132. Straffen—bestraffen—tuchtigen—kastijden.

Iemand doen boeten voor bedreven kwaad.

Straffen zegt dit in het algemeen, dus zonder nadere aanduiding. De dief werd met 3 jaren gevangenis gestraft.

Bestraffen zegt, dat alleen een berisping (een afkeuring in woorden) wordt toegediend, en heeft dus betrekking op mindere vergrijpen. Voor zijn lichtzinnig gedrag liep hij een bestraffing op.

Tuchtigen en kastijden hebben de bijgedachte, dat men den gestrafte wil verbeteren. Tuchtigen stelt de verbetering evenwel zoo goed als onmogelijk voor en is dus min of meer een wraakneming, terwijl kastijden den gestrafte wel voor verbetering vatbaar acht. Bovendien doet kastijden vooral aan lichamelijke straf denken. De roofzuchtige Kafferstammen werden door de Boeren meermalen getuchtigd.—De vader kastijdde den ongehoorzamen knaap.


De overtreder wordt met een geldboete —.

Wie wèl bemint, — zijn kind.

De bediende ontving voor zijn onvoorzichtigheid een welverdiende —.

Sommige monniken — zich.

Karel de Vijfde deed een tocht naar Algiers om de zeeroovers te —.

Hij is voor zijn misdaad reeds zwaar genoeg —.

133. Smart—verdriet—hartzeer—leed.

Pijnlijke gemoedsaandoening.

Smart is het pijnlijke gevoel, dat ons plotseling treft en hevig aandoet. De smart der ouders bij het vernemen van den dood van hun kind is niet te beschrijven. (In letterlijken zin beteekent smart: lichamelijke pijn, maar wordt niet veel meer gebruikt.)

Verdriet is de onaangename stemming, die zich van ons meester maakt, wanneer het een of ander onzen geest kwelt; het ziet dus meer op een smart van langer duur. De ouders hadden veel verdriet van hun zoon (hij paste n.l. slecht op, en dit kwelde hen voortdurend).

Is het verdriet nog heviger, zoodat ons lichaam er onder lijdt, dan spreekt men van hartzeer; hoewel dus sterker dan verdriet, wordt het minder openlijk geuit, ja meestal in 't verborgen gedragen. Uit hartzeer over het slechte gedrag van zijn zoon is de vader aan een uitterende ziekte gestorven.

Leed is het kwaad, dat ons smartelijk treft, hetzij doordat het onze hoop teleurstelt, of ons met rouw vervult; het doet ons dus korter of langer tijd lijden. Moge God U voor dat leed bewaren (bijv. het verlies van een kind).


In diepe — stonden de nabestaanden om het lijk geschaard.

Van — over het verlies van zijn goeden naam is hij gestorven.

Het deed hem innig —, dat hij op de begrafenis niet tegenwoordig kon zijn.

Met — hebben wij den dood van onzen vriend vernomen.

Hij is sedert eenigen tijd zeer neerslachtig; men kan duidelijk zien, dat hij — heeft.

Het —, dat men den gevangen vrouwen aandeed, is te onmenschelijk om het te beschrijven.

Met stille berusting droeg hij het —, dat hem wedervoer.

Hoezeer zijn binnenste door — verteerd werd, liet hij niets van zijn nameloos — blijken.

Het huwelijk met dien eerloozen bedrieger werd haar een bron van —.

134. Behoedzaam—voorzichtig—omzichtig.

Met overleg te werk gaande, om gevaar (schade) te vermijden.

Behoedzaam duidt aan, dat men in gevaarlijke omstandigheden op zijn hoede is om zich voor schade te vrijwaren. Men zorgt zooveel mogelijk alles te voorkomen, wat het gevaar kan doen toenemen, terwijl men gereed is om, mocht het gevaar ons naderen, het zooveel doenlijk af te weren. Behoedzaam, met het geladen geweer in de hand, naderde hij het hol van den leeuw.

Voorzichtig wijst aan, dat men zooveel mogelijk alle gevaren voorziet, die zouden kunnen ontstaan; daardoor kan men zijn handelingen zóó richten, dat men het gevaar tracht te ontgaan. Hij was voorzichtig genoeg om zich niet terstond door een belofte te verbinden. Gij moet het voorzichtig behandelen, d.i. alle voorzorgen in acht nemen, dat het voorwerp niet breekt.

Omzichtig is hij, die te midden van gevaren naar alle kanten om zich ziet, of er soms gevaar dreigt. Het heeft dus eenigszins de beteekenis van behoedzaam, maar het is nog sterker.

De voorzichtige berekent vooraf de kansen, de behoedzame is zelden voortvarend, de omzichtige is vaak wantrouwend. (Verklaar de eigenschappen!)


De dief was — genoeg, om zich vooraf een masker voor te doen; hij liep — den tuin door om op alle verdachte geluiden te letten, en eindelijk klom hij — het venster binnen.

Er waait een gure wind; gij moogt dus wel — zijn en u warm aankleeden.

Bij het kiezen van uw vrienden moet gij — te werk gaan.

Wij hebben de weduwe — den dood van haar echtgenoot medegedeeld.

De sluipmoordenaar naderde — zijn slachtoffer, om hem niet te wekken.

In gevaarvolle tijden is een — leidsman noodig.

De orang-oetan klimt meestal langzaam en —, maar tevens met groote zekerheid. Wil hij van den eenen boom in den anderen komen, dan slingert hij zich er — heen.

135. Altijd—altoos—steeds—immer—gedurig.

Wat zonder ophouden of uitzondering geschiedt.

Altoos en altijd zeggen dit zoowel van het verledene als van het toekomende: Hij is altijd een braaf man geweest en zal het altoos blijven. Hoewel beide woorden meestal geheel zonder onderscheid in beteekenis voor elkander gebruikt worden, schijnt altoos meer het begrip van herhaling, en altijd dat van voortduring aan te duiden. Ik heb dien hond wel twintigmaal weggejaagd, maar hij komt altoos weer terug. Ik zal u altijd dankbaar blijven. Bovendien begint altoos meer en meer uit de schrijftaal te verdwijnen; zelfs in de spreektaal komt het niet meer zoo vaak voor.

Evenals altijd ziet ook steeds op een onafgebroken voortduring zoowel in 't verleden als in de toekomst. Hoewel het in spreektaal gewoonlijk en in de schrijftaal vaak door altijd vervangen wordt, is het toch iets sterker dan altijd. Het is n.l. met de bijwoordelijke s afgeleid van 't oude bijv. nw. stede (verwant met stad), dat vast, bestendig beteekende. Vandaar geeft steeds een onafgebroken voortduring te kennen, die van standvastigheid, bestendigheid, duurzaamheid getuigt, en wordt dus bij voorkeur in goeden zin gebezigd. Hij was mij steeds getrouw (niet bijv.: steeds ontrouw). Dit is dus iets sterker dan: Hij was mij altijd getrouw, daar steeds de bestendigheid nog sterker doet uitkomen.

Immer ziet uitsluitend op de toekomst en duidt dan (sterker nog dan altijd) een onafgebroken voortduring der werking aan: Ik zal u immer getrouw blijven.

Gedurig duidde oorspronkelijk óók het begrip van onafgebroken voortduring aan, maar beteekent thans meer een herhaling der werking en is dan minder sterk dan altoos. Hij komt gedurig hier.

Wij zien dus, dat met uitzondering van gedurig in zijn tegenwoordige beteekenis het woord altijd in alle gevallen kan gebruikt worden. Denk daaraan bij de volgende zinnen.


Ik heb het hem wel honderdmaal verboden en toch doet hij het — weer.

Ik zal mijn woord — gestand doen.

Ik vind het vervelend, dat hij mij — lastig komt vallen.

In dien storm heb ik — aan u gedacht.

Men moet — zijn plicht doen.

Als gij zoo kort in de buurt komt wonen, moet gij mij — eens opzoeken.

Ofschoon ik u ga verlaten, zal ik toch — aan u denken.

Als ik hem iets vraag, geeft hij mij — een norsch antwoord.

Hij vatte — weer het plan op, om uit de gevangenis te vluchten.

Ik heb het — wel gezegd, dat hij niet te vertrouwen is.

De koning was — door een drom laaghartige vleiers omringd.

136. Intrekken—afschaffen—herroepen.

Een bestaande verordening of gewoonte te niet doen.

Geschiedt de tenietdoening door een bepaald persoon of door de overheid, dan gebruikt men intrekken of herroepen, terwijl afschaffen aanduidt, dat vooral de veranderde tijdsomstandigheden veel invloed op het te niet doen uitoefenen. Men gebruikt daarom afschaffen vooral van gebruiken, gewoonten of instellingen, die verouderd zijn. De Oudhollandsche kermis wordt meer en meer afgeschaft. Daarentegen gebruikt men intrekken en herroepen van wetten, besluiten, woorden, enz., waarbij een bepaalde persoon betrokken is. Herroepen onderstelt vaak (niet altijd) een dwang van anderen, terwijl intrekken meer een handeling uit eigen beweging aanduidt; bovendien wordt intrekken steeds gebezigd van voorstellen, die nog niet tot wet verheven zijn. Herroepen wijst er op, dat iets vroeger is uitgeroepen, luide verkondigd, wat intrekken niet onderstelt. Hij moest zijn lasterlijke beschuldiging openlijk herroepen. Bij de troonsbestijging van Karel II werd de Acte van Seclusie ingetrokken. (Zij was vroeger in 't geheim uitgevaardigd, niet openlijk afgekondigd.)


Na de bevrijding van de Fransche overheersching werd de censuur weer —.

Men wilde hem dwingen zijn leerstellingen te —.

De voorgestelde wet op het lager onderwijs zal worden —.

Het zoogenaamde „plukgeld” (opcenten bij verpachtingen) is reeds in vele streken —.

Uit eigen beweging heeft hij zijn lasterlijke woorden —.

Door den graaf werden bij de aanvaarding van zijn regeering verscheidene privilegies —.

Men dwong den lasteraar openlijk zijn beschuldiging te —.

Na de — van het Edict van Nantes kwamen zich hier vele vluchtelingen vestigen.

Bij de komst der Franschen werd de pijnbank —.

De hinderlijke bepalingen op het wielrijden werden —.

137. Achteloos—onachtzaam—onoplettend—slordig.

De noodige zorg missende.

Achteloos en onachtzaam geven aan, dat men op zijn zaken of plichten niet voldoende acht geeft; onachtzaam slaat op een bepaald geval, op een fout, terwijl achteloos op een gewoonte, een gebrek wijst. Uit onachtzaamheid stiet hij het glas van de tafel. Van iemand, die zoo achteloos als hij is, kan men geen degelijk werk verwachten.

Onoplettend is hij, die niet opmerkzaam is op hetgeen hij doen moet; hij heeft zijn aandacht niet bij de zaak en loopt er te vluchtig over heen. Als hij zoo onoplettend werkt, zal hij zich voortdurend vergissen.

Is iemand achteloos uit traagheid of onordelijkheid, zoodat hij zijn zaken niet voldoende behartigt, dan noemt men hem slordig; het is nog sterker dan achteloos. Deze ontvanger is een slordig administrateur: zijn boeken zijn nooit in orde.


Als gij zoo — met uw geldzaken zijt, zult gij spoedig arm zijn.

De cipier was zoo —, dat de gevangene gemakkelijk kon ontsnappen.

Het is geen wonder, dat hij zijn zaken weer in de war heeft gestuurd; hij is er — genoeg voor.

Uit zijn — kleeding blijkt voldoende, dat hij — van aard is.

Hij heeft zoo — toegezien, dat hij niet eens mijn heengaan bemerkte.

Waarom zijt gij zoo — geweest, dat gij bij uw vertrek de deur niet hebt gesloten?

138. Afgunst—wangunst—nijd—naijver.

Leedgevoel over het geluk van anderen.

Naijver drukt dit het zachtst uit; het onderstelt dat men mededingers heeft, die men voorbij wil streven. In zijn naijver op den bijval, dien zijn kunstbroeders inoogstten, liet de clown zich tot een gevaarlijken sprong in den circus verleiden.

Afgunst duidt aan, dat men aan een ander niet gunt, wat hij bezit of ontvangt, terwijl wangunst bovendien te kennen geeft, dat men hetgeen een ander ten deel valt, zelf wenscht te bezitten.

Nijd is nog sterker dan wangunst; het wijst aan, dat iemands welvaart oorzaak is, dat men hem óók nog een kwaad hart toedraagt. (Vergelijk: broodnijd!)

Hoe hooger hij in de gunst des konings steeg, hoe meer hij daardoor de afgunst der overige hovelingen opwekte. Sterker zou in dezen zin nijd zijn, immers dan duidde men aan, dat de hovelingen hem ook vijandig gezind waren en hem misschien wel ten val zochten te brengen. Wangunst zou gebruikt moeten worden, als de hovelingen in zijn plaats wilden komen.


De kleine Willem was boos, dat zijn zusje van haar peettante een mooie pop gekregen had; uit — greep hij de pop af en wierp ze in het water.

Uit — over de toenemende klandizie van zijn concurrent ging de winkelier hem van vervalsching der waren betichten.

Uit — sloeg hij al zijn waren in prijs af, om zijn concurrent diens klanten afhandig te maken.

De onderlinge —, die er tusschen de groote mogendheden bestaat, is voor de kleine staten een der voornaamste waarborgen hunner zelfstandigheid.

139. Laken—berispen—gispen—vitten—bedillen.

Een afkeurend oordeel vellen.

Laken zegt, dat iets onvoorwaardelijk is af te keuren en heeft hoofdzakelijk betrekking op handelingen, niet op de personen zelf. Zijn onbetamelijk gedrag werd door ieder gelaakt.

Berispen heeft de bijgedachte, dat een meerdere zijn mindere diens verkeerde handelingen onder 't oog brengt en hem in afkeurende woorden daarover bestraft; het wordt dus van de personen zelf gezegd. De onderwijzer berispte den leerling over het slordige werk.

Gispen (d.i. met een gisp of roede slaan) geeft te kennen, dat men in scherpe bewoordingen iemands handelingen afkeurt of hekelt. Het opzettelijk beleedigen van den gezant, waartoe de minister zich had laten verleiden, werd door de vredespartij streng in hem gegispt. (Het komt hoofdzakelijk alleen in de schrijftaal voor.)

Bedillen wijst aan, dat men op iemands doen en laten kleingeestige aanmerkingen maakt uit zekere zucht om zich met alles te bemoeien. Zijn afkeurende critiek behoeft gij u niet aan te trekken: hij staat algemeen bekend als iemand, die iedereen wil bedillen.

Ontstaat de afkeuring uit afgunst en ontaardt zij in een breed uitmeten van allerlei nietigheden of kleine gebreken, dan spreekt men van vitten. Ik had wel gedacht, dat hij op dit boek zou gaan vitten: hij is jaloersch op den opgang, dien het maakt.


Het valt zonder twijfel in hem te —, dat hij zijn ouders niet beter ondersteunt.

De klerk had een paar kantoorgeheimen verklapt, en werd daarover door zijn patroon ernstig —.

Mijn buurman is het nooit naar den zin te maken; hij wil iedereen — en heeft op alles wat te —.

In zijn rede heeft deze spreker de weifelende houding van het bestuur ernstig —.

De minister wilde den ambtenaar nog niet terstond ontslaan, maar heeft hem eerst openlijk —.

Als gij zoo gaat —, begrijpt iedereen, dat wangunst u drijft.

140. Bedaard—rustig—bezadigd—kalm.

De toestand, waarin de hartstochten geen heerschappij voeren.

Rustig is hij, die weinig beweging maakt, die niet opgewonden is, die zoowel innerlijk als uiterlijk rust geniet; hij acht zich geheel veilig en leeft in dat bewustzijn stil voort. Een rustige slaap; een rustig leven.

Wie bezadigd is, windt zich niet spoedig op; de omstandigheden hebben weinig invloed op zijn gemoedstoestand; hij is in staat rustig over de zaken na te denken en laat zich niet door zijn hartstocht verblinden. Hij heeft in een bezadigd artikel zijn meeningen uiteengezet, zoodat zelfs zijn tegenpartij het met waardeering bespreekt.

Kalm doet denken aan het water, dat niet door storm opgezweept of bewogen wordt. Het duidt een rustige gemoedsgesteldheid aan als gevolg van het zwijgen der hartstochten, zoodat alle heftigheid verre blijft. Hij ontsliep zacht en kalm (d.i. zonder heftigheid van den doodstrijd). Hij dacht kalm na, over hetgeen hem na die ramp te doen stond.

Bedaard is hij, die evenals de natuur na een storm of onweer tot rust gekomen is, bij wien de hartstochten hebben uitgewoed; alle heftigheid is voorbij, zijn uiterlijk en zijn doen teekenen rust. In een vloed van scheldwoorden gaf hij zijn gemoed lucht; daarna wandelde hij bedaard verder. Mijn oom is nu een bedaard mensch, maar vroeger was hij altijd druk en opgewonden.—Soms wijst bedaard niet op een voorafgaande heftigheid, doch drukt men er mee uit, dat iemand op bewonderenswaardige wijze zijn hartstochten weet te bedwingen. Hij hield zich bedaard, hoezeer het in hem kookte. (Kalm is hier niet op zijn plaats; de hartstocht der woede immers beroerde wel degelijk zijn gemoed; kalm was hij dus niet, maar wel bleef hij bedaard.)

Wat is nu het verschil tusschen deze zinnen: „Kalm hoorde hij de beleediging aan” en „Bedaard hoorde hij de beleediging aan”?


De zieke genoot een — slaap.

Ik heb hem als een — man leeren kennen, hoezeer men hem als een vurig ijveraar had afgeschilderd.

In die — omgeving zal hij wel spoedig — worden.

Als gij u — houdt, wil ik u alles mededeelen, wat hij heeft gezegd.

In den politieken strijd laat men zich licht opwinden, en toch is het noodig, dat men — blijft om — over zijn tegenpartij te kunnen oordeelen.

Zijn hoonende woorden griefden mij zóó, dat het mij moeite kostte — te blijven.

Gij moet een — en — leven leiden, of uw kwaal zal spoedig verergeren.

Toen de leeuw zijn vervolgers bemerkt had, liet hij een doordringend gebrul hooren; daarna wachtte hij — hun nadering af.

141. Barst—scheur—spleet—kloof.

De verbreking van den onderlingen samenhang.

Barst duidt aan, dat er wel een scheiding tusschen de deeltjes bestaat, maar dat er nog geen zichtbare opening is; de bedoelde scheiding kan zelfs tot een kleine oppervlakte beperkt blijven. Een barst in een glas.

Worden de deelen door scheuren, d.i. door een zekere kracht vaneen getrokken, dan ontstaat een opening, een scheur: een scheur in een jas; een scheur in het ijs.

Is de opening door splijten ontstaan, dus door grooter krachtsaanwending dan scheuren, dan spreekt men van spleet; een spleet is dus grooter, wijder dan een scheur. Een diepe spleet in de rots.

Kloof geeft te kennen, dat de opening wijd is en gaapt: een breede rotskloof.

Scheur zegt men van harde, zoowel als van zachte stoffen: een scheur in glas, in linnen, in hout, in den kleigrond; kloof en spleet alleen van harde voorwerpen (rotsgronden), terwijl barst gebruikt wordt van harde, maar toch broze stoffen: glas, ijs; dus niet van papier, linnen, enz.


Kijk eens goed, ik geloof, dat er in dit mooie glas een — is.

Het ijs toonde wel eenige —, maar het was toch wel te berijden.

De — in het ijs zal men van nacht moeten volgieten.

De japon bleef aan een spijker haken en kreeg een leelijke —.

De berg zat vol overlangsche —.

De vluchteling verschool zich in een diepe —.

De muur van dit huis vertoont bedenkelijke —.

Ik meen aan den klank te hooren, dat de groote torenklok een — heeft.

142. Ambacht—beroep—bedrijf—handwerk—nering.

Al deze woorden worden gebruikt, om een kostwinning aan te duiden.

Beroep is het algemeenst en tevens de vereerendste uitdrukking; het sluit het bijdenkbeeld in, dat men er voor geleerd of gestudeerd heeft en door een benoeming of aanstelling als 't ware er toe geroepen is. Het ziet meer op geestes- dan op handenarbeid. Advocaat, dokter, onderwijzer hebben dus een beroep. (Zie ook 143.)

Ambacht, bedrijf en handwerk duiden meer lichamelijken arbeid aan. Bij handwerk denkt men aan arbeid, die door de handen wordt verricht en waarbij het vooral op kracht en vaardigheid aankomt: houtzagen, klompenmaken, nettenbreien.—Ambacht onderstelt, dat men een zekere bekwaamheid bezit, die men door oefening of nadenken langzamerhand heeft verkregen; ook omvat het meer verscheidenheid van werkzaamheden; men moet het leeren en het staat dus hooger dan handwerk.—Een bedrijf onderstelt een arbeid, die verscheidene verwante zaken omvat, bijv. het boerenbedrijf.

Nering ziet op een kostwinning, die door handel wordt verdiend, zooals bijv. bij kruideniers.

Soms heeft beroep ook de ruimere beteekenis van ambacht, nering, enz.; bijv.: hij is van beroep timmerman. In dit geval wordt de kostwinning, die wij hierboven een beroep noemden, een ambt geheeten. (Zie no. 143.)


Zeg nu, wie der volgende personen een ambacht, beroep, bedrijf, handwerk of nering uitoefent: een notaris, een smid, een stratenmaker, een theehandelaar, een aannemer, een sigarenmaker, een bloemist, een fabrikant van diamanten.

143. Ambt—waardigheid—bediening—post.

Maatschappelijke betrekkingen, waartoe men door de bevoegde macht is aangesteld.

Ambt onderstelt, dat voor de betrekking een zekere mate van kennis en ervaring noodig is en waarvoor men dus meestal een examen moet hebben afgelegd; men wordt in elk geval door de overheid of bevoegde macht toe benoemd.—Bediening, hetwelk oorspronkelijk aanduidt, dat men als ondergeschikte in iemands dienst staat, heeft nu een meer verheven beteekenis en wordt hoofdzakelijk van een predikant gezegd, hoewel ook deze een ambt bekleedt, n.l. het predikambt.—Bij het woord waardigheid denkt men vooral aan de eer en het aanzien, die aan de betrekking verbonden zijn: een minister, een commissaris der Koningin bekleeden een waardigheid.—Post ziet meer op een betrekking, waarbij het vooral op vertrouwen aankomt. Toch wordt het vaak geheel gelijk met ambt genomen: Hij bekleedde jarenlang een eervollen post. Soms stelt het ook het voordeelige van een betrekking op den voorgrond: Een vette post.


Een griffier bekleedt een —.

De voorzitter der Staten-Generaal bekleedt een —.

De Rijksontvanger bekleedt een — of —.

De predikant neemt een — waar of bekleedt een —.

De familie-regenten schonken alle voordeelige — aan hun verwanten. (Waarom hier niet waardigheid of ambt?)

De notaris werd uit zijn — ontzet.

Aan den Prins werden alle — zijner voorvaderen erfelijk opgedragen.

144. Wachten—verwachten—afwachten—verbeiden.

Op dezelfde plaats of in denzelfden toestand blijven, totdat iets gebeurt.

Wachten geeft dat blijven op dezelfde plaats zonder nadere aanduiding aan. Ik wachtte voor het hek, tot de trein voorbij was.

Verwachten onderstelt, dat men met zekere belangstelling (verlangen, vrees) uitziet, naar hetgeen gebeuren zal en dat men daarop min of meer stellig rekent. Ik verwacht ieder oogenblik mijn vader. Ik verwacht een ongeluk.

Verbeiden drukt hetzelfde uit, maar geeft tevens nog aan, dat men met innig verlangen de gebeurtenis tegemoet ziet; het behoort alleen tot den deftigen stijl. De langverbeide dag was eindelijk gekomen. (Waarom kan men dus niet zeggen: De langverbeide ramp was eindelijk gekomen?)

Bij afwachten denkt men aan wachten, tot iets komt of iets gebeurt en wel met eenige zekerheid. Wanneer men een bezoek afwacht, wacht men zonder iets anders te doen, totdat de bezoekers komen, om op dat oogenblik gereed te zijn en hen naar behooren te ontvangen. Verwacht men bezoek, dan ziet men gedurig (met belangstelling) eens uit, of de gasten komen, terwijl men op hun bezoek rekent, door zich bijv. behoorlijk te kleeden, maar men blijft niet (zooals bij afwachten) op hen zitten wachten, daar men niet volkomen zeker van hun komst is.—Afwachten wijst, figuurlijk gebruikt, op een geduldig wachten tot het einde toe, terwijl verwachten meer op het vooruitzien zelf slaat. Gij moet altijd kalm den uitslag afwachten: dikwijls is hij gunstiger, dan gij hadt durven verwachten.

Ook heeft afwachten soms de beteekenis van zich laten welgevallen of verdragen: Uw bevelen verkies ik niet af te wachten.


Laten wij hier zoolang —, tot de bui overgetrokken is.

Laten wij hier de bui —, wij blijven er droog.

Hoelang hebt gij op mij —?

O zaal'ge stond, zoo lang —!

De stoutmoedige jager waagde het, de nadering van den leeuw kalm —.

Ik had —, dat hij boos op mij zou zijn.

Heel het volk — de ure, die de verlossing brengen zou.

Eens voor al gezegd: ik wil geen complimenten —.

Gij kunt gerust komen, ik zal uw bezoek gaarne —.

Toen ik daar op den trein stond te —, om de komst van den vorst —, had ik niet —, dat uw broer er ook zijn zou.

145. Afkeeren—afleiden—afwenden—aftrekken.

Van richting doen veranderen.

Afkeeren onderstelt, dat de richting veranderd wordt, doordat men het naderende voorwerp weet te doen keeren, d.i. draaien in tegengestelde richting. Ook wenden beteekent wel keeren of draaien, maar meer in een zijdelingsche richting. Een gevaar afkeeren wil dus zeggen: maken, dat het zich weer in tegengestelde richting van ons verwijdert, of dat het teruggaat; het gevaar afwenden beteekent: het gevaar een andere, zijdelingsche richting geven, zoodat het niet ons, maar mogelijk wel een ander treft. Afkeeren, dat dus een rechtstreeksch optreden, een afdoenden maatregel onderstelt, is derhalve sterker dan afwenden; hierbij toch blijft feitelijk het gevaar bestaan.

Afleiden is ook wel een andere richting aan iets geven, doch wijst een langzame, bijna ongemerkte richting aan; de beweging blijft wel bestaan, doch men leidt ze, zooals men ze verlangt. Toen zij in haar onderhoud die onaangename zaak dreigde aan te roeren, wist hij behendig het gesprek daarvan af te leiden.

Aftrekken is sterker dan afleiden; het wijst niet alleen aan, dat de richting geheel wordt verlaten, maar ook, dat dit met meer of minder kracht geschiedt. (Denk aan trekken!) Hij heeft zich van de wereld afgetrokken, om zich aan godsdienstige overpeinzingen te wijden.


Het gevaar voor een vijandelijken inval werd —, doordat de regeering de grenzen geducht liet versterken.

Het gevaar, dat ons huis door de vlammen zou worden aangetast, werd —, doordat de wind draaide.

Mijn aandacht werd door dit tooneel zoo —, dat ik niet meer op mijn gezelschap lette.

Om verdere overstrooming te voorkomen, zal men een een gedeelte van het rivierwater —.

Gij moet trachten zijn treurige gedachten wat —.

Na zooveel ondankbaarheid van zijn gunsteling te hebben ondervonden, heeft de vorst zich geheel van hem —.

Het voetvolk — den aanval der ruiterij af, doch hiermee was alle gevaar voor het leger niet —.

146. Afschrijven—naschrijven—overschrijven—uitschrijven.

Een afschrift maken of copiëeren.

Bij afschrijven denkt men aan het maken van afschriften van belangrijke geschreven of gedrukte stukken; naschrijven wijst aan, dat gedeelten van geschreven of gedrukte werken door een auteur worden overgenomen, om ze als eigen werk uit te geven (plagiaat); overschrijven gebruikt men voor het in het net schrijven van hetgeen men reeds in klad heeft gemaakt, of niet netjes genoeg heeft geschreven. Uitschrijven ziet op het overnemen van belangrijke gedeelten uit een boek of handschrift, om er later zoo noodig gebruik van te maken. (In de schoolwereld gebruikt men vaak het woord, als een leerling een gedeelte uit een boek moet copiëeren, hetzij tot straf, hetzij om zuiver te leeren schrijven.)


De kantoorklerk moest de koopakte tweemaal —, daar elk der beide partijen een copie wilde hebben.

Men beschuldigt dezen auteur, dat hij wel het derde deel van zijn boek heeft —.

Ik vind deze studie van prof. Fruin zoo belangrijk, dat ik er een groot deel van heb —.

Deze jongen had zijn werk zoo slordig gemaakt, dat hij het moest —.

Je zoudt me een groot pleizier doen, als je dit oude handvest (privilegie) voor mij woordelijk in Latijnsche letters wilde —; ik kan het Gotisch schrift moeilijk lezen.

De leerling had de regels voor de vervoeging zoo slecht geleerd, dat hij ze tienmaal moest —.

147. Aantreffen—ontmoeten—tegenkomen—vinden.

De aanwezigheid van iets of iemand opmerken.

Vinden zegt meestal, dat men opzettelijk naar die aanwezigheid zocht. Na lang zoeken, heb ik hem eindelijk gevonden. Soms is ook de bijgedachte van zoeken geheel verdwenen. Aantreffen geeft meer een toevallig samentreffen aan: Ik dacht hem in het bosch te vinden en ik trof hem op het station aan. Duidelijk komt het verschil uit in een zin als deze: Ik heb hem den geheelen dag gezocht en ik trof hem bij zijn oom aan. (Hier had ik hem niet verwacht te vinden.) Ik heb hem den geheelen dag gezocht en hem eindelijk bij zijn oom gevonden. (Hier wordt gezegd, dat ik ook nog ten laatste bij zijn oom ging zoeken.)—Ontmoeten duidt aan, dat beide personen van verschillende zijden samenkomen. Het kan zoowel toevallig als opzettelijk zijn: Ik ontmoette hem toevallig bij het aangaan der kerk. Wij hebben afgesproken elkaar om zeven uur bij de kerk te ontmoeten. Bij ontmoeten bestaat de mogelijkheid, dat één der samenkomenden zich bij de ontmoeting in rust bevindt; wil men uitdrukken, dat beiden in beweging (in tegengestelde richting) zijn, dan gebruikt men tegenkomen. Op zijn wandeling naar Amersfoort kwam hij mijn neef tegen. (Deze wandelde op dat oogenblik dus ook; misschien gingen beiden later verder huns weegs; maar zij kunnen ook verder bij elkander gebleven zijn.) Aantreffen verschilt hierin van tegenkomen of ontmoeten, dat de aangetroffene niet van plaats verandert, dus in een toestand van rust verkeert. Op den weg naar A. trof ik hem in het hotel aan. In fig. zin worden vinden, ontmoeten en aantreffen ook toegepast op personen en zaken, die zich ergens bevinden en wier aanwezigheid men moet of kan opmerken: In Zwitserland vindt men hooge bergen, treft men hooge bergen aan. In dit boek ontmoet men vele onjuistheden.


Als gij oplettend toeziet, zult gij de fout wel —.

Ik — niet graag menschen, die zichzelf altijd op den voorgrond stellen.

In Friesland worden uitmuntende weilanden —.

Tot mijn groote verrassing heb ik mijn vriend dit jaar in de badplaats —, terwijl ik hem in Zwitserland zou gezocht hebben.

Dit gedicht schijnt mij bekend toe; ik heb het zeker vroeger al eens —. Ik zal eens zoeken, bij welken dichter ik het — kan.

Schrijf mij eens, waar ik u in de stad — kan.

Op mijn fietstocht ben ik mijn vriend in de auto —.

Men — in de wereld meer leeds dan liefs.

Na lang zwerven — de karavaan eindelijk een oase.

Volgens afspraak dacht ik mijn neef op zijn thuisreis in Utrecht te —, maar hij heeft mij teleurgesteld.

Op onze wandeling naar Soestdijk — wij de Koningin.

148. Aanstonds—dadelijk—terstond—weldra—spoedig—gauw.

Deze woorden duiden aan, dat een handeling in zeer korten tijd afloopt.

Terstond en aanstonds geven te kennen, dat de handeling op hetzelfde oogenblik (stonde) plaats heeft. Aanstonds evenwel onderstelt nog een kleine tusschenruimte van tijd. Nauwelijks had ik hem geroepen, of terstond kwam hij binnen. Even geduld, ik zal je aanstonds helpen.

Dadelijk komt zeer veel met terstond overeen: het wijst aan, dat men tot de daad overgaat zonder uitstel, zonder woordenwisseling, zonder bedenking. Ik vroeg hem mij te helpen en dadelijk was hij daartoe bereid. Als bijwoord is het meer tot de spreektaal beperkt; als bijvoegelijk naamwoord komt het daarentegen uitsluitend in de schrijftaal voor: zonder de dadelijke hulp van den arts was de gewonde zeker verloren geweest.

Spoedig en gauw zeggen, dat de handeling met snelheid wordt uitgevoerd en dus weinig tijd vordert. Er moet derhalve wel aan eenig tijdsverloop gedacht worden. Gauw ziet meer op de vlugheid of snelheid van beweging („gauw” als water), terwijl spoedig meer aanduidt, dat er spoed, voortgang gemaakt wordt. Gewoonlijk is in gemeenzame taal gauw gebruikelijker dan spoedig. Hij heeft mij spoedig geholpen. Men had spoedig een veldtent opgeslagen. Die boodschap heb je gauw gedaan. Soms ook is bij spoedig en gauw het denkbeeld van snelheid der handeling geheel op den achtergrond gedrongen en wordt alleen aan het korte tijdsverloop gedacht. In dit geval komen zij meer met aanstonds, dadelijk, terstond overeen, maar wijzen dan een eenigszins grootere tijdruimte aan. Hij zal spoedig hier zijn. Hij is gauw jarig. In deze beteekenis kan ook weldra gebruikt worden, maar dit woord komt bijna uitsluitend in de schrijftaal voor. Men mag weldra de indiening van het wetsontwerp verwachten.


Wie — helpt, helpt dubbel.

Als ik je roep, moet je — komen.

Je hebt veel te — geschreven, ik kan er haast niets van lezen.

Men verwacht algemeen, dat de vrede — geteekend zal zijn.

Dank zij de — toegeschoten hulp, werd de brand nog tijdig gebluscht.

Hij is zoo — als water; houd hem dus goed in het oog.

Ik zal — komen; eerst moet ik nog dit briefkaartje schrijven.

Hij was op mijn verzoek — bereid het boek af te staan.

Als de warmte eenigen tijd aanhoudt, zal men — kunnen oogsten.

(Verklaar, waarom men soms meer dan één woord kan invullen.)

149. Dom—onwetend—onkundig—onnoozel.

Weinig verstand of kennis bezittend.

Dom zegt men van iemand, die een zeer traag verstand bezit, die vele zaken niet of zeer moeilijk kan begrijpen en daardoor in het algemeen weinig kennis zal bezitten. Hij is veel te dom om voor dokter te studeeren. Hij is nog te dom om in de volgende klasse te komen. Soms beteekent het ook gebrek aan doorzicht: hij heeft een dommen streek uitgehaald.

Onnoozel duidt aan, dat iemand slechts zwakke geestvermogens en daardoor een zeer beperkt verstand bezit, zoodat hij geen blijken kan geven met oordeel te handelen. Die jongen is onnoozel. De onnoozele hals geloofde alles, wat wij zeiden.

Onkundig en onwetend wijzen beide op gemis aan kennis, zonder daarbij op den natuurlijken aanleg te letten. Onkundig heeft meer betrekking op de kennis van een bepaalde zaak, onwetend ziet meer op het ontbreken van algemeene kennis. Men liet de vrouw lang onkundig van den dood harer zuster.—Hij is wel vlug van begrip, maar hij heeft weinig onderwijs genoten, zoodat hij zeer onwetend is.


Het — volk beschuldigde de geneesheeren, dat zij de cholera-lijders vergiftigd hadden.

Zij was — genoeg te meenen, dat men op haar gezelschap gesteld was.

De regeering is nog — van de samenzwering, die er dreigt.

Hij is in vele dingen nog zoo —, dat men hem gemakkelijk bedriegen kan.

Al mag die jongen ook niet — zijn, hij ziet er toch in elk geval zeer — uit.

150. Dartel—speelsch—speelziek—uitgelaten.

Tot vroolijkheid geneigd.

Openbaart zich deze neiging als gevolg van levenslust in vlugge bewegingen of in scherts en luim, dan spreekt men van dartel. Die jongen is zoo dartel, dat hij mij bij mijn werk hindert. Uit zich de dartelheid bij jonge kinderen vooral in den lust om te spelen in plaats van te leeren, dan spreekt men van speelsch. Dit ventje is nog te speelsch om lang achter elkander stil te zitten leeren. Wordt deze speelschheid bij grootere kinderen aangetroffen, zoodat zij hun werk veronachtzamen, dan noemt men hen speelziek. Als die jongen zoo speelziek blijft, zal hij niet kunnen overgaan. (Speelziek heeft dus een ongunstige beteekenis, wat bij speelsch niet het geval is.) Wordt de dartelheid bij ouderen door een of andere blijdschap sterk overdreven, dan spreekt men van uitgelaten. (Het beeld is ontleend aan het jonge vee, dat men uit den stal laat en dat zijn vroolijkheid door dartel springen aan den dag legt.) De studenten waren zoo uitgelaten, dat men ze al van verre kon hooren. Dartel te zijn ligt meer in iemands karakter, terwijl uitgelaten meer op een enkel geval ziet.


De kinderen huppelen — de weide rond.

Dit hondje is nog zoo —, dat het alles, wat los en vast is, beetgrijpt.

Foei, je moest je schamen, zóó oud en nog zóó —.

Zij waren zoo — van blijdschap, dat zij de allerzotste dingen deden.