Aphelandra. Onder de fraaie, kleine bloemplanten voor warme vertrekken nemen de Aphelandra’s, naast de verderop te behandelen Justicia’s, een belangrijke plaats in. Deze kleine, tropisch-Amerikaansche struikjes groeien in de kamer zeer goed. Zij munten niet alleen uit door hun dikwijls fraai gekleurde of geteekende bladeren, maar ook door de fraaie uit de toppen der takjes ontspruitende bloemaren. Deze bloemaren bestaan uit schitterend roode, dakpansgewijze over elkander liggende schutbladeren, waartusschen zich de pijpvormige, gele of roode lipbloempjes ontwikkelen.
Een zeer mooie soort is de Aphelandra aurantiaca, waarvan vooral een, uit Mexico afkomstige, variëteit, de A. aurantiaca Roezlii veel gekweekt wordt. De bladeren van dit fraaie plantje hebben een grijsgroene kleur en worden door zilverkleurige aderen doorsneden. De bloemen zijn fraai oranjerood. Andere soorten van dit geslacht zijn in den handel moeilijk of in het geheel niet te verkrijgen.
De Aphelandra’s moeten des winters in een vertrek staan, dat een temperatuur heeft van 55°–65° Fahr. Des zomers mag de warmtegraad wel 10° hooger zijn. Het dankbaarste zijn jonge planten, die in goede, niet te lichte aarde moeten gekweekt worden. De potten mogen niet wijder zijn dan 10 à 12 cM. In den groeitijd moet men ze veel water en ook nu en dan wat gier geven.
Na den bloei ontstaan er ter weerszijden van de bloemaar jonge scheuten, die gemakkelijk doorgroeien en ook wel weer tot bloei komen. Deze tweede bloemen zijn echter lang zoo mooi niet als de eerste; ook verliest de plant haar fraai voorkomen, zoodat men wijzer doet de oude planten, nadat het zaad rijp geworden is, weg te werpen.
De voortkweeking geschiedt het gemakkelijkst door zaden, die ook in de kamer rijp worden. Ook door middel van stekken laten zij zich vermenigvuldigen. De zaad- en stekpotten moeten, totdat men jonge plantjes heeft, gesloten en warm gehouden worden.
Franciscea. De Franciscea dankt haar naam aan keizer Frans II, onder wiens regeeringstijd zij in Brazilië gevonden werd. De enkele soorten van dit geslacht hebben langwerpige, lederachtige, lichtgroene bladeren en blauwe of violette bloemen, die tamelijk groot zijn, vlak uitstaan en een vreemden geur verspreiden. Hoewel deze fraaie struiken gedurende den winter bloeien, zijn zij toch maar weinig bekend en worden zij slechts zelden in kamers gekweekt.
De Franciscea moet het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden. Des winters verlangt zij een temperatuur van 60°–65° Fahr., des zomers moet zij flink geschermd en het vertrek, waarin zij staat, ruimschoots gelucht worden. Evenals talrijke warme bloemplanten, houden de Franciscea’s er veel van bespoten te worden. Groeien zij goed, dan kunnen zij een paar keer per jaar in goede nogal zware aarde verplant worden. Vertoont zich ongedierte, dan moet dit dadelijk verwijderd worden.
De vermenigvuldiging geschiedt door stekken. Dit is echter den liefhebber niet aan te raden, daar zij wel op een warme standplaats wortelen, doch zich in de kamer niet tot bloeibare planten laten opkweeken.
Gardenia. Onder de bloemplanten, bekend om haar fraaie, zeer welriekende bloemen, nemen de Gardenia’s zeker wel een eerste plaats in. Ter wille van de fraaie, schoon gevormde, schitterend witte, zeer welriekende bloemen, maken wij van deze plant melding, hoewel zij voor kamercultuur verre van dankbaar is. De Gardenia’s vormen kleine struiken, met vrij groote, glanzend groene, ei-lancetvormige bladeren. De eigenlijke bloeitijd valt in den herfst; toch verschijnen de bloemen, bij een goede cultuur, hoewel niet zoo talrijk, het gansche jaar door. Bij zonnig weer opent de Gardenia-bloem zich zeer gemakkelijk, bij donker weer echter slecht. Hoofdzakelijk worden de gevuldbloemige variëteiten van twee soorten gekweekt, namelijk van de Gardenia florida en de Gardenia radicans.
Fig. 92. Gevuldbloemige Gardenia florida.
Eigenlijk is de cultuur der Gardenia’s zoo erg moeilijk niet; zij worden het geheele jaar door in het vertrek gehouden, dat des zomers rijkelijk gelucht en des winters op een temperatuur van 60° Fahr. verwarmd wordt. Gedurende den zomer willen zij rijkelijk begoten en bespoten en bij scherpe zon beschermd worden; des winters geeft men haar minder water en spuit men slechts bij helder weer. Men lette er vooral op, voor het spuiten en gieten kalkvrij water te gebruiken. De verplanting geschiedt in het voorjaar, in zandigen bladgrond, waar men een weinig ouden graszodengrond doorheen kan mengen.
Jammer is het, dat de Gardenia sterk door insecten, bij voorkeur thrips en wolluis wordt aangetast; deze zijn het, die de cultuur zoo ondankbaar maken, daar zij juist in de droge kamerlucht bijna niet met goed gevolg te bestrijden zijn.
Gezonde, bloeiende exemplaren zijn prachtig, doch ook niet-bloeiend, is de Gardenia een zeer mooie plant. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door stekken, die warm gehouden moeten worden.
Hibiscus rosa chinensis. Deze Hibiscus vormt een middelmatig grooten struik, die waarschijnhjk uit Zuid-China en Noordelijk Indië afkomstig is. Tegenwoordig wordt zij daar overal gekweekt aangetroffen, in het wild vindt men haar er echter niet meer. Zij vormt een fraaie plant met vrij groote, glanzend groene bladeren en schoone enkele bloemen, waarvan de kleuren afwisselen tusschen het zachtste rose en het vurigste rood. In vorm en grootte komen deze bloemen veel overeen met die van onze enkelbloemige stokrozen, tot welker familie de plant dan ook behoort. De bloeitijd valt in de zomermaanden, en deze Hibiscus biedt, wanneer zij met haar fraaie bloemen prijkt, een prachtigen aanblik.
Lastig om te kweeken is de Hibiscus niet, maar om haar stuggen groei is de plant toch niet zoo aanbevelenswaardig als de bloemen wel verdienen.
In het voorjaar verplant men de Hibiscus in zeer voedzamen met eenige hoornspaanders doormengden grond; zij wordt dan tegelijkertijd flink ingesneden. Men kan ze den geheelen zomer door in een zonnig gelegen vertrek kweeken, wanneer men er voor zorgt het rijkelijk te luchten. Dikwijls spuiten zal den groei zeer bevorderen en ook het optreden van schild- en groene luis, waardoor deze plant gemakkelijk wordt aangetast, voorkomen. Gedurende den groeitijd verlangt de Hibiscus rijkelijk water; ook kan men haar gerust enkele malen goed gieren. Wil men ze in den herfst in bloei hebben, dan wordt zij in Mei verplant, waarop men door matig gieten den groei zooveel mogelijk tracht tegen te houden. Zoodra men meer gaat gieten, begint zij zich krachtig te ontwikkelen; in Juli worden de scheuten weer ingesneden, waarop in October en November de bloemen zullen verschijnen. In dezen aan bloemen armen tijd zijn zij dan natuurlijk dubbel welkom. Des winters moet de Hibiscus slechts matig begoten en niet te warm gehouden worden.
De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door stekken, die men van de jonge scheuten snijdt. In het kamerkasje of onder een stolp groeien deze stekken zeer gemakkelijk.
Jasminum. Deze plant mag niet verward worden met een zeer veel in de tuinen gekweekten fraaien bloemheester, die zeer ten onrechte onder den naam Jasmijn bekend is.
Van de vele echte Jasminum-soorten, die zich door meestal kleine, witte of gele, doch zeer sterk riekende bloemen onderscheiden, zijn slechts twee soorten zóó fraai, dat zij waard zijn in de kamer gekweekt te worden. Dit zijn de Jasminum grandiflorum en de Jasminum Sambac. De eerste is een zeer slanke, ijle, groen blijvende struik met gedeelde bladeren en groote stervormige bloemen, zij komt in geheel tropisch en subtropisch Azië voor. De tweede soort, de Jasminum Sambac is, vooral bij hen, die Indië bezochten, meer algemeen bekend onder den naam ”Melatti”. Het is een struik met glanzend groene, eivormige bladeren en zeer welriekende, witte bloemen. Van deze soort wordt tegenwoordig meestal de gevuldbloemige variëteit gekweekt.
De Jasminums zijn oorspronkelijk klimplanten, en hoewel de bloemen betrekkelijk klein zijn, brengen zij door haar fijnen geur bijna iedereen in verrukking. In potten gekweekt, ontwikkelen zij zich slechts tot kleine struikjes, die men aan een stokje opbindt. Zij moeten geplant worden in lichten grond; heidegrond, veengrond of bladaarde passen haar goed. Des zomers zet men ze in een lichte, luchtige kamer, des winters in een matig warm vertrek.
De voortkweeking geschiedt door stekken of afleggers.
Justicia. Het naar den Schotschen kweeker James Justice genoemd plantengeslacht omvat verscheidene fraaie soorten, die alle op dezelfde wijze behandeld moeten worden. Zij vormen aardige struikjes, met gesteelde, langwerpige bladeren en lieve, aan de spitsen verschijnende bloemaren. Deze bloemaren worden door fraai gevormde, met groote schutbladeren omgeven, lipbloempjes gevormd.
De nevenstaande gravure, Fig. 93, is die der Justicia coccinea uit Suriname, met fraaie, scharlakenroode bloemen, die gewoonlijk in het voorjaar, in de maanden April en Mei, verschijnen. De Justicia carnea, met vleeschkleurige bloemen, is uit Brazilië afkomstig; deze soort bloeit gewoonlijk in het midden van den zomer, terwijl de Justicia speciosa, uit Bengalen, met haar rozeroode bloemen een zeer schoone herfstbloeister is.
Fig. 93. Justicia coccinea.
De Justicia’s zijn zeer dankbare kamerplanten, die het geheele jaar door in de kamer kunnen gekweekt worden. Zij verlangen een lichte standplaats en een temperatuur van 60°–65° Fahr. Wanneer de planten uitgebloeid zijn, ontwikkelen zich onder de bloemaar, dus uit de oksels der bovenste bladeren, jonge scheuten, die vroeger of later weder bloeibaar worden. Voor deze jonge scheuten geldt hetzelfde, wat wij gezegd hebben omtrent die, welke zich bij de Aphelandra’s ontwikkelen.
De Justicia’s worden gedurende het voorjaar in goede broeiaarde verplant. Ten einde fraaie, bossige planten te verkrijgen, die rijk bloeien, moet men ze na het verpotten flink insnijden, zoodat er op iedere twijg niet meer dan twee paar bladeren blijven staan. Zijn de planten flink aan het doorgroeien, dan kan men ze vrij geregeld gieren; worden zij zorgvuldig begoten, bij helder weer bespoten en bij te scherpe zon geschermd, dan blijven zij vrij van ongedierte en zullen zich spoedig tot fraaie planten ontwikkelen.
De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door kleine stekjes, die zeer gemakkelijk wortelen.
Poinsettia pulcherrima. De Poinsettia is een echte winterbloeister, daar de bloeitijd in December begint en pas in Januari eindigt. Deze zeer fraaie, gewoonlijk slechts ½ à ¾ Meter hoog wordende struik is afkomstig uit Mexico, Guatemala en Costa-Rica. De weinig houtachtige twijgen zijn hol en scheiden bij de minste verwonding een wit melksap af. Hiermede moet men zeer voorzichtig zijn, daar dit melksap een vrij sterk bloedvergif is, en, in wonden komende, een gevaarlijke ontsteking kan veroorzaken. De bladeren zijn vaak verschillend gevormd, meest echter ovaal. In de laatste helft van den herfst ontstaan aan de spitsen der twijgen eigenaardig gevormde knopjes, die steeds duidelijker worden. Deze groene knopjes worden de weinig beteekenende bloemen, die echter door een aantal spiraalsgewijze ingeplante schutbladeren omgeven zijn. In de donkere najaarsdagen groeien deze schutbladeren langzaam door; spoedig beginnen zij zich te kleuren en tegen Kerstmis zijn de dicht bijeen zittende groene bloempjes omringd door een grooten krans van prachtige, vuurroode bladeren, die aan de plant een groote waarde geven en door de meeste leeken voor bloembladeren worden aangezien. Hebben de bloemen haar vollen wasdom bereikt, dan beginnen deze schutbladeren langzaam te verwelken; zij vallen te gelijk met de gewone bladeren af en de Poinsettia treedt haar rustperiode in.
Fig. 94. Poinsettia pulcherrima.
De rustende Poinsettia kan op iedere plaats in een matig warme kamer overwinteren. In Maart zet men de planten voor een zonnig venster van een warme kamer, nadat men de kale stengels flink heeft ingesneden, waarop men weder geregeld begint te gieten. Aanvankelijk moet dit gieten zeer voorzichtig geschieden; beginnen zich echter de jonge scheuten te ontwikkelen, dan kan men rijkelijk water geven. De weder bebladerde Poinsettia wordt nu zeer voorzichtig verplant in bladaarde, vermengd met wat kleigrond en zand. Men moet ze nu langzamerhand aan frissche lucht gewennen en in Juni voor een druk gelucht wordend venster zetten. Om een goeden groei te bevorderen, moet men ze gedurende den zomer zooveel mogelijk zon geven en overvloedig begieten. In September worden de planten voor het zonnige venster van een warme kamer gezet en hier worden zij, indien men wil dat de schutbladeren zich goed zullen ontwikkelen, minstens één keer per week gegierd.
In het voorjaar steekt men stekken van de jonge scheuten, die, wanneer zij op een warme plaats onder glas staan, in 2 à 3 weken beworteld zijn. Snijdt men de planten niet in, dan zullen zij op één scheut doorgroeien en zeer mooie exemplaren vormen.
Thyrsacanthus rutilans. De Thyrsacanthus is een krachtige halfheester uit Zuid-Amerika, die in één zomer ½ à ¾ Meter hoog kan worden. Een goed ontwikkelde plant maakt van het einde van den zomer tot het begin van den winter fraaie, afhangende bloemtrossen, die onstaan uit de bladoksels der lancetvormige bladeren. Iedere tros is 20–30 cM. lang en bestaat uit 12–16 donker-karmijnroode bloemen.
Deze plant moet gekweekt worden in met heide- of bladaarde vermengden graszodengrond; men zet haar in een warme kamer en beschermt haar tegen te felle zon. Een rijkelijk begieten en geregeld gieren zal den groei zeer bevorderen, zoodat de planten spoedig een krachtig voorkomen krijgen. Na den bloei rust de Thyrsacanthus geruimen tijd, zoodat zij dan slechts matig begoten mag worden, niettemin moet men haar steeds op een lichte plaats laten staan.
De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door middel van stekken.
Agapanthus umbellatus. De Agapanthus, waaraan wij een groote gravure wijden, is een zeer schoone bloemplant, afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Deze prachtige plant vormt uit den wortelstok een groot aantal scheuten met lange, riemvormige, zachte bladeren, waaruit in den zomer krachtige bloemstelen te voorschijn komen, die groote schermen van lichtblauwe bloemen dragen. Een minder schoone variëteit heeft witte bloemen.
Een dankbare plant is de Agapanthus eerst, wanneer men haar in een kuipje kweekt. Zij eigent zich dan bijzonder voor zonnige balkons of veranda’s; ook kan men haar dan als alleen staande plant in den tuin gebruiken. Des winters is zij uitstekend geschikt om de gang te versieren, hoewel zij ook in een luchtigen kelder kan overwinteren.
Fig. 95. Agapanthus umbellatus.
Gewoonlijk wordt de Agapanthus geheel verkeerd behandeld; men gelooft toch algemeen, dat zij slechts dán bloeit, wanneer men haar gebrek laat lijden, waarom zij meestal eerst verplant wordt, als de dikke vleeschachtige wortels den pot hebben doen barsten of de kuip geheel gevuld hebben. Bij een dergelijke behandeling zien de planten er echter steeds armoedig uit; zij geven slechts kleine schermpjes met 15 à 20 bloemen; terwijl de ondervinding leerde, dat zij bij een goede behandeling schermen kunnen maken met 180–220 bloemen, welke schermen dan een trotschen aanblik opleveren. Om een dergelijk resultaat te verkrijgen, moet de Agapanthus minstens om het andere jaar verpot worden in den meest voedzamen grond; gedurende den zomer moet zij veel begoten en gegierd worden, terwijl zij een zonnige standplaats moet hebben. De afbeelding toont een plant, die reeds twee jaar buiten is uitgeplant; in den winter wordt zij met een doorgezaagde ton bedekt, die bij intredende vorst geheel met mest wordt omgeven. Een plant, die zich op deze wijze buiten laat overwinteren, kan natuurlijk den winter ook zeer goed in den kelder doorbrengen. Zij verliest dan, evenals buiten overwinterd, al haar bladeren, wat echter volstrekt niet schaadt.
Gedurende den winter moet zij zeer spaarzaam begoten worden.
Het is den liefhebber niet geraden oude planten door deeling te vermenigvuldigen, omdat juist groote planten het dankbaarste bloeien. De voortkweeking uit zaden gaat zeer langzaam.
Calceolaria hybrida. De Calceolaria’s zijn zoogenaamde tweejarige planten; zij worden in den zomer uit zaden gekweekt, groeien den winter door, bloeien in het voorjaar en sterven na zaad gemaakt te hebben af. Deze algemeen bekende bloemplanten hebben groote, lichtgroene bladeren, die grootendeels op den pot blijven liggen. Op sterke stelen verheffen zich de bloemen, die zeer talrijk zijn, boven de bladrozet; zij hebben een ballonachtig, opgeblazen voorkomen en zijn geheel reukeloos. Men onderscheidt hooge, middelmatige en lage variëteiten en naar de kleur der bloemen getijgerde en gevlekte.
De zeer fijne zaden worden in Juli en Augustus gezaaid op gezifte, zandige heide- of bladaarde; de zaden worden niet gedekt, matig vochtig gehouden, beschaduwd en koel gezet. De zeer kleine zaailingen moeten een paar keer gerepikeerd worden, totdat zij groot genoeg zijn om in afzonderlijke potjes geplant te worden. Al naar den groei der plantjes zal het noodig zijn ze nog een- of tweemaal te verpotten, waarvoor een mengsel van gelijke deelen heide-, blad- en broeiaarde, benevens zand uitstekend geschikt is.
De cultuur is niet zeer gemakkelijk, wat veroorzaakt wordt door het meermalen repikeeren en verplanten en ook, doordat de planten zeer koel en toch vorstvrij gehouden moeten worden, daar zij anders door insecten worden aangetast en daardoor zeer lijden. Voorzichtiger doet de liefhebber, zich in het voorjaar de tamelijk goedkoope Calceolaria’s in bloeibaren toestand aan te schaffen; zij verlangen dan rijkelijk water benevens een lichte en luchtige standplaats.
Een in vollen bloei zijnde Calceolaria levert een prachtig gezicht op.
Campanula (Klokjesbloem). Onder de vele één- en tweejarige Campanula’s, die zeer veel tot tuinversiering gebruikt worden, bevinden zich ook eenige soorten, die uitstekend geschikt zijn voor kamercultuur. De fraaiste hiervan is zeker wel de Campanula pyramidalis, een tweejarige plant, die des zomers een pyramidevormige bloeiwijze ontwikkelt, welke 1 à 1½ M. hoog kan worden, en die uit fraaie, groote, witte of blauwe bloemen bestaat. De zaden, die de plant rijkelijk voortbrengt, worden tegen het einde van Augustus of begin September in potten gezaaid. Deze zaadpotten moeten koud overwinterd worden; men kan ze zelfs des winters buiten houden. In de lente worden de zaailingen gerepikeerd, om ze daarna afzonderlijk in potjes uit te planten.
Wanneer men deze plantjes in goede aarde geplant heeft, en men geeft ze een goede, zonnige standplaats voor het venster, dan zullen eenige, er van reeds in het najaar bloeien, de meeste, echter in den daarop volgenden zomer.
Een zeer fraaie ampelplant is de Campanula fragilis, die den geheelen zomer door talrijke platte, lichtblauwe, stervormige bloemen geeft; ook de C. garganica van het Garganusgebergte in Apulië is voor dit doel uitstekend geschikt. Deze beide hangende soorten hebben rondachtige bladeren. Zij laten zich beide zeer gemakkelijk door wortelspruiten vermenigvuldigen. In enkele streken worden deze drie Campanula-soorten zeer veel gekweekt, en hij, die eenmaal met haar cultuur begonnen is, zal deze niet gemakkelijk meer opgeven.
Cheiranthus Cheiri (Muurbloem). De, om den heerlijken geur harer bloemen, algemeen in trek zijnde Muurbloem komt op zeer enkele plaatsen van ons land in het wild voor, o.a. op de ruïne van Brederode. Men onderscheidt stam- en struik-Muurbloemen. Van beide soorten, waarvan de eerste slank, de laatste bossig groeit, heeft men weder hooge en lage, enkele en gevulde variëteiten.
De Cheiranthus wordt in het voorjaar gezaaid in een pot, die buiten voor het venster wordt geplaatst, of wel, men zaait ze direct in den tuin uit. De jonge plantjes worden, wanneer zij een paar centimeters hoog zijn, gerepikeerd op een afstand van 25–35 cM., bij voorkeur op een goed toebereid vakje in den tuin. Hier worden zij, zoo noodig, rijkelijk begoten en in het najaar zeer voorzichtig in behoorlijk groote potten gezet. Voor dit opplanten wordt broeiaarde of goede bladgrond gebruikt. De overwintering geschiedt nu in een kouden kelder of achterkamer. Krachtige planten kunnen dan van Februari af voor een zonnig venster in bloei getrokken worden. De Muurbloem stelt zeer weinig eischen; zij is zeer hard en uitstekend geschikt voor de voorjaarsbeplanting van balkonbakjes en bloemvakken.
Chrysanthemum indicum. De Chrysanthemums zijn overal bekende en bijna door iedereen beminde bloemplanten, en kunnen tegenwoordig met alle recht als echte modeplanten beschouwd worden. De bekwame kweekers hebben ze tot op een zeer hoogen trap van volmaaktheid weten te brengen, en de bloei, die in den laten herfst en den vóórwinter valt, heeft deze planten zeer bemind gemaakt. Wij willen hier niet ingaan op de tegenwoordig ontelbare variëteiten, die, al naar de vorm der bloemen, in verschillende groepen worden verdeeld, daar het beter is, dat ieder liefhebber ze naar zijn eigen smaak in de verschillende kweekerijen uitkiest. Wij zullen ons dus uitsluitend met de cultuur bezighouden. Als een echte vaste-plant sterft de Chrysanthemum na den bloei tot op den wortelstok in. De uitgebloeide scheuten worden dan tot op den pot toe afgesneden en slechts de jonge scheuten, die dan dikwijls reeds zijn te voorschijn gekomen, laat men staan. Deze jonge scheuten moeten in het volgend jaar de bloeiende planten leveren, terwijl de uitgebloeide moederplant dan naar den mesthoop verhuist. Er zijn twee wegen om de Chrysanthemums te vermenigvuldigen: òf wij werpen de oude planten dadelijk weg, na de jonge scheuten afgesneden te hebben, die als stekken gedurende den winter zeer goed wortelen; òf wij kweeken de oude planten tot Februari in het venster van een koude kamer, om dan eerst met het snijden der stekken te beginnen.
De liefhebber doet het beste met het stekken tot de eerste dagen van Februari te wachten. Men gebruikt daartoe uitsluitend de scheuten, die uit den pot zijn ontsproten; die, welke zich aan de nog voorhanden zijnde oude stengels hebben ontwikkeld, worden bij voorkeur niet gebruikt. De stekjes worden met een scherp mesje gesneden en 6 à 8 te zamen rondom den rand van een 10 cM. wijden pot gestekt. De beste aarde om in te stekken is zandige broei- of bladaarde. De beworteling geschiedt zeer goed voor het venster van een koele kamer, maar steeds in gesloten lucht, zoodat iedere pot met een stolp moet bedekt worden.
Het is niet raadzaam de stekken te warm te houden, daar zij dan minder krachtige planten vormen. Nadat zij geworteld zijn, kan men de stolpen er af nemen en de jonge plantjes zoo koel mogelijk houden. Tegen het einde van Maart worden de stekken uit de stekpotten genomen en ieder afzonderlijk in een potje van 6–7 cM. wijdte geplant. De jonge Chrysanthemums worden nu voor het venster van een dikwijls geluchte, koele kamer gezet, waar zij spoedig flink zullen doorgroeien.
Jonge planten, moeten zoodra zij drie volkomen ontwikkelde bladeren gevormd hebben, daarboven ingenepen worden. Gewoonlijk zullen zich dan drie scheuten ontwikkelen, die men laat doorgroeien, totdat zij weder drie volgroeide bladeren hebben, waarna zij nogmaals ingenepen worden. Op deze wijze verkrijgt men mooie planten met 8 à 9 scheuten. Eenige er van kan men echter laten doorgroeien, om er kroonboompjes van te maken (Fig. 96).
In het begin van Mei, wanneer er geen nachtvorsten meer te vreezen zijn, graaft men de jonge planten op een vak in den tuin in. Dit vak moet goed op de zon liggen. Om de vier à zes weken moeten de planten nu geregeld verpot worden; dit moet zoo voorzichtig mogelijk geschieden, daar de wortels niet beschadigd mogen worden. Iederen keer gebruikt men potten, die slechts weinig grooter zijn dan die, waarin zij stonden. De aarde, die men gebruikt, moet zoo voedzaam mogelijk wezen, het beste is een mengsel van broeiaarde, graszodengrond en verteerden koemest, waarbij rijkelijk zand en wat hoornspaanders of beendermeel wordt gevoegd. Heerscht er warm weer, dan moeten de Chrysanthemums ’s morgens en ’s avond begoten en bespoten worden; en 2 à 3 weken na het verpotten moet men ze weder minstens één keer per week gieren. Een plant, die zoo sterk groeit, mag het, vóór alles, niet aan voedsel ontbreken.
Fig. 96. Chrysanthemum, als kroonboompje gekweekt.
Kweekt men struikvormige Chrysanthemums, dan behoeft men er niet anders aan te snijden, dan hiervoor vermeld is. Wanneer men dit mooi vindt, kunnen de Chrysanthemums ook in waaier-, scherm- of kogelvorm gekweekt worden, door er een aantal stokjes bij te steken en hier de takken aan te binden. Dit veroorzaakt echter veel moeite, het eischt veel handigheid en het kan niet werkelijk mooi genoemd worden. Het gemakkelijkst kweekt men nog kleine kroonboompjes (Fig. 96). Hiertoe gebruikt men de stekplantjes van krachtige soorten, die toonen flink te willen doorgroeien. Bij deze stekplantjes zet men stokjes, die juist zoo lang moeten zijn, als men het stammetje hoog wil laten worden. Aan deze stokjes worden de jonge plantjes gebonden; men zorgt er nu voor, alle zijscheuten, zoodra die ontstaan, geregeld weg te breken. Zijn de plantjes eindelijk zóó lang geworden, dat zij even boven de stokjes uitsteken, dan snijdt men hun de koppen af. Er zullen zich dan spoedig een aantal zijscheuten ontwikkelen. Van deze zijscheuten behoudt men de bovenste, die het kroontje moeten vormen; de overige worden weer weggesneden. Uit deze zijscheuten worden, wanneer zij lang genoeg zijn, weder de koppen gesneden, ten einde mooie dichte kroontjes te verkrijgen. Wenscht men groote bloemen te hebben, dan moeten, zoodra de knopvorming begint, steeds al de zijknoppen weggebroken worden, zoodat men op iederen scheut slechts één knop behoudt en al het voedsel der plant ten gunste dezer knoppen komt. Deze bewerking past men zoowel op de kroonboompjes als op de struiken toe. Van grootbloemige soorten kan men op de volgende wijze reusachtige bloemen verkrijgen. In Maart of April snijdt men van sterke scheuten stekken, die, zoodra zij beworteld zijn, in potten van 10 cM. wijdte worden gezet. Deze zomerstekken laat men op één scheut doorgroeien, door alle zijscheuten tijdig te verwijderen; aan dezen éénen scheut laat men, zoodra de knoppen goed zichtbaar zijn, slechts den sterksten zitten; al de andere worden weggebroken. Behandelt men de plant goed en laat men het haar aan niets ontbreken, dan zal die ééne knop zich tot een bloem van buitengewone afmeting en pracht ontwikkelen.
Fig. 97. Struikvormige Chrysanthemum.
De Chrysanthemum heeft zeer veel vijanden, waaronder luizen, larven en meeldauw wel de ergste zijn. Deze vijanden tasten haar echter dàn alleen aan, wanneer zij, door een fout in de kweekwijze, niet goed groeit.
Zoodra er in het najaar nachtvorsten komen, moet men de Chrysanthemums in een zonnige, doch koele kamer zetten; en wordt er bij vorstvrij weer voor goed luchten gezorgd, dan zullen de bloemen zich spoedig gaan ontwikkelen. Geeft men ze echter te veel warmte, of lijden zij gebrek aan frissche lucht of water, dan gaan zij in de kamer zeer snel achteruit en de bloemen zullen niet goed openkomen. Ook de afgesneden bloemen duren in een warm vertrek slechts kort; in een koude kamer kan men ze echter tamelijk lang goed houden.
Cineraria hybrida. De Cineraria behoort tot de familie der samengesteld-bloemigen en de meeste thans gekweekte soorten stammen van de Cineraria cruenta, een op de Canarische eilanden te huis behoorende soort af. Het is een tweejarige, dankbare bloemplant, met groote, zeer ruwe bladeren. De op krachtige stelen verschijnende bloemen kenmerken zich door de prachtige kleuren der straalbloempjes, die nú eens rood, blauw of violet, dán weder zuiver wit zijn, terwijl ook meerdere kleuren in een bloem kunnen voorkomen. De bloemen zijn meestal reukeloos; soms echter onderscheiden zij zich door een aangenamen geur. Men kweekt tegenwoordig lage, middelmatige en hooge variëteiten. De fraaiste zijn zeker wel de middelmatig hooge verscheidenheden zooals er een in Fig. 98 is afgebeeld.
Fig. 98. Cineraria hybrida.
De cultuur der Cineraria is juist dezelfde, die wij vermeld hebben voor de Calceolaria. Zij is echter in sommige opzichten gemakkelijker, daar de zaden grooter zijn, zoodat men die wijder uit elkander kan zaaien. De kiemplantjes zijn ook grooter dan bij de Calceolaria’s, zoodat zij heel wat gemakkelijker te repikeeren zijn; ook is één keer repikeeren meestal voldoende, omdat men ze hierna wel in afzonderlijke potjes kan uitplanten. Het best kweekt men de Cineraria in goede broeiaarde. Zij wordt in September gezaaid, en groeit den geheelen winter flink door, wanneer men haar een lichte, koele, doch vorstvrije standplaats geeft en het haar niet aan water en gier laat ontbreken. Somtijds begint zij in Januari reeds te bloeien; de normale bloeitijd valt echter in de maanden Maart en April. Sterke exemplaren moeten enkele malen verpot worden, totdat zij in potten staan van ongeveer 16 cM. wijdte. Houdt men de Cineraria’s te warm en geeft men ze geen frissche lucht genoeg, dan worden zij weldra door insecten aangetast, die dikwijls de fraaiste en schoonste exemplaren ten gronde richten; zelfs treden dan wel larven op, die in de bladeren leven en deze geheel verwoesten. Vorst verdraagt de Cineraria in het geheel niet. Een liefhebber zal verstandig doen deze planten eerst tegen het einde van September te zaaien, ze in kleine potten te laten overwinteren en vroeg in het voorjaar te verplanten; zij kunnen dan, wanneer de nachtvorsten voorbij zijn, ter versiering van het balkon gebruikt worden. De beste plaats voor bloeiende Cineraria’s is in een breede vensterbank; voor een bloemtafel zijn zij minder geschikt, omdat zij, daarin geplaatst, te weinig licht en lucht verkrijgen.
Dianthus (Anjelier). Door haar heerlijken geur, haar prachtige kleuren en het fraaie voorkomen der geheele plant, is de Anjelier langen tijd de lieveling van alle plantenliefhebbers geweest; te meer, omdat zij zich ook gemakkelijk laat kweeken. Zij moge tijdelijk door de mode verdrongen, zijn, telkens wordt zij weder in eere hersteld.
Dianthus Caryophyllus (Grasanjelier). Deze is zeker wel de oudste der Anjelieren, die voor venstercultuur gebruikt worden. Het vaderland van deze soort, die nu en dan ook in het wild groeiend wordt aangetroffen, en dan kleine, donker-lilakleurige bloemen heeft, is zuidelijk Europa. In de cultuur hebben zich talrijke variëteiten gevormd, die door fraaie kleuren en gevulde bloemen uitmunten. De gevulde Anjelieren geven gemakkelijk zaad; men kan ze dus uit zaad voortkweeken, doch de zaailingen zijn niet constant, d.w.z. dat zij lang niet altijd de eigenschappen bezitten, die de moederplant kenmerken. Wel verkrijgt men uit een zaaisel planten met fraai gevulde of gekleurde bloemen, doch er zijn er ook vele onder, die enkel zijn en haar schitterende kleuren verloren hebben. Een liefhebber, die zijn Anjelieren wil voortkweeken en zeker wil zijn, bepaalde variëteiten te behouden, moet dit doen door middel van afleggers (Zie Fig. 27). Deze wijze van voortkweeken doet men gedurende of na den bloei, men gebruikt er jonge scheuten voor, die niet meer zullen bloeien. De afleggers wortelen gewoonlijk na 5 of 6 weken; zij worden dan van de moederplant afgesneden, en afzonderlijk in kleine potjes opgepot. In deze potjes laat men de jonge afstammelingen overwinteren, waartoe men ze niet vóór November in een luchtigen kelder of een koele achterkamer zet. Reeds vroeg in het voorjaar moeten deze jonge Anjelieren verpot worden. Men gebruikt hiertoe potten van 13 cM. wijdte en plant ze in een mengel van ⅔ broeiaarde, ⅓ klei- of graszodengrond en een weinig scherp zand. Dadelijk na het verplanten worden zij buiten voor het venster of op het balkon geplaatst. Ook de oudere planten moeten tijdig verpot en buiten gezet worden. De door afleggers verkregen planten geven gewoonlijk in het eerste jaar slechts zeer weinig bloemen; in het tweede jaar bloeien zij echter volop. De bloemstelen zijn zeer dun en kunnen veelal de zware, gevulde bloemen niet dragen; ook breken zij zeer gemakkelijk, waarom het voorzichtig is ze aan dunne stokjes te binden. De Grasanjelier is ook uitstekend geschikt, om in bakjes uitgeplant te worden. Heeft men soorten met sterk gevulde bloemen, dan wil het wel voorkomen, dat de kelk berst; de bloemen worden dan eenzijdig en verliezen veel van haar net voorkomen. Men kan dit kwaad gemakkelijk keeren, door om iederen knop een guttapercha bandje te leggen.
De Grasanjelieren, die door vele kweekers aan de markt gebracht worden, zijn vaak in haar volle kracht uit den vrijen grond opgestoken planten. Deze zijn wel in den beginne zeer fraai, doch verwelken spoedig; reden waarom een liefhebber wijs doet, zijn Anjelieren zelf langs kunstmatigen weg te kweeken; hij is dan zeker, in het tweede jaar prachtig bloeiende planten te hebben.
Fig. 99. Dianthus Caryophyllus semperflorens.
Dianthus Caryophyllus semperflorens. (Remontant Anjelier.) Deze variëteit, ongeveer 40 jaar bekend, is waarschijnlijk in Frankrijk gewonnen. Zij is tegenwoordig zeer in trek en wordt in zuidelijk Europa in het groot gekweekt, ten einde de bloemen des winters op de markten der groote noordelijke steden te brengen. Deze worden hier te lande bij duizenden ingevoerd, en spelen een zeer voorname rol bij de bloemenbinderij. Ook als potplant wordt deze Anjelier veel gekweekt; zij is dan een zeer in trek zijnde winterbloeister.
Ofschoon de Remontant-Anjelier in de laatste jaren door verschillende kweekers zeer verbeterd is, hebben haar bloemen toch niet die schoone kleuren en fraaie teekening, welke der Grasanjelier eigen is; zij heeft echter de zeer goede eigenschap, dat zij bijna het geheele jaar door bloeit en juist in het laatste gedeelte van den herfst en het eerste gedeelte van den winter het rijkst, een tijd, waarin bloemen steeds zeer welkom zijn.
De Remontant-Anjelier wordt in Januari of Februari uit stekken voortgekweekt, die men snijden moet zooals Fig. 22 aantoont. Deze stekken zet men vlak aan den rand van een met zandige aarde gevulden pot; de stekpot wordt op een lichte, warme plaats gezet en slechts even vochtig gehouden. Nog zekerder is men van het wortelen der stekken, wanneer men op de volgende wijze te werk gaat. Men neemt een pot van 10 cM. en een tweeden van 7 cM. wijdte, van welken tweeden het drainagegaatje met een kurkje, of beter nog met een weinig cement, waterdicht toegemaakt wordt. Is het cement goed opgedroogd, dan legt men in den grooten pot een laagje scherven en brengt men er zooveel aarde in, dat de kleinere pot, er ingezet, juist met den rand gelijk komt. De ruimte tusschen de twee potten wordt dan met aarde gevuld, waarin de stekken gestoken worden. Is dit geschied, dan wordt de binnenpot met water gevuld en, wanneer dit noodig blijkt, water bijgegoten. Door de poriën van den binnenpot dringt nu juist zooveel water als de stekken noodig hebben, zoodat deze in het geheel niet behoeven begoten te worden (Fig. 100). Op deze wijze behandeld, wortelen de stekken vrij zeker binnen 4 à 6 weken.
Fig. 100. Practische kweekwijze van Remontant-Anjelieren.
De cultuur van de Remontant-Anjelier is juist dezelfde als die van de Grasanjelier: zij wordt in dezelfde aarde geplant, ook in het voorjaar verpot en daarna buitengezet. Om te voorkomen, dat de stekplanten reeds in den zomer bloeien, snijdt men er den kop uit; zij maken dan zijscheuten, die pas in het najaar in bloei zullen komen. De Remontant-Anjelier moet natuurlijk niet in den kelder overwinteren daar zij des winters bloeit, maar voor een zonnig venster van een matig warme kamer.
Dianthus Margaritæ. Dit is een nog betrekkelijk nieuwe variëteit, met zeer fraaie bloemen. Deze laat zich zeer goed door zaad vermenigvuldigen daar een zaaisel bijna uitsluitend planten met gevulde bloemen oplevert. De Dianthus Margaritæ wordt in de maand Maart gezaaid in potten, die men voor het venster zet; de opkomende zaailingen worden gerepikeerd, in kleine potjes geplant en gedurende den zomer nogmaals verpot. Kweekt men ze tot aan het intreden van nachtvorsten buiten, dan zullen deze Anjelieren zich in 8 à 9 maanden tot bloeibare planten ontwikkelen. De eerste bloemen vertoonen zich gewoonlijk laat in den herfst; de eigenlijke bloei begint echter pas in de maanden Maart, April of Mei. De overwintering moet op een lichte, vorstvrije plaats geschieden.
Men onderscheidt lage, halfhooge en hooge Dianthus Margaritæ; die alle tamelijk kleinbloemig zijn, en dus slechts door den bloei van elkander verschillen; anders is dit met de Malmaison-variëteiten, die zich door zeer groote bloemen onderscheiden.
Ten laatste moeten wij nog melding maken van Dianthus fruticosus (Boom-Anjelier). Deze vormt een houtachtigen stengel, en wordt in de kamer het best tegen hekjes gekweekt; zij blijft verscheidene jaren goed, wordt ongeveer één Meter hoog en bloeit in alle jaargetijden.
Alle Anjelieren worden gemakkelijk door ongedierte en andere ziekten aangetast, wanneer men ze des winters te veel begiet, of in dit jaargetijde de bladeren vochtig maakt en ook, wanneer men ze een te warme, besloten standplaats geeft. Des zomers moeten zij alle buiten gekweekt en rijkelijk begoten en gegierd worden.
Mimulus moschatus (Muskusplant.) Dit is een tamelijk onbeduidend plantje, met kleine, gele bloempjes, maar om zijn sterken muskusgeur wordt het dikwijls gezocht. Behalve de oorspronkelijke soort, worden twee variëteiten gekweekt; een zeer gedrongene, de M. moschatus compactus, en een met groote bladeren, de M. moschatus Harrisonii.
De Muskusplant is winterhard; zij wordt echter steeds in potten gekweekt en wel in veen- of broeiaarde. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door zaden, stekken of deeling der oude plant. In het najaar sterft zij bijna geheel af en de overblijvende wortelstok wordt dan droog in den kelder bewaard. In het voorjaar wordt zij verplant en voor het venster aan den groei gebracht; gedurende den zomer zet men haar buiten voor het venster. De muskusplant wil gedurende haar groeitijd gaarne op een half beschaduwde plek staan en dan rijkelijk begoten worden.
Myosotis (Vergeet-mij-niet). Als winterbloeister heeft vooral veel waarde de Myosotis oblongata vera, een plantje met lichtblauwe bloemen. Men zet haar gedurende den winter, zoo mogelijk, zonnig, koel en geheel vorstvrij, daar zij zeer gemakkelijk bevriest, de bloemen zullen dan in Februari zeer talrijk verschijnen.
Zijn de oude planten in het voorjaar uitgebloeid, dan worden zij teruggesneden, waarop zij gemakkelijk zullen uitloopen. Deze uitloopers worden als stekken gebruikt en zijn ze beworteld, dan kan men de moederplanten wegwerpen. De stekken wortelen op een koele, schaduwrijke plaats zeer gemakkelijk; zij worden in den loop van den zomer herhaaldelijk in voedzamen grond geplant, rijkelijk gegierd en voortdurend tamelijk zonnig gehouden.
Een niet minder fraaie soort is de Myosotis azorica. Deze kweekt men met haar variëteiten uit zaad en pot ze op in 10–12 cM. wijde potten. De bloemen verschijnen in de lente en toonen het schoonste blauw van alle Vergeet-mij-niet-soorten.
Primula (Sleutelbloem). De Primula’s zijn prachtige, zeer dankbare planten, die ons voor een gedeelte in het voorjaar in den tuin, voor een ander gedeelte gedurende den herfst en den winter, in de kamer door haar fraaie bloemen veel genot verschaffen.
De belangrijkste Primula, voor het kweeken in de kamer, is de Primula chinensis (Fig. 101). Iedere liefhebber kent zeker deze fraaie bloemplant, met haar mooi ingesneden groote bladeren, die altijd zeer fijn en dicht behaard zijn. Van deze Primula worden vele variëteiten gekweekt, die zich òf door den vorm en de insnijdingen der bladeren, òf door de bloemen, òf door de kleuren onderscheiden. Zoo heeft men verscheidenheden met gaafrandige en gefranjede bloemen; andere met witte, gele, verschillende tinten van roode, blauwe en gestreepte bloemen, terwijl weer andere variëteiten zich onderscheiden door enkele of gevulde bloemen.
Deze Primula is een overblijvende plant; zij wordt echter meestal als éénjarig behandeld, omdat zij het eerste jaar het mooist bloeit. Hoe grooter en talrijker de bloemen en hoe beter ontwikkeld de bladeren zijn, des te mooier is de plant. De liefhebber doet verreweg het wijst de Primula’s in het najaar te koopen; alle bloemisten kweeken ze in grooten getale, waardoor zij steeds goedkoop te verkrijgen zijn. Wenscht men ze zelf te kweeken, dan moet men onderscheid maken tusschen enkele, half gevulde en geheel gevulde Primula’s. De laatste toch kunnen niet uit zaad, maar moeten door stekken voortgekweekt worden.
Wil men de Primula chinensis uit zaad kweeken, dan moet men zich goed versch zaad aanschaffen en dit in potten met goede zandige heideaarde uitzaaien. Bedekt men deze zaadpotten met een glasplaat, en zet men ze op een beschaduwde plek van de vensterbank, dan zullen de zaden in 2 à 3 weken kiemen. De jonge kiemplantjes worden gerepikeerd, later in kleine potjes uitgeplant en in den loop van den zomer in potten van 10 cM. wijdte geplant, waarin zij dan bloeien. De beste aarde, die men voor het oppotten en verpotten gebruiken kan, is zandige broeiaarde, en wil men goed groeiende Primula’s bemesten, dan gebruikt men daartoe Peru guano. Een weinig van deze meststof wordt gelijkmatig over den pot verdeeld en met wat aarde gedekt. De Primula’s moeten voor het venster van een goed gelucht vertrek gekweekt worden en bij scherpe zon mag men vooral niet vergeten, ze behoorlijk te schermen.
Fig. 101. Enkele en gevulde Primula chinensis
De voortkweeking der gevulde Primula’s gaat lang zoo gemakkelijk niet. Zijn de planten in het voorjaar uitgebloeid, dan worden zij goed schoongemaakt en voor het venster van een niet-verwarmde kamer gezet. Hier ontspruiten dan zijscheuten, die men afsnijdt en als stekken gebruikt. De stekken zet men in een schotel, die 6 à 7 cM. hoog is, geen drainagegaatjes heeft en tot op de helft met goed gewasschen zand is gevuld. Is men hiermede gereed, dan giet men zooveel water in de schaal, dat de stekken ongeveer een centimeter diep er in staan. De stekken mogen nu niet gedekt, maar moeten zoo zonnig mogelijk geplaatst worden; en past men goed op, door tijdig alle rottende bladeren te verwijderen, dan is men vrij zeker, dat zij wortel zullen maken. De goed bewortelde stekken moeten uiterst voorzichtig in potjes gezet worden, waarna men ze evenals de jonge zaailingen kan behandelen.
Fig. 102. Leelijke Primula-potten.
De Primula chinensis is een zeer schoone winterbloeister, die van November tot diep in den winter onafgebroken haar bloemstengels tusschen de bladeren ontwikkelt. Des winters houdt men de planten slechts matig vochtig; bij het gieten moet er dan vooral op gelet worden, dat nòch het hart der plant, nòch haar bladeren vochtig worden.
Fig. 103. Primula obconica.
Zij moet voor een zonnig venster van een koele kamer geplaatst worden en de gemiddelde temperatuur mag hier in geen geval hooger zijn dan 45° à 46° Fahr. Geeft men te veel warmte, dan verzwakken de planten en worden de bloemen kleiner. Zonder veel schade te lijden, kan een Primula hoogstens een paar graden vorst verdragen, waarom zij een uitstekende plant is om tusschen dubbele vensters gekweekt te worden, waar men ze tusschen uit neemt, wanneer er een koude nacht te verwachten is. Hebben ze een weinig van de vorst geleden, dan mogen zij nòch warm, nòch in de zon gezet worden. Daar de ruimte tusschen de dubbele vensters meestal niet groot genoeg is, worden de Primula’s dikwijls in pijpvormige potten (Fig. 102) gezet, die niet alleen zeer leelijk, maar ook vaak van porselein vervaardigd zijn, waardoor het toetreden van lucht tot de wortels verhinderd wordt. In plaats van deze pijpvormige potten doet men veel beter, hoekige potten (Fig. 6) te nemen, en deze, zoo noodig, nog op een stekpotje te zetten, zoodat de potten dan niet tusschen het raamwerk, maar tusschen de ruiten komen te staan, waar zij natuurlijk meer ruimte hebben.
Zeer dikwijls wordt de Primula chinensis wankelend en zakt zij naar één zijde over; het gevolg hiervan, dat de wortelhals zeer dun is. Dit bezwaar kan men gemakkelijk verhelpen, door een paar dunne stokjes, 6 à 7 cM. lang, rechts en links, vlak langs de plant in de aarde te steken, waardoor zij den noodigen steun verkrijgt.
Primula obconica. Deze Primula, die in 1883 uit China werd ingevoerd, is ook een zeer dankbare winterbloeister. Zij laat zich zeer gemakkelijk uit zaad vermenigvuldigen, wat men echter ook kan doen, door de oude plant te verdeelen. Des zomers moet de Primula obconica buiten gekweekt worden, des winters in een koel vertrek. De bloemen van deze soort zijn wit of zacht lila; er zijn in den laatsten tijd echter mooie grootbloemige verscheidenheden in verschillende kleuren van gewonnen, wier bloemen in grooten getale op dunne slanke stoeltjes staan. Jammer is het, dat enkele menschen er last van hebben, dat deze plant een huidonsteking bij hen veroorzaakt. Zij, die dit bemerken, moeten haar zonder handschoenen niet aanraken. Bemerkt men de ontsteking, dan wrijve men de aangedane plek goed in met een watje met alcohol van 96° (spiritus fortior) en wassche daarna de plek met zeep goed af.
Fig. 104. Soldanella alpina.
Behalve de genoemde, zijn bijna alle Primula’s voor potcultuur geschikt. Ook de Primula acaulis (Gewone Sleutelbloem) en Primula Auricula (Aurikel) laten zich, in potten gekweekt, zeer goed in een koel vertrek tot bloei brengen.
Soldanella alpina. Deze allerliefste, tot de familie der Primula’s behoorende Alpenplant, heeft niervormige blaadjes, waarboven de sierlijke bloemstengeltjes zich verheffen, waaraan in April en Mei kleine purper-violette klokvormige bloempjes hangen, die met een rand van franje versierd zijn.
In goede tuinaarde geplant, groeit de Soldanella ook zeer goed in potten, die des zomers buiten, des winters voor het venster van een koudere kamer moeten gezet worden. Hier bloeit zij dan gewoonlijk reeds vroeg in het voorjaar. De vermenigvuldiging geschiedt gemakkelijk uit zaden of door scheuren der oude planten.