[14] Brandewijn.
[15] Soort guitaar.

IV.

—He! duivels! ik heb mijn neuswarmer vergeten! Wat een ongeluk, broeders! herhaalde Welentschuk.

—Waarom rookt gij geen cigharka[16], beste jongen? zeide Tschikine, terwijl hij zijn mond scheef trok en met zijn oogen knipte. Als ik thuis ben, rook ik nooit iets anders. 't Is veel zoeter.

Natuurlijk barstten allen in lachen uit.

—Waarom vergeet gij uw neuswarmer ook? zeide Maximoff uit de hoogte, zonder op de algemeene hilariteit te letten, terwijl hij den kop van zijn pijp op de vlakke linkerhand uitklopte. Waar ben je eigenlijk geweest, he, Welentschuk?

Welentschuk keerde zich half naar hem om, bracht de hand naar zijne muts maar liet haar dadelijk weer zakken.

—Gij hebt zeker niet genoeg geslapen van nacht, dat gij nu staande nog slaapt?... Ik kan niet zeggen dat ik het mooi van u vind.

—Gij kunt mij dadelijk doodmaken, Fedor Maximovitsch, als ik een druppel geproefd heb. Maar ik weet zelf niet, wat er met me gebeurd is, antwoordde Welentschuk. Wat zou me wel voor goeds overkomen zijn, dat ik me bedronken zou hebben? mompelde hij voor zich heen.

—Het zij zoo. Maar ik ben voor u verantwoordelijk bij de superieuren, en nu gedraagt gij u zoo! Dat is geen manier van doen, besloot de welsprekende Maximoff, hoewel reeds op veel kalmer toon.

—'t Is een wonder, kameraden, vervolgde Welentschuk na een oogenblik van stilte, terwijl hij zich in den nek krabde, en zonder tot iemand in het bijzonder het woord te richten. Waarachtig, het is een wonder! Ik ben nu zestien jaar in dienst, maar zoo iets is me nog nooit overkomen. Toen er gecommandeerd werd om aan te treden voor het appèl, was ik present, zooals het behoort, ik voelde nog niets; eensklaps, dicht bij het park, daar pakt het mij aan... ik viel op den grond, er was niets tegen te doen... En hoe ik ben ingeslapen, dat weet ik zelf niet, broeders. 't Was zeker slaapziekte, aldus eindigde hij.

—Ja, ik heb je haast niet wakker kunnen krijgen, zeide Antonoff, terwijl hij een laars aantrok. Wat moest ik je schudden, wat moest ik je schudden! Net een stuk hout.

—Nu! ziet gij nu wel? riep Welentschuk.

—Als ik dronken was geweest, zou ik het wel begrepen hebben.

—Zoo hadden wij bij ons een vrouw, begon Tschikine te vertellen, die is wel twee jaar, twee jaar, zeg ik, op de kachel blijven liggen. Op een goeden morgen, toen wij haar wakker gingen maken, in de meening dat zij sliep, was zij dood. Die kreeg ook altijd slaapzucht. Dat kan al zoo gebeuren, beste vriend.

—He, vertel eens, Tschikine, hoe jij, toen je met verlof was, thuis den toon aangegeven hebt, zeide Maximoff lachend, terwijl hij mij aanzag, alsof hij wilde zeggen:—Wilt u ook niet eens graag een domkop hooren?

—Welken toon, Fedor Maximowitsch? vroeg Tschikine, van terzijde een blik op mij slaande,—maar, dat weten ze immers al? Ik vertelde hoe het er in den Kaukasus uitziet.

—Ja, ja... Maar hoe? Kruip nu niet weg. Vertel ons hoe je commandeerde.

—Dat is bekend, hoe ik commandeerde... Men vroeg mij hoe wij hier leefden, aldus begon hij levendig op den toon van iemand die reeds verscheidene malen hetzelfde heeft verhaald. Toen zeide ik dat wij het uitstekend hadden, lieve jongen. Wij krijgen volop de levensmiddelen, die wij noodig hadden; des morgens en 's avonds een kop chocolade voor elk soldaat; bij het eten een fijn soepje van geparelde gerst; in plaats van vodka krijgen wij madera, madera Duverrier, die twee en veertig kopeken kost.... zonder de flesch.

—Prachtige madera! riep Welentschuk en schaterde het uit, harder dan al de anderen. Een prachtige madera!

—Welnu! en van de Aziaten, wat vertelde je daarvan? vervolgde Maximoff, toen de algemeene vroolijkheid een weinig bedaard was.

Tschikine boog zich over naar het vuur, legde met behulp van een stuk hout een gloeiend kooltje op den kop van zijne pijp, en, zonder dat hij de algemeene aandacht en de nieuwsgierigheid van zijne toehoorders scheen te bemerken, deed hij een langen haal. Eindelijk, toen de pijp goed aan was, liet hij het kooltje vallen en zette zijne muts nog verder naar achteren; toen trok hij de schouders op en ging voort, met een lachend gezicht:

—Zij vroegen me ook: Hoe zijn die Tscherkessen, daarginds? of wel: Hoe zijn de Turken, tegen wie gij daar vecht, in den Kaukasus? Dan antwoordde ik: Bij ons zien de Tscherkessen er niet allen hetzelfde uit, beste vrind; er zijn verschillende typen onder. Zoo zijn er Tafflinzen, die in de rotsgebergten wonen en steenen eten in plaats van brood. Die zijn zoo groot, zeg ik hun, als een flinke balk; zij hebben een oog in het voorhoofd, en roode mutsen op, die er uitzien als vuur. Zooals gij bij voorbeeld, beste vriend, voegde hij er bij en wendde zich tot een jongen recruut, die inderdaad een bespottelijk klein mutsje met een rood kapje droeg.

Aldus onverwacht aangesproken, hield de jonge soldaat zich den buik vast van het lachen, sloeg met zijn handen op de knieën, en van het schateren begon hij zoo te hoesten, dat hij nauwelijks, met toonlooze stem kon uitbrengen:

—Mooie lui, die Tafflinzen!

—Dan zijn er nog Mumri, vertelde ik hun, ging Tschikine voort, terwijl hij zijne muts naar voren trok. Dat zijn weer anderen, kleine tweelingen, niet hooger dan zoo; zij loopen altijd met hun beiden, en houden elkaar zelfs aan de hand; en zij loopen zoo hard, dat een ruiter ze zelfs niet kan inhalen.—Maar hoe is dat dan, vroegen zij toen, met die Mumri.... worden die zoo geboren, hand in hand, of hoe? zeide Tschikine, met een basgeluid, om de stem der moejiks na te bootsen. Ja, antwoordde ik, lieve vriend, dat is van nature. Als gij hun de handen losmaakt, dan gaat het hun als een Chinees, wien men zijne muts afrukt: het bloed springt er dan uit.—En zeg mij eens, hoe vechten zij? vroegen zij toen.—Wel, doodeenvoudig, antwoordde ik. Als zij u beet hebben, maken zij u den buik open, nemen de darmen er uit en rollen die om uw arm. Zij rollen ze op, en gij lacht, en gij lacht zoolang tot gij er aan sterft....

—En geloofden zij u, Tschikine? vroeg Maximoff glimlachend, terwijl de anderen het uitschaterden.

—Die rare lui geloofden wezenlijk alles, Fedor Maximovitsch, alles gelooven ze, bij God! Maar toen ik begon over den berg Kazbek, en hun vertelde dat de sneeuw er den geheelen zomer niet smelt, toen lachten zij mij uit, beste vriend!—Och wat, kleintje, wat bazelt gij nu? riepen zij. Wie heeft nu ooit een grooten berg gezien, waarop de sneeuw niet smolt? Bij ons, kleintje, als, de sneeuw smelt, dan smelt die het eerst op de hoogten, en in de dalen blijft zij langer liggen....—Wat zal ik er u van zeggen? besloot Tschikine knipoogend.


[16] Letterlijk: suikersigaar.

V.

De schitterende schijf der zon, wier stralen door den melkwitten nevel heendrongen, stond reeds vrij hoog aan den hemel. De grauwe horizon werd langzamerhand ruimer, maar was nog altijd beperkt door den witten nevelwand. Voor ons, achter het gekapte bosch, strekte zich een tamelijk groote vlakte uit. Boven deze vlakte hing van alle zijden, hier een zwarte, daar een melkwitte, ginds een violette rook van de wachtvuren en de witte nevelvlokken namen allerlei vreemde vormen aan. Nog verder vertoonden zich van tijd tot tijd groepen Tartaarsche ruiters, en af en toe hoorde men het knallen van onze karabijnen en hunne buksen en de losbarstingen der kanonnen.

—Dat was nog geen gevecht, het was slechts een amusement, zeide de goede kapitein Chlopoff.

De kommandant van de 9e compagnie jagers, die in last had ons te dekken, naderde de stukken; hij wees mij drie Tartaarsche ruiters, die op dit oogenblik den zoom van het bosch passeerden, nauwelijks twaalfhonderd meter van ons af, en met de gewone voorliefde der linieofficieren voor het kanon, vroeg hij een granaat of een bom op hen af te schieten.

—Ziet gij ze, zeide hij met een goedigen, overtuigenden glimlach, terwijl hij met zijn hand over mijn schouder wees, daar ginds, waar die twee boomen staan; de eerste draagt een zwarte Tscherkessenjas en achter hem zijn er nog twee. Ziet gij ze? Als het kan, zou ik het graag willen.

—En daar komen er nog drie langs het bosch rijden, voegde Antonoff, die een zeer scherp gezicht had, er bij. En terwijl hij ons naderde, waarbij hij zijn neuswarmer achter den rug hield, vervolgde hij:

—Daar haalt de eerste zijn karabijn uit het foedraal. Ik zie het heel duidelijk, Uwe Edelheid.

—Ziet ge, daar schiet hij, broeders; de witte rook is nog te zien, zeide Welentschuk te midden van een groep soldaten, die nog wat meer naar achteren stonden.

—Ah! die schoelje, hij schiet op onze voorposten! merkte een ander op.

—Zie eens, hoeveel er daar uit het bosch komen! Zij zoeken een plaats, zeker om een kanon te stellen, voegde een derde er bij. Wij moesten een granaat in dien hoop gooien, dan zouden zij wel beenen maken!

—En denkt gij dat die zoo ver zou komen, beste vriend? vroeg Tschikine.

—'t Is duizend of op zijn hoogst duizend vijftig meter, meer niet, zeide Maximoff onverschillig en alsof hij in zichzelf sprak, hoewel men duidelijk zag dat hij evenals de anderen dolgraag zou schieten.—Als wij het stuk vijf en veertig streep laten rijzen, zouden we juist in het midden raken.

—Men zou stellig iemand raken, als men in den hoop mikte! Kijk, zij staan nu met hun paarden dicht bij elkaar; beveel nu toch zoo gauw mogelijk te schieten, vroeg de compagnie-kommandant mij dringend.

—Beveelt gij het stuk te richten? vroeg plotseling Antonoff met zijn sombere basstem en met een gelaat waar sombere toorn op te lezen stond.

Ik moet bekennen dat ik er ook grooten lust toe had, en ik gaf bevel het tweede stuk te richten.

Nauwelijks had ik het gezegd, of er was reeds een granaat klaar, en Antonoff, tegen den zijwand van het affuit leunend met zijn dikke vingers op het achterstuk van het kanon, kommandeerde:

—Iets meer naar links... Een ziertje rechts... Nog... nog iets... Zoo, nu is hij er, zeide hij op een toon van overtuiging, terwijl hij terugtrad om plaats te maken.

De officier der jagers, ik, Maximoff, legden allen achtereenvolgens het oog aan het vizier, maar waren het niet eens over de richting.

—Bij God! die gaat erover, zeide Welentschuk en klapte met de tong, hoewel hij slechts over den schouder van Antonoff gekeken had en er dus niet over kon oordeelen. Bij God! dat komt vlak tegen dien boom, broeders.

—Vuur! kommandeerde ik.

De bedienende manschappen weken achteruit en Antonoff sprong op zij, om de granaat te zien vliegen. De lont kwam op het zundgat en het schot donderde los. Op hetzelfde oogenblik werden wij in kruitdamp gehuld, en te midden van den vreeselijken, doffen slag der losbarsting, onderscheidde men een gonzenden metaalklank, die zich met bliksemsnelheid verwijderde en in de verte wegstierf, onder een algemeene stilte.

Een weinig achter de groep ruiters werd een witte rook zichtbaar; wij zagen de Tartaren wegspringen, en daarop vernamen wij het geluid der ontploffing.

—Mooi zoo! Nu kunnen zij wel beenen maken! Daar moeten ze niets van hebben, die schoeljes! hoorde men in de gelederen der artilleristen en bij het voetvolk.

—Als men wat lager had aangelegd, zou men juist midden in den hoop geraakt hebben, merkte Welentschuk op. Ik zeide het wel, dat hij den boom zou raken. En ziedaar, 't is ook uitgekomen; 't was te veel rechts.


VI.

Ik verliet de soldaten, terwijl ze er over praatten hoe de Tartaren gevlucht waren op het zien van de granaat, waarom ze hier rondreden, of er veel in het bosch zouden zijn, en verwijderde mij eenige schreden met den kommandant der jagers; wij gingen onder een boom zitten, in afwachting dat het gehakt, hetwelk hij liet opwarmen, gereed zou zijn.

De commandant Bolchoff was een van die officieren, die men in het regiment bonjourols[17] noemde. Hij bezat vermogen, had bij de garde gediend en sprak Fransch; toch mochten zijn kameraden hem gaarne lijden. Hij bezat den takt om een Peterburgsche jas te dragen, goed te dineeren en Fransch te spreken, zonder zijn kameraden al te zeer te kwetsen.

Na gepraat te hebben over het weer, over den dienst, over gemeenschappelijke kennissen, kwamen we uit onze vragen en antwoorden en uit onze manier om de dingen op te nemen tot de overtuiging dat onze beschouwingen tamelijk wel overeen stemden en werden zoo onwillekeurig intiemer met elkaar. Als in den Kaukasus twee officieren van denzelfden stand elkaar ontmoeten, is de eerste vraag die bij hen opkomt, deze: „Waarom zijt gij hier?” Op deze onuitgesproken vraag scheen hij te willen antwoorden.

—Wanneer zal er toch een einde komen aan dien veldtocht? zeide hij traag. Ik verveel mij.

—Neen, ik niet, antwoordde ik. In het garnizoen verveelt men zich nog meer.

—O ja! in het garnizoen, tienduizend maal meer, hernam hij op gemelijken toon. Maar wanneer zal er aan dat alles een einde komen?

—Waaraan wilt gij dan dat een einde komt? vroeg ik.

—Aan alles, absoluut aan alles!.... He, Nikolaïeff is het gehakt klaar? voegde hij er bij.

—Waarom zijt gij dan in den Kaukasus komen dienen, als de Kaukasus u zoo vreeselijk tegenstaat?

—Weet gij waarom? antwoordde hij beslist en openhartig.—Uit traditie! Gij weet wel dat er in Rusland een vreemde traditie bestaat omtrent den Kaukasus, dat het een soort van beloofde land is voor ieder, die ongelukken heeft gehad.

—Ja, daar is veel van aan; de meesten onder ons....

—Maar wat het mooiste is, viel hij mij in de rede; wij allen, door deze traditie naar den Kaukasus gedreven, vergissen ons geweldig en ik kan heel niet inzien, waarom wij na een hopelooze liefde of na een geldverlies liever naar den Kaukasus moeten gaan dienen dan naar Kazan of Kaluga. Men verbeeldt zich in Rusland dat de Kaukasus iets grootsch is, met zijn eeuwig maagdelijke ijs en sneeuw, zijn woeste bergstroomen, zijn dolken, zijn pelsmantels, zijn mooie Tcherkessische vrouwen. Dat is alles indrukwekkend, maar, op de keper beschouwd, is er niets moois aan. Als men slechts wist dat wij nooit op de besneeuwde bergtoppen komen, waar het bovendien volstrekt niet amusant is, en dat de Kaukasus eenvoudig een in provinciën verdeeld land is: Staffropol, Tiflis, enz.

—Ja, antwoordde ik lachend, in Rusland bezien wij den Kaukasus met een geheel ander oog dan hier. Hebt gij nooit opgemerkt, dat, als wij verzen lezen in een taal die wij niet heel goed kennen, zij ons veel mooier voorkomen dan zij werkelijk zijn?

—Ik weet het waarachtig niet, hernam hij, maar die Kaukasus verveelt mij in de hoogste mate.

—Neen, dat vind ik niet! Voor mij heeft de Kaukasus veel schoons, maar in anderen zin...

—'t Is mogelijk dat hij veel schoons heeft, hernam hij eenigszins kregel. Wat ik wel weet, is dat ik mij hier in den Kaukasus niet goed gevoel.

—En waarom dat? vroeg ik, om iets te zeggen.

—In de eerste plaats, omdat hij mij bedrogen heeft. Alles wat ik naar den Kaukasus heb meegebracht om ervan te genezen, heb ik behouden, met dit onderscheid, dat vroeger dit alles op het groote bordes was, terwijl het tegenwoordig op een kleine, vuile achtertrap is, op welker treden ik overal millioenen kleine misères, misselijkheden en laagheden ontmoet.... In de tweede plaats, omdat ik voel hoe ik iederen dag al lager en lager zink, in moreelen zin; bovenal gevoel ik mij ongeschikt voor den dienst hier: ik kan het gevaar niet trotseeren.... in èèn woord ik ben niet dapper.

Hij hield op en zag mij zeer ernstig aan.

Hoewel ik zonderling verrast was door deze geheel vrijwillige bekentenis, antwoordde ik niets, zooals mijn makker scheen te hopen, maar ik wachtte tot hij op zijne woorden zou terugkomen, zooals het bij dergelijke gelegenheden altijd gaat.

—Gij moet weten, dat ik bij deze expeditie voor het eerst in het vuur ben, vervolgde hij. En gij kunt u niet voorstellen, in welk een toestand ik mij gisteren bevond. Toen de sergeant-majoor mij kwam berichten, dat mijne compagnie deel zou uitmaken van de kolonne, werd ik zoo wit als een doek en van opwinding kon ik geen woord zeggen. Gij moest eens weten, wat een nacht ik heb gehad! Als het waar was, dat menschen van angst grijs worden, moest ik vandaag geheel grijs zijn, want ik geloof zeker, dat geen enkele ter dood veroordeelde in één nacht zooveel geleden heeft als ik. En nu nog, hoewel ik mij iets beter gevoel dan van nacht, werkt er hierbinnen iets, voegde hij er bij en drukte op zijne borst. En het belachelijke is, dat men bij het vreeselijke drama, hetwelk hier afgespeeld wordt, gehakt met uien eet, en dat men beweert zich goed te amuseeren.... Is er wijn, Nikolaïeff? vroeg hij geeuwend.

—Daar is hij, broeders! hoorde men op dit oogenblik een soldaat opgewonden roepen. Aller blikken wendden zich naar den zoom van het verre bosch.

In de verte verhief zich een blauwachtige rookwolk, die door den wind opgejaagd en steeds grooter werd. Toen ik begreep dat het een kanonschot was, door den vijand op ons gelost, nam plotseling alles wat mij in het oog viel een nieuw en verheven karakter aan: de geweren, die aan rotten stonden, de rook der wachtvuren, het blauw des hemels, de groene affuiten, het gebruinde, baardige gelaat van Nikolaïeff, alles scheen mij te zeggen, dat de kogel, die op dit oogenblik door de lucht vloog, misschien mijne borst zou treffen.

—Waar hebt gij dien wijn vandaan? vroeg ik met gemaakte onverschilligheid aan Bolchoff, terwijl in mijn binnenste twee stemmen even duidelijk spraken: de eene: Heer, neem mijne ziel in genade aan! de andere: Ik hoop dat ik zal glimlachen en mij niet zal bukken, als de kogel over mij heen gaat. En op hetzelfde oogenblik floot er, boven mijn hoofd, iets verschrikkelijk onaangenaams, en op twee passen van ons af sloeg de kogel neer.

—Ziedaar, als ik nu Napoleon of Frederik de Groote was, zeide Bolchoff op dit oogenblik, terwijl hij zich volmaakt koelbloedig tot mij wendde, zou ik zeker een mooie phrase gezegd hebben.

—Maar gij zegt er een, antwoordde ik, terwijl ik moeite deed om niet te toonen, hoe ongerust ik was geweest.

—Nu ja, gezegd heb ik iets, maar niemand zal het opschrijven.

—Welnu, ik zal het opschrijven.

—En als gij het al opschrijft, dan zal het nog zijn om te kritiseeren, zooals Mitschenkoff zegt, voegde hij er met een glimlach bij.

—Hei, die verdoemeling! hoorden wij op dit oogenblik Antonoff zeggen, en hij spuwde met verontwaardiging op zij. Het scheelde een haar of mijn beenen waren naar de weerga.

Al mijn pogingen om koelbloedig te schijnen en al onze gelegenheidsphrasen kwamen mij onuitstaanbaar voor, na dezen oprechten uitroep.


[17] Benaming voor salonofficier, afgeleid van het Fransche „bonjour”.

VII.

De vijand had inderdaad zijn kanonnen opgesteld op het terrein, dat te voren door de Tartaarsche ruiters was verkend, en iedere twintig of dertig minuten zond hij onzen pioniers een kogel toe. Mijn batterij kreeg order, zich op te stellen op de open plek in het bosch, om het vuur te beantwoorden. Daar ginds, aan den zoom van het bosch, zag men telkens een rookwolkje, men hoorde eene losbarsting, een gefluit, en de kogel sloeg voor of achter ons neer. De schoten van den vijand waren gelukkig slecht gericht en wij hadden geen verliezen te betreuren.

De artilleristen hielden zich, als altijd, kranig. Zij laadden vlug, richtten zorgvuldig en waren intusschen rustig aan het gekheid maken. De infanterie, die ons moest dekken, lag werkeloos en zwijgend op den grond uitgestrekt, hare beurt af te wachten. De pioniers gingen voort met hun werk: de bijlslagen klonken steeds sterker en sneller in het bosch. Alleen, als er een kogel door de lucht vloog, zweeg plotseling alles; te midden der stilte hoorde men ietwat ongeruste kreten.

—Bukken, kinderen! en aller oogen richtten zich op den kogel, die in de vuren en de afgehakte takken terechtkwam.

De mist was geheel opgetrokken, nam steeds meer den vorm van wolken aan en verdween nu langzamerhand in het diepe blauw des hemels. De zon, door geen wolken meer bedekt, schitterde en wierp haar vroolijken glans op het staal der bajonetten, het koper der stukken, den ontdooienden grond en de rijpkristalletjes. Men voelde in de lucht de ijskoude frischheid van den morgenstond en tegelijk de zachte warmte der voorjaarzon; duizende verschillende kleuren en schaduwen liepen ineen tusschen de dorre bladeren van het bosch. Op den glinsterenden weg zag men duidelijk de sporen van de wielen en van de hoeven der paarden.

De troepen begonnen zich hoe langer hoe meer te weren. Aan alle kanten verhieven zich de blauwachtige rookwolkjes der losbarstingen en werden voortdurend talrijker.

De dragonders met de wapperende vaantjes aan de lansen snelden vooruit. In de gelederen der infanterie klonk gezang en de obose,[18] beladen met hout, werd in de achterhoede geformeerd. De generaal naderde onze batterij en gaf bevel zich gereed te maken voor den aftocht.

De vijand had zich achter het struikgewas verborgen tegenover onzen linkervleugel en begon ons sterk met geweervuur te bestoken. Van de linkerzijde van het bosch hoorde men een kogel aansuisen en tegen een affuit slaan, vervolgens nog een, en weer een. De infanteristen, die naast ons lagen uitgestrekt, sprongen luidruchtig overend, grepen hunne geweren en namen deel aan het gevecht. Het geweervuur werd sterker en van alle kanten vlogen de kogels. De terugtocht begon, en daarmee het eigenlijke gevecht, zooals het altijd in den Kaukasus gaat.

Men zag duidelijk dat de artilleristen zich even onprettig gevoelden bij de kogels als de infanteristen bij de bommen. Antonoff keek verdrietig, Tschikine bootste al gekscherend het gefluit der kogels na, maar het was duidelijk, dat hij ze eigenlijk niet mocht. Van den een zeide hij: „Dat is er een die haast heeft!” een anderen kogel noemde hij eene „bij,” een derde die langzaam over ons heen streek, met een gefluit als een klagend gekerm, noemde hij een „weeskind”, hetgeen een algemeene hilariteit veroorzaakte.

De jonge rekruut die nog nooit in het vuur geweest was, boog bij iederen kogel zijn hoofd op zij en rekte zijn hals uit, ook daarom lachten de soldaten. „Ken je hem, vroegen zij, dat je hem zoo groet?”

Zelfs Welentschuk, die gewoonlijk zoo onverschillig in het gevaar was, scheen niet op zijn gemak te zijn, hij toonde duidelijk hoe verontwaardigd hij was, dat wij geen kartetsen schoten naar den kant vanwaar de geweerkogels kwamen.

—Wel ja! waarom mag hij ons ongestraft beschieten? Als men hem den mond van een houwitser toedraaide en hem goed wat schroot te slikken gaf, zou hij wel zwijgen, herhaalde hij voortdurend op knorrigen toon.

Inderdaad, het was tijd te gaan antwoorden. Ik beval voor het laatst nog een granaat te schieten, en dan met schroot te laden.

—Schroot! commandeerde Antonoff en trad in den rook opgewekt met den wisscher naar het stuk, zoodra de granaat was afgeschoten.

Op dit oogenblik hoorde ik, dat vlak achter mij het snelle gonzen van een kogel afgebroken werd door een korten slag. Mijn hart kromp ineen van schrik.—Ik vrees dat een der onzen getroffen is, dacht ik. Maar toch durfde ik mij niet omkeeren.

En inderdaad, dadelijk na den korten slag hoorde ik den zwaren val van een lichaam, en het gekerm van een gewonde. „Ik ben getroffen, broeders,” zeide een pijnlijke stem, die ik herkende. Het was Welentschuk. Hij lag plat op zijn rug, tusschen het voorstel en het kanon. Zijn ranzel was op zij geslingerd. Zijn voorhoofd was vol bloed, en langs zijn rechteroog en zijn neus liep een dikke, roode stroom. Hij was in den buik getroffen, maar daar zag men weinig bloed; bij zijn val had hij zijn voorhoofd gekwetst aan een boomstomp.

Dat alles merkte ik eerst veel later op; in het eerste oogenblik zag ik niets dan een verwarde massa en, naar het mij toescheen, vreeselijk veel bloed.

Geen van de kanonniers, die het stuk bedienden sprak een woord. Alleen de jonge rekruut mompelde iets van: „Kijk eens, wat een bloed!” terwijl Antonoff een toornig „hm!” liet hooren. Maar alles bewees, dat ieders ziel vervuld was met de gedachte aan den dood. Men werkte met verdubbelden ijver; het kanon was in een oogenblik geladen, en de man, die het schroot bracht, liep twee, drie passen om de plek heen, waar de gewonde lag te kermen.


[18] Konvooi van wagens.

VIII.

Wie ooit heeft deelgenomen aan een gevecht, heeft ongetwijfeld zelf dat vreemde gevoel van afkeer—onlogisch, maar zeer sterk—ondervonden tegen de plaats, waar iemand gedood of gewond is. Ook mijn soldaten gaven toe aan dit gevoel, toen Welentschuk opgenomen en op den wagen gelegd moest worden, die gehaald was om hem te transporteeren.

Shdanoff naderde den gewonde knorrig en nam hem bij zijn schouders, zonder op zijn steeds sterker geschreeuw te letten.

—Wat staat gij allen daar te kijken? Helpt een handje, riep hij. En dadelijk werd de gewonde omringd door een tiental mannen, helpers, die haast niet noodig waren. Maar men had hem nauwelijks opgetild, of Welentschuk begon verschrikkelijke kreten te slaken en om zich heen slaan.

—Wat hebt gij toch te schreeuwen als een haas? zeide Antonoff, terwijl hij hem stevig het been vasthield. Als gij niet ophoudt, laten wij u hier liggen.

De gewonde hield zich werkelijk stil; alleen herhaalde hij van tijd tot tijd:

—O! dat is mijn dood! O! mijn broeders!

En toen hij op de kar was gelegd, hield hij zelfs op met kermen en ik hoorde hem op zwakken toon, maar zeer duidelijk, met zijn kameraden praten. Hij scheen hen vaarwel te zeggen.

In het vuur van den strijd ziet niemand gaarne een gewonde en als bij instinkt spoedde ik mij weg van dit tooneel; ik gaf bevel hem naar de ambulance te transporteeren en posteerde mij weer bij de stukken, maar eenige oogenblikken later kwam men mij zeggen, dat Welentschuk naar mij vroeg en ik begaf mij dadelijk naar hem toe.

De gewonde lag achter in de kar en klemde zich met de handen krampachtig aan de beide kanten vast. Zijn gezicht, anders zoo breed en blozend van gezondheid, was in weinige sekonden totaal veranderd. Hij scheen magerder en verscheidene jaren ouder geworden te zijn. Zijn lippen waren dun, bleek, met blijkbare inspanning op elkaar geperst, de vage, stompzinnige uitdrukking in zijn oogen had nu plaats gemaakt voor een heldere en rustige; zijn voorhoofd en neus waren bebloed en de dood had er reeds zijn stempel op gedrukt.

Hoewel iedere beweging hem een onduldbare pijn veroorzaakte, vroeg hij of men zijn tcheres[19] met het geld van zijn linkerbeen wilde nemen.

Ik werd pijnlijk aangedaan door het zien van het naakte en blanke vleesch van zijn gezond been, toen men hem zijne laars uittrok en daarna zijn tcheres losmaakte.

—Er is drie en een halve roebel in, zeide hij, terwijl ik zijn tcheres in mijne handen nam. Wees zoo goed ze te bewaren.

Daar de kar zich in beweging zette, liet hij weer stilhouden.

—Ik ben aan een mantel begonnen voor luitenant Sulimoffsky en u heeft mij twee roebels gegeven; ik heb voor anderhalven roebel knoopen gekocht en den halven roebel heb ik in mijn beurs met de knoopen. Geef ze hem terug.

—Goed, goed, antwoordde ik. Beterschap, broeder!

Hij antwoordde mij niet; de kar zette zich in beweging. Hij begon weer te kermen en te klagen op een toon, die u door de ziel sneed. Nu hij zich had losgemaakt van de zorgen dezer wereld, scheen hij het niet meer noodig te achten zich in te houden, en hield hij aldus deze verlichting van pijn voor geoorloofd.


[19] Beurs in den vorm van een smallen gordel die de soldaten om hun knie winden.

IX.

—Waar gaat gij heen? Kom terug! riep ik den rekruut toe, die met zijn reserve lontstok onder den arm en een stokje in de hand, met de grootste koelbloedigheid de kar met den gewonde volgde.

Doch hij draaide lui zijn hoofd naar mij om, mompelde iets en vervolgde zijn weg; ik moest een soldaat op hem afsturen om hem te halen.

Hij nam zijn rood mutsje af en keek mij met een onnoozelen glimlach aan.

—Waar wilde je heen? vroeg ik hem.

—Naar het kamp.

—En waarom?

—Waarom? Wel, omdat Welentschuk gewond is, zeide hij met hetzelfde domme lachje.

—En wat gaat dat jou aan? Je moet hier blijven!

Hij zag mij verwonderd aan. Vervolgens keerde hij zich rustig om, zette zijne muts weer op en ging naar zijn post terug.

* *

Het gevecht was over 't algemeen gelukkig geweest. De Kozakken hadden, naar 't heette, eene mooie charge gemaakt en drie Tartaren krijgsgevangen gemaakt. De infanterie had voldoende hout en had in 't geheel slechts zes gewonden. Bij de artillerie waren alleen Welentschuk en twee paarden buiten gevecht gesteld. Daarentegen was het bosch gekapt over eene uitgestrektheid van drie wersten en de plek was zòò zeer veranderd, dat men haar niet herkende: waar men vroeger slechts de dichte woudzoom zag, was nu een groote open ruimte, bedekt met rookende wachtvuren en met cavalerie en linietroepen, die naar het kamp toe gingen. Hoewel de vijand ons onophoudelijk met zijn kanonskogels en zijn musketvuur vervolgde tot het riviertje en het kerkhof, die wij des morgens gepasseerd waren, had de terugtocht zonder ongelukken plaats. Ik begon reeds te denken aan de koolsoep en de schapenrib met kacha,[20] die mij in het kwartier wachtten, toen er bevel kwam dat de generaal bevolen had bij het beekje eene schans te bouwen, waar het 3de bataillon van het regiment K** en een peloton van de 4de batterij tot den volgenden morgen zouden blijven.

De houtwagens en de karren met de gewonden, de Kozakken, de artillerie, de linietroepen, met het geweer op den schouder en takkenbossen op den rug, defileerden met veel gedruisch en al zingende voor ons heen. Op aller gelaat lag blijde vreugde—het bewustzijn dat het gevaar achter den rug was, en de tijd van rust weldra zou aanbreken. Alleen wij en het 3de bataljon moesten deze aangename gevoelens tot den volgenden dag uitstellen.


[20] Gekookte roggegrutten.

X.

Terwijl wij artilleristen bezig waren met onze stukken en de voorwagens en de caissons rangschikten, zette de infanterie de geweren aan rotten, stak de wachtvuren aan, bouwde hutten van takken en maïsstroo, en kookte de kacha.

Het begon te schemeren. Blauwwitte wolken dreven langs den hemel; de duisternis had zich veranderd in een vochtigen nevel, die den grond en de mantels der soldaten bevochtigde, en de heele omgeving in donkere schaduwen hulde. De vochtigheid, die ik in mijn laarzen en in mijn hals voelde doordringen, de voortdurende beweging, het onophoudelijk gepraat, waaraan ik niet meedeed, de kleverige modder, waarop ik uitgleed en mijn leege maag, dat alles deed mij pijnlijk aan en stemde mij alleronaangenaamst na dezen dag van lichamelijke en geestelijke vermoeienis. Welentschuk wilde mij maar niet uit het hoofd. De heele, eenvoudige geschiedenis van zijn soldatenleven hield ondanks mijzelven mijne verbeelding bezig. Zijn laatste oogenblikken waren even rein, even rustig geweest als zijn geheele leven. Hij had te eenvoudig, te eerlijk geleefd, dan dat zijn oprecht geloof in het toekomstige, hemelsche leven in zijn laatste oogenblikken geschokt zou zijn geworden.

—God groet u, zeide Nikolaïeff, terwijl hij mij naderde,—of gij zoo goed wildet zijn bij den kapitein te komen, hij noodigt u thee met hem te drinken.

Met moeite baande ik mij een weg tusschen de in rotten staande geweren en de brandende vuren door, en volgde Nikolaïeff naar Bolchoff; ik verlangde naar het glas warme thee en het aangename gesprek, die mijn sombere denkbeelden zouden verdrijven.

—Wel, hebt gij hem gevonden? hoorde ik Bolchoff in zijn verlichte maïshut zeggen.

—Ik breng hem mee, Uwe Edelheid, antwoordde Nikolaïeff met diepe basstem.

In de hut, op een drogen viltmantel, zat Bolchoff met zijn uniform losgeknoopt en zonder zijn pelsmuts. Naast hem stond een samovar te pruttelen; op een trom stonden eetwaren klaar. Een kaars stond in den ring van een bajonet, die met de punt in den grond stak.

—Wat zegt gij ervan? vroeg hij, terwijl hij met trots zijn blik liet gaan over zijn gemoedelijke huishouding. Men zat daar inderdaad zoo lekker in de hut, dat ik alles vergat: de vochtigheid, de duisternis en den gewonden Welentschuk. Wij spraken over Moskou en over dingen, die in heel geen verband stonden met den oorlog en den Kaukasus.

Na een van die oogenblikken van stilte, die dikwijls zelfs in het drukste gesprek voorkomen, zag Bolchoff mij eensklaps glimlachend aan.

—Ik denk, dat gij u wel verwonderd hebt over ons gesprek van deze morgen?

—Neen, waarom? Het kwam mij alleen voor, dat gij te openhartig waart; er zijn van die dingen, die wij allen weten, en waarvan het niet altijd goed is te spreken.

—Waarom niet? Als er slechts een middel bestond om dit leven te verwisselen voor een ander, zelfs voor het eentonigste en armoedigste, mits het geen gevaar of geen dienst meebracht, zou ik geen oogenblik aarzelen.

—Waarom keert gij niet naar Rusland terug? vroeg ik hem.

—Waarom! herhaalde hij. O! daar denk ik al zoo lang over. Maar ik kan niet naar Rusland terugkeeren, voor ik de orde van Wladimir heb en die van St. Anna om den hals met den graad van majoor, zooals ik het mij voorstelde toen ik hierheen kwam.

—En waarom dat? als gij u toch, zooals gij zegt, ongeschikt acht om in den Kaukasus te dienen?

—Maar als ik mij nu nog meer ongeschikt acht om naar Rusland terug te keeren, zooals ik er vandaan ben gekomen! Dat is ook een van die legendes, die bij ons verspreid zijn door Passek, Sljeptsoff en anderen, te weten: dat men slechts in den Kaukasus behoeft te komen om overladen te worden met belooningen. Daar ginds verwachten allen wonder wat voor ons, terwijl ik hier nu al twee jaar ben en reeds twee campagnes heb meegemaakt, maar nog niets heb gekregen. Maar ik bezit toch nog zooveel eigenliefde dat ik voor geen geld hier vandaan wil, voor ik majoor ben, en voor ik de St. Anna en de Wladimir om den hals heb. Ik heb me al zoo vertrouwd gemaakt met die gedachte, dat het mij dwars zit, als men eene belooning geeft aan Gnilokischkine, en niet aan mij. En dan, hoe zou ik mij daarginds durven vertoonen aan mijn starost, aan den koopman Kotjelnikoff, aan wien ik mijn koren verkoop, aan mijne tante in Moskou, aan al die menschen, als ik na een tweejarig verblijf in den Kaukasus zonder de minste onderscheiding terugkom? Het is waar dat ik die menschen zelfs niet wil kennen, en het is niet minder waar, dat zij zich evenmin om mij bekreunen; maar de mensch is nu eenmaal zoo, dat, al wil ik hen niet kennen, ik toch om hen mijn mooiste jaren verknoei, het geluk van mijn leven en mijn geheele toekomst opoffer.


XI.

Op dit oogenblik hoorde men buiten de stem van den bataljonskommandant.

—Wien hebt gij daar bij u, Nikolaï Fedorovitsch?

Bolchoff noemde mijn naam, en dadelijk kwamen er drie officieren de hut binnen: majoor Kirsanoff, zijn adjudant en kapitein Trossenko.

Kirsanoff was een klein, gezet man, met een dunnen knevel, blozende wangen en kleine, waterige oogjes. Deze oogjes maakten het typische van zijn gelaat uit. Als hij lachte, bleef er niets van over dan twee vochtige, glanzende sterretjes, en deze sterretjes, gepaard aan zijn strakke lippen en zijn langgerekten hals, gaven hem een hoogst eigenaardige uitdrukking van beschroomheid.

Kirsanoff stond uitstekend aangeschreven in het regiment; zijn minderen verfoeiden hem niet, zijn meerderen achtten hem, hoewel de algemeene opinie hem slechts een middelmatig verstand toeschreef. Hij kende zijn dienst in den grond, was nauwgezet en ijverig, had altijd geld, hield er een eigen rijtuig en een kok op na, en wist zich een heel natuurlijke, trotsche houding te geven.

—Waar hadt gij het over, Nikolaï Fedorovitsch? vroeg hij bij het binnentreden aan Bolchoff.

—Wel, over de aangenaamheden van het dienen in den Kaukasus.

Op dit oogenblik merkte Kirsanoff mij, den eenvoudigen jonker, op. Om mij al zijn gewicht doen te voelen, vroeg hij, alsof hij het antwoord van Bolchoff niet gehoord had, en met de oogen op de trom gericht:

—Wel, zijt gij vermoeid, Nikolaï Fedorovitsch?

—Neen, maar wij waren... wilde Bolchoff vervolgen.

Maar de waardigheid van bataljons-kommandant eischte ongetwijfeld een nieuwe interruptie en een nieuwe vraag:

—Is dat vandaag geen mooi treffen geweest?

De bataillons-adjudant was een jonge vaandrig, een pas bevorderd jonker, een zachte, beschroomde jongen, met een verlegen, sympathiek en goedig gezicht. Ik had hem reeds meer bij Bolchoff gezien; de jonge man kwam dikwijls bij hem: hij placht te groeten, in een hoek te gaan zitten, uren lang niets te zeggen en sigaretten te rooken, dan stond hij op, boog weer en ging heen.

Hij was het type van een arm Russisch edelman; hij had de militaire loopbaan gekozen als de eenige, die in overeenstemming was met hetgeen hij geleerd had, en hooger dan alles in de wereld stelde hij zijn officiersrang. Dit type blijft goedig en sympathiek ondanks de belachelijke, onvermijdelijke tabakszak, kamerjapon, gitaar knevelschuier, zonder welke we het ons niet kunnen voorstellen.

In het regiment beweerde men, dat de adjudant er zich op beroemde, tegenover zijn oppasser altijd „streng, maar rechtvaardig” te zijn.

—Ik straf niet dikwijls, maar wee! als men er mij toe noodzaakt.—En eens, toen zijn oppasser dronken was, zijn meester bestal en zelfs durfde beleedigen, zou hij zelf den schuldige naar de hoofdwacht gebracht, en bevolen hebben alles voor de strafoefening gereed te maken, maar op het gezicht der toebereidselen was hij van streek geraakt, zoo zelfs dat hij slechts kon uitbrengen:—Welnu, gij ziet het... ik zou je toch kunnen... En hij was zoo verlegen geworden, dat hij maar stilletjes naar huis gesneld was.—Sinds dien tijd durfde hij zijn oppasser Tchernoff niet meer in de oogen zien. Zijn kameraden plaagden hem daar onophoudelijk mede, en meer dan eens hoorde ik den braven jongen protesteeren, en met een kleur tot achter de ooren verzekeren dat er niets van waar was.

Het derde personage, kapitein Trossenko, was een oude Kaukasiër in de volle beteekenis van het woord, dat wil zeggen, een man, voor wien zijne kompagnie zijne familie is geworden, de vesting, waar de staf resideert, zijn vaderstad, en de zangers van het regiment de eenige vreugde zijns levens; een man, voor wien alles wat geen Kaukasus was, geen aandacht, ja zelfs het bestaan niet waard was terwijl alles wat de Kaukasus was, in twee deelen was verdeeld; het onze, en het hunne.

Het eerste deel beminde, het tweede deel haatte hij met al de kracht zijner ziel. Hij was een man van kalme en beproefde dapperheid en, wat de hoofdzaak was: hij toonde een zeldzame goedheid in zijn omgang met zijn kameraden en zijn ondergeschikten, en een wanhopige openhartigheid die, tegenover den adjudant en bonjourols, die hij om een of andere reden niet lijden mocht, bijna onbeschoftheid werd.

Toen hij de hut binnenkwam, stiet hij bijna met zijn hoofd door het dak; daarop bukte hij zich plotseling en ging op den grond zitten.

—Nu? zeide hij.

Maar toen hij plotseling een onbekend gezicht bemerkte, hield hij op en vestigde zijn wazige oogen op mij.

—Waar hadt gij het toch over? vroeg de majoor en haalde zijn horloge uit om te zien hoe laat het was, ofschoon hij, naar mijn vaste overtuiging, geen enkele reden had dat te weten.

—Ja, hij vroeg mij, waarom ik hier bleef dienen.

—Wel dat is duidelijk; Nikolaï Fedorovitsch wil zich in den Kaukasus onderscheiden en dan naar huis terugkeeren.

—Welnu! Abram Iljitsch, en gij dan, waarom blijft gij in den Kaukasus?

—Ik? In de eerste plaats, weet gij, antwoordde de majoor, omdat wij allen moeten dienen zooals onze plicht ons voorschrijft.—Wat? voegde hij erbij, hoewel niemand iets gezegd had. Gisteren heb ik een brief uit Rusland gekregen, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde hij, blijkbaar een andere wending aan het gesprek willende geven. Men schrijft mij... O! 't zijn wonderlijke vragen, die ze mij doen!

—En welke vragen dan? vroeg Bolchoff.

Hij begon te lachen.

—Inderdaad, rare vragen... Zij vragen mij of er jaloezie kan bestaan zonder liefde... Wel? en beurtelings zag hij ons vragend aan.

—Hé? zeide Bolchoff glimlachend.

—Ja, weet gij, het is in Rusland zoo kwaad niet, vervolgde hij, alsof er een heel logisch verband bestond tusschen zijne zinnen. Toen ik in Tamboff was, in 1852, werd ik overal ontvangen of ik adjudant van den keizer was. Geloof me, op het bal van den goeverneur, toen ik mijn entrée maakte, weet gij... werd ik uitstekend ontvangen. De vrouw van den goeverneur moet gij weten, onderhield zich met mij en vroeg mij over den Kaukasus, en allerlei meer... wat ik al niet weten moest... Zij bekeken mijn gouden sabel, alsof het een rariteit was; zij vroegen mij, waarvoor ik die sabel had gekregen, en waarvoor St. Anna, en waarvoor Wladimir; en ik ging maar vertellen... Wat? Ziet gij, daarvoor is de Kaukasus goed, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde hij, zonder een antwoord af te wachten.—Wij Kaukasiërs, wij zijn zeer gezien; een jonge man, weet gij, die stafofficier is en St. Anna en Wladimir heeft, die is wat in Rusland... Wat?

—En, gij zult er zeker wel wat bij gephantaseerd hebben, denk ik, Abram Iljitch? zeide Bolchoff.

—Hi! hi! antwoordde de majoor, met zijn dommen lach.—Dat moet men wel, weet gij. Ja... en dan heb ik uitstekend gegeten en gedronken, in die twee maanden.

—Is het nogal goed in Rusland? vroeg Trossenko; hij sprak van Rusland of het China of Japan was.

—Dat zou ik meenen. En wat een champagne wij gedronken hebben, in die twee maanden, 't is verschrikkelijk!

—Wat ge zegt. Gij hebt ongetwijfeld limonade gedronken, zeide Trossenko. Als ik er bij geweest was, dan zou men eens gezien hebben, hoe een Kaukasiër drinkt. Ik zou onze reputatie opgehouden hebben. Ik zou eens hebben laten zien, hoe men moet drinken, he! Bolchoff? voegde hij er bij.

—Maar gij, oompje, gij zijt nu al meer dan tien jaar in den Kaukasus, zeide Bolchoff.—Herinnert gij u nog wat Ermoloff zeide? Abram Iljitch is hier echter nog maar zes jaar....

—Wat, tien? Bijna zestien!.... riep Trossenko uit. Zeg eens, Bolchoff laat ons wat te drinken brengen. Wat is het vochtig! Brr!.... Hé? voegde hij er glimlachend bij, moeten wij niet wat drinken, majoor?

Maar de majoor toonde zich reeds de eerste maal, dat de oude kapitein hem aansprak, geërgerd. Hij werd nu zichtbaar boos en verschanste zich in zijne waardigheid. Hij begon te neuriën en keek opnieuw op zijn horloge.

—Welnu! ik ga wel nooit meer daarginds heen, vervolgde Trossenko, zonder acht te slaan op het stuursche uiterlijk van den majoor.—Ik ben zelfs verleerd op zijn Russisch te loopen en Russisch te spreken. Wat is dat voor een vreemde snoeshaan? zullen de lui zeggen. Neen, Azië, niet Nikolaï Fedorovitsch? En bovendien, wat zou ik in Rusland doen? Het is mij onverschillig, eenmaal wordt men toch doodgeschoten. Dan zullen ze vragen:—Waar is Trossenko? Gesneuveld. Wat zult gij dan met de 8ste kompagnie doen, wel? voegde hij er bij en wendde zich opnieuw tot den majoor.

—Laat den dienstdoenden officier van het bataljon komen, schreeuwde Kirsanoff, zonder den kapitein te antwoorden, hoewel hij, daar ben ik zeker van, geen enkele order te geven had.

—En gij, jonge man, ik hoop dat gij tevreden zijt met uwe dubbele soldij, zeide de majoor, na een oogenblik van stilte, tot den bataillonsadjudant.

—Ja zeker, zeer tevreden.

—Ik vind onze soldij zeer mooi, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde Kirsanoff. Een jong officier kan er zeer gemakkelijk van rondkomen, en zich zelfs nog extratjes veroorloven.

—Dat is te zeggen, Abram Iljitsch, zeide de adjudant schroomvallig. 't Is waar dat wij nu dubbel traktement hebben, maar wij moeten toch ook een paard houden.

—Wat zegt gij daar, jongmensch? Ik ben ook vaandrig geweest, en ik weet wat het is. Geloof mij, met een beetje overleg kan men best rondkomen. Daar: reken maar eens na, voegde hij erbij en boog den pink van zijn linkerhand.

—Wij maken onze soldij te voren op, dat is de heele rekening, zeide Trossenko, terwijl hij een glaasje vodka ledigde.

—Nu, wat wilt gij daarmee zeggen?

Op dit oogenblik verscheen er in de opening der hut een wit hoofd met een platten neus en een schrille stem zeide met een Duitsch accent:

—Zijt gij hier, Abram Iljitsch? De officier van dienst zoekt u.

—Kom binnen, Krafft, zeide Bolchoff.

Een lange gestalte, gekleed in de uniform van den generalen staf, dook de hut binnen en begon ons allen hartelijk de hand te drukken.

—Zoo! waarde kapitein, gij ook hier? zeide hij tot Trossenko.

Ondanks het twijfelachtige licht, sloop de nieuw aangekomene tot bij den kapitein, en, tot diens groote verwondering en ergernis, kuste hij hem de lippen.

—'t Is een Duitscher, die goede kameraadschap wil sluiten, dacht ik.


XII.

Mijn onderstelling werd spoedig bevestigd. Kapitein Krafft vroeg wat vodka, die hij met den volksnaam horilka noemde, liet een krachtig hm! hooren, wierp zich achterover en dronk het glas uit.

—Welnu, heeren! Wat hebben we vandaag door de vlakten van de Tschetschnia rondgedwaald, zoo begon hij.

Maar toen hij den dienstdoenden officier bemerkte, zweeg hij dadelijk en liet den majoor tijd om zijne bevelen te geven.

Welnu! hebt gij de voorposten geïnspekteerd?

—Jawel, majoor.

—Zijn de sluippatrouilles uitgezonden?

—Jawel, majoor.

—Beveel dan aan den kompagnies-kommandanten, dat zij hunne waakzaamheid verdubbelen.

—Jawel, majoor.

De majoor kneep zijn oogen dicht en verzonk in diep nadenken.

—Zeg ook dat de manschappen hun kacha kunnen klaarmaken.

—Zij zijn er mede bezig.

—'t Is wel; u kunt gaan.

—Dus, wij waren bezig uit te rekenen, hoeveel een officier noodig heeft, vervolgde de majoor met een welwillenden glimlach aan ons adres. Laten wij eens zien. Gij hebt een jas en een broek noodig, nietwaar? Ja, stellen wij daarvoor vijftig roebels alle twee jaar, bij gevolg vijf en twintig roebels per jaar voor kleeding. Dan uw eten, dagelijks twee abas[21], niet waar?

—Ja, dat is zelfs veel.

—Nu, laten wij nu maar eens rekenen twee abas. Dan, een paard met het zadel, dertig roebels per jaar onderhoud. Dat is alles. Wij hebben dus in 't geheel vijf en twintig, en nog honderd twintig, en nog dertig, dat maakt honderd vijf en zeventig roebels. Er blijft dus voor luxedingen, voor suiker, thee en tabak, ongeveer twintig roebels over. Dat komt uit, nietwaar Nikolaï Fedorovitsch?

—Neen, met uw verlof, Abram Iljitch, zeide de adjudant schroomvallig. Er blijft niets over voor thee en suiker. Gij rekent dat een uniform twee jaar duurt, terwijl men hier, in oorlogstijd, nooit broeken genoeg heeft. En de laarzen? Ik verslijt een paar in de maand. En het linnen, hemden, servetten, handdoeken en onderbroeken, die moet men toch ook koopen. Als men het goed uitrekent, blijft er niets over, op mijn woord van eer, Abram Iljitch.

—Ja, voetlappen dragen is een goed ding, zeide

Krafft na een minutenlange stilte, op een toon van volle overtuiging. 't Is eenvoudig, weet gij, 't is Russisch.

—Ik moet u doen opmerken, zeide Trossenko, dat hoe men de rekening ook maakt, er uit zou volgen dat wij ons gebit wel in de kast kunnen leggen. Maar in werkelijkheid leven we er toch goed van; wij rooken tabak en drinken thee en vodka. Als gij even lang gediend hebt als ik, vervolgde hij, zich tot den vaandrig wendende, zult gij er ook goed van weten te leven. Gij weet, heeren, hoe hij met zijn oppasser omspringt.

En schaterende van lachen vertelde Trossenko de geschiedenis van den vaandrig en zijn oppasser, ofschoon wij het verhaal meer dan duizendmaal gehoord hadden.

—Wat zit gij daar toch als een roos te kijken, broertje? ging hij voort tot den vaandrig, die een kleur kreeg en zat te zweeten en te glimlachen om er medelijden mee te krijgen....

—'t Is niet erg, broertje, ik ben ook als gij geweest, en zie nu eens wat een kerel ik geworden ben. Laat er eens wat van die snaken uit Rusland komen—wij hebben er zoo gezien—zij krijgen krampen en rheumatiek; en ik, ik heb me hier ingeleefd;—ik heb hier mijn huisje, mijn bed en de rest. Begrijpt gij?

Daarbij dronk hij nog een glas vodka.

—He? zeide hij, terwijl hij Krafft strak in de oogen keek.

—Dat is mijn man, dat is nog eens een ware, oude Kaukasiër. Geef me uw hand!

En zich tusschen ons door dringende, ging hij naar Trossenko toe, greep zijne hand en schudde die heel hartelijk.

—Ja, wij kunnen zeggen, dat wij hier al heel wat hebben meegemaakt, zeide hij. In 1845.... gij waart er zonder twijfel ook bij, niet waar, kapitein? Herinnert gij u dien nacht van den 12den op den 13den, toen wij tot aan de knieën in de modder stonden? en den volgenden morgen hebben wij de redoute aangevallen. Ik was toen bij den opperbevelhebber, wij hebben toen, in een enkelen dag, vijftien schansen genomen, herinnert gij u, kapitein?

Trossenko knikte met het hoofd ten teeken van toestemming, en, de onderlip vooruitstekend, sloot hij de oogen.

—Welnu, ziet gij... ging Krafft zeer opgewonden voort, met linksche gesticulaties, terwijl hij zich tot den majoor wendde....

Maar de majoor, die dit verhaal ongetwijfeld reeds meer dan eens had gehoord, zag opeens zijn buurman met zoo'n matte, onverschillige uitdrukking aan, dat Krafft zich van hem afwendde, en, na ons beurtelings aangekeken te hebben, zich tot Bolchoff en mij richtte. Wat Trossenko betreft, Krafft richtte geen enkelen keer gedurende zijn verhaal den blik op hem.

—Welnu, ziet gij, toen wij des morgens uittrokken, zeide de opperbevelhebber tot mij: Krafft, neem die verschansingen. Gij weet allen, hoe het in den dienst gaat, men heeft geen aanmerkingen te maken. Ik sloeg aan en zeide:—Tot uw orders, Excellentie! En daar ging het vooruit! Toen wij bij de eerste verschansing kwamen, keerde ik mij om en riep hun toe:—Weest niet bang, kinderen! Ziet goed uit je oogen! Wie achterblijft, dien sabel ik eigenhandig neer! Met een Russisch soldaat, weet gij, moet men eenvoudig te werk gaan. Daar valt eensklaps een granaat.... Ik kijk om: een, twee, drie soldaten. Sch!... Toen kwamen de kogels.. Sch!.. Sch!... Sch!... Ik roep:—Voorwaarts, kinderen, volgt mij! Maar toen wij nader kwamen en ik goed toekeek, zag ik daar... och.... gij weet wel... hoe heet dat ook?

En de verteller maakte wanhopige gebaren om het woord te vinden.

—Een gracht! zei Bolchoff.

—Neen... Och, hoe heet ook... Goede God!... Maar hoe heet dat dan?... Een gracht! zeide hij levendig... Dus... het geweer omlaag... Hoera! Tara-ta-ta-ta-ta!... Van vijanden geen spoor. Ziet gij... alles was verrast. Enfin... mooi!... Wij gaan verder... Een tweede schans. Daar was het een ander geval. Het bloed kookte ons al zoo'n beetje, weet gij... Wij komen nader, wij kijken toe, ik zie een tweede verschansing; onmogelijk verder te komen. Daar.... Maar hoe heet dat toch? Och! Gij weet wel...

—Nog een gracht, zeide ik op mijne beurt.

—Wel neen, antwoordde hij knorrig. Geen gracht! Maar... Kom, hoe heet dat dan toch?

Hij maakte met de hand een verlegen gebaar.

—Och! mijn Hemel! Hoe heet dat ook weer?

Hij had er zichtbaar het land over, zoo zelfs dat men hem onwillekeurig te hulp trachtte te komen.

—Eene rivier, misschien, zeide Bolchoff.

—Neen, eenvoudig een gracht. Maar... wij storten er ons in, en toen, wilt gij wel gelooven... een vuur, een helsch vuur.....

Op dit oogenblik riep iemand mij buiten. Het was Maximoff. En daar ik, na de verhalen vol afwisseling der twee eerste redoutes, er nog dertien te slikken had, was ik blijde, van deze gelegenheid gebruik te kunnen maken om weer naar mijn sectie terug te gaan. Trossenko ging met mij naar buiten.

—Het zijn allemaal leugens! zeide hij op eenigen afstand van de hut.—Hij is er zelfs niet bij geweest, toen de schansen bestormd werden.

En hij begon zoo hartelijk te lachen, dat ik zijn voorbeeld volgde.