Bladz. 2.
Van den alouden staat onzer Provincie kan geene naauwkeurige beschrijving worden gegeven, daar er niets dan onzekere berigten en velerlei uiteenloopende gevoelens tot ons zijn overgekomen. Op eenigen goeden grond echter mag men besluiten, dat omstreeks de vijfde eeuw onzer jaartelling Friesland zich van Vlaanderen tot de Elve heeft uitgestrekt, en hetzelve noordwaards den Eiderstroom tot grensscheiding had, waardoor dan ook de kustbewoners aan deze rivier, nog heden ten dage van den naam des Lands, dien van Strandfriezen dragen. Dat Vlaanderen tot Friesland behoord hebbe, zoo als meermalen is beweerd, valt zeer te betwijfelen, want aldaar was de grensscheiding.
Onder Koning Radboud I, en later nog ten tijde van Karel den Groote, vinden wij de uitgestrektheid van dit Gewest van het land van Katzand af, tusschen de rivier Sincfal of Zwene (de Suin of Zwin) bij Sluis1, tot aan de Elve: de Waal scheidde het van het gebied der Franken af en de Wezer was tot oostelijke grenspaal gesteld. Al de landen dus aan de oevers der Noordzee, van het Hertogdom Bremen tot aan Vlaanderen, maakten het oorspronkelijk en overwonnen gebied der Friezen uit: het oorspronkelijk of oud Friesland lag tusschen de Eems en het Vlie langs de Noordzeekusten. Van de Eems tot den Wezer en aan geene zijde van het Vlie, met een groot deel binnenlands tot aan het Zwin, was overheerd land. Ook de eilanden tot den mond van de Eems behoorden den Friezen, doch geenszins Helgoland, zeer verkeerdelijk voor Radbouds zetel gehouden.
Weinige jaren voor ’s Heilands geboorte, werden de Friezen, tusschen de Eems en het Vlie wonende, de Groote Friezen, en die tusschen het Vlie en den Rijn de Kleine Friezen genaamd. De eersten bewoonden dus gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe en het Gooiland, alsmede de streken beoosten de Zuiderzee en de rivier Flevo tot aan de Eems toe: de laatsten een gedeelte van Rijnland, Kennemerland, Amstelland en Noord-Holland. Daarna werden deze West-Friezen en gene Oost-Friezen geheeten. Een aantal kleine volken van Germaanschen en Gallischen of Frankischen oorsprong hadden de Friezen tot naburen.
Te dien tijde, eenige jaren namelijk voor Christus geboorte, toen de Opperbevelhebber Claudius Drusus Nero, stiefzoon van den Keizer Augustus, ook Friesland onder de magt der Romeinen wilde brengen, lag tusschen West-Friesland (Noord-Holland) en het tegenwoordig Friesland het groote meer Flevo. Het Graafschap Staveren beoosten het Vlie, wiens uitwatering eerst tusschen Texel en Vlieland, daarna tusschen Vlieland en Terschelling plaats had, paalde aan Noord-Holland. Het eiland Flevo, door de verdeelde armen van het Vlie omvat, lag ter plaatse alwaar nu de zandplaat Bree-sand zich bevindt. Uitgestrekte bosschen lagen in den omtrek der stad Staveren, thans allen in zee verzwolgen. De kleine rivier de IJssel liep in ’t meer Flevo, hetwelk na de door Drusus gemaakte vereeniging van den Rijn met den IJssel, door verschillende stroomen zich in de Middelzee ontlastte2. Deze zee besloeg een groot deel van het noorden der Provincie, scheidende Oostergo en Westergo, haren loop nemende door de Grietenijen Baarderadeel, Idaarderadeel, Hennaarderadeel, Rauwerderhem tot in Wijmbritseradeel, eindigende bij Bolsward en Sneek. Bij de stad Uitgong, welligt nabij Berlikum had zij hare uitwatering in de Wadden, en voorts tusschen Terschelling en Ameland in de Noordzee.
Wij geven geene meer bepaalde beschrijving van den alouden staat der Provincie, maar verwijzen den Lezer tot de breedvoeriger behandeling hiervan te vinden in Winsemius, Schotanus, Emmius, F. Sjoerds, bijzonder het kort overzigt in den Tegenwoord. Staat van Friesland I deel, en over de Groote en Kleine Friezen de Aanteekeningen van Siccama op de Lex Frisionum pag. 137 seq. Men vergelijke hierbij hetgeen door den heer Westendorp in zijn Jaarboek van en voor de Provincie Groningen, en door Bilderdyk in het 1 deel van zijne Geschiedenis des Vaderlands (bepaald op bl. 18 en 251 volgg.) met betrekking tot de oude Historie is geboekt:—als ook de Geschiedenis der Nederlandsche Taal van den Hoogleeraar A. Ypeij, II. 106, die aldaar en elders belangrijke bijvoegsels geeft tot den alouden staat van Friesland betrekking hebbende.—Over de Middelzee, hare grenzen en uitgestrektheid bevelen wij zeer aan de Nasporingen betrekkelijk de Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland, door P. Brouwer Pz. en W. Eekhoff3. Zie voorts de Inleiding van mijn Tafereel van den Watervloed in Friesland. Wij voegen hierbij nog de aanmerking, ook door anderen gemaakt, van den Ridder Scheltema, voorkomende in zijne als nog onuitgegevene Geschiedenis der Zuiderzee, dat in vorengemelden tijd welligt het Gooiland in Holland en Gaasterland in ons Gewest aaneengehecht waren, verdienende het bijzondere opmerking dat de grondgesteldheid gelijk is, en aan beide zijden de einden van eene hooge aardrigchel, in Holland de Muiderberg en bij Staveren het Klif, aanwezig is; even als de afgebrokene en tegen over elkander liggende Krijtbergen in Frankrijk en Engeland zouden bewijzen dat eertijds hier geene scheiding bestond. Waarschijnlijk stroomde er toen nog geen zout water binnen den kreits der duinen van Terschelling af tot aan den uitloop der Maas.—Belangrijke opmerkingen deelt de kundige F. Arends ons mede in zijne Geschiedenis der Noordzeekusten, in welke hij de veranderingen beschrijft, welke die kusten door stormvloeden, gedurende een tijdvak van tweeduizend jaren hebben ondergaan4.
Bl. 2.—Ao 313.
Wat betreft de heerschappij der Prinsen, Hertogen en Koningen over Friesland, van den jare 313 voor Christus geboorte tot 773 of 775 jaren na dezelve, waarvan de korte beschrijving in de eerste drie hoofdstukken dezer kronijk begrepen is, daarin komt zeer veel onwaarschijnlijks en fabelachtigs voor, zoodat wij niet gaarne op het gezag van deze en andere Geschied- en Kronijkschrijvers alles voor goede munt zouden aanprijzen: alles evenwel te verwerpen, gelijk ook door Friesche Schrijvers-zelve geschied, is evenmin raadzaam. Men leze en overwege hier naauwkeurig wat de geleerde Baron thoe Schwartzenberg en Hohelansberg, in de uitmuntende Voorrede voor zijn Charterboek (vooral I. D. bl. 16 en 17), een geschrift, even nuttig als het boek-zelf, op dit punt zegt, en aan wiens gevoelen wij eene hooge waarde hechten. Het was voor den geleerden Emmius en in navolging van hem voor Foeke Sjoerds en den schranderen van Rhyn, die evenwel hier en daar niet zoo gestreng is, niet moeijelijk, het gezag van andere Schrijvers te verwerpen, en, wat niet met krachtige bewijzen gestaafd konde worden, voor fabels te verklaren. Maar men brenge ook de meeningen van den Baron van Schwartzenberg ter toetse, en het lijdt geen’ twijfel, of de oordeelkundige Lezer zal, even als wij, tot de uitkomst moeten komen, dat het gevoelen der eerstgemelden aan gewigtige tegenbedenking is onderworpen. Het groote en altijd herhaalde argument, waarom wij toch zoo weinig bij de Romeinsche Schrijvers van alles, wat de kronijken bevatten, vinden, zal toch wel niet als voldoende kunnen worden beschouwd:—dan het is hier niet de plaats, daarover verder uit te weiden, liever willen wij hier invoegen wat de zeer verdienstelijke Oudheidkundige N. Westendorp, in zijn Jaarboek van en voor de Provincie Groningen (I. 21 volgg.), op dit onderwerp zegt:
»De Vriesche jaarboeken beginnen de lijst der Vriesche koningen en vorsten reeds van vóór den tijd van ’s Heilands geboorte af. Alhoewel wij ons geenszins met zekerheid op de berigten dezer verzamelaars, ten aanzien dier opvolgingen, durven en willen verlaten; nogtans deelen wij gansch niet in de twijfelzucht van Emmius en van anderen, welke hem gevolgd zijn. Vooreerst zijn er geene redenen, om zoo ten eenenmale de geloofwaardigheid van Cappidus Staurensis, geleefd omtrent 920, van Occo Scharlensis, welke begon te schrijven in 903 en zulks vervolgde tot 970, van Johannes Vlieterpius, Schrijver van den potestaat J. H. Martna en der gemeene Landsregteren, die Occo’s kronijk grootendeels uit het H. S. vertaalde en hier en daar vermeerderde (1370), van M. Alvinus (1400), van Andreas Cornelius, overleden te Harlingen in 1589, van Corn. Kempius (1588), van Vorperus Taboritha, Suffridus Petri, Mart. Hamconius (1624), van Bernh. Gerbr. Furmerius (1613), en van meer anderen, te verwerpen. Trouwens de Vriezen hadden weleer hunne barden en bardengezangen: zoo hoorde nog de bisschop Ludger, eenen Vrieschen bard de daden der vroegere tijden bezingen. Andr. Cornelius is ook in mijn oog een achtingwaardig Schrijver. Deze verhaalt in de voorrede van zijn werk, dat Vlieterp in eene zeer lange voorrede berigtte, dat Occo Scharlensis in de voorrede van zijn werk in het breede had ontvouwd, hoe zijn oude oom Solcko Forteman het leven der Vriesche koningen, prinsen en heeren, die van het begin af in Vriesland hadden geregeerd, ten tijde van den laatsten Vrieschen koning Radbod naauwkeurig beschreven had: over welk geschrift hij door dien koning zeer was vervolgd geworden. Schoon nu dit opstel te dien tijde op koninklijk bevel was verbrand geworden, nogtans waren al zijne overgeblevene schriften en boeken in handen van Occo gekomen, door middel van Gatje Takama (zijnen vader), welke er vele fragmenten en schoone stukken betrekkelijk Vriesland onder gevonden had. Deze schat bewoog hem, om alles te verzamelen, wat overgebleven was, en wat hij wist. Volgens getuigenis van Suffridus Petri, zouden de bouwstoffen tot het werk van Alvinus uit zoodanige oude liederen genomen zijn. Daarenboven heeft S. Petri toegang gehad tot alle kloosterkronijken en kloosterpapieren van Vriesland, waardoor hij in de gelegenheid was, om meer ontwaar te worden dan anderen. Ook vinden wij er geene de minste tegenstrijdigheid in, dat de Vriezen, even gelijk de Kymry in Wallis en de Galen in Ierland, hunne geschiedenis aan de bardenorde toevertrouwden, en dat deze ook hunne Taliesins gehad hebben. Bij de Kymry en de Ieren zijn deze liederen nog grootendeels behouden, en dalen mede tot vroegere tijden terug. De Vriesche berigten, hoezeer vermengd met dichterlijke bijvoegselen en met aanvullingen van verschillenden aard, verdienen waarlijk de aandacht van onderzoeklievende mannen”5.
Betrekkelijk den oorsprong der Friezen vinden wij bij Grieksche noch Romeinsche Schrijvers eenige voldoende berigten, uit hoofde zij hun gezag van den aanvang niet in deze oorden gevestigd hebben. Over de benaming en aanvankelijke regeringsvorm zijn ook verschillende meeningen te berde gebragt. Het gevoelen ten dezen van den heer Mr. A. van Halmael Jr. ook het onze zijnde, nemen wij hier over, hetgeen in zijn beknopt Overzigt der Friesche Geschiedenis6 is vermeld:
»De oorsprong van de namen Friezen en Friesland heeft met dien van vele andere volkeren en landen dit gemeen, dat hij hoogst onzeker is. Even onzeker schier is het te bepalen, op welke wijze het land in de oudste tijden is geregeerd geworden; of er één enkel persoon aan het spits der regering stond, en zoo ja, welken naam hij droeg. Ook naar de uitgestrektheid van het land, hetwelk den naam van Friesland droeg, en naar de gedaante van hetzelve, kan men weinig meer dan gissen.”
»Het komt ons echter, wat het eerste betreft, niet onwaarschijnlijk voor, dat de naam van Friezen niet anders dan vrijen heeft beteekend, welken naam dat gedeelte der Germaansche of Duitsche volkeren, hetwelk het eerst Friesland tot woonplaats verkozen heeft, zal hebben aangenomen, ten einde zich daardoor te onderscheiden van andere stammen, die misschien minder naijverig waren op hetgeen zij Friezen verstonden onder vrijheid,—volkomen onafhankelijkheid van allen, die niet tot hunnen eigenen stam behoorden, of tot de genen welke zij daarin goedvonden aan te nemen”7.
»Wat der Regering betreft, één persoon schijnt aan het hoofd der Friezen gestaan te hebben; niet evenwel zonder, in openlijke aangelegenheden, den raad der Wijsten, dat is Oudsten zijner landgenooten, in aangelegenheden van algemeen belang, de meening van het geheele volk ingenomen, en dien van de meerderheid gevolgd te hebben. Het komt ons wijders niet onaannemelijk voor, dat die ééne persoon, meerder uitvoerder van ’s volks wil dan eigenmagtig gebieder, maar ook in de uitvoering ongebonden, den naam van Koning droeg, welken naam wij, naar de afleiding des woords, meenen aangeduid te hebben: den eersten man van het eerste (d. i. mannelijk) geslacht, eens heerschenden volks.”
»Daarmede willen wij echter niet geacht worden, de geheele rij der zeven eerste Koningen (in kronijken Prinsen genoemd), der zeven Hertogen en der negen, dezen wederom vervangen hebbende Koningen, welke alle door onze kronijkschrijvers met name genoemd worden, te erkennen.”
»Ook gelooven wij niet dat de oppermagt der Vorsten erfelijk was, althans niet in de eerste tijden, hoewel meestal de zoon eens konings, over wiens bewind het volk tevreden was, hem zal opgevolgd zijn.”
Er bestaan over den oorsprong des Frieschen volks eenige overleveringen en sagen uit den overouden tijd, in welken de geschiedkundige waarheid, met de noodige versierselen en verdichtselen, werd gehuld en bewaard gebleven is: jammer maar dat het en door den geest der vroegere tijdperken, en door de wijze der overlevering zoo moeijelijk is geworden waarheid en fabel van elkander te schiften. Alles komt echter op dit punt neder, dat de Friezen geene aborigenes, dat is inboorlingen van Friesland waren, maar over zee naar deze landstreken waren aangekomen om dezelve te bevolken8. Wij willen kortelijk uit de geschiedenis enigen dier sagen en volksvertellingen bijeenverzamelen en mededeelen, dewijl onze kronijk slechts van eene enkele gewaagd.
Naar het gevoelen van Joachim Hopper zouden de Friezen afkomstig zijn van de Hijperboreische volkeren, van wien zij hunne taal, godsdienst en zeden hadden ontvangen9.
Cornelius Kempius verhaalt dat een Karthuizer, genaamd Reinerus de Friezen deed afstammen van een aantal Joden, die door Vespasianus na de inneming: van Jeruzalem in ’t leven gespaard, uit het Joodsche land verdreven en herwaarts in ballingschap gezonden waren. »Doch de goede man (zoo zegt Van Rhyn10) moet Tacitus en andere schrijvers niet gelezen hebben, die hem zouden onderricht hebben, dat de Vriezen hier al woonden omtrent de tijden van Christus,”—dus voor Jeruzalems verwoesting11. Deze overlevering hoorde ook bij de oude Pruissen te huis, wier voorouders door Salmanzar uit het Joodsche land waren verdreven12.
Van Frankischen oorsprong schijnt navolgende sage door Joannes Trithemius, in navolging van Hunibaldus, geboekt in zijne geschiedenis der Frankische koningen. Frisius was de zoon van koning Coglio; deze werd met toestemming aller Franken Koning van Friesland, doch aan deze keus verbonden zij de voorwaarde, dat hij en alle zijne opvolgers met hunne onderdanen onder de Franken zouden staan, en tot schatting jaarlijks tweehonderd en zestig koeijen leveren: daarenboven waren zij verpligt als getrouwe vrienden en bondgenooten der Franken, dezen in alle oorlogen bij te staan. De Friezen nu zouden, volgens het beweerde van verschillende schrijvers13, van dezen Koning den naam gekregen hebben. Ook dit verhaal wordt door de geschiedschrijvers van lateren tijd verworpen, daar de Franken toen nog niet als magtig volk zouden hebben bestaan, maar eerst driehonderd jaar na Christus geboorte.—Het is echter vrij zeker, dat het Frankisch gezag reeds zeer vroeg bij de Friezen heeft geheerscht; zelfs de benaming dezer beide volken wordt vaak verwisseld. Deze geheele sage zal echter van later dagteekening zijn dan anderen14.
Hubertus Thomas, een Luikenaar, schreef een boek over de Tongren en Eburonen, waarin hij met kracht van redenen betoogde, dat de Friezen uit de oude Phrygeers of Trojanen herkomstig waren, welk gevoelen ook anderen aankleefden15. Grunus, een voornaam Trojaan onder hen, had Groningen gebouwd, het gewest Frisia en dus het volk met den naam van Friezen gedoopt. Vierhonderd drie en dertig jaren voor Christus waren deze Trojanen, onder Marcomir, in Duitschland bij de Saksen gekomen en naar den zeekant afgezakt16. Tot een vernuftig bewijs van zijne stelling brengt Thomas bij, dat het stedeken Ylst niet Elostum, zoo als sommige Latijnen zeggen, maar Iliacum, dus genaamd naar Ilium, heeten moet, en dat Aschendorp in Groningerland, naar den befaamden Ascanius ook den naam Ascania heeft gedragen.—Dit verhaal schijnt van Oud-Duitsche geboorte te zijn17.
Eggerik Beninga beschrijft in zijne Oost-Friesche Kronijk18 den oorsprong der Friezen ook op deze wijze. Ten tijde dat Samuel regter over de kinderen Israels was, nadat de wereld 2860 jaren had gestaan, was er een koning van Assyrien, Diedictus genaamd, wiens gemalinne Albiona bij het volk in kwaad geruchte stond. Op zekeren tijd liet zij alle hare zusters, twee en dertig in getal, en allen aan koningen, vorsten en groote heeren door den echt verbonden, bij zich komen, en, zich niet langer door hare mannen willende laten regeren, sloten zij in ’t geheim een verbond, dat elk zijnen echtgenoot zou om het leven brengen en dan zelve het bestuur in handen nemen. Maar de zamenzwering werd ontdekt en tot straf werden de 32 zusters, met al de medepligtigen, in een schip zonder roer en zeilen gezet en zoo voor wind en stroom aan de willekeur der woeste golven prijs gegeven. Na lang omzwervens kwamen zij ten laatste aan een onbewoond eiland, hetwelk zij, naar den naam der oudste zuster Albion noemden en langen tijd bewoonden. Uit deze zusters werd het groote en wreede reuzengeslacht geteeld, dat door Brutus is verslagen en op de vlugt gejaagd, welke vlugtelingen de Noordzee opstevenden en naar een nieuw vaderland zochten. Dus aan de Friesche kust gekomen, namen zij dit land ten deele met geweld in, en zetten zich er neder. Brutus, nu Heer van Albion, herdoopte het eiland in Brutannien en liet de stad Londen bouwen, dan ook hij werd op zijnen tijd weder verdreven door het geweld der Friesche koningen Engistes en Horses.—Zoo ver Beninga.—In Westendorp’s Kronyk wordt verhaald, dat de gevlugte reuzen, bij hunne aankomst aan den Frieschen wal, onvermoeds door de ingezetenen des lands verdreven zijn, de Maas zijn opgevaren en Slavenburg hebben gesticht.—Zoodat volgens dit verhaal dan reeds het land bevolkt was19. Deze overlevering schijnt op de Kelten, de oudste bewoners van Brittannien te slaan.
In bijna al de geschied- en kronijkschrijvers, zoo als ook in de onze, vinden wij de volks-overlevering, welke ook in den Frieschen geest geheel gestemd is, van de overkomst der drie gebroeders Saxo, Bruno en Friso20 vermeld, en wel van verschillenden vorm en inhoud. Vooral wat betreft de afkomst van den stamvader Friso, daarover is een groot verschil. De een maakt hem tot een Jood, de ander tot een Macedonier, velen tot een Indiaan. Sommige oude schrijvers hebben de waarheid van deze overlevering niet alleen niet in twijfel getrokken, maar die tegen anders denkenden met hand en tand verdedigd. B. Furmerius en vooral Suffridus Petri hebben zelfs, (de laatste in zijne Apologie) Ubbo Emmius en anderen, die dit verhaal voor eene fabel verklaarden, voor dwarsdrijvers, slechte recensenten en vijanden des vaderlands verklaard. Andere Friesche schrijvers, even als Emmius, verwerpen het ook geheel, maar de meesten zijn ook getrouwe navolgers, ja zelfs naschrijvers en napraters van Emmius, die als de God der Historie werd aangebeden. Het valt niet te ontkennen, dat zijn geschiedboek groote waarde heeft, doch ook onvoorwaardelijk in zijne twijfelzucht te berusten is niet het veilig midden kiezen.
Uit hoofde men deze sage overal vindt, zullen wij dezelve in zijn verband niet herhalen, evenmin als de geschiedenis der zeven zonen van den Frieschen Aartsvader Friso, die de volkplanters in Jutland, Hessen en Schotland zijn geweest. Men vindt een beknopt verhaal hiervan in het Nabericht op Vriesland van van Rhyn21, dat altijd waardig is gelezen en herlezen te worden. Daarin wordt ook vermeld hoe de West-Friezen, Keulenaars, Frisiabonen of Nieuwe Friezen, Zwitsers en Graubunders, Franken, Strand-Friezen en Eiderstedders, uit de oude Friezen zouden herkomstig zijn; terwijl zij ook in Oud-Engeland of Brittannien, Ethiopien en Chili in Amerika, zich zouden hebben voortgeplant. Van de vermelding ten tweede male der Helvetiers of Zwitsers uit de Friezen gesproten22, ten tijde van den Potestaat Magnus Forteman is eene geheel verschillende lezing in de Corte Chronyck van Sybe Jarichs23, welke zegt, dat de Friezen die onder Forteman tegen de Romeinen waren opgetrokken, op den terugtogt ten deele in Lombardijen en Italien metter woon waren gebleven, door een hoop volks meestal gedood werden, zoodat er maar weinigen ontkwamen. Dezen nu zwierven op bergen en in dalen rond, tot dat zij in Zwitserland gekomen, aldaar zich huizen hebben gebouwd en een gedeelte lands bevolkt.
Menso Alting beweert, dat de Friezen van een en dezelfde afkomst zijn als al de Overrijnsche volkeren. Het voorgeven, dat zij uit Phrygien, of de Indien herwaarts zijn gekomen, acht hij voor zottengeklap en eene lange reeks van leugens24. Hoezeer eene geheele vergelijking van al het geschrevene over dit onderwerp, met een naauwkeurig oordeelkundig onderzoek gepaard, een moeijelijke arbeid ware, en hoe bezwaarlijk men ook welligt meerder licht in dezen ontvangen zou, was echter de beproeving daarvan, en eene wijsgeerige beschouwing van alle nog voorhanden zijnde werken en geschriften der moeite overwaardig en een zeer verdienstelijk werk. Er is nog zoo veel aanwezig, geschikt tot bruikbare bouwstoffen, hoezeer dan ook de vernielingswoede vele belangrijke Charters voor altoos hebbe vernietigd, ja zelfs vele gedenkstukken der oudheid door zorgelooze onnoozelheid het droevig lot hebben moeten ondergaan van over de zeepalen te worden geworpen, en welligt hun graf hebben gevonden in de diepte dier golven, welke over de verzonken grondvesten der aloude Friesche Koningsstad henenrollen, even als of men ook de laatste getuigen des voorvaderlijken roems in hetzelfde graf voor eeuwig wilde begraven. Wenschelijk ware eene meer algemeene belangstelling in het lot der Historie en in den goeden wil dier Schrijvers, welke zonder zelfverheffing of eerbejag slechts hun vaderland en de wetenschappen willen dienen, wier doel en handeling niet door gloeijende eerzucht of geldgewin worden bestuurd.
Wij willen hiermede over alles wat den oorsprong der Friezen betreft afstappen25.
Het ligt geheel buiten ons bestek, alles te verzamelen en te vermelden wat door de geschiedschrijvers al niet geboekt, geoordeeld en gegist is over het hoogst onzekere tijdvak van de eerste bewoners dezer Friesche landen, tot op de geboorte van Christus Dit behoort tot eene volledige Geschiedenis der Friezen; dan met eenige meerdere zekerheid kunnen worden vermeld, de gebeurtenissen van de komst van den Veldheer Drusus in Friesland af tot aan de heerschappij van Karel den Groote. Wij willen derhalve overnemen, hetgeen de heer van Halmael in zijn zeer belangrijk Overzigt over dit tijdvak heeft geschreven26, in hetwelk men natuurlijk wel overeenkomst met de kronijken, maar tevens ook vele afwijkingen van sommiger stellingen zal ontdekken. Er heerscht echter over deze tijden ook nog eene vale schemering, zoo geene duisternis; want de eerste Friesche Koning, wiens naam en handelingen met genoegzame zekerheid kunnen worden vermeld, heeft geregeerd in de zevende eeuw en heeft den troon beklommen omtrent 590 of 630. Adgillus de Eerste was die Vorst: wie echter zijn vader was, daarover hebben de geleerden het niet eens kunnen worden.
§ 2.
»Elf jaren voor Christus geboorte, vertoonde zich de veldheer der werelddwingende Romeinen, Claudius Drusus Nero in het land der Batavieren. Men zegt, ten einde de Germanen of Duitschers te straffen, die in de landen, aan hunne grenzen liggende, en onder het oppergebied der Romeinen staande, geplunderd hadden. Hij begaf zich langs den Rijn in den Oceaan, ten einde de monden Van de Eems en Wezer te bezoeken, tusschen welke de Cauchen of Chauken toen woonden. Aan hunne grenzen raakte hij in groot gevaar, doch de Friezen, met welke hij bevorens in een vriendschappelijk verbond was getreden, redden hem.”
»Een jaar later deed hij eene gracht graven, waardoor hij van den Rijn, door den Ouden IJssel in het meer Flevo komen konde. Van daar konde hij door de Middelzee en verder over de Wadden, in de Eems geraken. De Friezen verbonden zich, waarschijnlijk omdat hij hun beloofde, dat de Romeinen hen bijstaan zouden tegen hunne, immer onrustige, Germaansche naburen, tot het jaarlijks leveren van een bepaald aantal ossenhuiden. Ook schijnt hij ter hunner bescherming een kasteel, aan de Noordzee te hebben aangelegd. Dat kasteel almede Flevo of Flevum genoemd, plaatsen de oudheidkundigen op het tegenwoordig eiland Grind, thans eene schulpplaat, niet verre van Terschelling. Daaruit kon de Romeinsche bezetting spoedig de Eems bereiken27.”
§ 3.
Jaren na Chr. 29. 48.
»Met de goede trouw, die van oudsher de Friezen kenschetste (gelijk de Germanen over het algemeen), voldeden zij eenige jaren aan hunne verbindtenis, en wel tot aan of in het jaar 29 na Christus geboorte. Den Romeinschen veldheer Germanicus schijnen zij bijgestaan, en zelfs zijn leger eenmaal eene groote dienst bewezen te hebben, met hem zekere plant, door de Romeinen Brittenkruid genaamd, ter heeling van de scheurbuik aan te wijzen28. In gemeld jaar eischte zekere Olennius, een Romein, die met eenig bevelhebberschap, misschien wel met dat van het kasteel Flevum, en met het invorderen der zoogenaamde schatting belast was, eene soort van huiden, welke zij, evenmin als de waarde van dien, leveren konden. Zij lieten zich eerst daarvoor hunne ossen, toen hunne landerijen, eindelijk hunne vrouwen en kinderen tot slaven afnemen, hopende dat men hunne bereidwilligheid ziende, hun geregtigheid zou doen wedervaren. Maar, het zij de klagten der armen het oor des Keizers niet bereiken konden, het zij de Keizer zijne prefecten toeliet in het klein te plunderen, gelijk hij-zelf in het groot deed, zij vonden geen gehoor, en begonnen den regvaardigsten krijg. Zij grepen en doodden de hen kwellende knechten, en belegerden Olennius in de Romeinsche sterkte. Wel moesten zij het beleg opbreken, omdat er een aantal Romeinsche benden ter ontzet naderde, alles onderwegen plunderende en verwoestende; doch, ofschoon de Romeinen, volgens het zeggen hunner geschiedschrijvers, hen, evenwel niet zonder aanvankelijke nederlagen en groot verlies, overwonnen, zij schijnen hunne vrouwen en kinderen, en hunne landerijen toch terug bekomen te hebben, en waarschijnlijk zijn zij zelfs wel van Romeinen en schatting ontslagen geworden, of ontheven gebleven.”
»Althans men vindt niet weder van Romeinen hier te lande gewag gemaakt, dan omtrent twintig jaren later. Toen, heet het, hebben de Friezen zich aan den veldheer Corbulo onderworpen. Hij leidde weder krijgsbezetting in Friesland, en stichtte er eene sterkte, zoo sommigen meenen ter plaatse, waar nu Groningen ligt. Doch hij moest die bezetting welhaast terugtrekken, op bevel van zijnen toenmaligen Keizer, Claudius, die den Rijn tot grens des Rijks bepaalde:—van eenige schatting wordt te dier gelegenheid niet gesproken.”
§ 4.
J. na Chr. 59.
»’t Schijnt evenwel dat de Friezen, wier naam, sedert het gebeurde met Olennius, reeds onder de Germanen doorluchtig was geworden, bondgenooten der Romeinen gebleven zijn.—Toen toch, eenige jaren later, een deel der Friezen, onder aanvoering van Verritus en Malorix29, die men daarom niet voor Friesche Koningen behoeft te houden, zich op eene ledige plek gronds, denkelijk aan den linker Rijn-oever nedersloegen; toen daarop de Romeinsche gezaghebber in dien oord hun aanzeide, dat zij die weder verlaten moesten, ten zij de Keizer hun toestond, haar in te nemen, begaven Verritus en Malorix zich, om ’s Vorsten toestemming te verkrijgen, naar Rome. Daar bragt men hen in den schouwburg; zij zagen er de gezanten der volkeren, die gezegd worden in trouw en liefde voor Rome uit te munten, op de banken der Romeinsche Raadsheeren zitten, dat een eerbewijs heette. Daarop begaven zij zich derwaarts, en zetten er zich insgelijks neder, zeggende: dat geene stervelingen de Germanen in wapenen of trouw overtroffen. De Friesche rondheid behaagde zelfs den wellevenden Romeinen.”
§ 5.
J. na Chr. 240, 350, 418.
»Het komt ons voor, dat de Friezen, bij vervolg van tijd, nu eens de zijde der Romeinen zullen gehouden hebben, in de oorlogen, welke dezen bij voortduring tegen de Germaansche volkeren voeren moesten; dan weder, zich met de laatstgemelden tegen de Romeinen zullen vereenigd hebben. Van het laatste vinden wij een bewijs in den bekenden oorlog, door de Batavieren, onder Claudius Civilis, tegen hunne onderdrukkers ondernomen. Ook kan het zijn, dat zij somtijds inderdaad aan hen onderworpen geweest zijn; doch zij raakten eindelijk buiten alle betrekking tot dezelven. Gedeeltelijk voorzeker reeds, toen onderscheidene Germaansche volkeren, onder den naam van Franken, omtrent het jaar 240, vereenigd, zich ruim honderd jaren later, vestigden in Taxandrie, waardoor men het voormalig eiland der Batavieren met de zuidelijk daaraan grenzende landen, en een gedeelte van Braband, misschien ook Zeeland moet verstaan.—Voor zoo verre zij zelven, of althans een gedeelte hunner, tot dat verbond behoord mogten hebben, en onder de Saliers mogen gerekend zijn, zijn zij nogtans zekerlijk vrij en onafhankelijk gebleven, en dien Franken niet onderworpen.—Geheel echter, toen die zelfde Franken, nog ongeveer honderd jaren later, een koningrijk in Gallië, het tegenwoordige Frankrijk, stichteden, hetgeen Rome erkende. Rome, dat Rijk, hetwelk intusschen door zijnen opperheer, Theodosius den Groote, in twee Keizerrijken, het Oostersch, hoofdstad Constantinopolen, en het Westersch, hoofdstad Rome, was gesplitst geworden, en onder zijn eigen gewigt bezweek, gelijk alle Staten zullen doen, die, als Rome, naar de opperheerschappij der wereld trachten;—o troostrijke leer der Geschiedenis!”
§ 6.
J. na Chr. 62, 68, 90, 183, 186.
»Als men het gezag onzer kronijken niet geheel wil verwerpen,—en het zoude zoo ondienstig voor de beoefening der geschiedenis als onbillijk jegens onze voorvaderen gehandeld zijn, indien wij het deden,—leden de Friezen intusschen menigen aanstoot van de Noordelijker en Noord-oostelijker volkeren, onder onderscheidene namen, maar vooral onder dien van Deenen in gemelde schriften voorkomende.
Reeds op het jaar 62, wordt van zulk eenen inval der Deenen in Friesland gesproken, en jaarlijks schijnen zij, tot in 68, hunne pogingen te hebben herhaald, meer om te plonderen, dan om zich hier te vestigen. Op het jaar 90 vindt men van eenen inval der Noormannen gewaagd. Omtrent 183 van eenen dergelijken der Gothen en Wenden. Op 186 van eenen der Wilten, welke bij die gelegenheid de eerste grondslagen van Wiltenburg, naderhand de stad Utrecht, zouden gelegd hebben30.
Zijn er inderdaad zulke invallen, bloot met oogmerk te plunderen, geschied, dan mag men daaruit afnemen, dat deze landen minder arm dan voorheen waren. De netten van eenige visschers, en het weinige vee van eenige arme landbouwers, kunnen toch de roofzucht van tamelijk afgelegene volkeren niet, bij herhaling, hebben aangelokt; en wanneer het waar is, dat men hier, op zijne beurt zich bereidde tot eenen zeetogt naar de landen dier lastige plonderaars (welken togt, uit hoofde van een getroffen bestand, achterwege bleef), schijnt zulks eene regering aan te kondigen, die niet geheel van magt en veêrkracht ontbloot was. Doch wij zullen hier niet verder in treden, omdat onze bronnen niet zekerder en naauwkeuriger zijn31.”
§ 7.
Jaren na Chr. 280, 449.
»Inmiddels hadden ook de Saksen zich van een gedeelte van ons tegenwoordig Nederland meester gemaakt.—Dit volk, welks oorspronkelijke woonplaats men denkelijk in het tegenwoordige Sleeswijk en Holstein, over de Elve, langs de Noordzee, en op de eilanden aan de kust dier zee moet zoeken, schoon het sedert lang zich westwaarts had uitgebreid, kwam, waarschijnlijk over zee, eerst in Taxandrie (verg. § 5), en trad in verbond met de Franken, die hen de bezette landstreek behouden lieten. Toen de Franken zich zuidelijker op begaven, hebben de Saksen meerderen hunner landgenooten tot zich gelokt, en zich meer en meer van de Franken afscheidende, en een gedeelte hunner vorige woonplaatsen bezettende, eenen Staat op zich zelven gaan uitmaken. Franken, Saksen en Friezen, waarin de kleindere natien, die voorheen ook dezen grond bewoonden, versmolten waren, wat met name van het overschot der voormalige Batavieren mag gezegd worden, die zich met de Friezen vereenigd hebben;—Franken, Saksen en Friezen bezetteden alzoo het grootste deel van het tegenwoordige Frankrijk en onze Nederlanden, en naarmate de Saksen hunne vorige woonplaatsen verlieten, hebben de Friezen zich daarin uitgebreid.”
»Toen de Franken nog aan de Friezen grensden, werd er een gedeelte der eerstgemelden, bij zekere gelegenheid, door den Romeinschen Keizer Probus naar de kust van Pontus overgebragt. Deze Franken, gedreven door liefde tot den voormaligen grond, verlangden daarna terug te keeren. Zij maakten zich meester van eenige Romeinsche schepen, zeilen daarmede door den Bosphoros en den Hellespont tot in de Middellandsche zee, plunderen de kusten van Asia, Griekenland, de rijke stad Syrakuse op het eiland Sicilië; zeilen vervolgens door de straat van Gibraltar, en zoo komen deze stoutmoedige roovers, langs de kusten van Spanje en Frankrijk, door het kanaal, aan het strand der Batavieren of aan dat der Friezen. Dit einde van hunnen togt, welke eene reis om de wereld mag heeten, maakt het waarschijnlijk dat er ook Friezen onder deze zeevaarders geweest zijn, en dat de eer dier onderneming, aan welke men zijne bewondering niet kan weigeren, ook gedeeltelijk aan onze voorouderen toekomt. Van oudsher was verkleefdheid aan den vaderlandschen grond een hoofdtrek van het Friesche karakter.”
»Nadat de Saksen de onmiddellijke naburen der Friezen geworden waren, hebben zij met dezen in verbond geleefd. Ook mag men het daarvoor houden, dat de lotgevallen der Saksen, bij de Schrijvers der middeleeuwen vermeld, grootendeels mede die der Friezen geweest zijn32, die dan eerst weder met hunnen eigenen naam ten tooneele verschijnen, nadat de Saksen oostwaarts wijken voor de Franken, die zich op nieuw tot aan Friesland uitbreiden, en eindelijk ook daar meester worden.”
»Zoo is het b. v. bij de naauwkeurigste en oordeelkundigste Geschiedschrijvers zeker, dat er Friezen geweest zijn onder de Saksers en de met hen vereenigde Anglen (een ander noord-oostelijk volk), die zich, onder aanvoering van Hengst en Hors, zoo men ze noemt, in 449 of 50 naar Brittanje, het tegenwoordige Engeland, begaven. En hoewel het nagenoeg zeker is, dat de aanvoerders zelve Saksen waren, komt het ons voor, dat zelfs het grootste gedeelte dier vreemdelingen uit Friezen heeft bestaan.”
»Zij waren tot die overkomst uitgenoodigd geworden door de Britten zelven, die hunne noordelijke grens-naburen, de Schotten en Pikten, niet wederstaan konden. Van hen en van de dochter van Hengst, de schoone Ronixa of Rovena, maken zoowel de Britsche kronijken als de onze gewag.”
»Hier voor pleit ook de overeenkomst van de Engelsche met de echt Friesche taal, beide dochters der Saksische, naderhand Anglo-Saksische genaamd, d. i. dier taal, welke de in Brittanje overgekomene Saksen, Anglen en Friezen spraken. De Britten tot hun ongeluk te laat beseft hebbende, dat zij nimmer ter beslissing der twisten op hun eiland, vreemden hadden moeten inhalen, moesten later die vreemden tot hunne heeren aannemen, of hun vaderland ontwijken. Velen begaven zich naar een gedeelte van Frankrijk, naderhand naar hen Bretagne genaamd; de overigen versmolten in de Anglo-Saksen. De tegenwoordige Engelschen en de Friezen mag men met regt broeders kinderen heeten. Ware deze les voor de Friezen slechts niet evenzeer verloren gegaan als voor zoo vele latere volkeren!”
§ 8.
J. na C. 468, 496, 555, 562, 605, 628, 631.
»Doch toen de Saksen en Franken elkander wederkeerig te magtig werden, ontstond er groote vijandschap tusschen deze beide strijdbare volkeren. Toen de Koning der Franken, Childerik, met zijnen mededinger Egidius (Gilles) om de kroon twistte, kozen de Saksen de zijde van den laatstgemelde, die hen om bijstand aanzocht. Staatkundig was het, het verzoek van den zwakste in te willigen, ter vernedering en verzwakking van den magtigste.—Maar de Saksers streden zoo ongelukkig, dat zij genoodzaakt waren, zich aan Childerik te onderwerpen, zelfs hem bij te staan in zijne oorlogen tegen andere Duitsche volkeren. Daarna weder in oorlog geraakt met Childerik’s zoon, Klovis, schoten zij ook tegen dezen te kort. Klovis verdeelde, bij zijnen dood, zijn rijk onder zijne zonen, en dat gedeelte, hetwelk vervolgens onder Oost-Frankrijk of Austrasie heeft behoord, grensde aan de Saksen.—Eerst het aandeel van Theodorik I zijnde, geraakte het later in handen van Klovis’ jongsten zoon, Chlotarius I. Deze met de Saksen in oorlog geraakt, bragt hun verscheidene nederlagen toe. De strijd werd telkens hervat, en eindigde met de oplegging eener schatting aan den vijand, die van den Franken 500 koeijen jaarlijks te leveren.”
»Evenmin gelukkig waren zij tegen Sigebert I, zoon van Chlotarius I, en Koning van Austrasie, die hen sloeg aan het Boerdiep, d. i. de Middelzee, dus in het hart van ons tegenwoordig Friesland,—tegen Theodebert II en Theodorik II, kleinzonen van voormelden Sigebert I, Koningen van Austrasie en Bourgonje,—tegen Chlotarius II, Koning van geheel Frankrijk, en tegen Dagobert I, diens zoon. Deze laatste schold hun de schatting kwijt, hun door Chlotarius I opgelegd, mits zij de Slavoniers, een Noordsch volk, dat hem te magtig was, beteugelden, ’t geen hun echter niet gelukte.”
§ 9.
Jaren na Chr. 513, 677.
»Inmiddels hadden de Noordsche volkeren niet stil gezeten. Nogtans vielen zij met meer zoo bij voortduring op de Friezen aan als te voren. ’t Schijnt zelfs dat dezen, of om in den stijl van dien tijd te spreken, de Saksen, hen hebben bijgestaan tot het doen van eenen inval op het grondgebied van den reeds vermelden Theodorik I. Toen Dagobert hun de schatting kwijtschold, was Adgillus I Koning der Friezen. Hem kunnen wij prijzen als een regtvaardig en edel Vorst. Hij vergunde het prediken van het alleen zaligmakend Evangelie in deze landen. De heilige Wilfrid, Bisschop van Jork in Brittanje, kwam van daar herwaarts. Zijne vijanden aan het Engelsche hof, waartoe de Koning zelf schijnt behoord te hebben, wanende dat hij naar Frankrijk was gegaan, wisten den ondeugenden Ebroïn, toen Groot-Hofmeester bij den Koning van Frankrijk, in hun belang te trekken. Deze schreef aan Adgillus, en beloofde hem eene aanzienlijke som gelds, bijaldien hij hem den Bisschop, levendig of dood, wilde overleveren. Adgillus was geen Christen, maar de oude deugd der Duitschers (der Friezen vooral, zeggen wij) woonde in zijn hart. Hij deed een’ brief, in tegenwoordigheid van Wilfrid en zijne medgezellen, en in dien van Ebroïns gezanten, luide voorlezen; vervolgens nam hij dien, verscheurde hem, en leverde het overschot der vlam over, de Frankische afgezondenen den smaad en der schaamte ter prooi latende.”
»Volgens onze kronijken, deed ook Adgillus zekere hoogten of terpen opwerpen, opdat zich de landzaten daarop bergen mogten tegen de overstroomingen, welke van oudsher deze landen met wee en jammer overstelpten33.”
§ 10.
J. na Chr. 679, 685, 687, 711, 719.
»De opvolger van Adgillus, Radboud I, (of hij zijn zoon was, wordt door sommigen, niet zonder grond, betwijfeld) regeerde niet gelukkig.—Volgens de Kronijken, werd hij zelfs door de Denen gevangen genomen en naar Denemarken gevoerd; naderhand echter weder vrij gegeven. Het Frankische Rijk was een tijdlang ter prooi aan binnenlandsche oneenigheden. Van deze schijnt Radboud zich aanvankelijk bediend te hebben, ten einde zijn Rijk tot aan den mond der Schelde uit te breiden. Dit echter wikkelde hem in eenen krijg met de Franken, die voorlang de Saksen verdreven hadden uit de landstreken, welke Radboud nu aan zich trok, en er meesters geworden waren.”
»De Koningen der Franken waren thans slechts Koningen in naam, en de klem van het bewind was in handen (sedert 687) van den Groot-Hofmeester Pepijn van Herstal, die zich Hertog en Prins der Franken noemde. Pepijn schijnt Radboud een aanzienlijk gedeelte van zijn Rijk ontweldigd te hebben, onder anderen Wiltenburg (Utrecht), ’t welk Pepijn vervolgens ten verblijve gaf aan Willebrord, door den Paus tot Bisschop der Friezen verheven. Pepijn was een ijverig Christen, en wist het Christendom wonder wel dienstbaar te maken aan zijne staat- en heerschzuchtige oogmerken. Radboud haatte Pepijn en het Christendom, hetwelk hem aan Pepijn onderwerpen moest. Daarom verwoestte hij bij de eerste gelegenheid de beste den nieuwen Bisschopszetel, doch moest weder voor Pepijn zwichten.”
»Op nieuw werd de prediking in Friesland hervat. Zelfs nam Radboud’s dochter, Theodesinde of Teutsinda, het Christendom aan, en werd de echtgenoote van Grimoald, zoon van Pepijn. Dit bewijst duidelijk, dat de zoo magtige Franken evenwel geene kans zagen, zich de Friezen te onderwerpen, en dat Pepijn uit dien hoofde, zich door zoodanig eene verbintenis, ten minste tegen hunne vijandschap, poogde te verzetten.”
»Deze Grimoald werd daarna vermoord door zekeren Rangarius, welke gezegd wordt tot de lijfwachten van Koning Radboud behoord te hebben. Daarom wijten sommigen hem, anderen zijner dochter, dien moord. Doch dit is ver van bewezen, en wij zien inderdaad niet, dat Radboud enig belang bij den ondergang van Grimoald zoude gehad hebben, eene reden te minder, om aan die beschuldiging geloof te slaan.—Wel zegt een onzer Geschiedschrijvers, dat Radboud, die zich immer nog niet ontzag de Christenen te vervolgen, niet beducht voor de wraak van Pepijn, wiens jaren hoog geklommen waren, vreezen moest, dat Grimoald den hoon, zijnen vader aangedaan, zou wreken, en hem daarom uit den weg moest ruimen; doch wat zou hem dit gebaat hebben, daar Pepijn nog twee andere volwassen zonen had, door geene echtverbindtenis aan Radboud verbonden, en van welke hem dus zoodanig eene wraak nog veel meer stond te vreezen?”
»Om een bewijs te geven, hoe verschillend de latere Geschiedschrijvers de gebeurtenissen van dien tijd opvatten, en hoe moeijelijk het daarom is, een overzigt van denzelven daar te stellen, willen wij, hetgeen op dien moord volgde, op tweederlei wijze verhalen.”
»Pepijn, zegt een der beroemdste hedendaagsche Duitse Geschiedschrijvers34, bepaalde hierop, dat Theudoald, Grimoald’s onechte zoon, Hofmeester in Austrasie zou worden, welke waardigheid alleen Pepijn eigenlijk had bekleed, hoewel hij ook grooten invloed op de zaaken van West-Frankrijk (Neustrië of Neustrasie) had. Daarop deed Plectrude, grootmoeder van Theudoald, de zonen van Pepijn bij zekere Alpheid (of Alphaïda), Karel (Martel) en Hildebrand gevangen nemen, opdat zij aan Theudoald de waardigheid van Groot-Hofmeester niet betwisten zouden. Dit kon niet geschieden zonder voorkennis van Pepijn.—Pepijn stierf. De West-Franken verkozen toen zekeren Raginfrid tot hunnen Groot-Hofmeester. Daartegen verzetteden zich de Oost-Franken, met Theudoald aan ’t hoofd. Er viel een veldslag voor, dien de Neustrasiers wonnen. Theudoald nam de vlugt, en kwam kort daarna om. Hierop ontkwam Karel Martel zijner gevangenis, en wilde zich met het Groot-Hofmeesterschap van Austrasie te vreden houden. Ook dit wilden de Neustrasiers hem niet laten. Nu streed hij dan om het geheel, en het gelukte hem, Groot-Hofmeester over de beide Rijken, ook Hertog en Prins te worden. Theudoald was voor het overige ouder dan Karel, die omstreeks 690 geboren was.”
»Pepijn, zegt een der nieuwere en wijsgeerigste Fransche Geschiedschrijvers35, was Groot-Hofmeester over geheel Frankrijk; eene van zijne grootste zorgen was, alle onderscheiding tusschen Austrasie en Neustrië te doen verdwijnen; maar hij was genoodzaakt, die onderscheiding weder op nieuw te maken, ter gunste van zijne zonen. Toen Grimoald stierf, liet hij eenen zoon na, Theudoald, oud ongeveer zes jaren. Dezen schonk Pepijn toen het Groot-Hofmeesterschap van Neustrië. Toen stierf hij. Na zijnen dood deed Plectrude Karel Martel gevangen nemen,—van Childebrand (Hildebrand) wordt niet gesproken; dit had Pepijn voorzeker niet gelast. Daardoor veroorzaakte zij dat Karel, die anders aan Theudoald het Groot-Hofmeesterschap van Neustrië wel zou gelaten hebben, als zich met dat van Austrasie kunnende vergenoegen, nu uit wraak, om den hem aangedanen hoon, hem dat moest betwisten.—De grooten van Neustrië, niet door een kind willende geregeerd worden, kozen Raganfrid. Deze wilde Groot-Hofmeester van het geheele Rijk worden. Het overige komt met het verhaal van den Duitscher nagenoeg overeen. Alleen wordt, bij den Franschman, Ramfroy (Raganfrid) eerst na de nederlage van degenen, die het voor Theudoald opnamen, tot Groot-Hofmeester verkoren.”
»Zooveel is intusschen zeker, dat Raganfrid, die alleen wilde heerschen, en eindigde met alles, op één Graafschap na, te verliezen, naderhand echter zoo verstandig was, zich met hetzelve tevrede te houden, hetwelk andere overweldigers, die in het eerste zijn voorbeeld gevolgd hebben, niet deden; dat deze Raganfrid hulp zocht bij Radboud, dien de Fransche Schrijvers slechts Hertog der Friezen noemen;—hij mogt geen hooger rang dan Pepijn en Karel hebben. Dit moet den doodvijand der Austrasiers welkom geweest zijn.—Hij trok te veld, en overwon Karel, die hem afzonderlijk aanviel. Hij schijnt zich vervolgens met de Neustrasiers vereenigd te hebben tot het beleg van Keulen, in welke stad Plectrude zich onthield, die, nadat de Neustrasiers hadden moeten aftrekken, omdat Karel hen in den rug dreigde, hem tot den aftogt, door eene aanzienlijke som gelds, overhaalde.”
»Hiermede was echter de krijg tusschen Karel en Radboud nog niet geëindigd. Nadat Frankrijk-zelf was bevredigd geworden, schijnt Radboud, die misschien zijne aanvallen op dat gedeelte van zijn gebied, hetwelk hem door Pepijn was afgenomen, hernieuwd heeft, nog eene nederlage aan de Middelzee te hebben geleden, en dien ten gevolge op nieuw de prediking van het Christendom door geheel Friesland te hebben moeten toestaan. Daarna verklaarde hij zich zelfs bereid den H. Doop te ontvangen. Toen echter Wulfram, laatstelijk Bisschop van Sens, gereed stond, hem dien toe te dienen, en hij bereids met den éénen voet in de doopvonte stond, vroeg hij den Bisschop, of hij zijne voorvaderen en de verstorvene Friesche Edelen ook in den hemel hervinden zoude? Wulfram’s onbedacht antwoord: dat die in de hel waren, als ongedoopten, deed hem, onder het zeggen, dat hij liever met zijne voorvaderen en vrienden in de hel, dan met aan hem onbekende Christenen in den hemel zijn wilde, den voet terugtrekken.”
»Volgens anderen zou dit al onder Pepijn zijn voorgevallen. Sommigen verklaren de geheele gebeurtenis, welke den inborst van Radboud nogtans volkomen kenschetst, voor eene fabel.”
»Kort daarop kwam Radboud te sterven.”
§ 11.
J. na Chr. 734, 738, 744, 746, 754 of 755.
»Wie hem opvolgde, is niet geheel zeker; sommigen zeggen, zijn zoon Adgillus II, anderen, zekeren Poppo. Misschien is het Radboud I mogelijk geweest, zijn gebied, op het voorbeeld der Frankische Koningen, onder zijne kinderen te deelen, en dan zal hij Oost-Friesland, het land der groote Friezen, aan zijn oudsten zoon, Adgillus II, en wat hem van het overige gebleven was (Noord-Holland), aan diens broeder Poppo gegeven hebben.”
»Poppo oorloogde met Karel Martel. De twistappel, hetgeen den Frieschen Koningen van het voormalig land der kleine Friezen ontnomen was, was voorhanden. Poppo is waarschijnlijk in dien strijd gesneuveld, zonder dat de Friezen meer gronds verloren; zijn broeder erfde zijn Rijk, en verdeelde bij zijnen dood hetzelve weder onder zijne zonen, Gondebald en Radboud II.”
»De laatste bekwam West- de eerstgemelde Oost-Friesland.”
»Gondebald was een vreedzaam Vorst; maar Radboud II had den aard en de denkenswijze van zijnen voorzaat van gelijken naam, en bovenal diens afkeer van het Christendom overgeërfd. Met de Saksen verbonden, beoorloogde hij Karoloman en Pepijn den Korte, zonen en opvolgers van Karel Martel, maar zonder vrucht. Daarentegen stond hij zijn’ broeder, Pepijn, bij tegen de Saksen. Het schijnt op aandrijving van Radboud geweest te zijn, dat de vrome Bonifacius, Aartsbisschop van Maintz, het Christendom verkondigende, in het gebied van Gondebald, omtrent het toenmalige vlek Dokkum, door de ongeloovige Friezen vermoord is geworden. Althans Pepijn, toen reeds Koning der Franken, heeft dien moord op hem gewroken, of dien, tot voorwendsel om hem op nieuw te beoorlogen, genomen. Radboud moest de vlugt naar Denemarken nemen, en misschien heeft hij zich toen eenigen tijd op het eiland Helgoland opgehouden, en aldaar de afgodendienst in al haren vorigen luister hersteld. Ook zou het kunnen zijn, dat Gondebald eerst toen, na het vertrek van Radboud, de kroon verkregen heeft, en dat de laatstgemelde tot dien tijd toe alleen in Friesland geheerscht had. In dit geval zouden wij onderstellen mogen, dat Radboud de oudste zoon van Adgillus II geweest is.”
Tot dusverre het Overzigt van den heer v. Halmael, uit al de Geschiedschrijvers bijeengebragt en met zijn eigen oordeel verrijkt. Het verschil in de jaren, waarin de gebeurtenissen worden vermeld, is bij vele Schrijvers zeer opmerkelijk; dan een opzettelijk onderzoek hierover, zou voor ons doel van weinig nut zijn.—Wij zullen liever de korte geschiedenis van Radboud tot aan zijnen dood vervolgen.
In den jare 768 stierf Pepijn, nalatende drie zonen, Karloman, Karel en Gilles; welke beide eersten, daar de laatste tot den geestelijken stand was opgebragt, het rijk verdeelden. Karloman viel Oost-Frankrijk en Karel Friesland ten deel. Karel, door zijne regtschapenheid, vele deugden en groote kundigheden, verwierf zich te regt den naam van den Grooten36; maar zijne onrustige broeder, wien twist en tweedragt liever was dan rust en vrede, vervolgde hem steeds als een vijand. Dan slechts drie jaren werd hem daartoe gegeven, want toen stelde de dood paal en perk aan deze kwelling. Karel werd nu ook als Koning van Oost-Frankrijk erkend.
Radboud, de bittere vijand zoowel der Christenen als der Franken, was in Friesland teruggekeerd, algemeen weder tot Koning erkend, en begon zijnen woesten aard en wreede vervolging weder vrijen teugel te vieren. Hij vereenigde zich met der Saksen Koning of Hertog Witekind, ten einde Karels magt te fnuiken en op den troon te blijven. Meer dan eens moest hij echter het onderspit delven, tot hij eindelijk gedrongen werd weder naar de Denen de wijk te nemen. Een paar jaren daarna, (gelijk sommige Schrijvers beweren) tijdens den togt van Karel naar Spanje, waarin alwat Frankenland groot en edels opleverde, tot volkomen nederlaag en vernieling werd gebragt, kwam de nog woelzieke Radboud in Friesland, en hernam het bewind, doch slechts voor twee jaren lang.—Karel’s legertroepen joegen den woesten Fries weder naar Denemarken, zijn toevlugtsoord, alwaar hij in ballingschap zal gestorven zijn. Geene zekere, zelfs flaauwe narigten van zijn levenseinde, zijne familie of kinderen is aan de nakomelingschap overgebragt.
In Oost-Friesland zijn nog overblijfselen uit den ouden tijd aanwezig, zoo als de Kon-Rebberts- en Rabboltswegen, de Rabboltsbergen en een deel van de heerbaan in Groningerland, welke Radbodiweg genoemd wordt37.
Bl. 6.
Over het Friesche Wapen meenen wij te mogen aanmerken, dat, wanneer men het oude Wapen van Friesland, voorkomende bij Winsemius, Hamconius en anderen, voor het familiewapen der Friesche Koningen houdt, de geschiedenis hiermede in strijd is, als den oorsprong der Familienamen en Wapens uit de tijden der Kruistogten, aangevangen in 1096, vermeldende; terwijl de laatste Koning, Radboud II, omtrent den jare 775 de kroon verloor, en waarschijnlijk kort daarop is gestorven. Sommigen hebben echter beweerd, dat de oorsprong der Wapens reeds bij de oude Germanen te zoeken zij; doch hoewel de schilden der voornaamste krijgshelden onder hen werden beschilderd en versierd, vindt men geen bewijs voor de regelmatige zamenstelling en afwisseling van kleuren naar bepaalde regels, of van eenige figuren tot kenteeken aangenomen. Hebben de Friezen, voor dat zij met de Romeinen bekend waren, vanen gebruikt, het blijkt nergens uit, dat deze met figuren zouden zijn voorzien geweest; en van de Romeinen konden zij die niet overnemen, daar deze wel effen gekleurde en met goud gestikte vanen bezigden; doch van regelmatige wapen-figuren vindt men niet vermeld38.
Het oude Friesche Wapen heeft zeer veel overeenkomst met die wapenschilden, welke sedert de Kruistogten in gebruik kwamen, en dit versterkt de meening, dat het niet van Friso’s tijd af als Landswapen of als veldteeken is gevoerd.—Hamconius zegt, dat van Friso af tot Beroald het Wapen bestaan hebbe uit een azuren schild, waarop drie zilveren balken, op welke zeven roode plompebladeren (niet pompelbladeren, zegt Dodonaeus) geplaatst waren.—Van Beroald tot Radboud II werden er een balk met vier bladeren bijgevoegd, zoodanig als Beroald het veranderde, toen hij, de dochter van Koning Ridzard gehuwd hebbende, na den dood zijns schoonvaders Oost- en West-Friesland vereenigde.—Suffr. Petri plaatst de plompebladeren tusschen de balken en niet op dezelve, strijdig met de regelen der Wapenkunde, welke niet toelaten, dat men kleuren op kleuren, maar wel kleuren op metalen plaatst, gelijk men dit bij de Schrijvers over de Heraldie zal vinden.—Koning Haron zoude vroeger aan de Hertogen van West-Friesland een Wapen gegeven hebben, met slechts één zilveren balk en vier roode plompebladeren in het blaauwe schild.—Met de regering van Karel den Groote kwamen de leeuwen en blokjes in het Landswapen.
Bl. 7.—Ao 245.
De Friesche Pateele en de Friesche Hoorn. Winsemius, Chron. fol. 12, spreekt niet uitdrukkelijk van de eigenlijke Pateele als door Adel ingesteld, maar wel van de vriendenmaaltijden en andere bijeenkomsten, waarop men zich, ook op Duitsche wijze, aan de dronkenschap overgaf: iets dat aan geen tijdvak zeer vreemd is. Echter werd er spoedig bij de feesten een ceremonie- of zedemeester aangesteld, wien bij het drinken vooral het toevoorzigt was gegeven. De kantteekening van Wins. ter a. p. luidt: »Die Vriesche Hoorn inghestelt met den Schuttel.”—Deze Pateele of schotel zou uit dertien of veertien verschillende geregten bestaan hebben, en de Hoorn een gewone stierenhoren geweest zijn. Wie nu de geschiedenis van Adel voor eene fabel houden, beweren, dat de Friezen het gebruik van uit Horens te drinken van de Denen en Noren hebben overgenomen.—Dan stellig is het, dat het gebruik in overouden tijd bestond; als ook, dat men later de Horens niet meer van gemeene stieren, maar van Ur-ossen genomen heeft, dezelve zeer versierde en met goud en zilver prachtig liet beslaan.—In de onuitgegeven Kronijk van Worp van Thabor, Lib. I. cap. 2, wordt hierover uitgewijd. Zie Hamconius, Frisia, fol 8; Gabbema, Verh. van Leeuw., bl 13; Alkemade, Displegtigheden, II. 408 volgg.
Bl. 7.—Ao 245.
Adelingen. Ofschoon er reeds in de vroegste tijden, en welligt in Friesland vroeger dan elders, een stand van mannen bestond, die men Edelen noemde, is het echter niet aannemelijk, dat zij hunnen naam van dien van Prins Adel hebben ontvangen. Immers de afleiding van het woord spreekt het tegen. Het zij voldoende, uit meerderen hier het aangevoerde van de kundige en schrandere Vertalers en Aanteekenaren op de Oude Friesche Wetten aan te halen, en als het meest aannemelijk denkbeeld na te volgen. Aldaar, op bl. 132, lezen wij: »Waar in het weezen van den Adel, onder de Duitsche volken, bij ouds bestaan hebbe, kan met geen volkomen zekerheid bepaald worden.—Leibnits (Excerpt. Mejerian. p. 289) en Gærtner (ad. L. L. Sax. p. 21.) leiden het woord Edelman af van het over oud woord ot of od predium, possessio, [een goed, hetzij op het land of in de stad; bezit] (waar van allod), zoo dat Edelman zooveel zoude zijn als odelman, predii vel pagi possessor, [groot goed- of landbezitter] en stellen op dien grond het oorspronglijk weezen van den Adel in de bezitting van aanzienlijke vaste goederen.”—Wachter en anderen stellen het wezen van den Adel in hooge geboorte; doch altijd blijft de vraag, hoe de eerste edelman in de wereld gekomen zij.
Adel dus van od, ode, ade, ede39, grond, bezitting afkomstig, zoo is Edele, Edelman oorspronkelijk een grondbezitter. Daar nu deze Edellieden, als de aanzienlijkste personen, natuurlijke voorregten genoten, tot hooger ambten en vooral tot hoogere rangen in de krijgsdienst werden verkozen, hadden zij ook, in de vroegste tijden namelijk, over hunne minderen het beheer en bestier, zelfs eigene regtspleging en vrij gebied. In lateren tijd echter werden er algemeene bepalingen, blijkbaar uit de alleroudste Friesche wetten (Lex Frisionum sive antiquae Frisiorum leges) gemaakt, waaraan de Edelen zich moesten houden. De afstammelingen der grondbezitters, rijksten, traden, hoewel niet regtens, in de voorregten der ouders, met het ontvangen van het ouderlijk erfdeel (Ethel, in ’t Oud-Friesch). De rijken evenwel, die zich goederen aankochten, werden niet onder den Adelstand opgenomen, omdat hunne voorouders niet onder de Edelen hadden behoord: zoodat al zeer vroeg de Adel zijn voorregt aan geboorte toekende.—Destijds bestonden nog bij den alouden Frieschen Adel geene brieven, wapenen of teekenen van Adeldom, daar deze eerst in de XI of XII eeuw in gebruik zijn gekomen.
Ten tijde van den regerenden Vorst, Hertog Georg van Saxen, (1505) werd op diens last een register van den Frieschen Adel opgemaakt40, in hetwelk de in de Grietenijen aanwezige Edelen, met de wegens oorlogen of onlusten afwezigen, werden opgeschreven. Hierdoor mogen wij vooronderstellen, dat van dien tijd af de wezenlijke erkenning van den Adel heeft plaats gehad, en ook de bepaalde erfopvolging is begonnen. De Friesche Adel onderscheidde zich alzoo van die van andere landen, daar de eerste ten gevolge van vrij en onafhankelijk bezit van goederen tot dien stand was verheven, terwijl de andere ten gevolge van landgoederen, van zijnen Vorst ontvangen, daartoe geraakte; ook werden er soms door den Vorst, zonder dit, in den adelstand ingelijfd, dat is, in diens voorregten gelijk gesteld. Zoo had men dan ook in Friesland niet de verdeeling in bijzondere rangen, als Graven, Hertogen, Baronnen en Heeren,41, maar alleen den rang en titel van Friesch Edelman, den hoogsten rang en titel, welken men voeren kon en wilde. Echter verkoos men in den eersten tijd zich Raden, Hoofden en Aanvoerders in oorlog en vrede, die dan Heerschappen en Hovelingen, en in de steden, bepaaldelijk Oldermannen genoemd werden. Deze posten bleven ook in de familiën.
Onder de regering van Keizer Lotharius II , omstreeks den jare 1125, bestond er tweederlei Adel,—de Hoogere, die onmiddelijk onder den Keizer was gesteld, en de Lagere, die onder Hertogen en Graven behoorde te staan. Dan de Friesche Edellieden wilden geene Hertogen of Graven van Friesland erkennen, maar alleen onder de oppermagt des Keizers staan, even als hun land. Leenmannen te wezen was hun een ondragelijk denkbeeld, even als het voorregt uit vorstengunst gesproten, en zoo was dan ook de alleen begeerde titel van Friesch Edelman geen mindere, dan die van Graaf en Hertog. Het gebruik bij den Adel, om zich naar hunne landerijen en kasteelen te noemen, was in Friesland minder algemeen, daar men voor geslachtsnaam veeltijds den voornaam zijns Stamvaders nam. Men leze v. Halmael’s Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, § 24: Friesch Jierboeckjen, 1833. Vergel. voorts het vertoog van Jonkheer M. Hettema over den Oorsprong van den Frieschen Adel, voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 27 November 1832; de Narede van den Heer v. Halmael achter zijn Treurspel Ats Bonninga; F. Sjoerds, Beschr. v. Friesland, I. 470; Wakker van Zon, zijn Boekje getit. de Adel, door Anonymus Belga, p. 16. volgg.