1 Dat de Schelde en de Sincfal, later Zwene geheten, niet dezelfde rivieren zijn, en dus niet voor elkander genomen moeten worden, wordt behalve in de Bijv. voor het I. D. van Wagenaars Vad. Hist. ook in het breede betoogd door den Hoogleeraar Ypeij, in het II. D. zijner Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 115 volgg.

2 Over deze vergraving lezen wij in Bilderdyks Geschiedenis des Vaderlands, I. 24: »’t Was natuurlijk dat Drusus, geheel het zuidelijk Land zijner Landvoogdij jaarlijks overstroomd ziende, bedacht was om het Rijnwater af te leiden. Naderhand deed Corbulo ’t zelfde met den zoogenaamden Vliet te graven. Maar beide ondernemingen hadden gelijke gevolgen: Het verderf van een groot gedeelte Lands. Gelukkig Holland, zoo men nooit gegraven en nooit gedijkt had! Wij zouden thans boven de rivieren wonen, die het Land doorsnijden moesten, en er nu over heen loopen in gemaakte goten, wier bodem steeds verhoogt door de vallende slib, en die dus hoe langer hoe meer boven het land rijzen en in kracht en gewelddadigheid hunne dijken overmeesteren; terwijl men haar nog bovendien door de droogmaking van meeren, de noodige boezems onttrokken heeft, om zich, bij voorkomende opzetting van boven, te kunnen ontlasten, zonder hunne boorden te verwoesten.”—Hoezeer deze en dergelijke gevoelens tegenstanders vinden, kan ik er echter bijvoegen, dat met andere deskundigen ook de zeer bekwame Waterbouwkundige Cornelis Zillesen in zijne werken zeer tegen alle vergravingen ijvert. Nog op zijn negentigste jaar heeft hij daartegen ernstig gewaarschuwd in zijn belangrijk stukje, getiteld: Iets over de natuurlijke oorzaken der steeds toenemende Zeeoverstroomingen (Rott. 1825), waarin hij ook beweert en bewijst, dat de Alwijze Schepper der natuur voor de ontlasting des waters had gezorgd, en dat, om van land water te maken, alleen daar noodig was, waar door rivieren of binnenvaarten de kanalen verbeterd moesten worden, terwijl de verhooging der rivierdijken en de daarin begane misslagen zoodanig de inkeldering der binnenlanden en woningen had veroorzaakt, dat bij elke doorbraak de rivieren die landen tot hunne beddingen verkozen. Ook had deze maatregel een ander nadeel ten gevolge, het onderhoud namelijk, tot groote kosten van den landbouw, op plaatsen daar men reeds niet meer het water door sluizen kon ontlasten, van 2000 watermolens alleen in Holland. De Schrijver geeft voorts onkostbare behoedmiddelen aan de hand, en dit boekje verdient de opmerking des onpartijdigen.

3 Door den Emeritus Predikant P. Brouwer, een man van kennis en verstand, was in geschriften nagelaten eene Nasporing en Aanwijzing van den Loop en de Grenzen der opgeslijkte Middelzee, welk stuk te gelijk wordt uitgegeven (terwijl deze ter perse is,) met een zeer naauwkeurig en grondig Onderzoek naar de oorspronkelijke uitgestrektheid, en den tijd en wijze van opslijking der Middelzee; alsmede hoe Leeuwarden door haar is bespoeld geweest, zamengesteld door den ijverigen beoefenaar der Geschiedenis W. Eekhoff. Eene zeer aanbevelende Voorrede van den kundigen Worp v. Peyma versiert dit werk. Het onderzoek van Do. Brouwer bepaalt zich tot den omvang en begrensdheid der Middelzee in de 13 eeuw. Eekhoff heeft getracht aan te toonen en tot eenen hoogen trap van waarschijnlijkheid te brengen, welke in de oudste tijden de grenzen dier Zee waren, kennende haar eene veel meerdere uitgestrektheid toe, dan waarvan de geschiedenis gewaagt.

4 Dit werk getiteld: Physische Geschichte der Nordsee-Küste und deren Veränderungen durch Sturmfluthen seit der Cymbrischen Fluth bis jetzt, is in twee deelen uitgekomen te Emden 1833, en was het laatste voortbrengsel van dezen verdienstelijken man, ten nutte van zijn Vaderland, omdat hij dat Vaderland verlaten en zich naar een ander werelddeel begeven moest, ten einde zich een voortdurend bestaan te verschaffen.

5 Vergelijk hierbij de Voorrede voor het II deel van ’t Charterboek, p. 65 en 66.

6 Vervaardigd voor het, door ’t Friesch Genootschap uitgegeven, Friesch Jierboeckjen. Het eerste gedeelte is geplaatst in dat van 1831: Kirt Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, fenne fierste tijd oon it jier 1814 to, loopende dit deel van de vroegste tijden af tot aan Karel den Groote, dat is, tot aan ’t jaar 773 of daaromtrent. Dit tijdvak noemt de Schrijver het Fabelachtige Friesland.

Het tweede tijdperk, loopende tot op de aanneming van Albrecht, Hertog van Saksen, tot Heer van Friesland, d. i., tot aan 1498, wordt genoemd het Vrije Friesland.

Het derde, de geschiedenis zullende bevatten van 1498 tot op de afzwering van Philips II., Koning van Spanje, als Heer der Nederlanden, heet het Overheerde Friesland.

Het vierde tijdvak, van 1584 tot aan 1795, tijdstip van het vertrek van Prins Willem den V., laatste Stadhouder der VII Vereenigde Gewesten, uit Holland, zal het Stadhouderlijk Friesland genoemd worden.

Het vijfde, zullende gaan van 1795 tot de omwenteling van 1813, zal den naam ontvangen van het Nieuwere Friesland.—Zie gem. Jierboeckjen.

7 Het gevoelen van den heer Hettema, ontwikkeld in zijn Iets over de Geschiedenis van Friesland (zie het Mengelwerk van de Leeuwarder Courant van den 10 Augustus 1830, No. 64), vind ik niet aannemelijk, dat namelijk Friezen hetzelfde zoude beteekenen als Frigen, Frisschen of vreemde volkplantingen;—hoezeer dan ook M. Alting in zijne Notitia Bat. et Frisiae Ant. in voce Frisii deze beteekenis aan de hand geeft en daartoe overhelt. H. v. Rhyn, in zijne Aantt. op de Friesche Oudhed. en Gest. I. 43, en andere Geleerden houden het met de beteekenis van vrijen. Dat de frissche of koude landstreek den naam Friezen zou geschapen hebben, zal toch wel geen’ ingang vinden.—Vergelijk ook de voorrede van Gutberleth, voor Gabbema’s Verh. van Leeuwaarden.

8 Vg. bl. 206, II. deel van de Bekn. Geschied. der Nederl. Taal door A. Ypeij, over de herkomst der Friezen.—

9 Winsemius in zijne Chronique, f. 6, en Suffr. Petri de Frisior. antiq. et orig. p. 234, noemen Hoppers een beroemd en verdienstelijk man, de eer der Friesche natie; v. Rhyn en na hem F. Sjoerds zeggen echter, dat zijn gevoelen geene voorstanders heeft.

10 Gemelde Aantt. p. 44.

11 Cf. Suffr. Petri de Fr. Or. L. I. Cap. XVIII.

12 Zie deswegens v. Rhyn t. a. p. en Westendorp, Jaarboek van en voor Groningen, p. 5.

13 Hunibaldus, Trithemius, Funccius, Panthaleo; of hebben zij zonder onderzoek elkander nageschreven?

14 Westendorp, Kronyk, p. 6 en 7.—V. Rhyn, ll. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. I. 14 enz.

15 Wolfgang, Lazius en Aventinus.

16 Zie Westendorp, p. 8. Van deze omstandigheid, in de Kronyk van Eggerik Beninga vermeld, maken V. Rhyn, F. Sjoerds en anderen geen gewag.—Over andere volksvertellingen der stichting van Groningen, zie men onder anderen West., p. 19.

17 Men zie ook wat Bilderdyk, Geschied. des Vaderlands. I. 296 over de Sagen zegt.

18 Vergel. A. Matthæi veter. ævi Anal. T. IV. p. 9, de derde Ankomst der Fresen.

19 Bl. 6.—De Heer Westendorp zijne bronnen in het I. deel van zijn Jaarboek nergens hebbende opgegeven, heb ik te vergeefs gezocht naar den veranderden inhoud dier sage.

20 Waarom onze schrijver Bruno heeft verkiezen weg te laten, is mij een raadsel, daar hij toch in alle andere kronijken mede zijne rol speelt.

21 Achter de Oudheden en Gestichten van Vriesland geplaatst, tot aanvulling van vele onvermelde zaken in dit werk, in welks voorafspraak bij de Friesche schrijvers luchtig beoordeelt. Hij verwerpt S. Petri, Furmerius, Winsemius, Hamconius en Zoeteboom, en houdt zich aan Emmius, Douza, Schotanus, Buchelius, Huetius en Alting. F. Sjoerds komt met zijn oordeel zeer naauwkeurig overeen in al wat van Rhyn geoordeeld heeft.

22 Zie gem. Nabericht, p. 350.

23 Cf. M. B. v. Nidek, Anal. Medii aevi, p. 140, drukfout voor 440.—

24 Not. Bat. in voce Frisii.

25 Men vergelijke voorts de Chronyk van Eggerik Beninga in de Ann. van Mattheus.

Onder verschillende schrijvers die over de Friezen en derzelver oorsprong geschreven hebben, kwam mij als niet een der geloofwaardigste voor, den minder bekenden en in Mencker’s Gelerthen Lexicon, door Jöcher uitgegeven, vermelden Werner Rolevink de Laer, een Karthuizer Monnik te Keulen, uit Westfalen geboortig. Hij bloeide omstreeks 1495, onderzocht vlijtig de H. Schrift, leidde een godvruchtig leven en stierf in eenen hoogen ouderdom. Deze heeft onder vele werken ook een ten titel voerende: De origine Frisionum uitgegeven.—Suffr. Petri in Origine Frisionum maakt gewag van hem op p. 237,—en Furmerius heeft bij het opstellen zijner Annales gebruik van hem gemaakt.

26 Friesch Jierboeckjen foar it jier 1831, bl. XII en volgg.

27 Ook op Texel stichtte Drusus een burgt, waarvan het bewijs nog aanwezig is in den naam der hoofdplaats, terwijl grafheuvels en andere oudheden van het verblijf der Romeinen in die streken getuigen.

Waarschijnlijk is destijds de stad Grebbe gesticht, welke gelegen heeft omtrent een half uur gaans benoorden Wieringen, aan het tegenwoordig Amsteldiep. Omstreeks 1710 was er nog veel muurwerk overig, en voorheen moet de massa van dat muurwerk ongelijk grooter geweest zijn, vermits men om het midden der XVII eeuw zeer veel duifsteen heeft opgehaald en met kagen naar Amsterdam vervoerd.—Over het bestaan dezer stad is veel getwist en aan de kronijkschrijvers Twisk, Borger, Valkoog en Zoeteboom voorheen (zoo als aan de oude Friesche kronijken) allen geloof in dezen ontzegd; doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, in onzen leeftijd gedaan en gegeven, is die twijfel opgehouden.—Dat Drusus in deze streken dijken heeft aangelegd, is door de berigten en ontdekkingen van de geleerde oudheidkundigen A. Junius, den Marquis de Saint Simon en R. Paludanus buiten twijfel gesteld.—Scheltema, Geschiedenis der Zuiderzee. M. S.

28 Over deze daad en het Brittenkruid vergelijke men Plinius XXV. 3. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. I. 125 en 126,—Beschr. v. Fr. I. 344. Schotanus, Friesche Hist. p. 8. West. Jaarb. p. 14. Wagenaar, Vad. Hist. I. 79. H. Cannegiet. Dissert. de Herba Brittanica etc. p. 40.—Tegenw. Staat van Friesl. I. p. 19 volgg. en p. 126.

29 ’t Zal met deze namen den Romeinen, als den lateren Franschen met die van de Admiralen Tjerk Hiddes en van Duvenvoorde gegaan zijn. Dezen heetten zij Kierkides en Vandenfort.

30 Zie F. Sjoerds, Jaarb. I. 203. Schot, Fr. Hist. bl. 26. Tegenwoordige Staat van Utrecht, I. 13 volgg.

31 Ook Westendorp (Jaarb. p. 16) heeft hier geen licht verspreid, verklarende niet te weten, op welk gezag de Jaarboekschrijvers van eenen inval der Noormannen in ’t jaar 90, bij F. Sjoerds Gothen genoemd, gewagen.—Dit punt verdiende mede een opzettelijk onderzoek, daar men toch niet kan vooronderstellen, dat deze vermelde feiten, op verschillende tijden geschied, uit de lucht gegrepen zouden zijn.

32 Vergel. F. Sjoerds, Jaarb. I. 220 en volgg.

33 Vergelijk Westendorp, Jaarb. van en over Groningen, p. 32 en volgg., zoo over deze als de opvolgende tijdvakken, onder de regering der Koningen Radboud I, Adgillus II, Gondebald en Radboud II., de laatste Koning over Friesland.

34 Luden, Geschichte des Teutschen Volks. Een onwaardeerbaar boek!

35 Gaillard, Histoire de Charlemagne. Niet een van de minsten, wat zijnen schrijftrant betreft.

36 Hoezeer te dikwijls de kleine daden van groote mannen tot bouwstof moeten dienen, om des Schrijvers historie met luister op te sieren, is echter in de geschiedenis van dezen Karel, hoe dikwijls ook beschreven, geen verdicht sieraad noodig: want altoos levert zij een grootsch tafereel op van een merkwaardig Vorst, aan wien de wetenschappen en letteren, maar vooral de vrijheid en onafhankelijkheid van geheel de Christenheid, alles te danken hebben.

37 Over deze en al de oude wegen in Oost-Friesland is eene zeer uitvoerige beschrijving gegeven door Fr. Arends, in het Ostfrisisches Volks-Buch van het jaar 1832, waarvan eene gedeeltelijke vertaling door mij is gegeven, in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant.

38 Men zie hierover Adam en Meijer, Römische Altherthümer, II. D., en vergelijke de Aanteekeningen over het Oude Friesche Wapen, in het Mengelw. Leeuw. Courant, 20 Sept. 1831. alwaar dit breeder ontwikkeld is.

39 Bilderdyk, Geslachtlyst op het woord Adel, zegt: het is slechts eene andere uitspraak van edel; van aad, oud. Van deze meening moeten wij, met anderen, verschillen.

40 Dit Register is onder anderen te vinden bij Winsemius, Chron. fol. 402.

41 Graven waren Bestuurders namens den Vorst in de Provinciën,—Hertogen waren Legerhoofden,—Baronnen of Baanderheeren Hoofden van een District—en Heeren Krijgsmannen.

42 Tacitus zegt: Olennius e primipilaribus regendis Frisiis impositus.—De Primipilares behoorden tot de eerste compagnie der Triariërs; vandaar Primipilares scil. Centurio, de Hoofdman van die eerste compagnie: Stuart, Rom. Gesch. XXII. noemt Olennius een der eerste Hoplieden eener keurbende.

43 Men weet dat er over het bestaan van deze stad Grebbe bij de oudheidkundigen is getwist. Aan de latere kronijkschrijvers Twisk, Borger, Valkoog en Zoeteboom werd voorheen in dezen geloof ontzegd, doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, in onzen leeftijd gedaan en gegeven, heeft de twijfel opgehouden. Scheltema, Geschiedenis der Zuiderzee. M.S.

44 Westend. Jaarb. spreekt in 662 van een zwaren watervloed over West-Friesland. Deze heb ik niet kunnen vinden; welligt is ’t eene drukfout voor 626.

45 Westendorp, Jaarb. p. 31 zegt: die langer dan de Spies van Klotarius waren: dit zou nog al verschil maken.

46 Het is beschreven onder anderen bij Wins. Chronique, fol. 61; West. Jaarb. p. 39. Vergel. F. Sjoerds, Beschr. I. 546.

47 Over de Graven en Hertogen vergelijke men Bild. Gesch. d. Vad. I. 107 volgg.

48 Algemeen noemt men hem Lodewijk den Vrome doch Bilderdijk zegt (Gesch. d. Vaderl. I. 100. noot), dat pius niet vroom beteekent, want dat vroom eigenlijk is ’t geen de Romeinen strenuus, dapper, noemen.—Beter noemden hem de Franschen, le debonnaire, de Zachtmoedige.

49 Uitgegeven te Leiden bij S. en J. Luchtmans, 1833.

50 Gesch. d. Ned. Taal, II. 136. De aanmerking van den Schrijver, dat er in het woord karelui in den Neders. tekst door onachtzaamheid of onkunde der afschrijvers een misslag begaan is, en dit Karelen of Karels zal moeten zijn, zal ook in den Duitschen tekst gelden, daar de Duitsche overzetter van Karelui, Karl-pfui schijnt gemaakt te hebben.

51 Zie de Aanteek. op den jare 1239. Fr. Jierb. 1833, §§ 5 en 14; Bild. Gesch. I. 89, 92–94, 252 en 296.

52 Westendorp maakt geen gewag van deze Potestaten. Ook Bild. laat dit punt onaangeroerd.

53 De Script. Frisiae, Dec. VII. C. 3 et Dec. XII. C. 6.

54 Wij hebben dit verhaal hoofdzakelijk getrokken uit een door den geschiedkundigen T. D. Wiarda bewerkt stuk, zamengesteld uit de Friesche en andere Kronijk- en Geschiedschrijvers, benevens eenige Handschriften. Men vindt het in het Tijdschrift Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten, 3 Jahrgang, Aurich, 1786.—Waar het ons noodig dacht, hebben wij eenige veranderingen en vermeerderingen gemaakt. Wiarda heeft alle zijne bronnen naauwkeurig aangewezen, welke aanhalingen wij hebben achterwege gelaten, doch eenige ophelderende aanteekeningen er bij gevoegd. In het Mengelw. der Leeuwarder Couranten van 4 Junij, 6, 20 Aug. en 10 Sep. 1833, in welke wij dit stuk als eene bijdrage geven, zijn de eersten te vinden.

55 De meeste Geschiedschrijvers spreken van roode kruisen. Dit kan van dezen eersten Kruistogt waar zijn; doch in de volgenden hebben voorzeker de onderscheidene natiën zich door de kleuren kenbaar gemaakt. »De Koning van Frankrijk neemt met de zijnen roode, de Koning van Engeland met de zijnen witte, de Graaf van Vlaanderen met de zijnen groene kruisen aan:”

Et Rex Franciae cum suis rubeas cruces, Rex Angliae cum suis albas, Comis Flandrensis cum suis virides suscipiunt. Andr. Sylv. Marcian: ad ann. 1188.

56 Helmoldi Chron. Slav. L. 2. C. 66. Dit geval vindt men beter en omstandiger vermeld bij F. Sjoerds, Jaarb. II, 361–363.—Schotanus zegt: »Onse reuck is stanck in hare neus-gaten.”—

Volgens Ebert, Bibliogr. Lexicon, is de Kronijk van Helmold naar het H. S. te Lubeck uitgegeven in den jare 1659, en met nooten voorzien door H. Bangertus in quarto;—de eerste druk echter is van 1556.

57 Van de groote bijgeloovigheid dier tijden kan men zich bijna geen denkbeeld maken. Het ontbrak in Friesland niet aan kruisen in de lucht: misschien reeds de vliegeruitvinding, om het volk te verbijsteren. F. Sjoerds, Jaarb. II, 491.

58 Deze Olivier werd in 1223 Bisschop te Paderborn en in 1226 Kardinaal. Vid. Nic. Schat. Hist. Westph. L. XX, p. 996 seq.—Deze N. Schaten was een Jesuit in Westfalen, geboren 1608, heeft ook de daden van Karel den Groote beschreven: zijne geschiedenis van Westfalen kwam het eerst uit in 1690. Ebert in voce.

59 K. Muchler, Abendzeitung, August. 1831. F. Sjoerds, Jaarb. II, 492; J. C. Maier, Geschiedenis der kruistogten, p. 187.

60 Misschien van Olivier zelven, die den togt mede gedaan, en ook eene Historia Damiatina (Geschiedenis van Damiate) geschreven heeft. Eccard heeft in Corp. Hist. med. aevi dezelve doen afdrukken. Het spijt mij, dat mij dit werk, ’t welk ik hier met nut gebruiken kon, niet ten dienste staat.

61 Het Itinerarium zegt van 12 schepen. Emmius, die dit Itinerarium desgelijks in Mspt. (want het was toen nog niet afgedrukt) voor zich had, spreekt van 212 schepen. Het eerste is zeker eene drukfout. Ook in de Wijsgeerige en Staatkundige Geschiedenis der Wereld, van K. H. L. Pölitz, door Wits. Geysbeek vertaald, wordt slechts van 12 schepen gemeld; dan volgens F. Sjoerds, Jaarb. II, 493 en anderen, stak Graaf Willem met 12 schepen uit de Maas in zee, wordende gevolgd van een groot aantal volks. Naar Engeland overstekende, vereenigden zich de Hollandsche en Friesche vloten met die der Engelschen, onder bevel van George, Grave van Wight, welke vereenigde vloten uit 212 schepen zullen bestaan hebben.

62 Volgens de woorden van Emo’s Chronicon: (vid Matth. Analecta vet. aev. II, 26)—Comes de Wetha Praedux totius classis est electus, posteriore custodia Comiti Hollandiae deputata, quem Ducem et Dominum jam totus sibi delegerat exercitus.—was niet den Graaf van Holland, maar den Graaf van Wieden het Opper-Admiraalschap opgedragen.

63 Wij willen hierbij voegen, hetgene voorkomt in het geslachtregister van Friesche Adellijke Familien, opgemaakt door S. v. Adelen van Cronenburgh, en vervolgd door P. van Albada ter Oele (M. S.), betrekkelijk het Geslacht der Roordaas, die eertijds in hun wapen mede rozen boven de baar voerden, maar dit naderhand hebben veranderd.

De oorzaak van deze verandering is dit: »’t Is gebeurd ten tijde dat veel verscheidene Natiën, gelijk de Friezen, in ’t H. Land waren getogen, om hetzelve uit de handen en het geweld der Saracenen of Turken te verlossen, dat onder anderen verscheidene Edellingen uit Friesland, ook die van het Geslacht van Roorda, met de menigte aldaar zijn geweest, onder welke zoo het gebeurde, tusschen de beide heiren van de Christenen en Saracenen, dat er een uitnemend groot, stout en vaillant Moorsch Prins was uit het Saraceensche heir, die voor het Christen-leger zeer hoogmoedig ging braveeren, uitdagende aldaar een van de vaillantste Ridderen der Christenen, om met hem een kampslag te slaan; zoo heeft er terstond een stoutmoedige edele Fries uit het geslacht van Roorda verlof van zijnen Prins begeerd, om met dezen man een kampslag te doen; ’t welk hem toegestaan zijnde, is hij in het aanzien van beide legers tegen dezen Moor in het veld getreden, en heeft aldaar zulk eene forsigheid met feiten van wapens bedreven, dat hij ten laatste dezen Moor heeft overweldigd, ter neêr gehouwen en onthoofd, het hooft ook tot een teeken van victorien op de poot van zijn geweer naar het Christen-leger triumphantlijk gebragt; alwaar hij bij alle de Prinsen, Heeren en Ridders zeer loffelijk van zijne stoutmoedigheid zeer geprezen, en mede Ridder geslagen en eerlijk ontvangen is. En is hem ook, alsmede zijnen nakomelingen, tot een teeken en memorie van eene zoo vrome daad, een Moriaanshoofd in zijn schild en wapens vereerd, gelijk zijn geslacht nog tegenwoordig voert, benevens zeer loffelijke brieven en attestatie met Prinsen en Heeren Zegelen bevestigd.”

64 In het Grand Theatre Historique, T. III, p. 328 vindt men de plaat van dit met eene zaag voorziene schip. De stad Haarlem eigent zich dit schip toe. Men vindt daarom nog in de groote kerk zelfs een model van dat schip. Ook maken er de Dokkumers aanspraak op. Zij hebben er een model van tot windwijzer op den toren der groote kerk gemaakt. Idsinga, Staatsregt van Groningen, p. 126.—Wagenaar, Vad. Hist. II, 350.

65 Meleddin was de oudste zoon van den Sultan Saphaddin, die gedurende het beleg van Damiate gestorven was.

66 De te voren vermelde verovering der stad Damiate plaatst Beninga verkeerdelijk in het jaar 1229, in de Geschiedenis dezes Kruistogts onder Frederik II.

67 Dat zij aan dezen Kruistogt geen deel genomen hebben, is genoegzaam zeker, want op verzoek van den Koning Willem had de Kardinaal Caputio, namens den Paus, de Friezen van hunnen Kruistogt naar het H. Land ontslagen, mits zij Willem Aken hielpen veroveren, waarop zij bij gansche scharen naar zijn leger optrokken, natuurlijkerwijze dezen togt ver de voorkeur gevende, boven den meer verwijderden naar Palestina. Verg. J. Meerman, Gesch. van Graaf Willem van Holland, Roomsch Koning, I. 263–264.

68 Willem is, gelijke bekend staat, en onze Kronijk zegt, niet in Friesland, maar te Hoogwoude in Noord-Holland door de West-Friezen vermoord. Zie Meerman, als voren. De opgave van Wiarda is dus hier onjuist. Vergelijk Wagenaar, Vad. Hist. II. 401; Bilderdyk, Geschiedenis des Vaderlands, II. 151, 152.

69 Tot dusver loopt het verhaal van Wiarda.

70 Zie het slot van aangehaalde werk: Proeve van eene Geschiedenis der Kruistogten en derzelver gevolgen, bl. 546, waarin echter zeer uitroerig over de voordeelen en weinig over de nadeelen wordt gesproken.

71 Dit uitmuntend werk is door den zeer kundigen Steenbergen van Goor in den jare 1823 uit het Hoogduitsch vertaald en met vele belangrijke aanmerkingen voorzien. Het gevoelen van dezen was het volgende: »Dat Europa door de Kruistogten veel geleden heeft, zal niemand ontkennen; maar dat het tevens door dezelve in burgerlijke vrijheid, beschaving, verlichting, koophandel en kunstvlijt veel, zeer veel heeft gewonnen, is onbetwistbaar. En nu vrage men, of die voordeelen destijds voor eenen minderen prijs te verkrijgen zouden geweest zijn?” Ook Luden in zijne Allgemeine Geschichte der Völker und Staaten des Mittelalters, is ten dezen niet genoeg aan te bevelen.

72 Verg. Styl, Opkomst en Bloei der Nederlanden, bl. 28; Tegenwoordige Staat van Friesland, I. 312; West., Jaarb. I. 209; Cerisier, Geschiedenis der Nederlanden, I. 209.

73 Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 92; Egger. Beninga, Kronijk, bl. 101; Dumbar, Analecta, I. 333.

74 Vergel. Gesch. des Vaderl. II. 130, waar het anders had behooren vermeld te zijn. Over de Bulle van Karel Byv. en Aanm. op Wagenaar, I. 107, en A. Kluit, Hist. der Holl. Staatsr. V. 52, die het vrij zeker stelt, dat voor den jare 1300 dat stuk bestond. Aantt. O. Fr. Wett. 109, 112. Zie over den dood van Willem, onze noot op bl. 387, Tegenw. Staat, I. 409 en 410.

75 Op bl. 20 en 21; welk Geschiedverhaal met de andere Geschriften van Jancko Douwama worden uitgegeven door het Provinciaal Genootschap ter beoefening der Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, waarvan de eerste aflevering in den jare 1830 is uitgekomen.

76 Verg. H. W. Tydeman, Over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, bl. 111.

77 Winsemius, fol. 174: »Wat meer is die oude gheschreven Chroniquen ghetuygen, dat door ’t selve quaedt van tweedracht, die inghesetenen deser landen, nu in ryckdom ende weelde sittende, alle hare macht aengheleyt te hebben tot stiftinghe der Stinsen ende vasticheden, in sulcken aentale, dat in een Dorp ’t begrijp van dertich huysen, hebbende, sesthien Stinsen uyt den ouden Vrieschen Steen gemaeckt (welcke van hardicheyt een vlintsteen ghelyck was) ghevonden zyn.”

78 Over het vroeger tijdvak en de gesloten verbonden en overeenkomsten zijn belangrijk de Monumenta Groningana veteris aevi inedita, door den geleerden Keuchenius Driessen uitgegeven, en met uitnemende Aanteekeningen verrijkt; bijzonder zijne Aantt. op bl. 335, 398, 475, 493, 797 en 831. Verg. Iets over den Oorsprong en de Partijnamen der Schieringers en Vetkoopers, door den Heer P. Burggraaff, in No. I van het Tijdschrift voor Onderwijzers, die alleen als oorzaak der twisten beschouwt: het ontstaan, de uitbreiding en het toenemend aanzien van den vierden stand der maatschappij dien der burgers.

79 In de eerste druk van onze kronijk staat ook dit jaar vermeld.

80 Dit H. S. is de oorspronkelijke Grafelijke Rekening van den Heer Garbrand van der Couster, Proost van Berghen in Henegouwen, ende Jorghel, mijns Heeren Camerling, van ’t geen sy ontfaen hebben van mijnen lieven Heere van Holland, toter reyze behoef van Oistvrieslant; verrekend en gesloten op den 18 Maart 1396, hofstijl, d. i. 1397. Zie de uitmuntende Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen, door den Archivarius de Jonge, I. 30 en 31.

81 Wagenaar, V. H. III. 502.

82 de Jonge, t. a. p.

83 Hoveling. De Edellieden, die op vaste burgten, sloten of stinzen woonden, werden in Friesland Hovelingen genoemd. Verg. Archief voor Vaderl. en Vriesche Geschiedenis van Visser en Amersfoordt, Aant. I. bl. 25.

84 De Geschiedschrijvers vermelden dit voorval breedvoerig: O. v. Scharl. quarto, bl. 245–247; Wins. Chron. fol. 306; Schot. Fr. Hist. fol. 372; Gabbema, Verhaal van Leeuw. 164; Petr. Thaborita op ’t jaar 1487; Kronijk en Beschrijving van de stad Sneek, door Napjus, 2e dr. bl. 11, enz. De Heer van Halmael heeft in een gedicht dit feit herdacht. Zie Mengelwerk der Leeuw. Courant, 20 April 1830.

85 Onder de oudere Schrijvers heeft de geleerde en verdienstelijke Historieschrijver Lambertus Hortensius van Montfoort, in zijn werk: de tumultu Anabaptistarum, te Bazel in 1548 uitgegeven, van dit oproer in Friesland een getrouw verslag gedaan. In de zeldzame Hollandsche vertaling van 1659, in klein Octavo, versierd met fraaije plaatjes, is ook eene afbeelding van de belegering des kloosters. De Wind, Bibliotheek, I. 150 noemt een’ druk van 1660.

86 Vele oude kloosters, en ook het Convent Thabor, waren zeer uitgebreid en groot gebouwd, zoodat zij zelfs een aantal krijgslieden konden bevatten en verzorgen. Deze Schrijver verhaalt, dat zijn Convent de navolgende gebouwen had: een Molkenhuis, Bakhuis, Waschhuis, Schoenmakershuis, Poorthuis, Bouwhuis, Timmerhuis (welligt met het Bouwhuis hetzelfde), Koehuis, Molkenhuis, Brouwhuis, Ziekenhuis, verscheidene Dormters, slaapplaatsen der Geestelijken en Leeken, eene Kloosterkerk, Sacristij, Capittelhuis enz., voorts Binnenhof, Tuin, Bosch en Boomgaard.—De bewoners waren Geestelijken, Leeken, Priesters en Monniken: Beambten waren er velen, als Bouwmeester, Opzigter, Kellener, Molkenmeester, Portier, Biermeester enz., terwijl er voor de gewone behoeften een aantal bedienden nodig waren.

87 Deze Memorien zijn eerst uitgegeven in 1564, daarna door Dumbar in zijne Analecta geplaatst, met vele bijgevoegde aanteekeningen, uithoofde dit werk uiterst zeldzaam was geworden. Zie Aantt. op bl. 182 der kronijk.

88 De titel is: Joannis Caroli de rebus Casparis â Robles Billaei in Frisia gestis commentariorum Libri IV. De Schrijver, geboren te Antwerpen in de laatste helft der XVI eeuw, was lid van den Grooten Raad te Mechelen, uithoofde van welke betrekking hij in den jare 1567 in Friesland kwam, en Algemeen Geregtsverzorger (Procureur Generaal) werd. Hij legde daarna zijne ambten neder, werd Franciskaner Monnik, doch stierf nog voor het einde van zijn proefjaar in 1598.

89 Bara-Huis, Bara-Stins en Bara-Convent waarschijnlijk dus genoemd naar den naam des stichters, die even onbekend is als den tijd waarin de stichting heeft plaats gehad. Men kan echter voor zeker stellen, dat de Middelzee nog in volle kracht was, toen de bouwing heeft plaats gehad. In de burgeroorlogen der Friesche partijen werden er meene dagen, vergaderingen en bijeenkomsten, gehouden. Twee boereplaatsen zijn aldaar nu aanwezig, waarvan de eene waarschijnlijk op den bouwval van het Convent zal zijn aangelegd, en in de tweede boerderij, aan den straatweg gelegen, wordt de naam nog bewaard.

90 Staatkundig Nederland, I. 49. Aldaar wordt ook melding gemaakt van de marmeren poort van Viglius, voorzien met zijne spreuk: Vita mortalium Vigilia (het leven der stervelingen is eene nachtwake), geplaatst in de voorzaal der Kanselarij. Doch dit was zij weleer, want ook dit eerwaardig gedenkstuk der oudheid moest in de algemeene vernietiging deelen.

91 Deze redevoering is uitgesproken in een Letterkundig Genootschap te Amsterdam na 1795, en na ’s mans dood gedrukt en uitgegeven, door de zorg van den verdienstelijken Hoogleeraar H. W. Tydeman, in de Mnemosijne, XIV Deel.

92 Deze Verhandeling, in het openbaar uitgesproken, is daarna geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van 23 en 30 Maart 1830.

93 Zie de Unie van Brussel des jaars 1577, naar het oorspronkelijke uitgegeven door Mr. J. C. de Jonge, bl. 95 en 166–169.

94 Zie het Cort Verhael van Rennenburgs leven, op bl. 469–473 zijner Memorien. Dit geschrift heeft hoofdzakelijk tot bouwstof gediend voor de Schrijvers van den Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, I. 420 tot 502, bevattende Rennenberg’s geschiedenis; voor van Meteren, in het breede ’t beleg van Steenwijk vermeldende en voor Wagenaar over dit tijdvak, welke ook schijnt te betwijfelen: »of hem de kwaade uitslag zyns bedryfs niet meer dan de snoodheid en ’t verraad gesmert hebbe.”

95 Van dit Huwelijk wordt bij Winsemius, Wagenaar en anderen geene melding gemaakt. Kok, Vaderl. Woordenb. zegt dat Graaf Willem niet getrouwd is geweest. Wij hebben ook misstellingen en veel verschil in de dagteekeningen ontdekt, en daarom de opschriften der grafzerken, zoo ver vermeld, gevolgd. Men vergelijke onder anderen over deze en de volgende Stadhouders Johannes van den Bosch, de Heeren Stadhouderen van Vriesland,—beschreven, enz.;—de Redevoering van A. G. Camper, bij de inhuldiging van Vrieslands Athenaeum uitgesproken, met het eerste bijvoegsel, en Holland’s Roem, door den Baron Collot d’Escury, IV. Aantt. bl. 220, 221.

96 Over de begraving der Vorstelijke Familiën, zie de Noot op den jare 1620.

97 Uit eene verzameling van eigenhandige en vertrouwelijke Brieven van den Stadhouder, geschreven van de jaren 1734 tot 1747, aan zijnen Vriend en Raadsman den Heere van der Mieden, Raadsheer in het Hof van Holland, mij goedgunstig door deszelfs Neef, Mr. J. Schonck, Raad in het Hoog Geregtshof te ’s Gravenhage, medegedeeld, blijkt des Vorsten uitnemend karakter. Ook is deze hoogst belangrijke Correspondentie tevens bevattende een aantal eigenhandige brieven van Prinses Anna, den Baron H. van Aylva, den Hertog Lodewijk van Brunswijk, den Opperstalmeester Grovestins, den Secretaris van Prinses Anna, de Larrey en anderen, voor de geschiedenis van dien tijd van hooge waarde.

98 In ons Gewest bleef echter van die invoering tot op den huidigen dag een gebruik over, bij anderen niet aangenomen, zijn oorsprong ontleenende uit het verschil van dagen, door den Ouden en Nieuwen Stijl ontstaan. Alle verhuringen en verhuizingen hebben plaats op den 12 Mei, niet op den eersten; zoo komen alle dienstboden op den 12 Mei en 12 November, welke dagen men oude Mei en oude Allerheiligen noemt, in hunne diensten; dit gebruik is gewettigd geworden bij eene nadere Publicatie der Provinciale Staten van 29 Januarij 1701. Men verkoopt en verhuurt de Zathen en Landen enz. te aanvaarden, voor de landen St. Petri, dat is den 5 Maart, (oude Sint Pieter), en voor de huizinge en schuur den 12 Mei; overigens rigt men zich in alles naar den gewonen Gregoriaanschen Almanak.

99 In de nagelatene Adversaria van een’ onzer verdienstelijke Friesche Geleerden, vond ik nog deze aanteekening op het woord Grietman: »De geregtelijke tweegevechten werden gehouden in eene plaats het Krijtveld genaamd. Kryt staat voor het Hoogd. griet of gries, (gruis), dat volgens Veit Weber, Sagen der Vorzeit, B. 11. p. 101, beteekent het Steenzand, waarmede de kampplaats wordt bestrooid. Kan de benaming Grietman hiervan ook eenig licht erlangen? Hij zoude dan oorspronkelijk de Opziener over zulk eene Regterlijke kampplaats, Hoofd van zulk eene Regtspleging geweest zijn, en het zou dan eigenlijk hetzelfde beteekenen als in de Oude Wetten ’t woord grieswart, grieswärtel, tournooivoogd, of volgens nog ouder schrijfwijs greiswärtel. Zie Haltaus, Gloss. Germ. med. aev. p. 753, die hetzelve drie beteekenissen toekent, welke met die waardigheid overeenkomen. Het woord greta, waarvan het afgeleid wordt bij Beyma, is, meen ik, oorspronkelijk ook alleen gebruikt van oproeping of dagvaarding ten kampstrijd; (si vacat, hoc ulterius demonstrabo).”

»Huydecoper op Melis Stoke, III. 54, legt krijt uit door kring (kreis, kreits), doch ten aanzien van onze gissing over den oorsprong van het Woord Grietman is dit hetzelfde.”

B. A.