1 Deze zeer onbepaalde beschrijving van den alouden Staat der Provincie is in de Bijvoegsels en Aantt. aangevuld.

2 De regering dezer Prinsen, zoo wel als die der opvolgende Hertogen en Koningen, behoort tot het fabelachtig gedeelte der Historie, welke ook met betrekking tot de gebroeders Friso, Saxo en Bruno (de laatste wordt hier niet gemeld) zeer verschillend wordt voorgedragen. Zie de Bijv. en Aantt.

3 Verheerd, d.i. overwonnen, te onder gebragt.

4 Gevolg.

5 Als de zomer hoogde, d. i. in het midden van den zomer.

6 Ook Hamconius en Cappidus van Stavoren beweren, dat er van Friso’s tijd af een wapen heeft bestaan, hetwelk echter moeijelijk valt te gelooven, daar men het er voor houden moet, dat in den tijd der kruistogten, dus niet vroeger dan in het begin der XII eeuw, de familiewapens zijn uitgevonden. Men zie over dit onderwerp de Bijv. en Aantt.

7 Over de groote en kleine Friesen zie Bijv. en Aantt. over den alouden staat van Friesland.

8 In de Uitgave van 1677 staat: “Waar van heedendaachs noch top, noch teil (tegel) te zien is.”

9 In de Ie uitgave staat: “Heeft de Hertog hem bekeeven.”

10 Holle is Olennius. Zie Aantt.

11 d. i. gedwongen om het beleg op te breken.

12 Oxel, Oksel, holligheid onder den arm.

13 Het Gods Hof of Aula Dei, kweekschool van Priesters, waarvan C. Stavriensis, S. Petri, Hamconius en anderen spreken. Zie Aantt.

14 d. i. aangehitst, opgestookt.

15 Het beknopt Chronykjen van Friesland opgesteld en bijeenverzameld door C. G. Jacoby, Leeuwarden 1755, voornamelijk bestaande in een uittreksel van Ocko van Scharl, vermeld slechts vijf Prinsen, latende Adel en Ubbe buiten het spel, en springt dus een tijdvak van bijna twee eeuwen over.

16 Lees Westerwierum.

17 Lees: tusschen Almenum en Terschelling. Verg. Hamconius, Frisia, fol. 14, die deze gebeurtenissen van ’t Klif en der Meerminnen verhaalt, echter den Duivel buiten het spel laat.

18 Bij andere Schrijvers Basterd-Broeder van Adelbold genoemd.

19 Volgens anderen door Tiete of Titus zelf gebouwd.

20 De oude Uitgave zegt: “Met een gaar geraapten hoop.”

21 Dit geschiedde langs den geheelen Rijn tot aan de Noordzee, uit wantrouwen tegen de Germanen.

22 Over de verschillende gevoelens dezer benamingen hebben wij het noodig geacht in de Bijvoegsels het een en ander aan te stippen.

23 Engeren, Angeren.

24 De Ezumazijl nabij Ezonstad, alwaar in den tijd van Foeke Sjoerds (Beschr. van O. en N. Friesland I. 240) nog eenige overblijfselen van te zien zoude geweest zijn. Zie verder Aant. op ’t jaar 339.

25 Over de Geschiedenis der Gebroeders Hengst en Hors, die Brittanje zouden hebben veroverd, zijn de Geleerden het mede niet eens. Zie daarop de Bijv. en Aantt.

26 ’t Kasteel Grunenberg of Gronenberg was de oudste Burgt, volgens de Friesche Overlevering, tusschen de Eems en het Vlie.

27 Vergel. Westendorp, Jaarboek van en over Groningen, p. 24, op ’t jaar 409;—alsmede de beschrijving der vrije Schuilplaatsen p. 110.

28 Zie de Aantt. op ’t jaar 808.

29 Vergel. p. 23, waar ook van twee Lems of Willems gesproken wordt. Zie voorts Bijv. en Aantt.

30 Uit hoofde van der Schrijveren verschil in de jaren, waarin de watervloeden hebben plaats gehad, hebben wij in de Aantt. eene opgave, zoo naauwkeurig mogelijk, geplaatst.

31 Chlotarius II.

32 F. Sjoerds voegt hierbij de woorden: an fen dead wir libben werden! Schot. Fr. Hist. heeft het tweeledig, zie p. 47 en 54.

33 In de Uitgave van 1677 staat: “naar den Franschen zin, En liet de Christenen vryjelijk toe.”

34 Pepyn van Herstal of de Dikke noemde zich Hertog en Prins der Franken, en was Groot-Hofmeester.

35 Natuurlijke zoon van Pepyn; was Groot-Hofmeester.

36 Van daar Sant Michiels dom genaamd.

37 Men zie de Aant. op ’t jaar 830.

38 Vergel. op ’t jaar 463.

39 Godfried.

40 Deze belasting heette Klipschild.

41 Deze togt geschiedde onder bevel van den Deenschen Koningszoon Hendrik. Van tijd tot tijd moest het handwerk van zeerooverij worden herhaald op alle kusten, om de jonge manschap te oefenen. Geloofwaardige Fransche Kronyken vermelden het verwoesten door de Noren in 837 van drie koopsteden: Antwerpen aan de Schelde, Witha of Wintland aan den mond der Maas, en Groningen aan de Eems. West. Jaarb.

42 Men zie Aant. op ’t jaar 830.

43 Zijn zoon Lodewijk, bijgenaamd de Duitscher, volgde hem op.

44 Thans was Lodewijks zoon, Lodewijk de jonge, Heer der Friesche Landen.

45 Winsemius: Haadet goede wacht tyen da Nordera oordt, Want vuyt da Grimma herna comt ws alle quaed voort.

46 Nu kwam Lodewijks Broeder, Karel de Dikke aan het gebied. Zie voorts over dezen strijd de Bijv.

47 Omstreeks dezen tijd werd Karel de Dikke onttroond, en de laatste van den stam van Karel de Groote, die ’t Westen regeerde, met name Arnulph, natuurlijke zoon van Karloman volgde hem op, regeerde drie jaren en stierf, wordende door zijn zoon Lodewijk in ’t gebied vervangen. Zie Aant. op het jaar 840.

48 Een veldvlugtige is een overlooper.

49 Men zie over deze begiftiging het Jaarb. van den Heer Westendorp op de jaren 1040 en 1046.

50 Wij hebben het niet ondienstig geacht over de Kruistogten der Friezen een aangeschakeld verhaal in de Bijvoegsels eene plaats te geven,—waardoor wij ons onthouden, van alle andere aanteekeningen op de verschillende jaren, waarin dezelve zijn voorgevallen, ’t welk anders noodig zoude zijn.

51 Vergel. Westendorp Jaarb. op 1112.

52 Als voren op ’t jaar 1143.

53 Onder de namen bekend van Frederik I, Aenobarbus, Roodbaard, ook Keizer Frederik de Groote.—

54 Dit verhaal komt hoofdzakelijk overeen met het Jaarboek van den Heer Westendorp, de vermelding op den jaare 1160,—en andere Schrijvers.

55 Of van de St. Cistercie-orde. Deze Abdy is de vermaardste geworden in de Ommelanden, bezittende aanzienelijke rijkdommen.

56 Over dit voorval, ’t welk eene andere oorzaak gehad heeft, vergel. men West. Jaarb. op ’t jaar 1195.

57 Stoepens zijn Stoopen of Drinkkannen geweest en geenszins de Stoepen voor de deuren, waarvan anderen uit gebrek aan taalkennis ooit de Kloppers aan de deuren gemaakt hebben.

58 Verweend is verwaand; ook fier,—lekker opgebragt, weelderig enz.—

59 Of Grind.

60 Slegtigheid is hier eenvoudigheid, onbeschaafdheid.

61 Men zie over dezen strijd West. Jaarb. op de jaren 1226 enz.—

62 Vergel. de Aantt.

63 Westendorp Jaarb. na ’t jaar 1232 noemt de Reiderlanders en Emisgooërs, welke twist ontstaan was door het verdrinken van een Reiderlander, omdat hij de lieden, die van de jaarmarkt kwamen, had willen berooven.—Verg. denzelven I. 280.

64 Upstalsboom, gelegen een uur gaans ten zuidwesten van Aurik. Alhier stonden drie hooge eike boomen, met de takken en kroonen meest aan malkanderen gegroeit, hebbende op 2 a 300 treden na geene huizen omtrent. De Rechtspleeginge geschiede aldaar onder den blaauwen Hemel, van de Regeerende en daar toe gerechtigde Perzoonen van alle de Frieslanden, en richtede alhier over alle zwaare zaaken, welke bij de mindere Collegien niet afgedaan wierden; als wanneer daar tenten opgeslagen en banken van opgegraavene aarde wierden gemaakt.

65 West. Jaarb. I. 282 beschrijft kortelijk dezen oorlog voornamelijk naar de verhalen van E. Beninga en Harkenroth gevolgd, bewerende tevens dat het niet de Eenrummers maar de Emersen geweest zijn.

66 Voor de zusters van de Cistercie-orde, opdat de schimmen der verslagenen mogten verzoend worden. Het werd eerst aangelegd by Koevorden aan de A, doch naderhand verplaatst.

67 Is gebeurd 21 Januarij 1256 op zijnen togt tegen de West-Friesen.—Zie voorts de Aant. op Sikko Sjaardema in ’t jaar 1239.

68 Over deze twisten zie men de algemeene Aanteekeningen.

69 Over den juisten dag, waarop deze gruwelijke moord heeft plaats gehad, zijn vele Schrijvers het niet eens en in zonderlingen twist geraakt.—

70 Dit Zegel der vrye Frieslanden verbeelt een geheel gewapent Man, houdende in zyn regterhand een Lans, en in de linkerhand een bloot Zwaard, dat na de schouder opgeheven word, en staande onder een Boom.

71 Men zie Westend. Jaarb. over dezen strijd op de jaren 1232 en 1233, die dezelve toeschrijft aan de partijschappen tusschen de Vetkoopers en Schieringers, en waarin deze laatsten de overhand behielden.

72 Deze Proost Hiske had eene dochter, genaamt Reinske, welke met Hayo te Westerwolde trouwde; en naderhand uit haare eigene goederen de Groote Kerk met vier Torens te Mildwolde, in den Oldambte, heeft laaten bouwen; zynde de zelve die voor enige jaaren is afgesleeten geworden.

73 Vergelijk over deze list Wins. fol. 242. Schot. Fr. Hist. p. 253. Petrus Thab. op dit jaar.

74 Zoo als meermalen was ook thans het eerste artikel van het verdrag: “volkomen verzoening en een eeuwige vrede!” Bij West. Jaarb. op dit jaar vindt men eene reeks van voorwaarden.

75 Vergelijk West. Jaarb. op hetzelfde jaar.

76 Te regt wordt van hem gezegd dat zijn leven een strijd en worsteling op deze wereld geweest is.—In dit jaar werd ook door de Friesen en Groningers een verbond aangegaan ter wering bijzonder van dieverijen en ander misdrijf. Vergel. Schwartz. Charterb. I. 526.

77 Zie op dit jaar Westend.

78 De Keizer Frederik de III. roemt hem wegens zijne ongemeene kunde in de vrije kunsten, in de Keizerlijke regten, in het Kerkelijk regt, en vooral zijne gevatheid en vaardigheid in de openbare zintwisten.

79 Een der heerlijkste werken der bouwkunde van de middeleeuwen. Men plaatste op den toren een koperen paard van de grootte van eene gewone noordsche kidde, hetwelk tot een windhaan diende en het teeken was van St. Maarten van Utrecht. West.

80 Dus ook Winsemius, Schotanus geeft de leus aldus op: Op uws Finne herne, lizze fjouwer klaer lotter Ljep-Ayen ijn ien Nest. Zie Aant.

81 Vast maken is zoo hier als op alle vorige en volgende plaatsen: Versterken.

82 Spelen alle zeilen blank: dit gezegde heeft zijn’ oorsprong van de zeerooverij, waarin men van vriend en vijand kaapt en rooft, wat men vangen en grijpen kan:—alles wegrooven wat men op zee ontmoet. Zie Winschootens Zeeman, op ’t woord Seil, en Weiland N. T. Woord.

83 Hij smeet (zegt Winsemius fol. 446,) vele Hollanders in plaats van Borgoenschen over boord, volgens Martinus Ylst uit de overlevering van Bonne Haisma zijne medgezellen toeroepende: Siuch faynten, ho kenne da deels kijetten swomma.

84 Zie hierover de Bijv. en Aantt.

85 Frederik Gaykinga, in den jaare 1360, Abt van Aduard zynde, had, tot nadeel van zyn geslacht, hoewel tot eere, dit klooster met veele goederen begiftigt; doch op zekere voorwaarden, waartoe zyn geslacht altoos gerechtigt zou wezen. Bestaande ’t voornaamste hier in, dat die van Gaykinga voor eeuwig zouden hebben alle jaar op St. Martens avond een witte Zwaan, een Capoen, en een kanne Wyn, en zouden voor altoos eene misse houden in ’t Kapittelhuis, en een brandende lampe voor ’t geheele geslachte. Wanneer iemand van ’t geslachte quam te verarmen, zoude aldaar voor zyn leeven de kost hebben; ook wanneer zy met hun gezinde quamen, zoude de Abdy voor hun geöpent, en de tafel gedekt worden, na de waardigheid des geslachts, in de voornaamste kamer; benevens jaarlyks op St. Bernards dag te gast genoodigt worden. Aldus was Hendrik op dit jaar genoodigt, maar Jan en Frederik quamen van zelfs. Waar op, onder de monniken een jalousie ontstond, die hun zeer qualyk bejegende, en waar door het gevegt ontstond.

86 Wins. Chronyck fol. 519.

87 Kettermeester hetzelfde als Geloofsonderzoeker.

88 In de maanden Mei en Julij hadden er twee overstroomingen plaats, door welken, vooral den laatsten, waarvan bij Outhof geen gewag gemaakt wordt, ook vele menschen omkwamen.—Zie F. Arends Physische Geschichte der Nordsee-kuste. II. 96.

89 Zie over dezen strijd het uitvoerig verhaal van Winsemius Chronyck, fol. 565 volgg.

90 In den eersten druk van 1677 staat: »Als de Stadhouder Rennenberg zich door ontrou omgekeert hebbende tot de Papisten; die van Leeuwarden,” enz.—Het woord Papen is overal in den tekst behouden, omdat de Schrijver er de Roomschgezinden over ’t algemeen, zoo leeken als priesters, mede bedoeld, en het dus hier voor geen scheldwoord moet worden gehouden, evenmin als Arminianen, Menisten, Calvinisten, enz.

91 Balthazar Gerards genaamd, geboren te Villefans in Bourgondien, oud 26 a 27 jaren. Onder verschillende personen, die zich op ’t leven des Prinsen toelagen, moet ook zekere Koopman te Vlissingen, Hans Hanses, geweest zijn, wiens aanslag echter door eenen Fries, uit het geslacht der Auckama’s ware ontdekt. Gevat zijnde had hij beleden, daartoe middelen te hebben aangewend.—Gerards werd daarna als Martelaar hoog vereerd en waardig geacht gecanoniseerd te worden—onder de belooningen, wil men, was ook de verheffing der familie in den adelstand.

92 Nederl. Oorl. en Geschied. 1623, fol. 474 verso.

93 Dit voorval wordt omstandig beschreven bij Winsemius, Chronyck fol. 897.

94 In de druk van 1677 staat: (een gehuerde vleegel enz.)

95 Zie ’t Verwerd Europa ofte Polityke en Historische Beschryvinge enz., Amst. 1675, bl. 596 volgg.—Van dezen Schrijver, welks werk twee jaren vroeger dan de eerste druk van onze Kronyk was uitgekomen, is veel gebruik gemaakt en daaruit overgenomen door onze Kronykschrijvers.

96 De Leezer dient te weten, dat zekere Broersma hier eigentlyk Commandant zynde, door de Staaten Generaal was opontboden; doch in plaats van in den Haag te compareeren, ging hy over by den Bisschop van Munster, en wierd aldus een verraader van zyn eigen Commandement.

97 Fantassin, Fant: voetknechten, infanterie.—

98 Mengel-Poezy, bl. 257.

99 en der zonde, voegt de eerste druk dezer Kronyk hierbij, waarmede zij haar verhaal eindigt en de Landverdeeling van Friesland volgen laat.