Bl. 64—Ao 850.
De kerk van St. Walburg.—Verg. de korte beschrijving van West. Jaarb. op ’t jaar 850.
Bl. 64.
In den jaare 867. In dit jaar werd het Benedictijner klooster op het eiland Ameland, ’t welk ’s jaars te voren door den Heer Haijo van Cammingha, ter plaatse daar de tempel der Godin Foste gestaan had, was gesticht, met monniken bevolkt door Odilbaldus XII, Bisschop van Utrecht. Uit hoofde echter dit klooster en zijne bewoners aanhoudend door de zeeroovers werden geteisterd, is het na verloop van bijna derdehalf eeuw onder Ferwerd, in Ferwerderadeel, verplaatst, door de godvruchtige Anna van Cammingha, vrouw van Graaf Adolf van Fronenberg. Het doel des Stichters was eene kweekschool voor de wetenschappen, welke destijds bijzonder door de Benedictijnen werden beoefend, aan te leggen. Oudh. en Gest. II. 286; West. Jaarb. I. 123; F. Sjoerds, Jaarb. II. 55, 56, 270, enz.
In den jare 873 kwam er een ontzettend aantal sprinkhanen over Friesland, welke een duim dik waren, met zes vleugelen en zeer sterke tanden voorzien. Zij vraten in één uur alles van het veld, zeven à acht mijlen in den omtrek, en knaagden de takken en basten der jonge boomen af. Na eene verschrikkelijke verwoesting, dreef de wind hen zeewaarts; toen verdronken zij, doch door den vloed werd deze geweldige massa op de oevers geworpen, en veroorzaakte eene pestziekte.—F. Sjoerds, Jaarb. II. 65.
Bl. 67.
In den jaare 910. Te regt klaagt de Heer West. bij den aanvang van het tweede Perk des Jaarboeks, als ook de Schrijver van den Tegenwoordige Staat van Friesland, over de weinige bijdragen en den schralen oogst, welke de geschiedenis van Friesland ons in de tiende en elfde eeuwen oplevert. In dit tijdvak zijn bij de Kronijk- en Geschiedschrijvers weinig belangrijke bijzonderheden vermeld, en ook onze kronijk deelt er dus weinige mede.
Friesland strekte zich te dien tijd uit van den Sincfal, de plaats waar zich de rivier de Maas in zee ontlast, bij Ostende lot aan den Wezer.—Later werd de verdeeling in zeven Zeelanden daargestelt.—Van dezen besloeg ons tegenwoordig Friesland er twee, en een deel van het derde Zeeland. Friesch Jierb. 1834, § 5; voorts West. Jaarb. I. 211, en de daar aangehaalde Schrijvers. Wiarda, Von den Landt. d. Fries, b. Upstalsboom, 3 Abschnitt; Meng. Leeuw. Cour. 4 Oct. 1831.
Bl. 67.—Ao 910.
Westerman heeft enz. Adam Westerman, Predikant te Stavoren, heeft in den jare 1635 uitgegeven: Korte Beschrijvinge van de oude Anse-stad Stavoren; in welke aangewesen werd haren Ouderdom, Opgang, Voortreffelijkheid, Afgang, en tegenwoordigen Stand. Eene herdruk daarvan verscheen te Amsterdam in 1684. De Schrijver schijnt de kronijken gevolgd te zijn, en niet meer gegeven te hebben dan H. I. Soet, in zijn: Op- en Neder-ganck van Stavoren. Verg. Pars, Naamrol van de Batavise en Holl. Schrijvers, bl. 141.
Bl. 67.—Ao 920 en 970.
Koppen van Stavoren—Okke van Scharl. Het bestaan van de schriften van dezen eersten wordt mede betwist. Suffridus Petri53 zegt, dat hij van Andreas Gryphius fragmenten ter leen gehad heeft, door den Priester Cappidus van Stavoren zamengesteld, welke hem tot zijne geschriften zeer ten dienste hadden gestaan;—doch ook deze zijne woorden, welke door geene latere bewijzen bevestigd zijn, hebben geen geloof kunnen vinden,—even min als zijn verhaal van Ocko van Scharl. Volgens de overlevering hadden de Schriften van zijn oudoom Solke, of Carel Solke Forteman, hem de bouwstof geleverd, voor zijne bekende Kronijk, welke door Johannes Vlijtarp, Geheimschrijver van den laatsten Potestaat, J. Hessel Martena, in de XIV eeuw is aangevuld en verbeterd, en daarna door Andreas Cornelis, geboortig van Stavoren en Organist te Harlingen, werd overgewerkt, vervolgd en na diens dood uitgegeven in den jare 1597 te Leeuwarden, in folio, bij Jacob Jansz, doch te Amsterdam gedrukt. Deze kronijk is herdrukt in quarto, en te Leeuwarden uitgegeven bij Abraham Ferwerda in 1742. Een tweede druk daarvan verscheen bij D. Balk te Workum in 1753, welke echter zoo letterlijk, ja stiptelijk met al zijne versierselen gelijk is aan den vorige, dat alleen de titel het onderscheid uitmaakt, even als met de Leeuwarder en Franeker drukken van Gysbert Japicx Rijmlerye en de 3 laatste Uitgaven onzer Kronijk.
Vele Schrijvers zijn van gevoelen, dat deze Kronijk geen het minste geloof verdient, als gevuld met fabelen en bijgeloovigheden. Emmius, in zijne Refut. Apol., van Rhyn, op de Oudh. en Gest. I. 51; F. Sjoerds, Inleiding voor de Besch. van O. en N. Friesland, en anderen beweren dit op gelijke gronden; geen gezag aan Suffridus Petri kunnende toekennen. Ook de Wind, in zijne Inleiding voor de Bibliotheek van Nederl. Geschiedschrijvers, heeft dit punt met oordeel behandeld. Zijn gevoelen stemt niet dat van Emmius overeen: »Hoezeer dan ook, zegt hij, Andreas Cornelis een handschrift moge voor zich gehad hebben, waaruit hij de drie eerste boeken getrokken heeft, is het onbewezen dat dit H. S. eene kronijk van O. van Scharl uit de tiende, en van J. Vlijtarp uit de veertiende eeuw inhield. Veeleer zal dit H. S. het werk geweest zijn van een Schrijver uit het begin der dertiende eeuw, die deze fabelen heeft zamengeflanst, in dien tijd, toen bijbel en ware geschiedenis in het kleed van een roman moesten gehuld worden, wilde men dezelve aanhooren.” Wij willen de gronden van den kundigen de Wind wel niet betwisten of wederleggen, als hier niet voegende, dan ik kan er evenwel nog niet toe komen, om met Emmius alles weg te redeneren; en zelfs naar aanleiding van bovengemeld argument, blijf ik beweren, dat er veel waarheid, hoe dan ook in fabelen gehuld, uit deze kronijk en andere dergelijke schriften is op te sporen, waarom wij met den geleerden Westendorp gereedelijk instemmen, dat er geene voldoende redenen bestaan, de geloofwaardigheid dier oude Schrijvers geheel te verwerpen. Zie voorts gem. Biblioth. der Ned. Geschiedschrijvers, II. St. p. 223; Suffr. Petri, D. 5. c. 9. en D. 7. c. 4, de Script. Frisiae; Schwartz. Chart. Voorr. II. 67; onze Aantt. bl. 286–288.
Bl. 68.
Omtrent den jaare 969 Gosse Ludigman. Zie v. Rhyn’s Nabericht, bl. 417 volgg. Vóór het huwelijk van des Potestaats dochter Tet, met Sicco, zoon van Graaf Arnout, uit wien de Teilingen en Brederoden stamden, is, schoon betwist, zeer veel te zeggen, hoezeer ook v. Rhyn eene andere uitlegging heeft.
Bl. 68.—Ao 998.
Het stedeke Uitgong verwoest. De bouwing dezer stad is in de hooge oudheid te zoeken, en zij moet in den vroegsten tijd zeer belangrijk voor den handel en met eene goede haven voorzien zijn geweest; liggende aan het Boerdiep of Middelzee. Na gemelde verwoesting weder opgebouwd zijnde, werd zij in 1181 door een hevig en brand geteisterd; dan tien jaren daarna werd de gansche stad door de Noormannen geplunderd, en te vuur en te zwaard vernield, zoodat met haar bestaan ook zelfs die naam voor altoos werd uitgewischt. De inwoners schijnen zich metter woon naar Franeker te hebben begeven. Hoezeer evenwel Uitgong eene stad of stedeke genoemd werd, vermeent men echter, dat het met geene wallen of muren omringd, maar eene open plaats geweest is: het had niettemin stads voorregten en het regt van Oldermanschap. Wij kunnen over deze belangrijke plaats niet verder uitweiden; wie daartoe lust hebbe, leze het Aanhangsel betreffende de Oudheden, en voornaamste Gebeurtenissen van Berlikum, achter het Tweetal Leerredenen van Petrus Nota, (Franeker, 1781) waarin men alles in een kort bestek bij elkander heeft en de Schrijvers vindt aangehaald.
Omstreeks dezen tijd sneuvelde de Hollandsche Graaf Arnout, in een veldslag nabij Schagen in West-Friesland. De Friezen bleven altoos weigeren de Graven als hunne Heeren te erkennen. De vermaarde Friesche Edelman Adelbold, deelende in de gunst van den Keizer Otto III, werd tot Bisschop van Utrecht benoemd.
Bl. 69.—Ao 1006–1010.
Deeden de Noormannen geweldige invallen. De geschiedschrijvers vermelden allen, met verschil nogtans van sommige omstandigheden, deze invallen en gevechten op de jaren 1009 en 1010, en daarmede hield dien geesel ook voor Friesland op: want dit was der Noren laatste inval, welke echter nog vele menschenlevens kostte. De meerdere uitbreiding van ’t Christendom, doch ook zwakheid in strijdkrachten, zullen hiertoe veel bijgebragt hebben. F. Sjoerds, Jaarb. II. 171; Wagenaar, II. 135; Bilderdyk, II. 7. Deze Schrijver vermeld, een door hem uit het Yslandsch overgebragt verhaal, van een inval der Noormannen in ’t jaar 943, voorkomende in de Eglo-Saga, dat is, Historie van Egil, hetwelk wij willen overnemen:
Uit Egils-Saga, Hafniae 1809. Cap. 72. Ao. 943.
»Ambiorn was dien winter ’t huis op zijn erf (of land); maar omtrent de lente lustede ’t hem om ten krijg (zeeroof) te varen. Hij had veel goede schepen. Hij had omtrent de lente drie lange schepen en die alle sterk. Hij had 300 man. Hij had bedienden in zijn schip en was zeer wel gescheept. Hij had ook menige boeren-zonen met zich. Egill besloot met hem te varen en stuurde (beval) een schip. Ook voeren met hem vele van zijne luiden, die hij met zich van IJsland genomen had. Een koopschip, dat hij van IJsland gehad had, liet hij vlieten Oostwaarts naar Wik, (en) nam daartoe mannen om met zijn pakkaadje te varen, en zij, Axinbiorn en Egill hielden de lange schepen om meê te landen. Zoo dan stevenden zij Zuidelijk naar Saxenland, en hier toefden zij tot den somer en vingen veel buit, en voor den oogst of herfst keerden zij Noordelijk en landden in Friesland. Op zekeren nacht, als het weêr gunstig was, zeilden zij den mond van een rivier op. (Want) daar is ’t kwaad te havenen, en een grooten inham. Daar waren landwaart op groote vlakten en.... bosschen dichte bij. Daar waren veel plasschen, want het had veel geregend; daar besloten zij op (aan land) te gaan, en lieten eenige hunner lieden achter om de schepen te bewaren. Zij gingen op midden tusschen de rivier en de bosschen. Niet ver van daar was een dorp en daar woonden veel boeren. Het volk liep uit het dorp naar ’t land, wat het mocht, en de roovers achter hen. Zij kwamen aan een ander dorp en een derde: de lieden vloden al wat zij konden; daar waren velden en groote vlakten; daar waren grachten om de landerijen gegraven en stonden in ’t water, en daar waren groote palen in de grachten gezet, daar waren om over te gaan bruggen en planken over. Het landvolk vlood in de bosschen; maar als de roovers ver in ’t dorp gekomen waren, zoo trokken de Friezen te zamen in de bosschen, en als zij bij de 300 hoofden bijéén waren, zoo trokken zij de roovers in ’t gemoet, en geraakten met hen in strijd; en werd daar een groot gevecht, tot de Friezen vluchteden, maar de roovers de vluchtenden vervolgden. De hoop dorpelingen werd verstrooid, en zoo ging ’t ook met die hen achter na vlogen; en dus bleven er weinige bij een. Egill vloog hard achter hen en weinige mannen met hem. De Friezen kwamen daar aan een gracht en trokken die over, en namen toen de brug weg. Toen kwam Egill aan de andere kant en sprong dadelijk over de brug. Maar dat was geen sprong voor een ander, en niemand deed het hem na, en zijn makkers snelden naar hunne schepen om hulp te zoeken. En wanneer de Friezen zagen, dat één man daar over was (en niet meer) zoo keerden zij om en kwamen op hem aan. Maar hij verdedigde zich, de gracht van achteren tot beschutsel. Daar vielen hem elf aan, met dat gevolg, dat hij die allen neêrsloeg. Daarna schoof hij de brug en kwam over de gracht. Toen, als hij nu zag dat alle naar de schepen getrokken waren, hield hij zich dicht bij de bosschen; en dus trok Egill langs de bosschen en zoo naar de schepen, dat hij in ’t hout mocht kunnen wijken zoo ’t noodig ware. De roovers hadden veel slachtvee naar ’t strand gedreven, en als zij aan de schepen kwamen, slachtten sommige die, andere voerden ze te scheep van daar; sommige maakten een schildburg. Want de Friezen waren opgekomen in groote menigte en schoten op hen. Maar Egill kwam op en hij zag wat gebeurde. Daar vloog hij ten snelste op dien hoop, en greep zijn slagzwaard met beide handen, en wierp zijn schild op den rug. Hij zwaaide zijn zwaard en sloeg op al wat daar voor stond, en maakte zoo ruimte onder ’t volk, dat hij tot de zijnen kwam. Daarna gingen zij ’t scheep en staken van land, en zeilden naar Denemarken.”
Bl. 70.—Ao 1064.
Den naam Harns. Over den oorsprong van dezen naam, zie men Oudh. en Gest. II. 142. Sommigen leiden dien af van de twee adellijke Staten Harliga en Harns, waarbij, of op wier grond de aanleg der stad gebouwd was, en welke beide namen, naar tijds gewoonte, veel twist veroorzaakten, wie den boventoon behouden zou; weer anderen willen dat de Friesche naam Harns, zijn oorsprong had in de ligging der plaats aan een uithoek van de Middelzee en de Wadden. Vergel. bl. 89 der kronijk.
Bl. 71.
In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus. Wij laten hier volgen een aaneengeschakeld verhaal van
naar Palestina54.
Zoo liet het Voorgeslacht het edel denkvermogen
Zich rooven; alles lag voor ’t Bijgeloof gebogen:
Hem staat, met krommen hals, de trotsche Huichlarij,
En, ’t aangezigt vermomd, Bedrog, zijn vader, bij.
Haller.
In de Europesche geschiedenis maken de kruistogten een allerbelangrijkst tijdvak uit. Door dezen werd Europa ontvolkt; millioenen vonden in Hongarijen, Griekenland, Syrië, Palestina, Egypte, in de Middellandsche zee en onder weg hun graf; door dezen schoot het bijgeloof vaste wortelen, werd de Pauselijke stoel verheven boven de troonen van wereldlijke regenten, wies het monnikendom door blinde gehoorzaamheid aan, en ontstonden te voren onbekende orden, kloosters en prachtige kerken; door dezen werden onnoemelijke schatten van Europa in Azië begraven, en wereldlijke Vorsten werden, door de verwijdering van magtige vassalen, despoten. Daarentegen gaven zij aanleiding dat kunsten en wetenschappen van het eene volk tot het andere overgebragt en door Europa verbreid werden. In deze Kruistogten hebben ook onze Voorvaderen, de Friezen, deel genomen. Daar nu de geschiedenis van de Kruistogten door onze historieschrijvers deels onaangeroerd blijft, deels stuksgewijze en zonder zamenhang geleverd wordt, zoo veroorloof ik mij, onze lezers in deze Bijvoegsels een aaneengeschakeld verhaal te geven.
Reeds ten jare 637 hadden de Saracenen onder hunnen Kalif Omar I zich meester gemaakt van Palestina en de Heilige Stad, en zij bleven meer dan vijfthalve eeuw in derzelver rustig bezit. Tegen het einde der elfde Eeuw kwam Peter de Kluizenaar, een ondernemende dweeper, te Rome. Hij schilderde met krachtige verwen de gruwelijke vervolgingen, die de verdrukte Christenen van de Mohamedanen lijden moesten. Een bewegelijke brief van Simon, den Patriarch van Jeruzalem, bevestigde zijne reden. Paus Urbanus II gaf hem volmagt, om de wereldlijke Vorsten aan te moedigen tot de bevrijding des Heiligen Lands uit de handen der barbaren.
Daar liep Peter met het Krucifix in de hand, barrevoets en blootshoofds Italië, Frankrijk en Duitschland af. Zijne dweeperij, zijn prediken, de brief des Patriarchs en de Pauselijke Bulle verwekten overal dorst naar Turkenbloed. In het jaar 1095 hield de Paus, eerst te Piacenza, en in November deszelfden jaars te Clermont in Auvergne eene groote kerkvergadering. Na het eindigen eener vurige rede, waarin de Paus een Kruistogt had bevolen, riep de ontelbare verzamelde menigte uit: »God wil het, God wil het!”—Ridders, die avonturen zochten; monniken, welken het klooster te eng, te benaauwd was; verrukte vromen, die met den helm op het hoofd en het zwaard in de hand den hemel dachten te verwerven; schuldenaars, die zich van hunne schuldeischers wilden ontdoen; gaauwdieven en booswichten, die de welverdiende straffen ontliepen; straatslijpers, die het omzwerven boven eene eerlijke kostwinning verkozen; knechten, die zich van het juk hunner heeren ontsloegen; in één woord, allen, die het zwaard konden voeren, maakten zich voor en na gereed tot eenen krijgstogt tegen de Saracenen. Alle deze hemelhelden ontvingen, terstond bij hunne aanwerving, een klein kruis, dat zij op den schouder vastmaakten. Aan dit kruis kon, een ieder zijnen landgenoot kennen55. Naar hetzelve werden de soldaten Kruisbroeders, en deze togten Kruistogten of ook heilige Krijgstogten genoemd.
Er werd dan tot een heiligen krijgstogt besloten en een leger van 300,000 man onder verschillende hoofden bijeengebragt. Een Fransch Ridder, Walter (Gautier), trok met 20,000 man vooruit. Deze Christelijke barbaren pleegden in Bulgariën met moorden en stelen grooten moedwil; waarom de Bulgaren zich vereenigden en schier deze gansche voorhoede nedersabelden. Peter de Kluizenaar voerde zelf 20,000 man aan en volgde Wouter. Het ging hem echter in Hongarije en Bulgariën niet veel beter. Hij kwam evenwel met het gering overschot zijner troepen in Konstantinopel aan. Nog een ander leger, dat op 200,000 man geschat wordt, en uit Duitschers, Franschen en Engelschen bestond, leed buitengewoon veel door het zwaard der Hongaren en meer nog door den honger en het gebrek. Een andere hoop scheepte zich in, en kwam door de Middellandsche zee in Syrië. Godfried van Bouillon voerde 80,000 Duitschers aan, en trok met dezen naar Philopolis. In het jaar 1097 vereenigde zich het gansche Christenleger, dat door eenige Schrijvers op 500,000 voetknechten en 130,000 ruiters wordt geschat, te Chalcedon. Nu vingen de Christenen hunne ondernemingen tegen de Saracenen en Turken aan. Zij veroverden Nicea, Antiochië, Cesarea en eindelijk in 1099 ook stormenderhand Jeruzalem, alwaar Godfried van Bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen tot Koning van Jeruzalem werd uitgeroepen.
In dezen eersten Kruistogt hebben ook de Friezen deel genomen. Zij zijn om Frankrijk, Spanje en Italië henen naar Palestina gezeild. De jaarboekschrijvers noemen ons de voornaamste Edellieden, die den togt mede ondernomen hebben, als Tjepke Forteman, Jarich Ludinga, Epo Hartman, Igo Galama, Feico Botnia, Eelco en Sicco Liauckama, en Ubbo Harmana. Bij de belegering van Nicea zijn Hartman en Forteman, de laatste van zijn geslacht, gesneuveld. Eelco Liauckama zoude zich bijzonder onderscheiden hebben. Hij was Generaal over 3000 man ruiterij, en werd eerst tot bevelhebber van Nicea aangesteld, doch ging daarna, ontevreden over zijnen werkeloozen toestand, verder in Palestina in garnizoen.
Harmana en Galama zijn in een veldslag,—en Eelco Liauckama en Botnia bij de verovering van Jeruzalem zwaar gewond geworden. Na hunne herstelling zijn deze beiden eindelijk door Koning Godfried tot ridder geslagen. Naderhand zijn nog verscheiden Friesche Edellieden, Homminga, Roorda, Cammingha en Ockinga naar Palestina getogen, en hebben onder Boudewijn, den tweeden Koning van Jeruzalem, lauweren bevochten tegen de Saracenen. Daardoor stonden zij bij den Koning en de voornaamste Hoofden van het Rijk in bijzondere hoogachting. De faam hunner heldendaden drong gansch Europa door, en de Koning wilde hen noode ontslaan uit zijne dienst. Hij geleidde hen in persoon met honderd ruiters naar Jaffa, alwaar zij zich inscheepten, en over Venetiën en Rome den 15 December 1106 in goeden welstand in Friesland terugkwamen. Zij werden door hunne vrienden in plegtigen optogt, met kruis en vanen, onder gejuich en blijdschap ontvangen. In dit jaar zijn de meeste Friezen weder teruggekomen.
Watze Herama, vroeger teruggehouden door de ziekte van zijnen reisgenoot Roorda om naar Palestina te reizen, schijnt in den jare 1119 met dezen en andere Friesche Edelen, als Harmana, Homminga, Ockinga en Cammingha, over Venetiën en Jaffa den togt te hebben aangenomen. Zij streden in 1120 dapper, dan dit gevecht viel voor hen nadeelig uit. Herama en Homminga werden verslagen. Koning Boudewijn met de Edelen, waaronder ook Cammingha en Ockinga vielen den Parthen in handen; Roorda en Harmana werden zwaar gewond, doch ook weder genezen en de gevangenen uitgewisseld.
In het jaar 1145 liet Paus Eugenius III door den heiligen Bernard op nieuw het Kruis prediken. Keizer Koenraad en Lodewijk VII van Frankrijk namen zelven het Kruis aan. De togt werd in 1147 aangevangen, doch liep, voornamelijk door de trouwloosheid des Oosterschen Keizers Manuel, ongelukkig af. Na vruchtelooze belegering der stad Damascus, trok het geringe overschot des Christen-legers weder huiswaarts.
Dezen tweeden heiligen krijg schijnen de Friezen niet mede bijgewoond te hebben. De Paus echter beval eenen dubbelen Kruistogt ten zelfden tijde (1149): eenen naar Spanje om de Saracenen te verdrijven, en een’ anderen tegen de ongeloovige Sclaven aan de Oostzee. Tot beide Kruistogten hebben zich voornamelijk de Westfalingers, Friezen en Hollanders laten gebruiken.
Helmold, een geschiedschrijver, die omtrent dezen tijd leefde, laat eenen Frieschen Priester Gerlaf toen de Sclaven de Friezen ingesloten hadden, aldus aanspreken:
»Nescitis apud Slavos nulla gens detestabilior Fresis? Sane foetet eis odor noster.”
»Weet gij niet dat bij de Slavoniers geen volk zoo zeer verfoeid wordt als de Friezen? Zij mogen ons waarlijk niet eenmaal rieken56.” Een duidelijk bewijs, dat de Friezen met de Sclaven wakker aan den slag geweest zijn.
Intusschen werd de toestand der Christenen in het Oosten van tijd tot tijd moeijelijker en gevaarlijker. De Sultan Saladin, deze om zijne grootmoedigheid in de geschiedenis zoo bekende Vorst, veroverde ten jare 1187 eindelijk Jeruzalem, en maakte een einde aan het Koningrijk, dat 88 jaren bestaan had. Nu maakte de Paus een gruwelijk alarm, en bewoog den Keizer Frederik Roodbaard (Barbarossa), Koning Filips II (Philippus Augustus) van Frankrijk en Richard I (Leeuwenhart) van Engeland om nog eenen Kruistogt te wagen. In 1189 brak het heirleger op. De Friezen en Denen rustten 50 schepen uit, vereenigden zich met de Hollanders en Vlamingen, hielden hier en daar in Spanje aan, geraakten aldaar slaags met de Saracenen, voegden zich nabij Sicilië bij de Italiaansche vloot, en kwamen eindelijk te Ptolomais (toen Acre genoemd) aan.
Ook in dezen krijgstogt, in welken de Keizer door een toeval het leven verloor, rigtten de Christenen niets verder uit, dan dat zij Ptolomais veroverden. Niettegenstaande dezen ongelukkigen uitslag, liet de Paus Coelestinus in 1197 op nieuw het Kruis prediken. De Friezen namen met de Denen en die van Lubek en Bremen hunnen gewonen weg om Spanje, voegden zich op Cyprus bij het hoofdleger en landden weder te Ptolomais. Ook op dezen togt maakten de Christenen geene de minste verovering. Zij sloten evenwel met Saladin eenen wapenstilstand voor 6 jaren.
Ten jare 1199 keerden de heilige krijgers, die in 1189 en 1197 zich op reis begeven hadden, voor zooverre zij waren overgebleven, tot de hunnen terug.
Zekerlijk kwamen deze Kruisvaarders vermagerd, hongerig en met ledige handen huiswaarts; doch, gelijk vermeld wordt, had de generaal der Friezen, Hartwijck, Aartsbisschop van Bremen, eenige beenderen der Heilige Anna, en het zwaard, waarmede Petrus het oor van Malchus had afgehouwen, medegebragt57.
Het tijdstip, ’t welk ik thans nader, is voor ons des te belangrijker, omdat de voornaamste feiten meestendeels door gelijktijdige schrijvers en door bewijzen gestaafd worden. De Pausen moedigden de wereldlijke Vorsten, toen de met Saladin geslotene wapenstilstand ten einde liep, tot eenen nieuwen Kruistogt aan; doch wegens de ongelukkige gevolgen der vorigen, bleef alles bij vrome wenschen. Eindelijk was Paus Innocentius III zoo gelukkig, dat op eene door hem in 1215 belegde kerk vergadering tot een nieuwen Kruistogt besloten werd. Hierop beval de Paus allen Bisschoppen, in hunne kerspelen het Kruis te laten prediken. De Aartsbisschop van Keulen zond den Keulschen Leeraar Olivier58 met bijzondere aanbevelingsbrieven van den Paus naar Friesland. Deze predikte zelf het Kruis, en gaf aan eene menigte Vicarien door het geheele land volmagt, om in zijne afwezigheid aflaten te schenken en rekruten voor den heiligen krijg aan te werven. Hij liet in de kerken uitgeholde, van boven met ijzer beslagene blokken nederzetten, opdat ieder door eene daarin zich bevindende opening zijne bijdragen tot bevordering der krijgstoerusting mogte storten. Het prediken van Olivier had eenen buitengemeenen indruk gemaakt bij de Friezen, zoodat een ongeloofelijk aantal het Kruis aannam. Zij schijnen echter met de toebereidselen tot den optogt zich niet zoozeer gehaast te hebben; ten minste herinnerde Olivier hun in eenen brief van den jare 1216, dat, de Denen, Bremers en Keulenaars reeds eene groote vloot uitrusteden, het ook tijd werd hunne schepen te bemannen.
Ook in dezen tijd had de geestvervoering tot overwinning van ’t Heilige Land zulk eene algemeene werking, dat duizenden van kinders naar de zeeplaatsen liepen, om ook deel aan den strijd te nemen, en hoewel door hunne ouders opgesloten, wisten zij hunne gevangenis te ontkomen op allerlei wijzen, zonder dat de meesten daarna immer zijn teruggekeerd. Zeker Schrijver59 verhaalt er ’t volgende van: »In ’t jaar 1211 vereenigde zich een groot aantal kinderen (men geeft het op voor 90,000), onder aanvoering van een’ ouderen knaap, met het voornemen het Beloofde Land weder te veroveren. De meesten kwamen uit Duitschland en wandelden blijde naar Genua. Hier ondervonden zij echter uit onbekendheid, waar eigenlijk het Beloofde Land lag, onoverkomelijke hinderpalen, om hunne avontuurlijke onderneming verder ten uitvoer te brengen. Te Marseille kwamen 30,000; een deel daarvan stierf van ellende, een deel werd vermoord en de overigen als slaven aan de Saracenen verkocht.”
De Hertog Leopold van Oostenrijk, Boudewijn van Vlaanderen, Lodewijk van Savoijen, benevens verschillende Bisschoppen en Graven vereenigden zich met den Koning Andreas van Hongarije en trokken te land naar Palestina. Daarentegen scheepten de Graaf van Holland (Willem I) en de Graaf van Wieden met de overigen zich op de Maas in, en stevenden door de Middellandsche Zee naar Ptolomais, alwaar de verzamelplaats der Kruisvaarders was. De Friezen behoorden tot de vloot des Graven van Holland. Deze geheele reis tot op de aankomst in Ptolomais is van eenen Kruisbroeder60, die den togt mede heeft gemaakt, naauwkeurig beschreven geworden. Het reisverhaal daarvan is te vinden in Emo’s Chronicon (p. 16–35), waaruit ik het volgende overneem:
»Op het einde van Mei 1217 ligtten de Friezen in den Lauwerstroom de ankers, en staken met groote schepen, die zij Koggen noemden, uit den stroom in zee. Onder Engeland ontmoetten zij eene groote vloot, onder bevel der Graven van Holland en Wieden61. Hier werden het plan des geheelen togts en wetten ontworpen, waaraan een iegelijk moest gehoorzaam zijn. De Graaf van Holland62 werd tot eersten Admiraal der gansche vloot benoemd, die in twee afdeelingen afzeilde. De eene werd door den Graaf van Holland zelven, de andere door dien van Wieden aangevoerd, en de Friesche schepen behoorden onder het smaldeel des Graven van Holland.
Eerst kwamen zij in de havens van St. Mattheus en vervolgens te Faro (of Ferrol), eene stad in Gallicie, aan. De Kruisbroeders ontscheepten zich hier, en gingen te voet in bedevaart naar St. Jacob van Compostella. Hier bezochten zij de heilige overblijfsels (reliquiën) des Apostels, en bragten hem hunne offers. Toen zij weder scheep gegaan waren, voeren zij eerst wegens tegenwind noordwaarts af, en laveerden eindelijk met veel moeite naar Portugal; zij ankerden voor Salerno, lieten zich daar van den Abt te Alkubar vele wonderen en avonturen verhalen, en voeren na eenige dagen den Taag op, totdat zij eindelijk te Lissabon aanlandden. De daar aanwezige Bisschop wendde al de kunsten zijner welsprekendheid aan, om het Kruisheir te bewegen tot het verdrijven der Saracenen uit Spanje. Door verdelging dezer barbaren, zoo sprak hij, zouden de Christenen God dezelfde dienst bewijzen, als wanneer zij, Hem ter eere, in Palestina hunne handen in Saracenen-bloed wieschen. Sommigen lieten zich begoochelen, en bleven met hunne schepen in de haven van Lissabon liggen. De meeste Kruisvaarders echter en inzonderheid de Friezen lieten zich van hun voornemen, om in het Heilige Land veroveringen te maken, niet aftrekken. Zij ligtten vervolgens wederom het anker, en voeren het gebergte St. Vincent om. Door hevigen storm moesten zij de haven St. Maria binnenloopen. Deze was eene wel versterkte stad, waarvan de hooge muren zoo dik waren, dat boven op dezelve twee ruiters elkander konden voorbij rijden. Het leger was onderling niet eens, of men de stad aantasten, dan wel met den eersten gunstigen wind weder onder zeil gaan zoude. Toevallig vertoonden zich vele Saracenen voor de stad. De Friezen hieven een lofzang (Hymnus) aan, vielen op den vijand in, en drongen hem binnen de stad terug. In de schemering zag een Fries eenen Saraceen, die zich door middel van een koord van den muur liet afzakken. Deze gelegenheid maakte hij zich ten nutte: hij doodde den Saraceen en steeg naar boven. Als hij nu met dat touw velen zijner makkers had opgetrokken, plantten zij een krijgsvaan boven op den muur: deze koene strijders drongen vooruit tot aan de poort. De wacht, die zich daar bevond, werd op het gezigt der Christenen door eene plotselijke schrik bevangen, geraakte in wanorde, en kon niet beletten dat de poort geopend werd. Het gansche leger drong binnen, en zoo werd de stad veroverd, en nu rigteden de Christenen een groot bloedbad aan, plunderden alles wat hen voorkwam, en staken tot afscheid de stad in brand.
Vele Kruisbroeders, waarschijnlijk dweepzieke monniken, hebben in de wolken het beeld der heilige Maria gezien, welke over het geluk en de gedragingen der Christenen met welbehagen glimlachte. De Priesters hadden moeten doen zien, dat de heilige maagd tranen stortte over deze Christelijke barbaren!—Dit geschiedde den 1 Augustus:—twee volle maanden hadden dus onze Friezen reeds rondgezworven. Des anderen daags ligtten zij wederom de ankers, voeren digt onder de Spaansche kusten langs, en landden te Roden. Het gerucht van den gruwel der verwoesting in St. Maria was reeds tot hier doorgedrongen. De bevreesde Saracenen hadden de stad verlaten; de Christenen trokken de ontvolkte stad binnen, plunderden dezelve, volgens loffelijke gewoonte, uit, en legden haar in de assche. Eenige Christenen hadden zich op de bij de stad liggende wijnbergen verspreid, in de hoop van ook daar nog eenigen buit te behalen; maar de Saracenen lagen daar in sluipholen verborgen, kwamen onverwacht te voorschijn, en vermoordden allen, die zich niet met de vlugt tot aan de haven redden konden. Daarop gingen de Christenen naar Kadix, en ook deze reeds destijds rijke stad was van de Saracenen verlaten. De Kruisvaarders sloopten eene bij uitstek kostbare moskee tot den grond toe, plunderden de stad en de omliggende landhuizen uit, en namen, van roof verzadigd, het vroom besluit, deze prachtige stad door het vuur te verwoesten.
Nu rigteden de Christelijke zeeroovers hunne koers naar de straat van Gibraltar. Een zware storm uit het Oosten belette hun de doorvaart, en verstrooide de vloot; 86 schepen, waaronder die der Friezen, liepen in de havens van Sevila aan den mond der Guadalquivir binnen. Drie dagen daarna liepen zij uit met eenen gunstigen wind, geraakten gelukkig door de straat, verzeilden op den vierden dag daaraan uit onkunde naar het eiland Ivica, en kwamen na eenige dagen te Tortoso aan den mond van den Ebro. Zij gingen aan land om versch water in te nemen, bleven hier twee dagen, en stevenden naar Barcelona, waar zij verscheiden schepen hunner door den storm verstrooide vloot aantroffen. In de haven van den H. Felicianus (St. Felice de Guixolis) in Catalonië vonden zij het overschot derzelve weder.
De vloot ging weder onder zeil, en ankerde in de haven van St. Mardrianus omtrent Marseille. Nu hielden zij zich digt langs de kusten van Frankrijk en daarna van Italië, voeren Nizza, Pisa, Genua, Livorno en andere steden voorbij, en kwamen eindelijk te Piombino in Toskanen. In Piombino vertoefden zij 8 dagen, en rigtten nu hunnen koers naar Messina op Sicilië; dan storm en tegenwind dwongen hen om naar Civita Vecchia te zeilen. Daar het jaargetijde zoo verre was verloopen, besloot men hier de winter kwartieren te betrekken, want het was reeds 9 October toen de vloot in de haven van voornoemde stad voor anker kwam. Vijftehalve maand had dus de vloot van huis af naar Italië te zoek gebragt. Zulk een lange tijd kan ons niet bevreemden, als men denkt, dat de vloot geenszins de volle zee, maar altijd de kusten gehouden, en in vele havens vertoefd heeft. Ondertusschen was de haven van Civita Vecchia niet ruim genoeg om de schepen allen te bevatten, weshalve zich eenigen van de vloot afscheidden. 18 Friesche bodems liepen de haven van Corneto binnen, alwaar zij op uitdrukkelijken last van Paus Honorius III, inzonderheid omdat zij in Spanje zoo dapper gestreden, zoo vele Saracenen onthalsd en steden verwoest hadden, heerlijk onthaald werden; ja, de Paus had zoo veel met hen op, dat hij hun tweemalen de Veronica (het in den Zweetdoek afgedrukte gelaat des Heilands) liet zien. Tot den 21 Maart 1218 lagen de Friezen daar in de winterkwartieren. Bij hun vertrek werden zij door de gezamenlijke ingezetenen met 158 vanen in heiligen optogt tot aan de schepen begeleid. Zeer velen uit deze stad en het omliggende land, van Viterbo, Sièna, Vetralla enz. scheepten zich met 40 vanen met de Friezen in. De bevelhebber van Corneto liet bij den aftogt het volk eenen kring maken, plaatste zich in het midden, en hield eene aanspraak, waarin hij de dapperheid der Friezen roemde, en hun zijne mede vertrekkende landslieden hartelijk aanbeval. Na het eindigen zijner rede overhandigde hij den Friezen een Krijgsvaan, ten teeken des opperbevels over de medetrekkende Italianen. Nu gingen zij aan boord, en vereenigden zich met de van Civita Vecchia uitgeloopen vloot. Na eenige, hoewel niet belangrijke tegenheden, landden zij te Sijracuze aan, waar zij den palmzondag vierden. Onder Creta leden zij eenen zwaren storm, die de vloot verstrooide, doch de meeste schepen liepen daar eene haven in. Zij zeilden vervolgens Cnidus, Rhodus en Cyprus voorbij, en kwamen eindelijk, den 26 April 1218, te Ptolomais aan.
In deze haven vonden zij Johannes, Koning van Jeruzalem, Andreas, Koning van Hongarijen, den Koning van Cyprus, de Hertogen van Oostenrijk en Beijeren en andere groote Heeren met het geheele Christen-leger, hetwelk men op 80,000 man berekende. Ondertusschen hadden die Kruisvaarders, welke zich door de reden des Bisschops hadden laten overhalen in Lissabon te blijven, op de Saracenen in Portugal eenige veroveringen gemaakt; doch op bevel van den Paus zijn zij van daar opgebroken, en onder aanvoering van Graaf Willem van Holland met eenen gunstigen wind, nog vroeger dan hunne voormalige togtgenooten, te Ptolomais, de verzamelplaats van dezen Kruistogt, aangekomen.
Het thans weder vereenigde leger maakte het volgende plan: Damiate, de sleutel van Egypte, zoude veroverd worden, dan ware het den Christenen gemakkelijk Cairo en Alexandrië den ongeloovigen te ontrukken. Wanneer op deze wijze Egypte in handen der Christenen viel, zoo kon men den ongeloovigen in Syrië en Palestina de pas van Egypte, van waar zij toevoer en rekruten ontvingen, afsnijden, en zoo moesten dan Syrië en Palestina zich van zelf overgeven. Sed homo proponit; Deus disponit!—»Doch de mensch maakt plannen; God beschikt!”
Ingevolge dit plan ligtte de vloot het anker, en stevende in 3 dagen naar Egypte. Met zeer veel moeite liep zij den Nijl in, waar toen de manschap niet ver van Damiate aan land stapte. Hier vertoonden zich vele Saraceensche ruiters aan het strand, hetzij om de ontscheping te beletten, hetzij om de Christenen te verkennen. Een gespierde Fries met breede schouders zwaaide zijne lans, en daagde den eersten den besten Muzelman uit; eene gewoonte, die sedert Goliath’s tijd en nog vroeger zich tot nu toe had staande gehouden. Een Saraceensch ruiter reed voor, maar werd oogenblikkelijk door den uitdager uit den zadel geligt en afgemaakt63. De Saracenen beschouwden dit als een kwaad voorteeken, en trokken in de stad terug. Diamiate was eene voor dien tijd bijzonder sterke stad; zij was met eenen driedubbelden muur, de een hooger dan de ander, omgeven; digt langs den muur liep de Nijl met een’ krommen arm om dezelve. Op de zijde der stad lag de voorstad, welke door een’ sterken toren gedekt werd. Dezen toren kon men niet naderen, daar zij op een eilandje stond, welks geheele oppervlakte door den voet des torens werd beslagen, zoodat de toren uit het water scheen op te rijzen. Tusschen dezen en eenen anderen even zoo gelegenen, ofschoon kleineren toren, lag de haven, en van beide torens was eene zware keten gespannen, om de haven te sluiten. Nadat men eenige vruchtelooze aanvallen op de stad en den toren had gedaan, vonden de Duitschers uit het Bisdom Keulen een kunstig werktuig uit, waarmede zij den toren dachten te veroveren; doch ook dit mislukte.
De Zomer liep reeds ten einde, zoodat men aan de verovering der stad begon te wanhopen. In dezen hagchelijken toestand kwamen de Friezen op eenen bij zonderen inval. Zij klampten twee hunner grootste schepen aan elkander, welke naar één breed schip geleken: op deze beide schepen maakten zij vier sterke masten in een vierkant vast. Tusschen deze masten rigtten zij een houten bolwerk op, dat zij met sterke kruisgewijze gelegde balken verzorgden, en van buiten met natte koehuiden overtrokken. Boven op het bolwerk hadden zij lange ladders, die zij op den toren werpen en waarmede zij dan deszelfs platte oppervlakte bereiken konden. Vervolgens sloegen zij op een ander schip een lager bolwerk op met naar buiten vallende bruggen, om aan den voet des torens te komen, en met deze beide werktuigen voeren de Christenen tot aan den toren. De Saracenen benaauwden de belegeraars met hunne pijlen, die zij van boven van den toren afschoten, en met het Grieksche vuur, dat echter door de natte koehuiden weinig werking kon doen. Gedurende dit gevecht lagen de Patriarch en gezamenlijke Geestelijken op de knieën, hieven de gevouwene handen ten hemel, en riepen God, doch inzonderheid Maria en St. Bartholomeus (het was juist Bartholomeus-dag) om hulpe aan. Eindelijk gelukte het den Christenen uit het bovenste bolwerk ladders op den toren te werpen. Hendrik, een Luikenaar, en Haije, een Fries van Fivelingo uit Groningerland, waren de eersten, die den toren beklommen. De eerste had eene zware kolf en de laatste een ijzeren dorschvlegel, die met ijzeren ringen aan elkander gezet en versterkt was, in de hand. Elke slag gold eenen gekneusden kop, ontwrichten arm of stukken geslagen beenen; zoo maaiden zij regts en links om zich henen, en maakten ruimte voor hunne makkers. De Saracenen, die van boven van den toren naar beneden gedrongen waren, wierpen Grieksch vuur uit, waardoor de Christenen zoo bestookt werden, dat zij den toren weder moesten verlaten. Daar evenwel de vijand ook den toren verlaten had, zoo kreeg het andere schip met het lage bolwerk lucht. Men wierp de bruggen uit, en naderde den toren van onderen. Als zij nu met alle magt op de poort aanvielen om die met geweld te doen bezwijken, gaven de Saracenen den toren bij verdrag over. Eenige buitenlandsche Schrijvers voegen hierbij, dat het groote schip van voren met eene sterke ijzeren zaag is voorzien geweest, en dat de ketting, door tegen haar met volle zeilen aan te varen, is gesprongen64.
Toen de Christenen den toren hadden, werd ook spoedig daarop de voorstad bemagtigd; doch de stad zelve konden zij nog niet bemeesteren, omdat zij bestendig uit het leger des Sultans Meleddin65 toevoer en ondersteuning ontving. Het Christen-leger had ook veel te lijden van overstrooming des Nijls, waarom vast- en biddagen werden ingesteld. Toen de Nijl naderhand binnen zijne oevers terug trad, vernielden de Duitsche Kruisbroeders eene schipbrug, over welke de belegerden toevoer ontvingen uit het Saraceensch leger. Toen wies der Christenen moed; zij wierpen zich tusschen het leger des Sultans en de stad, en vielen hem eindelijk nu eens gelukkig, dan eens ongelukkig, zelfs in zijn leger aan. De Sultan werd deze kwellingen eindelijk moede, en bood den Christenen het vrije bezit van Palestina, het kruis des Heilands, het ontslag der Christen-gevangenen en een eeuwigen vrede aan. Het Kruisleger en vooral de Duitschers en Franschen lieten zich het aanbod gaarne welgevallen, maar de Pauselijke Legaat protesteerde en verlangde de geheele uitroeijing der Saracenen en Turken. Deze zielenherders kregen eindelijk bij de Christelijke schapen gehoor, men vocht nog een tijdlang met de ongeloovigen, en bereikte ten laatste, op het einde van Aug. 1219, door bemagtiging van Damiate, welke stad schier geheel door de pest was uitgestorven, het eerste gedeelte hunner wenschen. Natuurlijk viel hier in deze rijke en weleer volkrijke stad weder kostelijken buit te maken, dien de Christenen eerlijk onder elkander verdeelden.
Toen Damiate was overgegaan, trok de Sultan naar Cairo terug. Men hield zich wederzijds langen tijd in dit en het volgende jaar stil, doch eindelijk beval de Paus tegen den zin der meeste Christenen en zelfs van Koning Johannes den vijand te vervolgen. Dit bevel kwam ter kwader uur, daar de Nijl overstroomde, en groote verwoesting in het Christenleger aanrigtte. Nu zagen zich de Christenen genoodzaakt met de ongeloovigen vrede te sluiten. De vredesvoorwaarden waren deze: de gevangenen zouden van wederzijden vrijgelaten worden; de Christenen moesten Damiate ontruimen, en de Sultan moest hun het te voren door Saladin veroverde Kruis des Heeren uitleveren. Deze was de eindelijke vrucht des ganschen togts, want in Aug. 1221 werd Damiate weder overgegeven. Zoo was dan wederom alles verloren, en de Christenen trokken weder huiswaarts.”
Ik kan niet voorbij hier nog aan te voeren dat de bovengemelde Olivier dezen Kruistogt in persoon heeft bijgewoond. Misschien is hij zelf de vervaardiger van het Itinerarium (Reisverhaal) geweest. Uit het leger voor Damiate heeft hij een brief aan de Abten, Prelaten en Burgemeesteren (Consuls) in Friesland geschreven. Ik neem hier het volgende uit over, dat den Friezen tot eer verstrekt:
»De Zegepraler in Israël, van wien alle goede gaven en volmaakte giften afdalen, heeft uw vroom en in de moeijelijkheden der vreemdelingschap volhardend volk op aarde groot gemaakt, bereidende hun een’ triomfwagen, als hebbende eene eeuwige belooning bij tijdelijken roem verdiend, dewelke zij nooit zullen verliezen, indien zij den ingetreden weg ten einde toe blijven bewandelen. Bij Damiate immers hebben zij zich door betoon van groote nedrigheid, milddadigheid, gehoorzaamheid en stoutmoedigheid, bij de Saracenen geducht, bij de Christenen bemind gemaakt. Weshalve wij U, Prelaten” enz., enz.
»Geschreven bij Damiate op het feest der H. Kruisverheffing.”
De Patriarch van Jeruzalem gaf den Friezen bij hunnen aftogt eene loffelijke getuigenis mede, waarin onder anderen het volgende voorkomt:
—»en nadat zij met ons in Egypte zijn gekomen, hebben zij veel leeds uitgestaan, zoo ten aanzien van hunne personen als van hunne geldmiddelen. Wij hebben hen van hunne dienst ontslagen en laten vertrekken, volgens de toelating door de Roomsche Kerk in de algemeene kerkvergadering verleend. Wij geven eene loffelijke getuigenis aan het Friesche Volk, daarom, dat zij eenen braven wandel hebben geleid, en dapper en vroom gestreden hebben in de dienst van J. C. Weshalve wij u vermanen en van uwe bescheidenheid in den Heere bidden, dat gij deze zelfde Friezen, uit hunne vreemdelingschap terugkeerende, in gunst moogt ontvangen,” enz.—
Zoo veel van dezen togt.
Naauwelijks waren de Kruisvaarders weder te huis gekomen, of de heilige Vader Honorius II begon reeds weder alarm te blazen. Keizer Frederik II nam zelf het Kruis aan, doch scheen zich, na den dood van Honorius, om zijne gelofte weinig te bekommeren; hij werd door den opvolger van Honorius, Paus Gregorius, in den ban gedaan, trad wakker met den Heiligen Vader in het strijdperk, en ondernam eindelijk in 1228 den Kruistogt. Terstond bij zijne aankomst boden hem de Saracenen eenen 10 jarigen wapenstilstand aan, waarbij zij hem Jeruzalem, Nazareth en Sidon inruimden. Daarop liet hij zich tot Koning van Jeruzalem kroonen, en keerde terstond daarna terug. Ook aan dezen togt hebben de Friezen deel genomen, en zoowel de Paus Honorius, als de Keizer Frederik moedigden de Friezen aan, den togt mede te ondernemen. De Paus streek den Friezen in eenen brief van 1226 niet weinig honig om den mond. Onder anderen zegt hij in dien brief:
»Voorwaar, daar de Friezen weleer met onderscheiding in den Kruistogt ter zee den Heere gediend hebben in de overzeesche landen, zoodat uw gedenkboek van geslacht tot geslacht met vermelding van uwen lof zal aangehaald worden, zoo hebben wij noodig en raadzaam gedacht, ulieden als beroemde Kampvechters wel bijzonder tot het volgen van dezen (togt) te moeten oproepen, vastelijk hopende en vertrouwende, dat gij, die onder overige volken uitmunt in grootmoedige dapperheid, den strijd des Heeren mannelijk en met kracht zult strijden.
»Wij bidden u dan allen enz.”
En Keizer Frederik schrijft onder anderen:
»Want buitenlands is uw krijgsbeleid gevreesd en ondervonden van die volken, tot welker uitroeijing gij weleer uwe krachten loffelijk geoefend hebt, terwijl het bloed van uwe martelaren in de dienst des Kruises geplengd, glansrijk blinkt, en hunne roemrijke ligchamen door de bezetting en verovering van Damiate herdacht worden. Ontbrande dan uwe dapperheid!—
»Gegeven te Salerno 1 Febr. 14de Indictie.”—
Olivier kwam ook weder in Mei 1224 in Friesland, en predikte eerst in Groningen, daarna in Reiderland en in ’t Emderambt het Kruis; voornamelijk echter hield hij zich te Uttum en Groothuizen (Huttum en Usum zegt Emo) op, waar hij evenwel weinig uitwerkte. Vervolgens zond hij door geheel Friesland herderlijke brieven rond, en vermaande de Friezen met de Denen, Bremers en de Keulenaren, die reeds eene vloot begonnen uit te rusten, gemeene zaak te maken, terwijl de eerste bemoeijing der Geestelijken was, om geld voor den te ondernemen Kruistogt te verzamelen. Onze geschiedschrijver Emo liet zich zelven daartoe gebruiken, en bragt eene aanzienlijke som bijeen.
Den 22 Mei 1227 gingen de Friesche schepen bij Borkum onder zeil; de manschap echter leed veel door allerlei gevaar, storm, ziekte en honger, en kwam, merkelijk ontdaan, eindelijk in Palestina66. Het einde van dezen togt heb ik reeds boven kortelijk opgegeven.
In het jaar 1247 werd eene groote kerkvergadering te Lyon in Frankrijk gehouden, op welke nogmaals een heilige krijg tegen de ongeloovigen werd vastgesteld. Koning Lodewijk de Heilige nam zelf het Kruis aan, en de Paus zond, op bijzonder verlangen des Konings, den Bisschop Albert van Riga en Willibrand, een monnik uit het Mentzsche, naar Friesland, alwaar zij alle Abten, Dekens, Priesters, Edellieden, regterlijke Beambten en de voornaamste Mannen verzamelden, en hun den Pauselijken lastbrief voorlazen. Terstond liet zich eene groote menigte tot dezen togt aanwerven; maar toen den Friezen werd aangekondigd, dat zij tegen Mei 1248 reeds tot den togt gereed moesten zijn, schreeuwden allen, dat deze bepaalde tijd veel te kort was. Daarop werd de tijd des aftogts tot Mei 1249 uitgesteld.
Deze Krijgstogt is voor de Christenen van rampzalige gevolgen geweest, daar bijna het geheele Christelijke leger in Egypte, deels door de pest, deels door het zwaard, werd vernield, en de Koning Lodewijk zelf gevangen genomen. Door klinkende munt en eenen schandelijken vrede kocht hij zijne vrijheid weder. Of nu de Friezen dezen togt mede gedaan hebben, en werkelijk uitgezeild zijn of niet, melden ons de geschiedschrijvers niet67. Waarschijnlijk hebben de Friezen, daar zij te huis genoeg te doen hadden, en den nieuw verkozen Roomsch Koning Willem reeds in 1248 Aken hielpen veroveren, doch daarna met hem in onmin geraakten, en hem, gelijk uit ’s Konings geschiedenis genoeg bekend is, in de tegenwoordige provincie Friesland om hals bragten, aan dezen togt geen deel genomen68.
Zeer aardig herinnert een Bisschop van Syrië in eenen uit Ptolomais geschreven brief na het jaar 1260 hun aan hunne pligten. Hij noemt zich: »Frater Thomas de ordine Praedicatorium, Dominici praesepii et virginalis puerperii custos indignus, Apostolicae Sedis Legatus.” »Broeder Thomas van de orde der predikheeren, onwaardige bewaker van de kribbe van Dominicus en het maagdelijk kraambed, legaat van den Apostolischen zetel.” Hij meldt daarin (de ruimte laat niet toe, den geheelen merkwaardiger en kluchtigen brief hier in te lasschen) onder anderen, dat de Friezen, die voor 10 en meer jaren het Kruis hebben aangenomen, hunne kruisgeloften gestand doen, en opkomen, of wettige redenen van hun uitblijven opgeven moeten. Daarbij verzoekt hij de Proosten en Dekenen de Friesche vrouwen, welke het Kruis hebben aangenomen, den togt af te raden, dewijl men, helaas, meermalen de treurige ervarenis heeft gehad, dat door verleidingen des Satans deze vrome vrouwen reeds aanstonds op weg afschuwelijke hoererij en echtbreuk bedreven hebben. Wanneer deze goede kinderen slechts zooveel baar geld betaalden, als hun de reis heen en weder zou kosten, dan konden zij rustig te huis blijven, en nu besluit hij:
»Aan alle welke voornoemde vrouwen en anderen, die op voorzeide wijze mogen verschoond worden, wij uit kracht van de aan ons door den Apostolischen Stoel verleende volmagt die vergeving van zonden schenken, welke zij zouden verwerven, zoo zij het Heilige Land in persoon bezocht hadden.”
Koning Lodewijk nam in 1267 andermaal het Kruis aan, en zond naar Friesland eenen monnik, Gerhard, om aldaar het Kruis te prediken. Deze trok geheel Friesland door, doch hield zich den meesten tijd, volgens getuigenis van den gelijktijdigen Schrijver Menco, in Norden op, alwaar hij het Jakobiten-Klooster stichtte. Het gelukte hem ten behoeve van dezen voorgenomen togt den ingezetenen groote sommen gelds uit de beurs te praten, en een groot getal strijdbare mannen te overreden, zich met het Kruis te laten teekenen.
Thans werd eene betere orde ingevoerd. Opdat niet wederom allerlei janhagel den togt mede ondernemen, en zich op kosten van het Kruisleger mesten, of ook weerlooze vrouwen vervolgens wanorde in het leger veroorzaken mogten, werd uitdrukkelijk bevolen dat alle vrouwen, zonder onderscheid, te huis blijven, en ieder Kruissoldaat 7 mark sterling aan klinkende munt, vervolgens 7 ton boter, een halven os, een ham, een half mudde meel en zoovele wapens en kleederen, als hij zou noodig hebben, medenemen moesten.
In 1269, kort voor Paschen, scheepten de Friezen zich in. Zij verzamelden zich bij Borkum, en moesten daar 20 dagen wegens westelijke tegenwinden blijven liggen. De uitgeloopene Friesche vloot bestond, behalve de kleine schepen, uit 50 koggen. Met goeden wind landden zij, na volgens gewoonte vooraf in eenige havens te zijn binnengevallen, te Marseille aan. De Koning van Frankrijk had met de Friezen afgesproken hen tot St. Jan in te wachten; dan daar deze tijd verstreken was, zoo was de Koning met zijne vloot reeds voor de aankomst der Friezen naar Tunis afgezeild. De Sultan had een sterk leger naar Afrika gezonden, waarom de Koning vreesde, dat de Turken, na den aftogt der Christen troepen, in Sicilie, Italie, Frankrijk en Spanje eene afwending zouden maken. Daar ook de Saracenen in Syrië en Palestina veel ondersteuning en levensmiddelen ontvingen van de Barbarijsche kusten, zoo achtte hij het voordeelig eerst Tunis te verwoesten. De Friezen morden over dezen togt, en wilden liever naar Palestina, doch lieten zich ten laatste door eenen geestelijken overreden den Koning na te zeilen. Bij hunne aankomst vernamen zij wel, dat de Koning de Ongeloovigen geslagen en Tunis reeds ingesloten had, doch tevens dat hij zelf kort daarna aan de pest gestorven was. Op dit berigt wilden de Friezen oogenblikkelijk weder naar Syrië afzeilen; dan, daar juist ten zelfden tijde de broeder des overledenen Konings Lodewijk, de Koning Karel van Napels, met eene versche vloot aankwam, zoo lieten zij zich bewegen, daar te blijven. De belegering werd dan ijverig voortgezet; de Saracenen deden eenen uitval op eene afdeeling Duitschers en Friezen, die verspreid nabij de stad ginds en herwaarts liepen, om den vijand uit zijne verschansingen te lokken. De Christenen togen aanvankelijk in wanorde terug, maar herstelden zich weldra weder, rukten als één man tegen den vijand op, en dreven hem tot eene rivier, die voorbij Tunis stroomt. Vele Ongeloovigen sneuvelden door het zwaard, de meesten echter verdronken in den vloed. De stad kon door storm niet ligt veroverd worden, omdat de pest in het Christenleger eene groote verwoesting had aangerigt: desniettemin werden de belegerden zoo benaauwd, dat zij den Christenen eenen vrede aanboden. De inhoud der aangenomene vredes-voorwaarden was, dat de gevangenen van wederzijde bevrijd,—Tunis aan Koning Karel eene jaarlijksche schatting betalen,—en de Christenen op de Middellandsche Zee door geene zeeroovers zouden ontrust worden. Het leger werd daarop ontbonden, en de meeste Italianen en Franschen gingen weder naar huis; dan de Friezen, Duitschers en Engelschen vervolgden hunne reis en zeilden naar Palestina. Onder weg leden zij veel door storm en ziekte, en kwamen in veel verminderd getal eindelijk te Ptolomais aan, alwaar zij het Christen-leger in eenen jammerlijken toestand en verderfelijke oneenigheid aantroffen, welke tweespalt de Saracenen zich ten nutte, en vele veroveringen hadden gemaakt. Intusschen werden de Friezen door de Tempelheeren wel ontvangen en kostelijk onthaald: zij werden naar Tyrus gevoerd, alwaar men aanzienlijke hulptroepen van de Christenheid en bijzonderlijk van Koning Karel van Napels verwachtte, doch daar deze uitbleven, zoo kregen ook de Friezen het heimwee. Hunne uit den storm nog overgeblevene schepen waren zoo jammerlijk gesteld, dat zij geen zee konden bouwen, zoodat zij zich in vreemde vaartuigen moesten inschepen, en van elkander afgescheiden, sommigen door Italië, anderen door Frankrijk afzonderlijk terugkwamen. De meesten echter hadden hunnen dood in Afrika, in de Middellandsche Zee en in Palestina gevonden, terwijl het geringe in het Vaderland terugkeerend overschot ledige buidels, hongerige magen en zieke ligchamen mede terugbragt.
Van nu af aan waren de Christenen te zwak om den Turken het spits te bieden. De eene vesting ging na de andere over. Antiochië, Cesarea, Joppe en andere steden kwamen in handen der Turken. Ten jare 1291 werden ook Ptolomais, Tyrus en Berytus heroverd. Zoo behielden dus de Christenen der Latijnsche Kerk, die ter verovering en beheersching des Heiligen Lands, zoo vele millioenen verspilden, en zoo veel bloeds deden stroomen, in Palestina geen voet gronds. Paus Nikolaas IV, wien dit zeer ter harte ging, wekte wel alle geestelijke en wereldlijke Vorsten tot eenen nieuwen togt op, doch zijne pogingen waren vruchteloos69.
Palestina, ontbloot van allen bijstand, verzonk weder in de oude slavernij, die misschien dragelijker was, dan de heerschappij van teugellooze schraapzuchtige Christenen.—En dit was het einde der heilige oorlogen of vrome razernij, die omtrent twee honderd jaren gewoed, en Europa omtrent zeven millioenen menschen en onmetelijke schatten gekost heeft.
Wat nu het goed en kwaad betreft, het is moeijelijk te beslissen of de Kruistogten meer voordeel dan nadeel aan Europa hebben toegebragt. Dus oordeelt er de Duitsche Geleerde J. G. Mair over70. Heeren is door zijn onderzoek der gevolgen van de Kruistogten voor Europa71 tot het gunstig resultaat gekomen, dat zij wel niet op eens eene betere wereld schiepen, maar die voor de nakomelingschap hebben voorbereid.
Wakker van Zon heeft, in zijne Bijdrage tot de Geschiedenis der Kruisvaarten, voor ons Vaderland daarin weinig voordeel kunnen vinden, en laat het nadeel ver het overwigt behouden; zelfs in de heftigheid van zijn betoog uitroepende: »Rede! Deugd en Godsdienst! wij leggen op uw heilig altaar de plegtige en onherroepelijke bekentenis af—, dat de Kruisvaarten ons Vaderland tot eene bron van onuitrekenbare ellende verstrekt hebben!”—
Zoo zijn er meerdere gevoelens van geleerden uitgebragt, terwijl die Schrijvers, welke niet overdrijven, maar den middelweg hebben bewandeld, zoo als Heeren en Luden, gewis den voorrang boven anderen verdienen72.
Voor Friesland waren gewis de gevolgen ook van groot belang. De burgerlijke vrijheid is er zeer door bevorderd: want een slaaf werd vrij man, en de haat en wraak der aanzienlijke geslachten werden getemperd. Het werkzame deel des volks werd door den landbouw als anderszins voor armoede beveiligd, en de zedelijke beschaving zal er allengs bij gewonnen hebben. De handel in de X eeuw nog in zijne kindschheid, moet eene eeuw na den aanvang der Kruistogten te Stavoren reeds tot grooten bloei zijn gekomen: want deze stad en Bolsward tot de Hanzesteden behoorende, voerden hunne koopwaren naar Brugge, werwaarts de Lombarden hunne Oostersche goederen bragten, om dezelve zoo door de Hanzesteden weder in het Noorden te verspreiden. De welvaart, pracht en weelde der XIII en XIV eeuwen kunnen van deze gevolgen getuigen.—Kunsten en wetenschappen, altoos met den handel zich parende, moesten ook wel in Friesland toenemen.—Dan het nadeel heeft zich ook voor dit gewest geopenbaard, en in de onheilen moest het dus ook aandeel hebben.
Bl. 72.
Omtrent den jare 1100 was er een voornaam Bouwkunstenaar, zijnde een Fries, die voor den Bisschop van Utrecht eene fraaije kerk bouwde, doch misnoegd over deszelfs behandeling, den Bisschop om het leven bragt. Dit zal het bedoelde geval zijn ’t welk voorkomt in F. Sjoerds, Jaarb. II. 285.
Bl. 72.
In den jaare 1110. Door dezen strijd en nederlaag bleef de vrijheid van Oost-Friesland bewaard, en de Friesche Graafschappen Oostergo en Westergo genoten een aantal jaren rust en vrede.
Bl. 73.
In den jaare 1119 ontstond. Het verhaal van dezen twist tusschen Floris II en den Frieschen Edelman Galama is naauwkeurig opgeteekend door Gabbema in zijne Watervloeden, p. 50 en 51, en bij de Kronijkschrijvers met eenige kleine veranderingen vermeld. Zie Tegenw. Staat van Friesland, I. 315; F. Sjoerds, Jaarb. II. 318, welke te regt in Wagenaar (II. 213,) verbetert, dat Galama niet in dezen twist is omgekomen, en ook een eigenlijke Fries geen Westfries was. Schotanus, van dit voorval niet sprekende, heeft men de waarheid daarvan betwijfeld, waarom ook welligt Cerisier (Geschiedenis der Nederl. I. 214) niet voor de echtheid wil instaan. Bilderdyk, altijd kwaadaardigst tegen Wagenaar, zegt in zijne Gesch. des Vaderl. II. 34: »Wagenaar, altijd kwaadaardigst tegen de braafste Vorsten, brengt tegen Floris in, »dat zijne uitmuntendheden van geest en lichaam niet verhinderden, dat de Edelen dezer landen hunne vrijheden tegen het Grafelijk geweld, dat met den aanwas van ’s Graven macht meer dan te voren gevoeld werd, moediglijk verdedigen durfden.”” »En tot bewijs van dit Grafelijk geweld en het moedig verdedigen van de vrijheden daar tegen, komt den moedwil van Galama voor den dag.——Het geval (waar of onwaar, want men twijfelt er aan) is eenvoudig. De Graaf (wien naar het Leenrecht, als Vorst of wegens den Keizer regeerende, wouden en wildernissen behooren, en alle jacht die niet afgestaan is) in het bosch van Kreil (aan den rand der Zuiderzee, die nu dit gedeelte verzwolgen heeft) jagende, vindt daar jagers van Galama, wien hij als naar stijle, de daarmeê verbeurde honden ontnemen doet. Galama verneemt dit, stuift op, zoekt den Graaf in het bosch, spreekt den Graaf (onbesuisd, zegt Wagenaar) en onvoeglijk aan, en bij Floris aanmerking op dien onbehoorlijken toon en taal, valt hem met den blooten degen op het lijf en doorboort hem den arm!—Zie daar” enz.; hier volgt weder eene onbehoorlijke uitval op Wagenaar en een schampschot op de onschendbaarheid en wijsheid, gezeten hebbende in de majestueuze Amsterdammer paruiken.
Dit is dus met een kort woord aan Galama zijn regt ontnomen, hem als overtreder des Roomschen regts veroordeeld, en Floris geregtvaardigd. Wij houden het er daarentegen voor, dat het niet bewezen is of Graaf Floris in het Kreilerwoud iets had te zeggen, en zoo niet, dan beschouwen wij de daad van Galama (niet gelijk Bilderdyk) als die van een dolleman, maar van een regtschapen Fries, die zich door geen Hollandschen Graaf naar willekeur liet regeren en behandelen, hoe deze dan ook het Kreil, Galama’s eigendom, mogt beschouwen. Waarom dit voorval onder de verdichtselen geplaatst zou moeten worden, daarvoor kunnen wij geene reden vinden. Friesch Jierb. 1833, § 22; Bijvoegsels op Wagenaar, II. D. bl. 72.
Bl. 73.
In den jaare 1143. In onze kronijk wordt niet vermeld, zoo als bij andere Schrijvers, dat omstreeks dezen tijd, onder de regering van Keizer Koenraad III, vele bewoners der tegenwoordige Nederlanden, op verzoek van den Graaf van Holstein, Adolf, na de verdrijving der Obodriten, eenige landstreken aan de Elve gingen bewonen, en hoezeer door deze woeste Wandalen weder aangevallen, met ongehoorde dapperheid tegen dezen streden, en eindelijk, door den stoutmoedigen Priester Gerlacus aangepord en voorgegaan, met behulp van ’s Graven volk de volkomene overwinning behaalden73.
De Graafschappen Oostergo en Westergo werden door dezen Keizer Koenraad weder aan den Utrechtschen Bisschop geschonken, welke schenking twee jaren daarna bij eenen giftbrief werd bevestigd. Hoe echter de Friezen over deze en dergelijke brieven dachten en hunne vrijheid wisten te handhaven, ziet men beschreven bij Emmius, bijzonder in het VI boek, bl. 103 zijner Friesche Geschiedenis.
Eenige jaren hierna in 1157, of gelijk Emmius in 1165, is het vermaarde klooster Ludingakerk bewesten Franeker gesticht, waarvan Wigboldus de eerste Abt is geworden. Uit deze Abdij, met aanzienlijke landerijen en rijkdommen begiftigd, en van den Roomsch Koning Willem II met het eiland Flieland beschonken, kwamen de kloosters van Anjum, Achlum, Oegeklooster en anderen voort. Tusschen Flieland en Terschelling, toen nog aaneen, groef men, tot bevordering der aanslijking, om nog al meer voordeelen te genieten, eene wijde gracht, tegen wil en raad van den verstandigen Lidlumer Abt, Gerhardus, waardoor men de woedende zee het land vernielen liet, dat noodig was te behouden ter voorkoming van de latere ellende door storm en vloed ontstaan. F. Sjoerds, Jaarb. II. 377; Oudh. en Gest. II. 131.
In 1163 stichtte men het klooster Mariengaard onder Hallum, onder opzigt en beleid van den waarlijk vromen Pastoor der kerk te Hallum, Frederik, die daar eerste Abt werd, en de order der Premonstratenzers omhelsd had. Doordien er een grooter toeloop was dan het klooster bevatten kon, werd door den Abt, ter plaatse Bartlehiem genoemd in Tietjerksteradeel, een nonnenklooster, onder den naam Bethlehem, gebouwd. Onder de waardige Abten die deze kloosters telden, is de godvruchtige Syardus hoog geroemd. Deze en vele anderen, die het zoo goed met de godsdienst meenden, waren echter onbestand tegen het ongeschikte, wanhebbelijk en zedeloos leven der kloosterlingen.—Oudh. en Gest. I. 385; Tegenw. Staat. I. 345.
In den jare 1165 werd de Abdij Klaarkamp in Dantumadeel gesticht, onder ’t beheer van den dorpe Rinsumageest, door vrouwe Clara, eene rijke en godvruchtige weduwe. De Bernardiner of Cistercienzer monniken, ook naar hunne kleeding witte en zwarte monniken genoemd, die aanvankelijk om hunnen stichtelijken wandel en goede zeden zeer geroemd zijn geworden, hebben hetzelve onder den eersten Abt, Eiso betrokken, en vele kloosters in Friesland en Holland hebben onder deze Abdij gestaan. De Abt van Klaarkamp had onder de Prelaten ter Landsvergadering de eerste plaats.