Rabenhaupt schikte zyn mortieren zodanig op de wallen, dat hy op ’t laatste van de maand de wyken van den Bisschop, en van de Keurvorst zeer begon te beschadigen. Hy liet verscheide uitvallen doen, waar door de belegeraars genootzaakt wierden met verlies te wyken, en nieuwe werken te beginnen. De burgers, die de beveelen des Gouverneurs gehoorzaamden, droegen zich zo manhaftig, als de beste in den oorlog geoeffende en geschikste krygsbenden. De Studenten queeten zich op zo een verwonderenswaardige manier, dat de Staaten der Provintie Gedenkpenningen tot hunner eer lieten slaan, om deszelfs geheugenis voor de nakomelingen over te laaten. Inmiddels zagen de belegeraars het getal hunner bomben verminderen, zonder veel uit te werken; en daarom begonnenze in de maand Augusty met gloeiende kogels te schieten: daar waren ’er geen dan de eerste die schade bybragten, want door den grooten yver der Mennoniten wierden ’er veelen uitgedooft. Daar na zond de Bisschop een trompetter en een tamboer aan den Magistraat, om eerlyke aanbiedingen voor te stellen, indien zy de stad wilden overgeeven. Doch hem wierd te kennen gegeven: dat in ’t algemeen beslooten was, het uitterste af te wagten, en de stad, die een nieuwe versterkinge van soldaaten, kruid en geld bekomen had, van volk en allerlei behoeften voor veele maanden was voorzien, te verdedigen.
Het vuur van ’t geschut en de bomben ging echter met dezelve hevigheid voort, tot dat het den 25ste van Augusty op de middag begon te verslappen, en de Bisschop de geheele hoop verloor van een generaale storm te waagen. Na dien tyd hoorde men in zyn leger niet meer als met musquetten schieten; ’t welk de belegerden deed denken, dat zyn geschut onbruikbaar was, en vreesden derhalven voor een krygslist: doch 300 van de ongeduldigste mannen deeden een uitval op de loopgraven van den Keurvorst van Keulen, daar zy een groot bloedbad maakten, en eenige gevangenen mede in de stad bragten. De volgende nacht liet de vyand het gros des legers opbreeken, laatende de mynen, die zy vervaardigt hadden, springen, en verlieten alle hunne werken. Rabenhaupt kreeg hier kondschap van, deed daar op den 27ste dito de batteryen in brand steeken, de gragten vullen, en de wapenen, krygsbehoeftens en tuig, dat de vyanden achtergelaaten hadden, daar uit halen. De stad wierd den laatsten dag geheel verlaaten; welke dag door vasten en bidden gevierd wierd, om God over deze gelukkige verlossinge te danken.
Het verlies der belegerden was zeer gering, na de groote meenigte kogels, bomben, en granaaten, die op hen geschooten en geworpen waren; en daar wierden geen 100 menschen verloren. Maar dat der vyanden was zeer groot: van 22000 mannen, die zy in ’t begin des belegs sterk waren geweest, gingen ’er maar 12000 te rug; waar onder men 1400 zieken rekende: 600 quamen ’er in de stad overloopen, en 5000 begaven zich naar andere plaatzen, zo dat ’er omtrent 4500 dooden waren, waar onder de 3 Kolonellen, 2 Luitenant-Kolonels en 63 Kapiteinen wierden gevonden.
Den 13de van Augusty heeft de Heer Dirk Baard en Kapitein Hania, geleidende 450 mannen van de Friesche burgery, en met verscheidene vaartuigen omtrent Blanckenham landende, Blokzyl vermeestert: de burgery van binnen had een goed gesprek met dezelve, en opende de poorten, ter beschaaminge van geheel Overyssel. Aanmerkelyk was ’t, dat, terwyl de vyanden de zuiderpoort uitvluchten, zekere Mennoniet veelen van dezelve in zyn huis riep, zeggende, dat zy zich alle aldaar voor de eerste oploopentheid der Friesen konden verbergen, en leverde alzo by de 70 Bisschopsche soldaaten in handen van de onzen gevangen.
Den 2den van September, als de Kuinder, door het overgaan van Blokzyl, nu van toevoer afgesneden was, heeft Kapitein Holbarent, met 240 mannen, een aanval op dezelve gemaakt, met gering verlies van volk, alzo de Bisschopschen, schoon 250 mannen sterk, na eenige weinige tegenstand, de vlucht namen; achterlaatende eenigen buit, een karos en gespan van 6 paarden, en 28 gevangenen: zynde hunne voornaamste roof al te vooren weggepakt.
Van den eersten September af begonnen de Groningers ook hunne handen ruim te krygen. En alles van binnen wel bestelt hebbende, heeft de Overste Jorman, met 2000 mannen, zo voetvolk als ruitery, Winschooten vermeestert. Waar op de vyand, door vreeze, de Winschooterschans, Zyl, ’t Huis te Wedde, en Brugschans aanstonds heeft verlaaten.
Tusschen den 8 en 9de van September, zyn de Bisschopschen, met een groote furie, tot driemaalen in die zelve nacht, op de Schans van ’t Heerenveen aangevallen; doch telkens manmoedig afgeslagen, alhoewel daar eene kleene bezetting in lag: hebbende de onzen voorheen een Ritmeester, een Luitenant, een Cornet, en 4 ruiters gevangen bekomen.
Den 17de van October is de Oude Schans door de Groningers, onder het commando van den Oversten Eybergen, wederom belegert, en met grof geschut beschooten. De belegeraars maakten zeer kort zo een benaauwtheid, door hun sterk schieten, in deze schans, dat die van de Nieuwe Schans, versterkt zynde met veel volk uit Munsterland, afquamen om de belegerden te ontzetten. Doch Eybergen wierd zulks tydig gewaar, zendende derhalven 250 mannen, onder het commando van den Oversten Wachtmeester Wyllers, met twee stukken kanon vooraan, hun tegen, stellende hen by Stoksterhorn in slagordre. Hier op quamen de vyanden, omtrent 1500 mannen sterk zynde, den 25ste van October op hen los: maar Wyllers hen zeer na onder het geschut laatende komen, deed hy tot twee keeren een generaale losbrandinge onder de vyanden; waar door zy ten eenemaal in confusie de vlugt namen, wordende veele Bevelhebbers en soldaaten doodgeslagen en eenige gevangenen mede gevoert.
Daar na verzogten die van de Oude Schans op den 27ste dezes te capituleren: ’t welk den zelven avond noch wierd geslooten; wordende de plaats voort des anderendaags met 7 vendelen Staatsche troupen bezet.
Den 26ste van December heeft de Gouverneur Rabenhaupt, na dat hy alles, wat tot den aanslag op Koeverden noodig was, had laten vervaardigen, en waar toe een harde vorst, daar op een haastigen dooy en zwaare nevel, hem grootelyks bevoordeelde, deed hy het ys in de gragten om Groningen opbreeken. Hy gaf het opperbevel aan den Kolonel Eybergen; dat van het voetvolk aan den Oversten Wachtmeester Wyllers; en dat van de ruiterye aan den Majoor Jan Hendrik Sikkinge. Voorts liet hy de konstapels en grenadiers aannaderen, en het overige van het kleine leger, dat niet boven de 400 paarden en 1000 voetknegten sterk was, begaf zich in aantocht op den 27ste der maand. Den 30ste dezes, des morgens ten 3 uuren, quamen zy voor Koeverden, en verdeelden zich in drie ligchaamen, ieder op zyn bestemde post. God gaf, om den aanslag te begunstigen, met het aanbreken van den dag zo een zwaare mist, dat de geene, die malkanderen aanraakten, zich niet konden onderscheiden. Zy naderden daar op tot aan de conterscharp, zonder ontdekt te worden; maar door de biesbruggen over de gragt te leggen, wierdenze van de schildwacht ontdekt; die daar op alarm maakte. Voorts quam de bezettinge in de wapenen, en gaven dapper vuur van de wallen. Doch dit weerhield de bespringers niet, van tot aan de afschutzels en stormpaalen van de conterscharp te geraaken, die zy met bylen omverre hakten.
Hier op wierden de wallen, doch met groote moeite en verlies van hun volk, beklommen; zy geraakten ’er op, en overweldigde den vyand met het rapier in de vuist, en wierden meester van de poorten des kasteels. Hier op overstelpte de vreugde de overwinnaars zodanig, dat de Bevelhebbers, in hunne eerste ontmoetinge op ’t kasteel, geheel als verstomd waren: tot dat eene, als uit verrukkinge van zinnen opryzende, zeide: Wel hoe is het mogelyk! Waar op dezelve zeer wel voegende ten antwoord kreeg: Dit is niet anders als Gods hand.
De Gouverneur Jan de Mooy wierd ’er gedood, na dat hy zyn plicht als Commandant zeer wel had waargenomen. Maar door zyn verlies liet de bezettinge de moed zakken, waar van ’er 700 weerbaare mannen in gevonden wierden; die daar na zagen, datze door de groote meenigte hunner vyanden overmand waren, liepen ’er 200 de poort uit; omtrent 150 zyn ’er gesneuvelt, en de rest lieten het geweer vallen, en wierden ten getalle van 400 tot krygsgevangenen gemaakt, en in de kerk geslooten: ondertusschen stonden de overwinnaars de soldaaten toe de plaats te plunderen; alwaar zo wel de soldaaten als Officieren grooten buit bequamen; hebbende van hun kant in ’t bespringen omtrent 60 mannen verlooren.
Deze buitengewoone daad trok de Hollanders, die onder het gebied der Staaten, in een tyd dat Neêrland overweldigt scheen te worden, uit hunne algemeene verslagentheid.
En veele zullen ’t noch indachtig zyn, hoedanig die overwinning de gemoederen in Friesland en Groningen ontroerde, en van vreugde veelen de traanen uit de oogen deeden barsten.
De Gouverneur Rabenhaupt wierd daar op van de Staaten, behalven Luitenant-Generaal dezer Provintie van Groningen en Ommelanden, en van Gouverneur der stad Groningen, met het Drossaartschap van het Landschap Drenth en Gouverneur van Koeverden begiftigt. De Kolonel Eybergen wierd Commandant binnen Koeverden, en Meester Meyndert van Thynen, die als voornaamste wegwyzer der bespringers had gediend, wierd aldaar tot Generaal-Commies gemaakt.
Van dien tyd af hebben de Groningers in ’t Graafschap Benthem, Twenth, en tot onder Zwol en Deventer gestroopt; haalende van daar gestadig veel roof, en met veele gelukkige schermutselingen op de Bisschopschen.
In den jaare 1673 is ’er een vuur van oneenigheid opgeborsten uit de gemeene beroeringen des volks tusschen de Heeren der Regeeringe, die van de Gemeente zeer mistrouwd wierden, en dat al in ’t einde van ’t verloopene jaar had beginnen te smeulen. De oude en nieuwe Regeeringe wierd elk byzonder gehandhaafd, beide de Souverainiteit en Oppergezag der Provintie vertoonende, de eene te Leeuwarden en de andere te Sneek vergaderende, en neemende strydige besluiten tegen malkanderen, zonder malkanderen te kunnen verstaan; dat zeer schadelyk voor de Provintie was. Doch wierd gemeld verschil eindelyk weder door Gelastigden van hunne Hoog Mogenden en den Heer Stadhouder, als bemiddelaars, bemiddelt.
In ’t begin van ’t jaar, in January, bequam de Overste Ailua, in een hevige schermutzeling tegen den Graave van der Lip, twee trompetten en een vendel, die hy den Prins van Oranje vereerde.
In February quam ’er een gerucht, als of de Munsterschen een inval op Friesland voorgenomen hadden: waar op een goed getal krygsvolk uit Holland wierd overgescheept.
In April hebben de Heeren Staaten, ten Landsdage vergadert zynde, beslooten, hoedaniger wyze men het Land zoude onder water zetten, indien een hoogdringende nood zulks vereischte: als mede om aan ’t Heerenveen een schans te doen opwerpen, tot verzekeringe van ’t Land. Voorts wierden de overige posten wel verzekert, hebbende Prins Johan Maurits het Oppergezach over de Hollandsche krygslieden, Ailua over de Friesche, en Rabenhaupt over de Groningers.
Den 29ste van April wierd een algemeen, opontbod der landzaaten en burgery gedaan; wordende ieder huisgezin belast, een weerbaar man, tusschen de 18 en 60 jaaren oud zynde, uit te leveren, en moetende binnen 14 dagen met snaphaanen en pieken gereed zyn; zullende ieder burger ter week 3 guldens soldy genieten.
Omtrent dezen tyd maakten de Friesche stroopers, uit het leger van den Oversten Ailua, dagelyks een goeden buit.
Den 6de van Juny vertoonde zich Houttuin met 18 standaarden ruiters, en 1500 voetknegten, aan de post te Sonnega, welke hy opeischte: andere 2000 ruiters, met eenige honderden voetvolk verzelt, wierden tusschen Steenwyk en Blesse ontdekt, waar van een groot gedeelte te paard, elk met een musquettier achter op, tot aan de Blesbrugge naderde: maar wierd, door de hulp van de ruitery van Wolvega en Oudeberkoop, rustig afgekeert. Waar op Prins Maurits met het gros van ’t leger, in meeninge hem op den weg naar Steenwyk te onderscheppen, is afgekomen: doch zy reeds te verre afgeweken zynde, zo zond hy eenig volk hen achter na; waar uit zy verstonden, dat het gemelde voetvolk, behalven de 2000 ruiters, noch 1000 mannen sterk was. Van den vyand zyn twee Kapiteinen gedood, en 70 gequetsten wierden binnen Deventer gebragt. Na dit voorval deed Prins Maurits een ongemeenen iever, om het water in het land te doen loopen, dat door een sterken wind ook zeer schielyk voortging; en om het ingelaatene te bewaaren, liet hy een dyk in de Tjonger leggen: waar door het den vyand ondoenlyk wierd om ergens te kunnen doorbreeken. Ondertusschen quamen 3 geheele compagnien Munsterschen, met hunne Bevelhebbers, tot de onzen overloopen.
Den 10de van Juny heeft Rabenhaupt de Nieuwe Schans, na dat hy dezelve den geheelen winter door geblokkeert had gehad, met geweld van wapenen aangetast. Hy trok te water met veel volk, geschut en voorraad, aan geene zyde, en posteerde zich op de Bonder dyk, en daar omtrent, om de schans van drie zyden aan te doen.
De Bisschop van Munster deed aanstonds zyn uiterste best in ’t werk stellen, om de belegerden te ontzetten; zendende derhalven een Overste met 600 dragonders en 400 fantaisyns97, om het beleg door te breeken; doch wierden met groot verlies te rug gedreven. Overzulks wierd de belegeringe sterker voortgezet: zo dat de Bisschop voornam, tusschen den 29ste en 30ste van deze maand noch eene proef tot ontzet van deze plaats te neemen, en met een macht van 3500 mannen de post by Bonda te overvallen; meenende langs een nieuwe passagie door ’t moeras heen eenige vyandlyke troupen af te snyden: doch Rabenhaupt zulks tydig gewaar wordende, zond aanstonds 9 vendelen, onder het commando van een Majoor, derwaards; die te zamen den vyand niet alleen afgekeert, maar hun zelfs met een groote furie hebben op de vlugt gedreven, laatende wel 300 zo dooden als gequetsten achter.
Daar na, op den 18de dito, eischte Rabenhaupt de schans op: doch kreeg tot antwoord: Dat de Ravens dien Winter daar niet nestelen zouden. Hier op deed zyn Excellentie den Luitenant-Kolonel Tamminga met zyn krygsbenden aannaderen, en tusschen den 21ste en 22ste de aldaar leggende redoute aantasten. Des nachts ten een uur ging de attaque aan, die zo sterk wierd voortgezet, datze, na eenigen tegenstand, dezelve veroverden; vlugtende de Munsterschen met de uiterste verbaastheid langs de conterscharp naar de schans: maar de Staatschen volgden hen op de hielen, datze met hen in de poort, en vervolgens in de schans geraakten; hoewel zeer weinigen in ’t getal, dewyl zy door de engte van de passagie, maar eene t’effens konden voortgaan: doch de vyand door deze onverhoedsche overval nochtans verbaast zynde, denkende dat de geheele macht van de Staatschen binnen quam, wierpen de wapenen neêr en riepen om quartier, terwyl Rabenhaupt, niet weetende van dit vervolg, noch dapper op de schans schoot, daar ze al gewonnen was. Dat het meest te verwonderen is, is dat niet meer als twee mannen van de Staatschen in dit stormen zyn gebleven.
Den eersten van July quam Johan Maurits, vergezelt met de Heer Scheltinga, Gedeputeerde, en den Oversten Ailua, geleidende een hoop volk van 3000 ruiters, en 600 voetknegten, by zich hebbende 4 veldstukken, van ’t Heerenveen, door Dieveren, om de Munsterschen, leggende tusschen de Wyk en Staphorst, achter een borstweering en schansje, doch zonder geschut, te vernestelen: als de dragonders den aanval deeden, zo wierd des vyands Overste Post gewond en gevangen, en op zyn woord van eer naar Hasselt gelaaten, neemende de overigen de vlucht: die door de achterlaage gekeert zouden zyn geweest, by aldien de bestelde 800 mannen uit Blokzyl, ter bestemder tyd op weg zynde, die van Hasselt naar ’t Rooveen legt, had kunnen tegenwoordig zyn. Van den vyand wierden ’er 20 by de onzen gevangen genomen, waar onder 10 Bevelhebbers, en 17 of 18 gedood. De onzen hebben 2 dragonders by misverstand geschooten.
Den 3de van Augusty hebben eenige dragonders de brandwacht der Bisschopschen, bestaande in 18 ruiters, van tot onder Steenwyk weggehaalt, en in het leger op ’t Heerenveen gebragt.
Den 5de van Augusty zyn 7 vyandlyke ruiters, met hunne volle wapenrustinge, mede ingehaalt.
Den 25ste van Augusty zyn over de 8000 vyandlyke voetknegten, en 100 cornetten of standaarden ruitery, van Steenwyk uittrekkende, op Friesland aangekomen, die zich in zo veele benden afdeelden, dat zy de schansjes by Meldam, als Blesbrug, Bekaf, Donkerbroek, Makkinga en Wolvega, die maar bequaam waren om de huislieden voor strooperyen te beschermen, te gelyk konden bespringen: omtrent 1000 paarden en een regiment dragonders, quamen, onder ’t beleid van Houttuin op Blesbrugge aanzetten, en anderen op Bekaf; ’t was een Mornas, die de zynen door Makkinga, Donkerbroek en Nyjeberkoop, op Wolvega aanvoerde, alwaar de Overste Ailua het gezach voerde over 6 regimenten, als 3 te paard, 2 te voet en een dragonders.
Als Prins Maurits bemerkte, dat ’s vyands voornemen was, om alle het bovengemelde van ’t Heerenveen af te snyden, zo verwittigde hy den Overste Ailua en anderen, om gelykelyk naar ’t Veen af te deinsen. Middelerwyl ontmoete de Graave van Dona met zyn 200 soldaaten, op de heide van Meldam 150 vyandelyke ruiters, waar mede hy een schermutseling hield, en schooten 26 Bisschopschen onder de voet, benevens 2 Bevelhebbers, waar van hy de eene, een Ritmeester zynde, met eigener piek doode. De onzen dus naar ’t Veen de wyk genomen hebbende, zo wierden aanstonds eenigen naar de Jouwer, en anderen naar Gordyk gezonden. Van waar 60 mannen, den vyand, die over de Veenen meenden te komen, wierden tegengestelt; en met dezelve in schermutseling geraakende, liet de vyand 14 dooden, 25 gemeenen en 4 Bevelhebbers, als gevangenen na. Een andere party van 30 mannen, vervielen in handen van den vyand: als ook een brandwacht van 15 dragonders achter Bekaf.
De Bisschopschen dus nu de voet al te Schoot hebbende, konden wel ligt het Heerenveen trachten te overweldigen, om zo voort Friesland in te trekken, alzo zy wagens mei stroowerk mede voerden, om de gragten te kunnen vullen: waarom de Staaten van Friesland alomme de uitgeloote manschap, ten spoedigste, zo by nacht als dag, derwaards deed pressen.
Ondertusschen zo stelden zich de Bisschopschen als roofzieke wolven aan, in ’t uitplonderen der onweerbare landzaaten: dat in die gewesten weder een groot vluchten veroorzaakten.
Den eersten September vertrokken zy, hebbende wel 600 mannen laaten zitten, zonder iets merkwaardigs uitgevoert te hebben; als dat zy het bederf van die boeren wat verhaastenden.
Den eersten October is de dyk, die de Bisschop van Munster met veele kosten over de Vecht gemaakt had, en meer als derdehalf uur gaans lang was, alleen om Koeverden door water te benaauwen, door een stormwind weggespoelt: waar door omtrent 1400 menschen verdronken. ’t Is aanmerkelyk, dat dit geschiede juist op dien tyd, als men op ’t Heerenveen raadpleegde, om die te overweldigen, en reeds daar toe al 3000 Friesche burgers om de grenzen, als ’t Veen en andere te bezetten, waren uitgezonden.
Als de Prins, met de Keizersche en Spaansche Bondgenooten den vyand buiten ’t Land lokte, om van krygsbodem te veranderen, in ’t Sticht Keulen en elders waren ingevallen; zo wierden de Franschen daar door genoodzaakt, hunne veroverde plaatzen weder te verlaaten, gelyk zy dit jaar alles verlieten, behalven de Graaf.
In den jaare 1674, den 10de van February, is er vrede gemaakt tusschen den Koning van Engeland, en de Staaten Generaal, welke den 9de van February, oude styl, te Londen van gemelden Koning wierd geteekent.
Den 12de Maart zijn de Bisschopschen, omtrent 1000 mannen sterk, over de hartgevroorene moerassen, by ’t klooster ter Appel, in Groningerland gevallen, plonderende te Winschooten en daar omtrent. Waar op Rabenhaupt Nyjenhuys met stormen, en andere steden met bezettinge innam, en maakte Twenthe geheel zuiver en vry.
De Bisschop sloot ondertusschen den vrede met den Keizer, die te Keulen den 11de van April wierd geteekent: als mede daags daar aan met de Heeren Staaten Generaal. In de Meymaand volgde de Bisschop van Keulen mede. Waar op zy de overheerde plaatzen, die ze zoo schielyk hadden overrompelt, noch haastiger weder moesten ontleedigen: en ’t geen zy zo greetig hadden ingeslokt, in weedom van hunne harten, weder uitbraaken. En alzo zijn de drie verloorene Provintien wederom aan de andere gehegt, en de bundel der Zeven Pylen weder te zamen gebonden.
In den jaare 1675 was ’t een felle en lange winter; zo dat laat in ’t voorjaar, van Harlingen naar Enkhuizen, over de Zuider-Zee, veele menschen met geheele gezelschappen, en beesten op ’t ys overtrokken: ja eenigen hadden in ’t laatst van April noch op ’t ys gestaan.
In Maart, hebben de Friesen, overwegende beide de loffelyke daaden en voorzorge van ’t Huis van Nassau, en in ’t byzonder de groote gevaaren, die zyn Vorstelyke Doorluchtigheid, onze Heer Stadhouder, in groote manhaftigheid, had ten dienste van ’t gemeen uitgestaan in de laatst voorigen slag in Henegouwen tegen de Franschen, het Stadhouderschap hem erflyk opgedraagen: alle de Heeren, zo van ’t Land als Steden, leverden daar toe om de eerste te zijn, te meer, alzo de Hollanders den Prins van Oranje mede tot Erfstadhouder van hunne Provintie hadden aangenomen.
In het zelve jaar, den 12de van Augustij, is te Koeverden overleden Karel Rabenhaupt, Baron van Zucha en Crombach, Luitenant-Generaal der Vereenigde Nederlanden, wegens de Provintie van Stad en Lande, Gouverneur van Groningen, mitsgaders Drossaart van ’t Landschap Drenth, en Gouverneur der fortresse Koeverden: zijnde een krijgsman geweest van een zonderling beleid en dapperheid. Tot ’s mans lof heeft G. Bidloo, dit volgende bij zijne afbeeldinge gestelt:
Dit ’s Rabenhaupt, die Dorsten won,
Die Nuis en Lingen temmen kon;
Die Karel, die Lamboy versloeg,
Van Groeningen den Bisschop joeg;
En knoopte aan zyn legerkrans
Van Koeverden, de Nieuwe Schans.
Zo waakt zyn’ staatzorg, deugd en hand
Ten dienst van ’t Volk, en Kerk en Land.
Zyn’ dapperheid is uit zyn weezen
Zo wel, als uit zyn’ kling te leezen98.
Als ’er tusschen den 26ste en 27ste van October, met een noordweste wind, veele dyken, door de felle aanpersing van ’t water, waren doorgebrooken, leeden die van Friesland mede geen kleene last: want een gat van 30 roeden brak by Staveren, en omtrent by Molkwerren was het niet veel kleender, zo dat die geheele landstreek blank van ’t zeewater stond: ook was ’er een gat van 30 roeden breed en zeer diep, by Zwartsluis.
In het jaar 1676 was men bezig om op de vredehandeling der Europische Prinsen, die in ’t voorgaande jaar te Nieumegen was begonnen, alle geschillen, door welke Europa in de grootste verwerringe gebragt was, te beslechten; terwyl de geweldige oorlogstrompetten noch al geen minder krygstoerusting verkondigden, als voorheenen. Doch de sterke rustgeevende Vredevorst gaf hier toe, dat uit het blaakend oorlogsvuur schielyk ontsproot de heilzaame en zegenryke hoorn des vredes: en dus wierd de roemruchtigste Vryheid der Friesen weder als herbooren, en zy eindelyk verlost van de slaavernye des duivels99.
In den jaare 1677 zyn de opgerezene staatsgeschillen tusschen Groningen en de Ommelanden, door de Heeren Staaten Generaal weder beslegt geworden; gelyk mede te Deventer.
In den jaare 1678, den 15de van February, is te Groningen de Landsdag weder aangevangen, na dat de Heere Osebrand Rengers van zyn zesjaarige gevangenis was ontslagen en herstelt.
In dit zelve jaar, den 10de van Augusty, is te Nieumegen, de vrede tusschen den Koning van Vrankryk en de Staaten Generaal geslooten.
In den jaare 1679, den 10de van April, stond Albertina Agnes, moeder van den Stadhouder Hendrik Kasimier, nu 20 jaaren oud zynde, haare Voogdye af, en vertrok naar haare landgoederen in Duitschland.
In den jaare 1681, den 2de van Augusty, zyn te Groningen vier ringen aan alle kanten van de zon gezien, en eenigen verhaalen, dat diergelyke zich mede te Rome en Tubingen hebben vertoont.
In den jaare 1682, in May, is in Groningerland en Oostfriesland een zeer hevige veeziekte geweest, waar door veel rundvee is gestorven: doch op ’t uitgaan van het jaar is de sterfte weder opgehouden.
Den 4de van November is Grietzyl, in Oostfriesland, door de Baandenburgsche soldaaten overrompelt, die zich naderhand aldaar ook hebben neêrgelegt, als ook te Norden en Embden.
In den jaare 1683, in November, is de Erfstadhouder van Friesland, Hendrik Kasimier, en zyne Gemaalinne Amelia, te Leeuwarden, met staatsiewagens en vertooningen, nevens een groot en prachtig vuurwerk, ingehaald: doende, eenige dagen daar na, zynde den 17de van September, ook zyne intrede binnen Groningen.
In den jaare 1686, in July, overleed de jonge Prins van Nassau, zoon van den Erfstadhouder van Friesland, enz.; en omtrent een maand daar na beviel de Vorstinne weder van een jongen Prins.
In dit zelve jaar, den 22ste van November, wierd Groningerland, door een afgrysselyke watervloed aangetast, al het omleggende land overdekkende; waar door veele menschen en beesten het leeven verlooren. Het getal der verdronkene menschen beliep 1558, geheel weggespoelde huizen 631, en de zeer beschadigden 616, de verdronkene paarden 1387 en de koeyen 7861.
In den jaare 1687, den 2de van May, overquam Groningen een tweede ramp, door een schrikkelyke brand in de Veenen van Sapmeer, Wildervank en Pekel A, waar door alle de gegravene turf tot duizende van vuuren, eenige huizen en schepen verbranden, en de schade op eenige tonnen gouds wierd geschat.
In dit zelve jaar, den 14de van Augusty, is de Prins Jan Willem Friso, te Dessau gebooren.
In den jaare 1688, den 11de van November, deed Prins Willem van Oranje die vermaarde overtocht naar Engeland; landende met zyn byhebbende krygsbenden den 15de dezer in de haven van Torbay.
In den jaare 1689, den 11de van April, is de Prins van Oranje, Willem, nevens Maria, zyn Gemalinne, te Londen met de gewoonlyke plechtigheden gekroont als Koning en Koninginne van Engeland.
In den jaare 1690, den eersten van July, geschiede het bloedige gevegt in de vlakte van Fleury, door de Franschen onder Luxenburg, en de Geallieerden onder Waldek; waar van ’t weêrzyds verlies op 16000 mannen wierd begroot.
In den jaare 1691, den 5de van February, is Koning Willem in ’s Gravenhaage met zeer groote vreugde en eerteekenen, door praalpoorten, vol geschilderde zinnebeelden, opgehaalt en naar het Hof gevoert.
In den jaare 1692, den 3de van Augusty, sloeg het voetvolk der Geallieerden, onder den Hertog van Wirtenberg, tegens de Franschen onder Luxenburg, by Steenkerken, doch met weinig voordeel.
In den jaare 1693, den 29ste van July, geschiede het gevegt by het dorp Landen, tusschen de Geallieerden, onder Koning William en Keur-Beyeren, en de Franschen onder Luxenburg, 80000 tegens 40000 mannen: dus schade aan weêrszyden.
In den jaare 1694, den 15de van Augusty, wierd te Groningen gejubileert van des stads overgang voor 100 jaaren aan der Staaten zyde, door het beleid van Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau; ook datze de Gereformeerde Religie aannam; by welke gelegentheid ook medaillien geslagen wierden; waar op staat:
Des Prinsen zwaard, met Godes arm,
Bragt Paap en Spanjaard in alarm,
Als leugen voor het licht verdween,
Wier zuivre glans in templen scheen.
Een regte vreugd voor klein en groot,
Die Groningen sluit in haar schoot.
Dit heeft des Heeren hand gedaan,
En deze Penningen doen slaan.
In den jaare 1695, den 7de van January, is de Koninginne van Engeland, Maria Stuart, eene zeer deugdzaame Prinsesse, te Londen overleden.
In den jaare 1696, den 25ste van Maart, overleed te Leeuwarden Hendrik Kasimier, Stadhouder van Friesland, enz., aan een borstquaal; nalaatende een zoon en eenige dochters. Tot wiens lof L. Smids zegt:
’t Was Frieslands Stedevoogd, Vorst Willems Bloedverwant,
Zoon, Neef en Naneef van drie nooit volpreezen Helden,
Gedrochtetemmers in ’t ontroerde Nederland,
Die, zich, gelyk een wal, voor haat en outer stelden:
Doch dit Geboorterecht nam Hendrik geenzins aan,
Maar stond na heldenroem, door eigene oorlogsdaên.
In dit zelve jaar, den 24ste van May, is op Oranjewoud, in Friesland, overleden Albertina Agnes, moeder van den overledenen Stadhouder, en dochter van Frederik Hendrik, Prins van Oranje, in den ouderdom van 62 jaaren. En in de maand van Augusty, is Amelia, weduwe van Hendrik Kasimier, Erfstadhouder van Friesland, enz., te Leeuwarden van eene Prinsesse bevallen.
In den jaare 1697, den 20ste van September, is de algemeene vrede op het huis Nieuburg, te Ryswyk, by ’s Gravenhaage, geslooten, tusschen Engeland, Vrankryk, Spanje, het Duitsche Ryk en de Vereenigde Nederlanden; zynde hier over den 6de van November alomme vreugdevuuren aangestoken.
In den jaare 1698 zyn de sterke fortificatiewerken, aan de zuidkant buiten Groningen, door den Generaal Koehoorn begonnen; en na eenige jaaren met zeer vaste muuren opgemetzelt, en de halvemaanen of bastions met bruggen en poorten voorzien.
In den jaare 1699, den 15de van November, is in Oostfriesland een hooge watervloed ontstaan, waar door groote schade geschiede: want de nieuwshermaakte dyk, om ’t dorp Gerdsweer, wierd byna geheel vernielt; zes huizen spoelden geheel weg, eenigen wierden beschadigt, en veele beesten zyn verdronken.
In den jaare 1700, den 27ste van November, heeft de Koning van Sweden, Karel de XIIde, met 12000 mannen geoeffende troupen, 80000 Moskovieters verslagen, op de vlugt gedreven, en aldus de stad Nerva geweldiger hand ontzet.
In den jaare 1701, in het begin, namen de Franschen alle de steden van de Spaansche Nederlanden in bezettinge; waar op de toebereidzels ten oorlog door den Keizer wierden gemaakt.
Den 28ste van May trokken de Keizerschen, met groote moeite en zwaaren arbeid, over het Alpische gebergte, in Tirol, maakende vervolgens in Italien een doortogt met de degen in de vuist.
In den jaare 1702, den 19de van Maart, is Willem de derde, Koning van Engeland, te Kensington overleden; zynde op de jagt met zyn paard gestruikelt, waar door hy het sleutelbeen brak; wordende op den 23ste van April daar aan volgende, in de Kapel van Westmunster, zonder uiterlyke pracht, begraven. Hy wierd in de regeeringe opgevolgt door Prinsesse Anna, Gemaalinne van Prins Georg van Denemarken.
Den 15de van May wierd byna overal de oorlog tegens den Koning van Vrankryk gepubliceert.
Den 11 de van Juny, hebben die van Nieumegen, met een groote dapperheid, der Franschen hevige aanval, onder den Maarschalk de Bouflers, van hunne vestingen afgekeert en te rug gedreven.
Den 16de dito is Keizerszwaard van de Geallieerden belegert en ingenomen.
Den 15de van Augusty heeft Prins Eugenius de Franschen met groot voordeel by Luzzara geslagen.
Den 8ste van September won Keur-Beyeren Ulm, in Swabenland.
Den 10de dito is Landau de Franschen ontweldigt; als ook den 23ste dito Venlo, en den 2de van October Stevenswaart.
Den 7de van October wierd Roermond met geweld door de Geallieerden tot overgaaf gedwongen, en den 13de dito is Luyk door de burgers aan de Geallieerden overgegeven.
Den 22, 23 en 24ste dito, wierd de Fransche Zilvervloot, by Vigos, door de Engelschen en Hollanders bemachtigt, geplondert, verbrand en geruïneert.
In den jaare 1703, den 15de van February, is Rhynberg door de wapenen des Konings van Pruyssen bemachtigt; en omtrent dezen tyd Traarbach door Hessen-Kassel.
Den 8ste van April won de Beyervorst Regensburg.
Den eersten van May wierden de Polen door de Zweden, by Pultouw, geslagen: den 10de dito wonnen de Franschen Tongeren, en den 15de dito is Bon door de Geallieerden herwonnen.
Den eersten van July geschiede het bloedig gevegt by Eekeren en Wilmerdonk, waar in de Hollandsche dapperheid in ’t byzonder heeft uitgeblonken; onaangezien de Generaal Obdam genoodzaakt geweest is naar Breda te vlugten.
Den 25ste dito is de stad Hoey den Franschen ontnomen.
Den 4de van September is Trente door de Franschen gebombardeert, en Brizak door hun gewonnen; als mede den 27ste dito Limburg door Marlboroug bemachtigt.
Den 14de van October wonnen de Zweden de stad Thoorn.
Den 8ste van December trof een ysselyke zuidweste stormwind, zo te water als te lande, Engeland, Vlaanderen, Holland, Friesland, en meer aangrenzende gewesten, waar door veele ongelukken gebeurden.
Den 16de dito is de stad Gelder door den Koning van Pruyssen verovert.
In den jaare 1704, in February, wierd Prins Friso in Friesland geavanceert; verwekkende dit eenig misnoegen by zommige andere Provintien.
In dit zelve jaar, den 27ste van Maart, overleed Menno Koehoorn, in ’s Gravenhage; zynde lang ziekelyk geweest, en over de 70 jaaren oud. J. de Recht heeft op zyn afbeeldzel dit eervaars toegepast:
Ziet hier een Held, beproefd in oorlogsblixem vlammen;
Die voor ’s Landt Vryheid spreekt uit monden van metaal;
Die ’t opgezwolle nat door dyken jaagd en dammen,
En ’s vyands krachten breekt door water, vuur en staal,
Den Vriessen Jupiter, die, met zyn donderslaagen,
Den Franssen Faëton bonst uit zyn Zonnewagen.
Den 2de van July sloeg Marlboroug en Baden, in Beyeren, de Fransche en Beyersche krygsmacht, by den Schellenberg; en op den zelven dag is Brugge door de Geallieerden ook gebombardeert.
Den 3de dito is door de Geallieerden Donawerth bemachtigt, en den 11de dito Regensburg; als mede den 26, 27 en 28ste dito, de stad Namen, doch zonder voordeel, gebombardeert.
Den 4de van Augusty heeft de Geallieerden vloot, onder Hessen-Darmstad, Gibralter bemachtigt; en den 13de dito hebben de Geallieerden, onder de Generaals Marlboroug en Eugenius, de Franschen en Beyerschen by Hogstet geslagen; zynde hun verlies wel op 40000 mannen begroot.
Den 18de van November wonnen de Geallieerden, onder den Erfprins van Hessen-Kassel, Traarbach.
In den jaare 1705, den 5de van May, overleed te Weenen Keizer Leopoldus, oud zynde 65 jaaren; wordende van zynen zoon Josefus in ’t Keizerryk gevolgt.
Den 5de van September zyn 96 schepen van de Groenlandsche vloot voor Delfzyl gearriveert, hebbende in alles gevangen 1100 vissen.
Den 14de van October gaf Barcellona zich aan Koning Karel over. Ook is Stanislaus omtrent dezen tyd tot Koning van Polen verklaart en gekroont.
In den jaare 1706, den 23ste van May, sloegen de Geallieerden, onder Marlboroug, tegens de Franschen, by Ramellies, en bequamen een roemruchtige overwinninge; waar op zich verscheidene steden in Braband en Vlaanderen hebben overgegeven. Den 6de van July wonnen de Geallieerden Oostende: den 22ste van Augusty Meenen; den 5de van September Dendermonde; en den 7de dito is Turin door Prins Eugenius gewapenderhand ontzet: en den 3de van October is Aath mede door de Geallieerden gewonnen.
In den jaare 1707, den 16de van April, leeden de Geallieerden een groote neêrlaag in Spanje, by Almanza. Den 20ste van July, heeft de stad Napels, met haar drie kasteelen, zich aan Koning Karel onderworpen.
In dit zelve jaar, in Augusty, is Johan Willem Friso, Stadhouder van Friesland, enz., getreden in zyn chargie als Generaal der Infantery of voetknegten. L. Smids, voegde dit onder zyn afbeeldzel:
Als Friesland zag het beeld van Frieso; reeds in ’t weezen
Oranjes yver en Nassouwers moed kon leezen
Zo sprak zy, (drukkende dit konststuk aan haar mond)
Wat schooner dag beloofd my zulk een morgenstond!
In den jaare 1708, in February, is zyne Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van Oranje en Nassau, en der Friesen Erfstadhouder, door de Edele Groot Mogende de Heeren Staaten van Stad en Lande, tot Stadhouder over derzelver Provintie aangenomen.
Den 5de van July is Gent en Brugge door de Franschen ingenomen; den 11de dito zyn de Franschen door de Geallieerden, onder Eugenius, Marlboroug en Ouwerkerk, by Oudenaarden geslagen.
In Augusty wierd aan Prins Friso het Oppergezach der belegeringe van Ryssel toevertrouwt, ondersteunt van Prins Eugenius; en wierd dit meesterstuk der krygsbouwkunde by verdrag gewonnen den 22ste van October, en ’t kasteel den 8ste van December. En den 30ste dito wierd Brugge den Franschen weder ontnomen.
In den jaare 1709, den 4de van January, hebben de Franschen de stad Gent wederom verlaaten.
Den 29ste van April is zyn Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van Oranje en Nassau, met Prinsesse Maria Louisa, dochter van den Landgraaf van Hessen-Kassel, op het kasteel van Kassel met zeer groote plechtigheid getrouwt.
Den 8ste van July wierd de Koning van Zweden, door de Moskovieters, in de Ukranie, by Pultowa, ten eenemaal geslagen: den 28ste dito is de stad Doornik aan de Geallieerden overgegaan: den 11de van September geschiede het wreede en bloedige gevegt der Franschen en Geallieerden by Malplaquet: en den 25ste dito wonnen de Geallieerden Bergen, in Henegouwen.
In den jaare 1710, den 2de van January, is Prins Friso, nevens zyne Gemalinne, te Leeuwarden, met een buitengemeene staatsie ingehaalt. Als mede den 18de van Maart te Groningen.
Den 25ste van Juny is Douay door de Bondgenooten verovert: den 28ste van Augusty Bethune: den 28ste van September St. Venant: den 8ste van November Arien.
In den jare 1711, den 17de van April, is Keizer Josephus te Weenen overleden, oud zynde 33 jaaren.
Den 14de van July, op den middag, is zyne Hoogheid, Prins Jan Willem Friso, Frieslands en der Groningers Stadhouder, in ’t overvaaren van ’t Hollandsche Diep, aan ’t Stryensche Sas, zeer ongelukkig verdronken; wordende deszelfs ligchaam door een schipper, van de Klundert komende, op den 22ste derzelver maand eerst gevonden en opgevischt, voorts haar Dordrecht gebragt, en aldaar gebalsemt, en vervolgens naar Leeuwarden gevoert: alwaar het op den 25ste van February 1712 met eene heerlyke doch droevige lykstaatie in ’t graf zyner Voorvaderen wierd bygezet.
En in hetzelve jaar, den eersten van September, is de Prinsesse van Friesland, Weduwe van den Stadhouder, van een Prins bevallen, en genaamt Willem Karel Hendrik Friso, zynde de tegenwoordige Stadhouder.