Het kwaad, zoowel het zedelijke als het stoffelijke, bestaat in ongeschiktheid van het eene voor het andere en het is even eigen aan het veranderlijke, als de volmaaktheid zulks is aan het onveranderlijke.
Wegens de werking der traagheid, anders gezegd de neiging van alles om, zooals het geworden is, in stand te blijven, moet toch de op blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktwording tijd noodig hebben, om haar doel te bereiken, maar zullen daarentegen volmaakte toestanden bestendigd worden.
Het zedelijke kwaad, dat wij menschen verrigten en de inspanning en opoffering die deugdsbetrachting ons kost, ontstaan doordat onze geest niet op de hoogte is van de sedert de wording der maatschappij verhoogde eischen van ons zedelijk bestaan. Deze eischen vorderen opoffering van het genot in het heden ten bate, van het welzijn, zoo van andere menschen als van onze eigen toekomst. De eischen van het heil der onbeschaafde maatschappijen vorderen zoo iets veel minder, en die van den dierenstaat bijna niet. De dieren hebben toch bijna geen besef van hunne toekomst en kunnen zeer weinig zoo hiervoor, als voor elkander doen, en zoo elk hunner slechts zorgt voor zijne oogenblikkelijke behoeften, schiet hij bijna niet te kort in de vervulling der eischen van zijn zedelijk bestaan.
De, betrekkelijk de toeneming in beschaving der maatschappij, zeer langzaam opwaarts gestegen dierenstaat, maakt dat, wegens het effect der traagheid, niet alleen de dieren minder ten achteren zijn met betrekking tot de eischen van hun zedelijk bestaan en aldus betrekkelijk minder zedelijk kwaad doen dan de menschen, maar ook dat bij hen het lichaam betrekkelijk den geest minder ten achteren is dan bij ons menschen. Ons lichaam tracht ons toch naar het dierlijke en aldus achterwaarts te trekken, ten einde den geest voor zich geschikt te maken, terwijl omgekeerd onze geest het lichaam opwaarts moet trachten te halen, hetgeen, zoo de geest niet ophoudt met in ontwikkeling toe te nemen, steeds aanhoudt en, wel is waar door de hulpmiddelen der geneeskunde wat gemakkelijker gemaakt wordt, maar niettemin het trage lichaam steeds achterlijk zal doen blijven.
Ook de hartstogten kunnen hoog of laag zijn (het woord laag dan niet in den alsdan gebruikelijken zin bezigende). Wegens zooeven gemelde werking der traagheid, bezitten wij bijv. hartstogten, waaraan de dieren zich geheel kunnen overgeven, zonder aan de eischen, van hun zedelijk bestaan te kort te doen, doch die wij menschen sterk moeten bedwingen, omdat zij te laag voor de eischen van onze maatschappij zijn, te meer dewijl zij, wegens de hoogte waarop die maatschappij gestegen is, op eene meer uitgebreide schaal kunnen werken. Zie noot blz. 57.
Zelfs de menschen staan daarin op verre na niet gelijk. De toegeving aan hartstogten doet bijv. de wilden minder kwaad dan ons beschaafde, en zelfs bij ons is dit kwaad geringer bij de lage dan bij de hooge standen. Zoo bijv. zal grootspraak van een ijverigen en bekwamen werkman weinig ergeren en dit daarentegen in de hoogste mate doen in den mond van een beschaafd mensch.
Het op straat vechten van vischvrouwen maakt niet dezelfde indruk als dat van dames, en, dat wij daaromtrent aan beschaafde en niet beschaafde menschen verschillende eischen stellen, moet blijkbaar gegrond zijn op een verschil in de eischen van beider maatschappelijk en zedelijk bestaan.
Het ligchaam der vrouwen, van dat der mannen verschillende, moet, daar het den geest der eerste voor zich geschikt tracht te doen worden, deze van die der mannen doen verschillen, zoo anders beider geesten niet onderscheiden zouden zijn.
Voorts neme men in aanmerking; dat, terwijl het ligchaam, door met betrekking tot den geest te laag te staan, op eene directe wijze de vergrooting der geestelijke ontwikkeling belemmert, het deze op eene indirecte wijze, namelijk bij het gebruik der zintuigorganen en der ledematen, bevordert.
Voor soorten van geestontwikkeling, welke als de verhevenste binnen eenige onbeschaafde maatschappij beschouwd worden, (bijv. die betreffende den oorlog en de jagt) kan nu die indirecte werking van het ligchaam der mannen gunstiger zijn dan van het ligchaam der vrouwen, en vorderen nu de eischen eener maatschappij, dat de sexe, welke minder aan huis gebonden is, meer leert, zoo zal bij die sexe de intellectuele ontwikkeling verder dan bij de andere gedreven worden, en de opvoeding bij beide sexen niet van denzelfden invloed op de hartstogten zijn.
Die eischen kunnen nu langzaam in het voordeel der vrouwen, veranderen naarmate de maatschappij beschaafder wordt, doch zullen, wegens de werking der traagheid, gedurende die met zekere snelheid toenemende beschaving, steeds wat te veel in het voordeel der mannen gehouden worden. Van daar welligt dat de eischen van het welzijn der thans bestaande maatschappij vorderen, dat tusschen het de vergrooting der intellectuele ontwikkeling bevorderende onderwijs aan jongens en meisjes gegeven, het verschil geringer zij dan werkelijk het geval is. Neemt echter eenmaal de beschaving zeer weinig toe, zoo zal klaarblijkelijk dit verschil zoo groot worden als noodig en nuttig is.
Ter opheldering van het hierboven en op blz. 56 gemelde, moeten wij opmerken, dat er op de verschillende trappen van beschaving tusschen de geestontwikkeling niet slechts een verschil in quantiteit, maar tevens ook in qualiteit bestaat. Op lagen trap van beschaving bevat toch de geest veel denkbeelden over strijd, zoo met natuurlijke als met kunstwapens, want men wane niet dat er geene andere denkbeelden bestaan, dan die in woorden uitgedrukt kunnen worden. Integendeel worden er vele door oefening in de eene of andere zaak verkregen, waarbij dit het geval niet is en de dieren moeten slechts zulk eene soort van denkbeelden bezitten.
Het talent van een koorddanser zit bijv. niet in zijne beenen, maar in zijn geest. Hij bezit voor de spraak onuitdrukbare denkbeelden over de bewaring van het evenwigt door middel van zekere snelle bewegingen van het ligchaam, die een ander mensch, slechts van goede beenen voorzien, niet bezit.
Zoo echter zulk een koorddanser het koord niet meer beklimt en zich bijv. op de wetenschappen gaat toeleggen, zullen zijne denkbeelden over de middelen ter bewaring van het evenwigt, zich steeds in den latenten toestand, of, zooals men zegt, uit zijn hooft bevinden, zij in dien toestand van lieverlede door ook deels voor de spraak niet uitdrukbare denkbeelden over de wetenschappen verdrongen worden, en de kunstenaar van lieverlede voor het loopen op het koord onbekwamer worden.
Denkt men hierover na, zoo zal men gewaar worden, dat de waarde der wereld bestaat in den geest, anders genaamd de veropenbaring der zelfstandigheid door denking. Men bedenke bijv. dat, wanneer een zuigeling voor de eerste keer de aardsche voorwerpen ziet, wel is waar die aanschouwing tot het domein zijner denking behoort, maar nog geene beteekenis voor hem bezit. Die gezigtsvoorstellingen zijn voor hem even onverstaanbaar als voor een volwassen mensch, de woorden eener in eene hem onbekende taal uitgesproken redevoering. Door oefening, door met inspanning denken onder bezit van denkbeelden, in den niet latenten toestand verkeerende, moet het kind zich de beteekenis dier gezigtsvoorstellingen eigen maken, en, wanneer dit heeft plaats gegrepen, het ook met betrekking tot dit zien rijker in denkbeelden geworden zijn.
Waren zelfs de ligchamen der dieren en menschen onsterfelijk, zoo zouden zij niettemin, aan allerlei uiterst onregelmatig voorkomende accidentele omstandigheden blootgesteld zijnde, wegens gedurig gebrek aan geschiktheid lijden. Zulk een gebrek leidt echter tot geestinspanning en als gevolg hiervan tot vergrooting der geestelijke ontwikkeling. Het gemis van zulke accidentele afwijkingen van een gemiddelden standvastigen toestand zou aldus, zie blz. 47, leiden tot een toestand, waarin er, wel is waar, noch lijden, noch ongeschiktheid van het een voor het ander meer zou bestaan, maar tegelijk de prikkel tot verderen vooruitgang gemist zou worden.
De verhooging der geestelijke ontwikkeling der levende wezens door die hen lijden berokkende accidentele afwijkingen, sluit niet in dat elk dezer, (zooals bijv. die van den gemiddelden toestand der gesmolten stoffen binnen den aardkern, tijdens het bestaan van aardbevingen), zulk eene verhooging in geestontwikkeling teweeg brengt, dat er hierdoor eene vergoeding voor het er door teweeg gebragte nadeel ontstaat, noch zelfs dat zij elk, op zich zelve beschouwd, tot verhooging dier geestontwikkelingen zouden bestemd zijn1.
Dit zou eene kinderlijke en bekrompene wijze van natuurbeschouwing zijn. Slechts in zooverre men zulke accidentele of toevallige afwijkingen collectief met andere dergelijke afwijkingen beschouwt, valt in zekere mate zoo iets er van te zeggen, en wel in sterkere mate, naar gelang men hen collectief met meer andere soorten van accidentele afwijkingen beschouwt, en, slechts op een volstrekte wijze, wanneer alle mogelijke accidentele afwijkingen van gemiddelde toestanden te zamen beschouwd worden. Aldus, slechts in ruimte en tijd collectief beschouwd, vormen die afwijkingen iets algemeen en aanhoudend en, naarmate nu de natuurverschijnsels een meer algemeen en voortdurend karakter bezitten, komt het ons voor dat alles er bij meer voor elkander bestemd is2.
De eenvoudigheid der natuurwetten maakt bovendien dat tusschen oorzaken en gevolgen er zekere gelijkslachtigheid moet bestaan, zoodat van accidentele afwijkingen, zooals bijv. aardbevingen, stormen enz. bij het bestaan van zulke natuurwetten, aard niet kan bepaald worden door doelmatige wijzen om der menschen geestelijke ontwikkeling te verhoogen, aangezien dit laatste op geestelijk gebied behoort. Die eenvoudigheid dier wetten maakt, dat men kan leeren, terwijl de er door teweeg gebragte verscheidenheid en afwijkingen dit leeren bevorderen.
Was het verband tusschen oorzaken en gevolgen, zoo als de supranaturalisten beweren, dan zouden de natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn, dat de gevolgen van zekere gebeurtenissen onmogelijk zouden te gissen zijn en de ervaring geen leiddraad voor het handelen meer zou opleveren.
Van daar dat er in het practische leven evenmin zuivere supranaturalisten als zuivere fatalisten bestaan. De onwetenste schipper, nimmer van natuurwetten en eene daardoor teweeg gebragte gelijkslachtigheid van oorzaken en gevolgen gehoord hebbende, maakt bijv. uit den staat van den atmospheer op, welk weder er te verwachten is en rigt zich hiernaar in.
Even als Molieres bourgeois gentilhomme in proza sprak zonder dit te weten, zoo gedraagt zich aldus die schipper, zonder hiervan bewust te zijn, in strijd met zijne supranaturalistische religieuse beginselen, als naturalist, en neemt hij bijv. niet aan, dat voor of tegenwind van de zedelijke gehalte zijner passagiers afhangen, daar hij dan hun certificaat van goed gedrag zou moeten inzien, in plaats van op wolken en windwijzer te letten.
Hoe minder intellectueel ontwikkeld de menschen zijn, hoe meer onmiddelijk de verschijnsels uit elkander voortvloeijen, waarvan het verwachten der eene uit het voorkomen der andere opgemaakt dient te worden; en met hoe minder kennis der werking der Natuurwetten op stoffelijk en geestelijk gebied zij aldus kunnen volstaan. Hieromtrent gemaakte dwalingen zullen aldus door zulke menschen minder dan door meer beschaafde opgemerkt worden, en buitendien heeft het bijgeloof minder invloed op de handelingen, dan men wel denkt. In plaats van deze te doen afhangen van goede of slechte voorteekens, waardoor het toeval de wijze van handelen zou bepalen, vallen, naarmate, wegens naturalistische oorzaken, zekere handelingen al of niet geraden geoordeeld worden, die voorteekens goed of slecht uit. Vaak toch bedriegen de menschen zich zelf en zien zij hetgeen zij raadzaam achten te zien.
Wij hebben hierboven de directe en niet de indirecte gevolgen der verschijnsels in het oog gehad. Zoo is bijv. zeeziekte een direct gevolg der schommelingen van schepen ten gevolge der deining, maar de door deze teweeg gebragte bewondering en vrees, moet niet als een direct gevolg der golving der zee, maar als dat van zekere zinnelijke indrukken in verband met eene bestaande gemoedsgesteldheid beschouwd worden. Men heeft hierbij als ware eene andere reeks van oorzaken en daarmede gelijkslachtige gevolgen.
Behalve de gemiddelde plaats hebbende vergrooting der geestontwikkeling der soorten bestaat die der wisselende individuen dier soorten.
Deze, zeer gering bij de geboorte, klimt gedurende een beperkt aantal jaren tot de hoogte welke die der soort gedurende een veel grooter aantal eeuwen bereikt heeft; en daar die snelle verhooging der geestontwikkeling der individuen het gevolg moet zijn van eene snelle verhooging der levensomstandigheden, zoodat die individuen gedurig aan hoogere eischen moeten voldoen, zoo zal, wegens de werking der traagheid, bij elk individu die geestontwikkeling meer te kort schieten, dan bij de soort, zoo deze bijv. uit steeds op aarde voortlevende individuen bestond. In dit geval zou gewis de toename in geestontwikkeling der soort sneller zijn dan thans, daar bijv. eene generatie, op zeker tijdstip op den graad van geestontwikkeling harer soort staande, na bijv. 30 à 40 jaren een hooger standpunt van geestontwikkeling zal bereikt hebben, dan zoo op dit eerste tijdstip die generatie van ongeveer nul af aan alles moet leeren. In dit laatste geval zal zij echter gedurende zekeren tijd sneller in geestontwikkeling toenemen dan in het eerste, omdat in dit eerste geval er geen prikkel bestaat om zich op de hoogte der kennis van voorgangers te stellen. Dit geldt ook voor individuen van volgende generatiën met betrekking tot individuen van voorgaande, en vandaar dat bijv. menschen van hunne geboorte tot hun dertigste jaar meer leeren dan van af dien leeftijd tot hun zestigste jaar.
Van af den achttienden tot den dertigjarigen leeftijd is de verhooging der eischen der levensomstandigheden op het sterkste en vandaar dat alsdan de geestontwikkeling, wegens de werking der traagheid, het meeste te kort schiet, de menschen uit gebrek aan ondervinding de meeste dwaasheden en euveldaden verrigten en zich daardoor het meeste benadeelen. Zelfs de uitmuntendste opvoeding kan dit kwaad slechts gebrekkig wegnemen, daar de menschen veel minder van andere menschen dan door eigen ondervinding kunnen leeren.
Niet slechts dat, de snelle verhooging der menschen levensomstandigheden, de voor de vervulling der eischen dier omstandigheden gevorderde wijsheid meer te kort doet schieten, maar ook de accidentele veranderingen dier omstandigheden zullen, al wordt er hierdoor geene verhooging dier eischen daargesteld, wijsheid en ondervinding (wegens de op blz. 63 gemelde werking der traagheid) in gebreke doen zijn, wanneer er door, alsware nieuwe en onbekende toestanden daargesteld worden. Dit nu zal veel meer het geval zijn bij vrij kort, dan bij zeer lang op deze aarde vertoefd hebbende wezens, en aldus reeds wegens twee oorzaken de sterfelijkheid der individuen voor hen eene bron zijn van te kortschieten in wijsheid en ondervinding en dus ook van ramp, maar tevens van sterkere toeneming in geestontwikkeling gedurende een bepaalden tijd.
Evenzoo als des menschen geest ten achteren blijft betrekkelijk de eischen der levensomstandigheden, doet het ligchaam zulks betrekkelijk den geest. Dit vooruit-zijn van deze laatsten, waardoor op het ligchaam eene vooruittrekkende werking uitgeoefend wordt, doet dit lijden en kan het zelfs ongeschikt maken om tegelijk met eene juiste werkdadige denking te bestaan. Vandaar het somtijds idioot worden van geleerde kinderen.
Buitendien kan men op eene gebrekkige wijze op de hoogte zijn van hoogere levensomstandigheden dan die waarin men verkeert. Een kind kan bijv. in sommige opzigten te wijs zijn voor het kinderleven, zonder zelfs in dit opzigt, aan de eischen der levensomstandigheid van meervolwassenen te kunnen voldoen, niet wegens eene te lage, maar wegens eene scheve opvatting dier eischen. Zoo zal bijv. de republikeinsche regeringsvorm voor de Fransche natie, wanneer bij deze de eerbied voor de wet grooter en de bekoorlijkheid van het prestige van naam en roem geringer geworden zal zijn, geschikt worden, doch de alsdan vigerende republikeinsche constitutie waarschijnlijk beter zijn dan die gedurende het laatst der voorgaande eeuw en aldus in Frankrijk te vroeg ingevoerd3. Thans noemen zich de materialistische pantheïsten eene zeer geavanceerde partij op godsdienstig gebied, doch, wanneer het gros van het publiek op hunne hoogte gekomen zal zijn, zal dit geene hooger staande en minder kinderlijke, maar wel betere en minder eenzijdige godsdienstbegrippen dan zij aankleven. Krankzinnigheid, vaak ontstaande door het onvervuld blijven van wenschen, en waarbij het denken niet in overeenstemming is met de eischen der werkelijkheid, gaat, zooals bijv. bij sommige asceten, dikwijls gepaard met valsche voorstellingen van hoogere toestanden. Vandaar dat de geestelijke ontwikkeling van krankzinnigen gemiddeld niet lager is dan die van andere menschen en bijv. door Cervantes, bij Don Quichotte, zonder dezen onmogelijk te maken, vooral in het zedelijke op een hoog standpunt gesteld kon worden4.
Het achterlijk zijn van het eene met betrekking tot het andere, ontstaat alleen doordat de vooruitgang van het laatste dit alsware ten deele vernieuwd heeft, en is aldus een bijzonder geval der uitwerking der traagheid waardoor, wanneer iets verandert, iets anders, er mede in verband zijnde, niet terstond eene overeenkomstige verandering ondergaat.
Wat doen nu de geavanceerde beginselen bezittende menschen en partijen?
Zij ontwerpen instellingen, geschikt behoorende te zijn niet voor den bestaanden, maar voor toekomstige toestanden, en neemt men nu in aanmerking, hoe, door veranderingen in het verledene, de bestaande toestand nog min of meer nieuw is, zoo zal men beseffen, hoe veel meer nieuws veronderstelde toekomstige toestanden zullen opleveren, en hoeveel moeijelijker het wordt, om de eischen en aard hiervan dan van een bestaanden toestand te bepalen. Door menschen van evenveel talent en doorzigt ontworpen, zoo zullen ontwerpen van geavanceerde instellingen noodwendiger gebrekkiger zijn dan die van instellingen voor bestaande toestanden bestemd.
Door de ondervinding ingelicht, zullen daarentegen de ontwerpers van instellingen voor verleden toestanden bestemd, deze volmaakter maken dan de instellingen werkelijk gedurende die verleden toestanden bestaan hebbende, mits de aard dezer niet te zeer onbekend geworden is.
Zoo weten de menschen gemiddeld beter wat zij vroeger hadden behooren te doen, dan zij zulks vroeger geweten hebben en weten zij minder goed wat zij later zullen moeten verrigten, dan zij zulks later zullen weten.
De miskenning der eischen van dezen thans bestaanden toestand, het zonder zulks te weten, voor oogen houden van hoogere toestanden dan den thans bestaanden, benevens de zeer gebrekkige kennis van den aard en eischen er van, hebben aanleiding gegeven tot het ontwerpen en zelfs tot het voor een deel in praktijk brengen van allerlei wel is waar buitensporige instellingen, wetten en gebruiken, maar waarbij de meeste der ontwerpers, deze in dit opzigt, gene in eenig ander opzigt, iets voorgesteld hebben werkelijk voor hoogere maatschappelijke toestanden geschikt. Die ontwerpers zijn te vergelijken met de pionniers, welke in Amerika en Australie de ontginners van den bodem in de wildernis voorafgaan, dikwerf verdwalen zij, doch niettemin wijzen zij aan het hen achterna komende gros van het menschdom den te volgen weg.
Op wetenschappelijk en godsdienstig gebied is dit nu evenzeer het geval. De hierop geavanceerde stellingen en hypothesen, hoe eenzijdig, gebrekkig en somtijds zelfs buitensporig, bevatten meestal eenige vroeger onbekende waarheden, die wel vaak lang onbegrepen blijven, maar, telkens op nieuw verkondigt, eindelijk wortel schieten; terwijl, de tegelijk met hen voorgedragen dwalingen, van lieverlede in de vergetelheid geraken. Daar echter de wetenschap gemiddeld steeds voorwaarts gaat, houdt het opwerpen van geavanceerde stellingen niet op. Zekere dosis dwalingen, en wel gemiddeld eene grootere, naarmate de voortschrijding der wetenschap sterker is, blijft aldus steeds in omloop.
Nemen wij bijv. de stelling van Bouddha, dat alle bestaan een kwaad is, zoodat de mensch, door onderdrukking zijner begeerten en door zedelijke veredeling, moet trachten op te gaan in het Nirwana en zich te onttrekken aan eene wedergeboorte. Vooreerst verstonden Bouddha en zijne aanhangers onder Nirwana het niet, of wel de oplossing in de oneindige onveranderlijke denking onder verlies der eigenaardige menschelijke natuur, en verstonden zij onder bestaan alle zijn hoe ook, of wel gevarieerde op die van ons menschen gelijkende wijzen van bestaan. De tweede onderstelling komt ons de aannemelijkste voor, daar de stelling, dat men zich door veredeling moet voorbereiden voor het niet ongerijmd is, en omdat daarop, zelfs bij de traagste Oosterlingen, geen godsdienst te bouwen is.
In zooverre had echter Bouddha gelijk, dat veranderlijkheid bij het bestaan, wegens de werking der inertie-wet, ramp te weeg brengt, zoodat slechts eene, met onze geestelijke natuur niet overeenkomende onveranderlijke wijze van bestaan, met volmaakte zaligheid te vereenigen is en ook had hij gelijk door te stellen dat onderdrukking der begeerten, tot geluk leidt, doch hij had er bij moeten voegen, ook tot stilstand.
Was toch die tweede stelling van Bouddha aanbevelingswaardig, zoo zouden de menschen, even als Diogenes, hunne stoffelijke en geestelijke behoeften moeten trachten te verminderen, en in zooverre als de ontwikkeling van handel, industrie en wetenschap meer dient om nieuwe stoffelijke en geestelijke behoeften te scheppen, dan om aan reeds bestaande behoeften te voldoen, zij gebreideld moeten worden. Bij het onderwijs zou dan alles wat kan strekken om de leerlingen een hoogeren graad van beelding, dan voor den maatschappelijken toestand hunner ouders past, te doen geven, zorgvuldig geweerd moeten worden.
De indeeling der maatschappij in kasten behoorde alsdan weder te worden ingevoerd. Schadelijk voor den vooruitgang dier maatschappij, omdat de geest van routine er door opgewekt wordt en rijk begaafde individuen uit de lagere standen er door belet worden om op de maatschappij eene opheffende werking uit te oefenen, zoo bevordert daarentegen zulk eene indeeling de rust en tevredenheid, wanneer de kinderen van jongs af opgeleid worden voor de bekwame vervulling van den ouderlijken werkkring.
De gilden en het staatstoezigt over handel en industrie zouden alsdan weder ingevoerd en vrije handel afgeschaft moeten worden. De vrije concurrentie gaat toch gepaard met een strijd, waarin de knapste industrielen de andere ten gronde trachten te rigten, waarin zij op middelen peinzen, om in het bedriegen van het publiek elkander de loef af te winnen en waarin een ieder dus maar, ten bate der verhooging zijner geestontwikkeling, maar moet zorgen om niet de verliezende partij te zijn.
Wilden zou men slechts moeten trachten in den wilden toestand in gunstige omstandigheden te doen leven, maar zich overigens wel hoeden moeten om hen te beschaven, kortom men zou enkel aan de zucht tot geschiktmaking gehoor moeten geven. Dit echter wordt door de instinctmatige zucht tot vooruitgang, den mensch in veel hoogere mate dan de dieren deelachtig, onmogelijk gemaakt, maar tevens wordt, door het gehoorgeven aan die zucht, verklaard hoe de mensch, getooid met eene schoone, maar met distelen doorvlochte kroon, tegelijk is het verhevenste en het betrekkelijk onvolmaaktste, het edelst en het ongelukkigste wezen der aarde.
Even als bij snellen gang troepen niet meer opgesloten blijven, maar zich verdeelen op den weg, doet de betrekkelijke snelle toeneming in geestontwikkeling van den mensen een groot verschil in verhevenheid ontstaan tusschen zijne denkbeelden betreffende de eene en de andere zaak. Van daar zekere disharmonie, zekere tegenstrijdigheid bij zijn wezen, die gevoegd bij de uitwerking der met elkander strijdende neigingen naar geluk en naar vooruitgang, hem in zijn eigen oog, zooals Pascal zeide, tot een onbegrijpelijk monster maken5.
Des menschen geest neemt te snel in ontwikkeling toe, om voor blijvende aardsche ligchamen geschikt te zijn, daar de aarde zelve het streven dier ligchamen naar hoogere ontwikkeling (volstrekt niet in vergrooting der gezondheid bestaande) belemmert. Het is dan ook verkeerd te beweren, dat de waarde van den geest hand aan hand gaat met die van het ligchaam uit het oogpunt van gezondheid en goede werking der verschillende organen.
De menschen bijv. bezitten meer wijsheid, kennis en zelfs in het algemeen eene grootere geestelijke ontwikkeling, wanneer op hoogen leeftijd hun ligchaam gebrekkig geworden is, dan toen dit in vollen bloei verkeerde. Wanneer echter de zintuigen beginnen te begeven en alle bewegingen moeijelijker en vermoeijender worden, let men minder op hetgeen in de omgeving geschiedt en gezegd wordt. Geestelijk leeft men dan minder in het heden en op de plaats zelve waar men zich bevindt, en van daar het schijnbare gemis aan geheugen en die schijnbare botheid van geest welke de grijsaards met afgetrokken en diepzinnige personen gemeen hebben.6 Bij de kinderen heeft het tegenovergestelde plaats, hunne denkvormen gelijken meer op die der dieren dan die der volwassenen. Geheel vervuld met het heden en de omgeving, ontgaat er weinig aan hunne opmerkzaamheid, doch worden hunne vroeger gemaakte denkbeelden snel uitgewischt door andere, ten gevolge van nieuwe zintuigelijke indrukken ontstaan.
Ofschoon aan het leven gehecht, zouden de meeste menschen niet andermaal hun levensloop willen herhalen. Wel zouden zij wenschen hun, door inspanning en wegens gebrek aan ondervinding, onder betaling van leergeld, vooruitgeganen geest, aan een verjongd ligchaam te koppelen, doch niet in geestontwikkeling tot den kinderlijken toestand terug te keeren.
De geest kan overigens bij alle graden van ontwikkeling jong of oud zijn, daar zulks afhangt, of dat hij zekere toestanden en omgeving sedert kort begonnen is met bewustheid te aanschouwen, of dat hij hieraan reeds lang gewoon geworden is, of, met andere woorden, van het verkrijgen van nieuwe denkbeelden, of van het behouden der vroegere.
Werkte, bij de op eenigen hemelbol aanwezige ligchamen van wezens slechts de oorzaken hen voor de omstandigheden, door den aard van dien hemelbol opgeleverd, geschikt trachtende te maken, zoo zou zulk eene beschadiging dier ligchamen, dat het organische leven er niet meer bij mogelijk is, bij elke volgende generatie moeijelijker dan bij de voorgaande plaats hebben. Gemiddeld zou aldus elke generatie langer leven dan de haar voorgaande en van de, na een oneindig langen tijd bestaande, de ligchamen onsterfelijk zijn; terwijl reeds thans dit het geval zou zijn, zoo die constante oorzaak reeds gedurende eene eeuwigheid alleen gewerkt had.
Tegelijk er mede heeft echter de oorzaak, de organisatie dier ligchamen trachtende te verhoogen, gewerkt, en daar nu de snelheid waarmede zulks geschiedt, zoo als op blz. 72 verklaard is, juist het tegengestelde effect der voorgaande oorzaak te weeg brengt, beide oorzaken, vereenigt werkende, de organische ligchamen uit de stoffen van zekere hemelbollen gevormd, wel meer zamengesteld van bouw en hooger ontwikkelt, doch tegelijk meer teer en vernielbaar dan bij het gemis dier laatste oorzaak doen zijn.
Hoe geringer de toeneming in geestontwikkeling en aldus ook de verhooging der organisatie der ligchamen van wezens is, hoe zwakker de werking van de tweede der boven gemelde oorzaken wordt, en hoe bezwaarlijker aldus het leven der ligchamen van zulke wezens uitgebluscht moet kunnen worden. Van daar de taaiheid van het leven en den meer onbeperkten groei der lagere dieren. Het optreden van hen overheerschende namelijk bestrijdende hoogere dieren heeft echter voor die lagere dieren veranderde levensomstandigheden daargesteld, waarvoor eerstgemelde constante oorzaak, wegens de binnen geen beperkten tijd te overwinnen werking der traagheid, hen niet geheel geschikt kon maken. Hunne ligchamen moeten aldus voor die hoogere dieren verslindbaar zijn, en, korteren tijd bestaande, door groeijen niet zulk een omvang verkrijgen, als die der mede in ontwikkeling gelijk staande dieren, aan zulk eene overheersching niet blootgesteld. Van daar dat welligt de (zie blz. 30) binnen de sedimentaire lagen gevonden fossile weekdieren, levende voor dat de visschen optraden, grooter waren dan de heden bestaande weekdieren en dat de kruipende dieren van het secundaire tijdperk grooter waren dan de heden bestaande door vogels en zoogdieren overheerschte kruipende dieren.
Naar ons inzien kan aldus gesteld worden, dat kortere duur van het leven van ligchamen gemiddeld een teeken is van snelle toename in ontwikkeling en tevens van betrekkelijke onvolmaaktheid van geest en ligchaam.
Neemt een volk in beschaving af, zoo zullen na zekeren tijd, deszelfs instellingen en geestelijke ontwikkeling op de hoogte der eischen van den verminderden graad van beschaving zijn, een maximum bereikt hebben, na dien dalen, en voor de eischen der afnemende beschaving, wegens de werking der traagheid, te hoog blijven (zie Noot blz. 72). Al bleven echter de individuen steeds voortleven, zoo zou zulk een volk geruimen tijd in beschaving moeten achteruitgaan, voordat de nog stijgende geestelijke ontwikkeling dier individuen in elk opzigt op zulk eene hoogte zou gekomen zijn, dat zij aan de eischen der omstandigheden, door den trap van beschaving daargesteld, zou voldoen.
Nu kunnen zulke afnamen in beschaving slechts bij uitzondering, gedurende betrekkelijk korten tijd en gedurende den leeftijd der individuen slechts in geringe mate plaats hebben. Voor deze blijven aldus de eischen der levensomstandigheden gedurende hun leven toenemen, zoodat hunne geestelijke ontwikkeling er beneden en buitendien, wegens andere soorten van verandering dier omstandigheden (zie blz. 71), onvoldoende zal blijven.7
Hoe, wanneer de beschaving toeneemt, de zedelijke ontwikkeling der volken absoluut kan toenemen en nogthans even onvoldoende blijven, blijkt bijv. uit het gemis aan eerlijkheid, waarover men thans niet minder dan vroeger klaagt. Welligt zijn wij in geldzaken eerlijker dan onze voorouders vier à vijf eeuwen geleden, doch hoe uitgebreider is het finantieel verkeer geworden, hoe noodzakelijker het is geworden, dat men op de eerlijkheid van anderen staat kan maken.
De opvoeding van een timmerman duurt bijv. korter dan die van een staatsman, en niettemin levert gene gemiddeld beter werk dan deze en zullen er over de kunsten van koorddansers gemiddeld minder aanmerkingen dan over de verzen van dichters te maken zijn. Slechts in zooverre de lagere klasse aan dezelfde eischen als de hoogere moet voldoen, vertoont zij zich betrekkelijk onvolmaakter dan deze, terwijl, wanneer die eischen evenredig zijn met de graden van beschaving van beide klassen, de lage het in betrekkelijke zedelijke volmaaktheid van de hooge wint. Dit zou echter het geval niet zijn, zoo de menschen tot hoogere klasse behoorende, langer en alsware langzamer leefden dan die van lagere klassen, zoodat zij niet sneller dan deze in geestontwikkeling moesten toenemen.
De graad van beschaving of geestelijke ontwikkeling der menschen zal, na gedurende zeker tijdvak vertragende gestegen te zijn, dit op deze aarde eenmaal niet meer noemenswaardig moeten doen.
De beperktheid der zintuigelijke aanschouwing is toch onvereenigbaar niet eene onbepaalde geestontwikkeling en, naarmate de drang tot vergrooting hiervan zwakker is, zal die grens, waarboven de geestontwikkeling niet meer noemenswaardig stijgt, lager gelegen zijn, even als, naarmate een steeds aanhoudende wind zwakker is, de er door voortgebragte toenemende, maar eindelijk in sterkte circa standvastig wordende golving, geringer is.
Dit laatste nu ziet op de hoogere en lagere dieren, want ook deze bezitten, ofschoon in veel zwakkere mate dan de mensch, bewuste aanschouwing en zucht tot uitbreiding hiervan.
Zoo elk mensch steeds op deze aarde bleef voortleven zou hij, nadat zulk een eindtoestand der beschaving bereikt is, alles weten wat hij maar eenigzins in zijn stand wenschelijk zou achten te weten, omdat hij een onbepaalden tijd ter zijner beschikking zou hebben om een bij de maatschappij niet noemenswaardig meer toenemende dosis kennis op te doen. Hoe langer de individuen leven, hoe sneller het gansche menschengeslacht bij gelijken aanleg in kennis zal toenemen, omdat elke generatie alsdan meer tijd zal hebben om hare verkregene kennis aan het opkomende geslacht mede te deelen.
Hoe hooger de beschaving is, hoe meer elke generatie zal moeten leeren, en hoe betrekkelijk gebrekkiger de opvoeding zal worden, al is het dat alsdan, wegens de grootere zamenwerking en onderlinge gemeenschap der menschen, de mededeeling van wetenschap aan de jeugd gemakkelijker geschiedt.
Elke generatie zal aldus op lateren leeftijd meer in kennis moeten toenemen, om zich op de hoogte te stellen der kennis door het vorige geslacht bereikt. Dit zal nu gemiddeld wel geschieden en zelfs iets meer dan dat, zoolang de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing die vergrooting der wetenschap der aardbewoners niet belet, maar de zoo even gemelde oorzaak de vergrooting der kennis van het menschdom trager doen toenemen.
Van deze kennis zal alsdan elk individu een kleiner deel zich eigen kunnen maken dan tijdens het bestaan van een minder gevorderden trap van beschaving, elk individu alsdan, met betrekking tot het dan zoo zamengesteld geworden maatschappelijk leven, meer in ondervinding te kort schieten; zij alsdan gedurende hun leven wel sterker in geestontwikkeling dan thans toenemen, doch tevens meer teleurstellingen ondervinden; met betrekking tot hetgeen zij wenschen te leeren en te doen, minder en gebrekkiger leeren en doen, in een woord betrekkelijk onvolmaakter zijn dan tijdens het bestaan van lagere trappen van beschaving.
Zij die de individuen geschikt voor het leven op deze aarde wenschen te zien, zullen aldus door de toeneming der beschaving niet bevredigd worden. Wel integendeel zij, die de toename der geestelijke ontwikkeling der individuen, al zij het dat hierdoor hunne ligchamen gesloopt en hun leven verkort wordt, als het doel hiervan beschouwen.
De aanhangers van eerstgemelde levensbeschouwing (die der geschiktheid voor het aardsche), waartoe behooren de epicuristen, voegen den mensch toe: gedenk te leven, in den zin van gedenk op eene oordeelkundige wijze te genieten, tracht uwe gezondheid en welvaart te bevorderen, in vrede met andere menschen te verkeeren, bedenk dat slechts in een gezond ligchaam eene gezonde ziel kan huizen en weet dat onnieuwsgierigheid een zacht hoofdkussen voor een welgevormd hoofd is.
De aanhangers der tweede levensbeschouwing (die van den vooruitgang), waartoe de rationele stoïcijnen behooren, roepen daarentegen de menschen toe: gedenk te sterven, namelijk leef zoodat uwe geestelijke ontwikkeling op het oogenblik van het verscheiden hoog opgevoerd zij, offer hieraan op gezondheid en welvaart, schroom niet in strijd met anderen te komen en oneenigheid te stichten, wanneer het beginselen geldt het menschdom naar hooger leidende en tracht zoover mogelijk, door peinzen en denken, op het gebied van het buitenzinnelijke door te dringen.
Een gemiddelde tusschen beide soorten van levensbeschouwing komt ons voor de voorkeur te verdienen.
Dat onze geest ons ligchaam noodig heeft om werkdadig te denken en om indrukken van de buitenwereld te verkrijgen en dat de bloeijende toestand van het ligchaam, bij gelijke hoogte der organisatie hiervan, maakt dat het de streving opwaarts van den geest gemakkelijker kan volgen, en die streving aldus dan minder tegenwerkt, maakt het noodig, dat men in zekere mate een geschikt ligchaamsleven leidt en dat onze geest zich bezig houdt met het verkrijgen van hetgeen noodig is voor de behoeften van het ligchaam en aldus de wetenschap beoefent met het oog op het materiele en praktische nut. Dit een en ander maakt tevens dat wij aan den bloei van het ligchaamsleven en aan de welvaart van anderen zorgen moeten wijden, terwijl het leven in vrede met deze zamenwerking met hen gemakkelijker maakt, hetgeen weder strekt ter bevordering der vergrooting der geestelijke ontwikkeling. Eindelijk moet de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing grenzen stellen aan het doordringen van den geest op buitenzinnelijk gebied (zie later).
Van den anderen kant moet het ligchaam dienstbaar gemaakt worden aan de toename der geestontwikkeling om aldus de machine, slechts in zooverre in goeden staat gehouden worden, als de eischen van het gebruik er van zulks toelaten. Zelfs behoort men, om aan die eischen te voldoen, niet te schromen om de machine te verslijten en aan gevaar voor vernieling bloot te stellen. Ook moet de wetenschap, met het oog op die toename der geestontwikkeling, zelfs ten koste van stoffelijke welvaart beoefent worden.
Voorts behoort men zich jegens anderen zoo te gedragen, dat men hunne materiele welvaart in zekere mate ondergeschikt maakt aan de toename hunner geestontwikkelingen moet de deze bevorderende strijd van denkbeelden en beginselen niet aan eene te ver gedreven zucht naar eensgezindheid en vrede opgeofferd worden8. De liefde voor anderen moet niet alleen ten doel hebben om hen van lijden te bevrijden, of anders gezegd om hen geschikt te maken voor de omstandigheden waarin zij verkeeren, maar tevens om de zedelijke ontwikkeling, zoowel van hem die liefde betoont als van hem aan wie zij betoond wordt, te verhoogen, en zij aldus ook ten bate van den vooruitgang der individuen strekken.
Slechts, wanneer de liefde op deze wijze beschouwd wordt, kan het verstandig geacht worden zich groote offers op te leggen, ten einde op eene onzekere wijze het lijden van anderen een weinig te verminderen.
Het is waar dat, hoe hooger de geestelijke ontwikkeling der menschheid is, hoe meer de menschen zich om hunne natuurgenooten en om de belangen hunner eigen toekomst bekreunen en dit kunnen doen, doch het is er verre van af, dat het directe nut dat men, zoo voor anderen als voor zich zelf, op deze aarde sticht, de hiervoor genomen inspanning loont.
Ook nemen de menschen (tenzij oppervlakkig op gezag) niet gaarne onderrigt en teregtwijzing van anderen aan, zij leeren liever zelf en nemen hierdoor wel is waar trager in kennis toe, doch deze wordt alsdan dieper, inniger en minder vergeetbaar, terwijl hunne grootere en meer langdurige inspanning ten gunste van hun intellectuelen aanleg en van hunne geestontwikkeling in het algemeen werkt. Om een anders ideën goed te begrijpen, dient men zelfs (al zij het meer onbepaald en minder naauwkeurig) van zelf op die ideën gekomen te zijn.
Hoe moeten nu de aanhangers der epicuristische levensbeschouwing zich gevoelen op het gezigt eener omgeving weerbarstig in het aannemen van onderrigt, en wel is waar grif in het aannemen van materiele hulpmiddelen, doch slechts wanneer zij hierover naar goedvinden kunnen beschikken; op het gezigt van min of meer direct ten gevolge van hun individuelen vooruitgang lijdende menschen en dieren, waarvoor zij slechts zeer weinig kunnen doen? Zij die zulk eene levensbeschouwing aanhangen, het doel van het lijden aldus niet begrijpen en aan de liefde geene hoogere beteekenis geven dan om dit lijden te verzachten en, zoo der naasten als hunne eigen geestontwikkeling, elk oogenblik met vernietiging bedreigd achten, moeten geleid worden tot moedeloosheid, tot minachting van zich zelf en van anderen, tot gemis aan zedelijke kracht en moed om zich offers te getroosten ten behoeve van anderen of van eigen toekomst; tot het zich verdooven in de beslommeringen en genietingen van het heden; tot het ontvlugten van het lijden van anderen en zelfs tot ontkenning er van, omdat dit lijden een protest is tegen die slechts geschiktheid bij een aardsch bestaan noodig achtende levensbeschouwing.
Wanneer deze dan ook door de massas in praktijk wordt gebragt, moet zedelijk verval het gevolg zijn, zooals bijv. bij de Grieken en Romeinen tijdens het begin onzer jaartelling. De natuurwet, dat van een verschijnsel oorzaak en gevolg aan elkander tegengesteld zijn, deed echter toen hare werking gevoelen, namelijk dit zedelijke verval deed eene tegengestelde levensbeschouwing een kerkelijk gewaad aantrekken en, aldus geschikt geworden voor de massas, tot binnen deze dringen9.
Te weinig wijsgeerig om te weten, dat het lijden een gevolg is der werking der traagheid bij het veranderlijke en aldus ook bij het zich verheffende (zie blz. 63), zoo hebben de menschen niettemin een zeker besef, dat er geleden moet worden om opwaarts te streven en dit besef nu werd levendig in de levensbeschouwing van het Christendom, dat het lijden heiligt, op den weg ter heerlijkheid plaatst en door het zich omhoog heffende kruis zinnebeeldig voorstelt.
De aanhangers der épicuristische levensbeschouwing verdiepen zich ongaarne in de beschouwing der individuen, maar liever in die der in beschaving toenemende maatschappij, in die harer kunstgewrochten, in die der schoone en jaarlijks herlevende natuur. Doch is de duur van dit alles zoo zeker, kunnen betrekkelijk snelle en groote veranderingen bij de aardkorst en het gasvormige omkleedsel onzer planeet dit alles niet vernietigen? Buitendien die schoone organische natuur maskert een slagveld, een strijdperk waarop dieren en planten al strijdende hoogere organisatiën verkrijgen en zich individueel trachten te verheffen en buitendien, waartoe leidt die toenemende beschaving? Naar aanleiding van het op blz. 83 gemelde, tot sterkeren vooruitgang der individuen gedurende hun leven, maar volstrekt niet tot hun geluk of geschiktheid voor de omstandigheden waarin zij verkeeren.
De maatschappij wordt gevormd door zamenwerkende individuen, en in het belang van beider vooruitgang is het noodig dat die individuen zekere zelfstandigheid behouden, en dat zij aldus geene levensbeschouwing, de individualiteit in minachting brengende, aanhangen.
Om te begrijpen, hoe het zedelijke verval eener maatschappij, derzelver beschaving achteruit moet doen gaan, behoeft men slechts te bedenken, welk een nadeeligen invloed vermindering van arbeid en vertrouwen op handel en industrie uitoefent. Zoo bijv. de menschen slechts werken om geld te winnen, zal hun arbeid geene vruchten opleveren van zulk eene gehalte, als wanneer men hem tevens ter vergrooting der geestelijke ontwikkeling, zoo van anderen als van zich zelf, doet strekken. Dit verschil, niet noemenswaardig bij grof handenarbeid, zal grooter worden, naarmate die arbeid van meer verheven aard wordt. Verder zal, zoo de winsten geringer worden, de productie van den arbeid insgelijks verminderen, en ook weder in sterkere mate, naarmate de aard hiervan meer verheven is10.
De vergrooting der hulpmiddelen der wetenschap maakt dat de vruchten van den arbeid grooter worden, terwijl de vergrooting der digtheid der bevolking eene tegenovergestelde werking uitoefent. Gedurende de toeneming der beschaving en der volkrijkheid komt ons de toeneming der hulpmiddelen der wetenschap eerst en die der digtheid van bevolking later de overhand te moeten hebben.
Volstrekte overbevolking, wegens gebrek aan te bebouwen bodem, kan wel is waar niet gezegd worden te bestaan, zoolang die bodem nog een mud graan, of het voedsel voor een rund meer kan opbrengen, iets wat overal het geval is, doch dit belet niet, dat, het digter worden der bevolking, den arbeid, noodig om bijv. een mud graan voort te brengen, grooter doet worden. Minder arbeid zal er dus, naarmate (bij denzelfden trap van beschaving) die digtheid der bevolking grooter wordt, besteed kunnen worden aan de vervaardiging van voorwerpen niet volstrekt onmisbaar voor de menschen onderhoud, minder van zulke voorwerpen zullen er aldus dan te verkrijgen zijn voor hen, die hen dan met de winsten, door hun arbeid opgeleverd, willen koopen.
Wel is waar zullen de meer beschaafde menschen steeds meer behoeften hebben dan de andere en grootere rijkdom aldus voor hen eene noodzakelijkheid blijven, doch dit overwigt in geestelijke ontwikkeling zich (wanneer de digtheid der bevolking grooter is met betrekking tot de beschaving) meer door hare innerlijke waarde en minder door uiterlijk vertoon veropenbaren.
De kleinere verschillen in rijkdom, bij het kleiner zijn der winsten van den arbeid, kan men vergelijken met het meer opgesloten zijn der op blz. 77 gemelde manschappen, naarmate deze gemiddeld trager loopen. Het verschil in snelheid tusschen de verschillende manschappen zal hierdoor evenzoo verminderen, als dat der gemaakte overwinsten door het mindere gemak om overwinsten te verkrijgen. De neiging der manschappen tot opsluiting komt bij deze gelijkenis overeen met de uitwerking der verdeeling der rijkdommen bij het erven, met die der giften aan behoeftigen en met het effect van den grooteren prikkel voor armen dan voor rijken om geld te winnen, zie blz. 49.
Tegen hetgeen op blz. 86 gezegd is, zal men welligt aanvoeren, dat het kwaad, in ongeschiktheid van het een voor het ander bestaande, het zedelijke kwaad eerder moet af- dan toenemen, wanneer de menschen zich geschikter voor hun aardsch leven trachten te maken. Men dient hierbij echter te onderscheiden de eischen van het maatschappelijke en zedelijke leven van den mensch en die van zijn zinnelijk of ligchaamsleven.
De drang tot vooruitgang maakt dat de menschen die eerste eischen zoodanig verhoogen, dat, wegens de werking der traagheid, hunne geestontwikkeling er bij te kort schiet. Verlagende op deze werken nu de eischen van het zinnelijke leven en verlagende op de organisatie van het ligchaam de onbewerktuigde aardt. Deze vier zaken, waarvan nu de laatste onveranderlijk is, trachten op gelijke hoogte te komen en aldus voor elkander geschikt te worden, en, zoo nu de eerste verlaagd wordt, namelijk zoo de menschen trachten de maatschappij meer barbaarsch te doen worden en naar het dierlijke terug te brengen, zullen zij tot elkander naderen en de menschen werkelijk betrekkelijk beter worden.
Zoo bijv. eene generatie in geestontwikkeling minder toeneemt dan de vorige, zal de werking, de toeneming in ontwikkeling van het ligchaam bevorderende, hierbij ook eenigzins kleiner dan bij de vorige generatie zijn. De laatste generatie zal aldus aan hare kinderen wat minder hoog ontwikkelde ligchamen achter laten dan zij van hare ouders ontvangen heeft, en de ligchamen dier kinderen zullen, door de werking van den geest, wat moeijelijker dan die hunner ouders in ontwikkeling kunnen toenemen. Bij die derde generatie zal aldus de toeneming der geestontwikkeling nog wat zwakker zijn dan bij de tweede, zoo zij zich, betrekkelijk haar standpunt van ontwikkeling, niet meer dan deze inspant, en dit zoo voortgaan; zoodat de mensch dan langs den op blz. 30 gemelden stamboom, alsware terug zal gaan, en, aangezien de geest der dieren ook opheffende en de onbewerktuigde aarde verlagende op hunne ligchamen werkt, die teruggang niet ophouden, voordat het punt van aanvang van dien stamboom weder bereikt is11.
Wanneer de menschen hunne geestelijke ontwikkeling, onder tegenwerking der eischen der zinnelijkheid, bijzonder verhoogen, zal zij, wel is waar, steeds in het een of ander ten achteren staan bij de eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven, doch die eischen en die ontwikkeling digter bij elkander komen en gene sneller opwaarts gedreven worden.
Het tegengestelde zal daarentegen plaats hebben, zoo, wegens den drang tot vooruitgang, men die eischen wel tracht te verhoogen, maar de geestelijke en vooral de zedelijke ontwikkeling, door het toegeven aan de eischen de zinnelijkheid, daalt. Dit laatste dan kan in zulk eene mate geschieden, dat de eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven en aldus ook de beschaving er sterker door omlaag getrokken, dan door den drang tot vooruitgang omhoog gedrongen worden. Zulk een geval, op blz. 86 bedoeld, is vergelijkbaar bij eene schuit, die een paard stroomopwaarts tracht te trekken, maar daartoe onvermogend is, zoodat dit paard (met die eischen der beschaving vergelijkbaar) achterwaarts moet stappen, omdat de spanning der treklijn (met de betrekkelijke zedelijke slechtheid der menschen vergelijkbaar) groot is.
De groote afstand tusschen de beschaving der menschen en de organisatie van hun ligchaam maakt dat de beschaving middelen aanbiedt om zinnelijk te genieten en tevens dit ligchaam te benadeelen, iets dat bij dieren slechts in veel zwakkere mate bestaat, en bijv. het geval is bij hen, welke de epicuristische levensbeschouwing op eene verbasterde wijze in praktijk brengen, namelijk bij hen die zich aan grove zinnelijke lusten overgeven en onverschillig worden voor de geestelijke ontwikkeling zoo van anderen, als van zich zelf, zie blz. 87.
De verbasterde opvatting der tegenovergestelde levensbeschouwing ontmoet men bij de asceten, die, om alle zinnelijkheid te vernietigen, hun ligchaam martelen, dit alzoo minder bekwaam maken, om op eene indirecte wijze de vergrooting der geestelijke ontwikkeling te bevorderen en deze laatste zooals zij die opvatten, zoodanig ter harte nemen, dat zij andersdenkenden vervolgen12.
Vele menschen zijn in het eene punt de eene en in tegengestelde het andere de levensbeschouwing toegedaan, doch steeds zullen die onderdeelen hunner levensbeschouwing zich in harmonie met elkander trachten te stellen.
Een gemiddelde tusschen beide dient echter in innigheid en wetenschappelijkheid toe te nemen, naarmate de beschaving zulks doet, en aldus de instinctmatige aandrang en tot geschiktheid en tot vooruitgang, bij de dieren, zie blz. 64, voldoende, alsdan meer te kort schieten om de menschen in de school van het leven te leiden.
Het humanisme, zooals de aanhangers der epicuristische levensbeschouwing dit opvatten, zou slechts kunnen bestaan, zoo de menschen steeds op aarde bleven voortleven, de onbewerktuigde natuur niet de op blz. 91 gemelde terugtrekkende werking op der menschen ligchamen uitoefenende en de beschaving niet meer toenam. Wegens de neiging der dingen om, wanneer geene oorzaken dit tegengaan, harmonisch met elkander te worden, zouden dan de eischen van zedelijke en maatschappelijke leven, de geestontwikkeling, de eischen van het zinnelijke leven en de organisatie der menschelijke ligchamen zich op dezelfde hoogte stellen, en de betrachting van het goede geene opoffering meer kosten en niet meer in strijd zijn met het genieten in het heden.
Die toestand zou echter, zelfs bij zulk eene aardsche onsterfelijkheid deelachtige wezens, niet mogelijk zijn, zoo de onbewerktuigde aarde de organisatie hunner ligchamen omlaag trok, daar dit tegengegaan zou moeten worden door eene even sterke hen omhoog trekkende werking en deze niet zou kunnen bestaan, zoo der menschen geestontwikkeling niet hooger dan die hunner ligchamelijke ontwikkeling stond, en door hoogere eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven, die geestelijke ontwikkeling niet, tegen omlaagtrekking er van door de eischen van het zinnelijke leven, behoed werd13.
Een trap van beschaving, wegens de terugtrekkende werking der onbewerktuigde aarde voor geene verdere verhooging vatbaar, zal, wegens de op blz. 71 gemelde oorzaak, bij sterfelijke wezens niet zulk eene hoogte kunnen bereiken als bij ligchamelijk onsterfelijke. Die beschaving, door den eenen mensch in dit en door den anderen in andere opzigten opgedreven, zal eischen stellen voor het zedelijke en maatschappelijke leven, waaraan de menschen, wegens den korten duur van hun leven, nog minder zullen voldoen, dan zoo zij steeds op deze aarde bleven voortleven, aan den eenigzins hoogeren trap van beschaving, die dan bereikbaar zou worden.
In dit laatste geval zou toch die beschaving het werk zijn van de alsdan levende menschen, terwijl tot de werkelijk op deze aarde bestaande beschaving de vroegere generatiën bijgedragen hebben, zoodat zij voor elke volgende iets nieuws is.
De korte duur van ons leven maakt aldus dat wij in denzelfden tijd, om even goed te voldoen, in geestontwikkeling sneller moeten toenemen, dat wij dit wel eenigzins sneller doen, doch niet in zulk eene mate dat wij even goed voldoen als bij langer leven, dat onze taak zwaarder dan in dit laatste geval is en dat, wegens dien gevorderden snelleren aanwas in geestontwikkeling, de eischen van het zinnelijke leven meer ten achteren staan bij die van het maatschappelijke en zedelijke leven, zie blz. 71.
Het maatschappelijke verkeer maakt niet slechts, door die beschaving een hoogeren trap te doen bereiken en aldus het doel verder te stellen, dat wij onze geestontwikkeling sterker moeten vergrooten, maar tevens door het onderwijs, dat wij geholpen worden om nog sterker in geestontwikkeling toe te nemen.
Deze zou men kunnen vergelijken met een kapitaal, dat gedurende zekeren tijd van af circa nul gemiddeld vertragende toeneemt en alsdan renten afwerpt. Het totale bedrag hiervan is vergelijkbaar met de baten die iemands geestontwikkeling aan anderen verschaft, en zal, betrekkelijk het kapitaal, op het oogenblik dat dit ophoudt met renten af te werpen, meer bedragen naar gelang die renteafwerping langer duurt. Men kan zich nu voorstellen dat de inspanning, gevorderd voor de vergrooting van zulk een kapitaal, grooter is dan het nut door het totaal die renten voortgebragt.
Zoo echter dit totaal minder misbaar is, naar gelang die rente kleiner is, zal, na zekere vertraging bij de vergrooting van het kapitaal, het nut, door het totaal der kleinere renten voortgebragt, gelijk worden aan de inspanning gevorderd voor die mindere vergrooting van het kapitaal. Dit nu is vergelijkbaar met de grootere behoefte voor de leden eener maatschappij, wier zedelijke eischen tot zekere hoogte opgedreven zijn, om van de geestelijke ontwikkeling hunner medeleden te profiteren, naarmate zij zulks minder doen, of anders gezegd met de grootere behoefte aan het goede, naarmate het gebrek hiervan grooter is.
Wordt daarentegen het totaal der renten niet minder misbaar, naarmate het minder bedraagt, hetgeen te vergelijken is met het op blz. 90 gemelde geval, dat de eischen der beschaving van de maatschappij tegelijk met geestelijke ontwikkeling van derzelver leden verminderen, zoo is er geene reden waarom, na het ophouden der renteafwerping, gedurig zulke kapitalen verloren moeten gaan, en gedurig nieuwe van meet af aan vergaard moeten worden, zie blz. 85.
Schoonheid bestaat evenzeer als deugd in geschiktheid, doch, terwijl men iets deugdelijk noemt, wanneer het zekere geschiktheid bezit voor de omstandigheden waarin het verkeert, zoo noemt men daarentegen iets schoon, wanneer deszelfs deelen voor elkander geschikt zijn. Voor volmaakte deugdelijkheid wordt wel is waar dit laatste ook gevorderd, doch bij zekeren graad er van, kan van iets de geschiktheid der deelen voor elkander nog al te wenschen overlaten.
Verschillende typen van diervormen vinden wij bijv., wegens de juiste harmonie der deelen, schoon, maar daar onder behoort niet de vorm der miereneters, niettegenstaande de organisatie dezer dieren geschikt is voor het vangen en opslurpen van mieren.
Dit is evenzeer het geval op zedelijk gebied. Men zegt bijv. dat een deugdzaam mensch eene schoone ziel bezit, doch het komt ons voor dat het beter is te stellen dat eene schoone ziel zulk eene is, wier eigenschappen goed met elkander overeenstemmen en voor elkander geschikt zijn. De geniüs van het kwaad, zooals Milton die geschilderd heeft, kan bijv. kwalijk de bewondering opwekken als door zekere harmonie bij zijn zedelijken aard, die wij vermeenen morele schoonheid te moeten noemen.
De werking der traagheid bij veranderlijke en dus ook bij naar de hoogte strevende wezens, moet, zooals op blz. 53 gezegd is, de harmonie en geschiktheid voor elkander bij de deelen dier wezens verbreken en deze noodwendig leelijk maken. De aap, naar het ligchaam half mensch half dier, het vogelbekdier, van vogel tot zoogdier opklimmende, een wilde met vederen op het hoofd, een knods in de hand en een pantalon met souspieds aan de beenen, kwetsen evenzeer het schoonheidsgevoel als iemand, binnen eene beschaafde maatschappij handelende, zooals dit bij de wilde stammen gebruikelijk is, het zedelijk gevoel kwetst.
Men dient wel onderscheid te maken tusschen het schoone, of de innerlijke harmonie van iets, het goede, of de geschiktheid van iets voor hetgeen waarmede het in verband is, en de verhevenheid, of het behooren van iets bij hoogere phasen van bestaan.
Zoo noemen wij bijv. eene uitmuntende geteekende mestvaalt, waarin een varken wroet, eene goede, maar geene schoone en nog veel minder eene teekening van verheven genre. De getrouwheid der afbeelding geeft deze zekere geschiktheid voor ons en maakt haar aldus goed, doch eene verzameling van allerlei vuil en heterogene vodden kan kwalijk gezegd worden innerlijk harmonisch te zijn, terwijl het wroetende varken naar het grove dierlijke terugtrekt.
Wegens op blz. 64 gemelde de werking der traagheid binnen onze veranderlijke wereld, kan evenmin iets innerlijk volmaakt harmonisch zijn als precies passen voor alles waarmede het in verband komt. Bij het eene kan het eerste en bij iets anders het laatste meer het geval zijn en volmaakter zal iets zijn naarmate deugd en schoonheid beide in hoogere mate er in vereenigd zijn.
Het streven naar de hoogte van Natuur en Maatschappij maakt verder dat het schoone en goede in hoogere phasen van bestaan komen. Zoo staat bijv. de schoonheid van een insect lager dan die van een vogel, die van eene mosplant lager dan die van eene roos, die van een vogel lager dan die van een mensch, die van de kleeding en hut eener negerin lager dan die van het gewaad en woning eener beschaafde dame, niettegenstaande in elk dier gevallen de betrekkelijke schoonheid even groot kan zijn. Evenzoo is het met de deugd van zaken gelegen. Die van een spoorweg staat bijv. hooger dan die van een straatweg, die van een schietgeweer hooger dan die van een boog, die van ons burgerlijk wetboek hooger dan de burgerlijke gebruiken der Maories, die van eene fotografie hooger dan die eener silhouette, die van een gekleurd en met haren en nagemaakte oogen voorzien wassen beeld, hooger die van een bronzen beeld, niettegenstaande met betrekking tot hetgeen waarmede zij in verband zijn, elk dier zaken even goed kan voldoen.
Dit zal daarentegen, wegens de werking der traagheid, minder het geval zijn bij iets, naarmate men sneller van een lageren tot een hoogeren trap van deugd tracht te komen en van daar dat bijv. wassen poppen minder voldoen dan bronzen beelden. De betrekkelijke schoonheid van zaken zal ook door de sterkte van zulk eene opklimming vermindert worden, doch ook hierbij de gevolgen dier opklimming zich nog doen gevoelen, nadat deze geëindigd is, omdat alsdan de werking der traagheid, waardoor het eene met betrekking tot het andere achterblijft, door de werking, alles wel met elkander in verband is, voor elkander geschikt trachtende te doen worden, nog niet geheel overwonnen is. Zoo zal bijv. wanneer een troep soldaten verspreid wordt, ten gevolge van zijn snellen gang, eerst zekeren tijd, nadat de voorste man stilhoudt, de troep weder opgesloten zijn, en een wilde, in eene op dezelfde hoogte van vrij groote beschaving blijvende maatschappij gebragt, nog lang te laag ontwikkeld, voor de omstandigheden waarin hij verkeert, kunnen blijven. Stelt men bij nevenstaande fig. in plaats der bovenste letter a, a′, zoo zullen de ordinaten der kromme ab voorstellen de graden van beschaving van dien wilde, zoo hij bij zijne landgenooten bleef en die der kromme a′b′ de graden van beschaving van den kring waarin hij gebragt wordt. De kromme ab′, in dit geval de opklimming in beschaving van dien wilde voorstellende, zal nu de lijn a′b′ eerst eenigzins regts van aa′ raken.
Zoo de menschen zich direct voorgesteld hadden om het menschelijke gelaat volledig af te beelden, dan zou gewis de silhouette hen nimmer zoo goed voldaan hebben als thans de fotografie ons voldoet, terwijl, zoo zij zich tot taak stellen om zeer naauwkeurige afbeeldingen van schoone voorwerpen te maken, deze dezelfde blijvende, hunne afbeeldingen schooner moeten worden, naarmate die menschen in kunstvaardigheid toenemen.
Wij vermeenen hiermede aangetoond te hebben, dat de volmaakte schoonheid en deugd niet in eene veranderlijke wereld en bij veranderlijke wezens gevonden kunnen worden en voorts dat schoonheid en deugd, onafhankelijk van derzelver betrekkelijke grootte, op zeer verschillende standpunten van alsware volstrekte grootte kunnen staan.
Op deze aarde kan de volstrekte grootte, van schoonheid en deugd, even als die der kennis der waarheid, slechts eene beperkte hoogte bereiken, en nu kunnen wij ons wel wezens voorstellen, waarbij die volstrekte grootte van schoonheid en deugd, die van al de werkelijk bestaande menschen overtreft, doch dit is slechts binnen zekere grenzen mogelijk, willen zulke wezens voor ons te begrijpen blijven. De oude Grieken stelden zich hunne goden voor als wezens, niet slechts van groote ligchamelijke, maar ook van groote morele schoonheid in den zin als op blz. 97. Dier goden absolute grootte van zedelijkheid was, toen de Grieken nog barbaarsch waren, nog vrij wel boven die dezer laatste verheven, doch later toen die Grieken, ofschoon niet zedelijker met betrekking tot de intusschen verhoogde eischen van hun zedelijk en maatschappelijk leven geworden, desniettemin in zedelijke ontwikkeling geklommen waren, konden hunne goden, als voorbeelden van het goede en verhevene, hen niet meer voldoen. Hunne godsdienst strekte toen niet langer ter opheffing hunner zedelijke ontwikkeling en daar zij voortgingen met de eischen van hun maatschappelijk bestaan te verhoogen, moesten zij deze op eene meer gebrekkige wijze gaan vervullen.
Buitendien moet (zie blz. 77) bij denkbeeldige goddelijke wezens, wier geestelijke ontwikkeling men niet beneden die van menschen stelt, er, evenals bij ons menschen, disharmonie tusschen geest en ligchaam bestaan, zoo de ligchamen, die goden toegekend, innerlijk harmonisch gemaakte, of anders gezegd, verfraaide copijen van onze ligchamen zijn, en aldus, zie blz. 97, wel betrekkelijk, maar weinig of niet absoluut schooner en verhevener zijn als deze.
Dit hebben de stichters van den Islam begrepen en vandaar hun verbod om Allah, ofschoon zij dezen menschelijke denkvormen toeschreven, onder menschelijke gedaante af te beelden. Omdat het ligchaam der menschen lager staat dan hun geest, voldoet men zooveel mogelijk in het geheim aan de ligchaamsbehoeften en tracht men voor het gezigt beider disharmonie te verminderen door het ligchaam gedeeltelijk te bedekken en wel, naarmate de geest verhevener geacht wordt, door de ligchaamsvormen meer masquerende gewaden14.
De absolute grootte van deugd en schoonheid wordt niet alleen vermeerderd door de hulpmiddelen van hoogere beschaving, zie blz. 97, maar ook door het passen er van in meer verhevene spheren, in spheren waarin eene grootere geestelijke ontwikkeling als in het dagelijksche leven te huis behoort. Het er in ontmoeten der schoonheid, maakt het treden binnen zulke spheren aantrekkelijker en in zooverre kan men zeggen dat de schoonheid de menschen naar hooger opvoert. Dat zij dit steeds van zelf direct doet en afgezien van hetgeen waarbij zij opgemerkt wordt, vermeenen wij daarentegen te moeten ontkennen.