Beschouwingen over eenige onderwerpen op buitenzinnelijk gebied.

Hoe ontstaat het vermogen der organisatie der dieren, om, grootendeels buiten de bijzondere soort van eigen denking der dieren wil genaamd, geschikt te worden voor de omstandigheden waarin de dieren verkeeren. Naar ons inzien, door het aan de ligchamen dezer annex zijn van moleculaire bewegingen der zelfstandigheid, geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende, en alzoo niet makende dat die zelfstandigheid zich voor ons als ligchaam veropenbaart. Een deel dier geene zintuigelijke indrukken voortbrengende bewegingen vormen een geheel en worden bepaald door en bepalen de eigen denking van het dier, waartoe ook het zien, het voelen, enz. behoort, en die aldus evenmin door de hersens (namelijk zintuigelijke indrukken te weeg brengende ligchamen) als de in de denking van het dier begrepen gezigtsindrukken, door de oogen, plaats heeft.

De overige dier geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende bewegingen, worden naar ons inzien bepaald door en bepalen eindige deelen eener oneindig groote eenheid van denking, behalve de geesten of eenheden van denking van menschen en dieren en hiermede verwante wezens op andere hemelbollen, in de totale veropenbaring der zelfstandigheid door denking bevat. Die eindige deelen dier oneindige denking werken nu, door dat zij door bewegingen der zelfstandigheid bepaald worden, mechanisch op de deelen der ligchamen der dieren en zijn wederkeerig aan den invloed hiervan blootgesteld. Stel bijv. dat iemand, ten gevolge van eenige tot hem gerigte woorden, gaat zitten, wat heeft er dan plaats. 1o Geluidsgolven planten zich in de lucht voort, 2o de trommelvliezen van dien persoon geraken in trilling, 3o onbekende moleculaire bewegingen ontstaan in zijne gehoorzenuwen, 4o in zijne denking ontstaat een gehoorindruk, 5o hij denkt over de woorden na, 6o in zijne denking ontstaat een wilsindruk, 7o onbekende moleculaire bewegingen ontstaan binnen eenige zijner bewegingszenuwen, 8o insgelijks onbekende bewegingen ontstaan binnen de met die zenuwen in verband zijnde spieren, 9o beweging der ledematen heeft plaats.

Bij No. 1, 2 en 3 zijn elkander mechanisch bepalende bewegingen aangegeven, insgelijks bij No. 7, 8 en 9, terwijl bij No. 4, 5 en 6 er elkander bepalende denkingen zijn aangeduid. De keten van elkander bepalende bewegingen kan echter kwalijk na No. 3 afgebroken zijn en bij No. 7 weder beginnen, want denking en beweging zijn geheel ongelijkslachtige zaken. Er schiet aldus niets anders over dan te stellen, dat de denkingen, bij No. 4, 5 en 6 aangeduid, geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen der zelfstandigheid bepalen. Van den anderen kant zou men ook kunnen vragen of, zoo de ons bekende denking van bewegingen vergezeld moeten gaat, alle bewegingen welke ook der zelfstandigheid (ofschoon volstrekt niet in reden van derzelver sterkte) niet mede bepalen en bepaald worden door denking, behalve de eenheden van denking der eindige levende wezens eene oneindige eenheid van denking vormende1. De denking bij No. 4 aangeduid, zou dan door die denking buiten ons bepaald worden en die bij No. 6 aangegeven er bepalende op werken, zoodat de keten der denking evenmin als die der beweging, afgebroken zou zijn. De fatalisten stellen eigenlijk dat de aaneenschakeling onzer denkbeelden van geen invloed is op die denking buiten ons, de aanhangers der absolute wilsvrijheid, dat deze van geen invloed is op de aaneenschakeling onzer denkbeelden, terwijl daarentegen die invloed wederkeerig is.

Veranderen de omstandigheden waarin een dier verkeert, zoo wordt dit er eerst min of meer aan gewoon en verandert aldus zijn toestand, zonder dat er eene noemenswaardige verandering bij de organisatie van zijn ligchaam bespeurd kan worden. Verandering dient er dan evenwel ergens plaats gegrepen te hebben, en zou deze dan niet kunnen bestaan bij die geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende bewegingen, het eigenlijke leven daarstellende, en wier er door bepaalde denking, het ligchaam voor die nieuwe levenstoestanden geschikt zoekt te maken? Deze bewegingen werken toch mechanisch op de wel zintuigelijke indrukken voortbrengende moleculaire en andere bewegingen van het ligchaam en kunnen hierbij alsware eene verandering te weeg brengen in gelijken geest als die bij haar zelve tijdens het wennen plaats had, ofschoon, wegens de werking der traagheid, later, zoodat de wijzigingen der geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen, die der organisatie van het ligchaam alsware achter zich voortslepen.2

Zonder de aanhoudende werking der op blz. 7 gemelde oorzaak van geschikthouding, zouden de ligchamen der dieren onmogelijk aan vele de deugd hunner organisatie verstorende invloeden kunnen wederstaan, en er bestaat hierdoor eene ondempbare kloof tusschen de levende organismen aan de eene en de anorganische en doode organische stof aan de andere zijde. Gene toch zijn actief, deze passief, van gene kan men zeggen, dat zij voor zich zelf beter of slechter zijn ingerigt, terwijl het ongerijmd is te zeggen, dat een stuk goud voor deszelfs eigen ik meer of minder deugdzaam is.

De denking buiten de eigen denking der menschen en dieren, de organisatie dezer voor de bestaande omstandigheden geschikt trachtende te maken, moet niet veronderstelt worden te grijpen naar middelen, slechts in indirect verband met de gebreken dier organisatie zijnde, tevens ook niet door redenering het bekende uit het bekende af te leiden, of tusschen verschillende in te slane wegen eene keus te doen.

De dieren komen slechts van het eene tot het andere, wanneer dit laatste in direct verband met het eerste staat, en zijn hierdoor veel minder dan de menschen aan dwaling onderhevig. Bij deze ontstaat eerst het begrip van het doen van daden, geschikt bij het verkeeren in zekere omstandigheden en later worden die daden verrigt. Bij de dieren gaat dit eerste dit laatste minder vooraf, zij vormen zich meer al handelende het begrip van hetgeen zij behooren te doen. Zij bezitten andere denkvormen dan wij, en van daar dat de fabeldichters onder den naam van dieren eigenlijk menschen van verschillende karakters doen optreden. Overleg en handeling ten gevolge van eigene opmerking, en aldus rede kan aan de dieren niet ontzegt worden, zamenwerking met en opoffering voor andere wezens evenmin, doch wel de bewustheid, dat hunne daden strekken ter vergrooting hunner geestelijke ontwikkeling, alsmede abstracte en op het gebied van het buitenzinnelijke treden de denkbeelden. Zij missen geheel de bij vele menschen zoo flaauw ontwikkelde godsdienstige wijsbegeerte, hunne levensbeschouwing is gegrond op de directe ervaring, op de eischen van het practische nut, en dweepen en droomen is hen even vreemd als aan middelmatige menschen de dwalingen en exentriciteiten van het genie.

Evenals de op blz. 143 gemelde denking, moet de eigen denking van dieren, wegens de werking der traagheid, blijven beneden de eischen van zekere levensomstandigheden, wanneer zij hieraan niet geheel gewoon is, en niet aan die eischen zonder vermoeijende inspanning kan voldoen. Om bij gelijken aanleg en even hoogen graad van geestontwikkeling tijdens de geboorte, gedurende het leven sterk in geestontwikkeling toe te nemen, moet 1o. van het voorgeslacht veel te leeren vallen, 2o. de middelen van gemeenschap met dit voorgeslacht, namelijk het spraakvermogen enz. op een hoogen trap staan, 3o. de levensomstandigheden, waarvoor men zijne geestontwikkeling geschikt tracht te maken, insgelijks op een hoogen trap staan, en 4o. het ligchaam op de vergrooting der geestontwikkeling slechts eene kleine directe tegenhoudende werking uitoefenen.

Met betrekking tot het eerste en derde zijn wij Nederlanders bevoordeeld boven onze voorouders de Batavieren enz. en deze waren, met betrekking tot al die zaken bevoordeeld boven hunne op de boomen klauterende en, bij hoogeren aanleg, de geestontwikkeling der hedendaagsche apen bezittende voorouders en deze op hunne beurt boven hunne millioenen jaren vroeger in zee levende en de geestontwikkeling der hedendaagsche visschen bezittende voorzaten, zie blz. 31. Wel kan men door zijn vrijen wil, of anders gezegd door daden het gevolg zijnde van uit elkander voortvloeijende en elkander bepalende redeningen, de omstandigheden, op wier hoogte men zich tracht te stellen, eenigzins hooger of lager stellen, en dit ook door het toeval plaats hebben, doch hiervoor bestaan er grenzen, en, evenmin als Napoleon I in gewone tijden keizer had kunnen worden, kan een wezen zelfs van grooten aanleg, met een laag bewerktuigd ligchaam voorzien, en beroofd van de middelen om uitgebreide waarnemingen te doen en om met andere wezens denkbeelden te wisselen, gedurende zijn leven belangrijk in geestontwikkeling klimmen.

Op bladz. 143 hebben wij aangegeven, hoe op onze denking eigenlijk niet eene wel of geen zintuigelijke indrukken te weeg brengende moleculaire beweging bij ons ligchaam en de daarbuiten gelegen voorwerpen, maar eene hierdoor gedeeltelijk bepaalde denking (buiten de onze en die van andere eindige wezens bestaande) van invloed kan zijn. Om meer bij het gewone spraakgebruik te blijven, gewagende van den invloed door ons ligchaam op onzen geest uitgeoefend, zoo herinneren wij dat, naar aanleiding van het op blz. 91 gemelde, die invloed op eene directe wijze onzen geest tracht te verlagen. Op eene indirecte wijze tracht hij echter, door ons te veroorloven waarnemingen te doen en met de buitenwereld en andere wezens in contact te treden en onder zekere inspanning denkbeelden in werkdadigen toestand te bezitten, hem te verhoogen. Sprekende, om bij het gewone spraakgebruik te blijven, van wederkeerige werking tusschen ligchaam en geest, zoo is het klaar, dat elke verandering bij onze denking gepaard zal moeten gaan met zekere verandering bij de verschillende ligchaamsdeelen en omgekeerd. Zijn nu die veranderingen bij een dier deelen merkbaar, en worden zij door andere invloeden niet zoodanig gestoord, dat zij onherkenbaar worden, zoo moet elke toestand van den geest overeenkomen met zekeren toestand van zulk een ligchaamsdeel, en zelfs met dien der kleederen welke men draagt.

In zekere mate kan dit nu het geval zijn met de hersens, doch hieruit mag men volstrekt niet afleiden dat de hersens denken en aldus boven alle andere organische levende stofmassa’s het voorregt bezitten, om te denken en dus ook te voelen, te ruiken, te zien enz. Bijna even goed kan men bijv. aan eenig ingezegend voorwerp boven andere dergelijke, maar niet ingezegende voorwerpen het voorregt toekennen om zekere geheime kracht uit te oefenen.

Waarom buitendien aan de hersens boven de andere zenuwknoopmassa’s het vermogen om denken toe te kennen, en, zoo men dit min of meer als een vermogen van al de zenuwknoopmassa’s beschouwd, waarom kan men, zooals bij afzetting van ledematen, van die zenuwknoopmassa’s verliezen, terwijl de denkbeelden in hun geheel behouden blijven? Waarom kan men zelfs bij lagere dieren de hersens wegnemen en zij nogthans, waarschijnlijk ten gevolge van bewuste denking, hunne ledematen bewegen. Het komt ons integendeel waarschijnlijk voor, dat de op blz. 143 gemelde eenheid van geene zintuigelijke indrukken veroorzakende beweging aan onze ligchamen annex, wanneer de beleediging van dit ligchaam zekere grenzen overschrijdt, hier niet meer annex mede kan blijven, en, even als de op blz. 145 gemelde denking (buiten de onze bestaande en onze organisatie geschikt voor de levensomstandigheden trachtende te maken) alsware vrij komt en dan (zie later) geene werkdadige denking kan bepalen.

Dat voorts organische stof onder den invloed dier geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende beweging ontstaat en tegelijkertijd uit anorganische stoffen zamengesteld kan worden, behoeft niet meer te verwonderen, als dat bijv. waterstof door electrische ontleding van water en tegelijk op zuiver chemische wijze te vormen is.

Op blz. 146 hebben wij gezegd dat de geest der dieren niet slechts quantitatief, maar tevens ook qualitatief met den onzen verschilt. Een zoodanig verschil bestaat er echter ook tusschen den geest der kinderen en die der volwassenen en bij den op blz. 31 gemelden stamboom van het menschelijke geslacht moet de qualitatieve verandering evenzeer geleidelijk als de quantitatieve plaats gegrepen hebben. Het bestaan van gelijkslachtigheid tusschen de ziel der dieren en die der menschen kan echter niet ontkend worden en, zoo men aan de onze eene toekomstige steeds voortdurende gemiddelde vergrooting toeschrijft, moet eene tragere vergrooting aan die der dieren toegekend worden.

Men verhoogt zich dan trouwens ook niet door anderen te verlagen, en passende met een hoogeren trap van geestontwikkeling, dan de thans bij de menschen bestaande, zal het welligt zijn, om, wanneer men van dieren gewaagt, niet slechts te denken aan ponden vleesch en vet, of zelfs aan een kunstig physiologisch zamenstel, maar tevens ook aan iets dat aan den kogel van den jager en aan het mes van den slagter ontsnapt.

Het verschil in uitzigt en levenswijze van wezens, elkander als niet meer vreemd beschouwende, wordt grooter naarmate de beschaving stijgt, en, terwijl bij zeer lagen trap van beschaving de leden der verschillende stammen elkander vreemd of vijandig blijven en wreedheid en onverschilligheid jegens de dieren, gemis aan beschaving aanduidt, zoo moeten, naarmate de beschaving stijgt, de menschen minder exclusief en meer cosmopoliet worden.

Hetgeen op blz. 148 gezegd is, dat elk verschil in zielstoestand, wegens de wederkeerige werking tusschen ziel en ligchaam, gepaard moet gaan met eene ofschoon volstrekt niet er mede geëvenredigde verandering bij het ligchaam (evenmin als de veranderingen van uit zintuigelijke indrukken bestaande denkbeelden met er aan geëvenredigde veranderingen bij de ligchamen die zintuigelijke indrukken opwekkende), moet niet aldus verstaan worden, dat de ontwikkeling en eigenschappen der ziel geheel door het ligchaam (de op blz. 143 gemelde moleculaire beweging, de eigen denking bepalende, hier niet bij gerekend) bepaald worden. De ziel zou zich dan tegenover de invloeden, door het ligchaam er op uitgeoefend, geheel lijdelijk moeten gedragen, iets dat wel bij de dieren en vooral bij de lagere meer dan bij de menschen, maar volstrekt niet volkomen het geval is.

De waarde van een wezen wordt niet alleen bepaald door hetgeen het is, maar tevens door hetgeen het kan worden, zoodat bijv. een wezen, in gedaante en geestontwikkeling met een visch gelijk staande, maar met menschelijken aanleg begiftigd, uit een geestelijk oogpunt meer waarde dan een werkelijken visch zou bezitten.

De geestelijke aanleg, die, door grooter te zijn, de toename in geestontwikkeling bevordert, is voorts bij elk individu niet onveranderlijk, maar kan door inspanning van den geest (waaronder eigenlijk alle inspanning begrepen is, omdat bijv. het gevoel van spierinspanning tot het rijk der denking behoort) vergroot worden. Die inspanning aldus beide de geestelijke ontwikkeling en den aanleg vergrootende, ofschoon deze laatste minder snel, zoo moet, bij het niet bestaan van de vergrooting dier geestontwikkeling tegengaande oorzaken, zooals bijv. de moeijelijkheid om de bewuste aanschouwing uit te breiden, die vergrooting versnellende geschieden.

De aanleg, waardoor onder geestinspanning de zedelijke ontwikkeling van den mensch toeneemt, bestaat naar ons inzien in den graad van verhevenheid van het karakter. Zoo bijv. iemand zich veel moeite geeft om beter te handelen, vergroot hij zijne zedelijke ontwikkeling, maar tevens verbetert hij zijn karakter, waardoor later dezelfde toename in geestontwikkeling hem ligter zal vallen, en dus bij gelijke inspanning als vroeger, zij grooter dan toen zal worden.

De graad van zedelijke ontwikkeling hangt veel meer van de opvoeding en van de maatschappij af waar binnen men op deze aarde treedt, dan van het karakter. Hedendaagsche menschen, geen verhevener karakter bezittende dan oude Romeinen, dompelen bijv. niet als zij de krijgsgevangenen in slavernij, verstooten niet zoo ligt als zij hunne echtgenooten, hakken in schijnbaar wanhopende omstandigheden niet zoo ligt als zij, door middel van zelfmoord, den gordiaansche knoop door, in plaats van te trachten hem te ontwarren, kortom zij staan hooger in zedelijke ontwikkeling als die oude Romeinen.

Bij de intellectuele ontwikkeling staat de aanleg vooral in verband met de op blz. 67 gemelde door oefening verkregen en niet door middel van de spraak uitdrukbare denkbeelden. Men zal bijv. ontwaren dat binnen zekere grenzen, hoe langer men zich in iets geoefend heeft, hoe gemakkelijker het valt om er zich verder in te bekwamen, zoodat de bekwaamheid versnellende toeneemt. Vandaar de verwonderlijke hoogte waarin menschen het brengen in zaken, waarin zij zich bijzonder oefenen, doch hierbij werken de beperktheid der bewuste aanschouwing, de levensomstandigheden en zeker besef van genoegzaamheid, die anders versnellende toename der intellectuele ontwikkeling in het een of ander tegen.

Die inspanning, waardoor de geestontwikkeling en te gelijk, maar in mindere mate den aanleg vergroot, is echter steeds eene overmaat van inspanning boven die noodig om die geestelijke ontwikkeling op dezelfde hoogte te houden.

Voor zooveel de inspanning hiertoe werkt, komt het ons voor dat zij ons aangenaam moet zijn. Trouwens zij zou bestaan bij een veranderlijken toestand van onzen geest en hierbij moet, zooals op blz. 47 en 64 gezegd is het een geheel voor het ander geschikt zijn. Deze slechts voor de bestendiging der verkregen geestontwikkeling gevorderde inspanning is naar ons inzien tijdens het waken grooter dan gedurende den slaap, bij hooge geestontwikkeling grooter dan bij kleine, aldus bij de menschen grooter dan bij de dieren en grooter bij eene natuur van den geest waarbij deze sterk gedreven wordt naar verhooging zijner ontwikkeling3.

Slechts voor zooverre de vergrooting in aanleg en geestontwikkeling eener generatie door eigen toedoen op de ligchamen van derzelver leden en op de opvoeding der volgende generatie van invloed is, zal deze er partij van trekken. Dit bedrag vormt echter eene kleinere breuk dier vergrooting, voor zooverre deze den aanleg dan voor zooverre die vergrooting de geestelijke ontwikkeling betreft. In wetenschappelijke ontwikkeling zijn de volken gedurende de toeneming der beschaving het meeste toegenomen, in de kunsten veel minder, omdat hetgeen men daaromtrent weet moeijelijker medetedeelen is dan in zaken van wetenschap, en in aanleg voor de kunsten nog veel minder.

Op blz. 146 hebben wij gezegd, dat bij de anorganische ligchamen er van geene deugd of geschiktheid voor het verkeeren in zekere omstandigheden en van verhooging van organisatie sprake kan zijn. Het is er echter verre van af dat hierbij de uitwerking der Natuurwetten naar geen doel zou streven. Beschouwt men bijv. de anorganische ligchamen niet afzonderlijk, maar tot hemelbollen gemasseerd, zoo kan bij deze zeer wel sprake zijn van deugd in eigen belang, welke bijv. zou bestaan in het vermogen om een afzonderlijk bestaan te perpetueren, om niet steeds in snelheid af te nemen, om korsten en gasvormige omhulsels te bezitten, om bij een en ander verscheidenheid van aard en van temperatuur in stand te houden enz. Ook kan het zijn dat de hemelbollen, door zamenpakking van den ether of algemeene enkelvoudige oerstof, binnen en om hun oppervlak gelegen, er bij chemische verbindingen te weeg brengen, de natuur van hun eigen bestanddeelen aan dien ether geven en aldus in massa toenemen, hetgeen met de vergrooting der geesten te vergelijken zou zijn, terwijl de neiging dier bollen om in massa toe te nemen met den aanleg dier geesten zou overeenkomen.

Hoe grooter afwijkingen er van de geschikste organisatie der planten en dieren ten gevolge van zekere accidentele oorzaak bestaat, hoe sterker de oorzaak, des geschikste organisatie trachtende voort te brengen, de verdere vergrooting dier afwijking tegengaat en deze, wanneer die accidentele oorzaak niet meer bestaat, tracht te vernietigen. Hiervan, kan de algemeene reden zijn, dat, wanneer natuurwerkingen zekere afwijking van een toestand voortbrengen, de verdere vergrooting dier afwijking steeds bezwaarlijker voor hen wordt en andere natuurwerkingen een teruggang sterker trachten voort te brengen. De ongelijkheid in snelheid van naast elkander bewegende ligchamen doet bijv. gewone snelheden door middel der wrijving in warmtebeweegkracht overgaan, doch de ongelijke druk, bij warme ligchamen bestaande, doet weder warmte in gewone snelheden veranderen. Hoe meer er nu van die snelheden en hoe minder warmte er bestaat, hoe sterker die uitwerking der wrijving en hoe zwakker die dezer ongelijkheid in drukking zal zijn. Bij ongelijkheid van temperatuur verspreidt zich de warmte van de warmste naar de koudste plaatsen en wordt de temperatuur overal meer egaal, doch waar er electrische scheiding plaats heeft, wordt er warmte ergens opgenomen en deze bij electrische verbinding in warmte, van hooge temperatuur omgezet, zoodat aldaar de temperatuur veel hooger dan elders wordt en aldus de ongelijkheid er van op de verschillende plaatsen hersteld wordt4. Was de aarde van binnen vast, zoo zou het rivier- en beekwater de grondspecie naar zee voeren, de golving der zee deze stoffen op derzelver bodem egaliseren en eindelijk de aardkorst volmaakt vlak en overal met eene even diepe zee overdekt raken. De aarde is echter van binnen met (zie hierboven) in beweging gehouden gesmolten lava gevuld en daar deze specifiek wat ligter dan de aardkorst is, zoo zal, waar die lava deze korst van onderen afschuurt, deze dunner en aldus, ter bewaring van het hydrostatische evenwigt, opgeligt worden. Elders het tegenovergestelde plaats hebbende, zoo zullen hierdoor de ongelijkheden van den bodem hersteld worden5.

Ook op maatschappelijk gebied ontbreken niet die dit grooter worden der accidentele afwijkingen en, naarmate die afwijkingen zulks zijn, sterker, tegengaande werkingen. Wordt er bijv. wegens het bestaan eener accidentele oorzaak, minder goed en meer kwaad gedaan, zoo lijdt de maatschappij hieronder en tracht zij dit te keer te gaan door meer moeite ter zedelijke verbetering der menschen aan te wenden, benevens door de belooningen en straffen te vergrooten6.

Zoo de hemelbollen, door de werking der wrijving der vloeistoffen dier bollen tegen die van andere bollen waartegen zij botsen (want, voordat zulk eene botsing mogelijk wordt, zullen, wegens derzelver onderlinge aantrekking, hemelbollen zoo sterk uitgezet en dus kouder worden en zooveel warmte uit den omringenden ether opnemen en binden dat derzelver bestanddeelen tot den gasvorm overgaan) veel kleinere banen verkrijgen, zal eene andere werking die banen sterker trachten te vergrooten7.

Stel bijv. dat eene groep betrekkelijk kleine hemelbollen langs eene elliptischen baan om een anderen bol, in het eene brandpunt van die ellips gelegen, beweegt, zoo zullen de kleine bollen der groep buitendien gedurig naar elkander toe, digt achter elkander heen en, wegens de werking der traagheid, weder van elkander afgaan; zij zullen aldus gemiddeld grootere resulterende snelheden bezitten, dan zoo zij slechts een enkelen bol vormden, waar echter hunne resulterende elliptische baan krom is, zooals bijv. digt bij het perihelium, zullen zij, wegens het bezit dier bijzondere snelheden meest grootere banen erlangen welke echter voor elk dier kleine bollen niet dezelfde als van de andere zal zijn. Verder gekomen zal echter derzelver onderlinge aantrekking hen weder naar elkander toe doen gaan, doch daar zij meest eene grootere baan verkregen hebben, de resulterende baan, waar langs nu die groep van kleine bollen beweegt, grooter dan vroeger geworden zijn. Dit nu zal insgelijks het geval zijn, zoo die groep vervangen wordt door een enkelen vloeibaren bol waarbinnen er stroomen bestaan, zoodat de vloeistofmassa’s van dien bol, behalve derzelver snelheid langs eene elliptische baan nog bijzondere snelheden bezitten.

Het uiteenloopen der zooeven gemelde grooter geworden banen zal zulk een vloeibaren bol sterk uitzetten en vervormen, doch de onderlinge aantrekking dier massas (nu in tegenstelling van bij het voorgaande geval door de drukking dier massas tegen elkander wederstaan) die vervorming, wanneer die bol voorbij het perihelium gekomen is, met behulp der wrijving van lieverlede te loor doen gaan, zonder evenwel de baanvergrooting van het zwaartepunt van den bol te kunnen vernietigen.

Stelt men nu dat wanneer die bollen grooter zijn, bij het bestaan van grootere onzuivere en zeer sterk elliptische banen om elkander, de baan vergrootende en verkleinende werkingen tegen elkander opwegen, zoo zal, wanneer van eene groep hemelbollen de leden grooter worden door, zooals op blz. 154 gezegd is, ether tot hunne zelfstandigheid te vervormen, de banen, welke zij om elkander beschrijven, ook grooter worden en aldus de groep in omvang toenemen en de gemiddelde positie dier bollen, bij derzelver aphelium gelegen, verder van het middelpunt der groep komen.

Zelfs zou zoo iets plaats hebben, wanneer die bollen langs eene schil verspreid waren daar, ten gevolge van derzelver onderlinge aantrekking, terwijl sommige dier bollen ver van anderen gelegen, zeer nabij stil zullen staan, andere digter bij elkander gekomen, zekere snelheden en ook ontbondene snelheden rakende aan het oppervlak dier schil zullen bezitten. Elke bol zal nu binnen betrekkelijk korte tijden zulke ontbondene snelheden bezitten, zoodat, zoo de aantrekkingskracht plotseling verdween, de bollen dier schil gemiddeld buitenwaarts zouden bewegen en zich verspreiden. Daarentegen zal de resulterende aantrekking van al de overige bollen, langs het oppervlak dier schil verspreid, de tegen gestelde uitwerking doen. Bij vergrooting dier bollen moet dan alsware de schaal van het geheel grooter worden en aldus slechts bij een grooteren diameter dier schil die centrifugale werking aan die resulterende aantrekking gelijk zijn. Zulke bollen zullen niet met elkander kunnen zamensmelten, wegens de tegengestelde snelheden welke zij bezitten, wanneer zij tegen elkander botsen, en, bij het aphelium gelegen, dan onder de overheerschende aantrekking van deszelfs eenen en dan onder die van deszelfs anderen buur komen en alzoo dan naar den een en dan naar den ander gaan, er achter om heen trekken en, door de werking der traagheid, vertragende ongeveer naar derzelver vorige plaatsen terugkeeren.

Ontstaan er nu bij het midden van bovengemelde groepen nieuwe bollen, door zamenpakking van den omringenden ether van af eene kleinst eindige massa zich verder vergrootende, en gaan de andere bollen dier groep door zamenpakking en omzetting van den omringenden ether in hunne zelfstandigheid voort met in massa toe te nemen, zoo zal zulk eene groep steeds meer omvang verkrijgen en de buitenste bollen er van de oudste, grootste en gemiddeld snelst bewegende zijn. Waren al die bollen regelmatig gegroepeerd en in rust, zoo zou zulk eene groep door de werking der aantrekkingskracht kleiner worden, maar de elkander naderende bollen in snelheid toenemen, digt achter elkander, en nadien door de werking der traagheid weder buitenwaarts gaan; de groep weder grooter worden, terwijl deze bollen in snelheid afnemen en zij weder voor een oogenblik in den primitieven toestand komen. Bij onregelmatige groepering bestaan in zeker opzigt al de toestanden, zooals zooeven gezegd is achtervolgens bij de regelmatige groepering plaats hebbende, tegelijk. Hier komen er bollen ver van elkander en circa in rust, elders zijn zij digt tot elkander genaderd en bezitten zij groote snelheden dan in deze en dan in ongeveer tegengestelde rigting, zoodat het oppervlak der groep wel hier zich naar buiten en elders zich wat naar binnen kan verplaatsen, maar onmogelijk in grootte sterk kan varieren. De vergrooting der snelheden der in massa toegenomen bollen, zal hierbij ontstaan door de vergrooting der aantrekkende massa’s, die van derzelver banen, zie blz. 157, door vermindering der snelheden waarmede de vloeibare massas van elk dier bollen zich betrekkelijk derzelver zwaartepunten verplaatsen en die laatste snelheden, zie blz. 155, door ongelijke drukking binnen die vloeibare massas onder omzetting in snelheden van warmte ontstaan door omzetting van ether in de zelfstandigheid dier bollen, daar dit onder scheikundige verbinding plaats heeft. Bij die vergrootende hemelbollen kan er nu een strijd bestaan tusschen twee tegengestelde werkingen, namelijk die der warmte van den er binnen en buiten tegen gecomprimeerden onomgezetten ether, uitzetting dier bollen en onder warmteopneming chemische ontleding van derzelver bestanddeelen trachtende te veroorzaken en die der zamenpersende werking der zwaartekracht en welligt ook der beroering der hemelbollen bestanddeelen deze onder warmteafgeving chemisch zamengestelder pogende te doen worden. Heeft nu laatst gemelde werking eerst de overhand boven die der warmte en moet zij nadien hiervoor onderdoen, zoo zullen de bollen eerst in digtheid toenemen en qualitatief meer van den ether gaan verschillen en nadien, wanneer zij tot op zekere distantie van het middelpunt der groep gekomen zijn, het omgekeerde gaan plaats hebben en dit steeds aanhouden, terwijl zij, meer en meer in massa toenemende, verder van dit middelpunt komen. Die toeneming in massa dier bollen, door omzetting van den ether er binnen en er omheen, zal wel op het sterkste zijn, wanneer derzelver bestanddeelen op het meeste met die van den ether verschillen en derzelver digtheid op een maximum is; doch later, wanneer zij meer etherachtig geworden zijn, niet geheel verdwijnen. Er bestaat aldus geen eindigen grens voor de vergrooting dier bollen, doch zij kunnen geene oneindige grootte bereiken en tevens in natuur hoe weinig ook met den ether verschillen en hiermede niet geheel eenzelvig zijn. Binnen die eene grootere dan elke eindige ruimte beslaande sterrengroep, zal er nu eene bolvormige schil bestaan, waar binnen van de middelpuntszijde er gedurig bollen intreden, aan de andere zijde er bollen uitgaan en waarbinnen de bollen eene grootere digtheid en chemische zamengesteldheid dan ter wederzijde er van bezitten. Alsdan moeten naar ons inzien de electrieke verbindingen gestolde, gecondenseerde of gasvormige stoffen bij die bollen op zulk eene hooge temperatuur brengen, dat zij voor ons waarneembaar licht uitstralen, want toch wanneer die hemelbollen zeer etherachtig zijn moeten zij in temperatuur weinig boven de gemiddelde van den ether verheven zijn en kunnen zij aldus dan kwalijk als vurige nevels voor ons zigtbaar zijn.

Slechts de sterren binnen die schil gelegen en dan nog slechts een deel er van, omdat vele geen voor ons waarneembaar licht uitstralen, of door andere voor ons donkere bollen gemasqueerd zijn, moeten zich voor ons als zonnen vertoonen. Al de sterren in dit geval zijnde moeten, zoo deze hypothese juist is, wegens de kromte van bovengemelde schil, alsmede omdat men slechts het licht der sterren binnen een segment dier schil kan zien, ons op geen grooten cirkel omspannenden en aldus den hemel in twee wat in grootte verschillende deelen splitsenden onregelmatigen ring (den Melkweg) op het digtste gegroepeerd voorkomen. De bewoners van elk dier bollen binnen die schil gelegen, zullen aldus hun eigen melkweg aanschouwen, even als iemand, op eenige plaats staande, zijn eigen horizon bezit, en, evenmin als voor menschen, op verschillende plaatsen staande, langs den horizon dezelfde voorwerpen zich verheffen, evenmin de melkwegen der bewoners der verschillende bollen dier schil dezelfde zonnen bevatten. Met den blik naar het middelpunt van het kleinste cirkelvlak, door hun Melkweg gevormd, gerigt, zullen echter allen naar het middelpunt van de sterrenwereld zien, en voor ons dit middelpunt in de rigting van het sterrenbeeld, het Hoofdhaar van Berenice zijn.

Evenmin als de hemelbollen, wegens de tegengestelde snelheden, welke zij, tegen elkander botsende, bezitten, die (bij het alsdan zijn dampvormig van minstens den kleinsten dier beide bollen) wegens het bestaan van veerkracht niet zullen verdwijnen, kunnen zamensmelten, evenmin kunnen zij zich naar ons inzien in verschillende hemelbollen splitsen8.

Het planetenstelsel is naar ons inzien het gevolg eener accidentele wenteling der zon om derzelver as, en deszelfs toevallig bestaan heeft naar ons inzien den volgenden oorsprong gehad. Zoo eene groep van hemelbollen (bijv. ontstaan, door dat bij die bollen de baanverkleinende werking de baanvergrootende werking tijdelijk heeft overtroffen) door een er buiten gelegen hemelbol a wordt aangetrokken en dat in die groep zich een hemelbol b bevindt zooals zon, veel grooter zijnde dan de andere bollen c van die groep, later de planeten, zoo zal de bol b bij a gekomen, (even als de kometen bij derzelver perihelium) gasvormig en uiterst sterk uitgezet zijn. Botsen nu die beide bollen a en b scheef tegen elkander, zoo zullen zij aswentelingen verkrijgen, in stand blijvende, nadat zij zich weder van elkander verwijderd hebben. De bollen c zullen dan betrekkelijk den bol b zeer komeetachtige banen bezitten, en tegen b botsende door de aswenteling van dien bol snelheden ongeveer loodregt op die banen kunnen erlangen. Tegelijk door de werking der wrijving in lengte afnemende, zullen die banen, door de impulsie der aswenteling van b aan de bollen c gegeven, breeder worden, en krimpt nu die bol b in, doordat hij zich van den bol a verwijdert, nadat de bollen c er aldus herhaaldelijk tegen gebotst zijn, zoo kan eene anders onvermijdelijk nieuwe botsing der bollen b en c vermeden worden. Wel is waar zal, wanneer de aswentelingssnelheid bij den evenaar van den bol b kleiner is dan de snelheden der bollen c bij hun perihelium digt bij het oppervlak van den uitgezetten bol b, de banen dezer nog vrij sterk uitmiddelpuntig moeten zijn, doch die uitmiddelpuntigheid, terwijl die banen en tegelijk de bol b kleiner worden, kunnen verminderen.

Hoe sneller de hemelbol b, waartegen die botsingen van c geschieden, om deszelfs as wentelt, hoe geringer de uitmiddelpuntigheid dier banen van c zal worden en zij is nu bij de binnenkometen kleiner dan bij de buitenkometen, bij de coplaneten weder kleiner dan bij eerstgemelden kometen, en bij de planeten Venus en Neptunus weder merkelijk kleiner dan bij de coplaneten. De kometen en planeten voor geheel verschillende hemelligchamen te houden, komt ons even ongegrond voor als het stellen dat de inwoners van twee steden op verschillende wijzen gekleed gaan, zoo men de eene stad slechts over dag en de tweede slechts des nachts bezoekt. Wij zien toch de kometen slechts wanneer zij betrekkelijk digt bij de zon gekomen, zoo als op bl. 155 gezegd is, uitgerekt, misvormd en tot den dampvorm overgegaan zijn. Het bewegen der meeste kometen in dezelfde rigting als die waarin de zon om derzelver as wentelt, maakt buitendien waarschijnlijk dat vele er van, even als de planeten, tegen het wentelende zonsoppervlak gebotst hebben.

Op blz. 158 hebben wij gezegd dat, naarmate hemelbollen grooter zijn, bij grootere banen de deze verkleinende en vergrootende werkingen aan elkander gelijk zijn. Van daar welligt, dat de grootste planeten gemiddeld het verste van de zon gelegen zijn. Bij groepen van betrekkelijk kleine bollen, om eene ster zooals de zon primitief een sterk uitmiddelpuntige baan beschrijvende en later, wanneer die baan meer cirkelvormig en kleiner geworden is, langs de gansche lengte derzelve verspreid rakende, moet bij deze stelling de totale massa der bollen dier groep in rekening gebragt worden.

De coplaneten, de ligchamen van het zodiakaallicht en de ringen van Saturnus hebben welligt primitief zulke groepen van betrekkelijk kleine bollen gevormd. Wanneer bij zulke langs eene weinig uitmiddelpuntige baan verspreide bollen van zulk eene zich dan niet meer bij het aphelium weder vormende groep, een derzelver de andere in massa ver overtreft en eene snelle aswenteling bezit, moeten de kleinere bollen dier voormalige groep er tegen botsende evenzoo weinig uitmiddelpuntige banen er om verkrijgen als op blz. 161 voor de planeten aangegeven is. Van daar den oorsprong der satelliten.

Waarschijnlijk zijn echter, tijdens de vorming van het planeten-stelsel, de baanverkortende werkingen slechts wegens accidentele omstandigheden grooter dan de baanverlengende geweest, zoodat nu die oorzaak met meer bestaande, evenmin als eene oorzaak van instandhouding der aswenteling der zon en planeten, bij deze laatste, alsmede bij de manen de baanverlengende werkingen de overhand boven de tegenovergestelde kunnen bezitten en in de uiterst verre toekomst het gansche planeten-stelsel uit elkander rukken, zoodat derzelver, alsdan uiterst lange komeetachtige banen verkrijgende leden niet meer, of althans niet meer uitsluitend om de zon zullen wentelen, maar elk hunner op zich zelf zal staan.

Eene afscheiding van ringvormige massa’s langs den evenaar der om derzelver as wentelende zon, komt ons onmogelijk voor, daar bij dien evenaar de snelheid van omwenteling nimmer zoo groot kan geweest zijn, dat de zonsaantrekking niet in sterke mate de overhand boven de centrifugale kracht bezat. Wanneer men eene zeer vervormbare massa met zekere snelheid duwt over een wrijvend vlak, zullen derzelver hier langs verschuivende deelen eene kleinere snelheid verkrijgen, dan die hooger boven dit vlak bewegende, doch, wegens de gemakkelijke vervormbaarheid dier massa, deze, door de ongelijke verplaatsing van derzelver deelen, sterk uitgerekt worden en niet gaan kantelen. Dit laatste zal daarentegen wel geschieden, zoo die massa door zekere inwendige, kracht bolvormig poogt te blijven en aldus die uitrekking er van tegengegaan wordt. Bij de op blz. 161 gemelde scheve botsing der sterk uitgezette en geheel dampvormig geworden zon, bestaat nu zoodanig een geval, daar de eigen aantrekking der zon die onbepaalde vervorming hiervan bij derzelver oppervlak tegengaat. De roterende, beweging der zon b, tengevolge van derzelver scheve botsing tegen een ander hemelligchaam a, is aldus slechts mogelijk, wanneer de aantrekking der zon bij het oppervlak hiervan meester blijft. Wel is waar zal de dampvormige zon, zich verwijderende van den hemelbol a, weder kleiner worden, en hierdoor de kromming en dientengevolge ook de centrifugale kracht bij derzelver evenaar toenemen, doch men houde in het oog dat dit verkleinen en krommer worden van den zonsevenaar door de er bij bestaande centrifugale kracht tegengewerkt wordt en, wanneer die kracht zeer nabij gelijk wordt aan de zonsaantrekking, bijna geheel verhindert wordt, zoodat alsdan de verkleining van het zonneligchaam onder warmte afgeving meer door toeneming der afplatting zal geschieden. Buitendien zal de aswenteling der zon stroomen binnen de gasvormige massa dier zon doen ontstaan, en de hierbij onstaande wrijving die aswenteling zoodanig verkleinen, dat de centrifugale kracht, tijdens het krommer worden van dien evenaar, hierbij wel niet belangrijk zal toenemen.9

Naar ons inzien bezit de ether zekere aantrekkingstrillingen, welke om lichamen, grooter specifiek dan dien ether bezittende, zonder dat de er bij bestaande, beweegkracht verandert, zulk eene wijziging ondergaan, dat zij op concentrieke boloppervlakken aantrekkingen naar die ligchamen voortbrengen. Gaat er nu hier naar toe eenig ander ligchaam, zoo kan het zijn dat dit op zijn weg die aantrekkingstrillingen in gewone snelheden bij deszelfs massa omzet, en wel in sterkere mate, naar gelang het digter bij het aantrekkende ligchaam komt. Volgens deze hypothese zou de beweegkracht of levendige kracht steeds eene snelheid, of liever het quadraat hiervan zijn, zoodat, wanneer men zegt snelheden gaan verloren door overwinning van afstooting over zekeren weg, zij werkelijk in andere niet direct waarneembare snelheden omgezet worden.

Elk der atomen van een homogeen ligchaam (bij hetzelfde ligchaam niet dezelfde behoevende te blijven en die men, wanneer men ze oneindig digt bij elkander stelt te zijn, oneindig klein moet veronderstellen), draagt bij tot vorming van al deszelfs eigenschappen bij de veropenbaring van deszelfs zelfstandigheid door beweging, en in overeenkomst hiermede moet bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking, die van elken atoom tot elk denkbeeld van een geest bijdragen, en dus een deel der denking van elk dier atomen tot het eene denkbeeld, een ander deel tot eenig ander denkbeeld enz. De eigenschappen der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging zijn in vele opzigten met die der veropenbaring dier zelfstandigheid door denking te vergelijken, zoo men de hemelbollen met de eindige geesten en de eene oneindigmaal grootere massa dan al die bollen te zamen bezittende ether met het oerwezen vergelijkt. Op blz. 145 hebben bijv. gezegd, dat de denkbeelden van den oergeest invloed uitoefenen en geinfluenceerd worden door de denkbeelden der afgescheidene geesten en bij den ether heeft, met betrekking tot de hemelbollen, iets dergelijks plaats. Het digt bijeen liggen dier bollen kan men bijv. vergelijken met het met elkander in contact zijn van geesten (iets dat in het algemeen niet het digtbij elkander zijn der er aan annex zijnde levende ligchamen vordert), derzelver onderlinge aantrekking wordt bij de geesten vervangen door de neiging dezer om met elkander in contact te komen, derzelver snelheid en in het algemeen de er bij bestaande beweegkracht met de werkdadige denking van geesten en, terwijl bij de bollen die snelheden op het grootste zijn, wanneer zij elkander op het meeste genaderd zijn, zoo is de werkdadigheid van geesten op het grootste, wanneer zij met andere geesten op het sterkste in contact zijn.

Even als twee hemelbollen van ongelijke massa evenveel beweegkracht kunnen bezitten, zoo kunnen geesten van ongelijke grootte, of anders gezegd in het bezit van een ongelijk aantal denkbeelden (de sterkte en diepte dezer hierbij in acht nemende) in even sterke mate werkdadig zijn, en bij die geesten wordt die werkdadigheid grooter of kleiner, naar mate zij met grootere of kleinere geesten in contact zijn, even als de hemelbollen trager of sneller bewegen, naarmate zij door kleinere of grootere andere bollen aangetrokken worden.

De overheerschende werking door grootere geesten over kleinere, waarmede zij in contact zijn, uitgeoefend, kan vergeleken worden met die van groote bollen op de banen van kleinere en het verstrooid liggen dezer laatste met het gemis van collectieve werking bij overheerscht wordende wezens. Die hemelbollen oefenen (zie blz. 165) door tusschenkomst van den ether invloed op elkander uit, de geesten, volgens het op blz. 145 gemelde, door tusschenkomst der denkbeelden van den oergeest en, even als gene, wanneer zij elkander naderen (zie blz. 165 door omzetting van ethertrillingen in snelheden bij hunne massa’s) beweegkracht uit den ether opnemen, zoo kan men stellen dat de geesten, bij het sterker in contact komen met andere geesten, om hunne latente denkbeelden werkdadig te maken, denkkracht van den oergeest ontleenen.

De door de nadering der bollen ontstane snelheden heeft tot gevolg dat zij zich weder van elkander verwijderen, en die verwijdering dat derzelver snelheden kleiner worden. Bij de geesten moet evenzeer (zie blz. 87) het voortgebragte uitputtende werken op het voortbrengende, en aldus de werkdadigheid van geesten derzelver contact (waarvan de wijzigingen met de veranderingen in rigting der snelheden der bollen vergelijkbaar zijn) verzwakken en die laatste verzwakking wederom leiden om die werkdadigheid te verminderen.

Op blz. 73 en 84 hebben wij dan ook aangegeven, hoe de werkdadigheid der geesten de er annex aan zijnde ligchamen, met wier behulp zij in contact met andere geesten zijn, vernield en op blz. 73 en 78 hoe die vernieling de werkdadigheid dier geesten vermindert.

Een eindelijk volslagen gemis hiervan bij den dood dient echter krachtens bovengemelde wet te leiden tot de vergrooting van het contact met andere wezens en alzoo tot het ontstaan van de hiervoor gevorderde hulpmiddelen. De denking, behoorende bij de levende organische wereld van hemelbollen, zou men tot deze kunnen stellen in dezelfde verhouding te staan, als de ligchamen bij die denking annex, (en zie blz. 143 wel te onderscheiden van de moleculaire beweging deze bepalende) tot die denking zelve. Gedurig verwisselen die ligchamen van deelen, en evenzoo kunnen die organische werelden van denkende wezens verwisselen, terwijl, even als die ligchamen ontstaan, groeijen en vergaan, en dit laatste, zooals op blz. 73 gezegd is, een gevolg is der sterke werkdadigheid van de er aan annex zijnde geesten, die organische werelden kunnen ontstaan, bloeijen en, tengevolge van aanraking der bollen waarop zij aanwezig zijn met andere, (het op blz. 161 gemelde tengevolge hebbende) weder vergaan. Op blz. 7 hebben wij wel is waar gezegd dat organische naturen zich geschikt maken voor de omstandigheden door elken hemelbol opgeleverd en aldus van allerlei aard kunnen zijn, doch, wanneer die omstandigheden snel veranderen, zal, wegens de op blz. 68 gemelde werking der traagheid, er zulk eene ongeschiktheid bij zulke naturen kunnen ontstaan, dat zij er onder te niet moeten gaan. Die vernietigende oorzaak, bestaande in het zeer sterk uitgezet en gasvormig zijn van zulke betrekkelijk zeer digt bij elkander gekomen hemelbollen, op het grootste kort nadat zij op het snelste bewegen, zal (zie blz. 167) vroeger moeten invallen dan het gevolg er van, namelijk het vernietigd zijn der organische naturen, en evenzoo volgt de dood van het ligchaam eenigen tijd na dat de werkdadigheid van den geest een maximum bereikt heeft.

Op blz. 159 hebben wij gezegd, dat de hemelbollen, onder vergrooting van derzelver massas, door vervorming tot derzelver bestanddeelen van den omringenden ether (iets dat misschien door het bezit van snelheden door die bollen bevorderd wordt) eerst tot zekeren grens minder etherachtig worden en in massa versnellende toenemen, en, nadat zij dien grens bereikt hebben, weder meer etherachtig worden en vertragende in massa toenemen, zonder echter weder volmaakt etherachtig te zijn, voor dat derzelver massa oneindig groot geworden en hunne zijde gekeerd naar het op blz. 161 gemelde middelpunt van het Heelal, oneindig ver hiervan afgelegen is. Hoe minder etherachtig die bollen zijn, hoe grooter betrekkelijk hunne massas hunne snelheden gemiddeld zullen zijn, doch tevens hoe minder latente warmte beweegkracht die massas zullen bevatten.

Zou men nu bij de in geestontwikkeling, of anders gezegd in grootte toenemende geesten ook niet kunnen stellen, dat hunne denkvormen eerst tot zekeren grens van die van den oergeest gaan verschillen en die toeneming alsdan versnellende is, terwijl later het tegenovergestelde plaats heeft. Die toeneming zou aldus voorgesteld kunnen worden door het onbepaald hoog oploopen van eene ojiefvormige kromme lijn, wier buigpunt oneindig ver van het punt waar die kromme de abcissen as raakt, maar op zekere distantie boven die as gelegen is.10

Bij dien grens, waarbij zij qualitatief het meeste van den oergeest verschillen, zullen die geesten het veranderlijkste en aldus zie blz. 64 het betrekkelijk onvolmaaktste zijn, hunne invidualiteit (wel van zelfbewustheid te onderscheiden) op een maximum zijn, en zij betrekkelijk hunne grootte op het meeste op eene wijze, vergelijkbaar met het bezit van snelheden, doch daarentegen op het minste op eene wijze, vergelijkbaar met het bezit van warmtebeweegkracht, werkdadig zijn. Het bezit dier laatste soort van werkdadigheid, achten wij te zijn de mogelijkheid om denkbeelden, door aanschouwing verkregen, voor den geest te houden, en het bezit der eerste om, zooals bij ons menschen, denkbeelden onder inspanning en met verstandswerking voor den geest te houden, en aldus te oordeelen, te zoeken, te kiezen enz.

Van de oneindige massa van den ether is slechts een deel, gelijk aan de grootst eindige grootheid en betrekkelijk volstrekt nietig, onder den invloed der uit van den ether onderscheiden stof gevormde, hemelbollen. Slechts bij dit laatste deel van den ether, oneindig maal overtroffen wordende door deszelfs gansche massa, verkeert aldus die oerstof in geen onveranderlijken toestand en is aldus de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging niet steeds onveranderlijk dezelfde. Des te minder zal dit het geval zijn bij de massas van gemeld deel van den ether, naarmate zij digter liggen bij hemelbollen en vooral bij die minder etherachtig van aard zijnde. In overeenstemming hiermede moet het oneindig aantal denkbeelden van den oergeest op een grootst eindig en aldus betrekkelijk volstrekt nietig deel na onveranderlijk dezelfde en zie blz. 64 derhalve volmaakt zijn, terwijl van dit uiterst groote, maar nog eindig aantal veranderlijke denkbeelden deze het sterkste veranderlijk moeten zijn, welke het meeste met de denkbeelden der afgescheiden geesten (en voornamelijk met die qualitatief het meeste met den oergeest verschillende) in contact zijn.

Op blz. 143 hebben wij daarvan reeds gewag gemaakt en tevens gemeld dat de beweging der zelfstandigheid de denking moet bepalen en omgekeerd. Slechts bij de hemelbollen en, zooals hierboven gezegd is, bij een grootst eindig deel van den ether bestaan er nu veranderlijke bewegingen (ofschoon te zamen met onveranderlijke) en daar slechts zij veranderlijke denking kunnen bepalen en hierdoor bepaald worden, zoo volgt ook hieruit, dat slechts een grootst eindig maar betrekkelijk volstrekt nietig deel der denkbeelden van den oergeest veranderlijk en aan den op blz. 64 gemelden invloed der traagheid onderworpen kan zijn.

Men dient hierbij wel te onderscheiden de wederkeerige bepaling der beweging en denking der zelfstandigheid van de overeenkomst tusschen hetgeen op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en door denking bestaat. Een zich als iets onderscheiden veropenbarende op dit laatste gebied, is vergelijkbaar met een evenzoo onderscheiden iets op het andere gebied, maar wordt niet door zulk een onderscheiden iets hierop bepaald. De denking van eenig wezen wordt bijv. niet door iets onderscheiden op het gebied der veropenbaring door beweging bepaald, maar kan vergeleken worden met de bewegingen (de moleculaire ingesloten) van een hemelbol, terwijl omgekeerd de bewegingen hiervan niet door een onderscheiden iets op het gebied der denking bepaald worden. Zoo hebben wij bijv. het oerwezen met den ether vergeleken, terwijl ook bewegingen bij de massas der hemelbollen bijdragen om de veranderlijke denkbeelden van den oergeest te bepalen, en daarentegen veranderlijke bewegingen bij den ether voor een deel de denking der afgescheiden geesten kunnen bepalen.

De enkelvoudige etheratomen zullen misschien oneindig klein zijn, oneindig digt bij elkander zijn gelegen, en in een oneindig kleine tijden trillingen maken, voor zooverre deze niet ontstaan door den invloed van hetgeen op de hemelbollen plaats heeft, zooals bijv. wel het geval is bij de ethertrillingen der stralende warmte. Zulke binnen een oneindig kleinen tijd zich herhalende bewegingen kunnen nu in zekeren zin als een onveranderlijke bewegingstoestand beschouwd worden en onveranderlijke denkbeelden bepalen. Elk der moleculen der ligchamen, een oneindig aantal etherdeelen bevattende, zal voorts op een eindige distantie van andere moleculen gelegen zijn.

De op blz. 159 gemelde bollen, zullen, naarmate zij trager gemiddeld naar buiten dringen, in grooter aantal op concentrieke boloppervlakken, het middelpunt, van blz. 161 tot middelpunt bezittende, gelegen zijn, en bij al die boloppervlakken de naar buiten dringende massa gemiddeld even groot moetende zijn, zoo zullen aldus de uiterst groote bijna etherachtige bollen met zeer kleine gemiddeld buitenwaarts gerigte snelheden kunnen volstaan. Voorts zal de ether, ter vergrooting der massa dier bollen strekkende, naar binnen stroomen en met de landwaarts zich verplaatsende dampen te vergelijken zijn, zoo men die zich vergrootende bollen met de rivieren, en de ether met den Oceaan en het dampkringswater vergelijkt.

Elk verschijnsel ondervindt den invloed van eene reeks van verledene en oefent invloed uit op eene reeks van toekomstige verschijnsels, doch doet zulks minder, naarmate deze verschijnsels verder in het verleden en in de toekomst gelegen zijn. Zoo nu een bestanddeel van een zamengesteld verschijnsel in het heden min of meer verflaauwd bevat is in zamengestelde verledene of toekomstige verschijnsels, kan men zeggen dat wat van het verleden nog en wat van de toekomst reeds in het heden bevat is, en dit zal in sterkere mate het geval zijn, naarmate zulke bestanddeelen van verschijnselen in het heden minder veranderlijk en tevens meer algemeen zijn. Zoo bijv. een volk eene ingewortelde liefde voor een vorstenhuis bezit, moet die liefde, ofschoon in flaauwere mate, zoo zij door de daden dier vorsten later niet opgewekt wordt, in de toekomst nog bestaan en alsdan op den toestand van dit volk, waaraan inmiddels eene andere dynastie opgedrongen kan zijn, van invloed zijn. Van de toekomstige omstandigheden van dit volk is aldus reeds een deel in het heden bevat. De aard van zulk een volk, een minder veranderlijk en meer algemeen verschijnsel als de populariteit van eene dynastie, zal aldus in de toekomst minder verzwakken dan die populariteit en veel langer dan deze van noemenswaardigen invloed zijn op de lotgevallen van zulk een volk. Als zulk een verschijnsel kan ook beschouwd worden de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel, waardoor die stad, terwijl de beschaving toeneemt, zulks in rijkdom en uitgestrektheid moet doen. De verheffing van zulk eene stad in de toekomst, zoo accidentele oorzaken dit niet tegengaan en in dit geval zekeren wederstand aan accidentele oorzaken van verval, is aldus een feit reeds in het heden begrepen, doch, evenmin als het karakter eener natie, is de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel iets dat door eene volstrekt constante oorzaak steeds in stand gehouden wordt.

Die van Amsterdam is bijv., door het ondieper worden der Zuiderzee en het vergrooten van het charter der schepen, na gedurende de opkomst der zeevaart tijdens de middeleeuwen in waarde gestegen te zijn, na de zestiende eeuw van lieverlede vermindert, en evenzoo zal het toenemende verkeer tusschen de volken de eigenaardigheden van den Nederlandschen volksaard van lieverlede uitwisschen. Kenden wij uitmuntend den aard onzer ziel, zoo zouden wij welligt door aanschouwing er bij gewaar worden eene constante oorzaak, haar in ontwikkeling trachtende te doen toenemen. Die oorzaak zou aldus een verschijnsel zijn van een onveranderlijk en algemeen karakter, en het gemiddeld minder ontwikkeld zijn eener ziel, naarmate men hoever ook in derzelver verleden teruggaat en het gemiddeld meer ontwikkeld zijn er van, aan hoe verder afgelegen toekomstige tijden men denkt, iets zijn in den huidigen toestand dier ziel bevat.

Het is aldus klaar dat, naarmate verschijnsels in het heden, door meer onveranderlijk en algemeen te zijn, de verledene en toekomstige toestanden meer bepalen, zij absoluut belangrijker worden en eene ruimere plaats in de denking van eenig wezen zouden innemen, zoo diens inzigt in den tijd niet beperkt ware. Bij den oergeest dit laatste het geval niet zijnde, zoo moet bij dit wezen het denken aan de volstrekt algemeene en onveranderlijke verschijnsels oneindig maal sterker zijn, dan dat over de veranderlijke en niet volstrekt algemeene, welke slechts bij en door den invloed van eindige wezens en eindige hemelbollen ontstaan. Het denken betreft steeds min of meer direct de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, doch, naarmate de geestontwikkeling grooter is, is de kennis dier veropenbaring der zelfstandigheid door beweging rijker en van meer beteekenis en wordt zij algemeener en dieper opgevat (zooals bijv. bij sterker onderzoek der oorzaken der verschijnselen en der werking der Natuurwetten). In den allerhoogsten graad behoort men zoo iets te veronderstellen bij de denking van het oerwezen, doch men hierbij geene kennis ontstaan door het afleiden van het onbekende uit het bekende door oordeelen en raden, maar slechts eene, door directe aanschouwing van het tegenwoordige verkregen, moeten veronderstellen. De ether niet onder den invloed der er van onderscheiden hemelbollen zijnde, maar waarmede deze, na het bereiken eener oneindige grootte zamensmelten, vormt eene oneindige massa en deszelfs bewegingen moeten aldus bepalen de oneindige en onveranderlijke denkbeelden van den oergeest (de geesten, nadat deze eene oneindige grootte bereikt hebben en er mede qualitatief gelijk geworden zijn in zich bevattende). Daar nu die denkbeelden moeten betreffen dienzelfden ether, beschouwd als eene oneindig rijke en diepe veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en oneindige en onveranderlijke verschijnsels te weeg brengende, zoo moet het gezegde, dat het oerwezen verzonken is in de contemplatie van zich zelf en er voor al het algemeenste van het verledene en toekomende door het huidige bepaald is, waar zijn.

De zelfstandigheid, wier veropenbaring door beweging al de veranderlijke verschijnselen bij de eindige hemelbollen en die bij den ether, voor zoo verre deze den invloed van die bollen ondervindt, vormt, kan kwalijk zich door denking veropenbarende, bij het oerwezen anders dan eindige en veranderlijke denkbeelden te weeg brengen. Zoo deze echter slechts de kennis van het thans bestaande bevatten, voor zoo verre dit voor volmaakte aanschouwing vatbaar is, en die van het verledene en toekomstige, voor zooverre deze in het tegenwoordige vervat zijn, zal die kennis volmaakt juist zijn. Van eene kennis zooals wij menschen bezitten, waarbij uit de beschouwing van verschijnselen afgeleid is het bestaan van zekere natuurwetten en, door het bestaan zulke wetten te stellen, tot het aanwezig zijn van andere verschijnsels besloten wordt, moet zij aldus onderscheiden zijn. De wetenschap van wetten dient bij de kennis van het oerwezen bevat te zijn in de aanschouwing van al de er door te weeggebragte verschijnsels, want slechts dan kan zij geheel zeker zijn. Die veranderlijke denkbeelden van den oergeest (door zijne onveranderlijke denkbeelden oneindig maal in sterkte overtroffen wordende) moeten niet als deze laatste slechts betreffen de bewegingsveropenbaring van het geheel van bewegingen m welke die denkbeelden bepalen en er door bepaald worden, evenmin als zulks bij ons menschen het geval is. Het geheel van beweging, onze denking bepalende, vormt toch geen verschijnsel op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, waarmede onze denking zich alleen bezig houdt, ja zij is zelfs onnaspeurlijk voor onze zintuigen. Die bewegingen m moeten echter van invloed zijn op andere bewegingen, bijv. die waardoor de organisatie der planten en dieren gevormd wordt en deze omhoog drijven en voor de levensomstandigheden waarin zij verkeeren geschikt maken. Minder naauwkeurig, aangezien denking slechts op denking en niet direct op bewegingen van invloed is, zou men kunnen zeggen, dat door de denkbeelden van den oergeest door de bewegingen m bepaald, die organisatien op eene wijze, direct uit de bestaande gebreken voortvloeijende, voor derzelver levensomstandigheden geschikt gemaakt worden. Wegens de kracht waarmede het bestaande, of dit al of niet moge voldoen, onveranderd tracht te blijven, of anders gezegd wegens de werking der traagheid, zullen die verbeteringen te laat plaats hebben, doch zij kunnen niet ten gevolge van zulk eene onzekere en indirecte aanschouwing der gebreken en niet in zulk een indirect verband hiermede aangebragt worden als de verbeteringen van ons menschen voortspruitende. Het oordeelen of deze of gene verbetering te verkiezen is, zal er aldus niet bij kunnen plaats hebben. Het aannemen van die bewegingen zonder er door bepaalde denking heeft sommige menschen geleid tot het ontkennen van doel in de natuur, terwijl het niet aannemen van zulke bewegingen, maar wel van die denking, andere menschen geleid heeft tot de miskenning van het noodwendig uit elkander voortvloeijen der stoffelijke verschijnsels.

Elk verschijnsel bevat iets bijzonder, tot alleen eigen, voorts iets meer algemeen en minder veranderlijk, dat het met meer soortgelijke verschijnsels gemeen heeft, iets nog meer algemeen en nog minder veranderlijk, dat het met eene grootere verscheidenheid van verschijnsels gemeen heeft enz.

Een verschijnsel is het bijv. dat een dier des winters eene zwaardere vacht verkrijgt. Het meest bijzondere hiervan bestaat in de eigenaardigheden dier vachtverzwaring bij dit eene dier verscheiden van die in het algemeen bij de dieren dierzelfde soort bestaande, het minder bijzondere, in het eigenaardige der verzwaring der vacht bij de gansche soort, het meer algemeene, in het eigenaardige der natuurlijke beschutting van al de diersoorten tegen koude, het nog meer algemeene, in dat van derzelver beschutting tegen schadelijke invloeden in het algemeen en het meest algemeene, in dat der beschutting der levende organisme op al de wereldbollen tegen schadelijke invloeden in het algemeen. Bij elk verschijnsel, bij elk in vachtverzwaard dier kan het meer bijzondere niet bestaan, zonder het meer algemeene, doch wel omgekeerd, en kan de zorg voor het meer bijzondere niet bestaan zonder die voor het meer algemeene en is dit laatste iets van meer gewigt dan het eerste. Men kan die geschiktmaking der organisatiën der dieren voor derzelver levensomstandigheden vergelijken met het in goeden gang houden van machines van verschillend maaksel, tot verschillende einden dienende en aan allerlei storende oorzaken blootgesteld. De hiervoor te nemen maatregelen zullen dan, deels voor elk dier machines verschillende, doch deels ook voor alle dezelfde worden.

Behalve die gedurige verbetering van zulke machines kan men eene beschouwing van derzelver goede werking aannemen. Wij menschen zouden, niet alleen wegens den aard onzer zintuigelijke waarneming, maar tevens ook wegens die onzer denkvormen, zulke machines achtervolgens bezigtigen, en, van de eene naar eene andere gaande, de denkbeelden betreffende de eerste latent maken. Men kan zich echter ook voorstellen dat, even als men het bespelen van al de instrumenten van een orkest tegelijk en niet achtereenvolgens hoort, al zulke machines te gelijk bezigtigd worden. Geschiedt zulks en verandert de werking van elk dier machines, zoo is de denking van den toeschouwer niet veranderlijker dan de taferelen die hij aanschouwt; terwijl dit daarentegen wel het geval is, zoo hij die veranderlijke werking dan bij de eene en dan bij de andere machine beschouwt. Dit kan met op blz. 182 gemelde in verband gebragt worden.

De bewuste aanschouwing der verschijnselen leidt niet alleen, zooals op blz. 119 gezegd is, tot onderzoek en verklaring er van, maar ook tot verificatie der waarde onzer begrippen over die verschijnselen. De eerste soort van bewuste aanschouwing betreft meer verschijnselen dan die waarvan den aard verklaard wordt, terwijl de tweede soort van aanschouwing der dingen (dieper en grondiger dan de eerste zijnde en waaronder bijv. behoort die van de telescopische planeet Neptunus), slechts van eenige dier verklaringen de waarde aantoont. Zoo nu die eerste soort van aanschouwing niet grooter werd, zou de kennis der verschijnselen en de controle hiervan door de tweede soort van aanschouwing zich van lieverlede, op derzelver hoogte stellen, die kennis aldus eindelijk volmaakt juist worden, en die tweede soort van aanschouwing alsdan direct den aard en het verband der verschijnselen aantoonen, zoodat men naar geene verklaringen er van zou te zoeken hebben. Zulk een eind toestand kan bij in geestontwikkeling toenemende en deze aarde tot standplaats bezittende wezens niet bestaan; doch, naarmate bij aardsche wezens de geestelijke ontwikkeling en eerstgemelde soort van bewuste aanschouwing minder toenemen, zal de controlerende aanschouwing minder ten achteren blijven, en de afwijkingen van dien eindtoestand geringer zijn. Dit bijv. kan bij de dieren het geval zijn, niettegenstaande bij hen de eerste soort van bewuste aanschouwing geringer dan bij ons menschen is. De werking der traagheid, waardoor bij ons menschen de sterkte der controlerende aanschouwing der verschijnselen ten achteren is betrekkelijk onze denkbeelden over den aard en de toedragt dier verschijnselen, maakt dat vele verschijnselen ons toevallig voorkomen. Kon men bijv. uiterst goed waarnemen op welk eene wijze een witte of zwarte bal blindelings uit eene bus (evenveel witte als zwarte ballen bevattende) getrokken wordt, zoo zou het trekken van een witten bal ons niet meer toevallig voorkomen.