De kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van kamerplanten.

Talrijke kamerplanten kunnen veel beter, spoediger en zekerder langs ongeslachtelijken weg voortgekweekt worden, dan door zaaien. Hierbij moet ook niet uit het oog verloren worden, dat vele en vooral de teedere kamerplanten, hier te lande geen zaden voortbrengen; dat van uit het vaderland van velen geen kiemkrachtige zaden kunnen ontvangen worden en ten laatste, dat zeer vele der in de kweekerijen gewonnen hybriden, zich niet constant uit zaden laten voortkweeken. Wanneer men bij voorbeeld van een fraaie Pelargonium, Fuchsia of Anjelier zaden oogst en die uitzaait, dan behoeft men in de meeste gevallen er niet aan te denken, dat de jonge zaailingen weder de goede eigenschappen der moederplant zullen bezitten. Deze zaailingen slaan terug, d.w.z. zij toonen neiging om weder tot hun oorspronkelijken vorm terug te gaan. Onder de kamerplanten, met dubbele bloemen, zijn er daarenboven niet weinig die onvruchtbaar zijn. Daar het dubbel worden der bloemen gewoonlijk ten koste der geslachtsorganen plaats heeft, ziet men niet zelden, dat bij de dubbele bloemen de meeldraden geheel zijn verdwenen, terwijl er maar al te vaak ook van den stamper niet veel meer te vinden is, aangezien ook deze vergroeide.

Fig. 20. Het snijden van stekken.

Fig. 20. Het snijden van stekken.

Het voortkweeken van planten is voor iederen liefhebber zeer belangwekkend. Het wekt niet weinig de belangstelling op, om de kieming der zaadkorrel en het zich ontwikkelen van den zaailing te volgen; om te zien, hoe de pas kort geleden gesneden stek wortels maakt en in betrekkelijk korten tijd tot een zeer schoone plant doorgroeit. Het voortkweeken en vooral het voortkweeken langs kunstmatigen weg, is ook lang geen gemakkelijk werk, dat, wil men goede resultaten verkrijgen, vaak veel tijd vereischt. Ook moet de liefhebber bij deze bewerking zeer veel zorg en oplettendheid voor zijn plantjes overhebben. Lastiger, dan de geslachtelijke voortkweeking, is voor een liefhebber zeker de ongeslachtelijke. De bloemkweeker, die in de modern ingerichte kassen, onder het genot van warmte en vochtige lucht, duizenden stekken goed aan het wortelen brengt, heeft veel minder moeilijkheden te overwinnen dan de liefhebber, die de technische hulpmiddelen, waarover een kweeker van beroep thans beschikt, niet tot zijn beschikking heeft. Zich dikwijls met de meest primitieve hulpmiddelen behelpende, zoekt de liefhebber zijn doel te bereiken en in zeer veel gevallen gelukt het hem, zeer goed bewortelde planten te verkrijgen. Maar wanneer men een bewortelde stekplant heeft, dan is men pas halverwege, want zulk een plantje verlangt nog een zeer zorgvuldige verpleging, om tot een goed gezond exemplaar door te groeien. Al de inrichtingen, waarover zelfs de kleinste kweeker beschikt, zooals lage kweekkasjes en broeibakken, die men al, naar de behoeften, meer of minder warm kan aanleggen, ontbreken den liefhebber. Met deze hulpmiddelen is een goed resultaat tamelijk zeker; ook al heeft de kweeker niet die zorg voor zijn planten, welke de liefhebber er aan wijdt. Deze is aangewezen zijn planten in de kamer of voor het venster te kweeken; hij kan aan zijn stekplantjes noch bodemwarmte, noch vochtige lucht geven. Hoe dikwijls komt het voor, dat een liefhebber, zelfs aan zijn jonge plantjes geen geregelde temperatuur, of zelfs gunstig licht kan geven; zoodat hij dus met mindere resultaten tevreden moet zijn, dan de kweekers verkrijgen.

Fig. 21. Ficus en Pelargonium-stekken.

Fig. 21. Ficus en Pelargonium-stekken.

Uit al het medegedeelde kan men bemerken, dat het kunstmatig voortkweeken van planten in de kamer slechts een liefhebberij kan zijn voor hem, die gaarne interessante zaken wil leeren kennen, waarvan hij veel genoegen kan beleven, doch die hem ook teleurstellingen bereiden. Indien men dus in een kamer planten wil voortkweeken, moet men er zich op voorbereiden pas na langere cultuur, zulke goede resultaten te verkrijgen, als een kweeker van beroep in betrekkelijk korten tijd bereikt.

Fig. 22. Gekruiste Anjelier-stekken.

Fig. 22. Gekruiste Anjelier-stekken.

De beste wijze om planten in een kamer voort te kweeken, is zeker door middel van stekken. Een kort twijgje, dat men in de meeste gevallen met een scherp mesje, vlak onder een oog afsnijdt (Fig. 20) en daarna in den grond steekt, wortelt na korteren of langeren tijd en is dan een zelfstandige plant geworden. Gewoonlijk snijdt men een stek dicht onder een oog af, omdat de ervaring geleerd heeft, dat op deze wijze afgesneden stekken, vooral bij kruidachtige planten, het gemakkelijkste wortel slaan. Er zijn echter ook uitzonderingen. Fig. 21 toont een Pelargonium-stek, die vlak onder het oog is afgesneden, en een Ficus-stek, die tusschen twee oogen is afgesneden. De laatste bestaat slechts uit één blad, met het daarbij behoorende stengeldeel, en wordt zóó geplant, dat zij tot aan den bladvoet in de aarde komt te staan. Fig. 22 toont stekken van Anjelieren, waarbij in het snijvlak nog een kruissnede wordt gemaakt. De ondervinding toch heeft geleerd, dat dusdanig gekruiste stekken, veel sneller groeien dan oningesnedene. Fig. 23 toont verschillende soorten van stekken en wel: 1 bladstek van een Ficus, 2 stek van een klimopbladerige Pelargonium, 3 bewortelde bladstek van een Peperomia, 4 Rozestek en 5 stek van een Anjelier. De verschillende wijzen van snijden zijn op de gravure duidelijk te zien; terwijl ook de Fig. 21 en 22 goed aantoonen op welke wijze de stekken moeten gesneden worden. Het beste groeien de stekken van kruidachtige gewassen, en wel in het bijzonder van die soorten, welke des winters haar blad verliezen. Deze plantensoorten, die men in een koudere kamer, ja zelfs in den kelder kan overwinteren, brengt men in Februari aan den groei; zij worden dan goed gesnoeid, regelmatig gegoten en op een goed lichte plaats gezet. Het resultaat zal zijn, dat zij spoedig overal gaan uitgroeien. Van deze planten willen wij slechts vermelden de Fuchsia’s, Heliotropen en Hortensia’s.

Fig. 23. Verschillende soorten van stekken.

Fig. 23. Verschillende soorten van stekken.

Fig. 24.

Fig. 24.

1. Met stolp bedekte stekkenschaal.

2. Doorsnede van een dekkenschaal, benevens stekhoutje en stekmesje.

Onder den invloed van meer warmte en licht, ontwaken deze planten uit haar winterslaap en beginnen overal uit te botten. De scheuten die dan ontstaan, laat men doorgroeien, tot zij drie of vier bladeren hebben, waarop zij worden afgesneden en als stekken behandeld. Het afsnijden der stek doet men dan, zooals reeds gezegd is met een scherp mesje, vlak onder een blad. Ten einde de stek beter te kunnen planten, is het nuttig het onderste blad, of de twee onderste bladeren, af te snijden, en, om het inrotten te voorkomen, is het bij stekken van zeer zachte stengels raadzaam, ze te laten opdrogen, waartoe men ze eenigen tijd op een plek, waar de zon ze niet kan bereiken, laat liggen. Is de snijvlakte geheel opgedroogd, dan kan de stek geplant worden.

Om nu een goed wortelen der stekken te bevorderen, moeten zij besloten staan. Het beste doet men, een houten bakje, ter grootte van een sigarenkistje, te maken. In den bodem van het kistje moeten enkele drainagegaten geboord worden, waarop scherven, met de holle zijden naar onder; worden gelegd. Hierop legt men nog een laagje scherven en daaroverheen een dun laagje turfmolm. Op de turfmolmlaag wordt nu de aarde, waarin de stekken gestoken worden, gebracht. Als aarde gebruikt men goed gezeefden blad- of heidegrond. Voor stekken, die spoedig uitgeplant kunnen worden, is het nog beter, in plaats van aarde, zuiver zand te gebruiken. De stekken wortelen in zand zeer goed en kunnen er, bij het uitplanten, zeer gemakkelijk uitgenomen worden, terwijl de wortels dan zuiver blijven. Lang kan men bewortelde stekken echter niet in zand laten staan, daar dit geen voedingsstoffen bevat en de jonge plantjes er dus in zouden verarmen. De grond, of het zand, wordt, na in het kistje gebracht te zijn, gelijkgemaakt en zacht aangedrukt. In het zoo klaargemaakte kistje worden nu de stekken, tamelijk dicht bij elkander, geplaatst. Hiertoe bedient men zich van een puntig stokje, waarmede putjes in de aarde worden gestoken. Men neemt dan de stek tusschen duim, wijs- en middelvinger der rechterhand, houdt haar in het gaatje en drukt ze daarna flink aan, zoodat zij stevig vaststaat. Het is nogal van belang, dat een stek niet te diep in de aarde, maar toch goed vast staat. Is het geheele kistje met stekken gevuld, dan wordt het met een broesgietertje goed aangegoten, op een lichte plaats gezet en met een stolp of glasplaat bedekt (Fig. 24). De verzorging bestaat nu hoofdzakelijk in het gelijkmatig vochtig houden der aarde, wat men bereikt, door de stekken geregeld met water, dat de temperatuur van het vertrek heeft, te besproeien. Al naar het weer is, geschiedt dit besproeien een tot driemaal per dag. Aangezien de aarde water uitdampt, dat zich als droppels aan de stolp of glasplaat afzet, moet deze minstens twee keer per dag met een spons of drogen doek afgeveegd worden; de koude waterdruppels vallen anders op de stekken en veroorzaken daar licht rottende plekken, wat zeer slecht is. Vooral moet, zoolang de stekken niet beworteld zijn, opgepast worden, dat de zon er niet op schijnt. Schijnt de zon door het venster, op de stolp of de glasplaat, dan worden deze laatsten met een stuk papier gedekt. Beginnen de stekken te groeien, wat men vrij wel als een teeken mag beschouwen dat zij wortel geslagen hebben, dan begint men met gedurig een weinig meer te luchten, totdat de stolp of glasplaat geheel verwijderd kan worden. Ook het voor de zon schermen kan langzamerhand nagelaten worden.

Fig. 25. Pot met Pelargonium stekken.

Fig. 25. Pot met Pelargonium stekken.

In plaats van houten kistjes kan men ook gewone bloempotten, van 10 cM. middellijn, tot het steken van stekken gebruiken. De ondervinding heeft geleerd, dat van in potten gestoken stekken, die het snelste groeien, welke het dichtst bij den potrand staan; reden waarom de stekken dan ook in de potten, die zeer goed van drainage moeten voorzien zijn, zoo dicht mogelijk bij den rand worden gestoken (Fig. 25 en 26). De gesloten warme lucht krijgt men, wanneer potten gebruikt worden, door die met een stolp te bedekken. Het aanbevelenswaardigste is een stolp in den vorm van een kaasstolp, maar wat hooger en wijder, daar men er dan verscheidene potten te gelijk onder kan zetten. Ook wanneer men in potten stekt, moeten natuurlijk de daarover staande stolpen geregeld afgedroogd worden. Kleinere en ook hangplanten, die gemakkelijk wortelen, kunnen direct in den pot worden gestekt, waarin zij tot ontwikkeling moeten komen, en liefst verscheidene stekken te zamen, opdat de pot goed volgroeit. Fig. 26 stelt een pot met Tradescantia-stekken voor, een der meest verspreide en geliefde hangplanten.

Fig. 26. Pot met Tradescantia-stekken.

Fig. 26. Pot met Tradescantia-stekken.

Het bewortelen geschiedt ook zeer ongelijk. Tradescantia’s slaan meestal reeds na drie of vier dagen wortel; andere kruidachtige planten, eerst na acht of tien dagen. Er zijn echter ook planten, waarbij dit langer duurt en die, in de kamer gestoken, pas na een of twee maanden wortel maken. Enkele planten wortelen zeer goed, wanneer de stekken in water worden gezet; zoo kan men onder anderen kopstekken,—dit zijn de bovenste stekken van een plant, met de hartbladeren er nog aan—van den Oleander en van den Ficus, zeer goed aan den groei krijgen, door iedere stek in een met water gevuld fleschje te zetten, en de halsopening met warme was dicht te maken. Deze wijze van behandelen is bij de genoemde planten wel zoo zeker, als de gewone manier van stekken. Wanneer men stekken in water steekt, dan moeten deze echter zooveel mogelijk in de zon staan, om te voorkomen dat zij beginnen te rotten. Er zijn nog verscheidene andere wijzen om stekken te steken, zooals door bladstekken. Van verscheidene planten en vooral van vetplanten, is het voldoende, een blad in den bodem te zetten, om een plant te verkrijgen. Een zich aan den bladvoet bevindende knop gaat dan ontwikkelen, en men ziet aan den voet jonge wortels en een plantje te voorschijn komen, terwijl het oude blad langzaam afsterft. Zeer gemakkelijk gaat het voortkweeken van bladstekken bij de Bladbegonia’s. Van een goed ontwikkeld Begonia-blad snijdt men de hoofdnerven met een mesje door, hierop legt men het op den daartoe gereedgemaakten pot en wel zoo, dat de dikke nerven alle in den grond komen te liggen; dan legt men eenige steentjes op het blad, ten einde te voorkomen, dat het opwipt. Geeft men nu de noodige warmte en verzorgt men het goed, door er op te passen, dat de grond matig vochtig blijft en geen zon het treft, dan zal het blad niet alleen aan den bladsteel, maar overal, waar men het heeft ingesneden, kleine plantjes vormen, die, zoodra zij wortel hebben, afgesneden en opgepot kunnen worden.

Een juist tijdstip, waarop de stekken moeten gestoken worden, laat zich niet aangeven. De gewone planten, met kruidachtige stengels, groeien het best in Februari en Maart; verscheidene andere planten echter, vooral die, met hardere, houtachtige stengels, laten zich beter in Augustus stekken. Zoodra de stekken beworteld zijn, neemt men ze uit den pot, waarin zij gestoken zijn. Dit moet echter zeer voorzichtig geschieden, opdat de jonge worteltjes zoo weinig mogelijk beschadigd worden. Kan men het zóó doen, dat zij kluit houden, d.w.z. dat de aarde tusschen de worteltjes in blijft zitten, dan is dit nog veel beter. De jonge plantjes worden ieder afzonderlijk in een potje gezet. Na op het drainage-gaatje een scherf gelegd te hebben, doet men in het potje een weinig aarde; met de linkerhand houdt men dan het bewortelde stekje in het midden van het potje en wel zóó, dat het niet te diep komt te staan, vult het hierop verder met aarde aan en drukt het met de rechterhand matig vast.

Nog gemakkelijker gaat het oppotten van weinig bewortelde stekken; men kan dan het potje dadelijk geheel met aarde vullen, waarna men in het midden met den wijsvinger een juist diep genoeg gaatje maakt; met de linkerhand wordt het stekje daarin gehouden, en hierop het gaatje dichtgemaakt en matig aangedrukt. Heeft men de stekken op deze wijze opgepot, dan moeten zij direct, met een broesgietertje, flink aangegoten worden, opdat de aarde goed doorvochtig wordt. Totdat de stekken zich tot volwassen planten hebben ontwikkeld, moeten zij natuurlijk nog verscheidene malen verplant worden. Na dit verplanten moeten zij, evenals toen zij pas opgepot werden, den eersten tijd voor de zon beschermd worden, om het slaphangen, waarmede men licht bladeren verliest, te voorkomen.

Een andere wijze, om planten kunstmatig te vermenigvuldigen, is door middel van afleggers. Deze bewerking wordt hoofdzakelijk toegepast op fijne Anjelieren, en wanneer men een weinig zorgzaam is, zijn de kansen op goede resultaten zeer groot. De Anjelieren ontwikkelen des zomers, nevens de bloeibare stengels, nog een aantal met blad bezette scheuten, die in het tweede jaar pas bloeibaar worden. Deze scheuten leveren gedurende en na den bloeitijd, de afleggers. Allereerst moet men zorgen voldoende potruimte voor het afleggen te hebben, waarom men de Anjelier eerst in een grooteren pot verplant, wat men zoo doet, dat de oppervlakte der aarde eenigszins losblijft. Men neemt nu de sterkste van de af te leggen scheuten, en maakt onder een blad een overlangsche insnede, zoodanig, dat deze eindigt onder het inplantingspunt van het volgende bladpaar, en de scheut ongeveer tot de helft is ingesneden. Men buigt nu dezen scheut naar beneden en legt hem met de insnijding in de aarde. Om te zorgen, dat hij zich niet weer opricht, bevestigt men hem in den grond met een houten haakje. Van iedere plant kan men zooveel afleggers maken, als er goede scheuten aan zijn en als er ruimte in den pot is. Na verloop van vier à zes weken is de aflegger, d.w.z. het ingesneden gedeelte van den scheut, beworteld. Men neemt nu den scheut, die nog steeds gedeeltelijk door de moederplant wordt gevoed, voorzichtig uit den grond, snijdt het bewortelde stengeldeel van de moederplant af en plant het, als zelfstandige plant, in een potje. Fig. 27 stelt de vermenigvuldiging van een buiten uitgeplante Anjelier voor. Natuurlijk moeten pas opgepotte afleggers niet minder voorzichtig behandeld worden dan pas opgepotte stekken.

Fig. 27. Het afleggen van anjelieren.

Fig. 27. Het afleggen van anjelieren.

Een andere wijze van voortkweeken, die met het afleggen wel eenige overeenkomst heeft, wordt dikwijls toegepast bij bladplanten, in hoofdzaak bij Dracaena’s, die haar onderste bladeren verloren hebben, en daardoor leelijk zijn geworden. Deze bewerking wordt het ringen genoemd. Een eindje van het onderste blad verwijderd, maakt men een schuin oploopende snede in den stam tot ongeveer halverwege de dikte. Door in de snede een stokje te steken, houdt men de snijvlakken een eindje van elkander verwijderd. Om de insnede brengt men nu een goede hoeveelheid mos, dat er stevig omheen gebonden wordt; of, wat nog beter is, men vervaardigt een soort blikken bloempot, die in twee overlangsche helften uit elkander genomen kan worden; deze twee helften brengt men ter plaatse van de snede om den stam, bindt ze te zamen en vult daarna den pot met aarde op (Fig. 28).

Fig. 28. Het ringen van een Dracæna.

Fig. 28. Het ringen van een Dracæna.

Een andere wijze van insnijden is, dat men rondom den geheelen stam een snede maakt, tot ongeveer een derde der stamdikte; men snijdt er dus als het ware een ring omheen. Bij zeer groote planten snijdt men om den geheelen stam heen een wigvormigen ring uit. Na op eenige, onverschillig welke wijze, ingesneden te zijn, wordt de stam steeds op de boven omschreven manier omwoeld. In de meeste gevallen zijn de kronen van dergelijke planten te groot, om als stekken te worden behandeld; past men echter het ringen toe, dan is men vrij zeker, dat ze wortel slaan. Men moet er na het insnijden goed voor zorgen, dat het mos om de wonde behoorlijk vochtig blijft en ook de plant zelf moet dikwijls bespoten en vooral uit de zon gehouden worden, om te voorkomen, dat zij bladeren verliest. Is de kroon beworteld, dan kan zij afgesneden en afzonderlijk opgepot worden. De eerste dagen, na het afsnijden, moet de jonge plant vooral dikwijls bespoten worden, zoodat de bladeren als het ware constant vochtig blijven. Doet men dit niet, dan zullen de onderste bladeren dadelijk geel worden en zal de plant een gedeelte van haar schoon voorkomen verliezen.

Fig. 29. Het scheuren van een Cyperus.—Bladstek van een Cyperus.

Fig. 29. Het scheuren van een Cyperus.—Bladstek van een Cyperus.

De stam, die nu zijn kroon kwijt is, moet men niet wegwerpen, maar aanvankelijk een weinig droger houden. Spoedig zal men dan zien, dat hij van boven een jonge scheut maakt, die, als hij een viertal blaadjes heeft, afgesneden en als stek behandeld kan worden. Ook kan men den stam eener Dracæna even onder iederen knoop afsnijden en de zoo verkregen stukjes in vochtig zand leggen. Bij vele soorten levert ieder stukje een scheut op, die wortel slaat en een afzonderlijke plant vormt. In de kamer zal dit echter wel niet al te best gaan, bij gebrek aan warmte.

Fig. 30. Vermenigvuldigen van een Canna door verdeeling van den knol.

Fig. 30. Vermenigvuldigen van een Canna door verdeeling van den knol.

Van de verschillende wijzen van voortkweeken is voor de kamercultuur ook het scheuren zeer geschikt. Veel kruidachtige planten ontwikkelen haar bladeren of scheuten uit een wortelstok en kunnen dan, als de bekende Cyperus en Plectogyne, een tamelijke afmeting bereiken. Deze planten zijn zeer geschikt om te scheuren. Hiertoe neemt men ze, bij voorkeur in het voorjaar, uit den pot en verdeelt ze, d.w.z. snijdt ze, in zooveel stukken als men planten verlangt te hebben (Fig. 29). Bij grassoorten en ook bij het bekende Venushaar (Adiantum) gaat dit verdeelen zeer gemakkelijk; bij andere planten echter, zooals de reeds genoemde Plectogyne, die een meer of minder harden wortelstek bezitten, gaat dit zoo gemakkelijk niet; men moet hierbij een stevig mes gebruiken, om den wortelstok door te snijden.

Ook knollen kan men op dezelfde wijze, namelijk door ze in stukken te snijden, vermeerderen; men moet er dan echter op letten, dat ieder stuk een of meer oogen houdt; zoodat het kan doorgroeien (Fig. 30). Het wil wel eens voorkomen, dat de snijvlakken, zoodra het afgesneden stuk in den grond wordt gebracht, beginnen in te rotten; om dit te voorkomen, bestrooit men ze vóór het opplanten goed met houtskoolpoeder. Vóór het verdeelen worden de knollen eerst in goeden lichten grond aan den groei gebracht, zij maken dan scheuten en wortels; het is dan pas mogelijk met juistheid de plant te verdeelen. De beste tijd om knollen te verdeelen is het voorjaar. Verschillende knolgewassen voor de warme kas, zooals b.v. Caladiums kan men op deze wijze behandelen.

Fig. 31. Curculigo recurvata met wortelscheuten.

Fig. 31. Curculigo recurvata met wortelscheuten.

Veel planten laten zich ook door wortelscheuten vermenigvuldigen. Deze ontstaan in den pot, en kunnen bij het verplanten afgesneden en afzonderlijk opgepot worden. Het is geraden zulke scheuten altijd zóó af te snijden, dat zij voldoende wortel behouden om door te groeien. Fig. 31 stelt een zeer bekende kamerplant voor, Curculigo recurvata, die men uit den pot heeft genomen om de wortelscheuten er af te snijden.

Een der interessantste en meest voldoening gevende wijzen van voortkweeken is het veredelen. Er zijn echter niet heel veel planten, die zich met succes in een kamer laten veredelen, en de meeste liefhebbers, die het veredelen willen toepassen, doen dat dan ook op hun Rozen. Om dit te kunnen doen, moet men echter in zijn tuin of wel in potten rozenwildelingen gekweekt hebben. Deze wildelingen kan men het beste veredelen gedurende den zomer, door de meestal toegepaste wijze, het oculeeren. De te gebruiken wildelingen kan men als z.g.n. wildstammetjes bij iederen kweeker voor betrekkelijk weinig geld koopen. Deze worden opgeplant en dienen dan voor het kweeken van stamrozen. Wil men struikrozen kweeken, dan gebruikt men wildstammetjes, niet dikker dan een potlood, die op den wortelhals, dus zoo dicht mogelijk bij den wortel, worden veredeld.

Fig. 32. Het oculeeren.

Fig. 32. Het oculeeren.

Men kan op tweeërlei wijzen veredelen, namelijk met een doorgroeiend of met een slapend oog. Bij een vroege oculatie, dat is van Juni tot Augustus, groeien de oogen in hetzelfde jaar nog uit, terwijl zij bij de September-oculatie wèl voor het begin van den winter vastgroeien, doch pas in het voorjaar van het volgend jaar uitgroeien. Het is voorzichtig, op ieder wildstammetje, naar verschillende kanten twee of drie oogen te oculeeren. De wildstam is geschikt om gebruikt te worden, zoodra hij zooveel sap heeft, dat bast en hout zich gemakkelijk laten scheiden. Met een scherp geslepen, zoogenaamd oculeermesje geeft men dan twee sneden in den vorm van een T, en wel zóó, dat de bast tot op het hout doorgesneden is. De bast wordt nu met de rugzijde van het hiertoe ingerichte mes, of nog beter met het heft, dat daartoe in den vorm van een vouwbeen toeloopt, opgelicht en het oog tusschen hout en bast ingeschoven. De oogen neemt men van voldoend volgroeide scheuten. Aan den voet van iederen bladsteel bevindt zich een oog, dat, onder gunstige omstandigheden, zich tot een twijg kan ontwikkelen. Nadat men het blad, tot op een stukje van den steel na, heeft weggenomen, wordt het oog in den vorm van een driehoekig schildje uit den tak gesneden. Heeft men het oog klaar, dan wordt, met het reeds vermelde heft van het mes, de T-vormige insnede in den wildstam een weinig opengebogen en het oog daarin geschoven. Is men hiermede klaar, dan neemt men een eindje bindbast en bindt de oculatie goed stevig vast, waarbij vooral moet gezorgd worden, dat het ingeschoven oog vrijblijft. Is men zoover klaar, dan worden de meeste takjes van den wildstam weggesneden, opdat deze niet te veel sappen tot zich zouden trekken. Beginnen de oculaties zich goed te ontwikkelen, dan wordt de omgelegde band weggenomen en ook de wildstam tot even boven de oculatie afgesneden. Bij Fig. 32 kan men duidelijk zien, op welke wijze een oculatie moet volvoerd worden; ook een afzonderlijk oog staat er bij; bij Fig. 33 ziet men dan een veredeld wildstammetje, waarbij de wijze van omwinden duidelijk zichtbaar is. Geheel op dezelfde wijze; veredelt men in de kamer de kleine Oranjeboompjes, die zeer gemakkelijk uit gezaaide pitten opkomen (Fig. 34). Bij Oranjeboompjes moeten echter de oculaties met een stolp bedekt en zeer warm gehouden worden; daar zij anders heel moeielijk uitgroeien.

Fig. 33. Veredelde wildstam.

Fig. 33. Veredelde wildstam.

Voor de kamer is ook het veredelen van Cacteeën heel aardig. Om Cactussen in de kamer te veredelen, moet men natuurlijk soorten bezitten, die men zoodoende voortkweeken wil, en ook daartoe geschikte wildstammetjes. Als wildstammetjes gebruikt men meestal snel groeiende Zuilencactussen, vertegenwoordigers van het geslacht Cereus. Goede wildstammetjes, die bij kweekers wel te verkrijgen zijn, zijn o.m. Cereus Spachianus, C. peruvianus, C. macrogonus, C. rostratus; verder verschillende soorten van het geslacht Opuntia en ten laatste Pereskia aculeata en P. calandrinifolia. De beide laatstgenoemde Cactussen zijn groenbladerige, dunstelige plantjes, die eerder aan koffieboompjes dan aan Cactussen zouden doen denken. Deze beide soorten zijn vooral geschikt om Bladcactussen (Epiphyllum) op te veredelen, De Epiphyllums vormen hierop zeer fraaie kroontjes, die tegen Kerstmis met de bekende purperen bloemen zeer rijk bloeien. De Pereskia, wordt om als onderstam voor Epiphyllums te dienen, door sommige kweekers in grooten getale aangekweekt. Deze veredeling wordt verricht door zoogenaamd spleetgriffelen. Nadat men den kop van een krachtige Pereskia op de verlangde hoogte heeft afgesneden, wordt dit snijvlak van dit ingesneden boompje, ongeveer 1 cM. diep, met een scherp mesje gespleten. Men neemt dan een gezonde, uit twee of drie bladeren bestaande, Epiphyllum-twijg en snijdt deze door twee schuine sneden, één links en één rechts, platpuntig toe, zoodat de kern de punt vormt. De zoo puntig toegesneden twijg, zet men dan met de punt in de spleet van den wildstam. Gewoonlijk zet men op een Pereskia-stammetje verscheidene twijgen te gelijk, om op die wijze spoedig grootere boompjes te verkrijgen. In het stammetje van de Pereskia kan men ook nog eenige twijgen griffelen. Hiertoe maakt men op de bestemde plaats tot in het hart van het stammetje een schuine snede, neemt dan een Epiphyllum-twijg, op de aangegeven wijze afgesneden, en zet deze in de gemaakte snede. Natuurlijk moeten ook bij deze veredeling de wonden goed met bast dicht gebonden worden. Bij Pereskia en Epiphyllum duurt het aangroeien gewoonlijk niet zeer lang, soms is dit slechts een zaak van enkele dagen.

Fig. 34. Veredeld Oranjeboompje.

Fig. 34. Veredeld Oranjeboompje.

Een zeer weinig bekende wijze van veredelen is die van kogelvormige Cactussen op Pereskia-stammetjes. Deze worden daartoe aan een klein stokje gebonden, daarna eerst afgesneden en dan een weinig spits toegesneden. De Cactus, die men hierop enten wil, wordt voorzichtig van de moederplant afgesneden. Met een scherp, puntig mesje snijdt men nu een gaatje onder in deze spruit en wel zoo, dat dit niet grooter is dan het spitsje van den onderstam. Beide stukken worden nu op elkander gezet en de ontstane spleet met entwas dichtgesmeerd. Natuurlijk moet deze veredeling tot samengroeiing goed verbonden worden. Het beste doet men dit, door boven op de kogelvormige Cactus een kluitje watten te leggen en dan door middel van bindbast een stevig verband te maken. Het bindsel wordt onder den pot doorgehaald, over de Cactus heengelegd en dan vastgebonden. Men moet er vooral om denken, dat, past men deze veredeling toe, de Pereskia steeds aan een stevig stokje moet gebonden worden.

De groei van de kogelvormige Cactus is toch veel sneller, dan die, van den onderstam, zoodat deze laatste zijn zwaren last ten langen leste niet meer zou kunnen dragen, en dus zou moeten afbreken.

Beter dan op Pereskia veredelt men zware Cactus-soorten op Cereus. De afbeelding stelt een op Cereus veredelde Cactus voor (Fig. 36). Met een scherp mes snijdt men de, als onderstam dienende, Zuilencactus den kop af en van de daarop te plaatsen kogelvormige Cactus snijdt men de onderzijde zóó af, dat, zet men de laatste op de eerste, de beide snijvlakken elkander volkomen bedekken en de middelpunten van beide juist op elkander sluiten. De geheele bewerking bestaat dus uit het met zekerheid uitvoeren van twee sneden.

Fig. 35. Het veredelen van een Epiphyllum.

Fig. 35. Het veredelen van een Epiphyllum.

Na beide soorten op elkander gezet te hebben, legt men het verband.

Het aangroeien heeft bij Cactussen zeer snel, meestal in weinige dagen plaats.

Een bekend Cactusliefhebber, de heer Walter Mundt, te Pankow, bij Berlijn, zegt over het veredelen van Cactussen het volgende: “als onderstam gebruik ik bij voorkeur twee- of driejarige zaailingen of ook wel stekplanten van groene Cereus-soorten; de blauwachtige Cereus-soorten, zooals Cer. azureus, C. Seidelii en andere, gebruik ik bij voorkeur niet, daar deze niet goed aangroeien en dikwijls na eenigen tijd den entkop weder afwerpen. Zaailingen, van in het eind van Maart of begin April gezaaide zaden, kunnen hoewel dan heel weinig gedoornd, reeds in Juli tot veredeling dienen1. Zijn onderstam en entkop beide zeer jong, dan is het resultaat tamelijk zeker, de plantensappen schijnen zich dan goed te vermengen. Men neemt den entkop tusschen duim en wijsvinger en drukt dien, terwijl men een eenigszins draaiende beweging maakt, nogal stevig met de snijvlakte op die van den onderstam, waarop men de plant goed verbindt”.

Fig. 36. Veredelde Echinocactus denundatus.

Fig. 36. Veredelde Echinocactus denundatus.

Het verbinden is, bij het veredelen van kogelvormige Cactussen op zuilenvormige, het moeilijkste werk en bij kleine entkopjes, niet grooter dan de kop van een lucifer, is het zelfs een kunststuk; doch ook hier geldt het spreekwoord: “Al doende leert men”. Nadat ik den uit den zaadpot genomen entkop, op de bovenvermelde wijze, op het onderstammetje heb geplaatst, neem ik een wollen draad, dien ik aan twee einden strak aantrek, zoo doende, dat ik tusschen beide handen een ruimte van twee tot drie duim heb. Ik leg nu dezen draad voorzichtig in horizontale richting over het entkopje, dat toch reeds door zijn eigen sappen vastgekleefd zit. Beide uiteinden van den draad haal ik nu voorzichtig naar beneden, er voor zorgende, dat de druk aan beide zijden juist gelijk is. Bij den potrand gekomen, trek ik den draad voorzichtig een weinig aan, leg hem dan eerst langs den pot heen, trek hem er vervolgens voorzichtig onderdoor, en knoop dan de beide einden aan elkander vast. De druk van den draad moet aan beide zijden juist dezelfde zijn. Er moet nog opgepast worden, dat de snijvlakken niet rond zijn, waarom het mes, waarmede men snijdt, zoo dun mogelijk moet wezen.

Zijn de entkoppen van de grootte van een boon, of nog grooter, dan gebruik ik een tweeden draad overkruis en ook bij plantjes, die ten gevolge van haar naar onder gerichte doorns, gemakkelijk van het onderstammetje worden afgetild, dan verdrogen en niet aangroeien, zijn kruisdraden zeer aan te bevelen. Om geheel zeker te zijn en afstooten met opdrogen te voorkomen, bezwaar ik de draden met een metalen ring. Hiertoe schuif ik het ringetje van boven over de plant en haal het zoover naar beneden, totdat de draden sterk genoeg aangehaald zijn. Den volgenden dag leg ik, al naar de zwaarte van den ring er nog een tweeden bovenop. Fig. 37 verduidelijkt deze handelwijze.

Fig. 37. Met een ring veredelde Cactus.

Fig. 37. Met een ring veredelde Cactus.

De jonge zaailingen, die als onderstam dienst doen en dus bij het aanbinden licht ombuigen, moeten eenigszins versterkt worden, door er twee of drie kleine stokjes omheen te zetten en deze aan elkander te binden.

De veredelde plantjes zet ik in een gesloten, beschaduwde, maar toch warme ruimte, de kleinere plantjes in een groote schaal of in een kistje, dat, met een door middel van krijt en water witgemaakte ruit, wordt gedekt.

Wanneer de kleine patiënten acht dagen in zulk een kastje staan, is dit meestal voldoende. Gedurende dien tijd mogen zij in het geheel niet gegoten en gespoten, en moet elk vochtig worden der wond zorgvuldig vermeden worden.

Als voorbeeld van een goed resultaat, wil ik het volgende vermelden. In het voorjaar entte ik den geheel vlak afgesneden nog gezonden kop van een zeer zeldzame Echinocactus-soort op een zaailing van Cereus peruvianus als onderstam. Het kopje zou zeker verloren geweest zijn, daar het van den moederstam afgestooten was. Het entkopje, dat niet grooter was dan een kleine erwt, had in het najaar de grootte van een walnoot gekregen, zóó sterk was het gegroeid. Voor halfverloren planten is enten nog dikwijls een vrij zeker redmiddel.

Het oppotten en verplanten.

Wanneer wij de planten in de kamer kweeken, dan moet er al spoedig na het zaaien of na het langs ongeslachtelijken weg voortkweeken aan het oppotten der zaailingen of stekken gedacht worden.

Deze bewerking is zeker gemakkelijker uit te voeren, dan het verplanten.

Dit laatste behoeft alleen die liefhebber te doen, die zich niet met het voortkweeken van planten bezighoudt, maar die de door hem gekochte planten, zoo mogelijk, in goeden staat wil onderhouden. Over de verschillende aardsoorten, die bij het oppotten en het verplanten dienst moeten doen, hebben wij reeds vroeger gesproken. Van veel belang is echter ook het gebruik van goede bloempotten. Een goede bloempot moet van gebakken klei zijn; hij mag niet te zwaar wezen, zoodat dunne wanden een vereischte zijn; ook niet te hard gebakken, daar hij poreus moet zijn. Wat nu den vorm aangaat, is men teruggekomen van het hooge, smalle model, dat vroeger gebruikt werd; toch mag hij ook niet te plat wezen. De beste afmeting is, dat een pot even hoog is, als hij op zijn grootste wijdte middellijn heeft. Zeer platte potten, die meer van schalen of schotels hebben, zijn slechts in enkele gevallen, voor planten met weinig wortels aan te bevelen. In den bodem van iederen pot, moet zich een drainagegaatje bevinden en al naarmate de potten grooter worden, moeten er drie of vijf zulke gaatjes in zijn. Gewoonlijk maken de pottenbakkers deze gaatjes van buiten naar binnen in den pot. Dit is zeer verkeerd, daar dan om het gaatje zich een eenigszins verhoogde rand bevindt, die het afloopen van het water belet. Ieder, die dan ook potten koopt, moet daar zeer op letten en er bij den pottenbakker op aandringen, dat hij het gaatje van binnen naar buiten in den pot steekt. In de kamers treft men dikwijls verglaasde potten aan, of ook wel min of meer fraaie porseleinen potten, ja zelfs ziet men ze wel eens van metaal. In dergelijke potten is het onmogelijk dat een plant goed kan groeien, omdat zij niet poreus zijn. De lucht kan door dergelijke potten niet heendringen, waardoor het opdrogen der aarde bemoeilijkt, zoo niet geheel onmogelijk gemaakt wordt, hetgeen natuurlijk tot gevolg heeft, dat deze verzuurt, waardoor dan ziekte in de wortels ontstaat. Wil men dergelijke fraaie potten toch gebruiken, dan gaat dit zeer goed, wanneer men de plant in haar oorspronkelijken pot laat staan en ze daarmede in den fraaieren zet. Het is echter zaak, dan eerst een paar steentjes of stukjes hout in den buiten pot te leggen, om daar de plant op te zetten, daar deze anders licht in het doorgeloopen gietwater komt te staan. Goede potten moeten dus zoo eenvoudig mogelijk zijn. Heeft men echter grootere planten, die in kuipjes moeten gezet worden, dan kan men deze zoo fraai en elegant maken als men wil. Voor grootere planten, die in kuipjes gekweekt moeten worden, is het zelfs geraden, die wat fraaier te laten vervaardigen, of wel, de eenvoudige kuipjes met kurk of boomschors te doen bekleeden. Fig. 38 stelt twee zulke kuipjes voor, die in den handel voor matigen prijs te verkrijgen zijn. De rechtsche kuip is zeer eenvoudig, de linksche daarentegen fraaier afgewerkt; deze laatste is ook practischer, omdat door den uitgestoken rand van den bodem, de lucht beter kan toetreden, terwijl het overvloedige gietwater beter kan wegloopen.

Fig. 38. Elegante plantenkuipjes.

Fig. 38. Elegante plantenkuipjes.

Men doet het beste, bij het verplanten steeds nieuwe potten te gebruiken; deze moeten echter vóór het gebruik eerst gewaterd worden, d.w.z. men moet ze tien à twintig minuten in het water leggen, opdat de poriën van het steen met water voltrekken. Vergeet men dit, dan zal na eenigen tijd de aardkluit zich zóó vast met den pot verbinden, dat bij het verplanten de plant onmogelijk uit den pot te krijgen is, zonder haar te beschadigen of den pot stuk te slaan. Dit laatste is natuurlijk schade voor de hand. De oude gebruikte potten moet men natuurlijk niet wegwerpen, daar deze nog zeer goed gebruikt kunnen worden. In de meeste gevallen zijn deze potten vuil; aan den buitenkant zit mos of zwarte aanslag, wat de poreusiteit tegengaat en aan de binnenzijde zit meestal oude aarde. Deze oude potten kunnen dus slechts gebruikt worden, wanneer zij eerst goed schoongemaakt zijn. Hiertoe worden zij, met een harden boenborstel, aan den binnen- en buitenkant goed afgeschrobd, waartoe men bij voorkeur warm water gebruikt. Hierna laat men ze goed opdrogen. Zijn de potten sterk met mos bezet geweest, dan is het raadzaam, ze vóór het gebruik eenigen tijd in kokend water te leggen, ten einde zoodoende alle kiemen en mossporen te dooden. Gebruikte kuipjes moeten vóór het weder in gebruik nemen ook goed met warm water uitgeschrobd worden, om ze volkomen schoon te maken.

Vóórdat men met het planten of verplanten begint, moet op een tafel de noodige aarde klaargemaakt worden. Behalve aarde heeft men ook drainage-materiaal noodig. Wanneer bij het verplanten een pot breekt, dan behoeft men dien niet weg te werpen. Hij wordt in kleine stukjes geslagen, die, als drainage in de potten, gebruikt kunnen worden, mits men ze van te voren goed afwascht. Op het drainage-gaatje, dat zich, zooals wij gezien hebben, in iederen goeden pot bevindt; legt men een scherf, en wel zóó, dat de holle zijde naar onder en de bolle dus naar boven gekeerd is. Heeft men kleine potjes te draineeren, dan is het voldoende op deze grootere scherf nog enkele kleinere te leggen. Moet men grootere potten gebruiken, dan is verstopping der drainage gevaarlijker. De aarde hierin droogt natuurlijk veel langzamer uit en heeft dus meer kans om te verzuren; terwijl grootere planten in den regel veel kostbaarder zijn en het verlies er van dus grooter is. Op ieder drainage-gaatje legt men dan een potscherf en hierboven een flinke laag kleinere scherven. Heeft men zooveel kleinere scherven niet voorhanden, dan kan men ook stukjes baksteen, cokes of houtskool gebruiken. De aarde zal natuurlijk, door het gieten, zeer gemakkelijk tusschen de drainage-scherven of steentjes indringen en dit moet zoo mogelijk voorkomen worden. Hiertoe legt men boven de scherven een laagje moerasmos (sphagnum) of wel zeer grof turfstrooisel. In den regel is de drainage slechts gedurende betrekkelijk korten tijd werkzaam. De wortels toch dringen spoedig in de versche aarde en dan door het moslaagje tusschen de scherven. Wanneer men bij het verplanten de plant uit den pot neemt, dan zal men meestal zien, dat haar wortels langs den pot een dicht netwerk hebben gevormd, waarin de geheele drainage besloten is. Bij sterk groeiende planten dringen de wortels zelfs in het drainage-gaatje en staan de planten op een vochtigen bodem of op aarde, dan dringen zij daar zelfs doorheen. Het is maar goed, dat in bovengenoemd geval de plant meestal veel water noodig heeft en dus al het gietwater spoedig verbruikt en ook, dat het overvloedige water tusschen de wortels door, gemakkelijk wegzakt, wanneer men maar zorgt, dat het gaatje goed geopend blijft. Is het gaatje toevallig door aarde of wortels verstopt, dan moet men dit, door er een stokje in te steken, weer vrijmaken.

Gemakkelijk om te leeren en te doen is het oppotten van planten. Men heeft hierbij meestal te doen met kleine zaad- of stekplantjes, die tot nu toe in een pan te zamen stonden, en die, voor een beteren groei, ieder afzonderlijk in een potje moeten gezet worden. Hiertoe bedient men zich van het kleinste model potjes, die onder den naam stekpotjes voorkomen. Bij het opplanten in zulke kleine potjes, waarin de planten natuurlijk slechts korten tijd staan, behoeft men niet zoo heel veel werk van de drainage te maken; één scherf op het drainage-gaatje is voldoende.

Fig. 39. Het uit den pot slaan van een Aralia.

Fig. 39. Het uit den pot slaan van een Aralia.

Het oppotten geschiedt op de volgende wijze. Men vult het potje geheel met aarde, maakt daar, in het midden, met den wijsvinger van de rechterhand een vrij ruim putje in, waarin men het op te potten plantje met de linkerhand houdt. Met duim en wijsvinger van de rechterhand, wordt nu de aarde rondom de wortels goed vastgedrukt, zoodat het plantje stevig vaststaat. Is men zoover gevorderd, dan wordt de aarde in het potje nog een weinig aangedrukt, terwijl er zoo noodig, nog wat aarde bijgevoegd wordt. (Fig. 19). Wat het plantje zelf betreft, dit wordt van te voren zeer voorzichtig uit de pan of den pot, waarin het gerepikeerd stond, genomen en indien de wortels wat lang zijn, worden deze ingekort. Dit inkorten is voor de ontwikkeling van talrijke haarworteltjes zeer bevorderlijk.

Fig. 40. Het losmaken van de kluit eener Dracæna.

Fig. 40. Het losmaken van de kluit eener Dracæna.

Omslachtiger en ook veel moeilijker dan het oppotten is het verplanten. De beste tijd om te verplanten is voor de meeste planten zeker wel het voorjaar, wanneer zij weder tot ontwikkeling beginnen te komen. Planten, die in het voorjaar bloeien, moeten pas na den bloei verplant worden, omdat zij dan in haar ontwikkeling niet gestoord mogen worden. Snel groeiende en dus veel voedsel behoevende planten, moeten in den loop van den zomer nogmaals verplant worden. Fijne bladplanten en andere, die zich minder snel ontwikkelen, behoeven slechts eens per jaar verplant te worden, terwijl grootere kuipplanten daaraan geen behoefte hebben in perioden, afwisselende tusschen vier en tien jaar; vooral wanneer men niet te spaarzaam is met vloeibaren mest. (Zie het hoofdstuk “De bemesting”). Vóór men nu een plant in een grooteren pot zet, moet men onderzoeken of de pot, waarin zij staat, goed volgeworteld is; daar een gezonde plant niet verplant behoeft te worden, voordat dit het geval is. Het onderzoek, naar den toestand der wortels geschiedt door het uit den pot slaan. Men neemt de plant in de linkerhand en wel zoo, dat de stam zich tusschen den wijs- en den middelvinger of tusschen den middel- en den ringvinger bevindt. Men keert nu plant met pot ten ondersteboven, neemt de onderzijde van den pot in de rechterhand en slaat daarop zijn rand een paar keer flink op dien van de verplanttafel. Men zal zien, dat de aardkluit nu van den pot loslaat, welke laatste daarop gemakkelijk van de eerste kan afgenomen worden (Fig. 39). Men heeft nu de plant met haar geheel wortelgestel vóór zich, zoodat men het laatste op zijn gemak kan bekijken. Zijn de wortels overal goed om den pot gegroeid, of hebben zij zich zóó sterk ontwikkeld, dat zij een viltachtig netvormig weefsel om de geheele kluit heen vormen, dan is de tijd om te verplanten daar. Men kiest nu den pot uit, dien men wil gebruiken. In de eerste plaats moet er op gelet worden, dat de te gebruiken pot niet te groot is, wijl de aarde daarin dikwijls reeds zuur wordt, vóórdat de jonge wortels er in hebben kunnen doordringen. De pot, dien men wil gebruiken, moet zóó groot zijn, dat de kluit der plant er in past en er dan rondom haar, al naar de grootte der plant, een ruimte van één tot drie centimeter overblijft. Voordat men tot het verplanten overgaat, moet nu de kluit losgemaakt worden. Met een spits stokje, waartoe men het beste een puntig toegesneden plantenstokje gebruikt, wordt dit werk verricht. Eerst wordt de aarde om den rand van de kluit een weinig afgebroken en daarna worden de in elkander gegroeide wortels voorzichtig losgemaakt. Het beste geschiedt dit door met de punt van het stokje van boven naar beneden—d.w.z. van den onderrand der kluit naar de plant toe—voorzichtig langs den buitenkant van de kluit te steken. Dit moet echter zeer voorzichtig geschieden, daar men anders te diep in haar steekt, waardoor de wortels beschadigd zouden worden en zij te veel aarde zou verliezen (Fig. 40). De losgemaakte wortels hangen nu langs de kluit.

Fig. 41. Het insnijden van de wortels.

Fig. 41. Het insnijden van de wortels.

Zeer doelmatig is het voor alle planten met een sterk ontwikkeld wortelgestel, en vooral voor die met veel haarwortels, de afhangende wortels, met een scherp mesje, behoorlijk in te snijden (Fig. 41 en 42). Heeft men echter Palmen, Bol- of Knolgewassen te verplanten en in het algemeen gewassen met sterk ontwikkelde hoofd- en weinig haarwortels, dan moet er aan de gezonde wortels in het geheel niet gesneden worden; alleen de zieke of beschadigde wortels snijdt men dan met een scherp mesje af. Ook aan de planten met weinig of zeer zwakke wortels mag niet gesneden worden; het losmaken van de kluit moet echter steeds geschieden. Opgemerkt moet nog worden, dat er enkele planten zijn, die van nature slechts zeer zwak ontwikkelde wortels hebben, zoodat zij, wat men noemt, geen kluit houden, d.w.z. dat de aarde na het verwijderen van den pot van de wortels afvalt. Bij dergelijke planten behoeft men zich daar echter niet ongerust over te maken, het heeft geen nadeelige gevolgen.

Fig. 42. Losgemaakte en ingesneden wortelkluit.

Fig. 42. Losgemaakte en ingesneden wortelkluit.

Heeft men de kluit losgemaakt en de wortels behoorlijk ingesneden, dan kan het verplanten beginnen. In den gekozen pot wordt nu eerst op de voorgeschreven wijze de drainage aangebracht. Op deze drainage wordt dan een laag aarde gelegd en deze aarde een weinig aangedrukt met den rug van de rechterhand. Op deze aarde zet men nu de kluit en let er op, of die diep genoeg staat. De kluit toch mag niet te ondiep staan, omdat dan de wortels boven den pot zouden uitsteken of met te weinig aarde bedekt zouden worden. Zet men de kluit echter te diep, dan komt een gedeelte van den stam onder de aarde, en dit is in verscheidene gevallen ook zeer nadeelig, omdat daar wel eens rotting van stam of stengel het gevolg van kan zijn. Er moet dus goed toegezien worden, dat de bovenkant der kluit één, hoogsten twee vingerbreedte diep onder den rand van den pot komt te staan, zoodat zij behoorlijk met aarde kan worden bedekt. Men zet de kluit zóó in den pot, dat de stam of stengel juist in het midden komt te staan. Met de linkerhand wordt nu de plant op haar plaats gehouden, terwijl men met de rechterhand den pot verder met aarde aanvult. Om nu de aarde behoorlijk onder in den pot aan te drukken, gebruikt men een verplantstok. Dit is een plat stokje, dat men aan één zijde dun afsnijdt, zoodat het den vorm van een lange wig verkrijgt. Met het verplantstokje wordt de aarde nu voorzichtig tusschen de kluit en den wand van den pot aangedrukt. Hierbij moet men vooral oppassen niet met het verplantstokje in de kluit te stooten, daar dan de wortels gekneusd zouden worden; het beste is zooveel mogelijk langs den rand van den pot te drukken (Fig. 43).

De aarde moet zeer gelijkmatig worden aangedrukt. Is de ruimte tusschen kluit en pot tot aan den bovenrand gevuld, dan stoot men den pot eenige malen flink op de tafel om het geheel nog een weinig te doen inzakken. Hierna wordt een laagje aarde op de kluit gebracht, dat men met de vingers matig aandrukt, er voor zorgende, dat het bovenvlak steeds goed losblijft. Heeft men kleine plantjes te verplanten, dan behoeft men geen verplantstokje te gebruiken; de aarde kan dan met den wijsvinger aangedrukt worden. Het is lang zoo gemakkelijk niet als het wel schijnt, een plant zóó te verplanten, dat zij goed in het midden van den pot staat en de aarde overal om de kluit goed aangedrukt is. Om dit goed te doen, moet men er zich veel in oefenen, maar ieder liefhebber, die het met ware liefhebberij doet, zal het spoedig genoeg leeren. Van veel belang is het, dat men bij het aandrukken van de aarde geen holen doet ontstaan, ze niet te vast en ook niet te los aandrukt. Laat men holen tusschen de aarde, of drukt men te los aan, dan loopt het gietwater dadelijk weg, zonder de kluit behoorlijk te bevochtigen. Heeft men te vast geplant, dan kunnen de wortels van vele planten slechts moeielijk in de aarde doordringen. Zeer weinige teerdere planten, zooals Selaginella’s en enkele Varen-soorten, willen los opgepot worden.

Fig. 43. Het verplanten van een Kentia met het verplantstokje.

Fig. 43. Het verplanten van een Kentia met het verplantstokje.

Er doen zich wel eens gevallen voor, waarin niet goed van wortels voorziene planten toch verplant moeten worden. Dit kan gebeuren, wanneer uit den slechten reuk der aarde blijkt, dat deze zuur is, of wel, wanneer men uit het slecht groeien der planten opmaakt dat de wortels ziek zijn. Wortelziekte is in de meeste gevallen het gevolg van ondoordacht gieten, van het gebruik van te koud of slecht water, of van het gebruik, voor zwak bewortelde planten, van een te grooten pot. Wortelzieke planten worden uit den pot genomen en al de aarde tusschen de wortels uitgeschud. De wortels worden hierna goed afgewasschen en alle zieke deelen met een scherp mes afgesneden. Verkrijgt men zoodoende groote snijvlakken, dan worden deze met houtskoolpoeder bestrooid. Om planten, die erg wortelziek zijn, nog te redden, doet men het beste, ze in een zoo klein mogelijke pot te zetten, een pot, die dikwijls veel kleiner moet zijn dan die, waar zij uitkwam. Een vereischte bij het oppotten van zulk een plant is dan, dat men voor een zeer goede drainage zorgt, zoo mogelijk lichten grond gebruikt, en dezen rijkelijk met zand en in enkele gevallen met fijne houtskool vermengt.