I.

I.

Een vogelvrijverklaarde.

»Eene belooning van duizend gulden aan hem, die dood of levend een der oude hoofden van den opstand der Sipayers uitlevert, gezien in het presidentschap van Bombay, den nabob1 Dandou-Pant, meer bekend onder den naam van....”

Dit was de bekendmaking, die de inwoners van Aurungabad konden lezen in den avond van den 6n Maart 1867.

De laatste naam,—door sommigen verfoeid en voor altijd vervloekt, door anderen in het geheim bewonderd,—ontbrak aan de afkondiging, die voor korten tijd was aangeplakt op den muur van een bouwvalligen bungalow, aan den oever der Doudhma.

Die naam ontbrak, omdat de onderste hoek van het aanplakbiljet, waar hij in groote letters gedrukt stond, was afgescheurd door de hand van een fakir (Mohamedaanschen bedelmonnik), die dit op den toen verlaten oever onopgemerkt had kunnen doen. Tegelijk met dien naam was ook de naam verdwenen van den gouverneur-generaal van het presidentschap van Bombay, die met den onderkoning van Indië de afkondiging onderteekend had.

Wat zou den fakir toch tot deze handeling bewogen hebben? Hoopte hij door het verscheuren van deze bekendmaking, dat de opstandeling van 1857 aan de algemeene vervolging en bestraffing van zijn persoon zou ontsnappen? Kon hij werkelijk gelooven, dat zulk een vreeselijke beroemdheid met de verscheurde stukjes van dat papier in het niet zou verdwijnen?

Dat ware dwaasheid geweest, want andere aanplakbiljetten in menigte verspreid, prijkten overal op de muren der huizen, der paleizen, der moskeeën, der hotels van Aurungabad. Daarenboven liep een omroeper door de straten der stad en las met luider stemme het besluit van het gouvernement. De bewoners der geringste gehuchten in de provincie wisten reeds, dat een gansch fortuin was toegezegd aan hem, die dien Dandou-Pant in handen van het gerecht zou stellen. Zijn naam was nutteloos vernietigd en zou, voordat er twaalf uren verloopen waren, de rondte van het geheele presidentschap gemaakt hebben. Indien de inlichtingen juist waren, indien de nabob werkelijk een schuilplaats in dit gedeelte van Hindostan gezocht had, leed het geen twijfel of hij zou weldra in de handen vallen van hen, die er groot belang bij hadden hem te vangen.

Welk gevoel had dien fakir dan toch wel bezield bij het verscheuren van een aanplakbiljet, waarvan reeds verscheidene duizenden exemplaren getrokken waren?

Een gevoel van toorn zeker,—misschien ook had hij toegegeven aan een opwelling van minachting. Hoe het zij, na de schouders te hebben opgehaald, drong hij door tot het volkrijkste, maar armoedigst bewoonde kwartier der stad.

Men noemt Dekan het uitgestrekte gedeelte van het Indische schiereiland, dat begrepen is tusschen de westelijke Ghatta (passen of gassen, straten) en de Ghatta van de golf van Bengalen. Dit is de naam, die gewoonlijk aan het zuidelijk gedeelte van Indië, aan de andere zijde van den Ganges, gegeven wordt. Dit Dekan, waarvan de naam in het Sanskriet »Zuid” beteekent, telt in de presidentschappen van Bombay en Madras, een zeker aantal provincies. Een van de voornaamste is de provincie van Aurungabad, welker hoofdstad eertijds die van geheel Dekan was.

In de XVIIe eeuw bracht de beroemde Mongoolsche keizer Aureng-Zeb zijn hof in die stad over, welke in de vroegste tijden van de geschiedenis van Hindostan onder den naam van Kirkhi bekend was. Zij had toen eene bevolking van honderd duizend inwoners. Tegenwoordig bezit zij er slechts eene van vijftig duizend, onder de heerschappij der Engelschen, die haar besturen uit naam van den Nizam (een vorstentitel) van Hyderabad. Toch is het een der gezondste steden van het schiereiland, tot nog toe gespaard door de zoozeer gevreesde Aziatische cholera en die zelfs nooit bezocht was geweest door de in Indië zoo geduchte koortsen.

Aurungabad heeft prachtige overblijfselen van haar vroegeren luister overgehouden. Het paleis van den grooten Mogol, aan den rechteroever van de Doudhma, het praalgraf van de begunstigde sultane van Shah Jahan, vader van Aureng-Zeb, de moskee, gebouwd volgens den sierlijken Tadje d’Agra, die zijn vier minarets rondom een bevallig geronden koepel ten hemel richt, nog andere monumenten, kunstig gebouwd, rijk versierd, getuigen van de macht en de grootheid van den beroemdsten overwinnaar van Hindostan, die dit koninkrijk, waarbij hij Kaboel en Assam voegde, tot een ongekenden trap van grootheid bracht.

Alhoewel de bevolking van Aurungabad, zooals wij reeds zeiden, sterk verminderd was, kon toch een man te midden van de zoo verschillende typen, waaruit zij was samengesteld, zich nog gemakkelijk verborgen houden. De fakir, hij mocht dan waar of valsch zijn, onderscheidde zich in niets van die volksmassa. Het krioelt van zijne gelijken in Indië. Zij maken met de »Sayeds” (muzelmannen uit het geslacht van den profeet) een lichaam uit van de godsdienstige bedelaars, die te voet of te paard een aalmoes vragen en deze weten te eischen, als men haar niet goedschiks geeft. Zij versmaden ook de rol van vrijwillige martelaars niet en genieten in de lagere rangen van het Hindoesche volk een groot vertrouwen.

De fakir, van wien hier sprake is, was een rijzig man van vijf Engelsche voeten negen duim. Indien hij ouder dan veertig was, bedroeg dit op zijn hoogst een paar jaar. Zijn gelaat herinnerde aan de schoone Mahratten-type, vooral door den glans zijner zwarte, levendige oogen; maar moeielijk zou men anders op dat door de kinderpokken vreeselijk geschonden gelaat de fijne trekken van zijn ras herkend hebben. De man was overigens in de kracht van zijn leven en vlug en sterk. Als kenmerkend teeken ontbrak hem een vinger aan de linkerhand. De haren rood geverfd, ging hij half naakt, barrevoets, een tulband op het hoofd, nauwlijks bedekt met een versleten, gestreept wollen hemd, om het middel toegehaald. Op zijn borst waren in levendige kleuren de zinnebeelden te zien van de twee behoudende en verwoestende beginselen der Hindoesche godenleer, de leeuwenkop van de vierde incarnatie (vleesch-mensch-wording) van Vishnoe, de drie oogen en de symbolische drietand van den woesten Çiva.

Evenwel heerschte er in de straten van Aurungabad een licht te begrijpen drukte, meer bijzonder in die waarin de cosmopolitische bevolking der geringe wijken zich samendrong. Daar krioelde het buiten de armzalige stulpen, die haar tot woning strekten. Mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, Europeanen of inboorlingen, soldaten der koninklijke of inlandsche regimenten, allerlei soorten van bedelaars, boeren uit den omtrek, ontmoetten elkander, praatten, gesticuleerden, behandelden de afkondiging en berekenden de kansen om de énorme som, door het gouvernement uitgeloofd, te winnen. De opgewondenheid der gemoederen zou niet grooter hebben kunnen zijn bij het rad eener loterij, waarvan de grootste prijs duizend gulden zou bedragen hebben. Men kan er zelfs nog bijvoegen, dat er ditmaal niemand was, die niet een goed briefje kon nemen: dit briefje namelijk was het hoofd van Dandou-Pant. Het is waar, dat men al zeer gelukkig moest zijn om den nabob te ontmoeten en daarenboven stoutmoedig genoeg om zich van hem meester te maken.

De fakir,—blijkbaar de eenige, die niet door de hoop bezield werd de uitgeloofde belooning te winnen,—bewoog zich te midden der groepen, bleef tusschenbeiden eens staan om te hooren wat men zeide, als iemand, die er misschien zijn voordeel mede kon doen. Maar hij mengde zich niet in de gesprekken, die gevoerd werden en, mocht zijn mond al stom blijven, zijn oogen en ooren liet hij niet ongebruikt.

»Duizend gulden om den nabob op te sporen!” riep er een uit, zijne kromme vingers ten hemel heffende.

»Niet om hem op te sporen,” antwoordde een ander, »maar om hem te vatten, dat een groot verschil maakt!”

»Dat zal waar zijn, want ’t is geen man om zich maar zoo weerloos te laten gevangen nemen.”

»Maar vertelde men onlangs niet, dat hij in de jungles van Népaul aan de koorts gestorven was?”

»Daar is niets van waar! De slimme Dandou-Pant heeft zich voor dood laten doorgaan, om met meer zekerheid in ’t leven te kunnen blijven!”

»Er had zelfs een gerucht geloopen, dat hij te midden van zijn kamp aan de grenzen begraven was!”

»Valsche lijkdienst om iedereen om den tuin te leiden!”

De fakir was een rijzig man. Blz. 3.

De fakir was een rijzig man. Blz. 3.

De fakir had geen spier van zijn gelaat vertrokken, toen hij dit laatste feit hoorde bevestigen op een wijze, die geen den minsten twijfel overliet. Doch wel rimpelde zich onwillekeurig zijn voorhoofd, toen hij een van de luidruchtigste Hindoes van de groep, waarbij hij zich gevoegd had, de volgende bijzonderheden hoorde vermelden, bijzonderheden, die al te juist waren om niet waar te zijn.

»Dat is zeker,” zeide de Hindoe, »dat in 1859 de nabob met zijn broeder Balao Rao en den ex-rajah van Gonda, Debi-Bux-Singh de wijk genomen had in een kamp, aan den voet van een der bergen van Népaul. Toen de Engelsche troepen hen aldaar te dicht op de hielen zaten, besloten ze alle drie de Indisch-Chineesche grens te passeeren. Doch, alvorens deze over te gaan, hebben de nabob en zijn twee metgezellen, om het gerucht van hun dood des te beter ingang te doen verschaffen, hunne eigen begrafenis bezorgd; maar ’t eenige wat men van hen begraven heeft, is een vinger van de linkerhand geweest, die ze zich op het oogenblik der plechtigheid hebben afgehouwen.”

»En hoe weet je dat?” vroeg een der toehoorders dien Hindoe, die met zooveel zekerheid sprak.

»’k Was tegenwoordig bij de begrafenisplechtigheid,” antwoordde de Hindoe. »De soldaten van Dandou-Pant hadden me gevangen genomen en eerst zes maanden later heb ik kunnen ontvluchten.”

Terwijl de Hindoe dit met allen schijn van waarheid vertelde, verloor de fakir hem geen oogenblik uit het gezicht. Zijn oogen schitterden. Hij had zijn verminkte hand voorzichtig onder de wollen lap verborgen, die hem de borst bedekte. Hij hoorde toe zonder een woord te zeggen, maar zijn lippen trilden en lieten zijne scherpe tanden bloot.

»Dus ken je den nabob?” vroeg men den ouden gevangene van Dandou-Pant.

»Ja,” antwoordde de Hindoe.

»En zou je ’m dadelijk herkennen, als het toeval je eens met hem samenbracht?”

»Zoo zeker als ik me zelven zou herkennen!”

»Dan heb je wel eenige kans om den prijs van duizend gulden te winnen!” antwoordde een der omstanders, niet zonder een gevoel van kwalijk verborgen spijt.

»Misschien....” hernam de Hindoe, »als het althans waar is, dat de nabob de onvoorzichtigheid gehad heeft zich tot in het presidentschap van Bombay te wagen, ’t geen me zeer onwaarschijnlijk voorkomt!”

»Wat zou hij er ook doen!”

»Zeker een nieuwen opstand trachten te bewerken,” zei een van de personen uit de groep, »zooal niet onder de Sipayers, dan toch onder de bevolking van de middenstaten.”

»Omdat het gouvernement verzekert, dat zijn tegenwoordigheid in de provincie gesignaleerd is,” hernam een der sprekers, tot die klasse van menschen behoorende, die meenen dat de overheid zich nooit kan vergissen, »moet het gouvernement in dit opzicht goed ingelicht zijn!”

»Welnu!” antwoordde de Hindoe. »Brahma (Brahmanen zijn de halfvergode priesters en wetgevers bij de Indiërs) geve dat Dandou-Pant mijn weg kruise, en mijn fortuin is gemaakt!”

De fakir trad eenige schreden terug, maar hij verloor den ex-gevangene van den nabob niet uit het oog.

Het was nu volkomen duister geworden, en toch verminderde de woeligheid in de straten van Aurungabad niet. Nog drukker deden de praatjes over den nabob de rondte. Hier zeide men, dat hij in de stad zelve gezien was, daar, dat hij reeds ver weg was. Men verzekerde ook, dat een renbode uit het noorden der provincie, den gouverneur de tijding van de inhechtenisneming van Dandou-Pant was komen berichten. Ten negen ure ’s avonds hielden de best ingelichten vol, dat hij reeds in de gevangenis zat in gezelschap van eenige Thugs, die er reeds langer dan dertig jaren wegkwijnden, en dat hij den volgenden dag, met het opgaan der zon zou gehangen worden, met niet meer formaliteiten dan dit met Tantia-Topi, zijn beruchten medeopstandeling geschied was, op het plein van Sipri. Doch, te tien uur, een andere tijding, geheel in strijd met de eerste. Het gerucht verspreidde zich namelijk, dat de gevangene bijna dadelijk had kunnen ontsnappen, hetgeen de hoop verlevendigde van allen, wien de premie van duizend gulden toelachte.

Werkelijk waren al die verschillende geruchten slechts praatjes. De best ingelichten wisten er niets meer van dan zij, die niet zoo goed of slecht op de hoogte waren. Het hoofd van den nabob was nog altijd den uitgeloofden prijs waard, het was nog altijd een benijdenswaardige buit.

Intusschen was de Hindoe, door het feit dat hij Dandou-Pant persoonlijk kende, beter dan iemand anders in staat de uitgeloofde belooning te winnen. Weinigen slechts, vooral in het presidentschap van Bombay, waren in de gelegenheid geweest het woeste opperhoofd van den grooten opstand te ontmoeten. Meer noordelijk en meer in het midden, in Scindia Bundelkund, in Oude, in de omstreken van Agra, van Delhi, van Cawnpore, van Lucknow, op het voornaamste tooneel der op zijn bevel bedreven wreedheden, zou de geheele bevolking zich tegen hem verzet en hem aan de Engelsche rechtspleging overgeleverd hebben. De bloedverwanten zijner slachtoffers, echtgenooten, broeders, kinderen, vrouwen, beweenden nog steeds hen, die de nabob bij honderden had doen ombrengen. Een tijdvak van tien jaren was niet voldoende geweest om de rechtmatigste gevoelens van wraak en haat uit te dooven. Het was dan ook niet mogelijk, dat Dandou-Pant onvoorzichtig genoeg geweest was zich juist in die provincie te wagen waar zijn naam door iedereen verfoeid werd. Indien hij dus, zooals men zeide, de Indisch-Chineesche grens weder was overschreden, indien een of andere onbekende drijfveer, zooals plannen van oproer of andere, hem bewogen hadden de veilige schuilplaats te verlaten, waarvan het geheim door de Engelsch-Indische politie nog niet ontdekt was, dan waren het alleen de provincies van Dekan, die hem een soort van veiligheid konden verschaffen.

Men ziet evenwel, dat de gouverneur de lucht van zijn verschijning in het presidentschap verkregen en dadelijk een prijs op zijn hoofd gesteld had.

Nu moeten wij echter doen opmerken, dat de leden der hoogere klassen, overheidspersonen, officieren, ambtenaars, de inlichtingen, door den gouverneur ingewonnen, wel eenigszins betwijfelden. Reeds zoo dikwijls was het gerucht verspreid geworden, dat de moeielijk te vatten Dandou-Pant gezien en zelfs gevangen was! Zoovele valsche tijdingen hadden ten zijnen opzichte de rondte gedaan, dat er een soort van legende in omloop was over de gave van alomtegenwoordigheid van den nabob en over zijn behendigheid om de bekwaamste agenten van politie om den tuin te leiden; maar onder het volk twijfelde men niet.

Onder de minst ongeloovigen bevond zich natuurlijk de oud-gevangene van den nabob. Die arme duivel van een Hindoe, uitgelokt door de belooning en daarenboven bezield door een behoefte aan persoonlijke wraak, dacht nergens aan dan om de campagne te beginnen en beschouwde zijn succes bijna als verzekerd. Zijn plan was zeer eenvoudig. Den volgenden dag reeds, stelde hij zich voor den gouverneur zijne diensten aan te bieden; daarna, na nauwkeurig vernomen te hebben waarop de in de afkondiging vermelde inlichtingen berustten, was hij van plan zich naar de plaats zelve te begeven waar de nabob gezien was.

Tegen elf uren ’s avonds, na zooveel verschillende praatjes gehoord te hebben, die weliswaar zijn denkvermogen in de war brachten, maar hem in zijn voornemen versterkten, dacht de Hindoe er eindelijk aan eenige rust te nemen. Hij had geen andere woning dan een schuit aan een der oevers van de Doudhma vastgelegd en hij richtte zich naar dien kant, droomende, met de oogen half gesloten.

Zonder dat hij er iets van merkte, had de fakir hem niet verlaten; hij zette hem na zonder zijn aandacht te wekken en volgde hem slechts in de schaduw.

Aan het einde van de volkrijke buurt van Aurungabad, waren de straten om dezen tijd minder druk. De voornaamste uitgang dezer buurt eindigde in eenige ledige terreinen, waarvan de eene zijde gevormd werd door een der oevers van de Doudhma. Het was een soort van woestijn, aan het uiteinde der stad. Zij werd slechts bezocht door eenige achterblijvers, die haar haastig doorliepen om zich naar de meer bezochte wijken te begeven. Weldra liet zich het geluid der laatste voetstappen hooren, maar de Hindoe merkte niet op, dat hij niet de eenige was, die langs den oever der rivier liep.

»Herkent ge me?” Blz. 10.

»Herkent ge me?” Blz. 10.

De fakir volgde hem altijd en koos de donkere plekken van het terrein, hetzij onder bescherming der boomen, hetzij dicht langs de sombere muren der hier en daar verspreide in puin gevallen woningen.

De voorzorg was niet overbodig. De maan was zooeven opgekomen en verspreidde een onzeker licht. De Hindoe zou dus hebben kunnen zien, dat hij bespied en zelfs dicht achtervolgd werd. De schreden van den fakir te hooren, ware onmogelijk geweest. Deze gleed op zijn bloote voeten voort eerder dan hij liep. Niet het geringste geluid verried zijn tegenwoordigheid aan den oever van de Doudhma.

Vijf minuten waren op deze wijze verloopen. De Hindoe bereikte als werktuiglijk de armzalige schuit, waarin hij gewoon was den nacht door te brengen. De richting, die hij volgde, was voor geen andere uitlegging vatbaar. Hij liep als iemand, die gewoon was elken avond deze verlaten plaats te bezoeken; hij was geheel verdiept in de gedachte van den stap, dien hij den volgenden dag bij den gouverneur ging doen. De hoop zich op den nabob te wreken, die zijne gevangenen nooit bijzonder zacht behandeld had, gevoegd bij de hevige begeerte den uitgeloofden prijs te winnen, maakte hem blind en doof.

Hij had dan ook niet het minste bewustzijn van het gevaar, dat hij door zijn onvoorzichtig gebabbel liep.

Hij zag niet, dat de fakir hem langzamerhand naderde.

Maar plotseling sprong als een tijger een man op hem toe, met iets bliksemends in de hand. Het was het maanlicht, dat het lemmer van een maleischen dolk bescheen.

De Hindoe viel, in de borst getroffen, met een doffen slag op den grond.

Evenwel was de ongelukkige, hoewel de stoot met een zekeren arm was toegebracht, niet dood. Eenige half uitgesproken woorden ontsnapten met een golf bloeds zijne lippen.

De moordenaar bukte zich naar den grond, pakte zijn slachtoffer aan, lichtte het in de hoogte, en, zijn eigen gelaat door het volle licht der maan latende beschijnen, zeide hij:

»Herkent ge me?”

»Hij!” prevelde de Hindoe.

En de vreeselijke naam van den fakir zou zijn laatste woord zijn, toen hij plotseling stikte en den laatsten adem uitblies.

Een oogenblik later verdween het lijk van den Hindoe in den stroom der Doudhma, die het nooit zou teruggeven.

De fakir wachtte totdat de rimpels aan de oppervlakte des waters verdwenen waren. Daarna trad hij terug, ging de ledige terreinen weder over, vervolgens door de wijken waar de stilte begon en richtte zich met snelle schreden naar een van de poorten der stad.

Doch juist op het oogenblik dat hij daar aankwam, had men de poort gesloten. Eenige soldaten van het koninklijke leger bezetten de wacht, die den toegang verdedigde. De fakir kon Aurungabad niet meer verlaten, zooals hij van plan geweest was.

»Ik moet er toch uit en dezen nacht nog.... of ik zou er nooit meer uit komen!” mompelde hij.

Hij keerde dus op zijne schreden terug, liep den muur van binnen langs en beklom twee honderd passen verder het talud, ten einde boven op de borstwering te komen.

Deze borstwering verhief zich een vijftig voet boven het niveau van de gracht, die tusschen de escarp en contrescarp gegraven was. Het was een loodrechte muur, zonder eenig uitsteeksel om tot steunpunt voor den voet te dienen. Ook was het ten eenemale onmogelijk, dat iemand zich langs de bekleeding kon laten afglijden. Met een touw was de nederdaling ongetwijfeld te beproeven geweest, maar de gordel om de lendenen van den fakir was nauwlijks eenige voeten lang en dus niet voldoende om hem aan den voet van het talud te brengen.

De fakir bleef een oogenblik staan, sloeg een blik in het rond en dacht na over hetgeen hem nu te doen stond.

Boven de borstwering stak een donker koepeldak van gebladerte uit, gevormd door het loof der groote boomen, die Aurungabad als in een groene lijst omvatten. Van dit koepeldak bogen lange buigzame en sterke takken naar buiten uit, waarvan men misschien gebruik zou kunnen maken om, niet zonder groot gevaar, den bodem der gracht te bereiken.

Nauwlijks was dit denkbeeld bij den fakir opgekomen of hij aarzelde niet. Hij begaf zich onder een dezer koepeldaken en kwam weldra buiten den muur weder te voorschijn, aan het uiteinde van een langen tak hangende, die allengs onder zijn gewicht boog.

Zoodra de tak genoeg gebogen was om den bovensten zoom van den muur even aan te raken, liet de fakir zich langzaam zakken, alsof hij een touw met knoopen tusschen de handen had. Hij kon op die wijze tot de halve hoogte van de inwendige escarp afdalen, doch hij bevond zich nog op een hoogte van dertig voet boven den grond, dien hij moest bereiken om te kunnen ontvluchten.

Hij hing dus te slingeren tusschen hemel en aarde en zocht met den voet een of andere ongelijkheid, die hem tot steunpunt kon verstrekken.....

Eensklaps schitterde geweervuur in de duisternis en deden zich losbarstingen hooren. De soldaten der wacht hadden den vluchteling opgemerkt en op hem gevuurd, doch zonder hem te raken. Toch trof een kogel den tak waaraan hij hing, twee duim boven zijn hoofd.

Twintig seconden later brak de tak en viel de fakir in de droge gracht.... Een ander ware dood geweest, maar hem deerde niets.

Op te staan, te midden van een kogelregen, waarvan geen een hem trof, tegen het talud van de escarp op te klauteren en in de duisternis weg te sluipen, was voor den vluchteling slechts spel.

Twee mijlen verder passeerde hij ongezien het kantonnement der Engelsche troepen, die buiten Aurungabad gelegerd waren.

Een paar honderd schreden verder bleef hij staan, keerde zich om, stak zijn verminkte hand naar de stad uit en uitte deze woorden:

»Wee hen, die nog in de handen zullen vallen van Dandou-Pant! Gij Engelschen, uw rekening met Nana Sahib is nog niet vereffend!”

Nana Sahib! Nogmaals had de nabob dien naam, den geduchtsten onder al de namen, die in den opstand van 1857 zulk een bloedige vermaardheid verwierven, den veroveraars van Indië als een laatste uitdaging voor de voeten geworpen!


1 Onderkoning, prins, regent.

II.

De kolonel Munro.

»Komaan, mijn waarde Maucler,” voerde de ingenieur Banks mij te gemoet, »je vertelt ons niets van je reis! ’t Is alsof je Parijs nog niet verlaten hebt! Hoe bevalt het je in Indië?”

»Indië!” antwoordde ik, »wel, om er goed over te oordeelen, zou ik het althans eerst moeten zien.”

»Die is goed!” hernam de ingenieur, »heb je niet pas het geheele schiereiland doorkruist, van Bombay naar Calcutta, en als je niet blind zijt....”

»’k Ben niet blind, mijn waarde Banks, maar op dien tocht was ik verblind....”

»Verblind?....”

»Ja! verblind door den rook, door den stoom, door het stof, en vooral door de snelheid van het vervoer. Hoor eens! ’k Wil geen kwaad van de spoorwegen spreken, omdat het tot je vak hoort ze te maken, mijn waarde Banks, maar om zich in een wagon te laten opsluiten, met niets anders tot gezichtsveld dan het raampje van het portier, dag en nacht door te sporen met een gemiddelde snelheid van tien mijlen per uur, nu eens over bergen, in gezelschap van arenden of gieren, dan weder door tunnels, in gezelschap van ratten of muizen, slechts op te houden aan de stations die allen op elkaar gelijken, van de steden niets anders te zien dan de muren of de spitsen der minarets, een tijd achtereen gedoemd te zijn te verkeeren in het onophoudelijk rumoer van het zuchten der locomotief, van het gefluit der stoomketels, van het geknars der rails en het dreunen der wielen, is dat reizen!”

De soldaten der wacht hadden den vluchteling opgemerkt. Blz. 11.

De soldaten der wacht hadden den vluchteling opgemerkt. Blz. 11.

»Goed gesproken!” riep kapitein Hod uit. »Zeg daar eens wat tegen, als je kunt, Banks! Wat zegt u er van, kolonel?”

De kolonel tot wien kapitein Hod zich wendde, knikte even met het hoofd, en vergenoegde zich met te zeggen:

»’k Zou wel eens willen weten wat Banks er den heer Maucler, onzen gast, op zou kunnen antwoorden.”

»Dat brengt me volstrekt niet in verlegenheid,” antwoordde de ingenieur en ’k moet zeggen, dat Maucler volkomen gelijk heeft.”

»Als dat dan zoo is,” riep kapitein Hod uit, »waarom maak je dan spoorwegen?”

»Om u, als u haast hebt, kapitein, instaat te stellen u binnen zestig uren van Calcutta naar Bombay te begeven.”

»’k Heb nooit haast!”

»Welnu, volg dan den Great Trunk road,” antwoordde de ingenieur. »Volg hem, Hod, en ga te voet!”

»Dat denk ik ook stellig te doen!”

»Wanneer?”

»Zoodra mijn kolonel er in toestemt een wandelingetje door het schiereiland met me te maken van een acht of negen honderd mijlen!”

De kolonel vergenoegde zich met te glimlachen en verviel al weder spoedig in een van die langdurige droomerijen, waaruit zelfs zijne beste vrienden, zooals de ingenieur Banks en kapitein Hod zooveel moeite hadden hem te wekken.

Ik was nog slechts sedert een maand in Indië, en daar ik met den Great Indian Peninsularspoorweg, die Bombay met Calcutta over Allahabad verbindt, gekomen was, kende ik tot nog toe niets van het schiereiland.

Maar het was mijn voornemen eerst het noordelijk gedeelte te doorreizen, aan de andere zijde van den Ganges de groote steden te bezoeken, de voornaamste gedenkteekenen te bestudeeren en aan dezen tocht al den tijd te wijden, die noodig was om alles goed te zien en te onderzoeken.

Ik had te Parijs den ingenieur Banks leeren kennen. Sedert eenige jaren reeds hadden wij vriendschap gesloten en een meer innige vertrouwelijkheid had dezen vriendschapsband slechts versterkt. Ik had beloofd hem te Calcutta te bezoeken, zoodra de voltooiing van het gedeelte Scindia Pendjab en Delhi, waarmede hij belast was, hem den tijd zou geven. Nu waren die werkzaamheden werkelijk voltooid en Banks had daardoor recht op een rust van verscheidene maanden, zoodat ik hem was komen vragen te rusten door zich te vermoeien met Indië te doorkruisen. Het spreekt van zelf, dat hij mijn voorstel met geestdrift had aangenomen. We zouden dan ook binnen eenige weken vertrekken, zoodra het seizoen gunstig zou geworden zijn.

Bij mijn komst te Calcutta, in Maart 1867, had Banks mij in kennis gebracht met een zijner goede kameraden, den kapitein Hod; daarna had hij mij voorgesteld aan zijn vriend, den kolonel Munro, bij wien we den avond doorbrachten.

De kolonel, toen zeven en veertig jaar oud, bewoonde een alleenstaand huis in de Europeesche wijk, en bijgevolg buiten de drukte en beweging, welke die handelsstad, de hoofdstad van Indië, met hare uitsluitend zwarte bevolking, kenmerkt. Deze wijk is somwijlen de »Stad der paleizen” genoemd en inderdaad is er geen gebrek aan paleizen, indien men althans die benaming mag toepassen op woningen, die van paleizen niets anders hebben dan de open arcadengalerijen, de zuilen en de terrassen. Calcutta is de verzamelplaats van al de bouworden, die de Engelsche smaak in de steden der oude en nieuwe wereld gewoonlijk in praktijk brengt.

Wat de woning van den kolonel betreft, deze was de »bungalow” in al zijn eenvoudigheid, een gebouw, opgericht op een grondmuur van steen, met een verdieping gelijkvloers, bedekt door een dak, dat in een pyramide uitloopt. Een veranda, gedragen door lichte kolommetjes, omgaf het geheele gebouw. Aan de zijden vormden de keukens, de koetshuizen, het verblijf der dienstboden, twee vleugels. Het geheel was bevat in een tuin met schoone boomen beplant en omringd door lage muren.

Het huis van den kolonel was dat van een zeer gegoed man. Zijn dienstbodenpersoneel was talrijk, zooals de bediening in de Indisch-Engelsche families het medebrengt. Meubelen, levensbenoodigdheden, huiselijke beschikkingen, alles was goed en deftig ingericht. Men gevoelde, dat de hand eener verstandige vrouw daar geordend en ook voor de toekomst gezorgd had, maar men gevoelde ook, dat die vrouw er niet meer was.

Het bestuur over zijne dienstboden, de algemeene leiding van zijn huis, had de kolonel geheel overgegeven aan een zijner krijgskameraden, een Schot, den sergeant Mac Neil, met wien hij al de veldtochten van Indië had medegemaakt, een van die edelaardige karakters, die hun leven veil hebben voor hem, dien ze hun vriend noemen. Het was een man van vijf en veertig jaar, krachtig, groot, met langen, vollen baard, als de Bergschotten. In zijn voorkomen, zijn gelaat, zoowel als door zijn costuum op de overlevering gegrond, was hij met hart en ziel hooglander gebleven, alhoewel hij tegelijk met kolonel Munro den militairen dienst verlaten had. Beiden hadden in 1860 hun ontslag genomen. Doch inplaats naar hunne bergen, te midden hunner voorvaderlijke klans terug te keeren, waren zij in Indië gebleven en woonden zij te Calcutta, in een soort van afzondering, waarvoor redenen bestonden.

Voor dat Banks mij aan kolonel Munro voorstelde, gaf hij mij onder vier oogen de volgende aanbeveling:

»Spreek niet over den opstand der Sipayers, en noem vooral nooit den naam van Nana Sahib!”

Kolonel Edward Munro behoorde tot een oude Schotsche familie, wier voorvaderen in de geschiedenis van het Vereenigd Koninkrijk een schitterende rol gespeeld hadden. Hij telde onder zijne voorvaderen Sir Hector Munro, die in 1760 het leger van Bengalen aanvoerde en die juist een oproer moest dempen, dat de Sipayers een eeuw later zouden herhalen. Majoor Munro onderdrukte den opstand met meedoogenlooze gestrengheid,—en aarzelde niet dienzelfden dag acht en twintig opstandelingen voor den mond der kanonnen te laten binden,—een vreeselijke strafoefening, die gedurende den opstand van 1857 telkens herhaald werd en waarvan die voorvader van den kolonel misschien de wreede uitvinder was.

Ten tijde dat de Sipayers opstonden, kommandeerde kolonel Munro het 93e regiment Schotsche infanterie. Hij maakte bijna den geheelen veldtocht mede, onder de bevelen van Sir James Outram, een der helden van dien oorlog, hij die den naam verwierf van »Bayard van het Indische leger”, zooals Sir Charles Napier het bij proclamatie bekend maakte. Met hem was kolonel Munro dan ook te Cawnpore; hij maakte den tweeden veldtocht mede onder Colin Campbell; ook was hij bij het beleg van Lucknow en verliet dezen beroemden soldaat niet eer dan toen Outram tot lid van den raad van Indië te Calcutta benoemd was.

In 1858 was kolonel sir Edward Munro ridder-kommandant van de Ster van Indië, »the Star of India (K. C. S. I.). Hij werd tot baronet verheven en zijn echtgenoote zou den titel van lady Munro1 verkregen hebben, indien de ongelukkige den 27n Juni, 1857 niet omgekomen was in den vreeselijken moord van Cawnpore, een moord op bevel en onder de oogen van Nana Sahib volbracht.

Lady Munro.—de vrienden van den kolonel noemden haar nooit anders,—werd door haren man aangebeden. Zij was nauwelijks zeven en twintig jaar oud, toen zij met de tweehonderd slachtoffers dier afschuwelijke slachterij verdween. Mistress Orr en miss Jackson, wonderdadig gered na de inneming van Lucknow, hadden hun man en hun vader overleefd. Wat Lady Munro betreft, zij kon haren man niet teruggegeven worden. Het was onmogelijk geweest hare overblijfselen, onder die van zoovele slachtoffers in den put van Cawnpore, weder te vinden en ze een christelijke begrafenis te bezorgen.

Dienzelfden avond kwam de zaak opnieuw op het tapijt. Blz. 20.

Dienzelfden avond kwam de zaak opnieuw op het tapijt. Blz. 20.

Sir Edward Munro was wanhopig en had van dat oogenblik af slechts eene gedachte, eene enkele slechts, die van Nana Sahib weder te vinden, dien het Engelsche gouvernement overal deed opsporen en met zijn wraak een soort van dorst naar recht te stillen, die hem verteerde. Om vrijer in zijne handelingen te zijn, nam hij zijn ontslag.

Mac Neil volgde hem op al zijn schreden. Deze twee menschen, door denzelfden geest bezield, eene zelfde gedachte met zich omdragende, slechts hetzelfde doel beoogende, trachtten als speurhonden hem op het spoor te komen, maar zij waren niet gelukkiger dan de Engelsch-Indische politie. De Nana wist aan alle nasporingen te ontkomen en na drie jaren van vruchtelooze pogingen, moesten de kolonel en de sergeant hunne nasporingen voorloopig staken. Daarenboven had zich omstreeks dezen tijd het gerucht van den dood van Nana Sahib door Indië verspreid en ditmaal met zulk een schijn van waarheid, dat er geen reden was het te betwijfelen.

Sir Edward Munro en Mac Neil keerden naar Calcutta terug, waar zij zich in dien afgelegen bungalow vestigden. Daar, geen boeken noch dagbladen lezende, die hem het bloedige tijdperk van den opstand in het geheugen hadden kunnen terugroepen, nooit zijn woning verlatende, leefde de kolonel als iemand wiens leven verder doelloos is. Nooit evenwel was de vrouw, die hij eenmaal zoo liefhad, uit zijne gedachten. Het scheen zelfs, dat de tijd niet vermocht zijn smart te lenigen.

Wij moeten hier nog bijvoegen, dat de mare der wederverschijning van den Nana in het presidentschap van Bombay,—de tijding, die sedert eenige dagen in omloop was,—niet ter oore van den kolonel gekomen was. En dat was gelukkig, want hij zou onmiddellijk den bungalow verlaten hebben.

Dit had Banks mij medegedeeld, alvorens mij in deze woning voor te stellen, waar de vreugde voor altijd verbannen was en ziedaar ook de reden waarom elke zinspeling op den opstand der Sipayers en den wreedsten hunner aanvoerders, Nana Sahib, moest vermeden worden.

Slechts twee vrienden,—twee beproefde vrienden,—bezochten ijverig het huis van den kolonel. Het waren de ingenieur Banks en de kapitein Hod.

Banks had, zooals ik gezegd heb, juist de werkzaamheden voltooid, waarmede hij belast was geweest ter vestiging van de »Great Indian Peninsular” spoorbaan. Hij was een man van vijf en veertig jaren, in de volle kracht des levens. Hij moest ook een werkzaam deel nemen aan het leggen van den Madras-spoorweg, die bestemd was om de Arabische golf in gemeenschap te brengen met de baai van Benguela; maar het was niet waarschijnlijk, dat de werkzaamheden voor een jaar een aanvang konden nemen. Hij rustte dus uit te Calcutta, zich bezig houdende met verschillende onderwerpen van werktuigkunde, want het was een werkzame en vruchtbare geest, die altijd op nieuwe uitvindingen uit was. Buiten zijne bezigheden, wijdde hij al zijn tijd aan den kolonel, met wien hij door een vriendschap van twintig jaren verbonden was. Ook bracht hij al zijne avonden door onder de veranda van den bungalow, in gezelschap van sir Edward Munro en van kapitein Hod, die juist een verlof van tien maanden verkregen had.

Hod behoorde tot het 1e escadron karabiniers der koninklijke armée en had den geheelen veldtocht van 1857–58 medegemaakt, eerst met sir Colin Campbell in Oude en Rohilkhande, daarna met sir Hugh Rose, in Centraal-Indië,—een veldtocht, die eindigde met de inneming van Gwalior.

Kapitein Hod, een leerling uit de harde school van Indië, een der voortreffelijke leden van de Club van Madras, roodblond van haren en baard, was niet ouder dan dertig jaren. Ofschoon hij tot het koninklijke leger behoorde, zou men hem voor een officier der inlandsche armee gehouden hebben, zoo had hij zich gedurende zijn verblijf op het schiereiland »geïndianiseerd.” Al was hij werkelijk in Hindostan geboren, kon hij niet meer Hindoe geweest zijn. Voor hem was Indië dan ook het land bij uitnemendheid, het beloofde land, het eenige land waar een mensch leven kon. Daar inderdaad kon hij aan al zijne neigingen voldoen. Soldaat van inborst, hernieuwden zich onophoudelijk de gelegenheden om te strijden. Was hij, de uitmuntende jager, niet in het land waar de natuur al de wilde dieren der schepping scheen vereenigd te hebben, en al het behaarde en gevederde wild der oude en nieuwe wereld? Had hij, de moedige bergbeklimmer, niet de ontzagverwekkende bergketen van Thibet bij de hand, die de hoogste toppen van den aardbol telt? Wie belette hem, den stoutmoedigen reiziger, den voet te zetten op plekken, nog nooit door iemand betreden, in de ontoegankelijke streken namelijk van het Himalaya gebergte. Had hij niet, als hartstochtelijke wedrenner, de renbanen van Indië, die in zijne oogen konden opwegen tegen die van La Marche of Epsom? Op dit punt, waren Banks en hij het zelfs geheel oneens. De ingenieur stelde in zijne hoedanigheid van volbloed werktuigkundige slechts een zeer middelmatig belang in de heldendaden der Gladiators en Filles-de-l’air.

En zelfs toen kapitein Hod het hierover met hem had, antwoordde Banks hem, dat de wedrennen naar zijne meening slechts op eene voorwaarde werkelijk merkwaardig zouden zijn.

»En op welke?” vroeg Hod.

»Dat er bepaald moest worden,” antwoordde Banks ernstig, »dat de jockey, die het laatst aankomt, op staanden voet aan den eindpaal moet opgehangen worden!”

»Dat is nog zoo’n kwaad idée niet!....” antwoordde kapitein Hod eenvoudig.

En hij zou ongetwijfeld in staat geweest zijn, die kans in eigen persoon te wagen!

Zoodanig waren de twee ijverige bezoekers van den bungalow van sir Edward Munro. De kolonel mocht hen gaarne over alle dingen hooren redetwisten en zelfs brachten hunne eeuwige woordenwisselingen somtijds een soort van glimlach op zijn lippen.

Eén wensch hadden de beide kameraden gemeen, den kolonel namelijk over te halen tot een reis, die hem kon verstrooien. Meermalen reeds hadden zij hem voorgesteld met hen naar het noorden van het schiereiland te vertrekken en eenige maanden te gaan doorbrengen in de omstreken van een van die sanitariums, waar de rijke Engelsch-Indische wereld gedurende het heete seizoen gaarne een toevlucht zoekt, maar de kolonel had altijd geweigerd.

Wat betreft de reis, die Banks en ik wenschten te ondernemen, hadden wij hem reeds gepolst. Dienzelfden avond kwam de zaak opnieuw op het tapijt. Men heeft gezien, dat kapitein Hod maar eventjes plan had gemaakt te voet een grooten tocht in het noorden van Indië te ondernemen. Mocht Banks niet op paarden gesteld zijn, Hod hield van geen spoorwegen. Wat de eene niet wilde, wenschte de andere.

Nu hadden zij er dat op kunnen vinden, dat ieder op zijne wijze, om beurten, hetzij per rijtuig, hetzij per palankijn reisde,—hetgeen op de goed aangelegde en goed onderhouden wegen van Hindostan vrij gemakkelijk is.

»Spreek me toch niet van je wagens met bultossen bespannen!” riep Banks uit. »Als wij er niet voor gezorgd hadden, behielp je je nog altijd met die primitieve voertuigen, die men in Europa voor vijfhonderd jaren al afgeschaft heeft!”

»Nu, Banks,” antwoordde kapitein Hod, »die zijn licht zoo goed als je met kussens voorziene waggons en je Cramptons! Die groote, witte ossen, die steeds in galop blijven en om de twee mijlen aan de poststations verwisseld worden....”

»En die een soort van tartanen op vier wielen voortsleepen, waarin men ruwer heen en weer geschud wordt dan de visschers in hunne booten op een onstuimige zee!”

»’k Moet je dat gedeeltelijk toestemmen, Banks,” antwoordde kapitein Hod. »Maar hebben we niet onze rijtuigen met twee, drie en vier paarden, die in spoed kunnen wedijveren met je »treinen”, veel gelijkende op een lijkstatie! Dan vind ik den eenvoudigen palankijn nog beter....”

»Je palankijnen, kapitein Hod, echte doodkisten, zes voet lang, vier breed, waarin men als een lijk ligt uitgestrekt!”

Mac Neil.

Mac Neil.

»Goed, Banks, maar geen schokken, men kan lezen, schrijven en gerust slapen, zonder bij elk station wakker te worden! Met een palankijn met vier of zes Bengaalsche Gamals2 maakt men nog vier en een halve mijl3 per uur en, zooals dat met je geweldige sneltreinen het geval is, waagt men althans niet om aan te komen, voordat je nog goed en wel vertrokken zijt.... als men aankomt..”

»Het best,” zei ik daarop, »zou zeker zijn zijn huis met zich mede te kunnen nemen!”

»Als een slak!” riep Banks uit.

»Mijn vriend,” antwoordde ik, »een slak, die zijn huisje kan verlaten en er naar goedvinden weer in kan komen, is misschien niet zoo bijzonder te beklagen! Met in zijn huis, een beweegbaar huis, te reizen, zal waarschijnlijk het laatste woord gezegd zijn van den vooruitgang in het reizen!”

»Misschien,” zei daarop kolonel Munro; »thuis blijvende zich te verplaatsen, zijn thuis en al de herinneringen daaraan verbonden, mede te kunnen nemen, zijn horizont af te wisselen, zijn gezichtspunten, zijn klimaat te wijzigen, zonder zijne dagelijksche gewoonten te veranderen.... ja.... misschien!”

»Geen bungalows meer dus voor de reizigers!” antwoordde kapitein Hod, »waar voor de geriefelijkheden des levens altijd iets te wenschen zal overblijven en waarin men zonder toestemming van de plaatselijke overheid niet mag wonen!”

»Geen ellendige herbergen meer, waarin men naar ziel en lichaam op alle mogelijke manieren gevild wordt!” deed ik niet zonder eenige reden opmerken.

»Het rijtuig der goochelaars dus!” riep kapitein Hod uit, »maar ingericht naar den tijd waarin we leven. Welk een droom nog! Op te houden als men wil, te vertrekken naar goedvinden, te stappen of in galop voort te snellen naar den luim van het oogenblik, niet alleen zijn slaapkamer met zich te voeren, maar zijn salon, zijn eetzaal, zijn rookvertrek en vooral zijn keuken en zijn kok, dat noem ik je vooruitgang, vriend Banks! Dat is honderdmaal beter dan spoorwegen! Durf me dat eens tegenspreken, gij, ingenieur!”

»Wel! vriend Hod,” antwoordde Banks, »’k zou ’t volkomen met je eens zijn, als....”

»Als?....” vroeg de kapitein, het hoofd schuddende.

»Als in de vlucht naar vooruitgang, je niet plotseling onderweg waart blijven stilstaan.”

»Zou er dan nog iets beters te doen zijn?”

»Oordeel zelf. Je stelt het rollende huis ver boven den waggon, zelfs boven het salonrijtuig, zelfs boven den slaapwaggon der spoorwegen. Je hebt gelijk, kapitein, als men tijd te verliezen heeft, als men voor zijn pleizier en niet voor zaken reist. ’k Geloof dat we ’t allen in dit opzicht geheel eens zijn?”

»Allen!” antwoordde ik.

Kolonel Munro boog het hoofd, bij wijze van goedkeuring.

»Toegestemd dus,” antwoordde Banks. »Goed! ’k Vervolg. Je hebt je gewend tot een rijtuigmaker, die den raad van een architect heeft ingewonnen en hij heeft je een rollend huis gemaakt. Het is sterk, goed ingericht en voldoet aan al de eischen van gemak en weelde. Het is niet te hoog, waardoor het niet licht kan ombuitelen, het is niet te groot, zoodat het alle wegen kan begaan; het is vernuftig opgehangen, zoodat het gemakkelijk en zacht rijdt. Uitstekend! Uitstekend! ’k Veronderstel dat het vervaardigd is voor onzen vriend den kolonel. Hij ontvangt er ons gastvrij. We gaan, als je wilt, de noordelijke streken van Indië bezoeken, weliswaar op de wijze van slakken, maar als slakken, wier staart niet onafscheidelijk aan hunne schelpen vast zitten. Alles is gereed. Men heeft niets vergeten.... zelfs niet den kok en de keuken, die de kapitein zoo lief heeft. De dag van het vertrek is gekomen, men gaat werkelijk vertrekken! Alles is in order!.... En wie zal het voorttrekken, uw rollend huis, mijn beste vriend?”

»Wie?” riep kapitein Hod uit! »wel, muilezels, ezels, paarden, ossen!...”

»Bij dozijnen?” zei Banks.

»Olifanten!” antwoordde kapitein Hod, »olifanten! Dat zou trotsch en statig zijn! Een huis voortgetrokken door een bespanning olifanten, goed gedresseerd, met fieren gang, die draven en galoppeeren als de beste koetspaarden van de wereld!”

»Dat zou prachtig zijn, kapitein!”

»Een rajah-trein te velde, ingenieur!”

»Ja, maar....”

»Maar.... wat? Is er nog een maar?” riep kapitein Hod uit.

»Een groote maar!”

»Die ingenieurs! overal zien ze moeielijkheden in!...”

»Die ze weten te overwinnen, als ze niet onoverkomelijk zijn,” antwoordde Banks.

»Welnu, geef dan raad!”

»Wat is het geval, mijn waarde Munro. Al die trekdieren, die de kapitein opsomde, dat loopt, dat trekt, dat sleept, maar dat vermoeit zich ook. Daarenboven zijn ze koppig, weerspannig en hebben vooral veel voedsel noodig. Zoodra nu de weiden ontbreken en men geen vijfhonderd bunders weiland op sleeptouw kan nemen, staat de bespanning stil, put zich uit, valt, sterft van honger, het rollende huis rolt niet meer en blijft even onbeweeglijk als de bungalow waar we op dit oogenblik zitten te praten. Er volgt dus uit, dat het genoemde huis dan eerst praktisch bruikbaar zal zijn als het een stoomhuis zal zijn.”

»Dat op rails zal loopen!” riep de kapitein uit, de schouders ophalende.

»Neen, op wegen en getrokken door een tot volkomenheid gebrachte weglocomotief.”

»Bravo!” juichte de kapitein, »bravo! zoodra je huis geen spoorweg noodig heeft en zich naar willekeur kan richten, zonder genoodzaakt te zijn een ijzeren spoor te volgen, ben ik je man.”

»Maar,” deed ik Banks opmerken, »als muilezels, ezels, paarden, ossen, olifanten eten, een machine eet ook, en uit gebrek aan brandstof zal je ook onderweg blijven staan.”

»Een stoompaard,” antwoordde Banks, »staat in kracht gelijk met drie of vier gewone paarden en dit vermogen kan nog toenemen. Een stoompaard is niet aan vermoeienis noch aan ziekte onderhevig. Ten allen tijde, onder alle breedten, in de zon, in den regen, in de sneeuw, altijd gaat het voort, zonder ooit uitgeput te raken. Het behoeft zelfs de aanvallen der wilde beesten niet te vreezen, noch den beet der slangen, noch den steek der horzels en andere geduchte insecten. Het heeft noch den prikstok der ossendrijvers, noch de zweep der geleiders noodig. Rust is overbodig en slaap kan het missen. Het stoompaard, door de hand van den mensch vervaardigd, is, met het oog op zijne bestemming en bij de onmogelijkheid dat het eenmaal tot voedsel zal verstrekken, te verkiezen boven al de trekdieren, die de Voorzienigheid ter beschikking van den mensch gesteld heeft. Een weinig olie en vet, een weinig steenkolen of hout, is alles wat het verteert. En, ge weet het, mijne vrienden, aan bosschen is geen gebrek op het Indische schiereiland en het hout is er het eigendom van iedereen.

»Goed gesproken!” riep kapitein Hod uit. »Hoera voor het stoompaard! ’k Zie reeds in mijne verbeelding het rollende huis van den ingenieur Banks, in beweging op de groote wegen van Indië, door de wilde kreupelbosschen zich een weg banende, doordringende onder de boomen van het woud, zich wagende tot in de holen der leeuwen, der tijgers, der beeren, der panters, der luipaarden, en wij achter zijne muren verscholen, een slachting makende onder de wilde dieren om al de Nimrods, de Andersons, de Gérards, de Pertuisets, de Chassaings van de wereld van ergernis te doen barsten! Zeg, Banks, ’k moet er van watertanden en je doet het me bitter betreuren, dat ik niet een vijftig jaren later geboren ben!”

»En waarom dat, kapitein?”

»Omdat je droom over een vijftig jaar zal verwezenlijkt worden en eerst dan het stoomrijtuig zal gereed zijn.”

»Het is gereed,” antwoordde eenvoudig de ingenieur.

»Gereed! en door u vervaardigd misschien?....”

»Door mij, en om de waarheid te zeggen vrees ik maar eene zaak, dat het je verwachting overtreft.”

»Op weg, Banks, op weg!” riep kapitein Hod uit, die zich oprichtte als door den schok eener electrische ontlading. Hij was gereed om te vertrekken.

De ingenieur bracht hem tot bedaren; daarna, op ernstiger toon zich tot sir Edward Munro wendende, zeide hij:

De Brahmanen vuurden de gemoederen aan. Blz. 30.

De Brahmanen vuurden de gemoederen aan. Blz. 30.

»Edward, als ik een rollend huis ter uwer beschikking stel, als ik over een maand, zoodra het seizoen er geschikt toe is, je kom zeggen: Daar is je kamer, die zich zal verplaatsen en gaan zal waarheen je wilt, daar zijn je vrienden, Maucler, kapitein Hod en ik, die niets liever willen dan je vergezellen op een tocht door het noorden van Indië, zal je me dan antwoorden: Laten we vertrekken, Banks, laten we vertrekken, en dat de God der reizigers ons bescherme!”

»Ja, mijne vrienden,” antwoordde kolonel Munro, na een oogenblik nagedacht te hebben. »Banks, beschik over het noodige geld. Doe, wat je belooft. Breng ons dat ideale stoomhuis, dat de stoutste verwachtingen zou overtreffen en we zullen geheel Indië doorkruisen!”

»Hoera! Hoera! Hoera! juichte kapitein Hod, »en wee de wilde dieren op de Népaulsche grenzen!”

Op dit oogenblik verscheen sergeant Mac Neil, aangetrokken door de hoera’s van den kapitein, aan de deur der woning.

»Mac Neil,” zei kolonel Munro tot hem, »we vertrekken binnen een maand naar het noorden van Indië. Je maakt immers de reis mee?”

»Natuurlijk, kolonel, omdat u gaat!” antwoordde sergeant Mac Neil.


1 Een vrouw zonder titel, die een baronet of ridder huwt, neemt den titel aan van lady, vóór den naam haars mans. Maar deze benaming van lady mag den doopnaam niet voorafgaan; dit is alleen het geval met de dochters van pairs.

2 Naam der palankijndragers in Indië.

3 Ongeveer 8 kilometers.