In den jaare 1498 is Albrecht, Hertog van Saxen, door Keizer Maximiliaan in Friesland gezonden; hem aanstellende tot Erfstadhouder, of Erfpotestaat van Oostergo, Westergo, Sevenwouden, Groningen en Ommelanden, Ditmarsen, Strandfriesen, Wirsters en van Stellingwerf: zynde de Keizer, door quaade aandieningen van zyne Gezanten, verkeerdelyk onderricht omtrent de verschillen der Landzaaten: te weeten, als dat dezelve wel tot merkelyk nadeel van het Roomsche Ryk mogten uitvallen: heeft daarom de vryheid der Friesen omverre geworpen, alschoon dezelve van Karel den Grootes tyden af, ook by zynen vader Sigismund, en noch onlangs door hem zelve zo wel bevestigt was. Maar de voornaamste oorzaaken waren, dat Hertog Albrecht, hebbende de voogdyschap der Graaflykheid van Holland voor Philip van Oostenryk bedient, die in het voorgaande jaar mondig was geworden, eischte, voor de onkosten, die hy in den oorlog tusschen de Hoekschen en Kabeljauwschen te beslegten hadde gemaakt, een zomma van 350000 rhynsche guldens: ter verzekeringe voor die zomma, eer het konde opgebragt worden, heeft Maximiliaan Friesland, enz., als een leengoed des Roomschen Ryks, hem te pande gegeeven; tot ’er tyd toe dat gemelde 350000 rhynsche guldens door Philip of de zynen aan hem zouden opgebragt zyn. Waar op Albrecht van Saxen, op zyn luimen leggende, hoe hy een voet in het Land zoude krygen, heeft door heimelyke listen en bezendingen zo veel te weege gebragt, dat eenige Schieringers, die nu de zwaksten waren, een verbond met hem maakten. Doch de Hertog de Friesen in ’t gemeen ongenegen vindende, besloot eerst om dezelve met geweld te bedwingen; maar in raad weder veranderende, bragt door verscheidene listen en bedriegeryen vreemde krygslieden in ’t Land; waar door hy de Schieringers met veele geweldenaaryen tot verdrag bragt, en hem in Westergo innamen. Daar op zyn de Vetkoopers, na eenige vergeefsche tegenweer, mede tot de huldiging des Hertogs wegens Oostergo vereenigt. Alleen stond Leeuwarden, en eenige aanhang, hem noch tegen: doch na eenigen tyd belegert te zyn geweest, gaf het zich mede in het verdrag. Hier op liet de Hertog te Leeuwarden aanstonds een blokhuis bouwen, van de steenen der afgebrookene stinsen, die hy tegens wille van de eigenaars liet afwerpen, om tot gemeld blokhuis te gebruiken.
In den jaare 1499 had Graaf Edzard van Oostfriesland het oog op Groningen, doch die van binnen zulks gewaar wordende, trokken uit, onder het bevel van Ulrich, te Dornum, met 200 mannen, neemende den Dam in en bezetteden de aankomsten aan de Eems, als Farmsum, Oterdum, Reide, enz., en deeden verscheidene Ommelander heerenhuizen omverre werpen. Evenwel trok Graaf Edzard met zyne krygsmacht over in den Oldambte, bestaande het geheele leger uit 2800 burgers en soldaaten, benevens de Ommelander Hovelingen, neemende aanstonds Pekel a Borg in. Daar na dwongen zy de Oldambsters 2200 rhynse guldens brandschattinge af; en trokken dus voort voorby Slochteren, tot in het klooster Wittewyrum: waar door de Groningers den Dam en de andere plaatsen verlieten; en dezelve door des Graaven volk wederom in bezettinge wierd genomen. Graaf Edzard zelfs quam met 1000 burgers over de Eems; hy was uit den Oldambte naar huis getrokken, en deed groot geweld van rooven, branden, en schattinge te vorderen. Doch de Groningers spaarden hunne vyanden ook niet. Nochtans maakte Graaf Edzard een kasteel te Oterdum, en den Dam vast tot een oorlogsstoel.
Ondertusschen zonden de Groningers 400 soldaaten, met een goed gedeelte van oorlogsgereetschap voor het huis te Sauwert: ’t welk ten eersten aan hun wierd overgegeven; wordende aldaar de vestingwerken afgeworpen, en de bezettinge gevangkelyk mede in de stad gevoert.
Den 22ste van July is Jonker Fox met zyn volk, 250 mannen sterk zynde uit Friesland, over Drenth, naar Graaf Edzard willende, door de Groningers omtrent Cropewolde aangetast en geslagen; Fox zelve wilde zich niet overgeeven, schoon hy verscheidene wonden gekregen had, maar vogt, op zyn kniën leggende, zo lang tot hy den geest gaf. De Groningers hadden hier een groote overwinninge, want 30 bleeven ’er, behalven Fox zelve, van de vyanden dood, en 125 wierden ’er gevangen.
Alhoewel deze Jonker Fox altoos der Groningers ergste vyand is geweest, hebbende zy hem evenwel, om zyne dapperheid, naar Groningen gevoert, en aldaar in de Minnebroeders kerk, met eeretekenen begraven. Door het verslaan van dezen Jonker Fox, heeft het plaatsje Foxhol zyne benaaminge bekomen.
In dit zelve jaar, quam Hertog Albrecht, met zynen zoon Hendrik, te Harlingen aan; en wierd eerst te Franeker, en daar na te Leeuwarden op ’t Oude Hof ingehuldigt. Binnen Franeker heeft hy, om eene goede bestellinge der wetten in den Lande te geeven, den Hoogen Raad, die wy nu noch het Hof van Friesland noemen, ingestelt.
Daar na vertrok Hertog Albrecht uit Friesland, naar Meissen, in Duitschland, laatende zyn zoon Hendrik, aangestelt als Stadhouder, op het Hof binnen Franeker; zynde het Slot van Sjaardema. Doch deze niet wel onderrecht zynde, leide de gemeente ondraagelyke lasten op; waar door een groot oproer ontstond.
In den jaare 1500 hebben de Friesen hem in Franeker met 16000 mannen komen belegeren: en vooral waakende dat ’er geen meerder vreemd krygsvolk in ’t Land wierd gebragt, zo namenze dit volgende voor hunne leuze: Fjouwer lotter-claer leep aayen op in finne herne in ien nest80. Die dit niet zeggen kon, achten zy een Uitlander te zyn, en wierd aanstonds veroordeelt om verdronken te worden. Om hunne belegeringe voort te zetten, en gemelde stad te vuur en te zwaard wel aan te tasten, hebben zy de Groningers ondertusschen voor vier stukken geschut, tot dit beleg benoodigt, alle het zilverwerk en andere kostelykheden, uit alle kerken en kloosters geligt zynde, te pande gegeven. Albrecht ondertusschen, met veel volk uit Meissen te rugge komende, slaat, met een onderstand van den Graaf van Holland, het leger voor Franeker weder op. Waar op die van Leeuwarden hunne stad verlaaten: en Hertog Hendrik trok daar weder in, bedryvende alomme veel moedwille, brengende veele Edelen en gemeene lieden in ballingschap.
In dit zelve jaar is den Dam door de Groningers belegert, en zeer hevig beschooten, maar het afkomen van Graaf Edzard, en de overstroominge van het water, deed hen dezelve wederom verlaaten, en naar Groningen trekken. Waar op des Graaven volk, in moedwil uitbarstende, hier na de dorpen Wagenborgen, Uithuizen en Meden in brand stak, waar door veele huizen verteerden.
Ook zynze daar na in de Marne gevallen, hebbende de Groningers, die met de landlieden te zamen vereenigt waren, geslagen; en daar na ongehoorde gruwelstukken van rooven, moorden en branden, vrouwen verkragten, en kerkschenderye bedreeven.
Groningen wierd door de Saxen op den eersten van Augusty aan de noordzyde belegert, leggende het geheele leger voor de naaste molenbergen van de stad; van waar hetzelve, doch met weinig schade, 15 a 16 dagen beschoten wierd. Maar hunne schepen van proviand en oorlogs-ammunutie lagen het Reidiep langs, waar by 1000 mannen Saxen tot dekking in Jarges tigchelwerk geposteerd waren.
Onderwylen quam de Bisschop van Utrecht, met verscheidene heeren uit de Staaten des Lands in ’t leger, en bewerkte zo veel tusschen den Hertog van Saxen en de stad Groningen, dat de vrede op den 21ste van Augusty te Aduard voor eenige maanden geteekent wierd. Waar op het beleg aanstonds wierd opgebroken, en 12000 soldaaten daar van naar Friesland gezonden; trekkende de Hertog zelve met het overige volk naar den Dam, en van daar naar Embden; daar hy, na eene ziekte en hoofdwonde, die hy door een musquetkogel in het beleg had ontfangen, op den 8ste van September is komen te sterven.
Deze is, volgens het recht van erffenisse, in ’s vaders plaats gekomen; na dat zyn broeder Hendrik zyn recht aan hem by verdrag had over gedaan.
In den jaare 1501 hebben de Groningers 2000 soldaaten aangenomen, onder voorwaarde, dat zy hen den Dam zouden helpen winnen, waar voor zy dan zouden genieten, behalven de plondering, 7000 guldens, en al het geene dat zy tot dien aanslag noodig zouden hebben. Daar op zynze den 18de van May met malkander uitgetrokken, en berenden voorts den Dam aan drie kanten; neemende ondertusschen Delfzyl weg, en sloegen het daar binnenleggende guarnisoen dood. Vervolgens deeden zy verscheiden stormen op den Dam, en schooten ’er den brand in: maar die van binnen zich mannelyk kwytende, sloegen hen t’elkens af. Ondertusschen quam Graaf Edzard met 4000 mannen over de Eems, regt uit naar den Dam, stellende zyn krygsvolk, in drieën verdeelt, in slagorde, met het geschut vooraan, en marcheerde alzo op den weg van Jukwert, regts tegens hunne vyanden in; waar op het bloedvergieten aanging, en wierd ’er zo gruwelyk onder de Groningers geslagen, dat ze den Dam moesten verlaaten, en de vlugtende tot aan Groningen nagezet; die zo droevig verslagen of in de Damstervaart verdronken, dat ’er, naar ’t zeggen van zommige, 3000 mannen wierden verlooren, waar onder vier Burgemeesters zoonen van Groningen, als Albert Jarges, Harmen Jarges, Gosen Schaffer, en Johan Mepsche. Daar na namen de Saxen het Huis te Mude in, en verbranden eenige molens en kapellen aan de noordzyde voor Groningen; ook op een na alle de molens en huizen aan de zuidkant, tot aan de gragtswal.
In den jaare 1502 quam de jonge Hertog van Saxen in Groningerland, by hem hebbende zes Graaven, veele Edelen, 200 ruiters en 300 soldaaten, met allerlei veldstukken en bagagie. De eerste nacht bragt hy door te Aduard, mits naauwe wacht houdende voor de Groningers, hoewel ’t bestand noch liep. Van daar trok hy naar den Dam, alwaar hem de burgers met kruissen en vaanen te gemoet traden, en met veele eeretekenen in haalden. Zy droegen altemaal vellen op hunne knieën, ten teeken van onderwerping: waar op de hovelingen uit de Ommelanden, in den Dam wezende, hem mede huldinge en eed hebben gedaan.
In dezen tyd hebben de Groningers met Hertog Karel van Gelder een verbond gemaakt; mits dat de wederzydsche burgers in elkanders land een vryen koophandel zouden mogen dryven.
In den jaare 1504 heeft Graaf Edzard, by de punterbrug, een zeer sterk kasteel laaten bouwen; ’t welk naderhand Weerdenbras genaamt is geworden.
In den jaare 1505 was te Harlingen een zwaare nood van water, waar door veele dyken doorbraken. Daar op volgde een groote droogte in den lande, waar door zwaare branden in de veenen wierden veroorzaakt: als ook te Hindeloopen, dat met ’er kerk voor ’t meerendeel geheel verteerde.
In dit zelve jaar, den 8ste van April, trok een party Groninger burgers en soldaaten naar Onderdendam, en bragten by hunne te rugkomst 14 Saxische soldaaten en twee boeren gevankelyk mede in Groningen; waar door het oorlogsvuur weder ontstooken wierd.
Den 20ste dito quam een troup Saxischen uit Aduard, in den nacht, by de Aa Poort, en verbranden aldaar 8 a 9 huizen. Daar tegen zonden de Groningers 4 a 500 mannen naar Oosterwyrum en de omleggende plaatzen, brandende het dorp Heveskes geheel af, en haalden een grooten buit van ossen, koeyen en schaapen van Wytwert, enz.; alwaar de kerken wierden aangetast, de goederen daar uit gehaalt, en naar Groningen gevoert.
Den 22ste van Augusty wierden de Groningers en Saxischen te Haren handgemeen, alwaar de eersten 20, en de laatsten 100 mannen op het slagveld lieten leggen.
Aldus de oorlog wederom een begin genomen hebbende, droeg de Hertog van Saxen het veldheerschap op aan Graaf Edzard van Oostfriesland, en Jonker Vitus, van Draaksdorf, die de Groningers ’er toegangen zeer naauw lieten bezetten: waar door die van binnen, zich zeer geprangt vindende, en van alle hulpe ontbloot ziende, wierd het gemeene volk nochtans, door de onmenschelyke wreedheden der Saxen, te meer verbittert: waarom de Groningers hunne bescherminge by iemand wilden zoeken. Hier op verkozenze Graaf Edzard, van Oostfriesland, voor hunnen Beschermheer; aan wien zy de stad opdroegen; waar van de artykelen in den jaare 1506, op den 24ste van April, wierden bezegelt, wordende in dezelve alle de privilegien en vryheden, die Groningen met haare ingezetenen ooit gehad hadden, behouden. Daar op quam de Graaf met zyne keurlyke krygsbenden, verzelt met veele Edelen, naar Groningen af; gaande de Magistraat van de Stad, benevens de jonge manschap en soldaaten, door de Poele Poort uit, hem tot aan Ooster Hoogebrug te gemoet, en deeden hem aldaar den eed van getrouwheid. By de Poele Poort gekomen zynde, ontfong hy uit handen van Burgemeesteren de sleutels van de stads poorten. Vervolgens wierd de Graaf met een prachtige staatsie, onder het losbranden van ’t kanon, trommen- en trompettengeschal, luiden der klokken, enz., ter stad ingehaalt; rydende alzo de Poelestraat door, naar de markt, alwaar het krygsvolk in volle wapenen, in ryen en gelederen geschaart stond, tot aan de hoek van de Gelkingestraat, daar het logement voor hem bereid was. Daags daar aan ging hy in St. Walburgs kerk, alwaar de burgers hem huldinge, pligt en eed deeden, volgens inhoud van het accoord. Daar na deed de Graaf een sterk en zwaar kasteel bouwen, tusschen de Steenstil en Ooster Poort, zynde voorzien met zeer wyde en diepe gragten en hooge wallen.
In den jaare 1506 quam Hertog Georg in Friesland, en wierd ingehuldigt. Hy gebood, om over geheel Friesland te gebruiken de Workumer ellen, het Bolswerder loopen, de Leeuwarder kanne, de Keulsche wicht; en het Hof van Gerichte, by zynen vader te Franeker ingestelt, liet hy naar Leeuwarden vervoeren. Daar na liet hy het Bild allereerst bedyken, na dat het al eenige jaaren goed vast land was geweest, en by zynen vader Albrecht in eigendom ware genomen, zonder dat de Staaten des lands daar in bewilligt hadden.
In dezen tyd heeft gemelde Hertog ook de Floreen Rente over den Lande gestelt, en elk naar hunne schattinge doen betaalen; waarom, om het zo veel te gemakkelyker in te vorderen, hy het Landschap in zyne hoofddeelen onderscheiden heeft: die wy nu Grietenyen noemen.
In den jaare 1507 heeft de Hertog van Saxen, na dat Graaf Edzard Groningen in ’t bezit had genomen, groote pretensien van den Graaf en de Groningers gevordert. Doch deze questien zyn te Constans op den Ryksdag gebragt, alwaar wederzydsche Gezanten wierden gezonden; maar naderhand ook te Keulen hervat.
In dit zelve jaar is de vaart van Leeuwarden naar Franeker, en naar Bolswert begonnen gegraaven te worden.
In den jaare 1508 is Norden, in Oostfriesland, door zyn eigen vuur voor ’t meerendeel verbrand. En op den 16de van October was de tweede St. Gallus watervloed, welke in Oostfriesland en elders groote schade veroorzaakte: wordende in de zelve kabeljauw en wytingen voor Groningen gevangen.
In den jaare 1509, den 26ste van September, was ’er een hooge watervloed over Friesland, Groningerland, en elders, waar door niet alleen verscheidene dyken zyn weggespoelt, maar ook veele menschen en beesten verdronken. By de Dollaart scheurde een stuk lands af, op welke 10 a 12 zwaare beesten te weiden gingen, van het overige land in den Oldambte, en dreef over de Dollaart, in Reiderland, alwaar het vast en behouden bleef zitten; ’t welk naderhand een oorzaak van proces gaf tusschen die van ’t verdrevene en ’t aangespoelde stuk land.
In den jaare 1511 ontstond ’er te Leeuwarden een zwaare brand, die wel 200 huizen verteerde.
In den jaare 1512 wierd Koeverden door Roelof van Munster, gewezene Drost van ’t Drenth, met verrassinge ingenomen. Doch zeer kort hier na, heeft de Bisschop Munster hem wederom belegert, en tot verlaatinge dier plaats gedwongen; stellende daar doe wederom tot Drost Adolf van Rechteren.
In den jaare 1513 zond de Keizer Maximiliaan een scherp mandaat aan Graaf Edzard, hem gebiedende, op zwaare straffe, de stad Groningen te verlaaten, en dezelve aan den Hertog van Saxen in te ruimen: doch vrugteloos.
In den jaare 1514, in het begin, deed de Hertog van Saxen, ziende dat hy ’t met die van Groningen niet eens konde worden, een inval in Oostfriesland, doende allerlei wreedheden van moorden, brandschatten en branden. Zy belegerden zelfs Lieroort; doch dat zy, na de Hertog van Brunswyk zyn leeven daar voor had verlooren, moesten verlaaten.
Den 7de van Juny wonnen de Saxen in Groningerland het sterke klooster Selwert, doende het zelve versterken, en met een sterk guarnisoen bezetten. Ook hebben zy Delfzyl met geweld ingenomen, slaande aldaar alles dood dat zy vonden, slegten de werken, en staken het plaatsje in brand.
Voorts quam Graaf Edzard, na dat hy zyn eigen land tegen de Saxen had verdedigt, met 700 mannen hulptroepen te Groningen; die op den volgenden dag buiten de Bottinge Poort met de Saxen slaags raakten, waar door veelen sneuvelden.
Den 21ste van July, trok de Hertog van Saxen met zyn leger, om zich aan Groningen en Graaf Edzard te wreeken, voor den Dam, doende die plaats aan drie zyden belegeren. Daar binnen waren 800 kloeke welgewapende mannen, een goede meenigte boeren, en een strydbaare burgerye tot bezettinge. Otto van Diepholt was Commandeur; benevens hem waren ’er noch eenige dappere Edelen. De belegeraars damden de slooten, en sloegen by nacht een brug over de vaart: zy aprocheerden, werkten in de aarde, en schooten met gloeijende kogels hevig op de stads vesten en poorten. Die van binnen queeten zich dapper: maar de groote menigte der vyanden stormde op den 3de van Augusty op de drie poorten te gelyk, met een afgrysselyk geweld: na dat zy t’elkens waren afgeslagen, met den jongen Hertog van Brunswyk achter hen, roepende vreesselyk, en dreef zyn volk alzo aan, tot dat zy eindelyk de belegerden overwonnen, en in de stad quamen; waar op het moorden aanging, wordende in de eerste furie noch kerken, noch autaaren, noch kraamhuizen gespaart. De jonge Hertog rende door de straaten, met het bloote zwaard in de hand, roepende: Sla dood, sla dood, tot wraake van myn Vader! Veelen zyn op de autaaren, eenige met de beelden omvat, en andere met het kruisifiks in hunne handen, omgebragt. Eylco Lewe stond met een lang slagzwaard in zyn hand, en sloeg zo gruwelyk onder de vyanden, dat ’er veelen met hem gedood wierden. Het getal der dooden wierd in alles op 1136 gerekent. Omtrent 200 soldaaten en weinige burgers wierden ’er gevangen genomen; doch 150 waren ’er reeds in den beginne der overval ontkomen. De Commandant Diepholt, en noch een Kapitein, wierden gekeetent en gevangkelyk naar Medenblik gevoert. De vrouwen en kinderen wierden ook gevangen gezet en gepynigt, om de verborgene schatten aan te wyzen; en daar na naakt en bloot ter stad uitgejaagt. En de schoonste maagden en jonge vrouwen wierden door de soldaaten eenigen tyd tot vuile lusten gehouden.
Hier na heeft Graaf Edzard de Regeeringe van Groningen verlaaten: waar op de Groningers Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, voor hunnen Beschutsheer hebben aangenomen; doende voorts den eed aan zyn Marschalk Willem van Ojen op den 3de van Novemb. in St. Walburgs kerk.
In den jaare 1515, omtrent Driekoningen Dag, hebben de Saxischen uit den Dam de kerk en ’t geheele dorp Farmsum geplondert en ten eenemaal verbrand.
Den 17de van Maart namen de Groningers het kasteel of blokhuis by Aduwarderzyl in, en hebben het ten eenemaal geraseert en geslegt. Ook hebben zy, met hulpe Van Graaf Edzards volk, Delfzyl met geweld ingenomen: als mede den Dam, alwaar in ’t uittrekken der Saxische troupen een groot tumult ontstond; want de burgers en eenige soldaaten, de oude bejegeningen noch in ’t hoofd zittende, vielen in hunne achterhoede, plunderden de bagagie, en ontnamen hun vele goederen.
Daar na quam de zwarte Hoop, zynde een zamengeraapt volk van ruim 5000 koppen, in Friesland vallen; welke alle de dorpen, daarze aan quamen, in koolen zettede, als mede de steden Workum, Hindeloopen en Molkwerren ook afbranden.
Ook hebben de Groningers het kasteel Weerdenbras, by de Punterbrug, ingenomen.
Na dat Hertog Georg in voorige jaaren veel moeite met de Groningers en Graave van Oostfriesland hadde gehad, en de Graave met de Groningers hunne gerechtigheid aan Karel, Hertog van Gelderland, overgedraagen hadden, zo hebben de Gelderschen de Sevenwouden en ’t grootste gedeelte van Westergo met een meenigte van volk afgeloopen. Waar op Georg van Saxen, geen middel ziende om de Friesen weêr onder zyn geweld te krygen, uit het land vertrokken is; laatende zynen Stadhouder Everwyn, Graave van Benthem, alhier.
Ondertusschen maakten de Gelderschen in de Zuidhoek, als te Workum, Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en Slooten, zeilschepen; om in de Zuiderzee op het ontzet der Hollanders te kruizen: onder dewelke zich Groote Pier, geboortig van Kimswert, mede begeeven heeft. Deze Groote Pier was door de Saxischen van alle zyne goederen en welvaart beroofd, ook hadden zy het dorp, daar hy woonde, in brand gestooken: waarom hy met een aanhang van meer dan 500 vrienden, op gemelde schepen gegaan was: en hebbende verscheidene gelukkige zeeslagen met de Hollanders gehouden, en veele scheepen van hen genomen, zo maakte hy verder de geheele Zuiderzee vry.
Hertog Georg, veel geld en moeiten te vergeefs verspilt hebbende, om de Friesen te vermeesteren, droeg, na alle zyne nederlagen, het erfrecht over aan den Prins van
In dit zelve jaar 1515, Karel, Koning van Spanje, en na een korten tyd Keizer van ’t Roomsche Ryk, nu Erfheer van Friesland geworden zynde, stelde Graaf Floris van Ysselstein tot Stadhouder aan; die zich met de zynen eerst alleen binnen Leeuwarden, Franeker en Harlingen moest verhouden: zynde het overige des Lands meest door de Gelderschen bezet; tot welkers voordeel Sneek en Slooten in dien tyd met muuren en sterktens zyn vast gemaakt81.
En gemelde Groote Pier, speelende alle zeilen blank82, nam weg alles wat tegen de Gelderschen aanquam, werpende veele menschen overboord: en inzonderheid te Workum, dat hy inneemende, de Hollanders de voeten spoelde, daar by voegende dit grove Friesche vloekwoord: Sjug ho kenne dy D: tjietten swomme83.
In den jaare 1516, in April, is Delfzyl, na dat de Graaf Edzard zyne bezetting daar uit had genomen, door Boele Ripperda, van haare vestingen beroofd. Daar op zyn de Groningers, met hulpe van zommige Ommelanders, uitgetrokken, hebbende den Dam gedemanteleert, en voorts Weerdenbras ook geraseert. Verder, het kasteel van Graaf Edzard, te Groningen gebouwd, wederom afgebroken.
In den jaare 1517 quam ’er weder zulk een hooge watervloed, dat het water eene elle boven de dyken stond; waar men de schade wel kan afmeeten.
Groote Pier beschermde Sneek, tegen de belegeringe der Bourgoenschen; en nam Hindeloopen weder in, dat de gemelde Bourgoenschen vast gemaakt, en met 300 mannen bezet hadden: en daar na Medenblik, dat hy verbrande.
In dit jaar wierd ook tusschen de Bourgoenschen en den Hertog van Gelderland een verdrag gemaakt, na dat aan weêrszyden veele vyandelykheden waren voorgevallen; waar door de steden nu van de eene en dan van de andere zyde waren ingenomen, en de platte landen veel geweld, moord en brand hadden geleden. Doch Groote Pier, met die de Gelderschen aanhingen, zich hier noch niet toe verstaande, bleven even standvastig tegen de Bourgoenschen, en begeerden Pier voor een Beschermheer der vryheid geacht te wezen; dat hy voorheen ook zoude gedaan hebben, byaldien het zommigen niet verbrod hadden. Als hy door eenen Hollander in een brief tot afstand geraaden wierd, bespotte hy hem met een rymtje na dien tyd, voegende boven het zelve al boertende deze Eeretytelen: Ik, Groote Pier, Koning van Friesland, Hertog van Sneek, Graaf van Slooten, Vryheer van Hindeloopen, en Capitein-Generaal van de Zuiderzee84.
Dus wierd de vereeniging door de Gelderschen verbrooken, en des Keizers volk moest, als voorheen, zich alleen in Leeuwarden, Franeker en Harlingen verhouden. Groote Pier deed ondertusschen de Keizerschen op de Zuiderzee veel afbreuk, neemende gestadig aan weg alles wat hem voorquam.
In den jaare 1518 heeft de Hertog van Gelder het accoord van Maarschalk Willem van Ojen met de Magistraat van Groningen, uit zyn naam ingegaan, geconfirmeert en gezegelt.
In den jaare 1519, den 6de van February, wierd te Arnhem het vorstelyke bruiloftsfeest van den Hertog van Gelder met de Hertoginne van Brunswyk Lunenburg zeer prachtig gehouden: zynde aldaar uit deze Provintie van Groningen mede verzogt, Ludolf Conders, en Klaas Schaffer, Burgemeesteren; Willem Frederiks, Priester van St. Martens kerk, wegens de stad; en Roelof Lennep, Ritmeester, wegens de Ommelanden. Dewelke allen zeer prachtig uitgedost waren; Willem op een wagen, en de anderen te paard, zynde alle de paarden eveneens met blinkende wapenen over hunne gansche ligchamen bedekt, verzelt met 30 ruiters, in heerlyke kleederen. Hunne geschenken, dieze voor het jonge paar mede bragten, bestonden in twee zilvere wynkannen, en twee zilvere schenkvaten, zeer konstig verguld en bearbeid, wegende over de 50 mark zilver. Daar nevens bragten zy 4 welgemeste ossen, van een buitengewoone zwaarte, en 4 schoone paarden.
In dit zelve jaar, als Groote Pier bemerkte, dat de Gelderschen het land, even als de Saxischen voorheen, onder het juk van slaavernye meenden te brengen, zo quiteerde hy daarom zyn ampt, en zettede zich gerust binnen Sneek ter neêr, alwaar hy zyn leeven na eenigen tyd heeft geëindigt.
In den jaare 1520 wierd het klooster te Aduard, het waereldsche gebied, mitsgaders het recht van patroonschap over Suidhorm en Wyrum ontnomen, om reden dat eenige monniken op St. Bernards dag, onder een gastmaal, dat jaarlyks wierd gehouden, twee Edellieden, Hendrik en Frederik Gaykinga, vegtenderhand hadden doodgeslagen.85
Als Karel de vyfde nu tot Roomsch Keizer was verkooren, heeft hy in den jaare 1521 Georg Schenk tot Stadhouder over Friesland aangestelt: die, met zyn leger te Arum staande, de Geldersche steden, Sneek en Bolswert heeft gebrandschat: doch Stoffel van Meurs, Stadhouder der Gelderschen, vertrok naar Workum, dat hy vast maakte, om gemelde brandschatting der Bourgoenschen af te weeren.
Hier op dreven de Sneekers de Gelderschen uit; het welk die van Bolswert, weinig tyd daar na, mede deeden.
In dit zelve jaar, den 12de van May, is de Hertog van Gelder, door de Staaten der Ommelanden, mede tot hunnen beschutsheer aangenomen.
In den jaare 1522, den tweede van November, quam de Hertog van Gelder te Groningen; wordende door de Magistraat buiten de Oosterpoort opgehaalt, en tot aan de St. Martens Kerk geleid; alwaar hy door Mr. Willem, Kerkheer, ontfangen wierd, die hem mede naar zyn huis nam en logeerde. Des anderen daags ontfing hy op het raadhuis de sleutelen van de stads poorten, en den eed van de Magistraat en de Gezworene Gemeente, en vervolgens in St. Walburgs kerk van het gemeen. Des Sondags daar aan wierd hy door de Magistraat der stad op het Heeren Wynhuis zeer prachtig ter maaltyd onthaalt. Daar na, de Hertog vertrokken zynde, zond hy Jasper van Marwyk als Stadhouder te Groningen, die zyn logiment nam op Munnikeholm.
In den jaare 1523 bouwde Stoffel van Meurs een blokhuis te Workum, en den tooren versterkte hy met gragt en wallen, om de zeekust tegen de Bourgoenschen te beschermen. Maar wierden van Schenk vermeestert, die den tooren van boven af liet werpen, en het blokhuis met veel volk bezette. In welken tyd ook de geweldige Stins van Inthiema door de Keizerschen verbrand en vernietigt is. Doe zonden de Gelderschen eenige zeeroovers uit Dokkum; het welk de Bourgoenschen belegerden, en mede by verdrag inkreegen. Ook vlugten de Gelderschen van Bolswert naar Slooten; dat zich, belegert ziende, mede aan Schenk over gaf. En by een gemeen opbod der landlieden, zyn de Gelderschen t’eenemaal uit het land gejaagt: en Karel de vyfde tot Erfheer over Friesland bevestigt.
Ook is Schenk en Wassenaar, uit naam des Keizers, in de Ommelanden gekomen, roovende en brandende zeer schielyk onder de landlieden; vervolgens ontboden zy hen om den Keizer te beëedigen te Noorthorm, mits tot boete geevende 32000 goudguldens.
In den jaare 1525, des Vrydags voor St. Laurens, geraakte de stad Groningen in een groot oproer; alzo de Bouwmeesters en Gildens zich heimelyk verbonden hadden van hunne goederen ’er by op te zetten, om alle de accynsen, uitgenomen de wyn en het Hamburger bier, af te schaffen. Zy hadden dieshalven by de twee Bouwmeesters, noch 24 van de voornaamste personen uit de Gildens gekooren, die het zelve aan den Raad zouden voordraagen. Als deze voorstellinge op het raadhuis geschiede, stond de geheele markt van het gemeen bezet, raazende en tierende als verwoede menschen, die door des Overigheids redenen niet te stillen waren. Een groote hoop liep als woedende op het stadshuis, met een groot stuk hout in de handen, en stoote de deur van de raadkamer daar mede open; voorneemens om den geheelen Raad dood te slaan. De geene die beneden stonden, met bloote messen in hunne handen, riepen: Sla dood, sla dood; werpt ons de verraaders ter vensteren uit! Waar door de Raad zich genoodzaakt vond, deze gecommitteerden te zeggen, hunne begeerte te zullen voldoen: doende daar op de klok luiden, en hunne wille publiceren. Waar door het woedende gepeupel wederom vertrok.
In den jaare 1527 was ’er wederom een groote onlust te Groningen, waar door omtrent verscheidene magistraatspersoonen hun leeven zouden verlooren hebben: want een Jan Gryp, zynde een groot oproermaker, trok zyn zwaard uit, en riep: Sla dood! en sloeg den Bouwmeester Jan.... onder den voet, houwende nochmaals verscheidene keeren naar hem; doch wierd, door toedoen van anderen, noch gelukkig gered. De Raad, vergadert zynde, vlood van het stadshuis; ziende ieder om een goed heenkomen. De Burgemeester Hillebrands, Roltman en Rein Duirds, met noch eenige andere Raadsheeren, liepen in de St. Martens kerk; maar de Burgemeester Ludolf Conders viel by de waag onder het gespuis; waar door hy nochtans door eenige raadsgezinde burgers gelukkig wierd ontzet, neemende daar op de vlugt, de Heere Poort uit, naar Helpman op zyn hofstede.
Dit zelve jaar overleed Graaf Edzard van Oostfriesland, oud zynde 66 jaaren, binnen Embden; wordende des Vrydags na vastenavond tot Norden begraven. Na hem succedeerde Graaf Enno daar op, in zyns vaders plaats.
In den jaare 1530 heeft Keizer Karel aan zynen Stadhouder Schenk last gegeeven, om Dokkum en Slooten, welke Steden hy, na ’t vertrek der Gelderschen, hadden doen vast maaken, de wallen wederom te slegten.
In dit zelve jaar, den 10 van July, nam Graaf Enno van Oostfriesland Widmond door verrassinge in; en belegerde voorts Ezens; waar op hy verscheidene maalen stormde, en veel volk verloor; doch op den 28ste van September hebben die van binnen zich aan hunne vyanden overgegeeven; waar op, Jonker Balthazar een voetval voor Graaf Enno doende, pardon bequam.
In den jaare 1531 heeft Jonker Balthazar een hoop krygsvolk aangenomen, waar mede hy in Graaf Enno’s land trekkende, alles in brand stak wat hem voor quam; sleepende een grooten buit met zich; en begaf zich naderhand onder den Vorst van Gelder.
In den jaare 1533 heeft Jonker Balthazar den Overste Meindert van Ham met omtrent 2000 Geldersche soldaaten te Jemmigen, in Reiderland, gezonden: maar Graaf Enno hen te gemoet trekkende, heeft van hen een Vendel Gelderschen, welke by de Noorth verachtert waren, ter neêr geslagen. Doch een weinig tyd daar na, hebben de Gelderschen de Oostfrieschen aangegreepen, en deerlyk geslagen; waar door in ’t geheel omtrent 400 mannen zyn gebleven, en waar onder veele braave persoonen van aanzien.
In den jaare 1535, den 30ste van Maart, zyn omtrent 300 zo genaamde Wederdoopers, na datze hunne leere in Friesland openbaar hadden voorgestelt, byeen getrokken, overvallende Oldenklooster, by Bolswert, en namen het in; noodzaakende de monniken daar uit te vlugten; en van gedachten zynde, by aldien de Landsheer hen mogt komen bestormen, zouden de bestormers zelve door hunne eigene wapenen gedood worden. Maar de Gouverneur G. Schenk zulks gewaar wordende, zond een troup soldaaten derwaarts, en overweldigde het klooster aanstonds; waar door in de eerste furie het meestedeel dier arme menschen door de kling wierden gejaagt: 24 zyn ’er vervolgens aan galgen opgehangen, en 15 onthalst; en de vrouwen en maagden eenige te Leeuwarden, en andere in het Hempensermeer doen verdrinken.
In den jaare 1536 heeft Menno Simons, Priester te Witmaarsum, zyn priesterambt verlaaten, en zich tot de Wederdoopers begeeven: waar van dezelve den naam van Mennisten hebben bekomen, zo als zy noch in Friesland, zonder onderscheid, allen genoemt worden.
In dit zelve jaar, hebben de Groningers hunne hulpe aan den Hertog van Gelder tegens Graaf Enno van Oostfriesland opgezegt. Waar over de Hertog zeer te onvreden zynde, zyne krygsmacht deed vermeerderen, en den Overste Meinard van Ham met de zelve den 29ste van April naar den Dam zond; die aldaar ten eerste de vestingen deed versterken, steekende de voorstad by de Steenstil- en Poelepoort in brand; als ook de voorstad van de Ebbinge- en Botteringepoort; waar door, alzo de vlam over de wal quam, omtrent de Peperstraat 5 huizen en 30 schepen verbrande.
Waarom door de Staaten van Stad en Lande, door groote verbitteringe dieze tegens den Gelderschen Vorst gekregen hadden, geresolveerd wierd, zich aan het Huis van Bourgondien over te geeven; zendende derhalve hunne Gezanten aan Koningin Maria, zuster van Keizer Karel den vyfde, in Brabant, met verzoek, dat zy onder de bescherminge van zyn Keizerlyke Majesteit mogten aangenomen worden. De Koninginne heeft hen daar op met veele beleeftheid aangenomen, en voorts met een genoegzaame krygsmacht onder het bevel van Georg Schenk versterkt. Waar op Schenk den 7de van Juny met groote blydschap ter stad wierd ingehaalt, en als Stadhouder gehuldigt, doende de Raad en het Gemeen voorts den eed aan hem, uit naame des Keizers. Wordende dus de stad Groningen en Ommelanden aan de Nederlanden gehegt.
Hier na trok Schenk te velde, en sloeg de Holsteinschen in Westerwolde; nam Delfzyl in; won den Dam, Wedde en Koeverden van de Gelderschen. Hier na is de vrede tusschen den Keizer en Hertog van Gelder geslooten, welke te Groningen op den 8ste van December van ’t stadshuis gepubliceert is geworden.
In den jaare 1538, of omtrent dezen tyd, overleed de trouwelooze Hertog Karel van Gelder, oud 70 jaaren; hebbende zyne nabuuren 50 jaaren lang met verscheidene oorlogen beroert.
En omtrent dien zelfden tyd leefde Vorperus Thaborita, Kanunnik te Thabor, by Sneek; die, tot op dien tyd, de oude Friesche Geschiedenissen heeft te zamen gestelt.
In den jaare 1540 overleed Georg Schenk, Stadhouder van Groningen, in wiens plaats, hem opvolgde Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren. En den 24ste van September overleed Graaf Enno van Oostfriesland, wordende te Embden begraven.
In den jaare 1542 is een watervloed over deze landen geweest, waar door veele schade aan menschen en beesten is veroorzaakt.
In den jaare 1545, omtrent St. Jan, quam Koninginne Maria te Groningen; wordende aldaar door de Magistraat op eene zeer plechtige wyze ingehaalt, en met ryke geschenken beschonken.
In den jaare 1546 is in ’t Klooster Wittewyrum eene conferentie gehouden, over het verschil van de voorbyvaart van Embden, tusschen de Groningers en de Graavinne van Oostfriesland.
In den jaare 1548 overleed Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren, en Stadhouder van Groningen, in wiens plaatze hem opvolgde Jan van Ligne, Graaf van Arenberg.
In den jaare 1550 hebben de Groningers, benevens die van de Ommelanden, aan den Graaf van Arenberg hunnen eed gedaan, wegens Philippus den tweede, Koning van Spanje.
In den jaare 1552 was ’er, na ’t geweldig doorbreeken der dyken, en ’t vloeijen van water, zulk een harde winter, dat men van Friesland naar Ter Schelling, van Medenblik naar Staveren, en van Amsterdam naar Kampen, met paard en slede, kon over de Zuiderzee ryden86.
In den jaare 1555 droeg Keizer Karel de vyfde de bestiering der Nederlanden over aan zynen zoon Philippus.
In dit jaar, Philippus de zeventien Nederlandsche Provintien van zynen vader verkreegen hebbende, in zo een vreedzaame en wettelyke stand, als Prins of Onderdaanen konden wenschen: kreeg het Land in tegendeel in Philippus te gelyk een nieuw Heer, met allerlei nasleep van onheilen en oproer. Want als hy niet wel overdagt hadde, dat zyn vader, door eene byzondere naarstigheid, op alles een wakend oog had gehouden, met overal zelve by te zyn; zo ondernam Philippus daar en tegen, deze Landen in goede rust te zullen houden door eenen Stadhouder, blyvende zelve in Spanje.
In den jaare 1559, na Philippus de Nederlanden doorreist hadde, is hy weder naar Spanje vertrokken; bestellende het gebied der Landen aan Margareta, Hertoginne van Parma, zyne Bastartzuster: en iedere byzondere Provintie aan hunne Stadhouders, en Friesland aan bovengemelden Graaf van Arenberg; die ook het opzicht over Overyssel, Groningen en Lingen hadde.
Onder deze aanstellinge gaf hy ook met eene last, die hy hun by zeer strenge placaaten, voor zyn vertrek, gegeven hadde, en die de waare oorzaaken van alle volgende onlusten zyn geweest; waar van deze drie de byzonderste waren: 1. Het aanstellen van 14 nieuwe Bisschoppen, boven de drie, die ’er voorheenen hadden geweest. 2. Het openbaar bevel, om de besluiten van het Consilie van Trenten in den Lande uit te voeren: daar toe aanstellende Inquisiteurs en Kettermeesters87, om het volk wegens hun geloove te onderzoeken. En ten 3de. Het onderhouden van 4000 vreemde krygsknegten, ten laste van den Lande, en dat in tyd van vrede.
In dit zelve jaar is te Groningen overleden Regnerus Predrinus, hebbende aldaar veel tyd Rector der Latynsche schoolen geweest, predikende op de feestdagen openlyk het Evangelium.
De leere tegen de Pausselyke dwaalingen, nu door geheel Europa zich uitgebreid hebbende, en in Vrankryk en Engeland daarom veele vervolgingen geschiedende, zo quam ’er veel volk naar de Nederlanden vlugten. Welke vervolging strydig was tegen de oude privilegien en vryheden van den Lande, die de Koning hun beloofd hadde te behouden.
De Edelen van den Lande ondertusschen, om zulk een voorneemen naar vermogen af te weeren, kantteden zich eerst tegen de dwingnagel van de bovengemelde 4000 soldaaten, waar door het volk grooten overlast wierd aangedaan, van gevoelen zynde, dat dan de Inquisitie weinig klem zoude hebben.
Des zo beraadslaagdenze om den Koning te beweegen, dien last van soldaaten van hen af te ligten; en zyn, na veele moeijelykheden, naar Spanje afgescheept in den jaare 1561.
In dit zelve jaar is Groningen, by het aanstellen van nieuwe Bisschoppen in de Nederlanden, tot een Bisdom verheven; en wierd tot eerste Bisschop aangestelt, Heer Johan Cnyf, Minnebroeder.
In dezen tyd is wederom een watervloed over Oostfriesland gegaan, welke de dyken verbrekende, en veele beesten om ’t leeven bragt88.
In den jaare 1564 is aan de Staaten van Friesland, nevens andere Provintien, bevel gezonden van de Hertoginne van Parma, om den nieuwen Bisschop Cunerus Petri aan te neemen, en in te huldigen tot Bisschop van Friesland; zyn zetel te stellen binnen Leeuwarden, en hem in alles de hand te bieden: het welk de Staaten weigerden; verzoekende daar van ontslagen te zyn, als strydig tegens hunne vryheden en voorrechten.
In dit zelve jaar hebben de Engelschen de stapel der lakenhandel, in een tyd datze verschil met de Nederlanders hadden, te Embden geplant. Want daar quam den 23ste van May een groote vloot schepen met lakens, na dat ’er reeds 6 gekomen waren, te Embden aan. Waar over de vreugde in die Stad zo groot was, dat ’er eereschooten van weêrskanten wierden gedaan. Doch de blydschap, en het voordeel datze zich zelve daar van belooft hadden, verdween zeer haastig: over zulks de Engelschen, hun verschil met de Nederlanders vereenigt hebbende, van daar vertrokken, en bragten de lakens naar Antwerpen.
In den jaare 1565, als de Inquisitie hoe langer hoe wreeder voortging, hebben de Edelen, na lange te vergeefs by de Hertoginne vertooningen en verzoekschriften te hebben ingelevert, den Graave van Egmond aan den Koning gezonden. Dewelke, na eenigen tyd, eerst antwoord bequam, en hier op uit quam, dat des Konings meininge was, dat zyne beveelen en strenge placaaten moesten uitgevoert worden. Derhalven heeft de Gemeente ondertusschen, uit onverduldigheid, om bovenstaand langdraadig antwoord des Konings, de kerken overvallen, en alle Roomsche beelden daar uit gestormt.
Waar op in den jaare 1566 de Heer van Brederode, verzelt met meer dan 200 Edelen, uit alle Provintien, verzogten aan de Hertoginne te Brussel, om verzagtinge van die strenge beveelen des Konings te genieten. By welke gelegentheid de naam van Geusen, waar door de Gereformeerden beteekent worden, tot op dezen dag, van de geene die buiten zyn, zynen oorsprong heeft genomen: wat een van ’t Hofgezin der Hertoginne, met naame de Heer van Barlemont, dezen hoop Edelen, die slegt in de kleederen waren, het eerste aan ’t Hof ziende komen, zeide in de Fransche Spraak, dat ’er een hoop Bedelaars voor de poort waren; gebruikende het Frans woord Gueux, dat een Bedelaar beteekent. De Edelen dit verstaan hebbende, schaamden zich hier niet over; maar begeerden na dien dag altyd Geusen genaamt te zyn: waarom veelen van hen graauwe kleederen aantrokken, als de bedelende Graauwe Monniken, en houte nappen aan hunne zyde hongen, met zilvere plaatjes beslagen, waar op in ’t Latyn stond: Het gaa den Geuzen wel: of vivent les Geux.
Het voorige verzoek der Edelen naar den Koning gezonden zynde, maar het antwoord te laat aankomende, was ’er ondertusschen weder alomme door het land een algemeene kerkrooving en beeldstormerye ontstaan; en de Gereformeerden, door toelaatinge des Prinsen van Oranje, bouwden openbaarlyk kerken binnen Antwerpen. Waar op de burgers, zo te Leeuwarden als Sneek, mede de vryheid namen om de beelden uit hunne kerken te breeken, en de zuivere leere te doen stand grypen; daar veelen reeds opentlyke belydenisse van deeden. Ondertusschen hebben de Inquisitiemeesters den nieuwen Bisschop te Leeuwarden toegestaan, van de inkomsten der kloosters Mariengaard en Lidlum, tot zyn jaarlyks onderhoud, een zomma van 3000 ducaten; en ’t verdere overschot ten behoeve voor monniken en paapen.
In dit zelve jaar is de Minnebroeders kerk te Groningen door de Gereformeerden ingenomen, van de altaaren en beelden, met verlof van de Magistraat, gezuivert, en die hun stads arbeidsvolk bestelde, om de vloer van puin en belemmeringen te ontdoen, en bequaam tot de predikdienst te maaken. Doch deze zaak heeft naderhand, in den jaare 1569, eenige werklieden het leeven gekost. In de Ommelander dorpen, als te Winsum, Garshuizen, Westerembden, Ten Post, Middelstum en elders, wierd de boer door den adel opgehitst, en veele kerken, geplondert, tegens dank en wil der Overheden.
Arenberg, deze beeldstormerye verstaan hebbende, deed, uit last der Hertoginne, alle de predikanten het land uitjaagen, en alle Gereformeerden strengelyk vervolgen.
Als mede, uit naam van den Koning van Spanje, zond hy op eene listige wyze, vier compagnien Hoogduitsche soldaten in Groningen; welke aldaar, gedurende hunne inquartieringe, wegens den Koning, veel moetwil bedreven aan de burgers, inzonderheid de Gereformeerden; neemende de stads sleutels na zich, ontwapende de burgerye, en deeden een jongman, om opgelegt verraad, vierendeelen.
In den jaare 1567, als de Prins van Oranje zag, dat de zaken, na zo veele moeijelykheden, van erger tot erger vervielen, vertrok hy, met een groot gevolg van Edelen en andere aanzienlyke lieden naar Duitschland. En een schip met Edelen van Amsterdam naar Embden vlugtende zyn by Harlingen, door trouwloosheid van den schipper, in handen van Arenberg geraakt: waar onder de twee jonge Heeren van Baatenburg, en drie Friesche Edelen waren; die, nevens veele van de anderen, binnen weinig tyd daar na, te Brussel zyn omgebragt.
De Koning van Spanje ziende, dat de verwerringe al grooter en grooter wierd, besloot zyne zuster van verdere moeite te ontlasten, en zond als Stadhouder in haar plaatze dien wreeden en alom beruchten Hertog van Alva; dewelke een groote krygsmacht mede bragt, van voornemen, om alles op een wreede en gruuwzame wyze te vervolgen; die ook dien weêrgaloozen bitteren bloedraad instelde, welke alles het onderste boven wentelde.
In den jare 1568, als de vlugtelingen door de wreedheid van Duc d’Alva dagelyks meer wierden, zoo dagten zy op middelen, om weder in beteren stand in hun Land te komen. De Prins dan, veel volk vergaderende, begon van dezen tyd af den Hertog te beoorlogen.
In dit zelve jaar, in May hebben de Graaven Lodewyk en Adolf van Nassau, nevens Graaf Joost van Schouwenburg en anderen, met hunne krygsmacht in Groningerland trekkende, het Huis te Wedde, den Dam, en daar na meer andere plaatzen ingenomen: hoewelze na een korten tyd gedwongen wierden den Dam wederom te verlaaten.
Ondertusschen was de Graaf van Arenberg, nevens den Graaf van Megen, met hunne krijgsmacht en zes stukken kanon afgekomen: het welk van Graaf Lodewyk vernomen zynde, trok zyne krygsbenden bijeen, vallende den 24ste van May met eene groote dapperheid bij Heiligerlee op de vijanden in, voor dat de Graaf van Megen daar noch was bygekomen, en sloegen zoo furieus met hun nieuwgeworven krygsvolk onder hen, dat er in ’t kort veelen wierden neergevelt. Waarom Arenberg met eene groote bitterheid op Graaf Adolf los rende; en, schoon hy eerst met een kogel doorschooten wierd, heeft hy nochtans dies te verwoeder, eerst met ’t pistool, en daar na met het rapier Graaf Adolf ook doodelyk gewond; waarop zy alle beide zyn neêrgevallen, en niet verre van den anderen gestorven. De rest van Arenbergs leger, alzo ’t volk geen kennisse van ’t Land hadde, en van de Nassauschen omsingelt zynde, is meestendeels gequetst of dood gebleven. Omtrent 1600 mannen, zo Spanjaarden als Duitschen, wierden ’er verslagen, waar onder vele perzoonen van rang; daar by bequam Lodewyk veel buit, als alle de bagagie van Arenberg, zyn zilverwerk, en daar en boven veel geld, dat tot betaalinge der soldaaten gekomen was, en zes stukken kanon. Graaf Adolf wierd te Wedde, en de Graaf van Arenberg in de kerk van het klooster te Heiligerlee begraven.
Daar na trok Graaf Lodewyk met zyn leger voor Groningen, doende de stad aan twee zyden belegeren; maar de vastigheden van die plaats, groote bezettinge daar binnen, en den belegeraars zwaar geschut ontbreekende, deed hem niets vorderen: evenwel wierden ’er verscheidene aanvallen gedaan, inzonderheid op den 22ste van Juny, alwaar wel 200 van de Nassauschen, en veelen van de beleegerden sneuvelden. Maar het afkomen van den Hertog van Alva met een leger van 16000 mannen, deed hem de belegeringe den 14de van July opbreken, marcherende daar mede langs de Eems, om zich aldaar te versterken; doch de Hertog is hem zeer haastig nagetrokken, en heeft Graaf Lodewyk op den 21ste dito by Jemmingen aangetast, en zeer afgryzelyk met al zyn volk, dat niet vegten wilde, verslagen; daar bleven ’er weinigen over, en veelen wierden door ’t zwaard gejaagd, of in ’t water verdronken. Graaf Lodewyk zelve, als eenigen verhalen, ontquam het met zwemmen over de Eems; doch anderen willen, dat hy met een scheepje overgeraakt zoude zyn. Daar wierden verlooren 16 stukken kanon, omtrent 1500 paarden, 20 vendels, veele horenbeesten, en omtrent 7000 mannen.
Daar na trok de Hertog langs de dyken naar Delfzyl, voorneemens om die plaats en Farmsum tot een stad te maaken, en dezelve Marseburg te noemen: doch de smeekinge der Groningers heeft zulks terug gehouden. Vervolgens hebben de Spaanschen in het aftrekken veele dorpen in brand gestoken, eenige duizenden van horenbeesten uit het land gedreven en groote schade gedaan. Voorts quam de Hertog te Groningen, en ordonneerde aldaar een kasteel te bouwen, tusschen de Ooster- en Heere Poort, met 5 bolwerken; dat het jaar daar aan is begonnen.
Karel Brimeu, Graave van Megen, wierd Stadhouder van Friesland, van ’s Konings wegen, na de dood van Arenberg.
Den 7de van December is te Leeuwarden, voor de eerstemaal des Heeren Avondmaal openbaar, naar de wyze der Gereformeerden, uitgedeelt, na dat de gewapende burgery de beelden, door last van Burgemeesteren, uit de kerken geworpen hadden, niet tegenstaande des Konings Stadhouder, en ’t Hof zich daar tegen stelden. Ook hebben zy den Koning afgeswooren, en zich door sterke burgerwachten bevestigt. Ook wierpen verscheidene paapen hun priesterlyk gewaad weg, en verkondigden nu het zuivere Woord des Heeren.
In den jare 1569, in April, quam de Commissaris Quarre te Groningen, en informeerde zich wegens de kerkplonderinge en andere misdaaden, in den jaare 1566 gedaan. Waarop eenigen by den kop wierden gevat; doch de Bouwmeester, met twee arbeidsluiden braken uit de gevangkenis; maar de andere drie a vier zyn, niet tegenstaande het verlof van de Magistraat, om hunne begaane misdaad, op de markt onthoofd. hoofd.
Voorts hier na quam de Bisschop Johan Cnyf ook te Groningen, neemende zijn logement in het huis dat nu des Stadhouders Hof is.
Ook wierd door bevel van den Hertog van Alva een kasteel geordonneert; men bouwde het met vyf bastions, waarvan drie buiten en twee binnen de stad quamen te leggen: schietende het eene met haar punt op der Pelsterstraat, en het andere op de Gelkingestraat: waar van de gragt wierd aangelegt op 100 voeten wyd; en de benedenste voet van de wal op 75 voeten breed.
In den jaare 1570, den 1ste November, is ’er een geweldig onweder, met een verschrikkelyke hooge watersnood, uit den noordwesten ontstaan; die tot heden met den naam van Allerheiligensvloed bekent is: waar door het water zeer hoog in Vlaanderen, Holland en Zeeland is opgeloopen, doch by den dag, en diensvolgens met minder schade, als in Friesland: alwaar het des avonds, omtrent 9 uuren, het geheele Land overstroomde tot aan Sevenwouden toe; blyvende Gaasterland, en wel voornaamentlyk Oud Mardum, Ruigehuizen en Sondel onbeschadigt. De schade aan menschen en beesten was ontelbaar, en is af te neemen uit 1800 menschen, die alleen in de Grieteny van Oostdongeradeel verdronken waren; daar de vloed tot elf voeten hooger, als een gemeen ty, was opgerezen. Van Sneek naar de Lemmer voer men regt uit op zeven en een halve voet water over ’t vlakke land: râzeilen met drie masten dreven, met haar volle ladingen door de inbraaken der dyken. En een wieg, met een leevend kind en kat daar in, quam te Sneek aandryven.
In den jaare 1571 hebben de Friesen alomme, gelyk ook die van Braband en Vlaanderen, de beelden bestormt, en de paapen en monniken weder het land uitgejaagt.
In den jaare 1572, den 7de van January, overleed binnen Zwol, de Graaf van Megen, Gouverneur van Friesland, Groningen, enz. In wiens plaatze hem opvolgde Gillis van Barlamond, Heere van Hierges.
In dit zelve jaar namen de Watergeusen den Briel in; en de Prins van Oranje wierd in ’t openbaar voor een Hoofd der Vereenigde Bontgenooten verklaart. Diederik van Bronkhorst nam Sneek, Bolswert en Franeker in, alzo het volk daar meest uit verloopen was. En des Konings Colonel, Casper de Robles, Heer van Billi, daarentegen lag bezettinge op de zeedyken.
Schouwenburgs volk, gesterkt met een party, van des Prinsen macht, dat van Ameland naar Oostmahorn over quam, heeft Dokkum ingenomen: maar de Colonel Robles, hen overvallende, heeft de plaats weder hernomen, laatende de soldaaten vermoorden en schenden, en de stad in brand steeken89.
In September is Joost van Schouwenburg, als Stadhouder by den Prins van Oranje over Friesland, te Sneek gekomen; en, na eenigen tyd, trok hy binnen Franeker, en zette zich op Sjaardema’s Slot ter neder. Doch na zyn vertrek vielen zy weder in handen van Robles, gelyk ook die van Bolswert. Ondertusschen hebben ’s Prinsen volk de zeekusten, behalven Harlingen en Staveren, weder onvry gemaakt; alwaar Gaasterland en de geheele zuidhoek veel verdriet heeft uitgestaan. En inzonderheid word verhaalt, dat die van Wykel van de roovers wierden overvallen; Wybren Wykel met zyn vrouwe Doed en dochter Bauk gedood; Foockel gevankelyk naar Enkhuizen gevoert, en noch eene van hunne zusters ter vensteren uitgeworpen; Hans, hunne broeder, ontquam het met de vlugt; en het huis wierd verbrand: van welker afkomst ons noch een aanzienlyk huisgezin in onze woonplaats bekent is. Robles moest hier na Sneek weder verlaaten. Diederik van Bronkhorst nam hier op Bolswert in; alwaar hy de Overigheid veranderde, en de Gereformeerden opentlyk liet prediken; welke eerste predikatie in de Broeren Kerk gedaan wierd. Hier van daan vertrok hy naar Sneek en Franeker, alwaar hy het Stadhoudersampt, in ’t afzyn van Schouwenburg, bediende. Daar na nam ’s Prinsen volk het blokhuis te Staveren in: maar daags daar aan herwonnen ’s Konings volk het wederom, en staken de stad in brand.
Schouwenburg, eenige schattinge by een vergadert hebbende, tot reddinge der Provintie, is, na hy de zelve ontfangen had, met dien geroofden buit uit den Lande doorgegaan.
Ondertusschen heeft de Koning van Spanje, Don Louis de Requesens, Grootbevelhebber van Castilien, tot een Landvoogd der Nederlanden gezonden, in plaats van dien bloeddorstigen Hertog van Alva: die hier op aanstonds weder naar Spanje vertrok; welke roemde, dat ’er door zyn bevel wel 18000 menschen alleen door beuls handen in Nederland waren omgebragt, behalven die in den kryg waren gesneuvelt.
In den jaare 1573, is Groningerland, Friesland en Embderland, door een watervloed aangetast: waar door de dyken wierden gebroken, en groote schade aan menschen en beesten geschiede.
In den jaare 1574 heeft Casper Robles, om de verschillen en oneenigheden, al van oude tyden af, die ontstaan waren over het maaken der zeedyken, weg te neemen, uitgevonden, en volgens zyne gedachten en raad voorgewend, dezelve dyken, tegen zulke zwaare en hooge watervloeden, waar van zy zo menigmaalen de smerten gevoelt hadden, in beter order te brengen, en beginnen te verzwaaren. Wordende omtrent twee jaaren hier na, ter gedachtenisse van dit loffelyke werk, het Steene Beeld, dat noch heden by Harlingen op den dyk te zien is, op ’s Lands kosten, opgeregt: dienende met eene tot een Scheidbeeld van de afdeelinge der dyken.
Alschoon des Konings zaaken dagelyks te post verliepen, zo waren echter Staveren, Hindeloopen, de Schans te Makkum, Harlingen, en de geheele kust, na het doorgaan van Schouwenburg, weder met Robles volk bezet geworden. Doch Wouter Heegeman, Hopman van den Prins van Oranje, van Texel afvaarende, heeft Hindeloopen, by eene donkere nacht, met 300 mannen overvallen en ingenomen. Waar op die van Enkhuizen hem kruid en lood toezonden, om de plaats te versterken. Doch op het gerucht van Robles volk, dat op hem aanquam, deed hem resolveeren, de stad uit te plonderen en in brand te steeken. De Drost van Staveren begon ook zyne vestingen, daags daar aan, weder te versterken.
In den jaare 1575 Bartel Entes, met eenig volk van Ter Schelling afvaarende, lande op Oostmahorn, alwaar hy een schans opwierp: doch na eenige schermutselingen, wierd hy door ’t volk van Robles daar weder uitgedreeven.
In den jaare 1576 waaide het een geweldige storm, waar door veele boomen uit den grond wierden gerukt; en het dak van de Oude Hoofster Kerk te Leeuwarden, dat door oudheid geheel bouwvallig was geworden, deed instorten: en is tot op dezen dag niet weder opgebouwt. ’t Was mogelyk een voorteeken, dat gelyk het heidendom, voor veele eeuwen, uit deze plaats uitgeroeit, alzo deze plaats het kerkhof was geweest, daar het altaar van den Afgod Staf gestaan had, en dezelve geviert wierd, alzo ook nu het gebouw des Pausdoms in deze Landen wel haast een geweldige krak zoude krygen. Waarom wy wel mogen zeggen:
Het oude Duivels Hof, door schynschrift
lang misbruikt,
Wat wonder, zo ’t haar hoofd voor ’t regt
Geloove duikt.
In dit jaar hebben de Staaten en Voornaamste des Lands met malkanderen binnen Gent een verbond gemaakt, om de welvaart des Lands, met raad en daad des Prinsen van Oranje te helpen bevorderen: wordende gemeld verbond gemeenelyk de Pacificatie van Gent genaamt. Het welk de Koning daar na ook met zyne onderteekening bevestigde. De inhoud van dit verdrag bestond voor ’t meest: 1. Dat de vreemde krygslieden uit het Land zouden gevoert worden. 2. Dat de gebruikelykste wyze van regeeren zoude vastgestelt worden. 3. Dat ieder Provintie de zaaken van Godsdienst zoude handhaven, na dat het tot ruste des volks het beste zoude geoordeelt worden.
In dit jaar is te Madrid overleden Joachim Hopperus, geboortig van Heemelum; afkomstig van dat oud Geslacht der Hopheeren, waar van boven op het jaar 513 gemeld is; om zyne uitmuntende geleerdheid, heeft hy hooge bedieningen bekleed, als Professor der Rechten te Leuven; Heer van den Grooten Raad te Mechelen, en in den Geheimen Raad te Brussel, daar Viglius de voorzitplaats had; Heer van den Hoogen Raad der Nederlandsche Zaaken in Spanje, en ’s Konings Zegelbewaarder; waar by hem de Koning tot Ridder van de Goude Spoor sloeg, te gelyk en op een uur met Don Jan van Oostenryk.
Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab Aita, afkomstig van Swichum, by Leeuwarden; deze is mede om zyne uitsteekende geleerdheid in groot aanzien geweest, als Professor in de Rechten te Padua, in Italien, en na ’t afslaan van veele eerampten, Ryksraad in de Kamer te Spiers; wederom wierd hy Professor te Ingolstad, Heer in den Grooten Raad te Mechelen, Praeses of Voorzitter in den Geheimen Raad en Raad van Staaten te Brussel, Ridder van ’t Gulde Vlies, enz.
In dit jaar, den 7de van October, is te Groningen de Bisschop Johan Cnyf, Minnebroeder, aan de pest overleden.
Den 22ste van November ontstond te Groningen een groote onlust, door dien de Staaten Generaal, het oog op deze stad hebbende, eenen M. T. Stella herwaarts hadden gezonden, om de Magistraat en het krygsvolk tot het aannemen der Pacificatie van Gent te beweegen; als mede, dat zy ’t met de Generaliteit zouden houden; waar voor zy beloofden, alle de achterstallige schulden, van de soldaten, die zeer groot waren, te zullen voldoen.
De Gouverneur Robles, hier kennis van krygende, deed Stella aanstonts apprehenderen en pynigen, om alzo zyn commissie uit hem gewaar te worden: doch alles te vergeefs. Ondertusschen wist Stella door zyn bequaamheden in ’t geheim aan de soldaaten te kennen te geeven, dat zo zy zich voor de Staaten wilden verklaren, zy van alle hunne achterstallen ten vollen voldaan zouden worden. Hier op waren de soldaaten aanstonds als vol vuur, namen ten eersten hunnen Gouverneur Casper de Robles, benevens eenige Spaansche Kapiteinen, of die ’t met hun hielden, gevangen; loopende voorts naar de Waag, en haalden de daar staande wippe omverre, en verbrandeze op de Markt, roepende: Lang leeve de Prins! lang leeven de Staaten! Waar op zy aanstonds heen liepen en maakten Stella los; bragten hem op de Markt, en deeden hem in de naame der Staaten den eed van getrouwheid. Vervolgens zonden zy Gecommitteerden met Stella naar Brussel; die aldaar de stad aan de Staaten opdroegen, en een Gouverneur van hen verzogten: waar op de Graaf van Rennenberg is afgezonden geworden, die aldaar in den jare 1577, den 7de van January, met eenige heeren is aangekomen, en betaalden de soldaaten hunne achterstallen ten vollen, dat eenige tonnen gouds beliep. Waar op de Waalen den 13de van Maart ter stad uittrokken; daar die van binnen zeer over verblyd waren, om hunne gepleegden moetwille, daar ze nu van verlost wierden, dat ze vreugdevuuren daar over aanstaken; waar door de St. Martens toren in brand geraakte en zeer beschadigt wierd. Daar na kreeg Rennenberg Delfzyl, en stelde daar een nieuwen Commandeur. Voorts deeden de Groningers hem en de Generaliteit den eed van getrouwigheid; doende daar na het kasteel, door den Hertog van Alva gebouwt, wederom afbreeken.
Op den eersten November deed de Gouverneur Rennenberg de Staaten van Stad en Lande te Groningen vergaderen, alwaar de Ommelander Jonkers en Hovelingen compareerden in groot getal, doch niet denkende, dat er iets quaads met hen voor handen was. Maar, als zy vergadert waren, voor Rennenberg zyn propositie nog had voorgesteld of gedaan, wierden beide de leden oneens; het welke niet verdraagen wierd; waar door de Heeren van de Ommelanden door de Heeren van de Stad zyn gevangen genomen, tot 24 in getal, en in leelyke gevangkenissen geworpen: niet tegenstaande het ontzach van hunnen Stadhouder, die daar tegenwoordig was. Daar op wierd de sterkte van Delfzyl den 20ste van December van hare vestingen berooft; waar afgevoert wierden 9 metaale en 7 yzere stukken kanon, en 14 bassen.
In den jaare 1578 zyn des Konings Raaden en Grietmannen in Friesland afgezet, en andere Heeren voor hen in de plaats verkooren. Waarop de Gereformeerden, die noch in ’t heimelijk hunne oeffeningen deeden, verzogten om in ’t openbaar te moogen leeren en jaargeld te genieten, om hunne Predikanten eerlyk te kunnen onderhouden: ’t welk door den Religions Vrede, tusschen den Aartshertog Matthias en den Prins van Oranje, toegestaan zynde, zo bequamen die van Leeuwarden de Jacobiner kerk tot hun gebruik; alwaar zij voor de tweedemaal de Roomsche beelden afwierpen, en dezelve kerk tot de zuivere godsdienst inweiden.
In dit zelve jaar dagten de Ommelanders zich te wreeken; deeden derhalve in de maand February, onder den Heer Barthold Entes van Menteda, 12 vendelen soldaaten werven: maar de Groningers zulks gewaar wordende, vielen op hen uit, en verstrooidenze, waar van eenige wierden doodgeslagen, de vlugtenden nagezet, en Barthold Entes gevangkelyk van Koevorden mede naar Groningen gevoert; daar hy groot gevaar liep van met de andere gevangene Ommelanders onthoofd te worden. Doch de Aartshertog Matthias en de Staaten Generaal waren hunne voorspraaken, om het different by te leggen.
Den 28ste van Maart heeft het zeewater in Groningerland, Oostfriesland en elders, groote schade gedaan, en veele menschen en beesten verdronken.
In den jare 1579, om redenen, dat de Spanjaarden in geenen deele de articulen der Pacificatie van Gent na quamen, hebben de Staaten van Nederland goedgevonden, een naauwer verbintenisse te maaken binnen Utrecht, die men de nadere Unie van Utrecht noemt: waar in de zeven vereenigde Provintien, als Gelderland, Sutfen, Holland, Zeeland, Utrecht, Overyssel, Friesland, Groningen en Ommelanden, daar benevens Lingen en Drenth, hun eerste verbond maakten, bestaande voornaamentlyk in: 1. Dat deze Provintien een en gemeen zouden zyn, om nooit, onder wat naam ook, te mogen gescheiden worden: blyvende ieder nochtans by zyne eigene oude voorrechten. 2. Dat zy malkanderen, tegen alle vyandelyk geweld, met goed en bloed zullen helpen verdeedigen. En 3. In de oeffeninge van Godsdienst de Pacificatie van Gent na te komen.
In dit zelve jaar hebben de Heeren van de Ommelanden den Riligions Vrede mede aangenomen, insgelyks de Graave van Rennenberg; maar die van Groningen, uit haat tegen de Ommelanden, kantede zich hier tegen. Waarom Rennenberg een Landdag te Visvliet deed uitschryven, om alle questien aldaar tusschen de beide leden in der minne by te leggen. Doch de Groningers, als strydende tegen hunne verbonden, weigerden aldaar te compareren. Rennenberg deed derhalve zyn krygsmacht ontbieden, om zich van Groningen nochmaals te verzekeren; doende de stad voorts op den 22ste van May, aan de noordwestzyde, met omtrent 2000 mannen, doch tot weinig schade der stad, berennen.
Den eersten van Juny begonnen de belegeraars met die van binnen handgemeen te worden, neemende hun een groot getal beesten af. Daar tegen bragten die van de stad 2300 boeren uit hunne jurisdictien op de been: welke terstond met weinig krygsvolk op de vlugt wierden gedreven, en daar boven nog met geld geeven gestraft. Den 6de dito verstonden die van binnen, dat er buskruid in het leger ontbrak, deeden derhalven met hun geweld van welgewapende boeren en eenig krygsvolk, met het geschut voor aan, een uitval op de vyanden, hebbende by hen 600 dienstmaagden, om het geschut te beschanssen. Dus in slagorde staande, wierd er aan weêrskanten dapper gevogten; waar door veele sneuvelden, en de partye genoodzaakt wierd te vlugten, welke tot aan de poorten, niet zonder verlies van volk, wierden vervolgt.
Daar na begonnen die van binnen naar vrede te luisteren, geevende zich op den 10de van Juny aan de Staaten Generaal over: de Gouverneur Rennenberg deed zyn publyke intrede op St. Jans Dag in de stad; die aldaar de Magistraat veranderde, en dezelve met Staatsgezinden bezettede; den Riligions Vrede verkondigde, en de Gereformeerden de St. Walburgs en Minnebroeder kerk deed inruimen. Vervolgens heeft Rennenberg de fortresse Koevorden wederom vastgemaakt: doch toonde zeer kort daar na dat hy ’t met de Staaten niet wel meende.
Want in den jare 1580, den 3de van Maart, heeft de trouwlooze Graaf de stad wederom aan den Koning van Spanje gebragt, na dat hy dezelve maar 9 maanden voor de Staaten Generaal als Gouverneur hadde geregeert. Hy had zyn voorneemen zo geheim weeten houden, dat, schoon hy beschuldigt wierd, van heimelyk correspondentie te houden met den Hertog van Parma, hy nochtans den Burgemeester Hillebrands, zynde de voornaamste daar die van de Gereformeerde religie zich op vertrouwden, des avonds, voor dat hy de stad onder zyn geweld bragt, bedroog, terwyl deze hem voorstelde alle de quade geruchten die er van hem gingen, en dat hy niet hoopte dat de Graaf iets quaads met hen voor hadde. Waar op de Graaf antwoorde: «ô Myn Vader! dien ik voor myn Vader houde! zou gy zulk een quaad vermoeden van my hebben? Wees hierin maar gerust:” en sloeg het hem dus uit den zin. Evenwel lag de Graaf op zyn luimen, laatende geen tyd passeeren; want op den tweeden van Maart, des avonds en des nachts, heeft hy met zyn geheele Hofgezin, en veele Spaanschgezinde burgers, als mede eenige verborgene krygsknegten, tegens den morgenstond, den 3de dito, hen gewapent. Zo dra als hy nu kennisse had bekomen, dat de Gereformeerde wacht in den dageraat was gaan slaapen, is hy met zyn volk, hebbende witte teekenen aan hunne linker armen, uit zyn logiment naar de Markt gereden, gewapent zynde van het hoofd tot de voeten, met de bloote sabel in de vuist, roepende: Sta by, sta by, goede Burgers! heden ben ik eerst regt Stadhouder dezer Landen. Op dit gerucht quam de Burgemeester Hillebrands, woonende in de Heerestraat, haastig met eenige Gereformeerden voor den dag springen, die direct op hem aanvielen: maar een van Rennenbergs knegts schoot op hem los, dat hy dood ter aarde viel. Waarom de anderen de vlugt namen. Eenigen wierden aanstonds gevangen genomen, en anderen verweerden zich noch in hunne huizen; maar daar bleef niemand dood als een perzoon. Voorts liepen en renden zij door de straaten, schietende naar allen, die het hoofd ter vensteren uitstaken. Daar na de stad doorzoekende, namen zy allen, die in der Spaanschgezinden ongunst stonden, tot over de 200 voornaamste burgers gevangen; waar van eenigen zeer qualyk wierden gehandelt; die evenwel naderhand door verscheidene middelen meest los quamen.
Op dien zelven dag, als Rennenberg de stad voor den Koning van Spanje had hernomen, wierd dezelve wederom door Barthold Entes belegert, met 13 vendelen soldaaten en 2 vendelen ruiters. Die van de stad maakten eenige beschansinge in de voorstad, gelegen op het Schuitendiep, en noch twee molenbergen buiten de stad, waarmede zy hunne beesten, die dagelyks in de weide gingen, beveiligden. Vervolgens zonden de Staaten Generaal den Graaf van Hohenlo, en Graaf Lodewyk van Nassau, met nog 16 vendelen naar ’t beleg.
Den 16de van May deeden de belegeraars eene attaque op ’t Schuitendiep, alwaar zeer hevig gevogten wierd, en Barthold Entes zyn leeven verloor. Ondertusschen ontstond een gerugt in ’t leger, dat de Spanjaarden, onder ’t bevel van Marten Schenk, afquamen om Groningen te ontzetten. Hier op trok Hohenlo met eenige vendelen uit de belegeringe naar Hardenberg, Schenk te gemoet; alwaar het gevegt op den 16de van Juny, tot groote schade van den Graaf van Hohenlo, wierd gehouden. Overzulks wierd Groningen door Graaf Lodewyk, na ruim drie maanden belegert geweest te zyn, wederom verlaaten.
Den 29 van July is Delfzyl door den Graaf van Rennenberg ingenomen; ook Enematil; doch wierd kort daar na door Hohenlo wederom herwonnen; ook joeg hy de Rennenbergschen uit de schans Weerdenbras, by de Ponterbrug, en nam daarop Koevorden in.
Den eersten September is Enematil door de Rennenbergschen wederom ingenomen en geslegt.
Den 4de dito wierd Hohenlo’s volk by de Bourtange door de Rennenbergschen geslagen.
Den 6de dito zyn de Rennenbergschen, door de Friesen uit Dokkum en Kollum, in ’t klooster Aduard verrast en verslagen; waar op het klooster, uit vreeze van wederom overvallen te worden, is in brand gestoken; waar in de Rennenbergschen wel 300 mannen verlooren.
Den 20ste dito won Rennenberg Koevorden; onder voorwaarde, dat de bezettinge, uit 200 mannen bestaande, met zydgeweer zouden mogen uittrekken.
In dit zelve jaar, als de Stadhouder Rennenberg door ontrouw van de Staaten en Prins van Oranje was overgegaan tot den Koning van Spanje90, en die van Leeuwarden door het blokhuis, dat noch vast was, en by hem bezet bleef, meende te dwingen, gelyk hy Groningen reeds al in zyne macht hadde; zo hebben de burgers, dit bemerkende, het zelve manmoedig ingenomen, en de wallen en sterktens geslegt: ook namen de Staaten de blokhuizen van Harlingen en Staveren mede in hunne macht, en roeiden uit de kerken der Paapen alle de beelden; en de kloosterinkomsten wierden allen geschikt tot onderhoud der Predikanten en schoolen.
De Geestelyken dus uitgeroeit zynde, verkreegen die van Oostergo de eerste stem in hunne plaats; en de steden de vierde stem in landszaaken. Koevorden wierd vaster beschanst; en Harlingen met nieuwe wallen en gragten versterkt. En wegens de ongetrouwigheid van Rennenberg, zogten de Staaten zich van eenen anderen Stadhouder te voorzien.