Struikachtige bloemplanten voor koele vertrekken, het balkon en de vensterbank.

Abutilon. De Abutilon behoort tot de dankbaarste en rijk bloeiendste kamerplanten. De plant op zichzelf is zeer elegant en licht gebouwd, de bladeren zijn meestal lichtgroen, fraai ingesneden en gewoonlijk nogal groot. De bloemen hangen aan een dun steeltje naar beneden; het is uitzondering, wanneer men er twee of drie vereenigd ziet. De kleur der bloemen is wit, geel of rood, met talrijke gele meeldraden; ze zijn klokvormig. De oudere Abutilon-soorten zijn sterke, in de kamer niet zeer dankbaar bloeiende struiken; zij groeien erg in de lengte en worden spoedig onhandig, wanneer men ze in het voorjaar niet diep terugsnijdt, welke bewerking zij zeer goed verdragen. Deze zijn dan ook beter geschikt om op het balkon of in de waranda gebruikt te worden, waar zij in bakjes geplant, zeer rijk bloeien. Zeer geschikt zijn deze soorten ook om in den tuin uitgeplant te worden; zij ontwikkelen zich daar vaak tot struiken van 2 à 3 Meter hoogte.

Als kamerplanten zijn de nieuwere dwergvariëteiten veel meer aan te bevelen, ook om haar rijken bloei. Deze variëteiten komen in den handel voor onder den naam Abutilon hybridum nanum compactum en de bloemen zijn zeer verschillend van kleur: wit, geel, oranje en vuurrood. Een bijzonder fraaie variëteit, die zeer laag blijft en rijk bloeit met donker vuurroode bloemen, is de Abutilon Boule de feu. Een mooie bontbladerige variëteit is de Abutilon Thompsonii, die lichtgroene met geel gemarmerde bladeren heeft en met lichtoranje bloemen bloeit. Van deze soort bestaat ook een variëteit met gevulde bloemen, de eenige gevulde Abutilon, die bekend is; zij is echter niet zeer aanbevelenswaardig.

De nieuwste variëteiten zijn die met witbonte bladeren, die echter uitsluitend als fraaie bladplanten waarde hebben. Twee daarvan zijn het meest bekend geworden, namelijk: de Souvenir de Bonn met lichtgroene, wit omzoomde bladeren, en de Sawitzers Ruhm met lichtgele bladeren, die een groen hart hebben.

Alle soorten van Abutilon, die in Brazilië thuis behooren, moeten des zomers buiten voor het venster gekweekt worden. Eenmaal ’s jaars, bij voorkeur in het voorjaar, moeten zij verplant worden in broei- of compostaarde, vermengd met wat graszodengrond; des zomers kan men ze enkele malen flink gieren. In den winter zet men ze achter een zonnig venster in een koele kamer. Wanneer men ze in een lichte kamer zet, met een gemiddelde temperatuur van 50° Fahr., dan is er veel kans, dat zij den geheelen winter doorbloeien. Zijn de Abutilons in haar sterksten groei, dan moet men niet verzuimen ze flink te begieten. De vermenigvuldiging geschiedt door zaden. Wil men een bepaalde variëteit vermeerderen, zonder dat men bang behoeft te zijn, dat die terugslaat, dan moet men haar van stek kweeken. De jonge, van bloemknoppen ontdane twijgtopjes, groeien vooral in het voorjaar zeer gemakkelijk.

Acacia. De Acacia en vooral de in Nieuw-Holland thuis behoorende soorten, zijn zeer dankbare bloemheesters, die door veelvormigheid hunner bladeren ten zeerste onze aandacht waardig zijn. Men onderscheidt soorten met gevederde bladeren, die ook daarom interessant zijn, wijl de zijblaadjes zich des avonds tegen elkander leggen, om zich des morgens weder op te richten en uit te gaan staan. Als tweede groep onderscheidt men bladlooze soorten. Deze laatste hebben alleen als zeer jonge plantjes gevederde bladeren; daarna vormen zij slechts verbreede bladstelen, zoogenaamde phyllodieën, die daarbij nog dikwijls spiraalvormig gedraaid, of door andere vormen belangwekkend zijn.

Bijna alle Acacia-soorten behooren tot die heestergewassen, welke tegen het einde van den winter en in het vroege voorjaar bloeien. De gewoonlijk gele, zelden witte, bloemen zijn vaak tot kleine balletjes vereenigd, die aan dunne steeltjes hangen, en alleen, òf paarsgewijze òf aan trosjes vereenigd in de bladoksels voorkomen. Bij de bladerlooze soorten staan zij ook wel aan aartjes vereenigd, die dan een cylinderachtigen vorm hebben.

Als kamerplant heeft tot heden slechts één soort, de Acacia lophanta, burgerrecht verkregen. Deze sterk groeiende, met groote, vedervormige bladeren prijkende soort bloeit niet alleen zeer ondankbaar, maar ook niet schoon; zij verdraagt echter de gesloten kamerlucht uitstekend en is daardoor waarschijnlijk een zeer gezochte kamerplant geworden.

Een veel dankbaarder en ook fraaiere soort is de Acacia dealbata. Ook dit is een soort met gevederde bladeren, die met groote trossen gele bloemen bloeit. Deze soort wordt tegenwoordig veelvuldig in Zuid-Frankrijk en Italië aangekweekt, ten einde de bloemen voor den uitvoerhandel te gebruiken. Vroeg in het voorjaar kan men de welriekende bloemen in grooten getale in de bloemenmagazijnen vinden.

De sierlijkste en voor kamercultuur meest geschikte soort is zeker wel de Acacia pulchella, die het best als kroonboompje wordt gekweekt en dan knievormig gebogen takjes heeft. Haar donkergroene vedervormige blaadjes zijn zeer sierlijk. In iederen bladoksel bevindt zich een stekel, bijna dubbel zoo lang als het blad, en van midden April tot einde Mei ook een bloemknopje, hetwelk prijkt met het schoonste geel.

Onder de bladerlooze soorten, die verbreede bladstelen hebben, is in de eerste plaats de Acacia lineata zeer aanbevelenswaardig. De schijnblaadjes van deze soort zijn slechts 1 cM. lang. De bloemen, die meestal reeds in de tweede helft van den winter verschijnen, zijn citroengeel en zeer welriekend. Andere soorten van deze groep, die wij gerust durven aanbevelen, zijn Acacia myrtifolia, A. argyrophylla, A. armata en A. longifolia.

De handelskweekers, die de vroeger zoozeer in trek zijnde Nieuw-Hollandsche bloemplanten tegenwoordig al zeer stiefmoederlijk behandelen, kunnen verscheidene Acacia-soorten niet altijd leveren. Gelukkig bieden de grootere zaadhandelaars van talrijke soorten zaden aan. Uit stek laten de Acacia’s zich zeer slecht voortkweeken; gewoonlijk willen zij geen wortel maken en slaagt men er al in een stek aan den groei te krijgen, dan groeit zij in den regel zeer slecht door. Men doet dus beter zaden te koopen, die zeer goedkoop zijn. Deze zaden zijn zeer hard, waarom het goed is ze een dag of acht in dagelijks te ververschen, lauw water te leggen, ten einde ze een weinig te weeken; hierna worden zij tusschen een doek afgedroogd en daarna uitgezaaid. Geeft men den zaden een warme standplaats, dan kiemen zij wel vrij zeker, maar zeer ongelijk; gewoonlijk tusschen 12–30 dagen. Het wil wel voorkomen, dat het omhulsel taai is, en de jonge kiemplantjes moeite hebben dit af te werpen; is dit zoo, dan moet men ze met den vinger een weinig helpen. De krachtige kiemplantjes van Acacia’s worden niet gerepikeerd, maar direct in zaadpotjes geplant. Groeien zij goed door, dan kunnen zij in hetzelfde voorjaar nog eens verpot worden en gedurende den zomer kan men ze dan buitenzetten. De maand Februari is de meest geschikte om Acacia’s te zaaien.

Men kweekt de Acacia’s in heidegrond, die met ¼ klei- of graszodengrond en rijkelijk scherpzand vermengd wordt. Oudere planten houdt men tot na den bloei in een koel, vorstvrij vertrek; hierna worden zij ingesneden, verpot en eindelijk tegen Pinksteren buiten gezet. Des zomers verlangt de Acacia een zonnige standplaats, rijke begieting en af en toe een begieting met gier.

Agathæa amelloides. Dit is een sierlijke struik, met kleine, ovale blaadjes en lieve, reukelooze bloempjes, die het gansche jaar door, doch bij voorkeur gedurende den winter verschijnen. De Agathæa behoort tot de asterachtige samengesteldbloemige planten. De op lange stelen steeds alleen staande bloemen bestaan uit gele schijf- en blauwe straalbloempjes, wat een zeer fraaie vereeniging van kleuren vormt. Daarbij komt nog, dat dit een van de weinige blauwe winterbloeiers is. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar gemakkelijk door zaden, stekken en ook door verdeeling der kluit. Zij verlangt een goeden, lichten grond, bijv.: ½ deel broeiaarde en ½ deel blad- of heideaarde, vermengd met zand. Des zomers moet de Agathæa buiten gekweekt worden en gedurende den winter verlangt zij een koele, zeer lichte standplaats. Het is zaak, des winters zeer voorzichtig te zijn met het gieten.

Boronia. De Boronia’s zijn sierlijke Nieuw-Hollandsche planten, met kleine bladeren en allerliefste, klokvormige, afhangende roode en blauwe bloempjes. De bloeitijd valt tusschen de maanden Maart en April en de bloempjes op zichzelf blijven van 6 tot 8 weken goed. Tegen dat zij gaan verwelken, krijgen de bloempjes een donkerroode kleur. De Boronia’s behooren tot de fraaiste bloemplanten van Australië; zij zijn echter niet heel gemakkelijk te houden. De fraaiste soort is wel de Boronia alata met bleek rozeroode bloempjes. De vermenigvuldiging geschiedt meestal door veredeling op Correa, een bewerking, die slechts door een kweeker uitgevoerd kan worden. Men kweekt ze in zandigen heidegrond; zij verlangen des winters een koele doch lichte standplaats, en des zomers een zonnige plaats, bij voorkeur buiten.

Bouvardia. Onder de kamerplanten, die ons door haar ongemeen rijken bloei gedurende het laatste gedeelte van den herfst en den vóórwinter het meest verheugen, behooren zeker de Bouvardia’s. Deze aardige, gewoonlijk niet meer dan ½ Meter hoog wordende struikjes van Centraal-Amerika hebben ovale bladeren. De bloemen zijn wit, rose, rood en geel; bij enkele soorten geheel reukeloos, bij andere echter een aangenamen jasmijngeur verspreidende. Gewoonlijk staan de bloemen, in den vorm van schermpjes, aan de spitsen der takjes. Zeer schoone soorten, waaronder ook met gevulde bloemen, die echter niet zoo gemakkelijk bloeien, zijn vooral in Amerikaansche kweekerijen gewonnen. Van die met enkele bloemen durf ik gerust aanbevelen: B. corymbiflora met lange, witte (Fig. 67), B. flavescens met gele, B. President Cleveland met scharlakenroode en B. leyantha met oranje bloemen. Van de dubbelbloemige soorten zijn de fraaiste: B. albo-plena (B. Alfred Neuner) met witte bloemen, B. roseo-plena (President Garfield) met zacht roode en B. Hägarthi flore pleno met roode bloemen.

De cultuur der Bouvardia’s is tamelijk eenvoudig. Nadat de planten uitgebloeid zijn, gaan zij haar rusttijd in; de uitgebloeide bloemen en de bladeren kunnen afgesneden worden, en planten, die nu zeer droog gehouden moeten worden, kunnen ter overwintering in een koele achterkamer of een volstrekt vorstvrijen kelder worden gezet. In Maart worden de planten weder voor den dag gehaald, en in goede broeiaarde verpot. Het is de zaak, er bij het verpotten op te letten, dat de oude aarde zooveel mogelijk tusschen de wortels uitgeschud wordt. De planten worden nu voor het venster van een matig warm vertrek gezet, waar zij weldra beginnen uit te groeien. In de tweede helft van Mei kan men de Bouvardia’s in den tuin, of buiten voor het venster zetten. Laat men nu de planten ongestoord doorgroeien, dan zullen zij zonder twijfel alle in den zomer bloeien. Daar men ze echter als najaars- en winterbloeisters wil kweeken, moeten de scheuten tot Augustus geregeld getopt worden, ten einde den bloei te beletten. Zeer nuttig is het Bouvardia’s in Juni nog eens te verplanten. Tegen de tweede helft van September zet men de planten in een vertrek, dat voorloopig nog geregeld gelucht, doch bij het intreden van kouder weer matig verwarmd wordt. Slechts dàn zullen de bloemen zich goed ontwikkelen, wanneer men den planten een goede, lichte standplaats geeft. Bloeiende Bouvardia’s mogen in geen geval bespoten worden, daar de bloemen dit niet verdragen. De voortkweeking geschiedt het beste door wortelstekken. Bij het verplanten, in het voorjaar, snijdt men eenige sterke wortels van de planten af; deze worden daarna in 4–5 cM. lange stukjes gesneden, en deze stukjes pot men in lichte zandige aarde op. Zet men de potjes met zulke wortelstekken op een warme plaats, dan zullen zich daar jonge plantjes uit ontwikkelen. Stekken die men in het voorjaar van de jonge, weeke twijgen snijdt, wortelen zonder bodemwarmte niet gemakkelijk.

Fig. 67. Bouvardia corymbiflora.

Fig. 67. Bouvardia corymbiflora.

Calceolaria rugosa. De Calceolaria vormt een aardig, ongeveer 60 cM. hoog wordend struikje, met ovale, ruwe bladeren en lieve in bundeltjes vereenigde bloempjes. De bloeitijd duurt van de maand Mei tot aan den herfst. Er bestaan tegenwoordig talrijke variëteiten van met gele, bruine en roode bloemen, terwijl ook enkele verscheidenheden fraai gevlekte bloemen voortbrengen. Des zomers kweekt men deze planten buiten; zij worden geplant in een grondmengsel, bestaande uit gelijke deelen broei-, blad- en graszodenaarde. Wil men mooie planten kweeken, dan is een herhaald verpotten noodig, waarbij vooral de kluit niet beschadigd mag worden. De overwintering geschiedt in een koud vertrek of wel in een lichten kelder.

De vermenigvuldiging van deze lieve, rijk bloeiende plant geschiedt door stekken, die in Augustus gesneden en niet te warm gehouden mogen worden. De stekken worden, zes à acht te zamen, langs den rand van een 10 cM. wijden pot gestoken. Totdat zij geworteld zijn, bedekt men ze met een stolp en houdt men ze in de schaduw. In het volgende voorjaar worden de stekken pas afzonderlijk opgepot. De Calceolaria leent zich ook uitstekend om in de bakjes voor balkonversiering gebruikt te worden.

Callistemon. De Callistemons zijn harde, groenblijvende Nieuw-Hollandsche planten, die tot de Myrtachtige gewassen behooren. De bloemen danken haar schoonheid aan de talrijke, lange, meestal roode meeldraden, die aan de geheele bloeiwijze het voorkomen der bekende lampeglazenborstels geven. Zij vormen zich in het voorjaar aan de twijgen en zijn aarvormig; uit den top van de aar groeit dan de twijg verder door. De vruchten vormen zich op het hout van de scheuten, waar zij juist als de eieren van de ringspin omheen zitten. Somtijds blijven zij zoo verscheidene tientallen van jaren zitten, zonder dat de zaden haar kiemkracht verliezen. De lange, spitse, somtijds naaldvormige bladeren, zijn, vooral wanneer men ze wrijft, dikwijls zeer aromatisch.

Men kweekt de Callistemons in heideaarde, vermengd met een weinig kleigrond. Des zomers moeten zij op het balkon of in den tuin staan. Houdt men ze voortdurend in de kamer, dan zijn zij zeer ondankbaar. De overwintering moet geschieden in een koel, luchtig en licht vertrek. De voortkweeking geschiedt het best door zaden.

Camellia japonica. De uit Japan afkomstige Camellia is een der meest bekende en geliefde sierplanten, waarvan de oorspronkelijke soort reeds 150 jaar geleden gekweekt werd.

De hoofdculturen van deze plant bevinden zich tegenwoordig rondom Gent en Dresden, waar zij in talrijke prachtige variëteiten gekweekt worden. De niet onaardige enkelbloeiende soorten worden niet veel meer aangetroffen; de gevuldbloemige (Fig. 68) worden echter in zeer veel verscheidenheid van kleur en vorm gekweekt. De kleur der bloemen doorloopt alle tinten tusschen het zuiverste wit en het donkerste rood. Vaak zijn de bloemen ook wit, gevlekt, gestreept of gespikkeld met rood. Ook in den vorm vindt men vele afwijkingen. De oorspronkelijke vorm heeft slechts kleine bloemen en wordt niet veel meer in de tuinen gevonden.

De Camellia behoort tot die planten, welke het liefst in veengrond gekweekt worden; bij gebrek daaraan kan men echter ook heide- of bladaarde gebruiken. De Camellia, die reeds door haar prachtige donker glanzend groene bladeren een ware sierplant is, is niet gemakkelijk in de cultuur. Gewoonlijk snoeit men haar niet en is het voorzichtig ze slechts om de twee jaar te verplanten, welke bewerking geschiedt, nadat zij uitgebloeid is. Terwijl de andere harde planten reeds tegen Pinksteren buiten worden gebracht, moet men met de Camellia’s daarmede wachten, totdat de jonge scheuten volwassen zijn, wat niet vóór Juni of Juli het geval is. Eerst dan worden de planten buiten gezet en op een schaduwrijke plek geplaatst. Zoolang de planten binnen stonden, moesten zij rijkelijk begoten worden; nu zij buiten staan, geeft men echter pas water, wanneer de jonge scheuten een weinig slap beginnen te hangen. Door dit betrekkelijk weinig gieten, wordt de bladvorming tegengegaan en het maken van bloemknoppen bevorderd. Deze ontwikkelen zich aan de punten der twijgen of in de bladoksels der laatste bladeren; zij staan alleen of met twee en drie te zamen. Zij onderscheiden zich door hun dikken ronden vorm en zijn gemakkelijk van de bladknoppen te onderscheiden, die dun en spits zijn. De bladknoppen zitten gewoonlijk naast de bloemknoppen, maar moeten eerst in het volgende voorjaar uitgroeien. Hebben de laatste zich eenmaal gevormd, dan kan men weder geregeld gieten, omdat dan voor een doorgroeien der bladknoppen niet meer te vreezen is.

Fig. 68. Gevuldbloemige Camellia.

Fig. 68. Gevuldbloemige Camellia.

Tegen het einde van September zet men de Camellia’s, die, zoolang zij buiten stonden, ’s morgens en ’s avonds licht bespoten werden, in een vertrek, dat voorloopig nog geregeld gelucht wordt. Zij moeten zoo dicht mogelijk bij het venster geplaatst worden. De reeds sterk ontwikkelde knoppen zijn nu zeer gevoelig; zij vallen zeer gemakkelijk af, wanneer de aarde, waarin de planten staan, te droog wordt, wanneer men de planten voortdurend verplaatst en ook, wanneer de temperatuur van het vertrek, waarin zij staan, zeer ongelijkmatig is. De Camellia kan zelfs een paar graden vorst verdragen, en, hoewel verscheidene soorten zich in een warme kas laten forceeren, doet men toch het beste ze in een koel, doch vorstvrij vertrek te laten overwinteren. Hier zullen zich enkele bloemen reeds in den herfst of den voorwinter ontwikkelen; de meeste verschijnen echter in de maanden Februari tot April. De zeer teere, steeds reukelooze, maar edele bloemen mogen niet bespoten of aangeraakt worden, daar zij dan vlekken krijgen en haar schoonheid inboeten.

Houdt men de Camellia’s vochtig, dan krijgen zij leelijke gele en geel gevlekte bladeren of er ontwikkelt zich een fungus op, de zoogenaamde “roestdauw”, waardoor de bladeren aan de achterzijde bruinvlekkig worden.

Het voortkweeken door stekken of veredelen moet den kweeker overgelaten worden, aangezien men daarmede in de kamer geen goede resultaten bereiken kan.

Cestrum. Deze plant wordt door liefhebbers gekweekt om den eigenaardigen geur, die sommige soorten ontwikkelen. Een der schoonste soorten is zeker wel de Cestrum roseum, met fraaie, rozeroode bloemen, die in trosjes aan het einde der takken verschijnen. Een groenbloemige soort, de Cestrum nocturnum, geurt des avonds overheerlijk.

De Cestrum groeit goed in elken voedzamen grond. Des zomers moet zij buiten en des winters in een koel vertrek staan. De vermenigvuldiging geschiedt gemakkelijk door stekken.

Choisya ternata. Dit is een Mexicaansche heester, die in het voorjaar bloeit en een hoogte kan bereiken van 1—1½ Meter. De witte bloemen verspreiden den geur van Anjelieren en worden door de Indianen van Mexico in groote getale verzameld, om ze op de markten te verkoopen. De bloemen, die tamelijk klein zijn, zitten tot trosjes vereenigd, in de bladoksels der twijgspitsjes. Des zomers moet deze plant buiten gekweekt worden, gedurende den winter verlangt zij een licht vertrek met een temperatuur van 40–45° Fahr. De plant moet gekweekt worden in een zwaren, goeden grond. Men doet wijs, zich direct bloeibare planten aan te schaffen, daar de voortkweeking uit zaden, voor kamercultuur, zeer weinig loonend is.

Chrysanthemum frutescens (Margariete). De bekende Margariete, de lievelingsbloem van de Koningin-Moeder van Italië, bloeit bij een oplettende cultuur bijna het gansche jaar door. Zij vormt een kleinen struik met fijne, sappig groene bladeren en heeft witte of gele bloemen. Zij hoort thuis op de Canarische eilanden. Des zomers moet men haar op het balkon of buiten op de vensterbank kweeken in bakjes of groote potten; ook kan men haar in den tuin uitplanten, wat een uitstekend resultaat geeft, wanneer men er een vrije, zonnige standplaats voor uitkiest. Des winters verlangt zij in een lichte, koele, doch vorstvrije kamer te staan. Om een goeden groei te bevorderen, moet men ze dikwijls verpotten in niet te lichten, voedzamen grond; ook dikwijls bemesten verdragen zij zeer goed. Oude exemplaren worden in het voorjaar flink ingesneden. De bloemen, die gedurende den ganschen winter een belangrijk handelsartikel vormen, volgen elkaar bij een goede behandeling bijna het geheele jaar door op. Men moet voorzichtig zijn de Chrysanthemum niet te warm en te droog te zetten; er verschijnt dan een made, die in het inwendige van het blad leeft en het bladmoes vernielt. Men kent tegenwoordig verscheidene grootbloemige soorten. Een nieuwe verscheidenheid, pas kortelings ingevoerd, is de Leucanthemum Queen Alexandra. Deze zeer lieve, nieuwe plant heeft mooie, geheel of half gevulde bloemen. De voortplanting van de Chrysanthemums geschiedt door stekken, die òf in het voorjaar òf in Augustus gestoken worden; de stekken moeten onder glas geplaatst, doch mogen niet warm gehouden worden. De voortkweeking door zaden gaat ook zeer goed, wanneer men in het voorjaar zaait. De jonge zaadplantjes moeten vrij spoedig in kleine potjes, met voedzamen grond opgepot worden; zij worden gedurende het voorjaar nog eenige keeren verpot en tot aan het einde van den bloeitijd buiten op een zonnige plek gezet. De bloeitijd duurt bij deze behandeling, wanneer zij in October worden binnen gezet, door tot diep in den winter toe. De bloemen bestaan uit gele schijf- en witte straalbloempjes. Een bezwaar is het, dat de bloemen bij donker weer wel eens minder goed willen openkomen.

Fig. 69. Leucanthemum frutescens.

Fig. 69. Leucanthemum frutescens.

Clerodendron. Een der aanbevelenswaardigste soorten is de Clerodendron fragans (Volkameria fragrans), een Japansche struik met groote bladeren, die bij wrijving een onaangenamen geur verspreiden. De bloemen verschijnen gedurende den zomer en den herfst; zij zijn zuiver wit, zeer welriekend en meestal gevuld. (De enkelbloemige soort treft men slechts zelden aan). De bloemen staan vereenigd aan de uiteinden der twijgen. Men kweekt ze gedurende den zomer buiten of ook wel het geheele jaar door in de kamer. De Clerodendron verlangt een goeden voedzamen grond en in den zomer nu en dan wat gier. De voortplanting geschiedt door stekken.

Clianthus. Dit zijn prachtige halfheesters, afkomstig uit Zuid-Australië en Nieuw-Zeeland. Zij hebben fraaie, gevederde bladeren en vurig roode, reukelooze bloemen, die in trosjes uit de bladoksels ontspringen en naar beneden hangen. De bloeitijd valt in de lente en den voorzomer. De meest verspreide soort is de Clianthus puniceus, de schoonste zeker wel de Clianthus Dampieri; deze draagt groote, scharlakenroode bloemen met een zwart purpere vlek op de vlag. De beste wijze om deze laatste soort te kweeken is ze, als jonge zaailing, op de veel sneller groeiende Colutea arborescens te veredelen. De Clianthus wil des zomers buiten staan; zij verlangt met wat kleigrond vermengde heideaarde. Des winters geeft men ze een lichte standplaats in een vertrek met een gemiddelde temperatuur van 40°–50° Fahr. Men moet dan zeer voorzichtig zijn met het gieten. De voortkweeking geschiedt gemakkelijk door zaden en stekken; overigens zijn deze planten nogal lastig in de cultuur.

Correa. De Correa’s zijn kleine, groenblijvende, Australische struikjes, die als dankbare winterbloeiers voor de kamercultuur wel geschikt zijn. De beste bloeier is de Correa speciosa met pijpvormige, donkerroode, aan de punten groene bloemen. De schoonste soort is de scharlakenroode Correa cardinalis, met zeer lange bloemen. De fijnere soorten worden alle veredeld op de Correa alba, die ook een rijk bloeiende, doch zeer kleinbloemige soort is. De bloemen van alle Correa’s zijn reukeloos. Men kweekt deze planten in heideaarde, vermengd met wat klei- of graszodengrond, terwijl er, zooals bij de aarde voor alle Australische planten, een goede hoeveelheid scherpzand door moet gemengd worden. Des zomers moet men de Correa’s buiten zetten, op een eenigszins beschutte plaats; des winters verlangen zij een licht vertrek met een gemiddelden warmtegraad van 45° Fahr.

Cuphea. Dit zijn sierlijke, doch tamelijk kleine Mexicaansche struikjes, die zeer rijk, vaak ook gedurende den winter bloeien. De bloemen zijn klein en pijpvormig. De meest verspreide soort, die ook dikwijls in mozaïek-vakken wordt gebruikt, is de Cuphea platycentra, met roode, zwart omrande bloempjes. Kweekt men deze plant op een stammetje, dan is zij, wanneer zij des winters bloeit, lang niet onaardig; kweekt men haar in struikvorm, dan doet men beter ze in de bakjes te planten. Men plant ze in een rijke broeiaarde en zet ze bij voorkeur des zomers buiten. De in een koel vertrek overwinterde planten moeten in het voorjaar ingesneden en verpot worden.

De voortkweeking geschiedt gemakkelijk door stekken of door zaden.

Cytisus. Dit zijn lage, fijn bebladerde struiken, die zich in den nawinter en het voorjaar rijk met gele, welriekende, vlindervormige bloemen tooien. In België wordt de Cytisus veel als kroonboompje gekweekt, en dan op de Goudenregen veredeld. De Cytisus komt zeer nabij de Genista canariensis, die ook gele, welriekende bloemen draagt. Nadat deze planten uitgebloeid zijn, snijdt men ze flink terug, verplant ze in goeden voedzamen grond en zet ze tegen het midden van Mei buiten, waar zij gaarne een zonnige standplaats hebben. De overwintering geschiedt in een koel, vorstvrij vertrek.

De vermenigvuldiging heeft in Augustus plaats door stekken of ook wel in het voorjaar uit zaden.

Datura arborea. Deze Peruaansche plant draagt ook nog den wetenschappelijken naam van Brugmansia suaveolens; zij behoort tot de zeer vergiftige familie der Nachtschaden. Zij kan 3 à 4 Meter hoog worden en maakt, wanneer zij jong is, dikke, vleeschachtige stengels, waaraan groote, lichtgroene, zeer fraaie bladeren zich ontwikkelen. Van den zomer tot diep in den winter ontspruiten uit die stengels zeer groote, witte, trompetvormige bloemen, die vooral des avonds een heerlijken geur verspreiden. Er bestaat een andere soort, de Datura Knightii, die gevulde bloemen heeft. Al deze boomachtige Datura’s dragen in de kweekerijen dezen naam, doch behooren eigenlijk tot het geslacht Brugmansia.

Wordt deze plant goed behandeld, dan is zij spoedig voor de kamer ongeschikt, daar zij zeer snel groeit, zoodat in het voorjaar gestoken stekken in den herfst vaak planten vormen van een Meter hoogte. Als balkonplant kan de Datura, die in den winter haar meeste bladeren verliest, zeer goede diensten bewijzen. Des winters moet zij tamelijk koud en droog worden gehouden. In het voorjaar worden de overwinterde planten flink teruggesneden en in zeer voedzamen grond verpot.

De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door stekken, genomen uit de jonge scheuten, die dan in juist zooveel stukken gesneden kunnen worden, als zij oogen hebben. Ieder oog wordt dan met het daarbij behoorende stengeldeel afzonderlijk in een potje geplant, de stek moet daarna een tamelijk warme plaats hebben. De stengeldeeltjes slaan zeer spoedig wortels en het oog groeit dan verder door.

Diosma alba. Deze dankbare, zeer aromatisch riekende plant is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Door haar fijne bladeren doet zij denken aan de voor kamercultuur ten eenenmale ongeschikte Erica’s. De bloempjes, die in het voorjaar verschijnen, zijn wit en gelijken veel op kleine Myrtebloempjes.

De Diosma groeit slechts langzaam; zij verlangt een mengsel van blad- en heideaarde, waarbij een weinig kleigrond wordt gevoegd. Om goede bossige planten te vormen, moet zij herhaalde malen worden ingesneden; daarbij moet zij dan des zomers een goede, vrije standplaats hebben en vooral goed begoten worden. Droge, warme kamerlucht is voor deze plant zeer ongeschikt. De voortkweeking geschiedt midden in den zomer door middel van stekjes.

Erythrina crista-galli. Dit is een prachtig bloeiende Braziliaansche struik met drietallige bladeren, die zij, evenals de jonge scheuten, gedurende den herfst verliest. Iedere sterke scheut eindigt, in den zomer, in een langen tros vlindervormige bloemen, die prachtig rood en geheel reukeloos zijn. De oude planten bestaan uit korte, dikke knoesten, waaruit ieder voorjaar nieuwe scheuten ontspruiten. Het beste doet men de Erythrina, des zomers op een warme, zonnige plaats in den tuin of anders op het balkon te zetten. De jonge planten moeten ieder voorjaar in goeden, voedzamen, zwaren grond verpot worden. Des zomers moeten zij rijkelijk begoten en verscheidene malen gegierd worden. Gedurende den herfst giet men langzamerhand minder om eindelijk de rustende planten, geheel droog, in een kelder of vorstvrije achterkamer te laten overwinteren.

In het voorjaar kan men de oude planten in de kamer aan den groei brengen, en dan de jonge scheuten, ter vermenigvuldiging, als stekken gebruiken. Jonge exemplaren, die nog geen stam gevormd hebben, mag men niet zoo koud en droog laten overwinteren, als de oudere. Er zijn verscheidene fraaie variëteiten van bekend. Om in de kamer en des zomers buiten voor het venster gekweekt te worden, is het meest aanbevelenswaardig de Erythrina crista-galli compacta; deze blijft steeds klein, doch bloeit zeer rijk met groote, roode bloemen.

Fig. 70. Fuchsia tryphylla.

Fig. 70. Fuchsia tryphylla.

Fuchsia. Onder de meest geliefde potplanten, die men overal voor het venster, op de vensterbank, op het balkon en in den tuin vindt staan, die door rijk en arm worden gekweekt, neemt de Fuchsia zeker wel een eerste plaats in. Wie kent dezen lieven bloemstruik niet, wiens sierlijke, hoewel reukelooze, roode, paarse of witte bloemen, hetzij alleen, hetzij in trosjes, naar beneden hangen en somtijds bij honderdtallen aan één plant gevonden worden? De roode of witte kelkbladeren staan horizontaal, of zijn om het vruchtbeginsel teruggeslagen. De bloembladeren vormen meestal een trechtervormige kroon. Somtijds krijgt de bloem ook door den pijpvormigen kelk een meer buisvormig voorkomen. Hierbij geven de ver uit de bloem stekende meeldraden en de nog verder uitstekende stamper aan de enkelbloemige soorten een zeer eigenaardig voorkomen. De eerste Fuchsia werd in 1696, dus ruim 200 jaar geleden, door Plumier in Amerika ontdekt en onder den naam Fuchsia triphylla flore coccineo beschreven. Hoewel in den loop der tijden honderden variëteiten, door het kruisen van soorten onderling en van soorten met variëteiten gewonnen zijn, worden er nog altijd veel echte soorten om haar fraai voorkomen gekweekt. Zoo is de lang vergeten Fuchsia triphylla (Fig. 70) tegenwoordig weer in de mode gekomen; zij wordt in den laatsten tijd met bijzondere voorliefde gekweekt, en men heeft er ook reeds verbeterde variëteiten van gewonnen. Een van de meest verspreide echte soorten is zeker wel de Fuchsia gracilis, waarvan jonge plantjes dikwijls met honderden kleine, roode bloempjes bedekt zijn (Fig. 71, bovenste twijg). Een zeer schoone soort is ook nog de Fuchsia fulgens met fraaie, lange, pijpvormige bloemen en zeer groote bladeren; ook de Fuchsia coccinea verdient aanbeveling.

Fig. 71. Verschillende Fuchsiasoorten.

Fig. 71. Verschillende Fuchsiasoorten.

Zoowel de groot- als kleinbloemige soorten, de enkele of gevulde, alle Fuchsia’s zijn, wanneer zij rijk bloeien, zeer fraai. De Fuchsia’s rusten des winters volkomen; zij verliezen dan haar blad en men kan ze in een vorstvrijen kelder laten overwinteren. Tijdig in het voorjaar haalt men ze voor den dag; zij worden dan ingesneden, uit den pot genomen en, nadat de kluit voorzichtig losgemaakt is, verplant in matig groote potten. Voor het verplanten gebruikt men goede broeiaarde. Deze bewerking is geraden wanneer men een op het zuiden gelegen venster heeft, waar zij aan den groei gebracht kunnen worden; heeft men dit niet, dan doet men wijzer de planten tot het begin van Mei in den kelder te laten staan, om ze dan direct buiten te zetten. Geeft men den versch verpotten Fuchsia’s een lichte standplaats, en vergeet men niet ze bij zonnig weer te bespuiten, dan gaan zij spoedig aan den groei en de jonge scheuten zullen weldra in bloei komen. Zeer bruikbaar zijn de jonge, bossige planten, die men, door van de jonge twijgen stekken te nemen, zeer gemakkelijk kan kweeken. Gewoonlijk wortelen deze stekken, wanneer men ze onder een stolp zet, na 8 of 10 dagen, en spoedig daarop kunnen de jonge plantjes in potjes worden uitgeplant.

Zoodra er geregeld warm weer begint te heerschen, verdragen de Fuchsia’s de kamerlucht niet meer. Het liefst staan zij op een eenigszins beschaduwde plek in den tuin of op een balkon of bloemrekje, waarop de morgenzon schijnt. Wanneer men de Fuchsia’s nog eens verpot en men zorgt goed voor de begieting, terwijl het toedienen van gier niet vergeten wordt, dan ontwikkelen zij gedurende den zomer een waren bloemenrijkdom. Men moet ze dan echter op haar plaats laten staan, en niet van de eene naar de andere dragen, wijl zij daar niet tegen kunnen en direct daarop haar bloemen en knoppen laten vallen. Het rijkste bloeien de kleinbloemige soorten.

Voor het bloemenrekje kan men slechts jonge planten gebruiken, die van onder tot boven met blad bezet zijn. Oudere, overwinterde planten kan men met goed succes in bakjes aanwenden, waarin zij dan uitgeplant kunnen worden. Als alleen staande planten in den tuin of op het balkon gebruikt men het beste oudere Fuchsia’s, die in kroonvorm zijn gekweekt. Deze kroonboompjes plant men in kuipjes of groote potten, waarin zij, wanneer men ze nu en dan giert, jarenlang kunnen staan. Zulke kroonboompjes kunnen inderdaad prachtig bloeien. Voor dezen kroonvorm leent zich bij uitnemendheid de Fuchsia gracilis.

Enkele Fuchsia’s zijn door haar groeiwijze zeer goed geschikt voor ampelplanten. De sierlijkste van deze hangende Fuchsia’s is de Fuchsia procumbens, een kruipende soort uit Australië, met kleine bladeren, vurig purperroode bloempjes en betrekkelijk groote vruchten.

Van de lente tot den herfst zijn alle gekweekte Fuchsia’s met bloemen overdekt, die tot de uiterste twijgspitsjes ontspruiten. De aanhoudende koude najaarsregens maken aan den bloei pas een einde. Indien men oude Fuchsia’s zoo lang mogelijk in den kelder laat rusten, ze gedurende den zomer herhaaldelijk insnijdt, zoodat zij niet tot bloeien kunnen komen, dan maakt men er najaarsbloeiers van, die gedurende den herfst en den voorwinter veel genot kunnen verschaffen. Bij de gewone behandeling giet men in het najaar langzamerhand minder en brengt men ze in November, nadat men er vooraf al de bladeren afgeplukt heeft, ter overwintering in den kelder, waar zij droog kunnen blijven staan. Er moet echter op gelet worden, dat men ze niet zoodanig laat uitdrogen, dat de bast gaat rimpelen, aangezien dit minder goed voor de planten is.

Men heeft verscheidene soorten (Fuchsia gracilis, F. coccinea, e.a.) winterhard genoemd; ook zijn er eenige soorten als buitengewoon winterhard in den handel gebracht. Inderdaad zijn de meeste Fuchsia’s zóó hard, dat zij best wat vorst kunnen verdragen en dan ook, onder een droge bedekking, zeer goed buiten overwinteren.

Het zou geen zin hebben hier enkele variëteiten der Fuchsia’s aan te bevelen. Zij worden in iedere kweekerij in groote keuze gekweekt en men doet het beste die uit te zoeken, welke men zelf het fraaiste vindt.

Habrothamnus elegans. Deze plant komt zeer nabij de reeds besproken Cestrum. Zij is uit Mexico afkomstig, heeft lancetvormige bladeren en pijpvormige, purperroode bloemen, die in losse trossen aan het einde der scheuten hangen.

Deze fraaie struik ontwikkelt zich het best, wanneer men hem in Mei flink terugsnijdt, dan zoo mogelijk in den tuin uitplant op een zonnige plaats en in September weder in potten zet. Totdat kouder weer begint te heerschen, laat men hem buiten staan, waarop men hem in een vertrek met een temperatuur van 45°–50° Fahr. plaatst. Hij is een zeer schoone winterbloeier, waarvan men veel pleizier kan hebben.

De voortkweeking geschiedt door middel van stekken.

Fig. 72. Heliotropium peruvianum.

Fig. 72. Heliotropium peruvianum.

Heliotropium peruvianum (Heliotroop). Dit is zeker wel een der meest geliefde planten. Zij is uit Peru afkomstig, heeft eivormige, ruwe bladeren en wordt om de kleine, in dichte bundeltjes te zamen staande bloemen gekweekt (Fig. 72). Deze min of meer intensief blauwe bloemen, die bij sommige minder gezochte soorten ook bijna wit zijn, kenmerken zich door een overheerlijken, zachten vanille-geur. De Heliotroop stelt ongeveer dezelfde eischen als de Fuchsia. Ook zij verlangt een goeden, voedzamen grond, die met wat graszodengrond vermengd kan worden. Voor het verpotten, in het voorjaar, wordt zij flink ingesneden en des zomers op een eenigszins beschaduwde plek buiten gekweekt. Zij verdraagt niet de minste vorst, en moet daarom in een vorstvrij vertrek, met een temperatuur van 40°–45° Fahr. overwinteren. Indien zij haar bladeren niet afgeworpen heeft, moet men haar op een lichte standplaats zetten. In struikvorm gekweekt, heeft men alleen genot van jonge planten, daar zij, ouder geworden, haar onderste bladeren laten vallen en dan een minder mooi voorkomen verkrijgen. Kweekt men er stamboompjes van, dan is zij vele jaren een dankbare bloeister. Uit de, in het voorjaar, gestoken stekken laten zich het eerste jaar reeds aardige kroonboompjes kweeken. Om dit doel te bereiken, zoekt men de sterkste stekplanten uit, zet er 80–100 cM. lange stokjes bij en bindt de jonge plantjes, vooral niet te stijf, daaraan vast. Geeft men deze stekplantjes een zonnige, lichte plaats, dan groeien zij spoedig flink door. Men laat nu de bladeren onaangeroerd, doch verwijdert, zoo spoedig mogelijk, de jonge zijscheuten, terwijl ook de bloemen, zoo spoedig men ze kan vatten, weggesneden moeten worden. Al naar de plantjes hooger worden, bindt men ze aan stokjes, totdat zij daareven bovenuit gegroeid zijn. Hebben de plantjes op deze wijze de verlangde hoogte bereikt, dan worden de koppen er uit gesneden. Er zullen zich dan spoedig bovenaan jonge zijscheuten ontwikkelen, die men laat staan, omdat zij de kronen moeten vormen. Om goede kronen te krijgen, moeten deze zijscheuten ook herhaaldelijk ingesneden worden, zoo lang totdat de kroontjes dicht genoeg geworden zijn. Snijdt men bij zoo gevormde kroonboompjes de bloemen geregeld des zomers weg en zet men ze des winters op een lichte plaats, dan zullen zij den ganschen winter door bloemen geven. Geheel op dezelfde wijze kan men ook van Fuchsia’s in den zomer kroonboompjes kweeken.

Kweekt men de Heliotroop in de kamer, dan moet men haar een zeer lichte standplaats geven, daar zij anders zwakke, dunne scheuten en onbeduidende, bleeke bloemen ontwikkelt. Om in de bakjes uit te planten, zijn de Heliotropen uitstekend geschikt.

Er zijn slechts betrekkelijk weinig Heliotroop-soorten, waarvan, zooals wij reeds zeiden, de donkerblauwe verreweg de schoonste zijn.

Hydrangea (Hortensia). Dit is een algemeen bekende Japansche bloemstruik, die om zijn, wel reukelooze, maar fraaie groote schermen vormende bloemen zeer gezocht wordt.

De gewone Hortensia (Hydrangea Hortensia), waarvan Fig. 73 een paar bloemschermen toont, komt in talrijke soorten en variëteiten voor en behoort tot een van de meest verspreide potplanten. Al de variëteiten kenmerken zich door deels geslachtelooze bloemen, aangezien die bloemen, waarin meeldraden en stampers voorkomen, als sierbloemen geen waarde hebben. Dergelijke bloemen treft men nogal eens bij een bontbladerige variëteit aan, die echter zeer zwak groeit en dus in alle opzichten niet zeer aan te bevelen is. De kleur der Hortensia-bloemen is wit, of ook wel lichtrood. Plant men ze echter in ijzerhoudende aarde, of wel, begiet men ze met water, waarin men roestige ijzeren voorwerpen eenigen tijd laat liggen, dan verkrijgen de bloemen een meer of minder intensief blauwe kleur.

De Hortensia kan best enkele graden vorst verdragen. In het najaar plukt men er de bladeren af, om haar in den kelder te laten overwinteren. Zij behoort tot die bloemplanten, die in Januari of Februari, voor een zonnig venster in een warm vertrek geplaatst, zich zeer goed in bloei laten trekken. Om dit te doen, moeten de planten eerst verpot worden, waartoe men een mengsel gebruikt van heide- en veengrond, benevens een weinig klei en een goede hoeveelheid zand. Staan de twijgen te dicht, dan kunnen de zwakste geheel weggesneden worden; aan de krachtige twijgen echter, die moeten bloeien, mag in het geheel niet gesneden worden, omdat de bloemen zich uit de eindknoppen ontwikkelen. Begiet men de aan den groei gebrachte planten rijkelijk, dan zullen zij spoedig krachtig doorgroeien en zullen uit den wortel een aantal jonge scheuten ontspruiten. Op drie of vijf na moeten deze scheuten echter alle weggesneden worden. Die, welke men laat staan, dienen om enkele uitgebloeide scheuten, die leelijk zijn geworden, te vervangen. De uitgesneden jonge scheuten zijn zeer goed als stekken te gebruiken en wortelen gemakkelijk. Tijdig aan den groei gebrachte Hortensia’s kunnen reeds in April of Mei bloeien. Wil men de Hortensia’s niet in bloei trekken, dan laat men ze tot het begin van April in den kelder staan, waarop men ze in den tuin of op het balkon zet; zij bloeien dan van het midden van den zomer tot aan den herfst. De Hortensia houdt niet van de volle zon; men moet haar dus een beschaduwde standplaats geven, of anders tegen de felle middagzon beschermen. Dezen planten, die des winters volkomen droog moeten blijven, kan men des zomers bijna geen water genoeg geven. Verzuimt men ze tijdig te begieten, dan hangen zij maar al spoedig te slap, en herstellen zich in den loop van den zomer niet gemakkelijk. Houdt men de Hortensia’s gedurende den winter te vochtig, dan worden zij wortelziek en het gevolg zal zijn, dat zij den volgenden zomer slechts zwakke scheuten en gele bladeren zullen voortbrengen.