1 Hierbij moet men volstrekt niet aannemen, dat die bewegingen, naar gelang hunner plaats, een of ander denkbeeld bepalen, maar eerder, dat door elke beweging elk der denkbeelden meer of minder en dus gedeeltelijk bepaald wordt omgekeerd.
2 Er bestaat voorts naar ons inzien een groot onderscheid tusschen gewoonte en instinct. Men is bijv. gewoon om eene daad te doen, wanneer de primitief door redenering verkregen denkbeelden, het verrigten dier daad moetende vergezellen, zoo diep ingeworteld zijn, dat zij met weinig inspanning voor den geest, of buiten den latenten toestand kunnen gehouden worden; terwijl men iets uit instinkt verrigt, wanneer men door de denking buiten de onze, of die van andere menschen of dieren, er toe gedreven wordt.
3 Zie blz. 69 van ons werk get. Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.
4 Zie hierover ons geschrift get: Over den aard en de toekomst der beweegkracht blz. 4 en 16.
5 Zie hierboven ons werk get: “Vervolg van het werk get: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 123 en 524.
6 Zie hierover het in de voorgaande noot gemelde werk, blz. 322.
7 Deze baanverkleining zal ook ontstaan, doordat van een uitzettenden bol de verschillende deelen door een anderen bol niet even sterk aangetrokken wordende en aldus ongelijke snelheden bezittende, tegen elkander zullen wrijven zie blz. 154.
8 De kleinste dier beide bollen zal alsdan, wegens de ongelijke snelheid van derzelver verschillende deelen, betrekkelijk meer uitzetten en warmte binden dan den grootsten, zie noot blz. 156.
9 Vooral op lage breedten ontstaat er namenlijk door de werking der verticale ontbondene der centrifugale krachten eene circulatie overeenkomende met die der passaatwinden en anders vooral op hooge breedten door de werking der horizontale ontbondene der centrifugale kracht eene tegengestelde circulatie. De oorzaak hiervan is door ons elders verklaard.
10 Even als de hemelbollen vergrooten door omzetting van deelen der algemeene oerstof in hunne eigen soorten van bijzondere stof, zoo vergrooten geesten door omzetting van bijdragen tot de algemeene denkbeelden bij deelen van den oergeest in bijdragen tot hunne eigen bijzondere denkbeelden, zie blz. 144.
11 Dit zou ook het geval zijn, zoo menschen zoodanig aan zeker lot verbonden waren, dat bijv. de accidentele weêrverschijnselen zich er naar zouden regelen.
12 De beoefenaars der wiskunde is het bekend, dat de ruimte besloten tusschen eene kromme, derzelver assijmptoot en eene zekere ordinaat dier kromme eindig kan zijn, ofschoon de lengte dier ruimte oneindig is.
13 Ook zal, naarmate die toeneming in geestontwikkeling trager is, de aanleg gedurende een zelfde aanwas in ontwikkeling sterker toegenomen zijn.
14 Op dién aanleg kan de praeëxistentie een invloed uitoefenen, vergelijkbaar met den op blz. 185 gemelden invloed van het ligchaamsleven der reeks onzer antiduliviaansche voorouders op de deugd van de type van ons ligchaam. Hetgeen op blz. 186 gezegd is van het algemeene van dit type gaat door voor den aanleg voor het verkrijgen van denkbeelden, innig in veel andere bevat, vooral voor deze gronddenkbeelden moet de praeëxistentie den aanleg bevorderd hebben.
15 Men denke hierbij aan de geluidsgolven, binnen vloeistoffen of vaste ligchamen, de in onze monden gevormde phrasen, getrouw naar een anders ooren overbrengende.
16 Zie ons geschrift get.: Over den aard en toekomst der beweegkracht, blz. 43.
17 Men denke hier aan de ligchamen waarop de electriciteit bij verkiezing overspringt.
18 Dit is te vergelijken met de uitwerking van overspanning der spieren. Deze worden er door onbruikbaar, niettegenstaande zij door het gebruik zich ontwikkelen, zie blz. 168.
19 De oorzaak van geschiktmaking moet de stofwisseling bij de ligchamen der individuen in het eerste geval versterken en in het tweede verzwakken, zie blz. 49.
20 De oppervlakte van het land zal een en ander slechts begrenzen, zoo de vulcanische werkingen de voor de gewassen benoodigde zouten uit de vloeibare aardkern brengen.