, waar zij dan het volgend jaar weder zullen bloeien.

Fig. 296. Krokus-knolletjes.

Fig. 296. Krokus-knolletjes.

Convallaria majalis (Lelietje der dalen). Er wordt wellicht geen enkele plant in zóó grooten getale in bloei getrokken als deze, en te verwonderen is dit zeker niet. Zoowel om haar lief voorkomen als om haar heerlijken geur is het Lelietje algemeen bemind; men vindt het in de bruidsbouquet en in den grafkrans, en een pot met bloeiende Convallaria’s is, vooral des winters, overal een aangenaam geschenk.

Fig. 297. Convallaria majalis in verschillende ontwikkelingsperioden.

Fig. 297. Convallaria majalis in verschillende ontwikkelingsperioden.

Het is niet zeker of de in het wild voorkomende Convallaria het type is van de zooveel gekweekte soort. Deze laatste overtreft de eerste verreweg in schoonheid, zij heeft breedere bladeren, een krachtiger bloeiwijs en grootere bloemen; ook is zij zeer geschikt om in bloei te trekken, wat de eerste niet is. De natuurlijke bloeitijd van het Lelietje valt in de maanden Mei en Juni; in bloei getrokken, bloeit zij reeds in November en men kan den ganschen winter door bloeiende planten er van hebben. Tot het in bloei trekken worden meestal driejarige kiemen gebruikt (Fig. 298), met een weinig oefening kan men aan de grootte en den vorm van de kiem dadelijk zien of zij bloeibaar is of niet. Snijdt men een bloeibare kiem door, dan vindt men er niet alleen de bladeren, maar in het hart ook den aanleg van de bloem in. In enkele streken van Holland worden de Convallaria’s bij millioenen gekweekt en vooral die zijn aan te bevelen, welke door haar blanke wortels toonen op zandgrond gekweekt te zijn.

Fig. 298. Het in mos wikkelen van kiemen der Convallaria majalis.

Fig. 298. Het in mos wikkelen van kiemen der Convallaria majalis.

Voor het in bloei trekken der Lelietjes moet men, wil men ze vroeg hebben, over een temperatuur kunnen beschikken van minstens 80° Fahr., in de meeste gevallen geven de kweekers ze een bodemwarmte van 85°–90° Fahr. Daar men in de kamer gewoonlijk over een dergelijke warmte niet kan beschikken, doet men beter het zeer vroeg in bloei trekken niet te beproeven en er niet vóór midden Januari mede te beginnen. De Convallaria heeft, bij het in bloei trekken, een zeer bijzondere eigenschap; zij vormt toch geen nieuwe wortels, maar neemt door haar oude wortels de noodige vochtigheid op. Warmte en vocht zijn bij het forceeren dezer planten de voornaamste factoren. De kiemen, die men noodig heeft, moet men zich in October of November aanschaffen; men kan ze dan in den tuin ingraven of dadelijk opplanten. Voor het oppotten kan men iedere grondsoort, zelfs zuiver zand gebruiken; het best gebruikt men er potten voor van 10–12 cM. wijdte. In iederen pot plant men, al naar de grootte, van 8–12 kiemen, waarvan de wortels voor het planten op ongeveer 10 cM. lengte teruggesneden moeten worden. Hierop neemt men den pot, legt enkele scherven op den bodem, waarna er een laagje aarde op wordt gebracht, dat een weinig wordt aangedrukt. Is men zoover klaar, dan neemt men het aantal kiemen, dat men planten wil, zóó in de hand, dat de neuzen op gelijke hoogte liggen en houdt ze dan zóó in den pot, dat zij juist even boven den potrand uitsteken; de overblijvende ruimte wordt dan niet verder met aarde opgevuld. Nu drukt men de kiemen uit elkander, zoodat zij even ver van elkander verwijderd zijn, waarop de openingen met aarde worden aangevuld, waarbij men er op moet letten, dat de aarde goed tusschen de wortels in komt, en dat zij stevig genoeg wordt aangedrukt. Geraken enkele neuzen hierdoor onder de aarde, dan moet men die weder een weinig oplichten. De hoofdzaak bij het opplanten is, dat de kiemen geheel vrij liggen, dat de aarde goed tusschen de wortels wordt aangedrukt, en dat de neuzen niet onder de aarde komen te liggen. Fig. 297 toont opgepotte kiemen in verschillende stadiën van ontwikkeling.

Fig. 299. Piramide, beplant met Lelietjes der dalen.

Fig. 299. Piramide, beplant met Lelietjes der dalen.

In plaats van ze in potten te planten, kan men ook van negen tot vijftien kiemen zoodanig in gewoon mos wikkelen, dat de neuzen vrijblijven, doch de wortels alle in het mos komen te liggen. Het geheel wordt ten slotte met een flinken band tot een bundel stevig samengebonden. Nadat men de kiemen opgepot of ingewikkeld heeft, worden zij goed aangegoten en, totdat met het forceeren begonnen wordt, in den kelder bewaard.

Heel aardig is het in bloei trekken in zoogenaamde piramiden. Deze piramiden (Fig. 299) zijn steenen potten, die veel overeenkomst hebben met de potten, die men wel eens gebruikt ziet om Pieterselie-wortels te laten overwinteren; alleen zijn zij wat kleiner en van meer gaten voorzien; iedere pottenbakker kan ze vervaardigen. Het planten der kiemen in de piramide is zeer eenvoudig. De wortels der te planten kiemen worden op 10 cM. lengte teruggesneden. Men doet dan, tot aan de onderste gaatjes, aarde in de piramide en legt door ieder gaatje op die hoogte, een kiem en wel zoodanig, dat de neus geheel uit het gaatje steekt. Zijn op deze wijze al de onderste gaatjes gevuld, dan brengt men er een laagje aarde op tot aan de tweede rij. Nadat de aarde met de hand behoorlijk is vastgedrukt, wordt de tweede rij gaatjes gevuld en zoo gaat men door tot zij alle van kiemen voorzien zijn, waarop men er bovenop ook nog eenige plant. Is men met beplanten klaar, dan wordt het geheel zóó lang onder water gedompeld, totdat er geen luchtblaasjes meer aan ontsnappen; ook later moet het gieten geheel op dezelfde wijze geschieden. Wordt de beplante piramide in bloei getrokken, dan richten al de uitgroeiende kiemen zich naar boven, zoodat het geheel er ten slotte uitziet, zooals in Fig. 299 is afgebeeld.

Fig. 300. Pot met bloeiende Lelietjes der dalen.

Fig. 300. Pot met bloeiende Lelietjes der dalen.

Het in bloei trekken der Lelietjes doet men, in een kamer, het best op de volgende manier. De potten of bundeltjes Convallaria’s worden in een tamelijk hoog kistje met mos ingegraven, zoodanig, dat de neuzen ook eenige centimeters met mos bedekt zijn. Het mos wordt nu met een broesgieter met lauw warm water behoorlijk aangegoten, waarop het kistje met een paar glasruiten bedekt en dicht bij de kachel gezet wordt. Men moet er op letten, dat zij niet al te warm staan en dat de kachel, zoo mogelijk, gelijkmatig warm blijft. De kiemen worden nu dagelijks met lauw water begoten, waarbij dan tegelijkertijd de ruiten met een drogen doek worden afgeveegd. Zijn de kiemen zóó ver uitgegroeid, dat zij de ruiten raken, dan worden deze er afgenomen. Voordat de bloemen openkomen, neemt men de potten uit het kistje, verwijdert het mos en zet ze voor het venster of op de bloemtafel. Het geheele in bloei trekken der kiemen vordert ongeveer van 20–25 dagen. Heeft men de kiemen zeer vroeg geforceerd, dan zullen zij wel bloemen, maar geen bladeren ontwikkelen. Om dan aan het geheel wat meer leven te geven, en de witte bloempjes wat beter te doen uitkomen, legt men tusschen de bloemtrosjes levend sphagnum, of wel, men plant er kleine Varens tusschen. Het mooiste resultaat verkrijgt men, door in de eerste helft van Februari te forceeren, daar dan de bladeren en bloemen zich ongeveer te gelijk ontwikkelen (Fig. 300). Hoe verder wij nu het voorjaar ingaan, des te sterker worden bij het forceeren de bladeren; ten laatste verdringen zij geheel de bloemen, die dan niet meer tot ontwikkeling komen. Men kan dit bezwaar eenigszins voorkomen, wanneer men bij iedere kiem slechts één blad laat doorgroeien en de andere tijdig, in ieder geval vóór zij zich ontrollen, met een scherp mesje wegsnijdt. Bij het in bloei trekken der Lelietjes hangt alles èn van voldoende warmte èn van een behoorlijk vochtige lucht af, zoodat er zeer op het gieten en het spuiten moet gelet worden. Men doet het best, steeds lauw water te gebruiken. De grootste vijand van getrokken Convallaria’s is de zon; laat men ze in de zon staan, dan hangen zij binnen korten tijd slap en zij richten zich niet weder op. Wil men van de bloeiende Lelietjes veel genoegen hebben en ze langen tijd goedhouden, dan moet men ze in een frissche, koele kamer zetten. De uitgebloeide kiemen sterven af en hebben alle waarde verloren.

Met het in bloei trekken van vaste-planten en bloemheestertjes in de kamer hebben wij vaak proeven zien nemen, die gewoonlijk mislukten. Wij raden ieder plantenliefhebber dan ook aan zijn tijd hiermede niet te verspillen; hij voorkomt op deze wijze tevens teleurstellingen.


1 Zonder iets af te dingen op deze vermoedelijk in Duitschland gevolgde handelwijze, moet hier toch opgemerkt worden, dat ze bij ons weinig toepassing vindt, daar men allicht kans loopt, dat de bol spoedig uit den pot zal oprijzen. Hier vult men dien half met aarde, drukt die een weinig aan en zet er den bol op, om daarna den pot verder geheel met aarde te vullen.

Vert.