Fig. 73. Gewone Hydrangea (Hortensia).
Naast de gewone Hydrangea Hortensia wordt tegenwoordig de Hydrangea paniculata (Trosvormige Hortensia) ook veel aangetroffen. Deze soort stamt ook uit Japan en draagt groote, witte bloemen. Deze zeer harde plant is, als kroonboompje gekweekt (Fig. 74), zeer fraai en uitstekend geschikt ter versiering van het balkon of den tuin. Deze winterharde soort laat zich minder goed in bloei trekken; voor het overige kan zij als de gewone Hortensia behandeld worden.
Fig. 74. Hydrangea paniculata (Trosvormige Hortensia).
Oude, in kuipjes staande, goed behandelde Hortensia’s zijn gedurende haar langen bloeitijd ware prachtplanten, waarvan iedere liefhebber zeer veel genot kan hebben.
Lantana hybrida. De Lantana met haar kegelvormige, gele of roode bloemhoofdjes, die snel ontluiken, doch even spoedig afvallen, wordt tegenwoordig niet veel gekweekt. Onze tuinvariëteiten stammen alle van enkele Zuid-Amerikaansche soorten af, en kenmerken zich daardoor, dat de bloemen, al naar zij ouder worden, van kleur veranderen. Dit heeft ten gevolge, dat de bloemtuiltjes meestal verschillend gekleurde bloemen dragen. Wrijft men de bladeren tusschen de vingers, dan verspreiden zij een onaangenamen geur.
De Lantana verlangt een goeden, weinig zwaren grond, niet te kleine potten, een zonnige plaats voor het venster en overwintering in een temperatuur van 40°–45° Fahr. In het voorjaar worden de overwinterde planten ingesneden, verpot en aan den groei gebracht.
De voortkweeking gaat gemakkelijk uit stekken, die men van de, zich in de kamer ontwikkelende, scheuten snijdt en die zeer vlug wortelen.
Libonia floribunda. Deze zeer klein blijvende, bossige, somtijds kogelrond groeiende struik is uit Brazilië afkomstig. De bladeren zijn langwerpig en klein; de bloemen zijn ook niet groot, buisvormig, half rood, half geel en reukeloos.
De Libonia houdt van zandige broeiaarde; zij wordt in den zomer buiten voor het venster, in den winter op de vensterbank van een koel vertrek, of, nog beter, tusschen de dubbele vensters van het woonvertrek gekweekt. Jammer is het, dat de Libonia, die tegenwoordig niet veel meer aangetroffen wordt, in den winter dikwerf veel blad verliest. Het is anders een echte bloemplant voor den winter. In den laatsten tijd wordt de Libonia penrhosiensis, een in Engeland gewonnen variëteit, als winterbloemplant zeer aanbevolen. Deze verliest wel is waar niet zoo gemakkelijk haar blad, maar zij is ook niet bijzonder mooi.
De Libonia laat zich in het voorjaar gemakkelijk voortkweeken uit stekken, of ook wel door het verdeelen der oude planten.
Myrtus communis (Mirt). De verschillende kleinbladerige vormen van den in Zuid-Europa algemeen voorkomenden Mirt behooren tot de lievelingsplanten van vele dames, die zich met het verzorgen van planten bezighouden. Vooral in Duitschland is deze plant bij de dames zeer in trek; het komt daar niet zelden voor, dat een jong meisje zelf haar Mirte-boompje kweekt, uit welks jonge twijgjes zij later haar bruidskrans windt, om als getrouwde vrouw de zorgvuldige verpleegster van dit boompje te blijven.
De Mirt is een plant voor het koele, vorstvrije vertrek, die des zomers wel in een goed geluchte kamer doorgroeit, doch zich dan buiten beter houdt. Hij wordt hoofdzakelijk als kroonboompje gekweekt, in welk geval hij een klein, kogelvormig kroontje krijgt; men ziet hem echter ook in struik- en pyramide-vorm. Kleine struik- en pyramideboompjes kunnen zich uit stekken reeds gedurende één zomer ontwikkelen; wil men echter kroonboompjes kweeken, dan duurt dit verscheidene jaren. Laat men een jonge, krachtige stekplant, nadat men haar aan een stokje gebonden heeft, rustig doorgroeien, zonder de zijscheuten weg te snijden, dan ontwikkelt zij zich vanzelf tot een pyramide; snijdt men uit een dergelijke stekplant direct den kop, dan zal zij tot een struikje opgroeien. Stamboompjes worden gekweekt aan een stokje van 50–60 cM. hoogte; men bindt den hoofdscheut daaraan geregeld vast, snijdt de sterke zijscheuten geheel weg en laat de zwakke zoo lang doorgroeien, totdat het stammetje de noodige sterkte verkregen heeft. Snijdt men steeds álle zijscheuten weg, dan wordt het stammetje te zwak.
De Mirten moeten in goede broeiaarde gekweekt worden en bij het oppotten gebruikt men bij voorkeur kleine potten. Moeten zij verplant worden, dan past men op, niet te diep te planten; komt toch een gedeelte van den stam in de aarde, dan wordt dit spoedig door rotting aangetast. Houdt men deze plantjes te vochtig, dan krijgen zij in plaats van fraai groene, dof gele bladeren, en zet men ze te warm of te donker, dan maken zij lange, zwakke scheuten, die door thrips worden aangetast. Op deze wijzen kan men gezonde exemplaren in korten tijd ziek maken. De witte bloempjes, die zeer snel uitbloeien, verschijnen bij den Mirt slechts zelden, daar men door het insnijden, ter wille van den vorm, de bloem wegsnijdt. Een kleine vorm, de Myrtus nana compacta multiflora, bloeit geregeld iederen zomer. Een variëteit van dezen vorm is de Myrtus Jenny Reitenbach, ook wel Koningsberger Bruidsmirt genaamd, die uitstekend geschikt is om als kroonboompje gekweekt te worden en in dien vorm des zomers met duizenden bloemen prijkt.
De vermenigvuldiging van den Mirt geschiedt het beste door middel van stekken, die, koud en beschaduwd geplaatst, in 4–6 weken wortelen.
Nerium Oleander (Oleander). De Oleander, wiens eigenlijk vaderland Klein-Azië is, wordt tegenwoordig in Zuid-Europa overal in het wild groeiend aangetroffen. Deze, ook bij ons zeer in trek zijnde sierstruik komt daar langs de oevers der beken en rivieren voor, die daardoor een zeer aantrekkelijk voorkomen verkrijgen. De Heer C. Sprenger, te Napels, schrijft in het tijdschrift “Natur und Haus” het volgende over den Oleander: “De wilde Oleander-struik wordt zelden hooger dan vier Meter; in de meeste gevallen blijft hij lager, daar hij als oeverstruik zich hoofdzakelijk in de breedte ontwikkelt. Op deze wijze vormt hij dichte boschjes, die, wanneer zij met bloemen overdekt zijn, een prachtigen aanblik opleveren en de lucht met heerlijke geuren vervullen. Met verwondering volgt het oog deze roode banden, hoe zij tegen de bergen oploopen om van daar af, de beken volgend, in gebogen lijnen terug te keeren.”
Bij ons ziet men den Oleander wel vaak als sterke pot- of kuipplant, doch slechts zelden ziet men hem in zijn ware bloemenpracht. Dikwijls is dit niet-bloeien het gevolg van gebrek aan zon, waardoor de bloemen niet tot ontwikkeling kunnen komen. De knoppen blijven dan des winters aan de takken zitten, om in een volgenden zomer, bij gunstig weer, open te komen. Dikwijls ook is het gevolg van gebrek aan voedsel en water, en bij oudere exemplaren wordt het weer veroorzaakt door het niet-tijdige insnijden. Wanneer oude Oleanders niet goed meer groeien en bloeien, dan moet men ze flink insnijden, desnoods zóó diep, dat er slechts een paar takken met bladeren overblijven. Op dit insnijden laat men dan een verplanten volgen. Bij voorkeur moeten zij geplant worden in ouden, verteerden koemest, die met wat kleiaarde en zand vermengd wordt. Goed bewortelde Oleanders moet men niet verzuimen des zomers flink te gieren. Plant men ze in te armen grond of wel, houdt men ze des winters te warm, dan worden zij aangetast door de Oleander-schildluis, die zich vaak op beide zijden der bladeren zet, en die zeer lastig te verwijderen is.
Zooals uit zijn groeiplaats, aan de oevers van rivieren en beken, reeds voortvloeit, moet men den Oleander des zomers volop begieten, waarbij hij een standplaats op de volle zon in den tuin of op het balkon verlangt. De Oleander laat zich overwinteren in een koel vertrek, ook wel in een lichten, doch vorstvrijen kelder; want, hoewel eenige graden vorst hem niet deren, moet men daarmede toch voorzichtig zijn. Het meest treft men den enkel- of gevuldbloemigen, rooden Oleander aan; er bestaan echter ook witte en gele variëteiten. Van deze laatste durf ik gerust aanbevelen de Madoni grandiflorum fl. pl., met groote, half gevulde witte bloemen en de luteum plenum met groote, gele bloemen.
De voortkweeking slaagt het best des zomers, door de stekken in een met water gevuld medicijnfleschje te zetten. In ieder fleschje zet men een stekje, waarvan de halsopening met warme was wordt toegestreken. Zet men de stekken zóó in de volle zon, dan zullen zij na weinige weken geworteld zijn. Men moet ze echter eerst dán in potjes zetten, wanneer zij overvloedig wortels gemaakt hebben.
De liefhebber moet met den Oleander eenigszins voorzichtig zijn, aangezien hij vergiftig is. Zoogdieren en vogels, die van de bladeren gegeten hadden, stierven in betrekkelijk korten tijd, en het is ook reeds waargenomen, dat menschen, die door de een of andere oorzaak het sap in de oogen kregen, daarvan blind werden. Men neme zich dus eenigszins voor hem in acht.
Fig. 75. Enkel- en gevuldbloemige Pelargonium zonale.
Pelargonium (Ooievaarsbek). Deze planten komen heel dikwijls voor onder den verkeerden naam Geranium, welke naam echter aan een ander geslacht derzelfde familie behoort. Naast de Fuchsia is zeker wel de Pelargonium een der meest verspreide en geliefde planten. De ontelbare, in de tuinen gekweekte, variëteiten stammen van verschillende soorten af; de meeste waarde heeft echter voor de cultuur in de kamer de Pelargonium zonale en haar variëteiten. Deze hebben alle een kogelvormig bloemscherm, dat uit enkele of gevulde bloemen bestaat, benevens fraaie groene bladeren, meestal met een donkeren band geteekend.
Onder deze Pelargoniums treft men er aan met zeer fraaie, bonte bladeren, nú eens zijn zij met geel of wit geteekend, dàn weder wit gerand, of wel, zij hebben geheel een bronsachtige kleur. De bontbladerige Pelargoniums geven echter over het algemeen tamelijk kleine bloemen. De grootste waarde van de groenbladerige is gelegen in de schitterende kleur der bloemen. Het fraaiste zijn zeker wel de vuurroode, de zuiver paarse, de vleeschkleurige en de witte variëteiten. Over het algemeen zijn de enkelbloemigen te verkiezen boven de gevulde, daar de eerste veel fraaiere en dichtere bloemschermen vormen en ook lang zoo gevoelig niet zijn voor regen. Bij donker, regenachtig weer komen de bloemen der gevuldbloemige variëteiten zeer slecht open. De Pelargonium peltatum (Klimop-Pelargonium) kenmerkt zich door dikke, klimopvormige bladeren en lange slappe stengels, waarom zij uitstekend geschikt is ter versiering van balkonhekken. Ook als ampelplant is deze soort zeer aan te bevelen. De bloemen der Klimop-Pelargonium zijn meestal rose, de donkerroode en witte variëteiten worden veel zeldzamer aangetroffen.
Terwijl de beide, thans besproken groepen niet alleen geschikt zijn om voor het venster of in de balkonbakjes gekweekt te worden, doch zich ook uitstekend leenen om er des zomers bloemperken mede te beplanten, zijn de grootbloemige Engelsche of Odier-Pelargoniums slechts voor venstercultuur te gebruiken. Deze soort heeft eigenaardig gevouwen groene bladeren, niet zeer bloemrijke schermen, maar zeer groote, buitengewoon fraai geteekende bloemen. Zij zijn echter vaak ondankbare bloeisters en worden het spoedigst van alle door ongedierte aangetast.
Van de verschillende Pelargonium-soorten, waarvan sommige een zeer aangenamen, aromatischen reuk hebben, vindt men er hier of daar nog enkele in verzamelingen. Het meest wordt nog aangetroffen de Pelargonium radulum roseum, die een sterken rozengeur heeft. Deze soort heeft kleine bloempjes, maar fraaie, fijn verdeelde bladeren.
Wanneer men des zomers buiten wandelt, dan treft men overal de Pelargoniums aan, in talrijke vensters en veranda’s, op balkons en bloemvakken in den tuin; waar men gaat, ziet men ze, en zelfs des winters bemerkt men ze nog vaak achter de vensters. De aromatische geur, die de tusschen de vingers gewreven bladeren verspreiden, bezitten de bloemen niet; zij munten slechts uit door haar elegante vormen, schitterende kleuren en groote bloemrijkheid.
De Pelargoniums worden vooral des zomers zeer veel aangewend. Heeft men vensters of balkons, die op de volle zon liggen, dan zijn het verreweg de beste sierplanten daarvoor. Van zeer vroeg in het voorjaar af, tot diep in den herfst, zullen de bloemen ontluiken, wanneer deze planten maar een zonnige plaats hebben. In den oksel van ieder nieuw verschijnend blad bevindt zich de in den aanvang knikkende bloemsteel, die zich weldra krachtig opheft; ook de bloemknoppen hebben eerst een hangende houding; zoodra echter de bloem zich opent, richt zij zich op. De duur van ieder bloemscherm is zeer lang, want, niettegenstaande er vaak zooveel bloemen te gelijk open zijn, dat het scherm op een bol gelijkt, is dit aantal toch slechts gering in vergelijking met het aantal knoppen, dat iedere bloemstengel draagt. Zeer fraai is in dit opzicht de Pelargonium “Meteor”, een nieuwe enkel roode variëteit, die zeer groote bloemschermen vormt.
Fig. 76. Pelargonium “Meteor”.
Het dankbaarste bloeien de Pelargoniums, wanneer men ze in betrekkelijk kleine potten kweekt. Plant men ze in groote potten, of wel in bakjes, dan groeien zij zeer sterk, maken prachtige bladeren, doch bloeien niet rijk. Wil men de bakjes toch met Pelargoniums beplanten, dan doet men het beste ze niet uit den pot te nemen, doch met den pot in de aarde van het bakje te graven. Op deze wijze behandeld, zullen er wel wortels door het drainagegaatje en over den rand van den pot in de aarde van het bakje dringen, maar de voornaamste wortels blijven toch in den pot besloten; hierdoor is de groei niet zoo welig, doch de bloei veel rijker.
Tegen Pinksteren kan men de Pelargoniums buiten zetten; in Maart of April zijn zij dan reeds ingesneden en in voedzame, met wat kleigrond vermengde broeiaarde verplant. De oude, overwinterde planten verdragen het insnijden zeer goed; men kan ze zoo snoeien, dat er van 2–5 oogen op iederen scheut blijven zitten. Zoo behandeld, zal men mooie gevulde planten verkrijgen, die zeer rijk bloeien. In den beginne moet men na het insnijden en verplanten zeer voorzichtig zijn met het gieten en ze vooral niet bespuiten, aangezien oude Pelargoniums gemakkelijk tot rotting overgaan. Het vroegst bloeien in de kamer de stekken, die men in Augustus stekt. Van deze stekken zet men er dan 4 of 6 om den rand van een 8–10 cM. wijden pot. Deze stekken wortelen na 2 of 3 weken, wanneer men ze vrij voor een zonnig venster zet en eerder te droog dan te vochtig houdt. Het lastigst wortelen de stekken van Odier-Pelargoniums. De Augustusstekken laat men den winter door rustig in de stekpotten staan; in het voorjaar neemt men ze er voorzichtig uit en plant ze ieder in een 8–10 cM. wijden pot. Deze stekplanten moet men geheel ongesnoeid laten, daar zij anders veel later bloeien en zij zich toch wel voldoende vertakken. De Pelargoniums laten zich ook zeer gemakkelijk uit zaad voortkweeken; toch is dit voor een liefhebber niet aan te raden. De zaailingen immers bloeien hoogst zelden in het eerste jaar, terwijl dit met stekken steeds het geval is. Er zijn echter nog meer zwarigheden. Wanneer men een fraaie variëteit bezit en men wil die uit zaad voortkweeken, dan is men lang niet zeker, dat de zaailingen de goede eigenschappen van de moederplant bezitten, daar zij zeer dikwijls terugslaan. Van de zaailingen zal dan nog de ééne plant zeer goed, de andere daarentegen slecht bloeien, zoodat de liefhebber wijs doet, deze wijze van vermenigvuldiging aan de kweekers over te laten, die het doen met het uitzicht nieuwe variëteiten te winnen.
Zoo gemakkelijk en dankbaar als de Pelargoniums des zomers zijn, wanneer men ze in betrekkelijk kleine potten houdt, regelmatig begiet, en voldoende giert, zoo lastig zijn zij gedurende den winter. Een troost is het voor den liefhebber, dat de overwintering in een droge kamer vaak nog veel beter gelukt dan in een vochtige kas.
Daar de Pelargonium gevoelig is voor nachtvorsten, moet men haar reeds begin October binnenbrengen. De vensterbank van een op het zuiden gelegen vertrek, dat een gemiddelde temperatuur van 45°–50° Fahr. heeft, is een uitstekende plaats om ze te doen overwinteren. Zeer lastig is gedurende den winter het afrotten. De planten moeten dus zoo droog mogelijk gehouden worden, en moet men ze begieten, dan moet dit hoogst voorzichtig geschieden en wel zóó, dat de stengels en bladeren niet vochtig worden. Gele bladeren worden met een scherp mesje afgesneden, en wel zoodanig, dat een gedeelte van den bladsteel aan de plant blijft zitten; dit verdroogt langzaam en valt eindelijk af. Snijdt of breekt men de bladeren te kort bij den stengel af, dan ontstaat er licht een wond, die gemakkelijk rotting kan veroorzaken. Geeft een stengel bewijzen van rotting, of toont hij rotte plekken, dan snijdt men het zieke gedeelte, of den geheelen stengel, met een scherp mesje af en bestrooit de wond met houtskoolpoeder. Gedurende den winter moet echter elk noodeloos snijden vermeden worden.
Gewoonlijk zijn de Pelargonium zonale en P. peltatum in het het eerste jaar, d.w.z. het jaar, nadat zij gestoken zijn, het schoonst; bij een goede behandeling kan men er echter 2 of 3 jaar ruimschoots pleizier van hebben; langer echter is het niet raadzaam ze te bewaren, omdat zij, zeer oud geworden, niet meer bloeien.
De veel teerdere Odier-Pelargoniums moet men in bladaarde, vermengd met een weinig graszodengrond, kweeken. Houdt men deze soort voor het venster van een goed gelucht vertrek, waar zij tegen regen beschermd staat, dan zal zij in het tweede en derde jaar het rijkst bloeien. Deze soort moet zoo min mogelijk ingesneden worden, daar zij dan veel beter bloeit. Hebben de Odier-Pelargoniums gebrek aan licht en zon, dan worden zij heel spoedig door luis aangetast.
Punica Granatum (Granaatboom). Tegenwoordig wordt de Granaatboom, die oorspronkelijk uit Noord-Afrika afkomstig is, doch in Italië en Griekenland verwilderde, nog maar weinig gekweekt. Wanneer men dezen boom echter in goed gekweekte kuipplanten heeft, dan vormt hij, met zijn kleine, op die van Mirten gelijkende bladeren en schitterend roode bloemen een werkelijk prachtige sierplant. Er bestaan twee soorten van: die met enkele en die met gevulde bloemen. De groote, met een kelk gekroonde roode vruchten, zijn zeer schoon.
De Granaat wordt over het algemeen slecht behandeld; hij is wel een harde plant en kan dus veel verdragen, maar dan gaat dit ten koste van den bloei. Zoo noodig moet de Granaat in het voorjaar verplant worden in zeer goeden, voedzamen grond. Wanneer hij nog geen bladeren gemaakt heeft, dus op zijn laatst tegen het einde van April, wordt hij buiten op een zeer zonnige plek gezet. Des zomers moet hij rijkelijk begoten worden en is hij doorgeworteld, dan kan het gieren om geregelde tijden geen kwaad. De snoeiing moet tot het uiterste beperkt worden en mag slechts bestaan in het verwijderen der overvloedige twijgen. De overwintering kan in den kelder geschieden; de Granaat moet echter niet te vroeg in huis gebracht worden, niet voor in de tweede helft van November. Men kan dit gerust doen, omdat hij zeer goed enkele graden vorst kan verdragen. De bloemen, ontwikkelen zich op de krachtige, rechtop staande twijgen. Kan men de Granaten in een serre of wintertuin wat aan den groei brengen, dan is dit zeer goed, mits men ze dan niet vóór Pinksteren buiten zet en zij ook niet direct een zonnige plaats verkrijgen. Van dergelijke planten kan men de jonge scheuten als stekken gebruiken.
Als oude, in kuip gekweekte, plant is de Granaat een zeer dankbare bloeier. Hij wordt in stam- of struikvorm gekweekt. De zoogenaamde Dwerggranaat (Punica Granatum nanum) bloeit reeds als zeer jonge plant, maar de bloemen zijn veel kleiner, dan die van het type.
Rosa (Roos). Onder de planten, die tegenwoordig veel in de kamers of buiten voor de vensters worden gekweekt, vindt men de aan ieder bekende Roos betrekkelijk weinig. De reden hiervan is, dat men twijfelt aan haar waarde als kamerplant en ook, omdat zij niet erg gemakkelijk in de cultuur is. Een waar liefhebber echter schept weinig behagen in planten, die, zonder goede verzorging, goed groeien; hij stelt er juist een eer in, zijn moeite en zorgen met een goeden uitslag bekroond te zien. Zulke liefhebbers zullen de Roos met waar genoegen kweeken. De liefhebbers echter, die planten in vertrekken hebben, omdat dit tegenwoordig mode is, en die de verzorging dier planten moeilijk en lastig vinden, zullen in de cultuur der Roos zeer weinig behagen scheppen.
Vele Rozenvrienden zullen licht de vraag stellen: Is dan de Roos werkelijk een goede kamerplant?
Deze vraag moet ontkennend beantwoord worden, wanneer wij onder het woord kamerplant een plant verstaan, die jaar in, jaar uit in een gesloten vertrek kan staan; zij kan echter toestemmend beantwoord worden, wanneer wij ook die planten tot de kamerplanten rekenen, die niet altijd in een gesloten vertrek willen staan, maar op het rekje voor het raam of in den tuin een gedeelte van het jaar willen doorbrengen.
Fig. 77. Halfstam-Potroos.
Het zal wel niet noodig zijn er op te wijzen, dat wij de laatste groep van planten, waartoe zeer vele onzer meest geliefde gewassen behooren, wel degelijk als kamerplanten beschouwen en doen wij dit, dan moet ook de Roos daartoe gerekend worden.
Het is waar, dat lang niet de meeste Rozen zich voor alle doeleinden laten gebruiken, zoo zijn er Rozen, die volstrekt niet deugen, om geforceerd te worden en zoo zijn er ook, die voor kamerplanten ongeschikt zijn. Klimrozen, sterk groeiende Rozen en die, welke wel fraai, doch niet rijk, bloeien, zijn om in de kamer en voor het venster te kweeken geheel ongeschikt. De Roos is slechts dan waard een plaats naast andere planten in te nemen, wanneer zij rijk met bloemen bezet is, want deze en niet de doorns of de bladeren vormen haar pracht. Omdat de Rozen, die men voor kamerplanten gebruikt, altijd met bloemen getooid moeten zijn, worden de Maandrozen daarvoor zeer veel gebruikt. Wel zijn de bloemen van de Maandroos snel verwelkt, wel kunnen zij, wat schoonheid van vorm en kleur betreft, niet vergeleken worden met de Thee- en Remontantrozen, zij is echter verkieselijk om haar zeer rijken, voortdurenden bloei.
Met succes kan men de Roos slechts van het einde van Februari tot het intreden van warmer weer in de kamer kweeken, en dan heeft deze cultuur uitsluitend ten doel den groei aan te wakkeren, te vervroegen en daardoor de plant in bloei te krijgen op een tijdstip, dat de buiten uitgeplante Rozen pas weer aan den groei beginnen te komen. Om dit doel te bereiken, moet men de Roos dicht voor het raam van een zeer zonnig vertrek zetten, dat, zoodra het weer het toelaat, rijkelijk gelucht moet worden. Treedt kouder weer in, dan moet dit vertrek zoodanig verwarmd kunnen worden, dat men zeker is, dat het er niet in vriest.
Fig. 78. Het plaatsen van Halfstam- en Struikrozen voor het venster.
Kweekt men van Februari tot April in de kamer slechts Struikrozen, d.w.z. wortelechte of op den wortelhals veredelde Rozen, dan biedt de vensterbank ruimte genoeg om ze te plaatsen. Beter dan de Struikrozen zijn echter voor kamercultuur Halfstamrozen geschikt; dit zijn Rozen met een stammetje van 30–40 cM. hoogte. Daar deze Halfstamrozen, wanneer wij ze evenals de Struikrozen, in de vensterbank zetten, veel te weinig licht zouden krijgen, moet men ze plaatsen zooals Fig. 78 dit aantoont.
Fig. 79. Pas opgepotte hoog-stamroos met ontwikkelde kroon.
Men zet ze daartoe op een onder de vensterbank aangebracht plankje of op een lagen standaard zoodanig, dat de kroon slechts daarboven uitsteekt en in hoogte gelijk komt met de op de vensterbank geplaatste Struikroos. Worden de Rozen van Februari af langzaam aan den groei gebracht, dan kan men ze reeds tegen Pinksteren, wanneer zij door goed luchten gehard zijn, als fraai ontwikkelde planten ter versiering van het balkon gebruiken, of wel in het buiten aan het venster aangebrachte bloemenrekje plaatsen.
Een goed bezet bloemenrekje voor het venster is zonder twijfel een sieraad voor ieder huis; zeer mooi is het echter, wanneer er ook Rozen tusschen de andere planten staan.
Fig. 80. Uitgebloeide en ingesneden Roos.
De Rozen in potten zullen het beste groeien, wanneer men ze zet voor een venster, waar zij volop morgenzon hebben; natuurlijk wordt verondersteld, dat men ze goed behandelt. In de eerste plaats moet men er zorg voor dragen, dat de potten beschut staan, en moeten zij dus in een gesloten plantenrekje geplaatst worden, zooals door Fig. 64 is afgebeeld, opdat de wortels tegen te groote warmte beschermd worden. Een groote factor bij de Rozencultuur is ook het besproeien. Worden de planten op warme dagen voorzichtig besproeid of bespoten, dan voorkomt men voor een groot gedeelte de aanvallen van insecten; terwijl ook de planten opfrisschen, doordat zij van alle stof en vuil gereinigd worden, waardoor de huidmondjes open blijven. Het besproeien is bij donker, vochtig weer onnoodig; onvoorzichtig is het echter, wanneer men het doet, als de zon op de planten schijnt, daar de bladeren dan zeer licht verbranden. Een uitstekende uitwerking heeft het echter, wanneer men het doet des avonds na een warmen dag. Het besproeien des avonds moet het gieten voorafgaan. Het gieten is natuurlijk van het grootste belang en vooral bij potrozen moet dit met groote voorzichtigheid geschieden. Deze moeten begoten worden, vóórdat de aarde geheel is opgedroogd, en men moet er op letten, dat de geheele aardkluit behoorlijk vochtig wordt. Zijn er warme dagen voorafgegaan, dan is het gieten des avonds alleen niet voldoende, en men moet dan den volgenden morgen nog eens gieten; dit moet echter steeds zóó vroeg geschieden; dat de zon de planten niet direct na het begieten beschijnt.
Fig. 81. Maandroos “Louis Philippe”.
Van groot belang is bij het kweeken van Rozen ook de aarde, waarin men ze plant. De meeningen zijn over dit punt zeer verschillend; onder de bekwame kweekers is er echter niet een, die beweren zal, dat een Potroos in lichte of in gewone tuinaarde goed groeien zal. Een Roos groeit zeer goed in een kleinen pot, maar daaruit volgt natuurlijk, dat zij ook vette, goed voedzame aarde verlangt. Als aardmengsel voor Rozen bevelen wij aan: twee deelen broeiaarde, twee deelen klei- of graszodengrond en een deel zand. Bij dit aardmengsel worden dan nog eenige hoornspaanders gevoegd. De ondervinding heeft ons geleerd, dat Rozen in zulk een grondmengsel uitstekend groeien.
Fig. 82. Maandroos “Mme Eugène Résal”.
De beste tijd om Rozen te verplanten is, mits het voorzichtig geschiedt, in de maand Augustus. De planten maken dan vóór den winter nog nieuwe wortels en groeien in het volgende jaar direct goed door, wat niet het geval zal zijn, wanneer men ze kort vóór den groeitijd, dus in het voorjaar, verplant.
Uit het voorgaande blijkt, dat het kweeken van Potrozen niet weinig moeite veroorzaakt; het biedt echter talrijke voordeelen, welke aan de cultuur in den tuin niet verbonden zijn. De Potrozen hebben wij steeds in onze macht; wij kunnen ze van alle zijden goed beschouwen en dus ook gemakkelijk aan schadelijke invloeden onttrekken. Worden de planten aangetast door honingdauw of ongedierte, dan kunnen wij deze kwalen bij Potrozen grondig en dus meestal met goed succes bestrijden. Een ander groot voordeel biedt de cultuur in potten ons nog. Wanneer de eerste sterke nachtvorsten de bloemen der uitgeplante Rozen dreigen te vernietigen, dan behoeven wij onze Potrozen slechts binnen te zetten, om nog lang pleizier van haar bloemen te kunnen hebben; zelfs nog, wanneer de buitenstaande Rozen reeds lang ontbladerd en tegen de winterkoude gedekt zijn. Veel strenge winters hebben ons geleerd, dat de Rozen, al zijn zij nog zoo goed gedekt, toch lang niet tegen den schadelijken invloed van de vorst beveiligd zijn. Met de Potrozen is men echter van het weer geheel onafhankelijk. Deze behoeft men slechts in een luchtigen kelder of in een achterkamer te laten overwinteren, en men heeft het geheel in zijn hand, ze vroeger of later aan den groei te brengen.
Fig. 83. Rosa polyantha “Perle d’or”.
Veel genoegen verschaft het, in het vroege voorjaar, d.w.z. tusschen de maanden Februari en April, Rozen in bloei te trekken. De Rozen, die men wil forceeren, vereischen een zeer zorgvuldige behandeling. Afgezien van de keuze der soorten, waarop wij later terugkomen, moeten de Rozen, die men in bloei wil trekken, reeds een jaar te voren in potten gekweekt zijn, zoodat zij goed vaststaan. Men plant deze Rozen, waartoe men krachtige struiken of halfstamboompjes gebruikt, in het voorjaar, of nog beter in den herfst, in potten. In de meeste gevallen zijn potten van 15 cM. hoogte en 12–15 cM. wijdte groot genoeg. De opgepotte Rozen moeten nu eerst gesnoeid worden. Bij dit snoeien moet men er op letten of men met zwak of met sterk groeiende soorten te doen heeft. Bij zwak groeiende soorten worden de twijgen op 3 of 4, bij sterk groeiende op 5 of 6 oogen teruggesneden, terwijl de zwakste twijgjes bij den stam worden afgesneden. Heeft men de Rozen in den herfst opgepot, dan worden zij in een luchtigen kelder gezet en slechts weinig begoten, zoodat de aarde maar even vochtig blijft. In het voorjaar worden de zóó overwinterde Rozen in een luchtige kamer gezet, en zoodra er geen nachtvorsten meer te vreezen zijn, zet men ze buiten. De in het voorjaar opgepotte Rozen graaft men, indien dit doenlijk is, geheel onder den grond, zoodat ook de twijgen zich onder de aarde bevinden. Zoo laat men ze staan, totdat zij goed wortel gemaakt hebben, hetgeen ongeveer 3 à 4 weken duurt. Men moet ze echter vooral niet te lang ondergegraven laten staan, omdat zij dan gaan uitgroeien en gele scheuten zouden maken. Heeft men geen gelegenheid, de planten in de aarde te graven, dan zet men ze in een vertrek, dat in den aanvang weinig, langzamerhand echter meer gelucht wordt. Er moet voor gezorgd worden, dat de planten den eersten tijd niet in de zon staan; ook mogen zij slechts matig begoten worden. Het nu en dan bevochtigen der twijgen met den rafraichisseur zal zeer heilzaam werken. Het komt bij de in het voorjaar opgepotte Rozen wel eens voor, dat zij niet willen uitgroeien, en bij droog weer, niettegenstaande herhaaldelijk besproeien, beginnen te verdrogen. Dergelijke planten moet men tegen de zon beschermen, door de kroon in papier, bijv. courantenpapier, te wikkelen (Fig. 79). Een dergelijke bescherming, die het licht niet geheel en al onderschept en na 2 of 3 weken verwijderd kan worden, zal steeds blijken zeer heilzaam te werken.
Gedurende den zomer behandelt men de pas opgepotte Rozen zeer voorzichtig. Zij worden tot aan den rand van den pot op een half beschaduwde plek ingegraven, regelmatig begoten en bij warm weder des morgens en des avonds besproeid. Zeer nuttig is het ook, om te voorkomen, dat de aarde te veel uitdroogt, de potten met korten mest te bedekken. Zijn de Rozen goed geworteld en groeien zij krachtig door, dan kunnen zij tweemaal per week gegierd worden. In den herfst, op zijn allerlaatst half September, worden de planten opgenomen en omgelegd; slechts in de noodzakelijkste gevallen, wanneer de bladeren slap gaan hangen en men dus moet gieten, worden zij rechtop gezet. Deze behandeling is noodig, om er voor te zorgen, dat het blad vroegtijdig afvalt en de plant dus in rust komt. Het is toch hoognoodig, dat een Roos, die vroeg in het voorjaar moet bloeien, ook in den herfst vroeg tot rust wordt gebracht. Hebben de planten haar bladeren verloren, dan zet men ze in een luchtigen vorstvrijen kelder, waarin zij tot Januari blijven. Na Januari worden zij in de kamer gebracht, om ze te forceeren.
Fig. 84. Theeroos “Elise Fugier”.
Voordat men de Rozen in de kamer zet, moeten zij nog eens goed nagezien worden. De door den pot gegroeide wortels worden afgesneden, de bovenste aardlaag wordt voorzichtig uit den pot genomen en door versche aarde vervangen; ook de potten worden goed afgeborsteld, of nog beter afgeschrobd. Na deze voorbereidende werkzaamheden wordt de Roos gesnoeid. Men begint met alle zwakke twijgen af te snijden, zoodat er niet meer dan 4 of 5 sterke, goed rijpe twijgen aan iedere plant overblijven. Deze twijgen worden nu, al naar de soort en naar haar sterkte, op 3 tot 6 oogen teruggesneden, waarbij men er op moet letten, dat het bovenste oog steeds naar buiten is gericht; dit is hoognoodig om te voorkomen, dat de jonge scheuten in elkander groeien, doch een goed gevormde kroon maken. (Zie ook het hoofdstuk over “Het snoeien”). De zoo behandelde Rozen zet men nu in een vertrek, waarvan de gemiddelde temperatuur niet meer dan 50° Fahr. bedraagt. Deze temperatuur mag niet hooger zijn, om te beletten dat de scheuten zich te snel ontwikkelen. Binnen veertien dagen toch mag dit niet geschieden. Beginnen na dien tijd de eerste blaadjes zich te vertoonen, dan moeten de Rozen voor het venster van een zonnig, geregeld verwarmd vertrek geplaatst worden. Het is nu een voorname zaak, goed op het gieten te letten; de planten mogen toch volstrekt niet uitdrogen, waarom tamelijk veel gegoten moet worden, echter zoo, dat de aarde niet te overdadig nat wordt. Het te gebruiken gietwater moet een temperatuur van ongeveer 65° Fahr. hebben. De scheuten beginnen zich nu krachtig te ontwikkelen en spoedig worden de eerste bloemknoppen zichtbaar. Zoodra het laatste het geval is, kan men de planten eens per week gieren, ten einde den groei nog wat te bevorderen en zoodoende groote, volkomen gaaf ontwikkelde bloemen te verkrijgen. Veel meer dan bij de cultuur buiten, zal men nu met ongedierte te kampen hebben. Men moet deze plaag voortdurend krachtig bestrijden en haar steeds meester trachten te blijven, daar zij anders al de genomen moeite kan verijdelen.
Fig. 85. Theeroos “Maman Cochet”.
De uitgebloeide Rozen worden in een koel, doch vorstvrij vertrek gezet en slechts matig begoten; wordt het warmer, dan moet het vertrek flink gelucht worden, en is het weer bestendig geworden, dan kunnen zij buiten gezet en juist zoo behandeld worden als voor de pas opgepotte Rozen is vermeld. Voordat men de uitgebloeide Rozen in den tuin zet, is het echter zaak, ze te verplanten. Dit verplanten moet zeer voorzichtig geschieden: van de oude aarde wordt slechts weinig afgenomen en men moet er op passen, dat de kluit niet uit elkander valt. De potten, die men gebruikt, moeten slechts weinig grooter zijn, daar zij in groote potten zeer slecht groeien. Nadat deze Rozen verplant zijn, moeten zij ook gesnoeid worden, geheel op dezelfde wijze als men niet geforceerde Rozen na den bloei snoeit (Fig. 79).
Fig. 86. Noisetroos “Mme Pierre Cochet”.
Bij dezen tweeden zomersnoei verwijdert men ook de zwakke, niet bloeibare twijgjes, terwijl de sterkere en uitgebloeide twijgen voldoende worden ingesneden. De zich in den bladoksel bevindende oogen beginnen nu uit te loopen en spoedig verkrijgt men een tweeden, niet minder fraaien bloei.
De Rozen worden op verschillende wijzen gegroepeerd. Al deze groepen hier nader te beschrijven zou veel te ver voeren, wij zouden dan te uitgebreid worden. Wij geven hierbij, uit de verschillende groepen, eenige der fraaiste soorten op, die voor Potrozen geschikt zijn en ook voor kamer- en venstercultuur kunnen dienen.
Rosmarinus officinalis (Rozemarijn). De Rozemarijn werd vroeger bijna overal aangetroffen, tegenwoordig echter veel minder, en alleen hier en daar in dorpen kan men haar nog wel eens vinden. Het is een klein struikje, met glimmende, naaldvormige blaadjes en kleine lilakleurige bloempjes. Haar vaderland is Zuid-Europa en de Levant. Er bestaan twee variëteiten van: een met wit- en een met geelbonte blaadjes. In haar vaderland groeit de Rozemarijn in een drogen bodem. Dit sierplantje moet in goede, zware aarde geplant; het kan des zomers buiten staan en ook buiten uitgeplant worden; des winters verlangt het een koel vertrek. De Rozemarijn is wel een zeer bescheiden, tevens een zeer harde, maar zeker ook een uitnemende kamerplant.
De voortkweeking geschiedt door stekken, die zeer gemakkelijk wortelen.