Deze eeuw was dus bijzonder vruchtbaar in het voortbrengen van Abdijen, Kloosters, geestelijke Gestichten en Kerken. In den jare 1182 werd ook door Sybe van Lidlum met hulpe van Tjalling Donia van Winsum, tusschen Tjummarum en Oosterbierum, het Lidlumer Klooster gesticht, ’t welk na verloop van eene halve eeuw is verplaatst. Het was gesteld onder de order der Reguliere Kanunniken. Oudh. en Gest. II. 162; Schotanus, Beschryvinge von Frieslandt, Quarto, p. 311 en verv.

Bl. 76.—Ao 1170.

Omtrent dezen tijd, is Saake Reinalda, overleden. De Geschiedenis vermeldt dezen Potestaat als een kundig, ervaren, braaf, edelmoedig en vredelievend man, die in allen opzigte, vrij van vooroordeel en ongepaste eerzucht, het belang zijner landgenoten zoodanig behartigde, dat de Edelen, de Staten en het Volk hem levenslang tot hunnen Landsheer wilden verkiezen, welk voorregt hij echter niet begeerde, als strijdig met zijne beginselen en ’t gebruik der voorvaderen.

Bl. 77.

In den jaare 1190. Omstreeks dezen tijd vindt men bij de meeste geschiedschrijvers het eerst gewag gemaakt van Leeuwarden als stad; doch er zijn er, die beweren, dat reeds ten jare 1149 de stad bij dien naam zou bekend geweest zijn, daarbij aanhalende de twee brieven door den Abt Wybaldus geschreven, voorkomende in het Charterboek van van Schwartzenberg, I. 76, de een aan de gemeente van Leeuwarden, houdende klagten over de zorgeloosheid van vier Priesters aldaar, en de andere aan den Utrechtschen Bisschop, Heribertus, betrekkelijk den slechten toestand der kerk.

Bl. 77.—Ao 1192.

Als Froonakker en Godsakker. De Tempelschattingen dienden bij de Franken tot onderhoud der Priesterschap, tot instandhouding van de godsdienst, tot aanschaffing der offerdieren, tot bekostiging der openbare feesten en tot verzekering van regt en veiligheid. Wij vinden in de Friesche geschiedenis der IX en X eeuw ook de Tempelschattingen vermeld, welke in iedere kapel, op zekere tijden, aan den Hemelkoning moesten worden opgebragt; en wat betreft het bezit van landgoederen, meren, wouden en stroomen, dit wordt genoeg opgehelderd uit de, bij de bevestiging des Christendoms hier te lande, zoo rijkelijk door de Frankische vorsten weggeschonken goederen, welke ongetwijfeld, voor een groot deel, mede hiervan afkomstig waren. En zoo is men op het vermoeden gekomen, dat de Vroonlanden en Vroonakkers, welke hier en daar weleer aangetroffen werden, van deze landgoederen afkomstig waren, en dat Franeker daarvan den naam zoude ontleend hebben. Verg. Westendorp, Verhand. over het gebruik der Noordsche Mythologie, bl. 335.

Bl. 82.—Ao 1227.

Kastelein van Koevorden. Een Kastelein was ambtman over een regtsgebied; oorspronkelijk kasteelman, praefectus arcis;—Borchgreve, burggraaf, slotvoogd, enz.—Verg. den Teuthonista van G. v. d. Schueren en Kiliaan.

Bl. 85.—Ao 1230.

In den jaare 1230. Het jaar te voren schrijven de kronijken van eene groote zonsverduistering, gevolgd door geweldigen hagel, in welk onweer de Edelman Sixtus Botnia met zijne vrouw zou zijn omgekomen, alsmede Douwe Galama en Jolke Taijkama. Over den vloed van 1230, zie Gabbema, Watervloeden, bl. 70; Wins. fol. 163; F. Sjoerds, Jaarb. II. 543.

In of omtrent dezen tijd vindt men het eerst van de veenen en turfgraverijen gewag gemaakt.

Bl. 86.—Ao 1231.

Door de Rechters van Upstalsboom. Als hier ter plaatse zeer gepast, nemen wij een gedeelte over van het belangrijk Overzigt, geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 4 October 1831, getiteld: Herinnering aan de Landdagen der Friezen bij Upstalboom, hoofdzakelijk getrokken uit het werk van T. D. Wiarda over dit onderwerp, en ons medegedeeld door den kundigen beoefenaar der Friesche Geschiedenis, Taal-, en Dichtkunde, Mr. A. Telting, Secretaris der stad Franeker.

»Buiten de stad Aurick in Oost-Friesland is een eerwaardige plek, rijk in herinneringen aan de vrijheidsmin en volkstrouw onzer Friesche Vaderen. Deze plek draagt den naam van Upstalboom (Upstallisbeam, Opstalbeam). Wij zullen ons niet verdiepen in de verschillende gevoelens omtrent de afleiding en beteekenis van dezen naam, dien sommigen voor eene zamenstelling houden uit Upstalling, d. i. hoveling, eigenlijk een man uit een oud geslacht, en beam of boom, beteekenende alzoo een’ boom, waarbij zich de voornaamsten des volks verzamelen,—anderen samengesteld achten uit up of öp, staal, boom, d. i. bij den opgerigten boom,—anderen weder uit up of op, saal (zaal, de oude benaming van eene plaats, waar men geregt hield) en boom,—en nog anderen eindelijk uit up, stoel en beam, d. i. de boom, waar de stoel des gerigts wordt gehouden. Wij laten de beslissing aan anderen over, maar meenen zooveel met zekerheid uit dezen naam te mogen opmaken, dat daar een of meerdere oude boomen hebben gestaan, onder welke zich de regters zullen hebben gezeteld, terwijl de verzamelde afgevaardigden des volks zich daar om heen zullen hebben geschaard, alles overeenkomstig de zeden der overige Germanen, die, het voor vrije mannen onbetamelijk achtende in beslotene plaatsen te vergaderen, daartoe uitgestrekte vlakten of heilige wouden verkozen. Een uur buiten Aurick vertoont zich dan ook nog een heuvel, waarop naar luid der overlevering drie groote eiken plagten te staan, en die algemeen als de vergaderplaats wordt opgegeven. De landlieden noemen dien heuvel den Boombarg. Men heeft er ten aandenken later eenen grooten beuk geplant, en de hoogte met eene kleine gracht omgeven. Daar vergaderden op den eersten Dingsdag na het Pinksterfeest telken jare de afgevaardigden der zeven Friesche Zeelanden. Men zag er de geestelijkheid, de edelen en de vrijgeboren mannen uit geheel den Staat zamenvloeijen, om de belangen des gemeenen Vaderlands voor te staan. De eerste dagen der bijeenkomst waren der gastvrije vrolijkheid gewijd. Auricks vrouwen en maagden ontvingen den aankomenden vreemdeling, en bragten hem den welkomsbeker toe, met den groet: het ghilt eele frye Fryse! Nog heden dansen hare nakomelingen op den Pinksterdag om den Meiboom, en zingen haar volkslied:

»Mayboom, Mayboom, holt die faste,

Morgen krieg wy fremde lue toe gaste!”—

Wanneer de eerste dagen der gulle vreugde waren vervlogen, en langzamerhand alle afgevaardigden zich ter bestemder plaatse hadden vervoegd, ging men over tot de beraadslagingen. Er werden voorstellen gedaan, en voor te besluiten trok het volk ter onderlinge beraadslaging, zoo de overlevering wil, naar een nabij gelegen dorp, dat vandaar den naam van Rahde zou verkregen hebben. Voor den heuvel liggen twee akkers, nog de Wandelakkers genaamd, waar men wil, dat de Rigters gedurende deze beraadslagingen van het volk gewoon waren heen en weêr te wandelen. De besluiten der vergadering werden in schrift gebragt, en met een zegel voorzien. Dit zegel stelde voor een’ geharnasd’ man, met eene spies in de regter en een zwaard in de linkerhand, staande onder een’ bladerrijken boom. Het groote doel dezer landdagen was,—zoo als blijken kan uit verscheidene wetten, tot op onze dagen bewaard gebleven, die daar gemaakt zijn,—om in het belang van het geheele vrije land alle bestaande verschillen zooveel mogelijk te beslechten, vrede en rust te stichten en te bewaren, den weêrspanneling desnoods met geweld tot onderwerping te noodzaken, zich tot gemeenschappelijke weer tegen vreemden aanval telkens met nieuwe kracht en eendragtigen moed te verbinden, goede en nuttige wetten in te stellen, de bestaande te herzien en zoo noodig te verbeteren. De uitvoering der genomene besluiten berustte bij telken jare op nieuw verkozene regters (zij worden in de Leges Upstalbomicae van den jare 1323 § 23 Judices Zelandini genoemd, bij Emo Abt van Werum, in zijn Chronicon, Jurati apud Upstallesbome, ook Consules terrae). Deze vertegenwoordigden dus de hoogste magt in de vrije Zeelanden. Wanneer is men het eerst begonnen deze landdagen te houden?—welke der Friesche Zeelanden hebben daaraan deel genomen?—en wanneer hebben deze zamenkomsten opgehouden?—ziet daar drie vragen, die ieder belangstellend lezer zich al dadelijk voorstelt, en waarop wij kortelijk zullen trachten te antwoorden.”

Wat nu betreft de eerste vraag, zoo komt het antwoord van den Schrijver hierop neder, dat, ofschoon men met geene volkomene zekerheid kan bepalen, wanneer de Upstalboomsche landdagen der Friezen een begin hebben genomen, men echter met eenige waarschijnlijkheid kan besluiten, dat zij, zoo al niet door Karel den Grooten zelven ingesteld, toch aan den door hem te Upstalboom gevestigden regtszetel hunnen oorsprong te danken hebben, en dat de Friezen al zeer vroeg deze regtsplaats, als in het midden van Friesland gelegen, tot het houden hunner landdagen bij uitnemendheid geschikt hebben gerekend. De vroegste vermelding eener gezagsoefening van de Upstalboomsche Regters vindt men bij Emmius op het jaar 1214 aangeteekend.

In de eerste tijden namelijk van Karel den Grooten, zullen al de Friezen van de Maas tot aan den Wezer deel hebben genomen aan die landdagen. De landen over den Wezer schijnen, vóór de indeeling van den Frieschen Staat in zeven Zeelanden, te zijn afgescheiden, en zoo lang nu al deze landen zich in het bezit hunner vrijheid hebben mogen verheugen, hebben zij ongetwijfeld mede deel genomen aan de Upstalboomsche vergadering. Wanneer deze zamenkomsten voor altijd hebben opgehouden kan men met geene zekerheid opgeven; doch in de eerste helft der vijftiende eeuw, nadat er reeds onderscheidene beletselen tot het bijeenkomen hadden plaats gehad, door de dwingelandij van eenige magtige Hovelingen en vele partijschappen onderling, moet zulks hebben plaats gehad. Zie voorts gemeld Overzigt. Schotanus, Fr. Hist. bl. 170 volgg.; Harkenr. Oostfr. Oorsp. 125–127; F. Sjoerds, Besch. I. 62.

Bl. 89.—Ao 1234.

Om de voorrang in ’t offeren. Over dezen twist kan men vergelijken Oudh. en Gest. II. 275; Teg. Staat, I. 360; F. Sjoerds, Beschr. I. 499.

Bl. 89.—Ao 1239.

Sikke Sjaarda of Sjaardema. Over de geschiedenis van den achtsten Potestaat Sjaerdema en den hier vermelden brief heerscht, eenige duisterheid. Emmius (in zijn X Boek, p. 157) verklaart in twee regels, na den dood van Willem II vermeld te hebben, dat hij alles, wat in dat gedeelte der historie verhaald wordt van Sicco Sjaerda, op eene smakelooze, laffe wijze (insipide), niet eens der vermelding waardig acht. Hamconius en de kronijk van O. v. Scharl zwijgen van dezen Potestaat; doch van Rhyn in het meergedacht Nabericht wil deze gebeurtenis niet als ongerijmd verwerpen. Winsemius (fol. 169) en Schotanus (40, bl. 100 en 127) verhalen ons de zaak, gelijk die in onze kronijk voorkomt met inlassching des briefs van Sjaerdema, welks echtheid evenwel wordt betwijfeld, en door sommigen voor een valsch stuk gehouden. Bij het onderzoek: Of de Graven van Holland, regtens, ooit Heeren van Friesland waren, geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 25 Junij 1833, heeft de Schrijver, de Heer v. Halmael, aangemerkt, dat de valschheid van dezen brief niet volgt uit de jaarteekening 1239 bij Winsemius, daar het, uit het op den anderen kant der bladzijde gestelde jaartal 1248, genoegzaam blijkt, dat dertich eene drukfout is, en men veertich lezen moet. Ook de Hoogleeraar Ypeij, houdt die dagteekening voor een misslag; men zie zijne Gesch. der Nederl. Taal, II. 318. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. III. 63, wil den brief in 1254 geschreven hebben, dan dit is niet te vooronderstellen. Wijders geeft de Schrijver van bovenvermeld onderzoek nog in bedenking, twee punten: of de Roomsch-Koning den brief, op welken die van Sjaerdema (zoo hij echt is) een antwoord is, niet geschreven kan hebben in de hoop, dat de Friezen, schoon daartoe onverpligt, hem, door bemiddeling van Sjaerdema en behoudens vergoeding, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden aannemen:—wijders, of niet beide brieven kunnen gezien hebben op de Noord-Hollanders of eenigen hunner. Deze Noord-Hollanders kon en mogt Willem als zijne onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat zijn voorregtsbrief alleen de Friezen tusschen het Flie en de Lauwers (of die, welke ten westen door het Flie begrensd werden) betrof; en Sjaerdema kon evenzeer die Friezen, als onder zijn Potestaatschap behoorende, aanmerken, daar zij toch van oudsher Friezen geweest waren, en zich der Hollandsche heerschappij niet onderwerpen wilden. Dit laatste schijnt mij wat eene zeer milde uitlegging, doch overigens hebben de bedenkingen, mijns inziens, zeer veel grond, en ik vind er geene zwarigheid in, het daarvoor te houden, dat Sjaerdema weigerde den Koning behulpzaam te zijn, om Friesland onder zijn beheer te krijgen: Sjaerdema moge hem als Keizer, en zoodanig als Souverein over Friesland erkend hebben, dan wilde hem niet huldigen als bijzonderen Heer of Graaf van deze Provincie. En er was een man van dapperen moede, zoo als Schotanus (Fr. Hist. bl. 118) hem noemt, noodig, om de listige aanslagen en heimelijke ondernemingen van vermogende tegenstanders stout en krachtig het hoofd te bieden, ten einde het eenmaal aangenomen beginsel, door geen vreemden zich te laten regeren, vast te houden en te doen gelden.

In den jare 1248 heeft Willem II de Bulle van van Karel, of het als zoodanig genoemd stuk, hem door de Friezen aangeboden, met zijne vrijheden en voorregten bekrachtigd, hoewel hij dat stuk niet in zijnen Voorregtsbrief heeft ingelascht. Dat de Friezen in de verovering van Aken, het gewigtigst deel hebben gehad, lijdt geen twijfel, hoezeer dan ook Bilderdyk hiervan evenmin als van den Voorregtsbrief eenig gewag maakt74.

Bl. 95.—Ao 1263.

De kerk van het vermaarde klooster St. Bernard. Deze kerk was 50 schreden lang en 25 breed. In het midden stelde men aan iederen kant nog een gebouw, ieder van 25 schreden lang en 24 breed. Het gebouw rustte op 26 pilaren, en het hooge verwufsel daarenboven werd ondersteund door een aantal pilasters. Een groot en prachtig altaar stond in ’t midden en elf anderen in evenveel sierlijke kapellen; van binnen was alles even kostbaar en luisterrijk.

Bl. 95.—Ao 1268.

D’r Ylst, verkorting voor Ter Ylst, volgens Emmius, is de regte naam Yleke of Ylk, daarna veranderd in Yltz en voorts in Ylst.

Dat Ylst van ouds welvarender was dan Sneek, en toen dit laatste nog een dorp was, reeds tot eene stad werd verheven, heeft veel schijn, en wordt door v. Rhyn (Oudh. en Gest. II. 77), tegen Emmius aan, niet verworpen. In 1268 was Sneek nog eene buurt of gehucht.

Bl. 96.

In 1270 is te Bolswert het Broereklooster. Reeds in de achtste eeuw wil men dat Bolsward gesticht zoude zijn, welke stad ongetwijfeld tot eene hooge oudheid opklimt. Eenige Edelen en godvruchtige lieden bouwden dit klooster der Minderbroeders, waarvan de kerk in ’t jaar 1281 werd gesticht, eerst door Gaudenten, Franciskaner Monniken en naderhand door Observanten bewoond, die zich naar de hervorming regelden.—Schot. Fr. Hist. bl. 348; Oudh. en Gest. II. 11.

In den jare 1503 brandde het klooster af, doch het schijnt naderhand weder opgebouwd.

Bl. 96.—Ao 1273.

Als ook een groote hongersnood. Deze was een gevolg, deels van de schaarschheid van geld, door de kruistogten veroorzaakt, deels door de veepest en de slechte oogsten, maar ook door het bevel des Munsterschen Bisschops, Gerard, om geene jaarmarkten te houden en allen handel te staken, zoodat niemand van de Friezen vee, boter en kaas wilde koopen; daarenboven kwam er van den overvloed van granen uit de Oostzee niets over, daar ook de uitvoer zwaar belast werd. De ellende steeg dus ten hoogsten top, en vele menschen stierven den hongerdood; de liefdadigheid van sommige kloosterlingen alleen behield nog den verarmden het leven. Die te voren hunne eigene landen bebouwden, moesten in de dorpen gaan bedelen, of voor den kost in de steden en voor de kloosters dienen. In de herfst steeg de nood ten top, een groot aantal leefden van distels en zeker kruid, hondribbe genoemd.—Verg. West. Jaarb. I. 356; F. Sjoerds, Jaarb. III. 101.

Bl. 97.

Omtrent den jaare 1280. De ware oorsprong der oude Partijschappen, zoo in Friesland als andere Provincien en Landstreken, is veelal met de oudheid zelve verdwenen, en de waarheid dus moeijelijk uit te vinden. Vele zorgvolle nasporingen leveren dikwijls geringe uitkomsten, want na het lezen en herlezen moet men nog vaak zijn toevlugt nemen tot gissingen, en met een: »het komt mij, behoudens beter, dus of zoo voor,” besluiten. Ook met betrekking tot den eigenlijken aanleg en oorsprong der noodlottige verdeeldheden tusschen de Vetkoopers en Schieringers bleef mijn onderzoek zonder gewenscht gevolg, daar ik hiervan een kort verslag had willen geven, hoewel het niet dadelijk of noodwendig tot de Bijvoegsels dezer Kronijk behoort: het zoude echter tot inlichting goed te stade gekomen zijn. Het een en ander, hoe gebrekkig, wil ik deswege mededeelen.

Jancko Douwama, voornaam Friesch Edelman uit het begin der XVI eeuw, geboren te Oldeboorn, een man, zoo als Schotanus zegt (Fr. Hist. p. 617) »van voortreffelijk verstand, groot van moede, een groot beminnaar der vaderlandsche vrijheid, kloek van beleid; voorspoed en tegenspoed met een gezet en wijs hart kunnende dragen, en die een beter lot verdiend had, dan in eene gevangenis zijn leven te laten,” heeft te Vilvoorden in den kerker, verstoken van eenig gebruik van boeken of papieren, uit zijn geheugen over de Geschiedenis van Friesland, bepaaldelijk ook van zijnen tijd, een geschrift zamengesteld, getiteld: Boeck der Partijen, waarin hij, afwijkende van anderen, over de Vetkoopers en Schieringers dit vermeld75:

van den Anfanck der Falsche Partije

VAN

FRIESLANT.

»Als in Hollant then ersten alsulcke commocie anfanckelijcken vp gestanden were, bij de welcke dattz vast in de landen al misselijck to ginck, se funden then ersten geen groet wederstant, so begosten daer in Frieslant oeck voel volcx nae to lusteren; ende dat concept, in Hollant an gehewen, dochten hoer to mael goet ende wijslijck gedaen to wesen; doer de welcke dat voele armen luden bij en ander voergadderden. Dan se wolden niet worden genoempt Hoecken, angeseen datse gene fiskers weren; oeck so dochten hoer dat to wesen een smaetlijcke name; en oeck wolden se dat so gewaltlijcken niet doen, alst in Hollant angehewen were; dan vnderstunden den rijcke luden met goede woerden to vnderwijsen, dattz also voer Godt ende de Werlt behoerden: Wel bet dan de ander in goet vermochten, dat he sculdich were to helpen ende to bate to comen den armen, om sijn armoet to verhoeden. Dan de rijcke luden wolden daer niet nae hoeren, doer de welcke dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten. Doen het daer hen quam, dat se de rijcke begosten in der taske to tasten, doen funden se hulp genoech; want daer voel Herscapen an de landen weren, den gewoentlijcken weren met hoer nabueren to to tasten; als se nv alsulcken oersaecke ende hulp hadden, doen sumeden se hoer niet te tijdt, dattz hoer gheboeren mochten. Ende den rijcken luden worden genoempt Fetcopers, ende dat daer vmme, dat se wal hadden, en fette waer vermochten to koepen; en dan gaewen den rijcke luden de arme weder een naeme, en noembden se Scirongen, ende dat daer vmme, dat se erst met goede woerden vnderstanden hadden to doen, datse nae met gewalt deden; want Sckijren is vp de Friesche spraeke so voele gesecht als spreken; Scirong is so voele als een relaes; Scirongen is so voele gesecht als voele groten woerden. Nv ist waer, he behoert oeck wal to konnen spreken, de een anders goet wil hebben, sunder daer wat willen weder tegen gewen, dan allene woerden.”

Gabbema, in zijn Verhaal van Leeuwaarden (bl. 16 en 17), geeft hiervan eene verklaring, en een bladzijde vroeger een verhaal van eene andere oorzaak der Partijschappen en beteekenis der woorden. Dit verhaal echter, ook bij andere Schrijvers vermeld, alsof op zekeren maaltijd door den twist tusschen twee kooplieden, over de keuze van den Sievard of Zedemeester (thans zouden wij Ceremoniemeester zeggen), de eerste aanleiding daartoe gegeven zou hebben, vindt geen algemeenen bijval.

Wanneer men nu de geschiedenis dier tijden raadpleegt, en tot den oorsprong en aanleg der ongelukkige factie eenigzins wil besluiten, komt, mijns oordeels, het resultaat hierop neder: dat de reeds vroeg ontstane twisten tusschen verschillende adellijke of aanzienlijke familien, zoo als die van Albada en Renalda, Gerbranda, Gratinga en Douwe van Harns en andere Grooten, ter oorzake van den voorrang in het offeren, uit hoogmoed, heerschzucht en ongebondenheid, aangeblazen door bedorven Geestelijken, werkeloosheid en slapheid der Justitie, en vernedering en onregt den minderen aangedaan, de eerste aanleiding tot, en door den haat en veete onderling, dadelijk voedsel hebben gegeven, aan de ongelukkigste en ellendigste der partijschappen, de grootste der rampen, die ooit een land en volk treffen kan, den Burgeroorlog.

De algemeene verbittering der adellijke geslachten onderling; de aanmatiging van rijke en magtige Edelen en Grooten; de verheffing van dezen in de eerste ambten en betrekkingen, waarvan men zich had meester gemaakt; daar bij vernedering en onderdrukking van den niet rijken Adel en de Patriciers, worden steeds, en te regte, als de grondslagen van alle partijschappen gesteld, hoezeer dan ook eenig ander doel of oogmerk werd voorgewend, en men eene geheel andere kleur aan zijne handelingen trachtte te geven76. Vandaar dat vele Edelen en aanzienlijken, niet uit algemeen, maar uit eigen belang, uit nijd, afgunst en wraakzucht den burgertwist begonnen, en zich aan het hoofd stelden, en eindelijk steden en landschappen, Landsheeren en Vorsten daarin deden deelen.—Men leze ter bevestiging de historie van de Hoekschen en Kabeljaauwschen in Holland, der Heeckerens en Bronckhorsten in Gelderland, der Lokhorsten en Lichtenbergers in Utrecht, der Blaauwvoetsche en Isengrine factie in Vlaanderen, der Guelfen en Gibellinen in Italië, van de Roode en Witte Roos in Engeland, en zoo vele anderen.

Zoo zal het dan ook wel in Friesland zijn geweest: want al ware eens de minder aanzienlijke stand of ’t gemeene volk aanlegger van deze partijschappen geworden, tot welke stelling bij enkele Schrijvers aanleiding wordt gegeven, zonder hoofden van magt en aanzien zouden dezelve geen voortgang hebben gehad. Tegen de invallen der Noormannen, ter beveiliging van watervloeden, en uit hoofde van den toenemenden overvloed en weelde der ingezetenen, was het getal der aanvankelijk gebouwde steenen huizen of stinzen aanmerkelijk vermeerderd77. Zij werden nu ook bijzonder tot betere en sterkere vestingen gemaakt, om als Fries Heer tegen den aanvaller zich te beveiligen, of zijn gezag eens regt te doen gelden. Koophandel en fabrijken waren naar den aard der tijden, vooral onder den burgerstand, in vollen bloei, en de hooggeschatte vrijheid was aller leus. Rijkdom, magt, eer en aanzien baarden, zoo als altijd, nijd, afgunst en overmoed, terwijl dezen door regeringloosheid en verwarring geen teugel vonden. Elke vrije Fries van aanzien kon toch niet dulden, dat een ander boven hem verheven werd of den meester speelde: wie der eigenerfden kon voor den anderen bukken, en welk adellijk geslacht zou aan het ander den voorrang toekennen? Zoo groeiden wrok en wrevel tot eene hatelijke vijandschap aan; onderlinge tweespalt en verdeeldheid deden den zwakkeren bijstand zoeken tegen den aanval der sterkeren: zoo vormden zich geweldige partijen, en elke beleediging, elke twist, elke kwetsing der eere moest met veel bloeds worden uitgewischt, niet tot vernietiging der verdeeldheden, maar om al weder den grondslag te leggen van nieuwen haat en vervolging. Dus werd de woede en vijandschap der verschillende partijen ontzettend in die tijden: want men gunde den andersdenkende licht noch leven, totdat na twee volle eeuwen van roof, moord en verwoesting, verlies van goed, bloed en vrijheid het eindelijk loon was der Friezen voor hunne boosheid en dwaasheden.

De Edelen in Oostergo behoorden in den aanvang tot de partij der Vetkoopers, die zich over de Lauwers vrienden en bondgenooten kozen, en met Groningen zich vereenigden. De Adel in Westergo vormde hoofdzakelijk de Schieringer-partij, die bij de Hollanders ondersteuning zocht. Evenwel voegden zich verschillende geslachten uit de beide Goën, dan tot deze, dan tot gene partij; zelfs familiën verdeelden zich, en dit gaf derzelver leden nieuw voedsel tot scheuring en bederving. De factiën zelve volgden dus geen vast stelsel van staatkunde, of trokken voor het algemeen welzijn, naar elks verschillend gevoelen, partij; maar wanneer zij door buitenlandschen aanval werden bedreigd of overvallen door anderen, dan wapenden zij zich algemeen tegen den uitheemschen vijand. De Schieringers hebben over ’t algemeen geijverd voor de aloude Friesche vrijheid en onafhankelijkheid, als afkeerig van vreemde magt en invloed; daarentegen zochten later de Vetkoopers de inzigten der Hollandsche Graven te begunstigen. Gedurende het laatste gedeelte der veertiende en ’t begin der vijftiende eeuw stond de stad Groningen aan het hoofd der Schieringers. In 1491 echter sloten de Vetkoopers met die stad een verbond, waarbij aan haar groote magt over een deel van Friesland gegeven werd.

In dezen tijd stonden de Vetkoopers ook in verbindtenis met de Kabeljaauwschen in Holland78.

Wat nu den naamsoorsprong betreft, deze is onzeker, en heeft tot verschillende gissingen aanleiding gegeven. Men zie daarover de aangehaalde Schrijvers, welke echter geen genoegzame gronden opgeven, om tot eenige zekerheid te besluiten. Alle verklaringen echter vereenigen zich hoofdzakelijk in dit punt, dat door Vetkoopers aanzienlijke en vermogende personen worden aangeduid, en door Schieringers de minder begoedigden en geringeren stand. De geleerde Westendorp (Jaarb. I. 355 en 356) voegt hier deze opmerking bij: »dat men eenen man met een voorkomen van rijkdom en gezag, ook thans nog eenen Vetkooper, en iemand, die tamelijk, doch zuiver gekleed is, zonder eenig voorkomen, Schier noemt. Zoo zegt men hier (in de Provincie Groningen) nog dagelijks: het is een heele Vetkooper, en hij is hemmel en schier; of ook: hij zit er goed, en, hij heeft eenen schieren boedel, dat is, een’ boedel zonder schulden.” In onze Provincie zegt men wel: hemmel of hemel en schien, beteekenende: zindelijk, proper (hoewel behoeftig) en schoon. Schier beteekent altoos graauw, grijs. Verg. Wassenbergh, Idioticon, en Epkema, Woordenboek.

Een der merkteekenen van onderkenning schijnt in het aanleggen der turven aan den haard geweest te zijn, leggende de een het vuur boven en de ander hetzelve onder.

Bij hunne gastmalen, dus wordt verhaald, werd steeds een bedekte schotel op tafel gebragt, en na met eenen dronk indachtig te zijn geweest aan de de verslagen Bondgenooten, na vermelding der heldendaden, aanvuring en vernieuwing van ’t eedverbond, ontdekte men den schotel, waarin de Zelen lagen, waarmede de opgegeten ossen waren gebonden geweest, tot herinnering, dat het weder tijd was op nieuwen roof en buit uit te gaan. Dit noemde men in onze landtaal: ’t Horspil in de patele. Over de beteekenis van ’t woord Horspil hebben de taalgeleerden getwist. In het zeer zeldzaam geworden Geschriftje: Nuttigheid van de Taalkennis der Middeleeuwen, alsmede van die der oude Vriesen, door A. ten Broecke Hoekstra (denkelijk in ’t jaar 1814 uitgegeven), p. 22 en 23, vinden wij het volgende:

»Horspil in de patele, dus noemde men de Koezelen, welke de Schieringers en Vetkoopers, bij het eindigen der maaltijden, in den schotel legden, om hunne vrienden en dischgenooten weder tot nieuwen roof uit te noodigen.—V. Rooy vermoedt, dat Hors in het Oud-Vriesch eene algemeene benoeming van groot vee geweest zij, en dus zoo wel eenen os of eene koe, als een paard, beteekend hebbe.—Het is mij onbegrijpelijk, hoe dat men, zoo weinig met der taalsoorspronkelijkheid eens Lands bekend, aan uitleggingen van die natuur zich wage; maar mijne verwondering rijst ten top, wanneer men, daar de uitlegging er bijgevoegd, en door den Schrijver zelven aangevoerd wordt, naar de beteekenis des woords gaat rondtasten.”

»Horspil is eene verkorte uitspraak en schrijving van horn-spil: horn is hoorn, of horen, cornu; en spil, spel, gereedschap, hier de zelen, ook in Vriesland horn-touwen genoemd: zoo zegt men mede aldaar tornbeyen (spreek uit toân-beyen) en dit voor thorn beyen, doren-bessen, braambessen: de ky bornje (spreek uit boânje) dat is: de koeijen bornen, wateren.

De geleerde Friesche Taalkenner J. H. Halbertsma gaf mij hierop deze bedenking: »Deze uitlegging van den heer Hoekstra voldoet niet volkomen aan eenen taalkenner. In lettergrepen die met rn eindigen, laat de Fries de r vallen, en houdt de n, gelijk in thoán, boán-je, koán in plaats van thoarn, boarnje, koarn (garst). In hornspil daarentegen zou de n verdwenen en de r overgebleven zijn, waarvan ik geen tweede voorbeeld in de Friesche taal ken. Indien men onderstellen mag dat Hamconius, en in navolging Gabbema, met zijne gewone onnaauwkeurigheid in taalkundige onderwerpen, Hornspil in Horspil bedorven hebben, is de verklaring van Hoekstra volkomen juist. In hoernes hluud, hoornen geluid (Oude Fr. Wetten, bl. 254), hornfia, horenvee (Chart. I. 342), hoernleggher, horenleger (Chart. I. 517), ziet men dat de n nooit van haren post wijkt.”

Bij v. Alkemade, in Nederl. Displegtigheden, I. 466, volgg., wordt hierover gehandeld, doch hieruit zal men weinig licht scheppen, daar de Schrijver Horspil voor Paarde-tuig of toom verklaard hebbende, met de koezelen geen weg weet.

Bl. 100.

Omtrent den jaare 1303. Wij laten deze luchtverschijningen en bloedregens, niet alleen bij O. van Scharl en Winsemius, maar ook door Schotanus (fol. 164, quarto bl. 179) vermeld, daar; doch zeker is het, dat deze en volgende jaren allernoodlottigst voor dit gewest waren; want de woede der Vetkooper- en Schieringer-partijen steeg zoo hoog, dat men noch op weg, noch in huis of elders, bijna meer veilig was. Het regt van den sterkste gold alleen: teugelloos en wreedaardig woelde men in zijnen ontzindheid voort, en spaarde geene jaren of kunne; vooral de rijke huislieden waren in den dollen moedwil meesters boven allen, waar het op moorden, branden en doodslaan aankwam. En onder al dit kwaad, dat de menschen elkander brouwden, steeg de druk der tijden nog hooger en hooger, daar geweldige regens en onweders de vruchten van den landbouw vernielden, waardoor kort daarna dure tijden, groote hongersnood en pestziekten volgden. Dit alles wordt ook beschreven in de kronijk van Worp van Thabor. Zie voorts F. Sjoerds, Jaarb. III. 219 volgg.

Bl. 101.—Ao 1306.

Omtrent dezen tijd heeft J. Flieterp. Zie onze aanteekeningen op bl. 286, 288 en 359.

Bl. 101.

In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden. Met den dood van dezen braven Landsvader vermeerderde ook Frieslands ramp en onheil; want met de twisten der Regters, die eene wijle tijds het land bestuurden, namen de ondeugden der kerkelijken en wereldlijken toe; en waar de geestelijkheid alleen voor haar staatkundig belang ijvert, gaat regt en godsdienst te gelijk verloren. Men nam dus tot Upstalboom zijn toevlugt, dat aanvankelijk een beteren toestand beloofde; doch toen de partijgeest, onder den schijn van vrijheidszucht, weder het booze hoofd opwaarts stak, was het een jammer zonder einde.

In dit jaar werd aan de kerk te Ylst de eere gegund, om voor dengenen die haar in bedevaart bezocht aflaat van zonden te schenken, met al de gebruikelijke plegtigheden; dan ook door deze en andere bijgeloovigheden was geen razende partijschap te dempen, waren geene driften te koelen. Men zie den Aflaatsbrief in ’t Charterb. I. 151. De kronijken verhalen vele schrikkelijke gebeurtenissen en wonderen, in dezen tijd van hongersnood en ellende voorgevallen. Zie ook Westendorp, Jaarb. II. 102–109.

Bl. 102.—Ao 1318.

In dezen tijd was Stavoren in het verbond der Anseesteden. Het merkwaardig Hanzee-verbond moet gesloten zijn aanvankelijk tusschen de steden Lubek en Hamburg, in 1241, ter beveiliging van den zee- en landhandel, destijds door roovers en vrijbuiters belemmerd en benadeeld. Een aantal koopsteden traden tot dit verbond toe, als hebbende dezelfde behoefte, en zoo werden de Friesche steden ook in deze handelmaatschappij opgenomen. Daar zij echter eene groote zeemagt ontwikkelde, en haar bestaan en invloed met die der vermogende Vorsten van Europa dikwijls in strijd waren, ondervond zij van dezen vele beletselen. Deze en andere omstandigheden veroorzaakten in 1630 haren ondergang. Alleen Lubek, Hamburg en Bremen vernieuwden het verdrag.

De Etymologisten hebben, als naar gewoonte, over den oorsprong des woords zeer getwist. Kiliaan verklaart Hans als Socius, Collega, dus Hans-steden voor Sociae et liberae civitates, enz. Bilderdyk (Geslachtlijst) zegt: »het woord is Hansbeker, d. i. oorbeker van hanse of anse (Lat. ansa) oor, handvat, Hans-eê is dus bekerverbond, ’t geen men dwaaslijk hans-eê-verbond noemt. Du Cange, in zijn Glossarium, geeft nog andere afleidingen, strijdig met die van Bilderdyk, als ook de Teuthonista van van der Schueren. Zie Wagenaar, Vad. Hist. III. 500, en Aanmerkingen daarop bl. 96, waar men het woord liefst door Broederschap wil verklaren. Bild. Gesch. der Vad. IV, 350.

Bl. 103.

In den jaare 1332. De vrome en brave Eelko Liauckama, Abt van Lidlum, werd in dit jaar vermoord. Men leze de korte Levensschets in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 10 December 1833. Verg. F. Sjoerds, Jaarb. III. 329, en de aangehaalde Schrijvers.

Bl. 104—Ao 1342.

In dit zelve jaar, den 25 September, is Graaf Willem enz. Deze slag is voorgevallen den 26 of 27 September 134579 nabij Warns, (niet Werrega, gelijk Wagenaar vermeldt,) wordende het getal dooden bij sommige Schrijvers op slechts 3700 gesteld:—doch zeker is het, dat de meesten der Hollandsche huizen er hun hoofd of een afstammeling lieten, dewijl het Hollandsche leger derwijze werd geslagen en nagejaagd, dat er weinig meer dan twintig levendig afkwamen, waaronder Jan van Beaumont behoorde, die door zijn schildknaap, ondanks zijne wonde, met een vaartuig gered werd. Het lijk des Graven werd tien dagen na den slag gevonden, en in ’t klooster Bloemkamp, bij Bolsward, begraven, doch later, zoo men wil, naar ’s Gravenhage vervoerd. Des Graven dood gaf alom groote droefheid. Men verklaarde de goederen der Friezen verbeurd, en eene wraakzuchtige bende begaf zich naar het eiland Marken, stak een Monnikenklooster, tot de Abdij van Mariëngaarde behoorende, in brand, en wierp de ongelukkige Cellebroeders in zee. Verg. Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. III. 118, volgg; Teg. Staat, I. 493, en de daar vermelde Schrijvers.

Bl. 105—Ao 1348.

Onze kronijk maakt mede geen gewag van het Bestand, tusschen de Friezen en den Graaf van Holland den 22 Junij 1348 gesloten. Dit voor de Friesche Geschiedenis zeer gewigtig stuk, in ’t Charterb. van v. Schwartzenberg niet vermeld, komt voor als II Bijlage achter de uitmuntende Verhandeling over den oorsprong der Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, van den Rijks-Archivarius Mr. J. C. de Jonge (Leijden, 1817). Het vredeverdrag werd gesloten met de Edele en Aanzienlijke Mannen, Heer Willem, Hertog van Beijeren, Graaf van Holland, Zeeland en West-Friesland en Heer Jan van Beaumont, benevens de Ridderschap, Steden, overige Ingezetenen der voorzeide Landen, door de Prelaten, Grietmannen, Hovelingen en de geheele Gemeente der Landen van Oostergo en Westergo. Deze beloven daarbij met algemeenen wijzen en rijpen rade aan hunne partijen en al derzelver bondgenooten, een vast bestand zonder arg of list, gedurende twintig aaneenvolgende jaren, van af den toen eerstvolgenden St. Jacobsdag, om den kwaden twist tusschen hen ontstaan te bedaren, uit te dooven en tot goed verdrag te brengen, en zulks op de volgende voorwaarden:

Dat de onderdanen van den Graaf de grenzen dezer landen niet zouden mogen overschrijden, zelfs niet om eenig schijnbaar gevaar te ontgaan; met uitzondering echter van het geval, dat zij door storm of dergelijke oorzaken in vrees en angst waren gebragt, als wanneer zij met hunne goederen en personen, zich moesten houden aan het gezegde bestand.

Dat, zoo zij echter hier plagten te vertoeven om koophandel te drijven, zij ten allen tijde en zooveel hun behaagde de drie plaatsen dezer landen, waar de waren ter koop aangeboden en markten gehouden worden, namelijk Harich en Cornwerth in Westergo en Holwerth in Oostergo, zouden mogen bezoeken en die weder verlaten, onder de hierna te melden voorwaarde van dit zelfde bestand.

Dat het voorzegde bestand zich zoude uitstrekken tot alle rivieren, zeeën, steden, dorpen en plaatsen, waar de wederzijdsche ingezetenen mogten zamenkomen of elkander ontmoeten, buiten de grenzen van beider gebied.

Dat zoo iemand door ingeving des Duivels of op eenige andere wijze buiten belegden rade van regteren en hovelingen dezer landen, iemand van ’s Graven onderdanen mogte beleedigen, dooden of zijner goederen berooven, tegen den inhoud van dit verdrag, het bestand daardoor niet gerekend zoude worden verbroken te zijn, maar dat den beleedigden naar de wetten en gewoonten der plaats, waar het voorzegde misdrijf had plaats gehad, door de gestelde regters voldoening en schadevergoeding zoude verschaft worden, gelijk zulks in het omgekeerde geval ook bij ’s Graven ambtenaren naar hunne wetten zou gevorderd worden.

Dat, om ’s Graven wille, dit bestand, zich ook ter goeder trouw uitstrekken zoude tot die van Stavoren, wier voorspraak Hij geweest was, en dat hun ten volle vergund werd, om binnen de grenzen dezer landen terug te keeren en er te verblijven.

Hierop wordt er het volgende slot bijgevoegd: Ten bewijze hiervan is deze tegenwoordige bevestigd met de Zegels der Landen van Oostergo en Westergo, der eerwaarde Heeren Abten van Bethanien en Klaarkamp in Oostergo, Bloemkamp en Ludingakerk in Westergo, en der steden Dockum en Leeuwarden in Oostergo, Sneek en Bolsward in Westergo. Gegeven in ’t jaar onzes Heeren 1348 Zondags na het feest der H. Drieeenheid.

Dit is de zakelijke inhoud van het Bestand, welke aldus is medegedeeld, met eenige zeer belangrijke ophelderende Aanteekeningen, in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 31 Julij 1832, waarnaar wij den Lezer verwijzen.

Bl. 105.

In den jaare 1361. Over deze merkwaardige Vergadering en derzelver werkzaamheden leze men Westend. Jaarb. II. 200, volgg.

Bl. 106.—Ao 1388.

Folkmer Allena. De Kronijkschrijver E. Beninga deelt nopens dezen man een volksliedje mede, om deszelfs vorm en oudheid merkwaardig. Het staat in de Anal. v. Mattheus, IV. 158 en 159, en in ’t Jaarboek van Westendorp, II. 245, met eene veranderde spelling.

Bl. 107.—Ao 1397.

In den jaare 1397. Ik houd het er voor dat dit moet zijn 1396. Onze kronijk echter verwart deze en andere veldtogten met elkander. Van dit ongelukkig gevecht vinden wij bij alle Schrijvers uitvoerige vermelding. Winsemius stelt het ook op 1397, tegen de aanteekeningen van Edo van Jonghama, Petrus van Thabor en Emmius aan. Hier moet ik opmerken, dat men bij gelegenheid van dezen merkwaardigen togt van Hertog Albrecht van Beijeren tegen de Friezen het eerst gewag vindt gemaakt, dat de schepen in deze landen van geschut en buskruid zijn voorzien. Hiervan wordt melding gemaakt in een Handschrift, berustende in ons Rijks-Archief, in ’t welk men leest, dat, op bevel van Hertog Albrecht en deszelfs Raad, Bussen, Kruid, Steen, Schutte, Vierpannen, Torken en andere behoeften worden aangekocht, welke men in de groote schepen noodig had80. In een Hanzee-verbond van den jare 1418, waartoe ook de Nederlandsche steden behoorden, wordt aan het scheepsvolk verboden op lijfstraffe wapenen en buskruid te verkoopen81. Twintig jaren later wordt onder de middelen van verdediging en afbreuk op de schepen uitdrukkelijk van Bussen, dat is, van kanon, melding gemaakt. Sedert dien tijd werd het geschut en ook het handgeweer meer en meer algemeen, en op de schepen de gewone wapenen82.

Over den tijd der uitvinding van het buskruid is men oneens, daar velen, niet te onregt, beweren, dat het vóór Berthold den Zwarten reeds bestond. Zeker is het, dat het gebruik daarvan, hier te lande eerst in 1350 of 1351 is geweest, en wel in het beleg van het Kasteel Rozenburg, nabij Voorschoten.

Maar ik mag niet voorbijgaan het koddig verhaal van Cornelis Kempius, waarin hij beweert, dat een Friesch Koning, met name Chimoscus, den Graaf van Holland en zijne twee zonen met een musket had doodgeschoten, en ook in een tweegevecht, ter oorzake van ’s Graven dochter, de schoone Olimpia, met Graaf Roeland van Vlaanderen, zijn schutgeweer gebruikt had, zoodat de Friezen uitvinders van het buskruid zijn, hetwelk Hamconius ook bevestigt, die mede Chimoscus voor den uitvinder daarvan houdt. Wij evenwel betwijfelen het zeer, en geven liever aan het dichterlijk vernuft van den geestigen Ariosto, aan wien Kempius zijn verhaal ontleende, de eer dezer vinding. Verg. Oudh. en Gest. II. 354–357. E. Beninga, in zijne Hist. van Oost-Vriesland op de jaren 1379 en 1380, vermeldt, dat men destijds in de Friesche onlusten zich van buskruid en geschut bediende. Zie Driessen, Mon. Groningana, II. 399.

Bl. 109 en 110.

In den jaare 1400–1401. Onder al de twisten en oorlogen, de rampen en onheilen daaruit geboren, waren het niet altoos de Friezen en onderlinge partijen, bij welke men de aanleiding en oorzaak zoeken moet, maar aanhitsing en ondersteuning van buiten, alles naar staatkunde en eigenbelang berekend, heerschzucht en vijandschap van Bisschoppen, Graven en anderen, gaven meestal voedsel aan den burgeroorlog. Vandaar ook die (zoo als men ze noemde) Groote, dat is, woeste en beruchte lieden dezer eeuw. Onder de zeeroovers dier tijden was Stortenbeker een befaamd man, in het drinken zoowel als in het vechten: dit blijkt uit den bij hem gevonden grooten beker, toen hij gevangen genomen werd, waarop dit kreupel vers stond:

Ick Joncker Sissingha,
Van Groninga,
Dronck dees hensa,
In een flensa,

Door myn kraga,
In myn maga.

Bl. 111.—Ao 1404.

Sjoerd Wiarda. Naar dezen Potestaat ontving het slot te Goutum den naam van Wiarda-State, hetwelk hij reeds in den jare 1404, toen hij met Harinxma tot Potestaat verkozen werd, bewoonde. Ons werd de navolgende geschrevene aantekening, op Schotanus zijne Beschryvinge, van den Old-Raadsheer Tjalling Edo van Sminia, medegedeeld:

»Goutum. Hier ligt de State Wiarda, een groot sieraad van dit dorp, een schoon gebouw met zijn hovinge en graften, bewoond bij den Hr. Jonkheer Tiberius Pipinius van Eminga; wierde bijgenaamd Schenkinsma, gelijk daar ook leggen Putsma, nieulinks met eene nieuwe hovinge en een welbeplante opreed versiert door den Hr. Jonkheer Ruurdt van Burmania; en Drinkuitsma door denselven afgebroken en geslegt, daar nabij gelegen. Deze drie plaatsen plegen van drie Gebroederen bewoond te worden, die groot vermaak schepten in ’t drinken, en daarop roemden; tot hare gedachtenisse wierde dit versje gemaakt: