[21] Perzische munt, ongeveer f 0.40.

XIII.

Het was reeds stikdonker, en alleen de wachtvuren wierpen een mat schijnsel op het kamp, toen ik, nadat mijn dienst afgeloopen was, bij mijn manschappen terugkwam. Een groote boomstam gloeide onder de asch. Er omheen zaten drie man, Antonoff, die op den ketel lette, waarin de riabko[22] kookte, verder Shdanoff, die peinzend met een stokje in de asch zat te roeren, en eindelijk Tschikine, met zijn kort pijpje, dat nooit aan wilde.

De anderen sliepen reeds, sommigen onder de kruitwagens, anderen op bossen hooi of langs het vuur. Bij het zwakke schijnsel der gloeiende kolen onderscheidde ik ruggen, beenen en hoofden, die ik herkende. Onder den hoop was ook de jonge recruut, die bij het vuur lag en reeds scheen te slapen.

Antonoff maakte plaats voor mij. Ik ging bij hem zitten en stak een sigaret aan. De reuk van den nevel en van den walmenden rook, die van het vochtige hout opsteeg, verspreidde zich in de lucht en deed pijn aan de oogen; uit den diepzwarten hemel viel nog altijd een motregen.

Rondom ons hoorden wij het regelmatig gesnurk, het geknetter van takken in het vuur, het gemompel van stemmen en soms het gekletter van de geweren der infanterie. De wachtvuren vlamden in de rondte en verlichtte op een kleinen afstand in het rond de zwarte gestalten der soldaten. Niet ver van mij bemerkte ik, in een van die verlichte ruimten, silhouetten van naakte soldaten, die hun hemden boven het vuur uitschudden.

Velen sliepen nog niet. Zij liepen te praten, op die ruimte van dertig meter in het vierkant. Maar de donkere, sombere nacht gaf iets geheimzinnigs aan alles wat daar bewoog, alsof ieder onzer die droefgeestige stilte op zich voelde drukken en bevreesd was die rustige harmonie storen.

Als ik begon te spreken, gevoelde ik dat mijne stem haar gewonen klank niet had. Op de gezichten van al de soldaten las ik dezelfde stemming. Ik dacht eerst, dat zij tot aan mijne komst over hunne gewonde kameraden gesproken hadden.

Volstrekt niet. Tschikine vertelde, dat er militaire bagage te Tiflis was gekomen, en verder den een of anderen streek van scholieren uit die stad.

Overal en altijd, maar vooral in den Kaukasus, heb ik opgemerkt dat onze soldaten veel takt hebben om gedurende het gevaar, gesprekken te vermijden, die den moed aan het wankelen zouden brengen. Bij de Russen is de moed geheel iets anders dan bij de volken van het Zuiden, wier geestdrift even snel uitbarst en weer uitdooft; de Russische moed is even moeilijk op te wekken als uit te dooven. Hij heeft geen effectmiddel noodig, geen redevoeringen, oorlogskreten, liederen of trommelslag; integendeel, hij behoeft kalmte, orde en ongedwongenheid. Een echt Russisch soldaat zal nooit pochen en snoeven; hij voelt nooit behoefte zich op te winden en te verhitten gedurende het gevaar. Integendeel: omzichtigheid, eenvoud en gave om in het gevaar iets anders te zien dan het gevaar, dat zijn de hoofdkenmerken van zijn karakter.

Ik heb een soldaat aan het been zien getroffen worden, en hij maakte het eerst een beweging van spijt, dat er een gat was in zijn nieuwe pels. Een cavalerist, wiens paard onder hem was doodgeschoten, maakte zijn voeten los uit de stijgbeugels, maar nam ook het zadel mee, om dat niet verloren te laten gaan. Overbekend is een voorval uit het beleg van Gergebel: in de werkplaats raakte de lont van een reeds gevulde bom aan het branden, en de vuurwerker beval aan twee helpers, de bom op te nemen en in de gracht te gooien; bij de gracht stond de tent van den kolonel, en de soldaten, vreezende de officieren, die in de tent sliepen, wakker te maken, wilden de bom een eind verder dragen; zij werden beiden in stukken geslagen.

Ik herinner mij nog uit de expeditie van 1852 hoe een der jonge soldaten onder het gevecht tot de anderen zei: dat ze wel allen op de plaats zouden blijven, waarop al zijn kameraden hem met verwijten overstelpten over zijn dom geklets, dat zij zelfs niet wilden herhalen. En nu, op dit oogenblik, nu ieder slechts aan Welentschuk had moeten denken, terwijl de Tartaren ons ieder oogenblik onverhoeds op het lijf konden vallen, luisterden allen naar de vroolijke verhalen van Tschikine, en niemand sprak een woord over het gevecht van dien dag, noch over het dreigend gevaar, noch over den gewonde, alsof dat alles reeds God weet hoe lang was geleden of in het geheel niet was gebeurd. Het scheen mij echter toe, dat hun gezichten droefgeestiger stonden dan gewoonlijk. Zij wijdden niet veel aandacht aan den verteller, die zelf wel bemerkte dat men niet naar hem luisterde, maar toch rustig door sprak.

Maximoff naderde het vuur en ging naast mij zitten, Tschikine was opgestaan om voor hem plaats te maken, hield met praten op en begon weer snelle halen aan zijn pijpje te doen.

—De infanteristen hebben vodka laten halen in het kamp, zeide Maximoff na eene lange stilte. De uitgezonden manschappen zijn juist terug.

Hij spuwde in het vuur. Den onderofficier heeft gezegd, dat hij onzen gewonde gezien heeft.

—Leeft hij nog? vroeg Antonoff, terwijl hij den ketel omroerde.

—Neen, hij is dood.

De jonge recruut hief eensklaps zijn hoofd, met het roode mutsje, op, keek Maximoff strak aan, daarna mij, ging toen weer liggen en wikkelde zich in zijn mantel.

—Ziet gij wel? Hij heeft niet ongestraft den dood naast zich gezien, toen ik hem wakker maakte in het park, zeide Antonoff.

—Onzin, zeide Shdanoff en keerde den glimmenden boomstam om.

Allen zwegen.

Te midden der algemeene stilte hoorde men achter ons, in de richting van het kamp, een schot. Onze tamboers meldden zich en sloegen een roffel. Toen het laatste geroffel was weggestorven, stond Shdanoff het eerst op en nam zijne muts af. Wij volgden allen zijn voorbeeld.

In de onpeilbare duisternis van den nacht steeg een harmonieus koor van mannenstemmen op: „Onze Vader, die in de hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede gelijk in den hemel als ook op de aarde; geef ons heden ons dagelijksch brood, en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren, en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Amen!


—Op dezelfde manier werd bij ons, in 1845, een der onzen verminkt, zeide Antonoff, toen wij, na onze mutsen weer opgezet te hebben, opnieuw om het vuur gingen liggen. Wij namen hem toen mee op een van onze stukken. Herinnert gij u, 't was Schefftschenko, Shdanoff? Wij lieten hem eindelijk onder een boom liggen.

Op dit oogenblik kwam een infanterist, met groote bakkebaarden en een langen knevel, het geweer op schouder en den ransel op den rug, naar ons vuur toestappen.

—Met uw verlof, landsman. Een beetje vuur om mijn pijp aan te steken, zeide hij.

—Ga uw gang; aan vuur mankeert het hier niet, merkte Tschikine op.

—Gij spraakt zeker van Dargi? vroeg de soldaat aan Antonoff.

—Van den veldtocht van 1845, bij Dargi, antwoordde Antonoff.

De soldaat schudde het hoofd, kneep zijn oogen dicht en hurkte naast ons neer.

—Ja, ja, daar is toen heel wat gebeurd, zeide hij.

—En waarom liet gij hem liggen? vroeg ik aan Antonoff.

—Het deed hem te zeer in zijn buik. Zoolang wij stilhielden, ging het nog, maar wij waren nauwelijks op weg, of hij begon te schreeuwen. Hij smeekte ons, hem in Godsnaam daar te laten, maar wij hadden toch medelijden met hem. En dan, hij zat ons te nauw op de hielen; alleen van ons stuk schoot hij drie man en een officier dood; we konden onze batterij niet dan met de grootste moeite redden. Alles kwam ook op eens. Wij waren bang, dat wij het stuk zouden verliezen. En een modder!

—De ergste plaats, merkte de soldaat op, was aan den voet van den Indischen Berg.

—Welnu, juist daar werd hij hoe langer hoe erger. Toen overlegden wij met Anoschenka—een ouden brigadier—dat hij toch niet in het leven zou blijven, en hijzelf smeekte ons opnieuw dat wij hem in Godsnaam achter zouden laten. Laten wij hem hier dan maar neerleggen! Dat deden wij. Er stond op die plaats een groote boom. Wij namen eenige geweekte beschuiten, die Shdanoff bij zich had, en legden die naast den gewonde. Wij zetten hem met den rug tegen den boom, deden hem een schoon hemd aan, namen afscheid van hem en lieten hem aan zijn lot over.

—Was het een goed soldaat?

—Een tamelijk goed soldaat, zeide Shdanoff.

—Wat er met hem gebeurd is, God weet het! vervolgde Antonoff. Er zijn daar veel van de onzen gebleven.

—Bij Dargi? vroeg de infanterist, terwijl hij opstond en zijne pijp uitklopte.

Hij deed opnieuw zijn oogen dicht en zeide hoofdschuddend:

—Ja, ja, daar is toen heel wat gebeurd!

Met die woorden ging hij heen.

—Zijn er nog veel over, bij onze batterij, die den slag bij Dargi hebben meegemaakt? vroeg ik.

—Veel? Shdanoff, ik, Patsan, die nu met verlof is, en vijf of zes anderen, meer niet.

—Zeg eens, onze Patsan houdt het uit, zeide Tschikine, terwijl hij zijn beenen uitstak en met zijn hoofd tegen een boomstronk leunde. Me dunkt dat hij nu bijna een jaar weg is.

—En gij, hebt gij wel eens een jaar verlof gehad? vroeg ik aan Shdanoff.

—Neen nooit, antwoordde hij met tegenzin.

—'t Is wel prettig naar zijn land terug te keeren als men wat heeft, of als men kan werken, zeide Antonoff, dan is iedereen thuis tevreden over je.—Maar aan den anderen kant, waarvoor zou men terugkeeren, als men slechts twee broeders heeft? ze hebben zelf moeite om rond te komen, laat staan dan een soldaat den kost te geven. Men kan niet veel meer uitvoeren, als men vijf en twintig jaar gediend heeft. En bovendien, ik weet niet eens, of zij nog wel in leven zijn.

—Hebt gij hun dan nooit geschreven?

—Welzeker! Ik heb hun twee brieven gestuurd, maar nooit antwoord gekregen. Of zij zijn dood, of zij hebben het zoo arm, dat zij geen tijd hebben aan schrijven te denken. Waar moet ik dan heen?

—Is dat lang geleden dat gij hun geschreven hebt?

—Toen wij van Dargi terugkwamen, heb ik den laatsten brief geschreven. Zing eens het lied van den kleinen berk, zeide Shdanoff tot Antonoff, die met de ellebogen op de knieën zat te neuriën.

Antonoff zong „De kleine Berk.”

—'t Is het lievelingslied van Shdanoff, zeide Tschikine, terwijl hij mij aan de mouw trok.—Telkens als Antonoff het zingt, gaat de oude er van schreien.

Shdanoff zat eerst volslagen onbeweeglijk, de oogen op het vuur gevestigd; zijn gezicht, verlicht door het rosse schijnsel, zag er buitengewoon droefgeestig uit, toen begon het op zij van zijn oogen tot aan zijn ooren te trillen; eindelijk stond hij op, spreidde zijn mantel op den grond uit en ging van het vuur af, in de schaduw liggen. Kwam het omdat hij lag te woelen in afwachting van den slaap, was het de invloed van het treurige weer en de gedachte aan den dood van Welentschuk?... zooveel is zeker, dat het mij voorkwam dat hij weende.

Het onderste deel van den boomstam, die verkoold was, flikkerde van tijd tot tijd op en verlichtte de gestalte van Antonoff, met zijn grijzen knevel, zijn rood gezicht en de ridderorden op zijn mantel, de laarzen van een ander, een paar hoofden en een rug. Nog steeds druppelde de trieste nevel neer, dezelfde muffe lucht van rook en vochtigheid drong mij nog in den neus. Hier en daar glinsterden nog steeds de lichte stippen van vuren, die langzaam uitgingen. En te midden van die algemeene stilte klonk het droefgeestige liedje van Antonoff weg. Toen het ophield, scheen het beantwoord te worden door het geluid van de zwakke nachtelijke beweging in het kamp, het gesnork, het gekletter van de geweren der schildwachten, en zwak gefluister.

—Twee mannen voor de wacht, Makatjuk en Shdanoff! riep Maximoff.

Antonoff zweeg. Shdanoff stond op, zuchtte diep, stapte over den boomstam en richtte zich naar de kanonnen.

15 Juni 1855


[22] Soldatenkost: geweekte beschuit in reuzel gekookt.

EENE ONTMOETING TE VELDE MET EEN MOSKOUSCHEN BEKENDE.

(Uit de Kaukasische aanteekeningen van vorst Nechljudoff.)


Wij stonden te velde. De strijd liep ten eind, we hadden de kapping in 't bosch bewerkstelligd en verwachtten elken dag van den staf het bevel tot terugkeer naar de vesting. Onze divisie batterijstukken stond aan de helling van een steilen bergrug, begrensd door de lieflijke bergbeek Metschik, en had in opdracht de voor ons uitgestrekte vlakte te beschieten. Op deze schilderachtige vlakte vertoonden zich, buiten bereik van ons schot, hier en daar, vooral 's avonds, groepen bereden bergbewoners, niet met vijandige bedoelingen, maar louter uit nieuwsgierigheid naderbij stroomend, om 't Russische leger te bekijken. 't Was een heldere, stille, frissche avond, zooals gewoonlijk de Decemberavonden zijn in den Kaukasus; de zon was links achter de steile uitloopers van het gebergte weggezonken, en wierp haar rozige stralen op de tenthutten, die over den berg verstrooid lagen, op de heen en weer loopende troepjes soldaten, en op onze beide kanonnen, die, plomp, als met uitgerekte halzen, onbeweeglijk, twee schreden voor ons op een aarden batterij stonden. In de heldere avondlucht was het infanterie-piket, dat op den heuvel links van ons verstrooid lag met zijn aan rotten staande geweren, de gedaante van den schildwacht, een groep soldaten in den rook van het hoog opgestapelde wachtvuur duidelijk te zien. Rechts en links schemerden ter halver hoogte op den berg op de zwarten, platgetreden grond de witte tenten en achter de tenten, de donkere, ontbladerde stammen van het plataanbosch, waarin onophoudelijk bijlslagen klonken, wachtvuren knetterden en de gevelde stammen krakend neerstorten. Een blauwachtige damp steeg van alle zijden in kolommen omhoog naar den diepblauwen winterhemel. Bij de tenten en omlaag bij den oever van de beek trokken onder paardengetrappel en gehinnik de Kozakkendragonders en artilleristen voorbij, die hun paarden waren wezen drenken. Het begon te vriezen; ieder geluid was zeer duidelijk waarneembaar en het oog zag in de zuivere, heldere lucht heel ver weg in de vlakte. De vijandelijke troepjes, die nu niet meer de nieuwsgierigheid der soldaten opwekten, reden rustig over de helgele stoppels der maïsvelden; hier en daar schemerden achter de boomen de hooge zuilen der kerkhoven en de rookkolommen uit de aoels. Onze hut stond op een hoog en droog plekje dicht bij de kanonnen en het uitzicht was er bijzonder ver. Naast de tent, vlak bij de batterij, hadden we op een schoon plekje een houtblokkenspel ingericht. Gedienstige soldaten hadden hier gevlochten banken en een tafeltje gemaakt. Om al deze gemakken kwamen onze kameraden van de artillerie en eenige heeren van de infanterie 's avonds gaarne naar onze batterij en ze noemde dit plekje de „club.”

Het was een prachtige avond. De beste spelers waren bijeen en we wierpen met de houtblokjes. Ik, vaandrig D. en luitenant O. hadden twee partijen achtereen verspeeld en tot algemeene pret en gelach van de toekijkende officieren en van de soldaten en oppassers, die vanuit hun tenten toekeken, hadden we de winners tweemaal op onzen rug van het eene einde naar het andere gedragen. Bijzonder grappig was het, hoe de kolossale, dikke stafkapitein Sch. kuchend en opgeruimd glimlachend, met zijn beenen over den grond sleepend, op den kleinen, teeren luitenant O. reed. Het was echter al laat geworden. De oppassers brachten voor ons zessen drie glazen thee zonder voet. Wij braken het spel op en gingen naar de gevlochten banken. Daar stond een ons onbekende man van middelbare grootte met kromme beenen; hij droeg een pels zonder jas er over en een muts van schapenvacht met lang afhangend, wit haar. Toen wij dichtbij gekomen waren, nam hij een paar maal aarzelend zijn muts af en zette ze weer op, onderwijl maakte hij telkens aanstalten om op ons toe te komen en bleef toch telkens weer staan. Daar de onbekende echter wel zag, dat hij niet meer onopgemerkt kon blijven, nam hij zijn muts af, liep in een boog om ons heen en trad op den stafkapitein Sch. toe.

—Wel, Guscantini! Hoe maak je het, ouwe jongen? zei Sch. opgeruimd tot hem, nog lachend om zijn rit.

Guscantini, zooals hij hem genoemd had, zette dadelijk zijn muts op en maakte een beweging alsof hij de handen in de zakken van zijn pels wilde steken; maar aan de naar mij toegekeerde zijde zat er geen zak en zijn kleine roode hand bleef links hangen. Ik had wel eens willen weten, wat dit wel voor een mensch was (een jonker of een gedegradeerd officier) en zonder te bemerken dat mijn blik (de blik van een hem onbekend officier) hem verlegen maakte, nam ik zijn kleeding en zijn uiterlijk nauwkeurig op. Hij kon zoowat dertig jaar zijn. Zijn grauwe, ronde oogjes keken ietwat slaperig, maar tegelijk toch ook onrustig onder de vuile, witte schapenvacht van zijn muts uit, die over zijn voorhoofd hing. De dikke, onregelmatige neus tusschen de ingevallen wangen verried een ziekelijke, onnatuurlijke magerheid; de lippen, zeer spaarzaam bedekt door een dunnen, slappen, leelijken knevel, bewogen onophoudelijk onrustig, als wilden zij nu eens deze, dan weer een andere uitdrukking aannemen. Maar er was iets onvoltooids in iedere uitdrukking—overheerschend bleef in zijn trekken een uitdrukking van angst en gejaagdheid. Zijn magere, geaderde hals was met een groenzijden doek omwonden, die onder zijn pels verborgen was. De pels zelf was versleten en hem te kort, aan den kraag en op de plaats, waar de zakken moesten zijn, afgezet met hondenvel; zijn pantalon was geruit en aschgrauw, zijn laarzen hadden korte, niet zwartgemaakte soldatenschachten.

—Dek u, als 't u belieft, zeide ik tot hem, toen hij weer, met een schuwen blik naar mij, de muts afnam.

Hij boog met een uitdrukking van dankbaarheid, zette zijn muts op, haalde een vuilen katoenen tabakszak voor den dag en begon een sigaret te draaien.

Ik was zelf nog kort geleden jonker geweest, een oude jonker, die niet meer deugde om jongere kameraden opgewekt kleine diensten te bewijzen, en een jonker zonder vermogen. Ik wist dus zeer goed hoe groot de moreele druk is, waarin men leeft in zulk een positie, vooral als men niet jong meer is en door eigenliefde beheerscht wordt; ik had medelijden met ieder, die zich in een dergelijke positie bevond, en gaf me moeite zijn karakter, de mate en de richting van zijne geestelijke vermogens te bepalen om daarnaar de mate van zijn moreel lijden te beoordeelen. Deze jonker of gedegradeerde officier leek me, afgaande op zijn onrustigen blik en de opzettelijke, onophoudelijke wisseling van zijn gelaatsuitdrukking, die ik bij hem opgemerkt had, een zeer verstandig, uiterst zelfbewust en daarom ook uiterst beklagenswaardig mensch.

De stafkapitein Sch. stelde ons voor nog een partijtje te spelen; de verliezende partij zou, behalve den verplichten rit, eenige flesschen rooden wijn en rum, wat suiker, kaneel en kruidnagels geven om een bowl te maken, wat in dezen winter door de groote koude op onze expeditie zeer in de mode was. Guscantini, gelijk Sch. hem weer noemde, werd uitgenoodigd van de partij te zijn; vòòr echter het spel begon, voerde hij blijkbaar een inwendigen strijd tusschen de vreugde, die hem deze uitnoodiging deed en een zekeren angst; hij nam stafkapitein Sch. ter zijde en fluisterde hem iets in 't oor. De goedmoedige stafkapitein klopte hem met zijn vleezige, groote hand op den schouder en antwoordde luid:—Dat doet er niets toe, vadertje, ik vertrouw je.

Toen het spel ten einde was, en de partij, waartoe de onbekende subalterne behoorde, gewonnen had en hij nu op een van onze officieren, den vaandrig D. moest rijden, kreeg deze een kleur, ging naar het bankje en bood den subaltern een sigaret als losgeld. Terwijl de warme wijn klaargemaakt werd en in de tent van den oppasser de drukke bezigheid van Nikita vernomen werd, die iemand om kaneel en kruidnagels uitgestuurd had en wiens rug het vuile tentdek nu eens her- dan weer derwaarts schoof, namen wij met ons zevenen plaats op het bankje, dronken om beurten thee uit de drie glazen, keken naar de vlakte vòòr ons, die zich juist in schemering ging hullen en keuvelden en schertsten over de wisselvalligheden van het spel. De onbekende in zijn pels nam geen deel aan het gesprek, weigerde hardnekkig de thee, die ik hem meermalen aanbood, draaide, terwijl hij op Tartaarsche wijze op den grond zat, van fijn gesponnen tabak de eene sigaret na de andere, en rookte ze op, niet zoozeer omdat hem dat genot gaf, als wel, zooals gemakkelijk aan hem te zien was, om zich het air te geven van iemand, die ergens mee bezig is. Toen er sprake van was, dat wellicht den volgenden dag de terugtocht zonder gevecht zou plaats hebben, richtte hij zich op zijn knie op en zeide, zich alleen tot stafkapitein Sch. wendende, dat hij bij den adjudant in huis was en dat hij zelf het bevel voor den terugtocht voor den volgenden dag geschreven had. Wij zwegen allen terwijl hij sprak en ofschoon hij duidelijk zijn schuchterheid verried, noopten wij hem, deze, ons vreemdklinkende, mededeeling nog eens te herhalen. Hij herhaalde wat hij gezegd had, doch voegde erbij, dat hij bij den adjudant geweest was, met wien hij samengewoond had en dat hij daar gezeten had, toen men juist het bevel bracht.

—Ziet ge, als ge niet liegt, vadertje, dan moet ik naar mijn kompagnie gaan en bevelen geven voor morgen, zeide kapitein Sch.

—Neen... Waarom ook... Hoe kan men... Ik heb zeker... begon de subalterne, maar hij zweeg weldra, scheen van plan den beleedigde te spelen, trok onnatuurlijke rimpels in zijn voorhoofd, bromde iets in zijn baard en begon weer een sigaret te maken. Maar er was niet genoeg fijne tabak meer in zijn katoenen zakje en daarom vroeg hij Sch. om hem een sigaret te leenen. We zetten het eentonige gesprek over den oorlog, dat ieder kent, die wel eens aan een veldtocht deelgenomen heeft, tamelijk lang voort, beklaagden ons allen in dezelfde termen over de verveling en den langen duur van den tocht, oordeelden allen op dezelfden wijze over de chefs, prezen voor de zooveelste maal dezen, betreurden genen kameraad, gaven onze verwondering te kennen, dat deze zooveel gewonnen, gene zooveel verloren had, enz. enz.

—Zie je, vadertje, onze adjudant, die heeft pech gehad, duchtig pech gehad! zei stafkapitein Sch.—Bij den staf won hij altijd. Met wien hij ook speelde, altijd won hij en nu verliest hij al twee maanden aan èèn stuk. Deze veldtocht heeft hem weinig geluk aangebracht. Ik geloof dat hij al 2000 roebel verloren heeft, en voor 500 roebel waarde aan voorwerpen, het tapijt, dat hij Muschine afgewonnen had, de pistolen van Nikita, het gouden horloge van Ssada, dat Morinzeff hem gegeven had—alles is hij kwijt.

—Eerlijk verdiend! zeide luitenant O., hij heeft al de anderen ongenadig geplukt. Het was geen spelen met hem.

—Eerst heeft hij ze allen geplukt, en nu is hij in de lucht gevlogen—zei kapitein Sch. met zijn prettigen lach. Guskoff woont bij hem in, en dien had hij ook bijna verspeeld, waarachtig! Is het niet waar, vadertje? zei hij zich tot Guskoff wendende.

Guskoff lachte. Zijn lach was treurig en smartelijk en gaf zijn gelaat een heel andere uitdrukking. Bij het zien daarvan was het mij, alsof ik dezen man vroeger reeds gekend en ontmoet had, en ook kwam zijn eigenlijke naam, Guskoff, me bekend voor. Maar hoe en waar ik hem gekend had, en waar ik hem aangetroffen kon hebben, dat kon ik me absoluut niet te binnen brengen.

—Ja, zei Guskoff en hief daarbij telkens den vinger naar zijn knevel, liet haar echter weer zinken, zonder hem aan te raken;—Pavel Dmitrijewitsch heeft in dezen veldtocht geen geluk gehad, zulk een veine de malheur,[23] voegde hij er met ietwat moeielijke, maar zuiver Fransche uitspraak bij, en daarbij kreeg ik weer dat gevoel, hem vroeger reeds ergens gezien te hebben.—Ik ken Pavel Dmitrijewitsch heel goed, hij vertrouwt mij alles toe, ging hij voort. Wij zijn oude kennissen, d. w. z., hij houdt van me, voegde hij er bij, blijkbaar verschrokken over zijn al te stoute bewering, dat hij een oude kennis van den adjudant was. Pavel Dmitrijewitsch speelt voortreffelijk en—'t is wel merkwaardig wat hem nu overkomt—nu is hij heelemaal buiten zichzelf, la chance a tourné,[24] voegde hij er, voornamelijk tot mij sprekende, aan toe.

We hadden Guskoff in het begin met hoffelijke opmerkzaamheid aangehoord, maar toen hij ook nog dit Fransche zinnetje gezegd had, keerden wij ons onwillekeurig van hem af.

—Ik heb duizendmaal met hem gespeeld en u zult me toch moeten toegeven dat het vreemd is, zei de luitenant met een bijzonderen nadruk op dat woordje vreemd, dat ik niet èènmaal van hem gewonnen heb, geen cent. Waarom win ik wel van anderen?

—Pavel Dmitrijewitsch speelt voortreffelijk, ik ken hem al lang, zeide ik. Ik kende den adjudant inderdaad reeds sedert jaren en had hem vaak gadegeslagen bij zijn spel, dat voor de middelen van een officier bepaald hoog genoemd kon worden, en was altijd verrukt geweest over zijn mooi, een weinig somber en steeds onbewogen gelaat, zijn gerekte, klein-Russische uitspraak, zijn mooie uitrusting en paarden, zijn afgemeten, zuid-Russische ridderlijkheid en vooral over zijn kunst om mooi, helder, begrijpelijk en opgewekt te spelen. Menigmaal—ik erken het berouwvol—werd ik, wanneer ik naar zijn volle, witte handen met den brillantenring aan den wijsvinger keek, die mij slag na slag afwonnen, woedend op dien ring, op die witte handen en op de heele persoonlijkheid van den adjudant en dan kwamen booze vermoedens tegen hem in mij op; maar wanneer ik daar dan in koele bloede over nadacht, kwam ik toch tot de overtuiging dat hij eenvoudig een beter speler was dan al de anderen, waarmee hij speelde. Als men zijn algemeene beschouwingen over het spel hoorde, dat men bijv. nooit een paroli moest weigeren, hoe men van een kleinen inzet moest overgaan tot een grooteren, in welke gevallen men moest passen, dat een eerste spelregel was alleen met baar geld te spelen, enz. enz. dan wordt het een mensch steeds duidelijker, dat hij alleen daarom steeds aan de winnende hand was, omdat hij behendiger en koelbloediger was, dan wij allen. En nu bleek dat deze terughoudende speler, die zoo zeker van zichzelf was, gedurende den veldtocht alles verloren had tot op den laatsten stuiver, en niet alleen geld, maar ook stukken van zijn uitrusting, wat voor een officier wel een uiterste is.

—Ik heb altijd verduiveld veel pech als ik met hem speel, ging luitenant O. voort, en ik heb me zelven al beloofd, niet meer met hem te spelen.

—Wat zijt gij toch een rare drommel, vadertje, zeide Sch. en knipoogde naar mij, terwijl hij mij toeknikte en zich tot O. richtte. Ge hebt 300 roebel verloren, niet waar, zooveel was het immers?

—Meer, zei de luitenant vol ergernis.

—En nu is u een licht opgegaan, maar te laat, vadertje! Iedereen weet immers al lang dat hij de valsche speler van ons regiment is, zei Sch.; hij kon zich haast niet houden van het lachen en was uiterst tevreden over zijn inval.—Daar staat Guskoff voor je, die prepareert de kaarten voor hem. Daarom zijn ze zulke dikke vrienden, vadertje. En stafkapitein Sch. lachte zoo hartelijk, dat zijn heele lichaam schudde en hij van zijn glas warmen wijn morste, dat hij juist in de hand hield. Er kwam een kleur op Guskoff's geel, vermagerd gelaat, hij beproefde meermalen den mond open te doen, hief zijn vinger op naar zijn knevel en liet hem weer zakken naar de plaats, waar andere menschen hun zakken hebben, stond op en ging weer zitten en zei eindelijk met een vreemde stem tot Sch.:—Dat gaat te ver voor een grap, Nikolai Iwanitsch. U zegt hier zulke dingen, waar menschen bij zijn, die mij niet kennen, en die me in een tot op den draad versleten pelsjas zien, omdat... zijn stem stokte en weer gingen zijn kleine, roode handen met de vuile nagels van de pels naar zijn gezicht en streken over zijn knevel, zijn haren en zijn neus, of wreven zijn oogen of krabden zonder eenige noodzakelijkheid aan zijn kin.

—Daar valt toch verder niet over te praten, we weten het immers allemaal, vadertje! ging Sch. voort, inwendig uiterst tevreden met zijn scherts en zonder in 't minste erg te hebben op Guskoff's opwinding. Guskoff zei fluisterend nog een paar woorden, ging met den rechterelleboog op de linkerknie zitten, keek in deze onnatuurlijke houding Sch. aan en trok een gezicht alsof hij verachtelijk glimlachte.

—Neen, zei ik innerlijk overtuigd—toen ik dit lachen zag—ik heb hem niet alleen ergens gezien, maar ook met hem gesproken.

—We hebben elkander al eens vroeger ontmoet, zeide ik tot hem, toen Sch.'s gelach begon te verstommen onder den indruk van het algemeene stilzwijgen. Guskoff's veranderlijk gelaat helderde plotseling op en zijn oogen vestigden zich voor het eerst met een zielsgelukkige uitdrukking op me.

—Zeker, ik heb u aanstonds herkend, begon hij in 't Fransch. In het jaar 48 had ik vrij dikwijls het genoegen u in Moskou te ontmoeten bij mijn zuster Iwaschina.

Ik verontschuldigde mij dat ik hem in deze dracht en in deze nieuwe kleeding niet dadelijk herkend had. Hij stond op, trad op mij toe, drukte met zijn klamme hand aarzelend en zwakjes de mijne en ging naast mij zitten. In plaats van mij aan te zien, hij was immers zoo blij mij weer te zien, zag hij met een onbehagelijk blufferige uitdrukking den kring der officieren rond. Was het omdat ik in hem den man herkend had, dien ik eenige jaren geleden in zwarten rok in een salon ontmoet had? was het omdat hij zich door deze herkenning opeens in zijn eigen achting voelde stijgen?—zooveel is zeker, dat, naar het mij toescheen, eensklaps zijn gelaat, zijn bewegingen zelfs veranderd waren: zij toonden nu een opgewekten geest, kinderlijke ingenomenheid met zichzelf en een zekere minachtende nonchalance, zoodat mijn oude kennis—ik moet het eerlijk bekennen—in weerwil zijner jammerlijke positie mij nu geen medelijden meer inboezemde, maar veeleer een zeker vijandig gevoel.

Ik herinnerde mij nog levendig hoe ik hem voor het eerst ontmoet had. In het jaar 48 bezocht ik, gedurende mijn verblijf te Moskou, vaak Iwaschin, met wien ik samen opgegroeid en door banden van oude vriendschap verbonden was. Zijn vrouw was een aangename gastvrouw, een beminnelijke vrouw, zooals men pleegt te zeggen, maar die mij nooit aangestaan had.... In den winter, dat ik bij hen verkeerde, sprak zij vaak met kwalijk verborgen trots van hare broeder, die kort geleden zijn studie beëindigd had en die, volgens haar, een der meest beschaafde en in de deftige Petersburgsche kringen meest geziene jonge mannen was. Daar ik Guskoff's vader, die zeer rijk was en een aanzienlijke positie bekleedde, kende van hooren zeggen, en daar ik de levensbeschouwing van zijn zuster kende, kwam ik den jongen Guskoff met een zeker vooroordeel te gemoet. Op een avond, toen ik bij Iwaschin op bezoek was, ontmoette ik bij hem een jongmensch van middelbare grootte, die naar het uiterlijk een zeer aangenamen indruk maakte, in zwarten rok, wit vest en lichte das, en dien de gastheer verzuimde aan mij voor te stellen. De jonge man, die blijkbaar gereed stond om naar een bal te gaan, stond met zijn hoed in de hand voor Iwaschin en redetwistte opgewonden, maar toch hoffelijk met hem over een onzer gemeenschappelijke kennissen, die zich toentertijd onderscheiden had in den Hongaarschen veldtocht. Hij was van oordeel dat deze kennis volstrekt geen held was en niet voor oorlog geschapen, zooals men van hem beweerde, doch eenvoudig een verstandig en beschaafd man. Ik herinner me dat ik in deze diskussie partij vatte tegen Guskoff, en ik liet me meesleepen hem zelfs te bewijzen dat verstand en beschaving steeds omgekeerd evenredig waren aan dapperheid en ik herinner me hoe Guskoff mij op beminnelijke en verstandige manier uiteenzette, dat dapperheid een noodwendig uitvloeisel van verstand en van een zekeren graad van geestelijke ontwikkeling was, en dat ik hem dit, wijl ik mij zelf voor een verstandig en beschaafd mensch hield, niet anders dan toegeven kon! Ik herinner me dat mevrouw Iwaschin mij aan 't einde van ons gesprek aan haar broeder voorstelde en hij mij met een neerbuigend glimlachje de hand reikte, waarvan hij den gelen handschoen eerst half af getrokken had en dat hij mij even zwak en aarzelend de hand drukte als nu. Hoewel ik tegen hem ingenomen was, moest ik toenmaals Guskoff recht laten wedervaren en zijn zuster toegeven, dat hij werkelijk een verstandig en beminnelijk jongmensch was, dat in de voorname wereld wel succes moest hebben.

Hij was buitengewoon net en sierlijk gekleed, jong, had kalme, bescheiden manieren en een buitengewoon jeugdig, haast kinderlijk voorkomen, om der wille waarvan men onwillekeurig de uitdrukking van zelfingenomenheid en den wensch, anderen zijn meerderheid te doen gevoelen, welke op zijn slim gelaat en vooral in den stereotiepen glimlach duidelijk merkbaar was, gaarne over 't hoofd zag. Men wist elkaar te vertellen, dat hij dezen winter veel succes gehad had bij de Moskousche dames. Daar ik hem niet anders ontmoette dan bij zijn zuster, kon ik alleen uit de uitdrukking van geluk en tevredenheid, die voortdurend sprak uit zijn jeugdig voorkomen en uit zijn soms wel wat onbescheiden verhalen opmaken in hoeverre dit beweren gerechtvaardigd was. We ontmoetten elkaar wel zes maal en spraken tamelijk veel met elkaar, of beter gezegd, hij sprak meestal Fransch op voortreffelijke wijze, in goed gekozen, bloemrijken bewoordingen en had er slag van anderen op aangename, beleefde manier in de rede te vallen. Hij onderhield zich vrijwel met iedereen, ook met mij, tamelijk uit de hoogte; en, gelijk steeds in den omgang met menschen, wier optreden wijst dat het voor hen vaststaat dat ze met mij uit de hoogte verkeeren kunnen, en die ik niet van meer nabij ken, voelde ik ook nu, dat hij in dit opzicht volkomen in zijn recht was.

Nu, nu hij naast mij kwam zitten en mij de hand gaf, herkende ik heel duidelijk in hem diezelfde hoogmoedige uitdrukking van vroeger en het scheen mij toe alsof hij niet op heel eerlijke manier profiteerde van zijn positie als ondergeschikte tegenover den officier, toen hij mij zoo losweg vroeg, wat ik al dien tijd uitgevoerd had en hoe ik hierheen gekomen was. Hoewel ik op iedere vraag in het Russisch antwoordde, begon hij altijd weer in 't Fransch; maar men kon merken dat hij het niet meer zoo vlot sprak als vroeger. Van zichzelf vertelde hij zoo terloops, dat hij na die ongelukkige, domme geschiedenis (wat dat voor een geschiedenis was, weet ik niet en heeft hij mij ook nooit verteld) drie maanden in arrest gezeten had, toen was hij naar het N-regiment in den Kaukasus gezonden en hij diende nu reeds drie jaar als gemeen soldaat in dit regiment.

—Ge kunt niet gelooven, zei hij in 't Fransch tot me, wat ik in dit regiment al niet heb moeten verduren van de officieren! Het is een geluk voor me, dat ik den adjudant, over wien we daareven spraken, nog van vroeger kende; hij is een goed mensch, werkelijk, zei hij op zijn hoffelijksten toon—ik woon bij hem in en voor mij is dat ten minste een kleine verlichting. Oui, mon cher, les jours se suivent, mais ne se ressemblent pas,[25] voegde hij er aan toe, maar stokte, kreeg een kleur en stond op, want hij bemerkte, dat de adjudant, over wien we spraken, op ons toekwam.

—Wat een vreugde, een mensch te ontmoeten als gij! zei Guskoff nog fluisterend tot mij en ging heen, ik heb nog veel, heel veel met u te bepraten.

Ik zeide, dat het me zeer verheugde, maar ik moet erkennen dat Guskoff me in werkelijkheid een zeer onsympathiek, drukkend medelijden inboezemde. Ik had een gevoel dat ik me, met hem onder vier oogen, zeer onbehagelijk zou gevoelen, doch ik wilde gaarne velerlei van hem vernemen, vooral hoe het kwam dat hij, in weerwil van den rijkdom van zijn vader, in armoedige omstandigheden leefde, gelijk op te maken was uit zijn kleeding en zijn optreden. De adjudant begroette ons allen, alleen Guskoff niet en ging naast mij zitten op de plaats, waar even te voren de gedegradeerde zat. Hoewel nog steeds een bedaarde, langzame en gelijkmoedige speler en een vermogend man, was Pavel Dmitrijewitsch toch een heel ander mensch geworden, dan zooals ik hem gekend had in de beste dagen van zijn spel; hij scheen aldoor haast te hebben en liet zijn blikken onrustig rondzweven en er verliepen geen vijf minuten of hij, die anders altijd weigerde te spelen, sloeg luitenant O. een partijtje bank voor. Luitenant O. weigerde onder voorwendsel dat de dienst hem geheel in beslag nam, in werkelijkheid echter omdat hij wist hoe weinig geld en goud Pavel Dmitrijewitsch nog maar had en hij het niet verstandig achtte, zijn driehonderd roebel op 't spel te zetten tegen de honderd of misschien nog minder, die hij kon winnen.

—Zeg eens, Pavel Dmitrijewitsch, begon de luitenant, die blijkbaar een herhaling van het verzoek wilde voorkomen, is het waar wat er gezegd wordt, dat we morgen uit zullen rukken?

—Ik weet het niet, antwoordde Pavel Dmitrijewitsch, er is slechts een order gekomen, dat we ons gereed zouden houden. Maar werkelijk, het was beter als wij een partijtje speelden, ik verpand u mijn Kabardiner.

—Neen, het is nu al...

—Den grauwen dan, als het niet anders kan, of, als het u liever is, om geld. Nu?...

—Nu ja... Ik zou wel willen. U moet niet gelooven... begon de luitenant, aldus zijn eigen twijfel beantwoordende.—Maar morgen hebben we misschien een overrompeling of een marsch en daarom is het beter nu uit te slapen.

De adjudant stond op en liep met de handen in den zak op het ontruimde plekje heen en weer. Zijn gezicht nam weer de gewone koele, min of meer trotsche uitdrukking aan, die ik zoo gaarne in hem zag.

—Wilt u niet een glaasje warmen wijn? vroeg ik hem.

—Gaarne! En hij kwam naar mij toe, doch Guskoff nam mij snel het glas uit de hand en bracht het den adjudant; daarbij deed hij zijn best hem niet aan te zien. Hij zag dus de lijn, die de tent samenhield niet, struikelde daarover, liet het glas vallen en viel voorover.

—Wat een hansworst! zei de adjudant, die reeds zijn hand naar het glas uitgestrekt had.

Allen schoten in een luiden lach, Guskoff niet uitgezonderd, die onderwijl zijn magere knie, welke hij bij het vallen onmogelijk bezeerd kon hebben, met de eene hand wreef.

—Zooals de beer den kluizenaar bediend heeft,[26] ging de adjudant voort, zoo bedient hij mij iederen dag! Alle piketpaaltjes van de tent heeft hij al uitgerukt, hij struikelt altoos.

Guskoff verontschuldigde zich bij ons, zonder naar hem te luisteren en keek mij met een bijna onmerkbaar, treurig glimlachje aan, waarmee hij te kennen scheen te geven dat ik de eenige was, die in staat was hem te begrijpen. Hij was beklagenswaardig en de adjudant, scheen om een of andere reden vertoornd tegen zijn tentgenoot en wilde hem bepaald niet met rust laten.

—Nu, handig jongmensch, waar valt ge eigenlijk niet?

—Wie zou ook niet struikelen over al die paaltjes, Pavel Dmitrijewitsch, zei Guskoff, u is eergisteren zelf gestruikeld.

—Ja, vadertje, ik ben geen ondergeschikte, van mij wordt geen handigheid gevergd.

—Hij mag loome voeten hebben, viel de stafkapitein bij, maar een ondergeschikte moet kunnen springen...

—Eigenaardige scherts!... zei Guskoff bijna fluisterend en sloeg de oogen neer. De adjudant was blijkbaar niet goed geluimd tegen zijn tentgenoot. Hij luisterde gretig naar ieder zijner woorden.

—Men zal hem weer in hinderlaag moeten zenden, zei hij zacht tot Sch. wendende en met een knipoogje op den ondergeschikte wijzend.

—Daar zullen er weer tranen gestort worden, zei Sch. glimlachend. Guskoffs oogen waren niet meer op mij gericht, hij deed alsof hij tabak nam uit het zakje, waarin al lang niets meer was.

—Houd u gereed een hinderlaag te betrekken, zei Sch. lachend. De boodschappers hebben heden bericht, dat er een aanval op het kamp gedaan zal worden en nu is het zaak vertrouwde luidjes uit te zenden.

Guskoff glimlachte besluiteloos, als maakte hij zich gereed iets te zeggen en sloeg meermalen smeekende blikken op Sch.

—Nu ja, ik ben al meermalen gegaan en ik zal weer gaan, als ik gezonden word, bracht hij stamelend uit.

—Ge zult gezonden worden.

—Dan zal ik gaan. Wat moet ik doen?

—Wel, juist zooals in Argim waar ge van uw post weg geloopen zijt en uw geweer weggeworpen hebt... zei de adjudant, wendde zich toen van hem af en begon ons de orders voor den volgenden dag uiteen te zetten.

Inderdaad verwachtte men in den nacht een beschieting van het kamp door den vijand en voor den volgenden dag een of andere beweging. De adjudant praatte nog over allerlei algemeene dingen en sloeg toen, alsof hem dat bij toeval juist te binnen schoot, luitenant O. voor een spelletje te kaarten. Tegen verwachting was luitenant O. het daar volkomen mee eens en ze gingen met Sch. en den vaandrig in de tent van den adjudant, die een groene speeltafel en kaarten had. De kapitein, de kommandant van onze afdeeling, ging in zijn tent slapen, ook de andere heeren gingen uit elkaar en ik bleef met Guskoff alleen. Ik had me niet vergist—inderdaad was het mij onbehagelijk te moede met hem onder vier oogen te zijn. Onwillekeurig stond ik op en begon langs de batterij op en neer te loopen. Guskoff liep zwijgend naast me en maakte haastige en onrustige bewegingen om niet bij mij achter te blijven en me niet vooruit te loopen.

—Ik stoor u toch niet? zeide hij met zachte, klagende stem.

Voor zoover ik in de duisternis zijn gezicht kon zien, scheen het mij toe nadenkend en treurig te zijn.

—Niet in 't minst, antwoordde ik, daar hij echter het gesprek niet begon en ik niet wist, wat ik hem zou zeggen, bleven we een geruimen tijd zwijgend op en neer loopen.

De schemering had reeds plaats gemaakt voor de volslagen duisternis van den nacht; boven de zwarte omtrekken der bergen vlamde de lucht soms helder op, boven onze hoofden fonkelden aan den blauwen winterhemel kleine sterren, van alle zijden laaiden in rooden gloed de vlammen der rookende wachtvuren op, dicht voor ons schemerden de grauwe tinten en de sombere, zwarte aarden wal onzer batterij door den nevel. Bij het dichtstbijzijnde wachtvuur, waarom heen onze oppassers zich lagen te warmen en zacht praatten, glansde van tijd tot tijd het brons onzer zware kanonnen op de batterij en werd de gedaante van den schildwacht met zijn los omgeworpen mantel zichtbaar, die met afgemeten passen aan den voet van den aardwal op en neer wandelde.

—Ge kunt u niet voorstellen, welk een genot het voor mij is, te spreken met een mensch als gij! zei Guskoff tot me, ofschoon hij nog geen woord tot mij gezegd had.—Dat kan alleen hij begrijpen, die zich eenmaal in mijn positie bevonden heeft.

Ik wist niet wat hem te antwoorden en dus zwegen we weer beiden, hoewel hij blijkbaar lust had zijn gemoed uit te storten en ik om hem aan te hooren.

—Waarom zijt ge... Waarom hebt ge moeten lijden? vroeg ik hem ten slotte, daar mij niets beters inviel om het gesprek te beginnen.

—Hebt ge niets gehoord van die ongelukkige historie met Metenine?

—Ja, het was een duel, geloof ik; ik heb er terloops over hooren spreken, antwoordde ik, ik ben al een heele poos in den Kaukasus.

—Neen, geen duel; het is een domme, vreeselijke geschiedenis! Ik wil u alles vertellen, als ge het niet weet. Het was in hetzelfde jaar, dat ik u bij mijn zuster ontmoette, ik woonde toen te Petersburg. Ge moet weten, ik had toen wat men noemt une position dans le monde[27] en een heel goede, om niet te zeggen een schitterende. Mon père me donnait 10000 par an.[28] In het jaar 1849 werd me het uitzicht geopend op een betrekking bij het gezantschap te Turijn: mijn oom van moederszijde kon zeer veel voor mij doen en was daar steeds zeer gaarne toe bereid. Het is al lang geleden, j'étais reçu dans la meilleure société de Pétersbourg, je pouvais prétendre[29] op een prachtige partij. Ik had geleerd, wat wij allemaal leeren op school, een bijzondere ontwikkeling bezat ik dus niet, ik heb weliswaar later veel gelezen, mais j'avais surtout ce jargon du monde,[30] ge weet wel; en hoe ik ook verder mocht zijn, ik gold, God weet waarom, voor een der voornaamste jongelui van Petersburg. Wat mij een bijzondere positie gaf in de openbare meening, c'est cette liaison avec Mme D.,[31] over wie in Petersburg veel gesproken werd; doch ik was nog heel jong en achtte toen niet veel op al die voordeelen. Ik was eenvoudig jong en dom. Wat was meer noodig? Toentertijd had in Petersburg deze Metenine een reputatie... en Guskoff ging door me de heele geschiedenis van zijn ongeluk te verhalen, die ik hier echter wil overslaan, omdat ze heel niet interessant is.—Twee maanden zat ik in de gevangenis, ging hij voort, moederziel alleen en wat heb ik in dien tijd al niet overdacht! Maar weet ge, toen alles voorbij was, toen om zoo te zeggen ieder verband met het verleden voorgoed verbroken was, toen was het mij minder zwaar te moede. Mon père, vouz en avez entendu parler[32], is voorzeker een man met een ijzeren karakter en met vaste overtuigingen, il m'a déshérité[33] en heeft alle relaties met mij afgebroken. Zijn overtuiging gebood hem zoo te handelen en ik maak er hem volstrekt geen verwijt van; il a été conséquent.[34] Daarom heb ik ook geen enkele poging gedaan om hem aan zijn besluit ontrouw te doen worden. Mijn zuster was in het buitenland. Mevr. D. was de eenige, die mij schreef, toen men haar dit toestond en mij haar hulp aanbood; maar ge zult begrijpen, dat ik dit weigerde en dat ik gebrek had aan al de kleinigheden, die in zulke omstandigheden een weinig verlichting geven: ik had noch boeken, noch linnengoed, noch eten—niets! Ik heb toen veel, zeer veel nagedacht. Ik begon alles met heel andere oogen te beschouwen; over het gerucht bijv. en het geklets van de menschen in Petersburg, bekommerde ik mij niet in 't minst—het vleide me ook niet in 't minst—dat alles leek me eenvoudig belachelijk. Ik voelde dat het mijn eigen schuld was, dat ik onvoorzichtig, jeugdig dwaas gehandeld had, dat ik mijn carrière gebroken had en dacht aan niets anders, dan hoe ik dit weer goed zou kunnen maken. Ik voelde de kracht en de energie daarvoor in mijn binnenste. Uit de gevangenis werd ik, zooals ik u zeide naar den Kaukasus gestuurd, naar het N. regiment. Ik had gemeend—ging hij voort, steeds levendiger sprekend—dat het hier in den Kaukasus la vie de camp[35] was, dat hier eenvoudige, brave menschen waren, met wie ik zou kunnen verkeeren, dat er hier krijgsgevaar te trotseeren was—dat alles zou juist passen bij mijn gemoedsstemming en ik zou een nieuw leven beginnen. On me verra au feu[36], men zal van me gaan houden, me leeren waardeeren, niet alleen om mijn naam—men zal mij een orde schenken, me tot onderofficier bevorderen, de straf opheffen en ik zal weer naar mijn geboortegrond terugkeeren et vous savez avec ce prestige du malheur.[37] Maar, quel désenchantement![38] Ge kunt u niet voorstellen, hoezeer ik me vergist heb!... Ge kent immers het korps officieren van ons regiment?—Hij zweeg vrij lang en scheen te verwachten, dat ik hem zou zeggen, dat ik wist, hoe slecht de officieren hier waren. Maar ik antwoordde hem niet. Het stuitte mij, dat hij, waarschijnlijk omdat ik Fransch verstond, verwachtte dat ik tegen het korps officieren ingenomen zou zijn, terwijl ik integendeel door mijn langer verblijf in den Kaukasus zoover gekomen was, het op zijn juiste waarde te schatten en het duizendmaal hooger te schatten dan den kring, waaruit de heer Guskoff afkomstig was. Ik wilde hem dit zeggen, doch zijn positie weerhield mij daarvan.

—In het N. regiment is het korps officieren duizendmaal slechter dan in dit, ging hij voort. J'espère que c'est beaucoup dire[39], ge kunt U niet voorstellen, hoe ze zijn! Van de jonkers en de gewone soldaten wil ik hier niet spreken. Dat is een verschrikkelijke troep! In den beginne ontvingen ze me goed, dat is zoo, maar later, toen zij zagen, dat ze me behoorden te verachten, (dat zagen ze aan onmerkbare, kleine dingen, ge begrijpt wel, waaruit ze opmaakten dat ik een heel ander mensch moest zijn dan zij, een, die ver in stand boven hen stond), toen werden ze nijdig op me en begonnen me allerlei kleine vernederingen aan te doen. Ce que j'ai eu à souffrir, vous ne vous faites pas une idée.[40]

Dan de onwillekeurige omgang met de jonkers, en dan: avec les petits moyens, que j'avais, je manquais de tout[41], ik had niets, dan wat mijn zuster mij zond. Een bewijs hoeveel ik te lijden had, is, dat ik, met mijn karakter, avec ma fierté, j'ai écrit à mon père,[42] ik smeekte hem, mij toch maar iets te zenden. Ik begrijp heel goed, dat men, als men vijf jaar zulk een leven geleid heeft, worden kan zooals onze gedegradeerde Dromoff, die met gemeene soldaten drinkt en aan alle officieren brieven schrijft, waarin hij om drie roebel „te leen” vraagt en die hij onderteekent: tout à vous[43] Dromoff. Men moet een karakter hebben als het mijne om in deze vreeselijke positie niet geheel en al onder te gaan. Hij liep een poos lang zwijgend naast mij. Avez-vous un papiros?[44] vroeg hij.—Ja, waar was ik ook weer gebleven? Juist. Ik kon dat leven niet uithouden, lichamelijk niet; want hoe vreeselijk het ook was, hoezeer ik ook leed door honger en kou, al leidde ik ook het leven van een gemeen soldaat, toch hadden de officieren nog eenige achting voor me—had ik in hun oog nog een zeker prestige. Ze zonden me niet op wacht, lieten me niet exerceeren. Dat zou ik niet verdragen hebben. Maar mijn moreel lijden was ontzettend. En wat het allerergste was, ik zag geen uitweg uit dezen toestand. Ik schreef aan mijn oom, smeekte hem, mij tenminste naar dit regiment te laten overplaatsen, dat tenminste de veldtocht meemaakt, en ik dacht: hier dient Pavel Dmitrijewitsch, qui est le fils de l'intendant de mon père,[45] die zal mij tenminste van dienst kunnen zijn. Mijn oom voldeed aan mijn verzoek,—ik werd overgeplaatst. Na dat andere regiment, kwam dit mij voor als een verzameling van kamerheeren. Ook was Pavel Dmitrijewitsch daar; hij wist wie ik was, en ik werd voortreffelijk ontvangen. Op verzoek van mijn oom, Guskoff, vous savez?[46]... Maar ik maakte de opmerking, dat deze menschen zonder opvoeding of verstand een man niet kunnen achten, noch hem hun achting betoonen, wanneer hij niet den stralenkrans van rijkdom en aanzien heeft. Ik merkte op hoe langzamerhand, toen zij bespeurd hadden dat ik arm was, hun omgang met mij àl onverschilliger en eindelijk bijna minachtend werd. Het is vreeselijk, maar het is de volle waarheid.

Ik heb hier deelgenomen aan verschillende veldtochten, ik heb gestreden, on m'a vu au feu[47], ging hij voort—maar wanneer zal er aan dat alles een einde komen? Ik geloof wel nooit; en mijn krachten en mijn energie beginnen uitgeput te raken. Toenmaals had ik mij een beeld gevormd van la guerre, la vie de camp,[48] maar ik zie dat het alles heel anders is: in een pelsjas, ongewasschen, met soldatenlaarzen aan, gaat men op hinderlaag en ligt men den geheelen nacht door in een hollen weg, met den eerste den beste, die voor dronkenschap bij de soldaten ingedeeld is en ieder oogenblik kan men van uit de boschjes doodgeschoten worden—ik of die andere, dat is precies hetzelfde... Daar helpt geen dapperheid tegen, dat is afschuwelijk, c'est affreux, ça tue.[49]

—Nu ja, maar ge zult nu toch voor den veldtocht onderofficier, en in het volgende jaar vaandrig worden, zei ik.

—Ja, dat kan ik, dat heeft men mij beloofd, maar dat duurt nog twee jaar, en misschien nog langer, en wat dat zeggen wil, twee zulke jaren, als iemand dàt eens weten kon! Stel u het leven met dien Pavel Dmitrijewitsch voor: kaartspel, grove grappen, drinkgelagen... Ge wilt zeggen wat u het hart beklemt, en niemand begrijpt u of ge wordt zelfs nog uitgelachen. Men spreekt niet tot u om u tot deelgenoot van een gedachte te maken, doch alleen om u, zoo mogelijk, tot een zotskap te vernederen. En dat alles is zoo gemeen, zoo grof, zoo hatelijk en ge gevoelt aldoor dat ge tot het lagere personeel behoort—men laat u dat altoos voelen. Daarom kunt ge ook niet begrijpen, welk een genot het is à coeur ouvert[50] te spreken, met een man zooals gij.

Ik begreep in 't geheel niet, wat voor een mensch ik dan wel was, en daarom wist ik ook niet, wat ik hem zou antwoorden.

—Wilt u wat eten? vroeg Nikita mij juist op dit oogenblik; hij was ongemerkt in de duisternis naar mij toegeslopen en naar ik merkte, was hij niet in zijn humeur over de aanwezigheid van een gast.—Er zijn alleen nog maar piroggen en wat gehakt.

—Heeft de kapitein al gegeten?

—Ze slapen al lang, antwoordde Nikita norsch.

Toen ik hem beval wat eten en wat drank hierheen te brengen, bromde hij in zijn baard en ging met sleepende treden naar de hut. Daar bleef hij aan 't brommen, maar bracht ons toch een koffer; op dien koffer zette hij een licht, dat hij te voren met papier tegen den wind beschut had, een kleine pan, mosterd, een kelk, een blikken beker met een handvat en een flesch vermouth. Nadat Nikita dat alles klaargezet had, bleef hij nog een poos bij ons staan en zag hoe Guskoff en ik den drank aanspraken, wat hem blijkbaar zeer onaangenaam stemde. Bij den matten schijn, dien de kaars door het papier wierp, en de duisternis, die ons omgaf, zag men slechts het zeehondenleer, waarmee de koffer overtrokken was, het avondeten, dat daarop stond, Guskoffs gezicht, zijn pelsjas en zijn kleine, roode handen, die de piroggen uit de pan namen. Rondom ons was alles zwarte nacht en alleen als men scherp tuurde, kon men de zwarte batterij onderscheiden, de zwarte gedaante van den schildwacht op de borstwering, ter zijde de brandende wachtvuren en boven ons de roodschemerende sterren. Guskoff glimlachte nauw merkbaar, droefgeestig en beschaamd, als stemde het hem onbehagelijk mij na zijn bekentenis in de oogen te zien, hij dronk nog een glaasje en at gretig, schrapte zelfs de pan uit.

—Ja, voor u is het toch altijd nog een verlichting, zeide ik, (om toch iets te zeggen) dat ge den adjudant kent; ik heb gehoord, dat hij een goed mensch is.

—Ja, antwoordde de gedegradeerde, hij is een aardig mensch, maar meer kan hij niet zijn, hij kan geen mènsch zijn—en van iemand van zijn opvoeding kan men dat ook niet verlangen. Hij scheen plotseling te blozen.

—Hebt gij zijn grove scherts over die hinderlaag gehoord? en, hoewel ik verscheidene malen beproefde dat gesprek af te breken, begon Guskoff zich voor mij te rechtvaardigen, en mij uiteen te zetten, dat hij niet van zijn post weggeloopen was en dat hij geen lafaard was, zooals de adjudant en Sch. hadden laten doorschemeren.

—Zooals ik u gezegd heb, vervolgde hij, zijn handen aan zijn pelsjas afvegend, zulke lieden verstaan de kunst niet, zacht met iemand om te gaan, met een gewoon soldaat, die geen geld heeft; dat gaat boven hun krachten. En in den laatsten tijd, nu ik sinds vijf maanden, waarom weet ik niet, niets van mijn zuster gekregen heb, heb ik gemerkt, hoezeer hun houding tegenover mij veranderd is. Deze pelsjas, die ik van een gewoon soldaat gekocht heb, en die niet verwarmt, omdat hij geheel afgesleten is (hierbij liet hij mij den kalen schoot ervan zien) boezemt hun geen medelijden of achting in, maar verachting, en zij zijn niet in staat dat te verbergen. Mijn nood moge al nòg zoo groot zijn, zooals nu, nu ik niets te eten heb dan soldatenkost en niets om aan te trekken, vervolgde hij met neergeslagen oogen en goot nog een glaasje vermouth naar binnen, het komt niet in hem op, mij geld aan te bieden en hij weet toch dat ik het hem teruggeef. Hij wacht totdat ik, in mijn ellendigen toestand, het hem vragen moet. En ge kunt begrijpen, hoe zwaar mij dat valt, vooral aan hem. U bijv. durf ik dat heel goed openhartig zeggen: vous êtes au-dessus de cela, mon cher, je n'ai pas le sou.[51]

—En weet ge, zei hij en zag mij plotseling met een blik vol vertwijfeling in de oogen—ik zeg het u openhartig: ik ben nu in een verschrikkelijke positie: pouvez-vous me prêter 10 roubles argent?[52] Mijn zuster moet me met de eerstvolgende post wel wat zenden, et mon père.[53]....

—Wel zeker, met veel genoegen! zeide ik, hoewel het mij integendeel uiterst onaangenaam en krenkend was, vooral omdat ik daags te voren bij het kaarten verloren had en zelf niet meer dan vijf roebel en eenige kopeken bij Nikita had staan.—Dadelijk, zei ik, en stond op, ik ga even naar mijn tent om ze te halen.

—Neen, later, ne vous dérangez pas.[54]

Ik luisterde echter niet naar hem en kroop in de toegebonden tent, waar mijn bed stond en de kapitein sliep.

—Alexeï Iwanitsch, wees zoo goed en geef me tien roebel tot den dag van het traktement, zei ik en schudde hem wakker.

—Wel, komt ge weer te kort? En gisteren hebt ge nog verklaard niet meer te zullen spelen? zei de kapitein, nog half slapend.

—Neen, ik heb niet gespeeld, ik heb het voor wat anders noodig, toe, geef ze me.

—Makatjuk! riep de kapitein zijn oppasser toe, krijg het geldkistje en breng het hier.

—Zachter, zachter! zei ik. Ik hoorde dicht bij de tent den gelijkmatigen pas van Guskoff.

—Wat?... waarom zachter?

—De gedegradeerde heeft ze me te leen gevraagd en die loopt daar buiten.

—Als ik dat geweten had, had ik ze niet gegeven, merkte de kapitein op. Ik heb van hem gehoord, die knaap is een der grootste losbollen!—Maar de kapitein gaf me het geld toch, beval het geldkistje weg te zetten, de tent goed te sluiten, herhaalde nogmaals:—Als ik het geweten had, zou ik ze niet gegeven hebben, en trok de deken over het hoofd.—Nu zijt ge me 32 roebel schuldig, vergeet dat niet! riep hij me na. Toen ik uit de tent kwam, liep Guskoff bij het bankje op en neer, en zijn kleine gestalte met de kromme beenen en de afschuwelijke muts met de lange, witte haren kwam telkens uit de duisternis te voorschijn, wanneer hij voorbij de kaars kwam. Hij deed of hij mij niet zag. Ik gaf hem het geld. Hij zei merci, frommelde het biljet in elkaar en stak het in zijn broekzak.

—Nu zal het spel bij Pavel Dmitrijewitsch, dunkt me, wel in vollen gang! begon hij onmiddellijk daarop.

—Ja dat denk ik ook.

—Hij speelt merkwaardig, altijd à rebours[55] en nooit weigert hij een verdubbeling van den inzet; lukt het, dan is dat goed en wel, maar lukt het niet, dan kan men er vreeselijk veel geld mee verspelen. Dat heeft hij trouwens ondervonden. In dezen veldtocht heeft hij, als men goed narekent, meer dan vijftien honderd roebels verloren. En hoe gematigd heeft hij vroeger gespeeld, zoo zelfs dat die officier daareven aan zijn eerlijkheid scheen te twijfelen.

—Ja, hij kan zoo.... Nikita, hebben we geen wijn meer? zei ik en voelde mij zeer verlicht door Guskoffs woordenstroom. Nikita bromde nog altoos, maar bracht ons toch den wijn en zag woedend toe dat Guskoff zijn glas ledigde. In Guskoffs houding was zijn vroegere onbevangenheid weer te merken. Ik had gewenscht, dat hij zoo snel mogelijk heengegaan zou zijn en had het gevoel, alsof hij dat juist niet deed, omdat hij zich schaamde weg te gaan, dadelijk nadat hij het geld gekregen had. Ik zei geen woord.

—Hoe is het mogelijk dat gij, een vermogend mensch, zoo zonder eenige noodzaak, de gaieté de coeur,[56] het besluit genomen hebt, in den Kaukasus dienst te nemen? Ziet ge, dat begrijp ik niet, zeide hij.

Ik deed me best dien stap te rechtvaardigen, dien hij zoo opvallend vond.

—Ik kan me denken, hoe zwaar ook u den omgang met deze officieren moet vallen, met deze menschen, die zelfs geen idee van beschaving hebben. Het is niet mogelijk, dat ze voor iemand als u iets voelen. Al bleeft ge tien jaar lang hier, ge zoudt toch niets anders zien en hooren dan kaarten, wijn en gesprekken over onderscheidingen en veldtochten.

Het deed me onaangenaam aan, dat hij verlangde dat ik het met zijn beweren eens zou zijn en ik betuigde hem, volkomen oprecht, dat ik zeer veel hield van kaarten, wijn en gesprekken over veldtochten. Maar hij wilde me niet gelooven.

—Och, dat zegt ge zoo maar, ging hij voort. En het gemis van vrouwen, d.w. ik bedoel femmes comme il faut,[57] is dat niet een verschrikkelijke ontbering? Ik weet niet wat ik er niet voor zou geven, als ik me een oogenblik in een salon kon verplaatsen en, al was het ook maar door een kiertje van een deur, een bekoorlijke vrouw kon zien.

Hij zweeg een oogenblik en dronk nog een glas wijn.

—Ach God! ach God! Misschien hebben we nog eenmaal het geluk, elkaar in Petersburg bij menschen te ontmoeten, bij menschen, met vrouwen om te gaan en te leven. Hij dronk het laatste restje wijn uit de flesch en zei toen:—O, pardon, misschien hadt gij nog willen drinken, ik ben vreeselijk verstrooid. Ik geloof, dat ik te veel gedronken heb, et je n'ai pas la tête forte.[58]

Er was een tijd dat ik op de Marskaja (te Petersburg) woonde au rez-de-chaussee,[59] ik had daar een wondermooie, kleine woning, mijn eigen meubels, moet ge weten, ik verstond de kunst me behoorlijk in te richten, zonder dat het mij buitensporig veel geld kostte. Trouwens, mijn vader gaf mij porcelein, bloemen en wondermooi zilvergoed. Le matin je sortais[60], bezoeken afleggen; à 5 heures regulièrement[61] reed 's middags naar haar toe, vaak was ze alleen. Il faut avouer que c'était une femme ravissante.[62] Hebt ge haar niet gekend, in 't geheel niet?

—Neen.

—Weet ge, ze was vrouwelijk in de hoogste mate, teeder, en haar liefde!.... Och, lieve hemel! Ik heb toen dat geluk niet op de rechte waarde geschat. Na afloop van de schouwburgvoorstelling keerden wij vaak samen naar huis terug en soupeerden dan. Nooit heb ik mij bij haar verveeld, toujours gaie, toujours aimante.[63] Ja, ik had er geen flauw vermoeden van, wat een zeldzaam geluk dat was. Et j'ai beaucoup à me reprocher envers elle. Je l'ai fait souffrir et souvent,[64] ik was wreed. Ach, wat was dat een heerlijke tijd. Verveel ik u?