Bl. 10.—Ao 59.

Over den Afgod Stavo, denzelfden met Thor, leze men Westendorp’s Verhandeling over het gebruik der Noordsche Mythologie, (in de Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederl. Letterk. II. D. 1 St.) p. 29–33;—en vergelijke Oudh. en Gest. van Vriesl. I 283–285 en 485.

Bl. 12—Ao 4.

’t Roode Klif. Al de wonderen van het Roode Klif, nabij Stavoren, met en zonder het bestuur des Duivels, alhier en vervolgens vermeld, kunnen wij op geenen goeden grond den waarheidlievenden Lezer aanbevelen. Echter willen deskundigen, na ontdekking en onderzoek van eene soort van lava in den grond aanwezig, het denkbeeld niet verwerpen, dat het Klif een vulkaan van minderen rang is geweest, of ten minste daarvan eigenschappen heeft gehad.—Over de menschenoffers in Friesland gebruikelijk, zie de Aant. op ’t jaar 700.

Bl. 13.—Ao 29.

Deze Holle, Olennius, was Hoofdman eener Keurbende, en Landvoogd van wege de Romeinen over Friesland. F. Sjoerds (Jaarb. I. 128) noemt hem »een gemeen persoon onder de Voorpyllenaars42.

De verklaring van Holle of Hollo, naar de Friesche taal Hoofd, Hoofdman, vindt men bij Hamc. Fris. p. 11, en bij S. Petri, de Frisior. Antiq. et Orig. Lib. I. Cap. IX, welke laatste hem, echter verkeerd, een Fries van afkomst noemt.—Diocarus ontving eerst, volgens de kronijken, na de overwinning op de Romeinen den naam van Segon. Hamc. I. I.

Bl. 13.—Ao 29.

Omtrent het woud Baduhenne. Over den oorsprong en ligging van dit in de Vaderlandsche Geschiedenis beroemde heilig woud is verschil ontstaan, zoo als natuurlijk volgen moet, wanneer geene de minste narigten uit de oudheid overblijven. Er pleit echter meer voor, dat deszelfs ligging in de Wouden dan bij Franeker geweest zij. Even zoo is het onzeker welke Godheid, aldaar vereerd, door Baduhenna wordt aangeduid. Ook de Oudheidkenner Westendorp heeft het onbeslist gelaten in zijne genoemde Verhandeling. v. Halmael, in het voorberigt voor zijn Treurspel Adel en Ida, zegt: »De naam van het woud Baduhenna is voorzeker door Tacitus verlatijnd. Wanneer men er den uitgang enna of henna (dien wij, hoewel misschien anders gewijzigd, ook in den naam Nehalennia ontmoeten,) afwerpt, heeft Badu genoegzame overeenkomst met Balder, om de onderstelling te rechtvaardigen, dat Baduhenna een aan Balder geheiligd woud was.” Dit komt ons geenszins vreemd voor, daar ook de vereering van den in de Scandinavische godenleer zeer bekende Godheid Balder, zoon der Godinne Frigga, voornamelijk en welligt uitsluitend tusschen den Rijn en den Wezer plaats had, en aldaar in hoogen rang en van groot gezag was.—Dat er in Friesland gewijde bosschen zijn geweest, is buiten twijfel; jammer maar dat hunne ligging niet is nagespoord geworden, en dit, met zoo vele andere zaken, voor een nageslacht bewaard blijft, ’t welk alsdan in zijne nasporingen misschien niets meer ontdekken zal, dan dat het eenige eeuwen te laat gekomen is!—Vergel. West. zijne uitstekende Verh. over het gebruik der Noordsche Mythologie. Halma, Toneel der Vereenigde Nederlanden, enz.

Bl. 15—Ao 59.

Vryt of Verritus en Malorix,—of Maloriges. In de Jaarboeken van Tacitus, het dertiende, is het voorval dezer beide gezanten, welke hij regerende Vorsten noemt, in zijne bijzonderheden omschreven, bepaaldelijk vermeldende hunne vrijmoedigheid, toen zij in den schouwburg meer met de aanschouwers dan met het spel zich bezig hielden, en van zitplaats veranderden, om zich in het Raadsheerlijk gestoelte neder te zetten, onder de afgezanten van andere volken, die men wegens trouw en vriendschap bijzonder eer bewees. Deze aloude opregtheid, zoo als men het noemde, beviel niet alleen aan het publiek, maar ook den Keizer Nero zoo wel, (wien in eene kwade luim zulk een gedrag weleens zeer mishaagd konde hebben) dat hij den Gezanten het belangrijk burgerregt te Rome schonk.—Van de bekeering in den tekst vermeld, ook bij Winsemius geboekt, wordt bij Tacitus niet gewaagd, zoo als het ook niet voor waarheid wordt aangenomen, onder anderen door Harkenroht in zijne Oostfr. Oorsprongkelykheeden, p. 24 en 29, dat Verritus en Malorix, of zoo als zij anders mogen geheeten hebben, uit de adellijke geslachten der Hermana’s en Cammingha’s gesproten zijn, ’t welk door Suffr. Petri en Hamconius wordt beweerd.—P. Nota, in zijn Aanhangzel betreffende de Oudheden van Berlikum, p. 79 in de noot, vermeent, in de woorden van Tacitus de bevestiging te vinden, dat Verr. en Malor. geene Friesche maar Duitsche gezanten geweest zijn. Maar waarom kunnen zij niet enkel Leidslieden van de uittrekkende Friezen geweest zijn, en een ander Koning of Vorst der teruggeblevenen? Deze gebeurtenis, zegt West. Jaarb. p. 15, behoort niet tot de geschiedenis der Groote Friezen.

Betrekkelijk deze namen vinden wij bij A. Ypeij, Geschied. der Nederl. Tale, I. D. bl. 161 noot, onder de bewijzen, dat de oude Friezen vele namen met hunne buren gemeen hadden, en er dus eene groote wederzijdsche gemeenschap van volk en taal bestond, ’t navolgende: »Reeds onder de oudste Vriezen schijnen er zulke algemeene namen in gebruik te zijn geweest. Zulks toch mag men opmaken, uit de namen van twee Vriesche gezanten van Rome, onder Nero, welke Tacitus voor ons bewaard heeft, namelijk Verritus en Malorix. Ann. Lib. XIII C. 54. Indien ik mij niet bedriege, waren dit, de nog bekende namen Gerrit en Maurik. De V toch, gelijk wij weten, verandert ligtelijk in G, en de L in U. Gelijk de Nederlanders in het algemeen van Gerrit, hun Geert hebben, zoo hebben, naar het schijnt, de Vriezen bijzonderlijk van Maurik hun Murk gemaakt.”

Bl. 16.—Ao 59.

Op ’t Oude Hof te Lewerden. Cappidus van Staveren, Suffr. Petri en Hamconius zeggen, dat reeds voor Christus geboorte Leeuwarden onder den naam van Aula Dei, dat is Gods-Hof, bekend was, alwaar het opperhoofd der Druiden, Barden of Priesters was gesteld. Hier was de leerschool van de Friezen, en genoten zij onderwijs in de godsdienst, wetenschappen en wijsbegeerte. Dit gesticht zoude te Oldehove gestaan en uitstekende mannen hebben voortgebragt. Latere schrijvers verwerpen dit denkbeeld geheelenal. Wat er van zij is moeijelijk op te sporen, nog moeijelijker te beslissen. Verg. Oudhed. en Gesticht. I. 283, alwaar de kundige vertaler, v. Rhyn, in den geest van Emmius steeds tot verwerpen genegen van de oude kronijken, ook geen geloof daaraan hecht. Over de goden- en geloofsleer der Druiden, hun priesterschap, beheer, en hun bestaan in het oude Friesche Rijk, vergelijke men de meergemelde Verhand. van Westendorp, over de Noordsche Mythologie, p. 319 volgg. en 331 volgg.—v. Wijn, Huisz. Leven, I. 8, en Hist. Avondst. I. 123, zegt, dat de Germanen en dus ook de Friezen geene Druiden of Barden gehad hebben: het tegendeel wordt door West. bewezen;—zie bl. 287 onzer Aanteekeningen.

Bl. 17.—Ao 94.

De Noormannen. In dezen tijd, en gedurende vele eeuwen later, werd Friesland van tijd tot tijd door de Noren en Denen vreeslijk geteisterd en geplonderd. Menigmalen behaalden de Friezen eenen triomf op dezelven; doch ook dikwijls leden zij bloedige nederlagen. Ocko van Scharl spreekt reeds van eenen sterken inval op den jare 62, wanneer de Deensche Koning door sommige Oostersche volken zou opgehitst zijn. In het jaar 69 wil men dat de Friezen, het jaarlijks rooven, plunderen en moorden moede, eene groote krijgsmagt naar Denemarken zonden, om ze in hun eigen land te bevechten, dan storm en onweer hadden dezen togt belet. In ’t volgend jaar echter sloten zij met den Koning een bestand, ’t welk, hoe wonder ook, volkomen stand gehouden heeft tot den bepaalden tijd. Deze boven bedoelde inval der Noormannen, welke anderen op den jare 90 stellen, schijnt zeer geweldig geweest te zijn, en uit hoofde van den weinigen wederstand aan deze zijde, daar de meeste Friezen in Romeinsche dienst afwezig waren, hadden zij tijd en gelegenheid zich aan moord en roof ter kele toe te verzadigen. Picardt, in zijne Annales Drenthiae, spreekt ook alzoo van dit feit.—Zie de noot p. 305. F. Sjoerds, Jaarb. I. 197.

Bl. 17.

Onder zeven Hertogen. Het algemeen gevoelen is, dat die waardigheid van Hertog, met welken titel thans dien van Prins, in navolging der naburige volken, verwisseld werd, niet in eenen Hoogvorstelijken of Koninklijken staat en magt bestaan hebbe, maar dat de Hertogen, Heervoerders, Krijgsoversten of Opperbevelhebbers waren, aan welken het bestuur en beleid des oorlogs, met alwat daartoe behoorde, was opgedragen.

Bl. 22.—Ao 248.

Dokkenburg. Deze verklaring is zeer juist. Bij Kiliaan vinden wij Docke, (vetus) navale: waaronder verstaan wordt: stabulum of armamentarium, ligplaats der schepen, d. i. haven. Ook bij denzelfden Docke, Germ. poppe: en in den Theutonista, Dock of Pupp, pupa, pupulla, popje.—Docke van Stro.

Over de stichting dezer stad zullen wij niet uitweiden; zij is na Stavoren de oudste, en in allen opzigte zeer merkwaardig geworden. Men leze hierover de Oudheden en Gestichten, I. 404, met de aanmerkingen van v. Rhyn, die met Emmius de hooge oudheid betwijfelt. Wat voorts derzelver geschiedenis betreft, zeer belangrijk is, om herlezen en vergeleken te worden, de korte Geschiedenis der stad Dokkum voor den Vrede van Munster, voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 6 Julij 1830; alsmede de beide stukken in dezelfde Couranten van 2 en 9 Maart te voren, ter verdediging strekkende tegen de dikwijls kleingeestige en dwaze aanvallen tegen Dokkum en deszelfs bewoners, vooral van lieden wier spelend vernuft zich door duizend vervelende herhalingen van vroegere aardigheden tracht staande te houden. In die stukken is eene naauwkeurige opgave der groote en beroemde mannen, die Dokkum heeft opgeleverd, te vinden.

Bl. 23.

In den jaare 289,—of omstreeks dezen tijd, toen Constantius Chlorus, door Keizer Diocletianus tot den rang van Roomsch Koning verheven, Galliën met zijne grensprovincien onder zijn gebied verkregen, en de Franken, Saksen en Friezen in Batavien had overheerd, werden er velen door hem omgebragt, anderen verplaatst, gevankelijk weggevoerd, in het Romeinsch leger ingelijfd, of tot harde slavendiensten vernederd. Uit verbittering en tot weêrwraak moesten nu de Friezen, Overrijnsche Franken, Cauchen, Chamaven en Bructeren in vereenigde magt, van den winter en den digtgevrozen Rijn gebruik maken, om Constantius en zijn heir te overvallen. Dan het goed krijgsgeluk diende hen niet zoo gunstig als onze kronijk vermeld; de dooi viel in, het eiland werd door de Romeinen omsingeld, de Friezen ingesloten, vermoord of gevangen, en nog dieper onder ’t juk gebragt. Daarna is er met hen een verbond gesloten.—Schot. Fr. Hist. p. 30.—F. Sjoerds, Jaarb. I. 225 volgg.

Bl. 24.

Omtrent den jaare 312, enz. De kronijkschrijvers verhalen, dat omstreeks dezen tijd door vijf aanzienlijke Edellieden, West-Friesland (d. i. de landen ten westen het Flie) is bevolkt en bebouwd. De in onze kronijk genoemde Diederik stichtte de hoofdplaats Medemelaca, Medemblik, aldus genaamd naar de Godin Medea; Geerard bouwde het dorp Opdijk; Roelaard, ’t dorp Wildenes, met een sterk kasteel; Keno was stichter van Bennenbroek, en Adelbold van het dorp Winckel.—Dit verhaal heeft eene meerdere beteekenis, dan wij thans nog in staat zijn te geven. Over Medemblik zijn oorkonden van de IX eeuw voorhanden.—Zie over den naamsoorsprong enz. den Tegenw. Staat van Holland, II. 502.

Bl. 25.—Ao 334.

Friesche Buinen. Op bl. 9 onzer kronijk wordt reeds gesproken van West-Friesland, en zou deze benaming er dus vroeger geweest zijn.—Hamconius, Frisia, bl. 5 en 9, zegt op Firsiabones, dat Bone in ’t oud Friesch Boer beteekende, en dus Frisiabones, Friesche Boeren zijn, waarvoor onze kronijk Plompaarts geeft. A. W. Schrieck, in Orig. rerum Celt. et Belg., verklaart het woord door Frisii separatim habitantes, Friezen die afgezonderd van hun eigenlijk land en landgenooten woonden. Alting, van Rhyn en anderen beweren, dat het woord beteekent Friesche Waterbewoners, waarmede zich latere schrijvers hebben vereenigd, en ’t welk ook door den geleerden Ypeij, in zijne Geschiedenis der Nederl. Tale, I. bl. 164, en II. bl 109 en volgg. nader is bevestigd. A beteekent water: buen, boen, wonen, verblijf houden, dus zijn Frisiabones Friezen, die aan het water wonen; en deze uitlegging is de eenvoudigste en de beste, wel zoo goed als de ongelukkige inval van Junius (Batavia, p. 48. Ed. 1652), om van Frisiabones, Friesche apen te maken!—Plinius noemt dezelve als wonende tusschen het Vlie en het Helium, monden van den Rijn. Dat deze Schrijver ook hier heeft misgetast, bewijst Schwartz, Voorr. I. 26. Tacitus zwijgt er van, doch deze kan hen gehouden hebben onder de Kleine Friezen te behooren. Het denkbeeld van den Heer Ypeij is zeer aannemelijk, dat de Frisiabonen eene volkplanting van echte Friezen zijn geweest, wonende aan de linkerzijde van het Vlie in West-Friesland, onderscheiden van de Kaninefaten, (waarschijnlijk aan de oevers der Noordzee woonachtig) en van de Marsatii in de moerassige, naderhand door de Zuiderzee overspoelde landen zich ophoudende, even zoo als de eerste Bildtbewoners eene volkplanting was van oorspronkelijke Noord-Hollanders.

Bl. 26.—Ao 339.

Die Waarden wierd genaamd. (Zie ook op de jaren 357 en 377.) Even zoo ook verhaalt Winsemius, Chronique, fol. 37 doch naderhand; (fol. 40) noemt hij de stad Norden, om welke reden weet ik niet; daarin is Soet. in zijn Op- en Nederganck van Stavoren, p. 55, hem gevolgd, die door Harkenroth, Oostfr. Oorsprongkel. (p. 39 en 232) daarover zeer gegispt wordt, dat hij Van Esonstad, Norden maken wil; en toch heeft Soet, slechts het gezag van Wins. gevolgd. Door de Noren en Denen zoowel als door herhaalde watervloeden heeft die stad veel geleden, en is dikwijls geplunderd en grootendeels afgebrand geworden. Westend. Jaarb. p. 19, stelt op ’t jaar 398 het bouwen van Esonstad door den Koning Ubbo (Uffo). Over de oudheid dezer stad heeft Emmius ook zijnen twijfel mede gedeeld, doch v. Rhyn is hier wat toegevender dan wel anders.—Zie Oudh. en Gest. I. 454 volgg.

Bl. 28 en 31.—Ao 385 en 449.

Des Hengst en Hors, zijn zoonen enz. In den jaare 449, als Hengst en Hors enz.—De geschiedenis dezer Koningszonen is belangrijk genoeg om in aandacht genomen te worden, en wij vinden er, verondersteld zelfs dat wij onze kronijkschrijvers verwerpen, ook bij den Engelschen Historieschrijver Beda, (lib. I. Cap. 15) de vermelding van. Deze zegt dat zij de zoons van den Saxischen Vorst Vergistus (achter-kleinzoon van Wodan), en dus niet van Odolf Haron waren, hetgeen ook met de tijdrekening verkeerd zoude uitkomen. Hierover is twist ontstaan, welke onbeslist is gebleven: echter komt men daarin overeen, dat Hengistus en Hors aan het hoofd van de Saksen, Friezen, Angelen en andere naburige volken, door den Britschen Koning Vortigern te hulp geroepen, derwaarts zijn getogen, en zich eindelijk meester van dat land hebben gemaakt. Hunne geschiedenis is omstandig beschreven bij Ocko van Scharl; en hoezeer dezelve ook bij andere schrijvers in een romantisch gewaad is gewikkeld, draagt zij, in onderlinge vergelijking gebragt, vele kenmerken van oorspronkelijkheid. Wij kunnen hier in geene verdere ontwikkeling treden, doch zullen voor dien het lust, de bronnen en navolgingen aanwijzen, waarin de historie dezer gebroeders beschreven staat, met derzelver verscheidenheden.—Occo Scharlensis, Chronyck, op ’t jaar 385 en 441; Furmerius, Annal. Phrisic. p. 124 en 144; Winsem. Chr. fol 43 en 47; Schot. Fr. Hist. fol. 39 en 53; F. Sjoerds, Jaarb. I. 269 volgg.; Emmius, Lib. III. p. 39 seq.; Oudheden en Gestichten, Nabericht van v. Rhyn, bl. 368; Wagenaar, Vad. Hist. I. 289; Beda, Hist. Eccl. Lib. I. cap. 12 etc. en Chronicon; Jancko Douwama, Boeck der Partijen, p. 37; Westend. Jaarb. I. bl. 26; Overzigt van v. Halmael hiervoren § 7, jaar 449; Gibbon, Hist. of the decline and fall of the Rom. Emp. Ch. 38. IV. 395; Hume, Hist. v. Engel. I. 23 volgg.

Bl. 32.

In den jaare 463. Men vergelijke de tegenspraak in gemeld Nabericht van v. Rhyn, p. 372.

Bl. 32.—Ao 496.

Deed Klodoveus, een inval in Friesland. F. Sjoerds, Jaarb. I. 290 en anderen verhalen, dat de Friezen in dezen strijd het onderspit delfden, de Friezen en Saksen terugkeerden, maar de Allemannen, welke in dezen strijd deelden, hun gebied verloren; terwijl Koning Clovis, ingevolge hunne belofte, na de overwinning in dezen hagchelijken kamp, met 3000 Franken, tot het Christendom overging. Eenige jaren vroeger, omstreeks 476, was het Westersche Keizerrijk geheel ten gronde gegaan, en niemand over de Maas en den Rijn gaf gehoor aan het Romeinsche gezag.—Verg. Bilderdyk, Geschiedenis des Vaderlands, I. 60 en 61.

Bl. 34—Ao 517.

Groningen, bij de Friesen Grins genaamt. In 517 werd, luidens het verhaal van eene der kronijken, Groninge of Groinge (Grens, Grins) met een houten staketsel omgeven, ter beveiliging der veste. Deze wijze van bevestiging was reeds veel vroeger bij de Germanen en Belgiërs in gebruik, en behoeft, op dezen tijd, niet de minste verwondering te verwekken.

Bl. 34.—Ao 527.

Richold, zijn oudste zoon. Over de geschiedenis in dit tijdvak is een bijzonder verschil ontstaan bij vele schrijvers, daar de verwarringen, zoowel in den tijd als in de personen, aanduiden, dat men het spoor bijster is geraakt, en men alzoo tot gissingen zijne toevlugt heeft genomen, om uit de onderlinge tegenspraak tot eenige waarschijnlijkheid te geraken. Ook onze kronijk geeft geen meerder licht, maar is schijnbaar in den doolhof medegedwaald. De opgave van den zoon en kleinzoon van Diderik, (zie op ’t jaar 334) beide Lem of Willem geheeten, en Dibbalds zoon van denzelfden naam, waarvan Haarlem zijnen naam ontleende, is in ’t geheel niet in de haak, schoon ook Winsemius (fol. 36 en 48) hem hierin is voorgegaan. Verg. Scriverius in zijden Toets-steen op het Oude Goutsche Chronycxken, p. 204, 205. De andere kronijken springen met die historie, tot op Adgillus tijd, wonder om, terwijl men het over diens vader maar geheel niet eens kan worden.—Was Adgillus een Saks of een Fries? Beroald, Bertoald of Berthold voerde volgens veler gevoelen het gebied over de Saksen, en daar Ritserd, naderhand bijgenaamd Arundelius, in dien tijd Koning der Hoog-Friezen was, (in onze kronijk bl. 36 genoemd) moet Adgillus diens zoon geweest zijn. Dit is mede de gissing van Emmius, door v. Rhyn goedgekeurd, en door F. Sjoerds (Jaarb. I. 334) gevolgd. Het is ons wel voorgekomen, dat men Saksen en Friezen, Beroald en Ridserd met en onder elkander heeft verward, en dat Beroald door de Saksen tot Koning of Hertog was verkozen;—maar in hoeverre hij ook een deel der Friezen beheerscht hebbe, en hoedanig van Odibbald af de geslachtsopvolging geweest zij tot aan Adgillus, behoort tot een nader naauwkeurig onderzoek. Verg. onder anderen v. Rhyn’s Nabericht, bl. 376–382, te dezen opzigte zeer duidelijk. Over Ridserd Arundelius, die een dapper en vermaard Vorst moet geweest zijn, West. Jaarb. bl 30 volgg. Schot. Fr. Hist. fol. 47.

Bl. 35

Watervloeden in Friesland.

In den jaare 570. Dus ook Winsemius, Soet en anderen, doch Gutberleth, in zijne Aanteekeningen op Gabbema’s Watervloeden, p. 14, vermeldt uit de geschreven kronijk van Ocko van Scharl, hem ten gebruike gegeven door Bern. Fullenius, den weêrgaloozen Hoogleeraar in de Wiskunst in Frieslands Opperschool (gelijk hij zegt), dat aldaar deze vloed gesteld wordt op den jare 533. Ook de kronijkschrijver Twisk noemt hetzelfde jaar.

Door Dirk, Burger van Schoorl, wordt in diens kronijk als eerste Watervloed opgegeven die van 333 in Noord-Holland, wanneer de Zijpe is ingebroken en 1200 jaren verdronken heeft gelegen. De stad Grebbe, door de Romeinen gesticht, liggende aan ’t Eimer Swin, thans nabij het Nieuwe Diep, of een half uur gaans benoorden Wieringen, zou toen verdronken zijn, schoon anderen dit voorval later stellen43. In 435 was er weder een zware vloed over Friesland, zoo als ook in 516, in onze kronijk vermeld. Na 570 volgde die van 584, met het wonder zeldzame, vruchtbare jaar. In 586 of 62644, of welligt in beide jaren, werd Friesland alweder overstroomd. Een viertal jaren later begon de wijze Adgillus vliedbergen en terpen te maken, en gaf der bedijking hare geboorte. Vele menschen en veel vee verdronken in den vloed van 792 of 793, en door al deze verwoestingen waren er een aantal steden, dorpen, bosschen, alsmede eene groote uitgestrektheid lands verzwolgen en vernietigd, waarvan de onder de golven der zee liggende zandbanken de sporen van het vorig bestaan aanwijzen.

De St. Thomas vloed van den jare 806 was geducht voor Friesland; en van dien tijd tot op de helft der XII eeuw moeten door verscheidene overstroomingen Friesland, Noord-Holland, Zeeland en Vlaanderen deerlijk zijn geteisterd, vooral in den jare 839 zou dit gewest bijna geheel overstroomd geweest zijn, en er eene gansche omwenteling in den bodem van ons vaderland te weeg zijn gebragt.

De St. Juliaans-vloed in ’t begin van 1164 kostte het leven aan duizenden van menschen en beesten; waarop de alles verwoestende Allerheiligen-vloed van 1178 volgde, die de zeebaren tot aan Utrechts wallen voortjoeg. In dezen tijd kreeg de Zuiderzee eene groote uitgestrektheid; terwijl de baatzuchtige Friesche Abten vele verderfelijke doorgravingen deden maken, die de zee in vernielende krachten deed aanwinnen. Ook in 1200 stroomde een deel van Friesland over; doch van den schrikkelijken watervloed in Noord-Holland, in 1212, vindt men niets betrekkelijk Friesland vermeld. Dan bij den ijsselijken Marcellus-vloed, in Januarij 1219, was geene overstrooming te vergelijken, hetgeen dan ook bij de nakomelingschap ten spreekwoord is geworden. Alwat tusschen den Wezer en de Schelde op en over de oppervlakte van den grond aanwezig was, werd op vele plaatsen vernield en vernietigd, en duizenden menschen van ’t leven beroofd. Dezen vloed (zegt Westend. Jaarb. p. 238) meenden velen te moeten toeschrijven aan de brooddronkenheid en de woestheid van een zekeren Fries en kampvechter, die het hoogwaardig sacrament te Wijtwerd en Uskwerd, ter plaatse waar men naderhand het klooster van St. Jan stichtte, zeer hoonde en ontheiligde.

De jaren 1220, 1221, 1222, 1223, 1224, 1227, 1230, 1237, 1246, 1248, 1249, 1250, 1257, 1262, 1266, 1273, 1277, 1285, 1287, 1288 en 1290 waren uiterst rampvol voor Friesland, en wie kan er zich een denkbeeld van vormen? twintig overstroomingen in ééne en dezelfde eeuw, in één en hetzelfde Gewest! En niet alleen door de vloeden, maar ook omstreeks het midden dezer eeuw werd Friesland door eene vernielende pest onder menschen en vee jammerlijk geteisterd, terwijl haat en nijd, twist en tweedragt onder de ingezetenen aller onheil ten top voerden.—In deze eeuw verdwenen Ezonstad, Camminghaburg bij Leeuwarden, Britsenburg aan de Middelzee, de stedekens Wartena ten deele en Grind geheel.

In de veertiende eeuw werd Friesland acht malen gedeeltelijk overstroomd, en wel ten jare 1313, in welke de beroemde Wijbo Sjoerds van Grovestins, voornaam hoofd der Vetkoopers, het leven liet, en op welke overstrooming weder eene pestziekte zoude gevolgd zijn: voorts in 1334, 1336, 1361, 1377, 1380, 1387 en in 1400, de Friesche vloed genaamd, welke van belang is geweest voor de opkomst van Amsterdam, door het aanmerkelijk verwijden van het Marsdiep, het zeegat tusschen Texel en den Helder.

Wederom vijftien overstroomingen in de XV eeuw, waren ons gewest ten geesel en ter vernieling. In 1403 was de 3de Catharina’s vloed, maar in 1421 rigtte de St. Elisabeth’s-vloed hare ijsselijke verwoestingen aan, waarin de 72 dorpen in den Zuid-Hollandschen Waard bedolven werden, zoodat er twintig geheel te niete gingen. De volgende vloeden hadden plaats in 1425, 1426, 1427, 1428, 1429, 1434, 1437, 1446, 1464, 1470, 1474, 1477, en 1497; en geen wonder dat het land overstroomde, want de onderlinge twist en tweedragt gaf aan den oorlog voedsel, terwijl de eendragtige zorgen voor het behoud des lands verloren waren. West-Workum, Westerbierum en Dijkshorne waren den golven ter prooi geworden: niet alles echter was verlies, want de Middelzee was nu geheel aangeslijkt, en gaf kostelijk land.

Ook in de XVI eeuw was Friesland even ongelukkig door den ramp der vloeden, zoodat wel twintig malen in dit tijdvak het land overstroomde. In de jaren 1502, 1503, 1509, 1516, 1517, 1520, 1524, 1525, wanneer er drie vloeden in één jaar waren; in 1530, 1531 en 1532 (misschien dezelfde), 1552 en 1559 rigtten zij vele verwoestingen aan. Maar de geweldige Allerheiligen-vloed van 1570 heeft het gansche land langs de zeekusten van Frankrijk tot aan Noorwegen toe, als in ééne zee herschapen; terwijl in Friesland de schrik en ellende, die land en inwoonderen in eenen poel van jammeren stortte, door geene pen waren te beschrijven, door geene woorden te vermelden. Wel 20,000 menschen, zeggen de schrijvers, zijn in onze Provincie omgekomen: 1800 telde men in ééne Grietenij.—Daarna had men weder met dit onheil te kampen in 1572, 1573, 1575, 1577 en 1578. Toen evenwel, door tusschenkomst en dwang van Caspar de Robles, werd er gedijkt en gedamd.

Hoewel nu de vloeden in de XVII eeuw minder waren dan in de vorige, was evenwel de zee niet in banden te houden, maar brak nog dikwijls door de dijken heen, en bedierf een deel van het zoo vaak geteisterd gewest. In 1610 liep de zuidwesthoek onder: 1623, 1625, 1643, 1651, 1665 en 1675 waren noodlottige jaren, en vooral het jaar 1651, waarin de St. Pieters-vloed, na dat in Januarij de algemeene rivier-overstrooming in de Nederlanden had plaats gehad, in de volgende maand vele oorden in Friesland verwoestte. Voor Noord-Holland was die vloed verschrikkelijk.

In den aanvang der XVIII eeuw, en wel in 1701 en 1703, zoo ook in 1715, leden door de overstroomingen het land en de zeedijken veel schade, dan door den 7 kersvloed in 1717 was de verwoesting groot, vooral in Oost-Friesland.—Ten jare 1731 werd het paalwerk langs de kusten, en sommige sluisdeuren door de wormen geheel doorknaagd en verteerd. Bijna zestig jaren lang bleef Friesland voor storm en vloed beveiligd, doch in 1775 en 1776 had de provincie door twee overstroomingen, en vooral door de laatste, veel te lijden; dit was echter niet te vergelijken bij den geduchten watervloed van den jare 1825, die langs de zeekusten van Noord-Jutland af tot Frankrijk toe, zijne vernielende kracht heeft uitgeoefend.

Vergelijk de Inleiding voor mijn Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de Overstroomingen in de Provincie Vriesland; voorgevallen in 1825, en alle de afzonderlijk daarin aangehaalde schrijvers. Westend. Jaarb. van Groningen, op de verschillende jaren, die echter vele overstroomingen niet heeft vermeld.—Een zeer goed boek over de laatste overstrooming is dat van den kundigen F. Arends, Gemählde der Sturmfluthen vom 3 bis 5 Februar 1825: (zu haben bei dem Verfasser, 1826.) In zijn verdienstelijk reeds aangehaald werk: Physische Geschichte der Nordsee-Küste, geeft de Schrijver, in het tweede deel, eene Geschiedenis van al de watervloeden, vermeerderd met vele bijzonderheden, door vroegere schrijvers niet vermeld.

Bl. 37.

In den jaare 628 enz. Het omstandig verhaal dezen belangrijken strijd, vindt men bij alle latere geschiedschrijvers bijna op dezelfde wijze geboekt, en komt in de hoofdzaak overeen. Echter bij vergelijking der oudste Friesche jaarboeken, zal men eenige afwijking van anderen vinden. Niet, zoo als deze willen, was Dagobert de aanvallende partij in Friesland, of wilde dit land dadelijk overheeren; maar de Saksen, onder Koning Berthold, wilden niet meer onder der Franken gebied blijven, maar vrij zijn, des zij hunne krijgsboden aan Klotaris zonden, om dien op een barschen toon den wil van hunnen Koning te kennen te geven, hetwelk der Franken Opperhoofd dezen zoo hoog afnam, dat, waren zij niet door de christelijke staatkunde van den Bisschop van Meaux gered, hij hen welligt het hoofd voor de voeten had doen leggen. Zij keerden, tot christenen gedoopt, met eere en geschenken terug. Doch de Saksen verbonden zich met de Friezen, volvoerden hun plan, rukten tegen Dagobert op, die zijnen vader te hulp roept en de overwinning behaalt; en nu had er eene ijsselijke slagting onder de Saksen en Friezen plaats. Die langer dan zijn zwaard waren45, dat is, die de wapenen weder zouden kunnen voeren en geschikt ten strijde waren, werden vermoord; vrouwen en kinders werden in Frankrijk als slaven verkocht, en daarmede eindigde dit treurtooneel.—Dat dit gevecht in Friesland bij de Middelzee plaats had, gelijk Rolevink, en in navolging van hem Furmerius, Winsemius en anderen, beweren, heeft geen schijn, daar men moet vooronderstellen, dat het niet anders dan bij den Wezer kan hebben plaats gehad.

Dagobert moet omstreeks dezen tijd ook een christenkerk te Utrecht gesticht, en den Bisschop van Keulen het beheer over de Friezen gegeven hebben; dan dezen, te zeer nog aan hunne afgoden verslaafd, te stijf van hoofd en stug van aard, boden te veel tegenstand, en men vorderde dus weinig.

Dat ook deze Dagobert, als overheerder der Friezen, de insteller der wetten is geweest, wordt bestreden en met grond betwijfeld.—Zie daarover Schwartz., Charterb. Voorr. I. bl. 36, 37, 38. Men vindt deze gebeurtenis beschreven bij Furmerius, Ann. Lib. III. c. IV. p. 172; Wins. Chr. fol. 52; Schot. Hist. fol. 47; F. Sjoerds, Jaarb. I. 323; Wagen. Vad. Hist. I. 331; Tegenw. Staat v. Fr. I. 221; Oudh. en Gest. II. 111, 112 en 377; Cerisier, Gesch. d. Vereen. Ned. I. 90; Bilderdyk, Gesch. d. Vaderl. I. 66.

Bl. 37.

Adgild wierd enz. Over de regering van den christelijken Adgillus en onchristelijken Radboud, is in het Overzigt genoegzame melding gemaakt. Schot. Fr. Hist. p. 55, zegt, dat volgens eene Hollandsche kronijk, Radboud geen zoon van Adgillus, maar van Diederik, omtrent den jare 300 Koning van Friesland, bewesten ’t Flie, geweest zou zijn. Wij hebben echter die kronijk niet gevonden, en volgen liever het getuigenis van alle overige geschiedschrijvers.

Bl. 42.—Ao 695.

In Friesland, Holland en Teisterband. Over het oude graafschap Teisterband, in ’twelk het geheele Sticht, met het land tusschen Maas en Rijn, en van daar oostwaarts, met Kleef, Berg en Gulikerland, vervat werd, leze men Bilderdyk’s Geschied. d. Vaderl. I. bl. 161, 193 en 341 volgg. De afleiding is deze: Bant, Ban is jurisdictie, regtsban, Deister is bogt, kromte van deisen, thans deinzen, afwijken. Het wordt van ouds algemeen op de kromte van eene rivier toegepast. Dus is Teister of Deisterbant de regtsban (of ’t gezag) van de bogt (de afwijking) des Rijns, waar hij van noordwaarts ten westen afdeinst.—Vergel. de door Bild. zelven vervaardigde kaart achter het I. deel.

Bl. 43.

In den jaare 700. In dezen tijd, en zelfs gedurende een gedeelte der VIII eeuw, was geheel Friesland nog heidensch. De Menschen-offers, door geheel Galliën, Germanie en Scandinavie gebruikelijk, bij de Denen en Noren in zwang, vonden ook in Friesland grooten bijval, zoodat het geenszins vreemd is, in dezen tijd daarvan in de geschiedenis voorbeelden te vinden. Men heeft het verhaal van den schoonen jongeling Ovo, door den Priester Wulfram van den dood verlost, onder de fabels gesteld, dan tijden, zeden en gewoonten in acht genomen, en de leer der ondervinding geraadpleegd, zou ik niet weten, waarom, door deze of gene omstandigheid, hetzij aan hooger magt toe te schrijven, of vindt men dit te ouderwets gedacht, dan door een toeval, of wel door eene behendigheid des Priesters, dit voorval niet had kunnen plaats hebben46. Men twijfelt toch, in weerwil der zonderlinge tegenspraak van sommige geleerden, geenszins aan zoo vele bloedige offeranden aan de Goden gebragt, aan het slagten, verdrinken of op eene andere wijze dooden van zoo vele mannen, vrouwen, ja zelfs kinderen, waarvan de geschiedenis in de eerste eeuwen voorbeelden, aangeeft: en zou het dus zoo vreemd zijn, dat in de eerste tijden bij verbazende natuurverschijnselen of andere gebeurtenissen, men in zijnen angst tot het menschenoffer, (gelijk dat van een driejarig kind, bij het ontstaan eener zoute welle) als het hoogste, waarmede men zijne Goden vereeren kon, waarmede men rampen afweren en gunsten verwerven wilde, toevlugt nam?

Zeer gegrond is de aanmerking, dat door deze volharding in de afgodendienst overvloedig blijkt, hoe weinig der Romeinen gezag en invloed op de Friezen werkte. Men leze over het offeren van menschen en beesten de meergen. Verhandeling van Westendorp, over het gebr. der Noordsche Mythologie, bepaaldelijk over de Heilige gebruiken, bl. 339 volgg.

Bl. 44.

Adgild, de tweede. Sommigen willen liever tot opvolger van Radboud zijnen zoon Poppo, dan Adgillus hebben; de een onder den titel van Koning, de ander onder dien van Hertog. De gissing echter in § 11 van het Overzigt (bl. 315), komt mij zeer aannemelijk voor. Zie van Loon, Aloude Holl. Hist. I. 324b, 325a; Oudh. en Gest. Naber. p. 393; Bijv. en Aanm. op Wagenaar, I. 92; West. Jaarb. p. 42.

Bl. 46.—Ao 736.

Is Bisschop Willebrord ontslaapen. Deze heeft ongetwijfeld den eersten grondslag gelegd, en groot nut aan Friesland gedaan, tot bekeering der heidensche natie. Volgens Wagenaar (I. 378) stierf hij in slagtmaand 737, nalatende een alleraanzienlijks vermogen, meest door de Franken hem geschonken, hetwelk hij aan zijne geliefkoosde Abdij van Epternach, bij Trier, uit eene gifte van Dagoberts Dochter gesticht, vermaakte. Omstreeks dezen tijd schijnt ook de Priester Marcellus, die zeventig jaren lang het Evangeliewerk verrigtte, in Friesland met goed gevolg gepredikt te hebben.

Ook in dit tijdvak kwam de vrome en geleerde Bonifacius hier te lande uit Engeland. Deze bestreed met kracht, verstand en godvruchtigen ijver, niet alleen de heidensche bijgeloovigheden, ruwheid van zeden en woestheid der Friezen, maar ging ook met ernst het zedebederf, de onkunde, boosheid, onwettigheid en valsche leer der geestelijken te keer, wier doel en middelen met de christelijke godsdienst zoo zeer in strijd waren. Zie het op bl. 348 aanbevolen werk van den heer Glasius, IV en V Hoofdst.

Bl. 47.—Ao 749.

Priester Jan.—Zie over dezen Oudh. en Gest. II. 84–86 en Naber. bl. 349.

Bl. 50.

Vreemde Heeren. De Heer v. Halmael, heeft zijn tweede Tijdperk van het Overzigt, (gedeeltelijk geplaatst in ’t Friesch Jierboeckjen van 1833) loopende van 773 tot 1498, zijnde van Karel den Groote tot de regering van Albrecht, Hertog van Saksen, genoemd: Het Vrije Friesland. Niet dadelijk evenwel (zoo als ook de Schrijver aanmerkt) waren de Friezen vrij, maar trapsgewijze onder Karel’s opvolgers werd die vrijheid verkregen, niet door Karel zelven hen geschonken. En ook natuurlijk, want daar onder de hoofdvoorwaarden het aannemen van de Christelijken Godsdienst, en dus ook onderwerping aan een’ Bisschop behoorde, was het van zelf, dat het onrustig en onstuimig karakter niet zoo dadelijk met die zachte middelen te temmen was, waardoor dus menig opstand en oproer dikwijls de reeds geschonken vrijdommen weder deden bekrimpen.

Karel verdeelde het tegenwoordig Friesland, naar het schijnt, in drie Graafschappen: Oostergouwe, Westergouwe en Stavoren. Het Graafschap Islegouwe (IJsselland), waarin Oost- en West-stellingwerf begrepen zullen zijn, is welligt een Saksisch en geen eigenlijk Friesch Graafschap geweest of alzoo genoemd. Ieder Graafschap had zijn opperhoofd, bekleed met de burgerlijke en militaire magt, en over eenige Graafschappen was een Hertog, uitsluitend het bewind over de krijgsmagt voerende, gesteld47.

De wetten, naar welke Karel de Friesche Graafschappen in het algemeen deed regeren, zijn die, welke onder den titel van Leges Frisionum in druk zijn uitgegeven. Het eerste deel bevat de overoude gewoonten der Friezen onder de Romeinen, met eenige wetten der Franken, en het tweede, de ophelderende bijvoegselen van Sachsmund en Wulmar. Echter beschouwen wij dit niet als een volledig Corpus of wetboek, maar veeleer voor een handboek voor de Keizerlijke Graven en Ambtenaren, om daarop regt te doen, ook ter berekening der breuken en boeten. Hieruit zoowel als van elders blijkt, dat de Friezen destijds in vier standen of klassen verdeeld waren. Edelen, dit waren de rijksten, de begoedigsten; Vrijen, minder gegoeden, echter onafhankelijken; Liten, lijfeigene boeren, en Slaven of Knechten, geheel dienstbaren.

Karel ontnam den Friezen het regt op de vaderlijke erfenis, alzoo hun regt op de nagelatene goederen der ouders, dat is: het vrije bezit der erf-, stam- of landgoederen van den adel en van de welgeboren lieden; en voerde dus het zoogenaamde Leenregt in. Deze algemeene hoon en smaad werd weder uitgewischt door Karel’s wettigen zoon en opvolger Lodewijk den Vrome of Godvruchtige48, die zijne regering begon met aan de Friezen dit regt, en met dit regt den eernaam van Vrije Friezen weder te geven. Hij was een zeer menschlievend Vorst, doch welligt wat al te vroom om zulk een groot gebied en een onverlicht volk te regeren.—Zie Friesch Jierboeckjen, 1833, §§ 4 en 7; bijzonder Charterboek, Voorrede I. bl. 40 volgg. en aldaar den Giftbrief; vergel. West. Jaarb. bl. 55 volgg.

Ten opzigte der wijze, hoedanig de opgemelde wetten in geschrifte gesteld zijn, verhaalt men, dat dit door twaalf deskundigen, (welk getal men in regtszaken steeds hoog waardeerde,) door de Friezen gekozen, uit de overleveringen moest geschieden. Doch men wilde liever bij het oud regt blijven, dan deze zware taak te verrigten, en men was dus onwillig. Des Keizers wil woog echter zwaarder, dan die der twaalven, en het werk werd volbragt.

De Sage, zegt de Heer Westendorp (Jaarb. I. 59), heeft deze gebeurtenis in een kostelijk kleed gestoken:

»Daar deze twaalf wijzen dan onwillig waren, om de wetten der Vriezen in schrift te stellen, zoo gaf de Keizer hun zeven dagen tijds om tusschen de onthoofding, het levende begraven, of het ter prooi geven aan de woeste golven in een stureloos schip, te kiezen. De wijzen kozen lijdzaam en moedig het laatste. Men zette hen dan nu in een schip zonder zeil, roer, riemen en anker, en liet hen voor wind en weder drijven. Een der Wimoedes, Asega of Azinge geheeten, van het Wilken-geslacht, en een der eerste Vriezen, die deze benaming droeg, herinnerde in dezen nood zijnen mede-ambtgenooten aan eene door hem gehoorde leerrede van Willebrord, nopens de verschijning van Christus Jezus, voort na zijne opstanding, aan zijne, in druk gezetene, vrienden, hoewel de deuren gesloten waren. Hij stelde hen tevens ootmoedig voor, om de hulp, redding en tusschenkomst van Christus Jezus in dit gevaar biddend af te smeeken. Dit geschiedde eenparig knielende. En ziet, onder hun gebed vertoonde zich achter in het schip een man, welke met zijne hand een kromhout hield, en die de twaalven wederom in de haven terug bragt, vanwaar zij uitgegaan waren. Als nu de dertiende met de twaalven te lande kwam, wierp hij het kromhout op den grond, en terstond ontsprong aldaar eene bron, rondom welke allen gingen zitten: een ieder verkwikte zich met het water van de bron. De dertiende, welke aan de twaalvde volkomen gelijk en daarvan niet te onderscheiden was, leerde hen en gaf hun in, welke regten zij, ter gehoorzaming aan het keizerlijk bevel, zouden uitkiezen en beschrijven. Als zij nu wel onderrigt waren, zagen zij den dertienden niet langer; zij gingen aan hunne taak, en volbragten dezelve. »Zij kozen het landregt, dat hen door Maria’s zoon geleerd was,” zegt een der kronijken. Men legde deze verzameling den keizer en den paus voor, en het werk verwierf de goedkeuring van beiden.”—Verg. de O. Fr. Wetten en de belangrijke Aant. van bl. 103–114, alwaar men in het verhaal van de twee Kon., Karel en Radboud, deze sage vindt, zoo als ook bij Beninga en Kempius.

Bl. 50.

In den jaare 777 is Ludger. Het verwondert mij dat onze kronijk, nog al gehecht aan bijzondere voorvallen, hier niet vermeldt de wonderbare redding van de moeder van dezen Ludger, te vinden in Schotanus, Beschryvinge v. Frieslandt, p. 22, overgenomen uit eenen (aldaar niet genoemden) Levensbeschrijver van Ludger. Dus luidt hoofdzakelijk aldaar deze gebeurtenis. Wrisung, de grootvader van Ludger, was der Christen-godsdienst toegedaan, en werd dus door Radboud verdreven. Hij ging over het Vlie wonen, en volvoerde zijn christelijk werk; zijn’ jongsten zoon Tjadgrim in Utrecht ter leerschool bestellende. Deze huwde na zijns vaders dood eene vrouw, genaamd Liafburg of Liatburg, waarbij hij drie zoons en ook onzen Ludger verwekte. Deze Liafburg geboren zijnde, moest op last van hare heidensche grootmoeder, verdrietig dat harer schoondochter alleen meisjes werden geboren, door eene slavin worden verdronken; een regt dat zij volgens hare leer, op jonggeboren kinderen hadden, om ze om te brengen en te offeren, mits zij vooraf niets genuttigd of geproefd hadden. Dan het wichtje greep met zijne handjes het vat of den emmer, waarin het gestoken werd, om den rand, en worstelde dus tegen den dood. Eene buurvrouw dit ziende en bewogen met het onnoozel schepsel, ontnam het der slavinne, liep in haar huis en stak het een weinig honigs in den mond, waardoor het van den offerdood was verlost. Zij voedde het kindje zorgvuldig op, gaf het na den dood der grootmoeder aan de ouders terug, en dit meisje werd de moeder van den geleerden en verdienstelijken Priester Ludger, van wien men leest, dat hij de Friesche, Engelsche, Frankische en Latijnsche talen vlug en vaardig sprak, en wiens leven en daden overal tot zijnen lof zijn beschreven. Als opvolger van den braven Bonifacius en in diens voetspoor tredende, bekleedde deze wijdvermaarde Fries eene aanzienlijke plaats onder de Christenherders, die boven velen, godvruchtig, ijverig en standvastig in zijnen arbeid was.

Men vindt onder anderen de levensbeschrijving der eerste Geloofpredikers bij F. Sjoerds, Beschr. v. O. en N. Friesland, VI Hoofdst.—Over Ludger, Westendorp, I. 64 en volgg. 89 volgg.—die echter, tegen het verhaal van Schotanus aan, niet de moeder van Ludger den offerdood doet ontkomen, maar Ludger zelf, waardoor de genoemde oorzaak zou wegvallen, welke aanleiding tot het ombrengen van het jonggeboren kind had gegeven. Maar belangrijk is ten dezen het werk van den heer B. Glasius, de Gesch. der Christ. Kerk en Godsd. in de Nederl. vóór het vestigen der Herv., waarvan het eerste deel het licht ziet, en waarin wij voor de eerste pogingen ter verkondiging van het Christendom in ons Vaderland en der Christenleeraars eene naauwkeurige en belangrijke beschrijving hebben gevonden. Ook den beoefenaren der Friesche Historie zij dit werk bij zonder aanbevolen49.

Bl. 51.—Ao 784.

Zijn de Noormannen wederom met Wydekind. In het Archief van de oude Hannoversche stad Goslar is eene oorkonde aanwezig, bevattende het gebed of de gelofte, waardoor de Saksen over hunnen aanvoerder Witekind, in den krijg met Karel den Groote, heil en zegen afsmeekten van hunnen God Wodan, wiens beeld op den Hartsberg vereerd werd. Dit is de Duitsche tekst:

»Heiliger, groszer Wodan! Hilf uns unserm Herrn Wittikind, auch dem Kelta (Unterfeldherrn) von dem aischen (garstigen) Karl-pfui dem Schlächter! Ich gebe dir einen Ochsen und zwei Schaafe und den Raub. Ich schlachte dir alle Gefangene auf deinem heiligen Hartisberge!” De geleerde Ypeij deelt deze bede benevens eene tweede oorkonde, twee of drie jaren later gesteld, toen de Saksen zich aan Karel onderworpen hadden, in de Nedersaksische spraak mede50, met een aantal belangrijke taalkundige aanmerkingen vooral op het laatste gedenkstuk.

Bl. 54.—Ao 808.

Omtrent dien zelven tijd liet Igle Tadema. Het is zeker dat het meer Flevo zich in dezen tijd en ook reeds vroeger merkelijk uitbreidde, waartoe herhaalde stormen en watervloeden krachtig medewerkten, zoodat het zoute water niet alleen de tegenwoordige kusten naderde, maar ook van tijd tot tijd ondermijnde. Het is dus zeer mogelijk, dat bij het graven van putten, gelijk ook op ’t jaar 513 van Juw Hoppers wordt vermeld, er zout water is opgekomen, en het verhaal van Tadema de gewone versiering heeft ondergaan, zoo als van vele andere voorvallen, zonder dat het noodig zij het geheel te verwerpen. Dat Igles zoon op bevel van zijnen vader het landgoed bij het Kreil verkocht, en zich in Gaasterland vestigde, dit is zeer natuurlijk, en dat de familie hier over wrokkend was en zich op eene voor onzen tijd ijsselijk wreede wijze wraak verschafte, is ook niet zoo vreemd.—Men leze deze schrikkelijke geschiedenis in O. v. Scharl’s Kronijk op ’t jaar 808, die echter ’t voorval met Juw Hoppers niet heeft opgeteekend. Zie Wins. fol. 47 en 85; Schot. Fr. Hist. fol. 53.

Bl. 56.

In den jaare 809, als er te Romen. Op Kersdag van den jare 800 werd Karel de Groote in de hoofdkerk te Rome als Augustus en Caesar der Romeinen over het Westen uitgeroepen, gezalfd, gekroond en gehuldigd.

»De Friezen dienden hunnen nieuwen meester getrouw; doch weinig geloof zoude ’t verhaal verdienen, dat zij met hem Rome zouden hebben veroverd, gelijk onze en andere Kronijken op den jare 809 of omstreeks dien tijd vermelden. Men kan dit feit hebben verward met de verovering van Rome door Arnulph, den laatsten afstammeling van dezen Karel, wien het vergund was den Westelijken Keizerskroon te dragen, doch om gekroond te worden, de stad moest overwinnen, waarin de Friezen beoosten het Flie hem bij stonden.” Dit is hoofdzakelijk, met anderen, ook het gevoelen van den heer v. Halmael: versterkende dit zijn gevoelen door het argument dat de beschrijvers van het leven en de daden van Karel daarvan geen gewag maken. Dan Bilderdyk is van een tegengesteld begrip. »Het zijn de Friezen niet alleen, zegt hij, die van hunne verovering gewagen. De Romanciers en Heldenboeken der middeleeuwen zijn er vol van, dat de Friezen Rome voor Karel innamen. En waarom mag dit niet zijn? Dat hij Friezen in zijne legers had, is zeker en boven alle bedenkelijkheid; en daar hij ze ook in Spanje bij zich gehad heeft, daar zij hem over de Pyreneën verzelden en hun trouw bewezen, waarom mag het niet waar zijn, dat zij ’t ook over de Alpen deden; en dat toen er een oproer in Rome bij Karels aannadering ontstond, en de poorten hem gesloten werden, zoo als bij die Romanciers deels gemeld, deels duidelijk ondersteld wordt, zij het waren, die de poort gewonnen hebben, en hun dus in de stad gevoerd? Daar is iets zoo natuurlijks in, zoo wel zamenhangende, en zoo wel passende op de zaak, dat het mij ten minste niet onaannemelijk voorkomt; en dat zij eene belooning daarvoor gekregen hebben, geëvenredigd aan het belang dat Karel in de bewezen dienst stelde, is mede zeer waarschijnelijk. Het zij dat dit in 799 gebeurde, toen hij den verdreven Paus Leo III op den zetel herstelde; waarbij het niet te verwonderen is, zoo geweld en dapperheid en bestorming van eene poort noodig was: het zij in 800 toen hem de keizerkroon opgezet wierd, en er bij die gelegenheid mooglijk een oproer van de oude partij ontstond, die men gefnuikt waande, maar zonder de Friezen van gevolge had kunnen zijn. De zaak kan dus waar zijn; en men heeft onrecht een geheel volk tegen te spreken, wanneer er eenige samenstemming in zijne overlevering is met hetgeen van elders getuigd of voor waar en aangenomen is in een tijd dat de geheugenis nog versch was.”—»Men behoeft enz.”

Hoezeer dan ook de Bulle of open Brief van Karel den Groote ontwijfelbaar valsch is, behoeft daarom het vermelde feit geen fabel te zijn, en het is onbetwistbaar, dat er dikwijls valsche stukken zijn gesmeed tot bewijs van wezenlijke waarheden, waarom ik mij dan ook met de meening van Bilderdyk wel kan vereenigen51. Uit een der te Oxford berustende handschriften, tot de nalatenschap van Junius behoorende, getiteld: Incipiunt Gesta Fresonum, hetwelk door het Fr. Genoots. wordt uitgegeven, zal ongetwijfeld dit gevoelen worden versterkt.

Wij vinden op dezen jare 809, en ook vooral op het volgend jaar, aangeteekend, dat er in alle provinciën eene geweldige runderpest woedde, zoodat er bijkans geen os in het leger overbleef, welke ziekte nog vele jaren voortduurde.

Bl. 58.—Ao 810.

Een schattinge van 200 ponden zilver. Anderen bepalen die op de helft. Deze belasting, onder den naam van Klipschild, klinkschatting, werd dus genoemd omdat de munten in een bekken moesten geworpen en de klank daarvan in de verte gehoord worden. Zoo moesten ook de Engelschen lange jaren het zoogenaamde Deangeld aan Godfried opbrengen. Zie O. Fr. Wetten, bl. 130, in de Aanteekening.

Bl. 61.—Ao 808.

Magnus Forteman. Dat deze de eerste Potestaat is geweest, hebben latere schrijvers tegengesproken, op grond dat deze waardigheid zijnen oorsprong uit Karel’s Bulle, welke voor valsch verklaard is, moet hebben gekregen. Echter erkent men, zelfs Emmius ook, dat de Friezen al van ouds Potestaten hebben gehad, die, als de handhaving van het regt, of ander algemeen belang, als er oorlog op handen was of ontstaan zou, verkozen werden. De geschiedenis van Magnus Forteman kan niet gereedelijk voor waarheid worden aangenomen; doch het bestaan van zoodanige gezagvoerders, als door het Potestaatschap wordt bedoeld, kan men ten zijne tijde niet betwisten.—Men leze hierover ter bevestiging v. Rhyn’s Nabericht, bl. 410, 411, 417–420; F. Sjoerds, Jaarb. I. 440–444, 464, 473; II. 9, 64, 84, 85 en de aldaar aangehaalde schrijvers52.

Bl. 62.—Ao 826.

Anscharius. Vermaarde Monnik uit het te Corveij gestichte klooster, werd eerste Bisschop te Hamburg, later Aartsbisschop van Bremen en Hamburg, en stierf in 865.

Bl. 62.

In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer verkooren. Adgillus II had twee zoons en twee dochters nagelaten, van welke laatsten de eene Konovella was geheeten. Deze was getrouwd met een aanzienlijk Edelman van Sexbierum, Adelbrik, wonende op het slot Adelburg. Twee zonen werden uit dezen echt geboren met namen Adelbrik, deze Potestaat, en Frederik van Adelen, de Bisschop op den jare 838 vermeld. Zie Winsemius, fol. 67, 83 en 105, alwaar men hunne geschiedenis vermeld vindt. Uit dezen zou het beroemd Friesch geslacht der van Adelens gesproten zijn.—Van den Potestaat, wiens aanvankelijke regering door sommigen later gesteld wordt, is weinig aangeteekend; doch van den moord des Bisschops zegt ook onder anderen de heer v. Halmael (Friesch Jierb. 1833, § 8), dat dit waarschijnlijk door toedoen of op last van Keizer Lodewijks tweede echtgenoot, Judith, dochter van Welf, Graaf van Beijeren, is geschied, wier huwelijk hij bloedschendig verklaarde. »Had de man (voegt deze schrijver er bij) zich niet bemoeid met zaken, welke hem niet onmiddelijk aangingen, even als zoo vele andere geestelijken van vroegere en latere tijden, hem was dit lot denkelijk niet wedervaren. Doch zijn voorbeeld heeft misschien niemand geleerd het niet na te volgen, en de bemoeiallen zijn nog niet uitgeroeid.”—Verg. F. Sjoerds, Jaarb. II. 23 volgg.

Bl. 63.—Ao 838.

De verderfelijke leere der Arriaanen. Arius, geboren in Lijbië omstreeks den jare 300, Priester te Alexandrie, wilde na den dood van Achillas in dit bisdom diens opvolger worden. Dit mislukte hem; hij besloot ketter te worden, en verkondigde eene leer, welke door de Synode van Alexandrie in 320, en door de kerkvergadering van Nicea in 325 veroordeeld werd. Arius, schoon gevangen gezet en gebannen, kreeg talrijke en vermogende aanhangers, bragt de geheele kerk in tweespalt en won de gunst van Konstantijn, die zich op de Ariaansche wijze liet doopen, en zelf het Arianismus tot zijne hofreligie maakte. Arius, te Alexandrie geweigerd, trok in 336 naar Konstantinopel en stierf bij zijnen plegtigen intogt. Zijne leer echter begon nu eerst te leven en bragt het geheele Oosten in beroering; doch de haarkloverijen en spitsvondigheden der Arianen, die elkander onderling verketterden, bezorgden eindelijk aan de Katholijke kerk de overwinning. Nu en dan verhieven zij zich weder, doch sedert den ondergang van het Longobardische rijk, liep ook hun rijk voornamelijk ten einde, en na de VII eeuw werd de algemeene invloed van hun stelsel krachteloos.—In Friesland, en vooral in Westergo, schijnt nog later der Arianen leer gehuldigd te zijn; doch Bisschop Frederik, en na hem de vermaarde Kanunnik Odulphus (Adolf), gingen ook hier deze ketterijen met kracht te keer.—Zie Algemeen Noodw. Woordenb. der Zamenleving, op de woorden Arius en Arianen.

Onder de verschillende secten dier tijden maakten de Arianen den meesten naam. Het stelsel van Arius was, dat de Zoon van God, die, ter verlossinge der menschen, mensch werd, in waardigheid en natuur den Vader niet gelijk stond, maar, vóór de schepping, door den Vader als het voornaamste schepsel uit niets is voortgebragt.—Verg. B. Glasius, Gesch. der Christ. Kerk en Godsdienst, I. 37; F. Sjoerds, Jaarb. II. 22.

Bl. 64.

In den jaare 840 overleed Lodewijk.—Zijn opvolger Lodewijk de Duitscher, was een regtschapen en godsdienstig Vorst, de stichter en grondvester van het Duitsche rijk. Zijne zesendertig-jarige regering was zeer onstuimig, vol van bloedige oorlogen en moorddadige gevechten tegen de telkens invallende Noordsche volken. Hij verdeelde in of na 870 het rijk, door hem beheerscht, onder zijne drie zonen, Karloman, Lodewijk en Karel, bijgenaamd de Dikke. Lodewijk de Jongere bekwam in zijn aandeel, behalve andere landen, twee deelen van Friesland, liggende ter regterzijde van den Rijn, en Karel een deel, dat gelegen was aan de linkerzijde der Maas. Bij een nader vergelijk tusschen de broeders schijnt geheel Friesland aan Lodewijk den Jongere gekomen te zijn. Zijne regering was echter niet van langen duur, daar hij in 877 overleed, wordende opgevolgd door zijnen broeder Karel den Dikke, die, na den dood van zijnen oom, Karel den Kale, en diens zoon Lodewijk den Stamelaar, in 879 gestorven, tot de keizerlijke waardigheid werd verheven. Een gedeelte van Friesland werd door den Keizer aan Gisla, dochter van Lotharius II, huwende met den Noordschen Vorst Godfried, ten bruidschat gegeven, ten einde dezen tot vriend te houden; waarom hij zich dan ook in 822 liet doopen. Deze daad kwam den Friezen duur te staan, want hij heerschte als een tiran, liet zijne onderdanen, zoo als men verhaalt met halsbanden boeijen, om ze bij elk gering vergrijp of naar willekeur te doen ophangen, en maakte hen tot lastdieren. Eindelijk werd hij ook van kant gemaakt.

In 880 (anderen stellen 881 en 884) vielen weder de Noormannen met eene groote magt eerst in Saksen, daarna in Frankrijk, en het tegenwoordig Friesland en Oost-Friesland, met oogmerk alwat Christen was uit te roeijen. De Saksen wilden dien woedenden stroom stuiten, doch hun leger werd vernield met diens Hertog, drie Bisschoppen, in hoedanigheid van geestelijken het leger volgende, en twaalf Graven. Verschrikkelijk was hun moorden, branden, plunderen en rooven, terwijl zoo hier als elders, landen en volken door die helsche benden werden verwoest en geteisterd. Bij hunnen inval in Friesland moesten zij het echter ontgelden, want aldaar leden zij de groote nederlaag, in onze Kronijk bedoeld. Intusschen kwam het, wat ons Friesland betrof, met Lodewijk tot een vergelijk. Daarna hadden zij, bij een inval in de Maas, de steden Maastricht, Luik, Tongeren, Keulen, Bonn, Trier, Mentz en andere plaatsen verwoest en de inwoners deerlijk mishandeld.

Karel de Dikke, in ’t bezit gekomen van het grootste gedeelte der Monarchij van Karel den Groote, bezat te beperkte geestvermogens om zulk een groot rijk te bestieren. Hij werd zwak en onmagtig, door zijne onderdanen verstoten, onttroond en stierf in 888 in armoede en ellende te Reichenau. Opgevolgd door Arnulph, die onder de Noormannen te Leuven eene ijsselijke slagting aanrigtede, veroverde deze daarna Rome met medehulp der Friezen, om aldaar gekroond te worden. Lodewijk, bij zijns vaders dood nog geen acht jaren oud, en daarom het Kind geheeten, volgde hem in het rijksgebied op, hetwelk echter bestuurd werd door Hatto, Aartsbisschop van Mentz, Adalhero, Bisschop van Augsburg, en Otto, Hertog van Saksen, zijnde de jonge Vorst onder voogdij van Otto en Hatto gesteld. In zijn achttiende jaar stierf Lodewijk, ongehuwd en zonder kinderen na te laten, en met hem was het geslacht des Grooten Karels, en alzoo de Karolingische stam, uitgestorven.

Over de volgende Vorsten en Regering, den oorsprong van het graafschap Holland enz. verwijzen wij den Lezer tot het Friesch Jierboeckjen, 1833, § 15 en volgenden. West. Jaarb. I. 131 volgg.; Wagenaar, F. Sjoerds, en anderen. Belangrijk is ook de geschiedenis van den Deen Erik, Rorik of Roruk, zoon des Deenschen Konings Heriold, waarvan in de aangehaalde Schrijvers omstandig gewag gemaakt wordt; ook Bilderdyk, I. 100, 148 enz., voorts bl. 167 over den oorsprong van het Graafschap Holland.