VII. Stadhouders der Staaten.

1. Willem, Prins van Oranje, Graave van Nassau, enz., wierd van de Staaten van Friesland, om het Stadhouderschap van deze Provintie mede waar te neemen, begroet. Doch, om de moeijelykheden, daar de andere Provintien in stonden, gaf het hem ongelegentheid, om overal zelve te gaan; derhalven zond hy Merode, Heer van Rummen, om van zynent wegen het Stadhoudersampt als Luitenant te bedienen. Hier na belegerde Rennenberg Steenwyk; neemt de Kuinder en Slooten in; trekt naar Staveren, daar hy ’t kasteel weder opbouwt; werpt te Makkum weder een nieuwe schans op, en stroopt langs de zeekust tot aan de Harlinger Poort. Waar door Friesland weder in ’t uiterste gevaar quam om overwonnen te worden. Doch daarentegen ontzette de Overste Norrits Zwartsluis, ’t kasteel van Hattem en Steenwyk; waardoor Rennenbergs loop ten eenemaal gestuit wierd, en al het voorgemelde weder by de Staaten herwonnen.

De onzen verlooren ook een veldslag by Winsum, in Groningerland, dat Friesland in eene groote benaauwdheid bragt: maar als de Overste Norrits den vyand by Visvliet geslagen, en tot aan de poorten van Groningen verjaagt hadde, veranderde het zelve in vreugde. Even hier na wierd het bolwerk en wallen om Dokkum gemaakt.

In den jaare 1581, in May, quamen de Rennenbergschen uit Aduard, om een schans op het Reidiep te maaken, om alzo den Heer van Nienoort uit zee af te snijden: doch hy wierd zulks tydig gewaar, en voorquam niet alleen hunne aanslag, maar bragt hen zelve in hinderlaag; waar door veelen der vyanden wierden verslagen.

Daar na is Aduard door den Heer van Nienoort belegert; brengende grof geschut daar voor, om het klooster daar mede daadelijk te beschieten. Maar de Rennenbergschen van alom hunne macht byeen rukkende, trokken by Groningen over het Reidiep, om de belegerden te ontzetten. Nienoort was zulks wel verwittigt, maar door meerderheid van stemmen geresolveert de vyanden af te wagten: dewelke van achter het klooster straks quamen toeschieten: waar door de Nienoortschen de vlugt namen, achterlaatende verscheidene Officieren voor gevangenen, en eenige dooden aan hunne bespringers. Voorts trokken de Rennenbergschen op Aduarder-Zyl, en deeden het plaatsje aanstonds, doch vrugteloos, bestormen: maar met kanon daar voor komende, en een goede bresse geschoten zynde, quamen zy met de derde storm daar binnen; slaande doe alles dood wat ’er in was; waar onder Schelto Jarges, een zeer geleerd en dapper Kapitein.

Den 9de van July sloeg Norrits de Rennenbergschen by Grypskerk, en vervolgden hen tot aan Groningen, waar van 700 mannen door de kling gejaagt, en veelen gevangen wierden genomen; vier stukken kanon, alle de bagagie, en veele paarden wierden tot buit gemaakt; zynde des overwinnaars verlies daar tegen zeer gering.

Den 23ste dito is in Groningen overleden die trouwelooze Graaf van Rennenberg, Stadhouder van Groningen, enz.; zynde door eene knaaginge zyner confidentie geheel uitgeteert van mismoedigheid en berouw, om dat hy de Staaten Generaal zo ontrouw had behandelt; wordende begraven in St. Martens Kerk, in ’t choor. Hy had in zynen laatsten levenstyd zyne zuster verstooten, die hem tot dezen afval vervoert had. Daar na is Francois de Verdugo wegens den Prins van Parma, als Stadhouder van Groningen, in des overleedens plaatze gestelt.

De algemeene Staaten van gevoelen zynde, dat door deze geduurige vyandelykheden, de Koning van Spanje meer een openbaare vyand, als een beschermend Overheer was; hebben daarom geresolveert, hem van alle zyne voogdye af te zetten, en zyne gehoorzaamheid ten eenemaal afgezwooren: waar toe de Staaten van de andere Provintien, en Friesland mede, in dit zelve hebben bewilligt. Waarop des Konings wapenen alomme wierden afgebroken, uitgestreeken en vernietigt, de zegelen plat geklopt, en die der Staaten in deszelfs plaats gestelt.

Rennenberg overleden zynde, heeft de Koning, die de landen daarom noch niet verlooren gaf, eenen Francois Verdugo, Heer van Schenge, tot Stadhouder gezonden; die met 1500 Waalen te Groningen komende, de Friesen zeer verslagen maakte.

Aanstonds nam Verdugo Reide in. En kort daarna raakte hy in een gevegt tegen het Staaten volk, onder Norrits, by Noorthorn, dat hy deerlyk sloeg: alwaar omtrent de helft zo Grooten als gemeenen sneuvelde, en een groot gedeelte gevangen wierd genomen.

Des de landlieden, in de wapenen gebragt zynde, hebben in ’t dorp Oudeboorn een schans opgeworpen; welke van Verdugo aangevallen, maar afgeslagen is: waar op hy, na eenige plonderingen, uit het land weder vertrok.

In den jaare 1582 heeft de Stad Groningen van den Koning van Spanje een bulle bekomen, omtrent het Stapelrecht.

In den jaare 1583 heeft een Spaansch Overste, Taxis genaamt, Steenwyk door list ingenomen: en in Friesland vallende, de schans te Oudeboorn en Rotserschans ingenomen; en alomme het land door stroopingen en plonderingen geplaagt.

In het zelve jaar in September is Oterdum door de Heeren van Nienoort en Azinga Entes verovert; jaagende de Spaanschen bezettinge daar uit, en deeden het plaatsje daar op versterken; waar mede zy veele dorpen daar omtrent tot contributie dwongen. Overzulks is Oterdum door de Spaanschen in de maand December wederom belegert: maar die van binnen dapper tegenstand biedende, is het beleg, wederom opgebroken.

Omtrent dezen tyd overleed binnen deze sterkte de Heer van Nienoort, na eene langduurige ziekte, en wierd aldaar begraven; zynde een Edelman geweest, die naar zyn vermogen, groote diensten aan het Vaderland had gedaan.

In den jaare 1584 heeft de Prins van Oranje den Graave van Merode uit Friesland opontboden, en Graaf Willem van Nassau tot Luitenant-Stadhouder in zyn plaats aangestelt. En, vermits de dagelyksche overvallen der vyanden, hebben de Staaten de schans in de Lemmer doen vast maaken.

In dit zelve jaar, den 10de van July, wierd tot groote droefheid van den lande, binnen Delft, de Prins van Oranje, door een boosaardigen Franschman met een pistool doorschooten; zynde door de Spanjaarden daar toe verraadelyk omgekogt91.

2. Willem Lodewyk, Graave van Nassau, enz. wierd in deszelfs plaats van Luitenant-Stadhouder, door de Staaten van Friesland tot tweeden Stadhouder, na de afzweeringe van den Spanjaart, verkooren.

Verdugo, de schans Oterdum op den 18de van September wederom belegert hebbende, liet dezelve aanstonds met twee stukken kanon beschieten: doch die van binnen, benevens de schepen die op de Eems lagen, bleven hun niet schuldig; waar door veelen van de belegeraars gedood en gequetst wierden. Daar na, in de maand December, wierd de schans gesecoureert door allerlei nooddruft, alhoewel de belegering noch zyn gang ging; doch met weinig voordeel. Maar op Lichtmissenacht in het volgende jaar, zyn de schansen van Verdugo voor Oterdum, door een geweldigen storm en watervloed weggespoelt; waar door veelen der belegeraars verdronken; zo dat Verdugo zich genootzaakt vond het beleg op te breken. Oterdum had weinig door ’t water geleden, en wierd ten eersten herstelt met vier bolwerken, schoone gragten, en een haven, waar in omtrent 30 schepen te gelyk konden leggen, gemaakt.

Den laatsten February deed Verdugo een vrugteloozen inval in Friesland. Maar de Westfriesen deeden insgelyks in Groningerland een inval van meer nadeel; verbrandende in de Marnkant, van Vierhuizen tot aan Baflo, meest alle de huizen af, om datze geen contributie wilden opbrengen.

Omtrent dezen tyd, had Roelof Ketel een aanslag op Groningen, om deze plaats aan der Staaten zyde te brengen. Hy begaf zich derhalve met 15 mannen daar binnen, verlaatende hem alleen op de slappigheid der wacht aan de poorten. Daar by was Graaf Willem van Nassau met 1500 mannen in ’t Drenth, om hem, zo de aanslag gelukte, by te springen: doch de zaak wierd ontdekt, en Roelof Ketel by den kop gevat zynde, wierd het hoofd afgeslagen en gevierendeelt.

Insgelijks heeft Kapitein Schaay, leggende te Niezyl in bezettinge, een aanslag op Groningen gehad; zynde in een tyd dat de stad gebrek aan levensmiddelen had: maar dezelve voorts geproviandeert wordende, mislukte de aanslag.

In den jaare 1585 hebben de Staaten de bestieringe der landen opgedragen aan Hendrik den derde, Koning van Vrankryk; maar die hen, om zyne eigene inlandsche oorlog, alwaar hy zelve zeer mede belemmert was, moeste afwyzen. Waar op hy Elisabeth, Koninginne van Engeland, tot bescherminge liet verzoeken: doch die Majesteit weigerde mede de volle heerschappye. Doch hier na, Prins Maurits in zyns vaders plaatze en bedieningen gestelt zynde, is van gemelde Koninginne de Graave van Leicester, als Overste van haare hulpbenden, naar de Nederlanden gezonden; die de Staaten naderhand tot Stadhouder der Nederlanden hebben aangenomen.

Na dat de kloosterinkomsten, als wy boven reeds gemeld hebben, tot onderhoud van predikanten en schoolmeesters bestelt waren, heeft het de Staaten des Lands ook goed gedagt, uit de zelve ook een schoole van geleerdheid of Academie op te regten, en dezelve met bequaame leermeesters of professoren, en dat ’er verders toebehoort, mildelyk te voorzien; dezelve plaatzende binnen de Stad Franeker.

In den jaare 1586 hebben de Spanjaards, over ’t ys komende, alzo het zeer sterk gevrooren hadde, een uitval gedaan, trekkende met 2500 voetknegten en 400 ruiters de Wouden in, door Lemsterland, en vernachtende omtrent Workum en Hindeloopen; van waar zy voorby Bolswert, over Marnzyl, door Schettens en Witmarsum, te Tjum zich nederzettende, quamen ten derden dage te Spannum en Winsum, welke dorpen zy beide in brand staken: en als zy veel gevlugt volk op de Winsumer toren gewaar wierden, zo stookten zy een zeer smookend vuur van onderen aan dezelve, om gemelde vlugtelingen te doen verstikken: waar door eene zwangere vrouw, gevoelende haare kleederen en hoofdhairen gezengt, uit de klokgaten sprong; en gevallen zynde, noch door een Spanjaard op de naakte borst getrapt, en zeer gewond geworden, waar door zy haare zinnen verloor: doch na twee maanden quam zy weder tot haare voorige kennis en verstand. En eene andere, met twee kinderen in haare armen, sprong uit het hoofd van den toren, en bragt het eene kind noch leevendig te Franeker. De onze in aller yl met 1000 voetknegten en een Cornet paarden daar na toe trekkende, vonden zich niet in staat om de vyanden te keer te gaan: des zy van Oosterlittens naar Boxum afweeken, op hoop van eenige hulp, om zich dan voordeeliger te kunnen te weêr stellen: maar de vyanden, hen spoedig nazettende, beletten dit, overvielenze, en een bloedige slag wierd getroffen, daar wederzyds veel volk sneuvelde; doch de onzen moesten eindelyk de vlugt neemen, zo naar Leeuwarden, als andere plaatzen; en een gedeelte wierd in de kerk bezet, en gevangen genomen. Van deze slag is zulken indruk in de gemoederen der menschen gebleven, dat ’er in Friesland niets bekender is, als deze Boxumer Slag, voorgevallen op den 17 January.

In dit zelve jaar, ondernam Graaf Willem van Nassau een aanslag op Groningen: doch dezelve wierd door een zeer hoogen springvloed ontdekt en verydelt.

In den jaare 1587, in September, had Graaf Willem van Nassau nochmaals eene vergeefsche aanslag op Groningen.

Den 17de van December is een zwaare inbreuk van ’t zoute water in de Ommelanden geweest, waar door alle hooge landen onder liepen, wezende het water byna zo hoog, als de Allerheiligen Vloed van den jaare 1570, maar deed zoo eene groote schade niet.

In den jaare 1589, in ’t begin van den zomer, had de Gouverneur Graaf Willem eene vergeefsche aanslag op Delfzyl; doch besprong Reide, en maakte daar een beschanst Eiland van: ook won hy de schans Eemetille; en kort daar na Swaagsterzyl en Soltkamp; zynde een schans in de mond van ’t Reidiep, en dat stormenderhand, voor ’t gezigte van Verdugo, slaande 80 mannen dood, en nam veele gevangenen mede.

Daar na nam Verdugo Eemetille weder in; zond twee booswichten in ’t leger by Kollum, om Graaf Willem te vermoorden: maar dezelve ontdekt zynde, wierden gevangen genomen en onthoofd.

In den jaare 1590, in Maart, hebben eenige burgers en inwoonders van Groningen hunne stad en Staat onder de bescherminge van de Koninginne van Engeland gepresenteert: doch wierd hun geweigert. Waar op Verdugo, meer volk van den Hertog van Parma ontfangen hebbende, de schans Enematil besprong; trekkende van daar op Nieuwezyl. Ondertusschen quam Graaf Willem, Gouverneur van Friesland, afzakken, en legerde te Kollum; en alhoewel de legers ruim een uur maar van malkander lagen, viel er echter weêrzyds niets aanmerkelyks voor.

In den jaare 1591, den tweeden van July, won Prins Maurits Delfzyl; waar in gevonden wierd 5 metaale stukken kanon, en 6 yzere gotelingen. Daar na deeden die van Friesland deze schans grooter en sterker bouwen; zelfs poogden zy daar van eene stad te maaken, en dezelve met groote Privilegien te begiftigen: om alzo de burgery van Groningen daar te trekken. Doch op hoope van Groningen ook te krygen, is zulks achter gebleven. Van hier trok het leger na de Opslag van Enematil, leggende op een water, genaamt Nieuwezyl, en dwong de bezettinge door geweld zich over te geeven, en met witte stokjes in hunne handen uit te trekken, sterk zynde 150 mannen. Voorts vertrok de Graaf naar Enematil, en beschoot de schans met 12 stukken kanon, tot dat de bezettinge zich op den 11de van July overgaven; als ook een weinig hier na de schans te Lettelbert.

In den jaare 1592, in Augusty, heeft Prins Maurits de sterke vesting Koeverden belegert. Graaf Fredrik van den Berg had het bevel daar binnen, hebbende voor des Prinsen komste alle de huizen buiten de vesting in brand doen steeken.

De belegeraars naderden hem met alle vlyt aan de loopgraaven, en benamen hun de sluizen; waar door zy het water uit de gragten leiden. Hier op begon het schieten aan weêrskanten dapper aan te gaan, wordende aan weêrszyden verscheidene mynen onder de wallen gegraven, die wel haast ter neêr of invielen. Den 7de van September, quam Verdugo met zyn krygsmacht voor den dag springen, hebbende alle witte hemden over hunne harnassen, om de belegerden te ontzetten. Hier op maakte Prins Maurits zich gereed, telde zyn volk in slagorder, met ’t grof geschut vooraan, en ontfong der vyanden macht zo onbeleefd, dat door ’t losbranden van ’t kanon, een meenigte van hen over hoop en in ’t moeras raakte. Daar bleven in ’t geheel 300 mannen dood, behalven de gequetsten: en van ’s Prinsen zyde bleven er maar 3 mannen dood en 6 gequetsten, uitgenomen Graaf Willem van Nassau, die een schot, doch zonder gevaar, door ’t dunne van zyn lyf kreeg. Daar na hebben die van Koeverden zich den 12de van September aan Prins Maurits overgegeven; mits met hunne vendelen, wapenen en brandende lonten uit te mogen trekken, behalven de Artillery en amunitie; daar wierden in gevonden 9 stukken kanon. Voorts is hier tot Gouverneur gestelt de Heer van Nienoort.

In den jaare 1593, den 8ste van April, heeft Graaf Willem de Bellingewolderzyl beginnen te versterken, om alzo het fort de Bourtange te benaauwen. Hier tegen quam Verdugo met zyn leger by Vlagtwedde, in ’t geheel sterk zynde 2500 mannen, doch derfde niets uitvoeren tegen dat vast maken.

Den 29ste van Augusty nam Graaf Willem Wedde in; als mede de vaste pas Bourtange; ’t welk aanstonts sterker wierd gemaakt, eer Verdugo daar by kon de komen.

Daar na heeft Verdugo de sterke schans van Aduarderzyl; na den derden storm, met geweld ingenomen, slaande de geheele bezettinge dood. Van daar trok hy naar Wedde; dat hy ook in nam, en sloeg van de 117 mannen, die daar op waren, 50 dood. Voorts legerde hy zich voor de Bourtange; zynde dit fort tegenwoordig tamelyk sterk, en alzo dat ’er geen geschut voor gebragt konde worden; de wallen waren redelyk hoog, en de gragten wel voorzien van water. Vyf vendelen soldaaten, onder den Gouverneur de Jonge, lagen daar in bezettinge. Ondertusschen wierd Verdugo van andere gedagten; brak de belegeringe op, en trachte Graaf Willem aan te tasten; doch te vergeefs; hoewel er eenige schermutzelingen wierden gehouden, waar door veel volk is gebleven. Daar op trok Graaf Willem naar de Bourtange, neemende Wedde wederom in: en Verdugo naar Koeverden, beschanste daar de passagie; maar zyn volk is door ongemakken voor ’t grootste gedeelte verstorven of verloopen.

In den jaare 1594, den 12de van February, des nachts, hadden de Groningers een aanslag op Delfzyl: doch die van binnen hen tydig gewaar wordende, is ’er aan weêrskanten wel twee uuren lang scherp gevogten. Tot geluk van het Fort, was ’er een oorlogschip, daar omtrent leggende, dat wat nader aanquam, en de Groningers met 16 stukken kanon dwars onder hun hoop sterk beschoot, dat zy met groote schade moesten aftrekken, sleepende wel 35 sleden met dooden en gequetsten met zich naar de stad, en noch 7 dooden, dieze lieten leggen. Die van binnen verlooren een Kapitein, een Vendrig, een Sergeant, en 9 Gemeenen.

Den 6de van May, quam Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau met hun leger by Koeverden: welke aankomst van Verdugo bezigtigt zynde, hem deed resolveeren zyne beschansinge by nacht op te ruimen. Overzulks trok de Prins met zyn krygsbende direct naar Groningen; doende de stad op den 20 dito berennen, en aanstonds opeischen. Doch kreeg tot antwoord: Dat dit geen stad was, die zich zo haast konde overgeven. Prins Maurits liet derhalven al zyn oorlogstuig aan land zetten, en het kanon voor de stad planten. Onderwylen heeft Graaf Willem op den laatsten van May de sterke schans Aduarderzyl aangetast, hebbende over de 135 mannen tot bezettinge, en tot Commandant eenen Kapitein Prenger, die aan Graaf Willem ten antwoord gaf, als hy de schans opeischte: Dat hy het met hem zoude wagen, als met een meisje van 15 jaaren. Maar dit geviel hem niet wel; want de vesting wierd kort daar na zo gruwelyk sterk beschooten, datze dezelve met ’er haast beklommen en inkreegen; doe wierd alles aan stukken geslagen wat ’er in was, uitgenomen 8 a 9 perzoonen, die ’t ontquamen.

Ondertusschen had Prins Maurits eenige andere schansen ingenomen, als Slogteren, Hogerbrugge, enz., waar door de leevensmiddelen in ’t leger zeer goedkoop wierden.

De Stad Groningen was zeer wel voorzien van een wel in de wapenen geoeffende burgerye; en geeft ander guarnisoen binnen hebbende, dan de slegtste burgerye en inwoonders, dewelke al voor langen tyd, als soldaaten onder vendelen geoeffent, in plaats van bezetting, van den Koning wierden betaalt: behalven deze, hadden zy krygsvolk van Verdugo altoos onder haar gebied; en hadden nu onder het beleg 5 goede oude vendelen daar van, onder den Overste Luitenant Laukema, buiten de stad, op een gesterkte plaats aan ’t Schuitendiep. Van krygstuig, voorraad enz., wasze alles wel voorzien. Die van de stad wenden vervolgens alles aan wat hun dacht dat den vyand zoude krenken. Waarom de Prins zyn begravinge van verre moest neemen, en aldaar zyne batteryen opwerpen, mits digt onder de stad de belegerden tegen-batteryen maakten; hebbende 400 groote tonnen met buskruit en geschut meer, als andere steden. De Groningers deeden verscheidene uitvallen, waar mede zy meenig braaf Kapitein en soldaat versloegen, en zelfs eenige vendels binnen bragten: weshalven de loopgraaven versterkt moesten worden. De belegeraars deeden alle afbreuk met hun geschut dieze doen konden; doch vorderden nochtans weinig, tot dat zy een poort met een brug, die na een rondeel liep, omverre hadden geschooten, eenige bolwerken ondergraven, en eenige gragten aldaar vulden, alles onder de bescherminge van ’t geschut: dis deed de trouwe burgery gedwee worden, en begon naar verdrag uit te zien; overzulks zy Jan te Boer met brieven aan Prins Maurits en Graaf Willem uitzonden, om verdrag: wordende daarop weêrszyds gyselaars gegeven, en hielden op van schieten. Maar de burgemeester Jarges, zynde een hard Konings-gezinde, rukte een party voerlieden en schuitevoerders byeen, en stonden op tegen die geene, die van verdrag hadden gesproken. Hier na kregen de belegeraars een te smadelyk antwoord, te weeten, dat de belegerden besloten hadden, noch een tyd lang hun ontzet af te wagten. Hier op trad Maurits met Willem in de loopgraven, om een plaats tot een nieuwe batterye af te zien; ondertusschen komt een kogel zo sterk tegen de rondas, die Maurits voorgehouden wierd, dat hy achterover viel, doch zonder hem te quetzen.

Den tweeden van July waren de belegeraars over de gragt, en wel 30 voeten onder het rondeel gekomen, daar de heele stad haar winst of verlies aan hing. Drie dagen daar aan was de myn 30 voeten diep, en opgepropt met 5 a 6000 ponden buskruit, dat den 10de dito, des avonds, na het gegevene teeken, in brand wierd gestoken; waar door een groot gedeelte aarde, en alles wat ’er op was, in de lucht sprong, met wel 140 menschen; waar van twee in ’t leger vielen, en de een noch leevendig: hier op vielen drie vendelen Schotten los, die straks meester van het rondeel waren, en alles, wat noch leevendig bevonden wierd, doodsloegen, blyvende daar in ’t geheel wel 200 dood. Daar boven sneuvelden 30 Schotten, behalven noch twee Kapiteins. Dit bragt onder de gezamentlyke soldaaten, en onder de allerhartigste burgerye zulk een schrik, bevreest zynde voor meer ondergravingen, datzy op verdrag dagten. Over zulks zonden zy Gecommitteerden uit, zo wegens de Geestelyke, Magistraat en Ambagten der stad, als ook wegens den Overste Luitenant Laukema; en op Ostagiers handelende van den 16de tot den 22ste van July, met Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau, zyn daar op met advis van den Raad van Staaten eindelyk overeen gekomen. Dus is Groningen en de Ommelanden op den 24ste van July onder Maurits gebied gebragt, na dat ’er wel 10000 schooten op waren gedaan, en 400 mannen voor zyn gebleven: waar tegen de belegerden ook 300 soldaaten en veele burgers hebben verloren. In de stad wierden gevonden 36 metaale stukken kanon, behalven de yzeren, en wierd daar over Graaf Willem van Nassau tot Stadhouder gestelt. Prins Maurits en Graaf Willem daar binnen komende, wierden verwellekomt door den klokspeelder, speelende de wys van den 6den Psalm. Daar na wierd de Magistraat verandert, wordende daar tot eerste Burgemeesters aangestelt, Mello Conders, Joachim Alting, Harmen Koning en Egbert Alberda. Voorts wierd de St. Martens Kerk van hare beelden gezuivert, en de eerste predikatie van de Gereformeerden daar in gedaan: doende de Magistraat en Burgerye daar na den eed van getrouwigheid aan Graaf Willem, hunnen Stadhouder en aan de Staaten Generaal.

In ’t zelve jaar is de Aartshertog Ernestus, van ’s Konings wegen, in Nederland tot Stadhouder gezonden.

In den jaare 1596 is uit last van de algemeene Staaten en den Prins van Oranje, het Collegie der Admiraliteit te Dokkum ingestelt; om alzo bequaamelyk over het werven der oorlogschepen van Friesland alle zaaken te kunnen beraamen.

In het zelve jaar, den 24ste van Augusty, is Graaf Willem van Nassau, Stadhouder van Groningen, mede tot Gouverneur over het Landschap Drenth aangestelt.

In dit jaar is de Cardinaal Albertus, Aartshertog van Oostenryk, tot Stadhouder des Konings, in Nederland gekomen; die naderhand huuwde met Isabelle, Dochter des Konings; en deze landen wierden hem tot een huwelyks goed toegezegt.

Omtrent dezen tyd was ’er eene Friesche dochter, Margarita genaamt, zynde een jong vrouwsperzoon, of moedige Amazoone, en lang van persoon; deze heeft, in manskleederen, de Heeren Staaten zo binnen Oostende als elders zeven jaaren gedient, buiten kennisse haarer ouders, in alle eerbaarheid, eerst een spies gedraagen, en daar na een musquet gevoert, met een witte veder op de hoed, als een kloek en onvertzaagt krygsgezel, ja onder de Adelborsten gerekent, en zelve veele schansen om Groningen en Steenwyk helpen inneemen. Ten laatsten bekent geworden by haar medegezel, als zy een schoon hemd aandeed, hebbende groote borsten en rond opgewasschen, meer dan andere welgevleesde jongmans: op zyn vraage, heeft ze hem beleden, een vrouwsperzoon te zyn, dat hy verwonderende aanhoorde; is daar op met eere verlieft geworden, en in ’t leger voor Koeverden met haar getrouwt. Zy waren noch woonende binnen Groningen in den jaare 1602, en veele jaaren daar na, een winkel doende van vette waaren, in alle stilheid en eerbaarheid huishoudende, en t’zamen geneerende. Deze Amazoone heeft ook een lied gedicht, de jonge Dochters tot liefde des krygs, om ’t Vaderland te beschermen, na haar voorbeeld vermaanende. Zie E. v. Meteren92.

In den jaare 1597 verzogten die van Groningen aan de Staaten van Friesland, om Drenth en Twenth geheel vry te maaken, en den vyand van daar te vernestelen: welk verzoek uit last van de algemeene Staaten, door hulp van den Prins van Oranje, wierd vastgestelt: en alle sterktens en schansen, door de vyanden aldaar bezet, wierden overwonnen, namentlyk, Grol, Ootmarsen, Oldenzeel, Lingen, enz.

In dit zelve jaar, den eersten van Juny, is de Overste Sonoy, gewezen Gouverneur van Noordholland, op Dyxterhuis, een Heerlykheid in de Ommelanden, overleden; wordende deszelfs ligchaam tot Peterbuuren in de kerk, in tegenwoordigheid van zyn Genade Graaf Willem van Nassau, Stadhouder van Groningen, begraven.

Den 18de van Augusty was ’er een zwaare watervloed in deze landen, waar door de Delfzylen en anderen uitbarsten, en veele menschen en beesten verdronken.

Den 8ste van December is Graaf Willem door de Groningers met groote toejuichinge ingehaalt.

In den jaare 1599 is te Groningen door de Heeren Burgermeesteren en Raad het Burger-Weeshuis opgericht.

In den jaare 1600 is te Groningen. omtrent de Heere Poort, wederom een kasteel gebouwt; zijnde ten zuidoosten van de stad, omtrent ter plaatze daar weleer de kasteelen van Graaf Edzard van Oostfriesland, en van den Hertog van Alva hadden geweest: welk kasteel over de 400000 guldens quam te kosten. Ook wierd de burgerye ontwapent, en Jonker Casper van Ewsum met 800 mannen op gemeld kasteel gelegt.

In dit zelve jaar ontstond ’er groote oneenigheid tusschen de Heeren van den Lande en Steden, over het stuk van de gemeene lasten en bezwaaringen te draagen: doch wierd door Gemachtigden van de algemeene Staaten en den Stadhouder weder bygeleit.

In den jaare 1605, den 10de van Augusty, zyn te Groningen door de Heeren Burgemeesteren en Raad, in plaats van vier Kapiteinen der burgerye, hier Hopmans genaamt, acht aangestelt; en doende de Kapiteinen de nominatie van de Vendrigs, die door den Raad wierden geëligeert op den zelfden dito.

Den 23ste van Augusty quam de Stadhouder Graaf Willem van Nassau met 18 vendelen, voetvolk en 6 compagnien ruiters binnen Groningen; waar door de stad van het haar gedreigde quaad bevryd wierd. Ook gaf men de burgerye hun geweer weder. Prins Maurits verzond ook eenige troupen ter versterkinge van Koeverden en de Bourtange; zijnde deze plaatzen alle met groote verbaastheid aangedaan, wegens de veroveringe van Lingen en Oldenzeel, door de Spaanschen, onder het commando van den Marquis de Spinola.

Ambrosius Spinola met zijn macht in Twenth zijnde, om op Friesland een kans te waagen, en welk land de Koning van Spanje hem reeds ten erve had geschonken; doch, God zij gedankt, hem nooit heeft kunnen leveren, moest zich vergenoegen met Lingen en Oldenzeel, en dat Friesland in groote benaauwtheid bragt. Maar Graaf Willem hield binnen Koeverden een oog in ’t zeil, zo dat Spinola die plaats niet derfde aantasten, en vertrok druipstaartende weder naar Vlaanderen, ook eenigzints door de natte zomer verhindert.

In dit zelve jaar, in Maart, wierd met den Spanjaard een bestand van acht maanden geslooten.

In den jaare 1608 was ’t zo een harden winter, dat men van de Friesche kusten naar de vooreilanden, als Ameland, Ter Schelling, en ook naar Grind niet alleen, maar zelf naar de Hollandsche kusten van Harlingen af met paard en slede konde overjaagen. Gelyk een Ariën Wierds, den 9de van February uit de Haven rydende, voor ’t poortsluiten te Amsterdam binnen quam. Ook drilde voor de Harlinger haven op het ys een compagnie soldaaten.

In dit zelve jaar zyn de nieuwe fortificatiewerken van de Groningers begonnen, wordende de stad aan de zuidkant daar door vergroot; ook is een gedeelte van het Groninger kasteel, tegens de burgers aldaar gebouwt, wederom afgebroken.

In den jaare 1609, den 9den van April, is te Antwerpen het twaalfjaarig bestand geslooten, tusschen den Koning van Spanje en de Staaten Generaal der vereenigde Nederlanden; zynde wegens de Provintie van Groningen aldaar gecommitteert Abel Conders, Burgermeester te Groningen, wordende het zelve op den 18de dito in ’s Hage gepubliceert.

In den jaare 1610, op Nieuwejaarsdag, hebben de burgers van Leeuwarden, na dat zy eenigen tyd met de Burgermeesteren oneens waren geworden, de deur van ’t Raadhuis met een mast open geloopen, verbreekende de glazen, vensteren en alles wat hun voor quam.

Een Jan Cornelisz. Femmes, bestond in dit jaar een reukelooze daad, spruitende uit een wedspel, waar in hy aannam, om een rond jaar te willen woonen op het Kamper Zand (dat een droogte is, gelegen tusschen Ter Schelling en Ameland, loopende met alle etmaalse vloeden onder water). Op voorwaarde gaf hy aan zyn medewedder paarden, wagen, ploegen, en andere huismans gereetschappen; zullende hy, by aldien hy zyn voorneemen een rond jaar uitvoerde, een groote zomme geld in tegendeel genieten. Hier op bouwde Jan den 2de van Juny aldaar op eenige roeden of stutten een huisje; en om het zelve by springvloeden of hooge watertyden om hoog te heffen, gebruikte hy een tistel of vyzel, waar door hy het om hoog kon opvyzelen, of doen zakken: en dus hielde hy ’t het bestemde jaar volkomen uit; zynde eene ongehoorde zaak.93

In den jaare 1611, den 25ste van January, heeft Graaf Enno van Oostfriesland de sterke vesting Lieroort aan haar Hoog Mogende de Heeren Staaten Generaal overgegeven.

In den jaare 1612, en ’t volgende jaar, is de stad Groningen rondom vergroot, doch meest naar ’t noorden, en is doe vervolgens met zeven schoone groote poorten voorzien, benevens noch een kleen poortje bezyden het Schuitendiep; hebbende een zeer breede en hooge wal, met 17 dwingers of bastions en een diepe besloten gragt.

In den jaare 1614 is de Academie te Groningen opgericht, onder het Stadhouderschap van Graaf Willem Lodewyk van Nassau. De inwydinge geschiede op den 23ste van Augusty. De eerste Professoren zyn geweest Ubbo Emmius, Professor in de Historiën en Grieksche Taal, als eerste Rector Magnificus. Herman Ravensberg, Professor in de Godgeleerdheid. Cornelius Pynaker, Professor in de Rechten. Nicolaas Mulerius, Professor in de Medicynen en Mathesis. Johan Epinus, Professor in de Philosophie en Ethicæ, en extr. in de Rechten, Guill. Macdowel, Professor in de Philosophie, Logicis, Phys: & Methaphysicis. De inleidings redevoeringe wierd uit naam der geheele Provintie gedaan, door Do. Pancratius, stads Syndicus. Na ’t eindigen derzelve, deed Do. Ravensberg een andere, op deze handelinge passende. De eerste Rector in de Rechten, die hier zyn promotie bequam, was Hugo van Nyeveen; houdende zyn inauguraal dispuit op den 13de van November 1615, onder het Rectoraat van gemelden Professor Ravensberg.

In den jaare 1616, den 18de van Maart, is Graaf Willem Lodewyk door de Groningers zeer plechtig ingehaalt.

In den jaare 1618 is het Sapmeer droog gemaakt, en is het volgende jaar met gruppen en een doorgaande vaart voorzien. Waar op is gevolgt de aanvang en continuatie van deszelfs vaart of diep door ’t hooge en wilde Veen, van Sapmeer tot aan Zuidbroek.

In den jaare 1619 bequamen die van Staveren vernieuwinge en handhavinge van hun onderrecht.

In dit zelve jaar, in July, is de Heerlykheid van Wedde, Westerwolde, Bellingewolde en Bleyham gekogt van Willem van den Hove, en den 2de Augusty in den Raad geapprobeert, voor de zomma van 140300 guldens. Voorts heeft de stad deszelfs possessie aanvaart, en is den 21ste van September Edzard Rengers tot Drost, en Michiel Visscher tot Richter van Bellingwolde en Bleyham gekoren.

In den jaare 1620, den laatsten van May, is binnen Leeuwarden overleden Graaf Willem, Stadhouder van Friesland; tot wiens loffelyke gedachtenisse die heerlyke begraafplaats of tombe in de Jacobyner Kerk is opgeregt; alwaar hy met zyn Gemalinne na ’t leven in steen op uitgehouwen is: en is zedert dien tyd de rustplaats der Stadhouders altoos geweest en gebleven.

3. Ernst Casimier, Graave van Nassau, enz., wierd, na ’t overlyden van zynen broeder, in de maand Augusty, tot Stadhouder van Friesland verkooren. En die van Groningen, Ommelanden en Drenth verkooren Prins Maurits tot hunnen Stadhouder. In December begon het zo geweldig te vriesen, dat men wederom naar Ter Schelling en Ameland met paard en slede overjoeg. Het volgende jaar, den 2de van February, quam een Harlinger schipper, met een sleetje en stok in de hand, van Friesland, over den Fliestroom, te Harlingen binnen treden. Graaf Ernst, geleidende den jongen Koning van Boheemen, quam met gezelschap van over de 100 sleden, van Leeuwarden tot op de zee voor Harlingen afjaagen.

In den jaare 1621, den 29ste van Maart, is de Burgerye te Groningen door de Heeren van den Raad in 12 vendelen verdeelt; wordende daar op den 30ste dito de Officieren gekooren, en den 13de van April door hun Edelheden goedgekeurt, dat voortaan de Vendrigs onder de Luitenants zouden staan.

De volgende winter van het jaar 1621 en 1622 was het mede een harde winter; waar in Anna Sophia, Gemalinne van den Stadhouder, vergezelschapt met een compagnie soldaaten, en hun byhebbende gereedschap, van Enkhuizen naar Staveren langs het ys overquam.

In den jaare 1622, in Augusty, deeden de Spanjaards een aanval op Friesland, trekkende met 800 voetknegten en 70 ruiters door Oudeberkoop, naar Schoot, om ’t Heerenveen te overvallen. En vermits het Staaten Volk zich meest aan den Rhyn nedergeslagen had, waren slegts maar drie compagnien verstrooit in de Zevenwouden gebleven; dewelke, naar ’t Veen rukkende, den vyand, die een geweldigen storm deed op een schansje of redout op den weg naar Schoot, wakker afkeerde, en veelen van zyn volk deeden sneuvelen. De vyanden, misleid zynde, waren van gedachten geweest, dat ’er boeren en geen soldaaten op het Veen lagen: en trokken na dit treffen weder af op Ommen: alwaar zy door des Prinsen volk van achteren bezet wierden, en in de kerk allen gevangen zyn genomen.

In October is Ernst Lodewig, Graaf van Mansveld, met zyn krygsbenden, wel 5000 mannen uitmaakende, in Oostfriesland gevallen, bedervende de inwoonders en landen elendig, zelfs zodanig, dat zyn eigen volk in den jaare 1624 meest van honger verliep. Hy had zyn hoofdquartier in de vesting Lieroort; en eer hy vertrekken wilde, dwong hy Graaf Enno van Oostfriesland een groote zomme geld af.

In den jaare 1623 was er een zwaare pestziekte in Groningen; als mede een groot oproer over het draagen der dooden: want op den 5de van Augusty zyn de oude lyken des voormiddags door de vrouwen, en de jonge lyken des namiddags door de maagden ter aarde gebragt.

In den jaare 1624 deeden de Spanjaards, onder het bevel van Lucas Cayro, Gouverneur van Lingen, een inval in den Oldambte; zy staken verscheidene dorpen in brand, als Winschoot, Heiligerlee, Noordbroek, Scheemda en Slogteren; verzonden in alle omleggende plaatzen brieven van brandschattinge: waar door de huislieden afquamen om de brand af te koopen. Maar het geruchte der aankomst van den Oversten Stakenbroek, deed hen haastelyk de vlugt neemen, doch een grooten roof mede voerende.

In den jaare 1625, den 8ste van Maart, is Oostfriesland door een schrikkelyke watervloed aangetast, alle dyken doorbrekende of beschadigende, zodanig datze met geen 800000 guldens te herstellen waren; en de huislieden, door de Mansvelder troupen ten eenemaal verarmt en bedorven zynde, hadden geen macht om die te repareren, dies de zee daar uit en in spoelde.

In dit zelve jaar, den 23ste van April, is Prins Maurits, na een langduurige krankheid uitgekwynt zynde, in ’s Gravenhage ontslaapen. En zyn broeder Frederik Hendrik wierd aanstonds in zyn plaats tot opperste Veldoverste verkooren.

In dit jaar is Graaf Ernst van Nassau tot Stadhouder van Groningen en Ommelanden, en ’t Drenth aangenomen.

Den 29ste van December overleed binnen Groningen de Hooggeleerde en wydvermaarde Ubbo Emmius, Professor dier Academie.

Omtrent den jaare 1627 is het groote Provinciale magazyn of Artilleryhuis alhier gebouwt, en het Orgel in ’t H. Geest-Gasthuis nieuw gemaakt: ook het Orgel in de groote kerk, eertyds door Agricola gemaakt, vergroot en vernieuwt.

In den jaare 1628, in Augusty, is de Nieuwe of Lange-Akkerschans volveerdigt, en daar in drie compagnien soldaaten tot bezettinge gelegt, onder den Gouverneur Roussel; dewelke in October de Dylerschans innamen; doch zyn ’er voort daar na door de Keizerschen wederom uitgejaagt.

In den jaare 1631 wierd Prins Frederik Hendrik, behalven Holland en Zeeland, ook het Stadhouderschap van Gelderland, Utrecht, en Overyssel opgedraagen. Maar Stad en Lande hebben Graaf Ernst aangenomen.

In dit zelve jaar, in de maand van May, ontstond door ’t geheele Land een geweldige oploop van ’t gemeene volk; waar door beide, zo Opper- als Onderregenten, by hen verdagt wierden, en alle aanzienlyke lieden in verachtinge quamen. En den eersten Augusty heeft Graaf Ernst Oldenzeel ingenomen, en des zelfs vestingen afgeworpen.

In den jaare 1632 wierd Graaf Ernst, zo als hy van Venlo op Roermond aankomende, en den grond aldaar bezigtigde, van de wal met een vuurroer door ’t hoofd geschooten; en echter wierd hy dien dag noch meester van de stad.

4. Hendrik Ernst, Graave van Nassau, enz., wierd in de plaats van zynen vader tot Stadhouder van Friesland aangenomen; en weinig tyd daar na mede van Groningen, enz.

In den jaare 1633, omtrent Pinxter, was ’er een watervloed in Oostfriesland, waar door al het koren op ’t land verdronk.

In dezen tyd trokken twee compagnien of 350 burgers uit Groningen naar de Bourtange; dewelke op het verzoek van haar Hoog Mogende de Staaten Generaal, en Advis van zyne Exellentie, op 10 stuivers daags naar buiten zouden marcheren, om hun vaderland te dienen, en op de vyanden te waaken; en hebben alzo hunne huizen en familien een tydlang vrywillig verlaaten.

In den jaare 1634, wanneer de nieuwe Middelen, als Hoofd- en Schoorsteengelden, enz., ter ondersteuning van den oorlog, eerst in Friesland verpagt wierden, ontstond ’er in verscheidene steden en dorpen een groote oploop; waar door zommige Heeren en heerenhuizen zeer slegt mishandelt wierden: maar door inlegering van soldaaten wierden de voornaamste belhamels gevat, en alzo weder tot stilte gebragt. In ’t begin van dit voorjaar strande aan Ameland een Walvis: ook schryft men, dat ’er op dit zelve Eiland mede in dit jaar vorsschen zyn geregent.

In den jaare 1635 was ’er te Groningen een zwaare pestziekte, waar door over de 100 menschen in een week stierven.

In den jaare 1636 is Oostfriesland door twee watervloeden aangetast: de eerste op den 24ste van Juny, en de andere op den 25ste van July, waar door de huislieden, wegens gebrek van hooy, hunne beesten naar andere plaatzen in de kost moesten besteden.

In den jaare 1638, als het leger van den Prins voor de Graaf lag, en Graaf Hendrik naar ’t huis te Gennip, om het zelve te bezichtigen, gezonden was, gebeurde het dat zyn paard op zekere plaats achteruit deinsde, en in een bedekte put tot op den grond nederschoot; maar Graaf Hendrik zulks voelende, in aller haast zyn voeten uit de beugels van de stegelreep rukkende, viel achter over de gemelde put heenen; buiten welke val hy elendig had moeten omkomen en versmooren.

In den jaare 1640, is Graaf Hendrik, zullende in de belegeringe van Hulst een schansje of redout bespringen, doodelyk gewond geworden; na hy en de zynen ongemeen manhaftig gestreden hadden; en onder andere zyn broeder Graaf Willem, die reeds al op zyn derde paard was gestegen. En den 17de van July overleed gemelde Graaf aan zyn quetzuur, die door geheel Nederland zeer beklaagt wierd.

5. Willem Frederik, Graave van Nassau, enz., wierd, na zyn broeders overlyden, tot Stadhouder van Friesland aangenomen. En de Prins van Oranje verkreeg het Stadhouderschap van Groningen en Ommelanden.

In den jaare 1643 is ’er in veele landen door ’t hooge water een onwaardeerlyke schade geschied, zodanig als by menschen geheugenisse niet was voorgevallen. In ’t dorp Gaast spoelden de dooden uit de graaven. Door ’t doorbreeken der dyken, was het land zo verre onder water, dat men dwars over het land van Groningen naar Zwartsluis konde overvaaren.

In den jaare 1645, den 22ste van January, is Oostfriesland wederom door een watervloed overstroomt; waar door veele dyken wierden gebroken, en tot Embden, zo ’er gezegt word, de Corps de Guarde wegspoelde.

Dit jaar, den eersten van September, quam de Stadhouder Prins Willem van Oranje te Groningen, om aldaar de doe zwevende verschillen by te leggen; wordende door de Magistraat en burgerye met groote eertekenen ingehaalt, ’t guarnisoen in de wapenen, benevens ’t losbranden van het kanon, enz.

In dit zelve jaar, wierd de trekweg van Harlingen naar Leeuwarden gemaakt.

In den jaare 1647, den 14de van Maart, is Frederik Hendrik, Prins van Oranje, in ’s Gravenhage ontslaapen. En dien zelven dag deed zynen Zoon, Willem de tweede, den eed van getrouwigheid aan de Staaten.

In den jaare 1648, den 30ste van January, is binnen Munster in Westfaalen, na een oorlog van over de 80 jaaren gevoert, eene vrede gemaakt, tusschen den Koning van Spanje, en de Staaten der zeven Provintien: door welke gemelde Koning deze Landen voor eigene en vrygevogtene landen heeft moeten verklaaren; en zyn recht op dezelve eeuwig en erflyk afgestaan.

In dit zelve jaar gebeurde binnen Dokkum, op ’t Raadhuis, een gering doch merkwaardig geval, zinnebeeldig op bovenstaande vrede; men zag een mossel een muis vangen: dat dus geschiede, een hoop mosselen aldaar leggende, quam de muis daar zyn aas zoeken, en een treffende, die gaapte, sloot de mossel haare schelpen toe, en de muis, in de zyde gevat, was gevangen.

In den jaare 1650, den 27ste van October, is Prins Willem van Oranje, in ’s Gravenhage, aan de kinderpokjes overleden.

In den jaare 1651, den 22ste van February, was ’er een watervloed over de Groninger Provintie, en elders; waar door de dyken wierden gebroken en groote schade geschiede.

Den 20ste van May is Graaf Willem Frederik van Nassau, Frieslands Stadhouder, te Groningen ingereden; wordende door de Magistraat en burgerye met groose staatsie opgehaalt, en ten zelven dage aldaar tot Stadhouder en Gouverneur over Stad en Lande aangenomen, gehuldigt, en in ’t openbaar beëedigt.

In den jaare 1653 is, uit vreeze voor de Engelschen, die zich voor onze kusten vertoonden, op Ameland, Ter Schelling, Flieland, enz., een goede wacht van krygsvolk gezet, om een waakend oog in ’t zeil te houden.

Niet lang daar na quamen zy voor de zeegaten van Texel en ’t Flie, met schrobbers en bezems op de masten braveerende; willende daar door te verstaan geeven, dat zy als Meesters van de zee, dezelve hadden schoon gemaakt.

Den 8ste van Augusty geschiede omtrent Texel het zeegevegt van drie dagen, waar in de Admiraal Tromp door een musquetschoot wierd getroffen, en dood op den overloop van ’t schip ter neêrgeveld.

In den jaare 1654 was ’er geheel Europa door een groote overvloed van graanen; alzo dat de Hollandsche kooplieden het zelve op hunne korenzolders niet kunnende bergen, naar Friesland moesten overvoeren.

In den jaare 1655, den 10de van November, zyn de eerste trekschuiten tusschen Groningen en Leeuwarden gevaaren.

In den jaare 1656, den 8ste van Februarij, heeft de Magistraat van Groningen, ter gelegentheid van de Raads-keur, voor de eerstemaal met Goude Boonen beginnen te looten; zijnde het zelve bevoorens altoos met gemeene Turksche Boonen gedaan.

In den jaare 1657, den 17de van October, waaide het drie dagen lang zo een bittere stormende oosten wind, dat de zuiderzee en andere binnenstroomen het water op veele plaatzen ontliep; zo dat men van ’t eilandje Ens droog over naar Friesland konde gaan. Odulfs Kerk, en andere oudheden, lagen by Staveren geheel bloot. Waar op volgde een felle en lange winter.

In het zelve jaar, den 23ste van October, zyn te Groningen de 12 vendelen burgerye door de Heeren van den Raad tot op 18 vendelen vermeerdert.

Ook was ’er in dit jaar te Groningen zekere onlust; waar door eenige huizen wierden geplondert: doch door den Stadhouder Prins Willem wierdze wederom gestilt.

In den jaare 1659, den 6de van Juny, is de Vorst van Anhalt, Joan Georg, met de Prinsesse Henrietta Catharina van Oranje, enz., zeer prachtig te Groningen in de St. Martens Kerk getrouwt. De ingang van gemelde kerk tot aan het Vorstelyke Trouw-Theater was rondom zeer heerlyk behangen, en met tapyten belegt. De Prinsesse Bruid was zeer prachtig gekleed, met een heerlyke kroon vol diamanten op haar hoofd, enz., wordende verzelt van de Keurvorstinne van Brandenburg, Graaf Willem van Nassau en zyne Gemalinne, Prins Maurits en meer andere Grooten. Hier na wierd de geheele stad vervult van vreugde, zo door konstige vuurwerken, losbranden van het kanon, enz.

In den jaare 1662, den 28ste van February, heeft Oostfriesland door een watervloed wederom zeer veel geleden: want daar groote schade aan dyken geschiede, en tusschen Delfzyl en Embden 8 schepen vergingen.

In den jaare 1663, den 30ste van October, liep Oostfriesland wederom geheel onder; waar door veele beesten wierden weggerukt, en groote schade aan dyken geschiede.

In den jaare 1664, den 6de van July, is door Graaf Willem, Stadhouder van Friesland, de Eilerschans by verdrag verovert van den Bisschop van Munster.

Den 21ste van Augusty, is Willem Frederik, gemelde Stadhouder, binnen Leeuwarden, aan een quetzuur overleden; welke hy van onderen in de kin door een pistool bekomen had, als hy de proef daar van zoude neemen: schryvende zelf: als zy geen vuur wilde geeven, doe zag ik daar na, en willende den stempel daar uittrekken, zo ging ze in dien tyd los. Nalaatende een Prins van 8 jaaren en twee Prinsessen.

6. Hendrik Casimier, Graave van Nassau, enz., aan wien de Staaten des Lands al in den jaare 1659, by survivance of overlevinge, de toezegginge van ’t Stadhouderschap, by ’s Vaders leeven, hadden verleent, wierd nu mede het Kapiteinschap Generaal over Friesland opgedraagen; om deze bedieninge in het 20ste jaar zyns ouderdoms aan te vaarden.

In den jaare 1665, in January, als Prins Johan Maurits, wederkeerende van Leeuwarden van de begraaffenis van Prins Willem Frederik, Stadhouder van Friesland, en door Franeker reed, zo schoot hy met zyn paard, op een oude valbrug zynde, in ’t water ter neder; doch, schoon in gevaar van zyn leeven te verliezen, wierd hy echter noch onbezeert gereddet.

Den 22ste van September trok de Bisschop van Munster, als een huurling en in dienst van Engeland94, om Nederland aan deze zyde te plaagen, met zyne macht Twenthe en Drenthe in, daar hy alles verwoeste: en omtrent eene maand verloopen zynde, boorde hy by ’t Roveen door; dat in Friesland geen kleene vrees veroorzaakte. Doch, voor Ommerschans afgeslagen zynde, vertrok hy naar Groningerland, en nam Winschooterzyl en Burgerschans in. Maar als hy een goede borstweering by Heiligerlee vond, en de Bourtang, Koeverden, Ommerschans en Friesland van alles wel voorzien zag, achte hy zich gelukkig, zonder van Maurits volk bezet te worden, zelve weder uit te geraaken.

Den 5de van December was ’er weder een zwaare watervloed in veele Landen, die Zeeland, Holland, Friesland en de Ommelanden groote schade toebragt.

In den jaare 1666, den 15de van July, heeft de dappere en manhafte Zeeheld Tjerk Hiddes, Luitenant-Admiraal van Friesland, terwyl hy met den Zeeuwschen Luitenant-Admiraal Jan Evertsz. den Engelschen Admiraal van de witte vlag aan boord lag, en zeer moedig streed, zyn been te gelyk met het leeven verlooren: zyn ligchaam wierd staatelyk binnen Harlingen ter aarde bestelt.

Den 8ste van Augusty quamen de Engelschen, met menige scheepjes en vyf branders binnen ’t Flie, daar zy de twee convojers, en een vloot van 170 koopvaarders in den brand staken; van welke ook veelen door de vlam verteert wierden: waar onder omtrent 30 schippers van Hindeloopen van hune schepen beroofd wierden; en ook eenige die ’t ontvluchten. Daar op landen zy op Ter Schelling, en staken een onnoozel weerloos visschers dorpje in den brand: roemende in Engeland als of zy de geheele waereld gedwongen hadden. Maar Gods wraak vervolgde hen al te spoedig, alzo het beste gedeelte van de vermaarde stad Londen in vyf dagen, door een byna onuitblusbaare brand, in de assche wierd gelegt, tot een onwaardeerlyke schade van veele gegoede lieden. En de schade door 350 huizen, op Ter Schelling in den brand gestooken, had een geringe overeenkomst, tegen van hen ruim 35000 huizen door de vlammen verteert.

In den jaare 1672, wanneer Louis de veertiende, Koning van Vrankryk, trachtende na het Oppergebied van geheel Europa, en reeds zulks in ’t werk stellende, het niet voor ’t geringste gedeelte van zyne uitvoeringen achtede, de zeven Vereenigde Nederlanden alvoorens af te loopen, om onder zyn geweld te brengen; en Friesland, een gedeelte daar af zynde, na de gelykheid van de leden van het zelve ligchaam, kon hier niet ongevoelig van zyn.

Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May, moet voor een Schrikdag van geheel Nederland aangeteekent worden: van welken tyd zy geen 50 dagen konden tellen, of was meer als 80 van hunne sterkste steden en vermaardste beschansingen door den vyand ontbloot.

Doe wierd Nederland met 6 legers, op 6 verscheidene plaatsen, te gelyk besprongen, namentlyk van 4 Franschen voor Orsou, Rynberk, Wezel, Burik, en 2 Bisschopschen voor Grol en in Twenthe. Na alle bovengemelde veroveringen, den vyand voorttrekkende, nam ook langs den Rhynstroom alle plaatzen in.

Den 2de van Juny, ruktenze voorby Schenkenschans, daarze by ’t Tolhuis, langs een droogte in den Rhyn, doorbraaken: zynde die plaats door den Oversten A. W. van Ailua met eenige Friesen dies tyds bezet. Waar op Mombas, schynende de Franschen eerst te willen tegen gaan, dwars heen en weêr met zyn ruitery door het Friesche voetvolk reed, dat zich zeer mannelyk weerde, alschoon zy door geduurig omzwerven, dan naar Nieumegen, dan naar Doesburg, Zutfen en Schenkeschans, zeer vermoeit en afgemat waren: geevende dien verraader Mombas daar door gelegentheid, dat het Friesche voetvolk onder de voeten van zyn ruitery, en diesvolgens in een groote verwarringe geraakte, zo dat zy genootzaakt wierden om quartier of lyfsgenade te roepen, en alzo elendig wierden overwonnen. Dit doorbreeken in de Betuw, door dien men meende, dat des vyands macht aan den Rhyn verbrooken zoude worden, was een droevig begin van alle volgende onheilen: waarom het ook in Holland zo een verbaastheid verwekte, dat men geene woorden zou kunnen uitvinden om het zelve uit te drukken. Waar op dat heel kort daar na het Sticht Utrecht mede onder de macht des vyands quam.

Den 13de van Juny heeft geheel Overyssel zich by verdrag mede schendig aan den vyand overgegeeven. En zo is Friesland, door ’t verlies van de Kuinder, Blokzyl, Zwartsluis, Steenwyk, Ommerschans en Roveen zyn plegtanker afgekapt geworden. Waar over de verbaastheid, ontroeringe, en flaauwhartigheid, die de winkels innam, de handwerken aan een zyde wierp, de Rechtbanken toesloot, de Academien en Schoolen ledig maakten, de lieden van angst en benaauwtheid uit hunne huizen deed loopen, den eenen tegen den andere aanstootende, en zo alles in verwerringe bragt. De vreeze en benaauwdheid was te grooter, om dat alles hen zo schielyk en onverwagt overquam: waar van geen eigener beeldenis kan vertoont worden, als ieder gevoelig mensch zich, in herdenking van dien tyd, in zyne gedachten voorstelle: en die het slegts in een eenvoudig en naakt verhaal wilde te kennen geeven, zoude woorden moeten uitvinden, om eenigzints uit te drukken. Om daar evenwel iets van te zeggen, zullen wy daar over, als ook over de eerste gevolgen van dien, de woorden van Mr. P. Valkenier, Pleitbezorger voor den Hove van Holland, hier by voegen95. Hy schryft:

«De tydinge van dit schandelyk en haastig overgaan van de geheele Provintie van Overyssel, vloog aanstonds geheel Friesland en Groningerland door, en verwekte aldaar zo een groote vreeze en verbaastheid, als het doorbreeken der Franschen aan ’t Tolhuis, en het verlies van Utrecht, in Holland veroorzaakte. Want elk stond verlegen, en verwagte alle omzien den vyand. Niemand wist wien het eerst zoude gelden; alzo het geheele land onbedekt, en zonder de minste afsnydinge voor hem open lag. Elk wilde met zyne beste losse goederen vluchten, maar niemand wist byna waar heen. Eenigen, die hunne goederen uit de steden wilden vervoeren, wierden dezelve of door oploop, of door plondering van ’t gemeene volk kwyt. De Overheden, die mede wat meenden te bergen, moesten opentlyk het verwyt aanhooren, dat zy verraaders waren, en de gemeente in deze algemeene nood wilden verlaaten. De Regeeringe stond raadeloos, en het volk redenloos, alzo het zelve, als een pot te vuur, opliep, en voorts alles in verwarringe bragt. De Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, ziende dat de geheele last van dit onheil op hunne schouderen aanquam, wierden te raade, om de Heeren Raaden van ’t Hof van Gerichte te verzoeken, dat zy hen in deze verlegentheid met raad en daad geliefden by te staan. Waar op beide die aanzienlyke vergaderingen, tusschen den 13de en 14de van Juny, ’s nachts, binnen Leeuwarden, in alle stilheid byeen vergaderden: alwaar voorgestelt wierd, de bedroefde staat van hunne Provintie. Hoe dat de doortocht van Meppel, regt naar Dokkum, en voort de Dongerdeelen in ’t Bild door, tot Harlingen toe, om haare hoogte, niet konde onder water gezet worden. Dat de twee schansen, op die doortocht gelegen, als Breeberg en de Friesche Paalen, genoegzaam geslegt waren, en geen wezen meer hadden. Dat het krygsvolk, op hunne bezoldinge staande, tot bewaaringe der grenzen van andere Provintien zodanig was gebruikt, dat ’er tot bezettinge van hunne eigene Provintie, niet een eenige soldaat over was, als alleen eenige compagnien onder den Luitenant-Generaal Ailua, die uit Overyssel quamen afzakken. En dat hunne wapenhuizen en de wallen der steden van geschut, wapenen en leevensmiddelen onvoorzien en geheel ontbloot waren, en alzo in ’t geheel niet of weinig voorraad ter verweering. Hier op begon men te beraadslagen, hoe men de Provintie op het beste zoude bewaaren uit den tegenwoordigen nood en gedreigde gevaaren, die hen zo na boven ’t hoofd hingen. Waar op wierd voorgeslagen, dat zulks zou moeten geschieden door een van deze twee middelen: of gemeenzamerhand en met alle ernst trachten te verweeren, en het uiterste te waagen: of dat men zich met een algemeene overgeeving der Provintie uit die onheilen zoude redden: en ingevalle van overgeeving, dat men dan behoorde indachtig te zyn, met wat voorwaarden men de gemeene welvaart het best zoude kunnen verzekeren.

«Na eenige onderlinge strydigheden, en na dat de Predikanten der stad Leeuwarden mede in deze vergaderinge verschenen, die byzonderlyk aanbevoolen, het stuk van godsdienst en gemeene vryheid, wierden alle zwaarigheden aan eene zyde gestelt, en een moedig en hartelijk besluit genomen, om, tot behoudinge van godsdienst en vryheid, gezamentlyk het uiterste te waagen, en goed en bloed tot den laatsten droppel aan te leggen. Men zond aanstonds uit het midden van deze vergaderinge eenige Heeren aan hunne Hoog Mogende, aan de Staaten van Holland, aan die van ’t Noorder Quartier, aan die van Stad en Lande, en aan die van Amsterdam: welke alle, daar na, zonder troost of de minste hulpe weder te rugge zyn gekomen. Men besloot, om alle sluizen open, en alle Polders en bedykte landen onder water te zetten. Men deed een opontbod van alle Steden en Grietenyen; die daar op met vreugde uittrokken na het Heerenveen, om zich daar met de weinige aankomende krygslieden, onder den Heer Luitenant-Generaal Ailua, te vereenigen, en een legertje uit te maaken; om daar mede den vyand te verwagten, en te betoonen, dat zy noch van ’t regte bloed der oude en beroemde Friesen waren, die in standvastigheid alle volkeren overtroffen.” Dus schryft die Hollander.

En alschoon het geruchte, wegens dat merkelyk verlies van de Friesche krygslieden aan het Tolhuis, van welke slegts maar eenige weinigen door den Oversten Hans W. van Ailua, ter naauwernood uit Zwol gered, naar de grenzen van Friesland, tot onder Leeuwarden quamen afzakken, de verslagentheid niet verminderde; zo begon echter evenwel de moed weder aan te wasschen, door ’t bovengemelde legertje, dat ondertusschen tot 13 a 1400 soldaaten vermeerderde, behalven een goed getal burgers en boeren, die ’er dagelyks toevloeiden. Dit gemelde legertje wierd zeer voorzichtig, onder het beleid van den Heer Ailua, op de grenzen in een geduurige beweeging gehouden, op dat niemand van de Bevelhebbers konde weeten, hoe sterk of zwak het was.

Middelertyd, als de vyand zyn aantocht over Steenwyk, op Friesland had genomen, bequam hy tyding, dat de Friesen met de Groningers zich wakker tot tegenweer stelden; waar over de Bisschop van Munster zeer bulderende en geweldig tegen de Friesen uitvoer, barstende onder anderen in dezen Bisschops vloek uit: Der Teuffel hoole die Pfhaffen! waar door hy de Predikanten van Leeuwarden verstond. Des hy van voorneemen veranderde, achte het dienstiger naar Koeverden te zetten, en heeft eerst d’ Eiler-, Oude- en Nieuwe Schans, Winschooterzyl, en ’t Huis te Wedde, met alles wat ’er by of omtrent was, zonder slag of stoot ingenomen: de Bourtange eischte hy mede op, en bood aan den Commandeur of Opperbevelhebber Prot 200000 guldens, en aan ieder Kapitein of Hoofdman 50000 guldens, by aldien zy zich wilden overgeeven. Maar de Bevelhebber Prot gaf hierop tot antwoord: dat hy eerst met den Bisschop wel een gesprek wilde houden, daar hy hem zo veel kogels zou vereeren, als hem guldens waren aangeboden.

Hier na hield de Bisschop een krygsraad, en de vraag was, of men Friesland, of Delfzyl, of Groningen zoude overvallen? Het laatste wierd by hem beslooten. Doch van dien tyd af wierd hy wel degelyk in zyn raad verbystert, en in zyn voortgang zodanig gestuit, dat hy daarna niet een voet aarde meer heeft gewonnen.

Uit de zeesteden zond hy kapers uit, om de Zuiderzee onveilig te maken: dat, zo men zegt, geen drie dagen voortgang had: want alle zyne vaartuigen wierden hem afhandig gemaakt: gelyk ook eenige van zyn volk, meenende het eilandje Urk uit te plonderen, wierden van de inwoonderen gevangelyk naar Enkhuizen gevoert.

De steden ondertusschen, waar eenige schyn van bescherminge was, herstelden haare vestingen. Gelyk mede aan elke zyde van den Zwarten Weg, omtrent neeven Meedum wierd een schansje gebouwd, en by Tietjerk een schoone borstweering, reikende langs de weg naar Hardegaryp.

En door dien men bedugt was, of men in ’t toekomende een geweldigen vyand, of overlastige stroopers te gemoet zag, hebben die van Hindeloopen, ten opzichte dat zy voor ’t grootste gedeelte aan de zee genoeg bevryd waren, aan de zuidoostzyde, daar zy aan ’t land vast zyn, een vesting van drie bolwerken opgeworpen: bestaande de werklieden uit de burgerye, die zulks uit eigen drift gewillig bij der hand namen: maar, nadien zy by ongelegentheid van dien tyd geen onderstand of fortificatiepenningen, in gelykheid van andere steden, uit de Gemeene Lands Middelen hebben kunnen bekomen, zo hebbenze het verdere opmaaken tot op beter gesteltheid van tyden willen opschorten.

In deze dagen hebben de Bisschopschen uit de Kuinder de Lemmer opgeeischt, en zoudenze overvallen hebben, ten waare zy de wagens met vlugtelingen langs de wegen niet voor toevoer van krygsvolk hadden aangezien: daar zij slegts een borstweering met eenige stukken geschut op de zeedyk hadden toegestelt; welks toegang zy in ’t verborgen bedekten met heimelyk aan een gekeppelde eggen.

Den 4de van July heeft de Bisschop van Munster de sterke fortresse Koeverden met een macht van 16000 mannen belegert, doende dezelven dag noch aan de loopgraven werken. De twee volgende dagen liet hij zo een groote menigte bommen en granaaten werpen, dat het tuighuis daar binnen, met verscheide daar bystaande huizen, in brand geraakten. Den 7de dito liet hij de plaats opeischen, en eerlyke voorwaarden aan de bezettinge aanbieden. Doch de Commandant Johan van Burum96, na die niet willende luisteren, wierd ’er overzulks aan weêrskanten noch dapper vuur gegeven, tot den 10de der maand; wanneer de Bisschop de plaats voor de tweedemaal opeischte. Ter zelver tyd zond de Commandant drie Officieren aan den Bisschop, die den 12de de overgaaf der plaats, zonder consent van den Bevelhebber, doch op eerlyke voorwaarden, beslooten. Maar de Bisschop had Koeverden zo dra niet in ’t bezit, of betoonde zyne trouwloosheid en barbaarsche wreedheid aan de uittrekkende soldaaten.

Ondertusschen maakte de Overste Ailua, met 1200 uitgeloote of gecommandeerde burgers en soldaaten, eenen aanslag op de Kuinder; alwaar de Bisschopschen veel roof hadden te hoop gesleept. Zy zouden het vermeestert hebben, en hadden reeds al 200 mannen van den vyand ter nedergeschooten, ten ware de besprookene Hollandsche kaapers, wegens onstuimig weder opgehouden, hadden kunnen aannaderen, en de vyand mede geen haastig ontzet van 2000 mannen, zo uit Kampen, als Zwol had bekomen. Waar op de Friesen, dit ziende, met verlies van 30 mannen, weder aftrokken. En zy afgetrokken zynde, hebben de vyanden het zelve uitgeplundert en hunnen buit vervoert.

Den 16de van July is de Friesche Brandwacht, leggende tusschen Bergum en de Drachten, niet wel op hun hoede zynde, van 13 standaarden Bisschopsche ruiters overvallen geworden. Doch zich in tyds noch naar het gros van ’t leger te Bergum begeevende, quam het terstond in roeren, en viel de ruitery daar op in. Waar door de vyanden achteruit deinsden, en de Friesen alzo tot nevens hunne hinderlaagen uitlokkende, die het byna te quaad zouden gehad hebben, door dien een party volk van den vyand in ’t korenland verborgen lag; doch echter, door hunne manmoedigheid, drevenze de Bisschopschen te rugge, met verlies van van 150 ruiters, en maar 25 van hunne Friesen.

Daar na wierd de stad Groningen, op den 19de van July, door den Bisschop van Munster en den Keurvorst van Keulen, met eene macht van 22000 mannen, aan de zuidkant by twee poorten belegert. De stad had tot Gouverneur Karel Rabenhaupt, een dapper en ervaaren Kapitein. De Hertog van Holstein Pleun had het bestier van het voetvolk, en de Colonel Stoltzenburg van de ruitery. De bezetting bestond in ’t begin maar uit 24 compagnien voetknegten, 4 standaarden ruiters, en 3 vendels dragonders, die alle te zamen omtrent 2000 mannen uitmaakten. Maar zy wierd meer dan de helft versterkt, door de 18 vendelen burgers, die geweer voerden. Daar na wierden ’er noch vier compagnien van Advocaaten en andere lieden, die tot dezen tyd toe vry van de wacht hadden geweest, en een compagnie studenten, 150 mannen uitmaakende, opgericht: en voor dat de stad noch geheel berent was, quamen ’er 200 met byltjes gewapende mannen, uit het regiment van Koningsmark binnen.

De sterktens en magazynen waren in goeden staat, met overvloed van wapenen, krygs- en leevensbehoeften voorzien; de Magistraat meende het zo wel als het volk, en waren altemaal de bevelen van Rabenhaupt onderdanig.

Deze Gouverneur de belegering al van langerhand voorzien hebbende, had derhalven alle de huizen en tuinen, die buiten die kant van de stad stonden, doen verbranden of slegten. Op de eerste aantocht der vyanden deed hy de sluizen openen, en de dyken doorsteeken, om alzo het land rondom te laten onder loopen. Doch dit weerhield den Munsterschen Bisschop niet, den 22ste van July zyne krygsbenden te doen aannaderen, en dien zelven avond aan de loopgraven te laaten werken. Hy deed den 27ste dito van een battery met 5 stukken kanon op de stad schieten; maar de braave konstapels, waar van de stad voorzien was, maakten de geheele battery, eer den dag ten einde was, onbruikbaar. Des anderendaags liet de Bisschop de mortieren te werk stellen, en met bomben en granaaten op de huizen werpen; doch door de goede voorzorg van Rabenhaupt en de naarstigheid der Mennoniten deden ze weinig schade. Maar de volgende dagen schooten de belegeraars geweldiger, waar door in de stad groote schade wierd veroorzaakt; ’t welk de inwoonders noodzaakte met hun huisgezin naar het noordergedeelte van de stad, daar zy niet komen konden, te vertrekken.