Gabali, Γαβαλεῖς, volksstam in Gallia Aquitanica, in de bergstreek, waar de Oltis (Lot) en de Elaver (Allier) ontspringen. Zij waren aan de Arverners onderhoorig.
Gabii, Γάβιοι, oude en eenmaal machtige stad van Latium, volkplanting van Alba Longa. Zij werd volgens de overlevering door Tarquinius Superbus op verraderlijke wijze veroverd. Later heeft Rome met Gabii een verbond gesloten, waarbij de burgers onder de cives Romani werden opgenomen, maar Gabii zijn eigen gemeentebestuur behield. In Cicero’s tijd was het stadje geheel vervallen. De steengroeven van Gabii leverden de bouwstof (tufsteen, bij de Rom. soms tophus, tgw. peperino geheeten) tot den herbouw van Rome na den grooten brand onder keizer Nero.
Gabinia (lex) tabellaria van den volkstribuun A. Gabinius (139), waarbij voor verkiezingen in de comitiën de geheime stemming door middel van tabellae of tesserae werd ingevoerd. Zie Tabellariae (leges).
Gabiniae (leges) van A. Gabinius, volkstribuun in 67: 1) de uno imperatore etc., om aan Pompeius het opperbevel op te dragen tegen de zeeroovers;—2) de versura, misschien uit den tijd van zijn consulaat (58), een verbod om te Rome aan civitates in de provinciën geld te leenen. Deze wet is een doode letter gebleven. Men denke slechts aan de woekerrente, die M. Brutus (Junii no. 9) te Salamis op Cyprus wist te bedingen.
Gabinii, plebejisch geslacht. De belangrijkste leden hiervan zijn: 1) A. Gabinius, volkstribuun in 139, de voorsteller der eerste lex tabellaria.—2) A. Gabinius, aanhanger van Pompeius, en als volkstribuun in 67 voorsteller der wet, om aan P. het opperbevel op te dragen tegen de zeeroovers. In 66 was hij diens legaat in den mithradatischen oorlog. In 58 was hij consul, in 57 ging hij als proconsul naar Syria, dat hij schandelijk bestuurde, terwijl hij in strijd met een senaatsbesluit Ptolemaeus Aulētes op den troon van Aegypte herstelde. Te Rome teruggekeerd, werd hij van verschillende zijden aangeklaagd, maar met behulp van Pompeius ontkwam hij aan eene veroordeeling wegens hoogverraad, doch niet wegens afpersingen. Na Pompeius’ dood kreeg hij van Caesar verlof uit zijne ballingschap terug te keeren; hij diende Caesar vervolgens in Illyricum en stierf, terwijl hij te Salōnae door de Pompeiani belegerd werd (47), Cicero, tot wiens verbanning hij had medegewerkt, was een verbitterd vijand van hem, hoewel hij hem éénmaal verdedigd heeft.
Gabīnus cinctus, een bijzondere wijze om de toga op te schorten, zonder van een gordel gebruik te maken. Hierbij werd de slip van de toga, die anders over den linker schouder naar achteren werd geslagen, strak om het middel getrokken, zoodat daardoor een gordel werd gevormd, waardoor de plooien der toga omhoog konden worden gehaald en dus opgeschort. Bij deze dracht bleven ook de armen vrij. Men gebruikte ze bij bijzondere godsdienstige handelingen; waarschijnlijk is ze uit Gabii overgenomen in den tijd, toen die stad nauw met Rome verbonden was. Een oorlogskleed, waarvoor het vaak gehouden wordt, is het nooit geweest.
Gabrēta silva, Γαβρῆτα ὕλη, in Germania, thans het Bohemerwoud.
Gadara, τὰ Γάδαρα, groote sterke stad in Palaestina ten Z. O. van het meer Gennesareth.
Gadēra of Gades, τὰ Γάδειρα, oude volkplanting der Carthagers in Baetica, thans Cadix. De Puniërs noemden het Gadir. In 206 sloot het zich bij Rome aan, en werd het civitas foederata. Door Caesar werd Gades met het burgerrecht begiftigd; het werd nu een municipium onder den naam Augusta Iulia urbs Gaditana.
Gadrosia, Γαδρωσία = Gedrosia.
Gaea, Ge, Γαῖα, Γῆ de Aarde als godin. Zij is de oudste der goden, daar zij onmiddellijk uit den Chaos ontstaan is, en heeft een zeer talrijk kroost. Terstond na hare geboorte bracht zij Uranus, Pontus en de bergen voort, daarna werd zij bij Uranus moeder van de Titanen, Cyclopen en Hecatonchiren, bij Pontus van Nereus, Thaumas, Phorcys, Ceto en Eurybia, uit het bloed van Uranus’ (z. a.) wonden bracht zij de Erinyen en Giganten ter wereld, terwijl ook de autochthonen als hare kinderen beschouwd worden. Zij is de godin die alle leven doet ontstaan, de menschen voedt en hen in hunne jeugd doet opgroeien (Κουροτρόφος), maar die ook alles wat geleefd heeft weder in haar schoot opneemt. Ook is zij eene orakelgevende godin en had zij het eerst het orakel van Delphi bezeten. Later werden hare eigenschappen grootendeels overgebracht op Rhea Cybele, Demēter, Hestia, e.a.—Bij de rom. werd eveneens Tellus als godin vereerd.
Gaesati, Γαισάται, keltische huursoldaten, die in 222 door den consul M. Claudius Marcellus bij Clastidium (ten Z. van den Padus of Po) verslagen werden. Zij droegen hun naam vermoedelijk naar eene soort werpspies, gaesum, waarvan de Rom. zich ook wel bediend hebben. Het waren Kelten van over de Alpen, die door de Galliërs uit de Po-vlakte, vooral door de Bojers en Insubriërs, in dienst werden genomen.
Gaesum, γαῖσον, zie Gaesati.
Gaesus of Gaeson, Γαίσων, rivier in Ionia, die bij kaap Mycale in zee valt.
Gaetūli, Γαιτοῦλοι, halfwilde inwoners van Gaetulia, een uitgestrekt binnenland van Afrika, ten Z. van Numidia en Mauretania.
Gaius, beroemd rom. jurist, uit den tijd van Hadriānus en de Antonijnen, schrijver der bekende Institutionum libri IV, uitgegeven in 161 n. C. en in 1816 door Niebuhr in de bibliotheek te Verona ontdekt. Andere werken van hem zijn verloren gegaan.
Gaius Caesar, zie Caligula.
Galaesus, Γαλαῖσος, riviertje bij Tarentum. De schapen, die in de weiden aan zijne oevers graasden, waren bekend om de fijnheid en witheid hunner wol.
Galanthis = Galinthias.
Galatae, Γαλάται, zie Celtae.
Galatēa, Γαλάτεια, dochter van Nereus en Doris, z. Acis.
Galatia, Γαλατία, ook Gallograecia geheeten, Γαλατία ἡ Ἑλληνίς (onder Γαλατία alleen kan ook Gallia worden verstaan), landschap in het binnenland van Asia minor. Omstreeks 278 had Nicomēdes I van Bithynia, om zich tegen Pergamus en Syria staande te houden, drie kleine rondzwervende gallische stammen in dienst genomen: de Tolistoboii, de Tectosages en de Trocmi. Toen Nicomedes hen niet meer noodig had, trokken zij een tijd lang al plunderend in Azië rond, tot het ± 235 aan de naburen gelukte, hen in het naar hen genoemde Galatia bijeen te drijven en daartoe te beperken. Tot Galatia behoorde destijds nog een gedeelte van N.W.-Phrygia, van den mons Dindymus af, dat den Galaten echter in 180 door de Rom. werd afgenomen. De hoofdsteden waren: Pessinus, Ancȳra (thans Angora) en Tavia. Zie Deiotarus. In 25 werden Isauria en Lycaonia met Galatia tot ééne rom. provincie Galatia vereenigd. Wanneer de apostel Paulus zijn brief richt τᾶις ἐκκλησίαις τῆς Γαλατίας, dan zijn daarmede de gemeenten in dat deel van Lycaonia bedoeld, dat in zijn tijd bij Galatia hoorde, n.m. Antiochia Pisidiae of ad Pisidas (z. Antiochia no. 3), Iconium, Lystra en Derbe, waar hij het Evangelie verkondigd had (46/47 n. C.). In het eigenlijke Galatia vond men geen of weinig Joden, bij wie Paulus steeds het eerst aanklopte, en eerst heel laat Christelijke gemeenten. Deze meening wordt echter niet algemeen gedeeld.
Galba, familienaam in de gens Sulpicia (Sulpicii no. 9, 11–17).
Galba (Ser. Sulpicius), rom. keizer van Juni 68 tot Januari 69 na C. Hij was van aanzienlijke geboorte en achtereenvolgens veldheer en stadhouder aan den Rijn, in Africa, in Hispania. Toen de voornaamste generaals besloten hadden aan Nero’s gruwelen een eind te maken, werd Galba tot keizer uitgeroepen. Door strengheid en door aan de soldaten het gewone geschenk bij zijne troonsbeklimming te onthouden, wekte hij verbittering. Salvius Otho maakte hij tot zijn vijand, door C. Calpurnius Piso Liciniānus (Calpurnii no. 13) als troonopvolger aan te nemen. Galba’s troepen werden door die van Otho verslagen en hijzelf in een soldatenoproer vermoord (15 Jan.).
Galea, helm. De rom. galea was van leder vervaardigd en voorzien van stormbanden (bucculae) met metalen schubben. De centuriones droegen er een vederbos (crista) op van roode of zwarte pluimen.
Galēnus (Claudius), Γαληνός, geb. 129 n. C. te Pergamus, studeerde in zijne vaderstad, te Smyrna, Corinthe en Alexandrië in de geneeskunde, en werd een van de beroemdste geneesheeren der oudheid. Sedert 162 leefde hij bijna voortdurend te Rome als lijfarts van Marcus Aurelius, Lucius Verus en Commodus. Hij stierf omstreeks 200, en liet een buitengewoon groot aantal (ongeveer 250) grootere en kleinere geschriften na, waarvan vele nog bewaard gebleven zijn. Deze werken, die voornamelijk de geneeskunde met hare hulpwetenschappen in alle onderdeelen behandelen, hadden nog in de 16de eeuw groot gezag; van vele bestaan latijnsche, arabische en hebreeuwsche vertalingen. Zijne werken op wijsgeerig en grammatisch gebied, waarvan het meeste verloren gegaan is, bevatten vele wetenswaardige bizonderheden over de geschiedenis van die wetenschappen.
Galepsus, Γαληψός, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
Galerius, voluit C. Galerius Valerius Maximiānus, uit Illyria, schoonzoon van Diocletiānus en door dezen 1 Maart 293 tot Caesar of kroonprins aangenomen. Na den afstand van Diocletianus volgde hij dezen in de waardigheid van Augustus op over de oostelijke helft van het rijk (305 na C.). Hij stierf in 311 na C., na eerst een tolerantie-edikt voor de Christenen te hebben uitgevaardigd.
Galerius Trachalus, consul in 68 na C., een uitstekend redenaar. Men zeide, dat hij de steller was der redevoeringen, die keizer Otho uitsprak.
Galērus, muts van bont of vilt, ook wel valsche haartooi van vrouwen. Zie ook albogalerus.
Galēsus = Galaesus.
Galilaea, Γαλιλαία, het noordelijke gedeelte van Palaestina, ten W. van den Jordaan en het meer Gennesareth. Dit gewest, dat door de Israëlieten meer in naam dan in werkelijkheid veroverd werd, en waar de kanaänietische stammen niet werden uitgeroeid, kreeg den naam Gelil-hag-gojim, distrikt der heidenen, welke naam tot Galilaea verbasterd is. Steden: Capharnaum, Magdala, Tiberias en Taricheae aan het meer van Gennesareth, verder Sepphōris (Diocaesarēa), Bethlehem, Nazareth, Megiddo. Γαλιλαῖοι noemt keizer Julianus de Christenen.
Galinthias, Γαλινθιάς, dochter van Proetus, vriendin van Alcmēne. Toen Ilithyia op bevel van Hera de geboorte van Heracles belette, kwam Gal. met uitgelaten vreugde verhalen, dat Alcmēne reeds een zoon ter wereld gebracht had, zoodat Ilithyia misleid werd en haar tegenstand opgaf. Tot straf werd Gal. in een wezel veranderd, doch door de Thebanen werden haar te gelijk met Heracles offers gebracht.
Gallaecia, vroeger Callaecia, thans de spaansche provincie Galicia, in het N.W. van Hispania, met eene ruwe bevolking. De Gallaeci, Καλλαικοί, stonden bij de Romeinen in slechten reuk. De stad Brigantium, thans Coruña, had een grooten vuurtoren.
Galli, z. Rhea (Cybele).
Gallia, Γαλατία of Κελτική, het land der Galliërs. 1) Gallia Cisalpīna, dat gedeelte van N. Italia, dat gedeeltelijk door keltische of gallische stammen bewoond werd, die omstreeks 400 door de vruchtbaarheid en het klimaat van Italië waren aangelokt om over de Alpen te trekken en zich in de vlakte van den Po neer te zetten. Het werd onderscheiden in G. Transpadāna en G. Cispadāna. Na eene worsteling van een halve eeuw (240–191) moesten de cisalpijnsche Galliërs, waaronder de Bojers, Insubriërs en Cenomanen de voornaamste stammen waren, zich aan Rome onderwerpen. In 89 kreeg Cispadana, omdat het in den bondgenootenoorlog trouw gebleven was, het rom. burgerrecht door de lex Pompeia van den consul Cn. Pompeius Strabo en werden de steden dus municipia. In 49 viel door eene lex Iulia van C. Julius Caesar hetzelfde aan Transpadana te beurt. Niettemin bleef Cisalpina tot in 43 provincie en had men dus het vreemde verschijnsel van eene provincie, bevolkt met rom. burgers. Augustus voegde Cisalpina met Liguria, het land der Veneters, Histria en de italiaansche Alpenhellingen bij Italia en vormde er de 8ste, 9de, 10de en 11de regio uit.—2) Gallia Transalpīna, tusschen de Alpen, den Rijn, den Oceaan en de Pyrenaeën. Het Z.O. gedeelte, ten N. van den sinus Gallicus, werd reeds in 122 tot provincie gemaakt onder den naam Gallia Narbonensis, naar de hoofdstad Narbo Martius, thans Narbonne, de eerste rom. kolonie buiten Italië. Dit gedeelte wordt ook wel kortweg Gallia provincia geheeten, waaruit de naam Provence is ontstaan. Het overige gedeelte van Transalpina, door Caesar onderworpen, werd onderscheiden in: Aquitania in het Z.W., Gallia propria, ook wel Gallia Celtica geheeten en Belgica. Onder Augustus werd eene nieuwe indeeling in 4 provinciën tot stand gebracht: 1 Narbonensis, 2 Aquitania (z.a.), dat aanmerkelijk werd uitgebreid, 3 Lugdunensis, naar de hoofdstad Lugdūnum, thans Lyon, 4 Belgica, dat ook naar het Z.O. werd vergroot, met Durocortōrum, thans Rheims, tot hoofdplaats. Verder werd, na de terugroeping van Germanicus in 17 n. Chr., eene strook lands op den linker Rijnoever van een eind boven Argentorātum (Straatsburg) tot aan zee als militaire grens van Gallia gescheiden en tot twee provinciën gevormd: Germania superior, met Mogontiācum (Mainz), en Germ. inferior, met Colonia Agrippīna (Keulen) tot hoofdstad. De naam Germania werd gegeven, omdat deze strook bijna geheel met germaansche stammen bevolkt was, die in verschillende tijdperken over den Rijn waren gestoken en zich in Gallia hadden genesteld. Na Constantijn vindt men eene geheel andere verdeeling in 17 provinciën.—Het aantal volkjes en stammen in Gallia was zeer groot; tot de hoofdvolken behoorden de Volcae, de Arverni, de Aedui, de Sequani, de Helvetii, de Bituriges, de Aulerci.—3) Gallia braccāta is een bijnaam voor G. Narbonensis, omdat de inwoners daar lange broeken droegen, welke dracht den Rom. vreemd was.—4) Gallia comāta = Transalpina, omdat de bewoners de haren lang droegen.—5) Gallia togāta = Cisalpina, sedert de inwoners als rom. burgers de toga mochten dragen.
Galliēnus (P. Licinius Egnatius), rom. keizer 260–268 na C. In 253 was hij door zijn vader Valeriānus tot Caesar benoemd, en toen V. door de Perzen was gevangen genomen, volgde Gallienus hem op, zonder zich verder veel om zijns vaders lot te bekommeren. Hoewel het hem aan bekwaamheden niet ontbrak, regeerde hij slecht en gaf hij zich aan allerlei onmatigheid over. Van verschillende zijden drongen de barbaren over de grenzen, alom stonden tegenkeizers op (het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen), en eindelijk viel Gallienus zelf door sluipmoord.
Gallinaria, eil. bij de ligurische kust, rijk aan hoenders. Gallinaria silva, een bosch op de kust van Campania, aan de grens van Latium, tijdens de burgeroorlogen en in den keizertijd berucht om zijne onveiligheid.
Gallio, naam van twee rhetoren, ten tijde van Nero. De oudste, L. Iunius Gallio, was een vriend van Ovidius en van Seneca rhetor, en adopteerde den broeder van den wijsgeer Seneca. Deze broeder, die nu Iunius Annaeus Gallio heette, werd onder Nero ter dood gebracht.
Gallograecia = Galatia.
Gallonii, plebejisch geslacht. 1) P. Gallonius, een befaamde lekkerbek te Rome, tijdgenoot van Laelius, ± 140.—2) C. Gallonius, aanhanger van Pompeius en door dezen in 49 tot praefectus van Gades (Cadix) benoemd.
Gallus, Γάλλος, rivier in Galatia, zijtak van den Sangarius.
Gallus, familienaam in een aantal gentes, o.a. bij de Aquillii, Asinii, Caninii, Sulpicii (Sulpicii no. 10). Er komen onder dezen naam twee stadhouders van Aegypte voor: Aelius Gallus (zie Aelii) en C. Cornelius Gallus (zie Cornelii no. 59). Het was deze laatste, die zich om het leven bracht, toen hij door Augustus tot ballingschap was veroordeeld.
Gallus (C. Vibius Treboniānus), rom. keizer 251–253 na C., vroeger generaal van keizer Decius en medeplichtig aan diens vermoording, kocht van de Gothen op smadelijke wijze den vrede. Onder zijn bewind werd het rijk geteisterd door invallen van Perzen en Gothen, door oproeren en pest. Hij nam zijn zoon C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus Volusianus als Caesar tot mederegent aan, doch beiden sneuvelden op een tocht tegen Aemiliānus, opgestaan veldheer in Pannonia.
Gallus (Constantius), oudere broeder van keizer Juliānus, Caesar van 351–354 n. C., toen keizer Constantius II hem liet ombrengen.
Gamala, vesting in Palaestina aan het meer Gennesareth.
Gambrīum, Γάμβρειον, stad in Aeolis, aan den Caïcus.
Gamelion, Γαμηλιών, 7de maand van het Attische jaar (Jan.–Febr.), z. Annus.
Gandarae, Gandaridae, Γανδάραι, Γανδαρίδαι, twee indische volksstammen in het Indusgebied. De Gandarae wonen in de landstreek Gandarītis in de vallei van den Cophen, de Gandaridae in Pendschab, tusschen de rivieren Acesīnes en Hydraōtes.
Gangra, hoofdstad van Paphlagonia; later Germanopolis genoemd.
Ganus, Γάνος, sterkte in Thracia aan de Propontis, door koning Seuthes aan de 10000 Grieken overgegeven.
Ganymēdes, Γανυμήδης, ook Catamītus, zoon van Tros en Callirrhoë, de schoonste aller stervelingen, die door de goden in den hemel werd opgenomen om schenker van Zeus te zijn; tot vergoeding kreeg zijn vader van Zeus een span goddelijke paarden. Volgens latere verhalen werd hij door Zeus bemind en door diens arend of door hemzelf onder de gedaante van een arend ontvoerd. Hij werd als Waterman onder de sterren opgenomen.
Garamantes, Γαράμαντες, zachtaardige volksstam in de oase Phazania, thans Fezzan, in Libya (Afrika). Hunne bloeiende hoofdstad heette Garama. Zij leefden van landbouw, veeteelt en handel. Garamantis dichterlijk = afrikaansch.
Gargaphia, Γαργαφία, dal en bron ten N.O. van Plataeae.
Gargānus mons, Γάργανον ὄρος, thans monte Gargano, boschrijk, in zee vooruitspringend gebergte op de kust van Apulia.
Gargara of -rus of -rum, τὰ Γάργαρα, τὸ Γάργαρον, de zuidelijke top van den berg Ida in Troas, met de stad Gargara, aan de Adramyttische golf gelegen, aan den voet.
Gargarenses, Γαργαρεῖς, mythisch volk aan den Caucasus, alleen uit mannen bestaande. Ten einde kinderen ter wereld te brengen, leefden de Amazonen een paar maanden ’s jaars met hen, zonden dan de jongens naar de vaders en behielden de meisjes.
Gargettus, Γαργηττός, demus in Attica ten N. van den Hymettus, geboorteplaats van Epicūrus, die hierom wel Gargettius wordt genoemd.
Garites, Gates, volk in het O. van Aquitania, in het tegenwoordige dép. Gers.
Garsaurītis, landstreek van Cappodocia (z.a.).
Garum, eene marinadesaus, uit het bloed en de ingewanden van zekeren zeevisch bereid. O. a. gebruikte men ze bij oesters.
Garumna, Γαρουνᾶς, rivier in zuidelijk Gallia, thans de Garonne.
Garumni, volksstam aan de Garumna.
Gauda, numidische prins, die in het rom. leger tegen Jugurtha diende, en later waarschijnlijk het rijk Numidia kreeg.
Gaudus = Gaulus.
Gaugamēla, Γαυγάμηλα, vlek in Assyria. Tusschen deze plaats en Arbēla had de derde en beslissende slag plaats tusschen Alexander d. Gr. en Darīus Codomannus (331).
Gaulus, Γαῦλος, thans Gozzo, eilandje bij Melite (Malta), aldus geheeten naar zijn ronden vorm.
Gaurus (mons), ook Gaurāni montes, vulkanisch gebergte in Campania, ten N. van Cumae, met uitgebrande, in meren herschapen kraters, waaronder het Avernus-meer. Bij dezen berg behaalden de Rom. in 343, in den zoogenaamden eersten samnietischen oorlog eene groote overwinning op de Samnieten. Deze geheele oorlog is echter verzonnen. Zie Cornelii no. 5. Langs de hellingen werd een heerlijke wijn geteeld.
Gauzanītis, Γαυζανῖτις, landstreek in N.O. Mesopotamia, aan den Chabōras.
Gaza, Γάζα, zuidelijke grensvesting in het land der Philistijnen, eene der vijf steden van dit volk, en een der sleutels van Palaestina. Zie ook Cadȳtis. Alexander de Gr. belegerde de stad vijf maanden lang. In 96, in het tijdperk der Maccabaeën, werd zij door Alexander Jannaeus een jaar lang belegerd en na de inneming verwoest. Zij werd herbouwd, in 66 n. C. door de Joden verwoest, doch later opnieuw opgebouwd.—Ook in Sogdiāne lag eene stad, met name Gaza.
Gazaca of Gaza, Γάζακα, hoofdstad van Media Atropatēne.
Ge, Γῆ = Gaea.
Gebenna = Cebenna.
Gedrosia, Γεδρωσία, het zuidoostelijkst gewest van het perzische rijk, aan de zeezijde. Op zijn tocht door Gedrosia verloor Alexander, vooral door gebrek aan water, een groot gedeelte van zijn leger.
Geganii, patricisch geslacht te Rome, waarschijnlijk afkomstig uit Alba Longa. In de eerste helft der republiek komen eenige hooge overheidspersonen uit deze gens voor, met den familienaam Macerinus.
Geisericus, Γεζέριχος, Γιζέριχος, Geiserik, koning der Vandalen, en stichter van het Vandaalsche rijk in N.-Afrika in 429 n. C. Zie Vandali.
Γεῖσον is de vooruitspringende daklijst aan den dorischen tempel. Aan den voorkant en de achterzijde vindt men een horizontaal en twee opstaande γεῖσα, die samen het bekende gevelveld vormen, dat bij rijk versierde tempels met beeldwerk gevuld was. Door het sterk vooruitspringen van de daklijsten was dit beeldwerk voor den regen beschut. Aan de lange zijden heeft men een overhangend geison, als voortzetting van het schuins afloopende dak.
Gela, Γέλα, bloeiende, machtige stad op de Zuidkust van Sicilia, rhodisch-cretensische kolonie, in 689 gesticht aan een riviertje van gelijken naam. De omstreken, campi Gelōi, brachten veel koren voort, vooral tarwe, vandaar wordt Gela πυροφόρος genoemd. Het werd spoedig overschaduwd door zijne eigene volkplanting Agrigentum, in 581 gesticht. Nadat de tyran Gelo omstreeks 485 de helft der bevolking naar Syracūsae had overgebracht, kwijnde Gela; van 466 af was het zelfstandig. In 405 werd het door de Carthagers verwoest. Timoleon bracht er nieuwe bewoners uit Ceos; in 280 werd de stad voor de tweede maal en nu voor goed vernietigd door Phintias, tyran van Agrigentum.
Gelānor, Γελάνωρ, zoon van Sthenelus, was koning van Argos toen Danaüs in het land kwam, die evenals G. van Inachus afstamde en op dien grond aanspraak op de regeering maakte. Terwijl het volk vergaderd was om in deze zaak een besluit te nemen, kwam een wolf de kudde van G. aanvallen en verscheurde den stier, waarop het volk, hierin een voorteeken ziende, ten gunste van Danaüs besliste.
Gelduba, sterkte in het land der Ubiërs of Agrippinensers, tusschen Vetera en Novaesium, thans Gelb.
Γελέοντες, zij die tot de eerste der vier oude attische phylen behoorden.
Gellias, Γελλίας, v.a. Tellias, Τελλίας, rijk inwoner van Agrigentum, bekend om zijne geestigheid en mildheid. Toen zijne vaderstad in 405 door de Carthagers werd ingenomen, stak hij den tempel van Pallas in brand om hem voor ontwijding te behoeden, en kwam zelf daarbij om.
Gellii, een geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) Gellius Statius, veldheer der Samnieten, in 305 door de Romeinen gevangen genomen.—2) Gellius Egnatius, zie Egnatii no. 1.—3) L. Gellius Poplicola, consul in 72, niet zonder talent als redenaar, overwon eerst in den slavenoorlog den aanvoerder Crixus, doch werd vervolgens met zijn ambtgenoot Cn. Cornelius Lentulus Clodiānus (Cornelii no. 49) door Spartacus verslagen. In 70 trad hij met denzelfden Lentulus als censor zeer streng op. Er werden toen 64 senatoren van de lijst geschrapt. In 67 was hij legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Cicero stond bij hem in hooge achting. Een broeder van hem, ook Gellius Poplicola geheeten, was een hevig tegenstander van Cicero en een vriend van P. Clodius.—4) L. Gellius Poplicola, zoon van no. 3, werd beschuldigd zijn vader naar het leven te hebben gestaan, doch vrijgesproken. Later komt hij onder de vijanden van Brutus en Cassius en onder de aanhangers van Antonius voor. Hij was in 36 consul.—5) Cn. Gellius, annalist omstreeks 130.—6) Aulus Gellius, rom. taalgeleerde, geb. omstreeks 130 n. C., een man van veelzijdige studie en ontwikkeling. Zijne Noctes Atticae, een werk, gedurende zijn verblijf te Athene in de winternachten begonnen, bevatten veel wetenswaardigs op allerlei gebied.
Gelo, Γέλων, van Gela, zoon van Dinomenes, bevelhebber der ruiterij onder Hippocrates, regeerde sedert diens dood (491) over zijne vaderstad. Toen de aristocraten van Syracuse, door het volk verdreven, zijne hulp inriepen, bracht hij hen terug en maakte hij zich van de regeering over die stad meester (485), terwijl hij Gela aan zijn broeder overliet. Hij verplaatste inwoners van Camarīna, Gela en Megara naar Syracuse, breidde zijne heerschappij binnen korten tijd over bijna geheel Sicilië uit, en kreeg zulk een groote macht, dat hij in den perzischen oorlog op het opperbevel over de Grieken aanspraak maakte. Hijzelf werd echter in dienzelfden tijd door de Carthagers aangevallen, doch behaalde met zijn bondgenoot Theron van Agrigentum in 480 bij de Himera een schitterende overwinning op het carthaagsche leger onder Hamilcar. Hij stierf in 478 na eene gematigde, gelukkige en vreedzame regeering, en werd na zijn dood als heros vereerd.
Geloni, Γελωνοί, scythische of sarmatische volksstam tusschen Don en Wolga, getatoueerd en daarom door Vergilius picti genoemd.
Gemelli colles, bergketen in het binnenland van W. Sicilia.
Geminii, geslacht uit Tusculum afkomstig.
Gemoniae (scalae) of Gradus gemitorii, een natuurlijke of in de rots uitgehouwen trap, die naar den Tiber leidde. Hierheen werden de lijken gebracht van hen die in de gevangenis terecht gesteld waren, waarna ze later met haken in den Tiber werden gesleept.
Genabum, later Aureliani civitas, z. a.
Genauni, raetische volksstam in het dal van den Beneden-Inn, die gewoon waren alle mannelijke krijgsgevangenen, jong en oud, om te brengen. Drusus overwon hen (15 en 14).
Genava of Geneva, thans Genève, stad der Allobrogen, gelegen aan het punt, waar de Rhodanus (Rhône) uit den lacus Lemannus stroomt.
Γενέσια, gedenkdag van een gestorvene, samenvallend met diens verjaardag; verjaardag van een sterfgeval, de afgestorvene werd dan door zijne bloedverwanten herdacht. Ook een algemeene gedenkdag der dooden, te Athene de 5de Boëdromion. Z. Νεκύσια.
Genetrix, bijnaam van Venus te Rome, als stammoeder van de gens Iulia.
Genii, goddelijke wezens, die den mensch gedurende zijn geheel leven begeleiden, beschermen en van het kwade terughouden. Ieder mensch had zijn Genius, die grooteren invloed op zijn leven uitoefende dan de andere goden, wier werkkring zooveel uitgebreider is. Men offerde hem op verjaardagen en over het algemeen bij gewichtige gebeurtenissen wijn, wierook en bloemen, en meende hem te dienen door het leven vroolijk te genieten (Genio indulgere) en te beleedigen door het tegenovergestelde (Genium defraudare). Aan booze Genii of aan Genii, die den mensch zoowel ten kwade als ten goede leiden, schijnt men niet algemeen geloofd te hebben. Zij werden gewoonlijk voorgesteld als schoone jongelingen met vleugels. De Genii der vrouwen heeten Iunones.—Ook aan volken, geslachten, steden en plaatsen kende men soms een Genius toe; laatstgenoemde werden dikwijls afgebeeld als slangen, die van een altaar vruchten eten. Vgl. Daemon.
Gennesara, λίμνη Γεννησαρῖτις, het meer Gennesareth of Kinnereth of meer van Tiberias, in Galilaea. Het wordt door den Jordaan gevormd.
Gens, τὸ γένος, in den rom. staat geslacht, op gemeenschappelijke afstamming berustende. De leden van eene gens waren gentiles, en het recht, dat men aan dit lidmaatschap ontleende, heette ius gentilicium of gentilitatis. Oorspronkelijk werden alleen de patriciërs geacht tot een geslacht te behooren; deze geslachten waren reeds sinds Tarquinius Priscus onderscheiden in gentes maiores en g. minores (de later in het patriciaat opgenomene). Later had men ook plebejische gentes, en zelfs meermalen in dezelfde gens plebejische en patricische takken of familiae.
Gentius, Γέντιος, Γένθιος, koning der Illyriërs, een woest vorst, aan dronkenschap verslaafd. Door zijne zeerooverijen en zijn verbond met Perseus van Macedonia wikkelde hij zich in een oorlog met Rome, die met zijne eigene gevangenneming en die zijner familie en den ondergang van zijn rijk eindigde, in 168.
Genua, Γένουα, thans nog Genua, voorname stad aan de ligurische golf (sinus Ligusticus), vóór den tweeden punischen oorlog door de Romeinen bezet, in 205 door de Carthagers verwoest, later rom. municipium.
Genuciae (leges), van den volkstribuun L. Genucius, 342, 1) dat beide consuls plebejers zouden mogen zijn; 2) ne foeneraere liceret, een verbod, om geld tegen rente uit te leenen (z. Fenus); 3) een lex de magistratibus: ne quis eundem magistratum intra decem annos caperet, neu duos magistratus uno anno gereret.
Genucii, patricisch geslacht met plebejische takken, waarvan verschillende leden als volkstribunen en krijgstribunen en consuls voorkomen. De volkstribunen T. of P. Genucius in 476 en Cn. Genucius in 473 waren warme voorvechters eener akkerwet; de laatste werd trots zijne onschendbaarheid door sluipmoord omgebracht. In 445 komen de Genucii voor als tegenstanders der wetsvoorstellen van Canuleius. De verhalen omtrent deze personen zijn geheel verzonnen. De familiën dezer gens zijn voornamelijk: de Augurini, de Aventinenses en de Clepsinae.
Genūsus, rivier in Illyria, ten Z. van Dyrrachium.
Γεωμόροι, zij die tot de tweede van de drie phylen behoorden, waarin Attica door Theseus verdeeld werd. In lateren tijd worden in vele staten met dien naam adellijke grondbezitters aangeduid.
Gepidae, volk van gothischen stam, dat, toen de andere Gothen naar de Zwarte Zee trokken, aan de Weichsel achter bleef. Het maakte in 450 na Chr. deel uit van Attila’s scharen, vestigde zich in 454 in Dacië en werd in 565 door de Longobarden onder Alboïn vernietigd.
Geraestus, Γεραιστός, kaap en stad op de Zuidpunt van Euboea, met een Poseidontempel. Geraesticus portus echter was niet op Euboea, maar de haven der aziatisch-ionische stad Teos.
Geranēa, Γερανεία, kraanvogelberg, bergketen op de corinthische landengte. Over dit gebergte liep de scironische weg, een vrij gevaarlijk pad van Megaris naar Corinthus, naar den roover Sciro genoemd, die de reizigers uitplunderde en in zee wierp, totdat Theseus hem met gelijke munt betaalde.
Gerastus, Γεραστός = Geraestus.
Gerenia, Γερηνία, oude stad van Messenia, waar Nestor werd opgevoed, die hiernaar Γερήνιος genoemd werd. Zie ook Enope.
Gereonium (Gerunium), stad in het land der Frentāni, ten zuiden van Larīnum. Ligging onzeker. Voor de muren van G. heeft Hannibal den winter van 217/216 doorgebracht.
Gergis, Gergīthus, Γέργις, Γέργιθος, stad der Teucri in Troas, na den ondergang van Troje gebouwd. Het lag waarschijnlijk ten O. van Ilium, v. a. echter ten Z. daarvan. Een tweede Gergis of Gergithium vond men in het gebied van Lampsacus.
Gergovia, sterke vesting der Arverni, in het tegenw. Auvergne, waarvoor Caesar het hoofd stiet. Het lag in de nabijheid van hunne hoofdstad Augustonemētum (Clermont).
Germalus = Cermalus.
Germāni, Γερμανοί, bewoners van Germania, niet te verwarren met Germanii.
Germania, Γερμανία, het land tusschen den Rijn en de Weichsel of Vistula, en tusschen den Donau en de Noord- en Oostzee, ook wel magna, barbara, transrhenana bijgenaamd in tegenstelling der rom. provinciën Germ. superior en inferior op den linkeroever van den Rijn. Deze laatste provincies behoorden oorspronkelijk tot de tres Galliae, en waren dus ingedeeld bij Belgica, maar werden na de terugroeping van Germanicus (17 n. C.) daarvan afgescheiden. Zie Gallia. Ofschoon de rom. legioenen onder Caesar, Drusus, Tiberius, Varus, Germanicus in Germania trachtten door te dringen, gelukte het niet er vasten voet te houden. De naam Germāni, Γερμανοί, was door de Galliërs aan de overrijnsche volken gegeven.
Germanicus Caesar was de zoon van Drusus en Antonia minor en een broeder van den lateren keizer Claudius. Keizer Tiberius was zijn oom van vaderszijde en nam hem tot zoon aan. Hij werd in 15 geboren. Nog bij het leven van Augustus maakte hij onder Tiberius de veldtochten mede tegen de opgestane Pannoniërs en Dalmatiërs en tegen de Germanen. Bij den dood van Augustus had hij het opperbevel over de rom. legioenen aan den Rijn, dempte een soldatenoproer en streed nu eens meer, dan eens minder gelukkig tegen de Chatten en Marsen. In 15 en 16 na C. drong Germanicus bij herhaling in Germania door, versloeg Arminius en begroef in het Teutoburgerwoud het gebeente van Varus’ legioenen. In 17 riep Tiberius hem terug en zond hem naar het O., waar hij in 19 stierf, volgens gerucht aan vergif, hem vanwege den syrischen stadhouder Cn. Piso toegediend. Germanicus werd om zijne edele hoedanigheden diep betreurd en Tiberius zag zich genoodzaakt, Piso aan de algemeene verbittering op te offeren, zie hieromtrent Calpurnii no. 7. Bij zijne gemalin Agrippina had Germanicus negen kinderen, waaronder den lateren keizer Caligula en Agrippina, de moeder van Nero. Germanicus was ook redenaar en dichter. De naam Germanicus was hem bij senaatsbesluit gegeven. Zie ook Iulii onder e.
Germanii, Γερμάνιοι, perzische volksstam. Zie Carmania.
Germanopolis, zie Gangra.
Γερουσία, raad der ouden in aristocratische staten. Te Sparta bestond die raad uit 28 leden en de beide koningen; de leden moesten ouder dan 60 jaar zijn en bekleedden hun ambt levenslang. De raad sprak recht over sommige zware misdaden, en besliste omtrent wetten en besluiten, of zij aan de goedkeuring van het volk zouden onderworpen worden. Oorspronkelijk de hoogste macht in den staat, werd de raad echter in latere tijden door de ephoren overvleugeld.
Gerrha, Γέρρα, stad der Gerrhaei, Γερραῖοι, op de N.O. kust van Arabia aan de Perzische golf. De Gerrhaeërs waren een handelsvolk, uit Chaldaea afkomstig.
Geryon, -ones, Γηρυών, -υόνης, -υονεύς, zoon van Chrysāor en Calirrhoë, een monster met drie hoofden of drie lichamen, die over het eil. Erythēa in het verre Westen regeerde. Hij hield daar groote kudden, die om hare schoonheid beroemd waren, en die Heracles op last van Eurystheus roofde, nadat hij den reus Eurytion en den tweekoppigen hond Orthrus, die ze bewaakten, gedood had. G. snelde hem na, maar werd eveneens verslagen.
Gesoriācus portus, later Bononia, thans Boulogne aan het Kanaal, stad der Morinen in Gallia Belgica, het gewone punt van overvaart naar Britannia.
Geta (P. Septimius Antonīnus) volgde in 211 na C. met zijn broeder Caracalla hun vader Septimius Sevērus als keizer op, doch werd reeds in 212 in de armen zijner moeder door Caracalla vermoord.
Getae, Γέται, een thracisch volk, dat met de Daci verwant is, en ten O. van hen woonde. Door de grieksche schrijvers worden de Daci ook gewoonlijk Getae genoemd. Volgens Strabo onthielden zij zich van dierlijk voedsel. Latere schrijvers verwarren hen met de Gothen, die nadat de Romeinen het land verlaten hadden, een tijdlang in Dacië gewoond hebben (zie Gothi en Dacia).
Gigantes, Γίγαντες, zonen van Gaea, geweldige reuzen met lange haren en baard en draken in plaats van voeten. Nauwelijks geboren, begonnen zij een strijd tegen de olympische goden; zij vereenigden zich op de phlegraeische vlakte, stapelden bergen op elkander en trachtten, door brandende boomstammen naar den Olympus te werpen, de goden van daar te verjagen. Zeus, die door een orakel wist dat deze vijanden niet door goden alleen konden overwonnen worden, riep Heracles te hulp en nu werden alle Giganten gedood of werden eilanden en vuurspuwende bergen op hen geworpen.—V. s. had ook Dionȳsus tot de nederlaag der Giganten medegewerkt, door met zijne Satyrs op de kampplaats te verschijnen, allen op ezels rijdende, die zoo vreeselijk begonnen te balken, dat de vijanden de vlucht namen.—Bij Homerus zijn de Giganten een aan de goden verwant volk, dat wegens zijne boosheid door Zeus verdelgd werd.
Zeus en de Giganten, camee in het Museum van Napels.
Gigōnus, Γίγωνος, kaap en stad op Chalcidice aan de Thermaeïsche golf.
Giligammae, Γιλιγάμμαι, volksstam op de kust van Libye, in Marmarica en Cyrenaïca.
Gisco, Γίσκων, naam van eenige carthaagsche veldheeren. Een was de zoon van Hamilcar, die in 480 bij de Himera op Sicilia sneuvelde tegen Gelo van Syracusae. Een andere Gisco, zoon van Hanno, streed in 340 tegen Timoleon. Een derde, bevelhebber van Lilybaeum in 241, werd na den eersten punischen oorlog door de muitende huurtroepen gevangen genomen en ter dood gemarteld.
Glabrio, familienaam in de gens Acilia.
Gladiatorenkazerne te Pompeii.
Gladiatōres, zwaardvechters, in den regel krijgsgevangenen, die in zwaardvechtersscholen door vecht- of schermmeesters geoefend werden en dan door hunne eigenaars verhuurd werden om bij lijkstaties, feesten, openbare spelen ten genoegen der toeschouwers op leven en dood met elkander te vechten. Het gebruik om gladiatoren te laten vechten is van Etruscischen oorsprong, en het eerst in Rome ingevoerd in 264, als lijkspelen; als openbare spelen voor het eerst in 105, zie Ludi aan het einde. De Rom. waren tuk op bloedige spelen en deze waren een krachtig middel voor eerzuchtigen om zich de gunst van den grooten hoop te verwerven. Uit een opvoedkundig oogpunt werden deze spelen aanbevolen, om een krijgshaftigen zin op te wekken en in den strijd de gevoelszenuwen te stalen. In de oefenscholen gaf men voorzichtigheidshalve den zwaardvechters slechts houten wapenen ten gebruike, terwijl deze verblijven als gevangenissen waren ingericht, met de noodige voorzorgen tegen ontvluchting. Er waren verschillende soorten van zwaardvechters, op verschillende wijze gewapend, ten einde aan de spelen de noodige verscheidenheid bij te zetten. Hierbij eene afbeelding van de gladiatorenkazerne te Pompeii. Oorspronkelijk was het een zuilengang geweest, die bij het aangrenzende theater hoorde; later, waarschijnlijk in den tijd van Nero, werd het gebouw voor het aangegeven doel geschikt gemaakt, door de zuilengangen met kleine slaapkamers, twee rijen boven elkaar, te omgeven. Het middenterrein diende voor oefeningen. Een van de cellen diende als gevangenis.
Glaesariae insulae, ook wel Electrides insulae geheeten = Barnsteen-eilanden, de voor onze en de duitsche kust liggende Noordzee-eilanden, waarvan het meest bekende was Burchana (Borkum).
Glaesum (glas), het germaansche woord voor barnsteen (sucinum, ἤλεκτρον), dat deels op de Noordzee-eilanden aanspoelde (zie vorig artikel), deels aan de kusten der Oostzee gewonnen werd, in het land der Aestii.
Glanis = Clanis.
Glauce, Γλαύκη, 1) eene van de Nereïden.—2) = Creūsa no. 4.—3) haven bij het voorgebergte Mycale.
Glaucia, familienaam in de gens Servilia.
Glaucias, Γλαυκίας, 1) beroemd geneesheer, schreef commentaren op Hippocrates.—2) van Aegīna, beroemd beeldhouwer omstreeks 500.
Glaucus, Γλαῦκος, 1) Πόντιος, een visscher van Anthēdon, die eens na het proeven van tooverkruiden zich gedrongen gevoelde in zee te springen en onder de zeegoden werd opgenomen.—V. a. had hij tot de Argonauten behoord, en was hij bij een gevecht tegen de Tyrrheniërs in zee gevallen en in een zeegod veranderd; hij wordt ook bouwmeester of stuurman van de Argo genoemd. Hij is vooral de god van schippers en visschers, wien hij in gevaren gaarne hulp verleent, en werd aan de kusten vereerd als een orakelgevend god; zelfs Apollo zou hij in de kunst van voorspellen onderwezen hebben. Hij wordt gewoonlijk voorgesteld als een grijsaard, wiens lichaam in een vischstaart eindigt.—2) zoon van Sisyphus en Merope, koning van Corinthe of van Potniae. Hij versmaadde de macht van Aphrodīte, die zich wreekte door zijne paarden razend te maken, toen hij aan de lijkfeesten van Pelias deel nam, zoodat zij hem van den wagen afwierpen en verscheurden. Hij gold na zijn dood voor een daemon (Ταράξιππος), die bij de isthmische spelen de paarden schuw maakte.—3) achterkleinzoon van den vorigen, zoon van Hippolochus, als aanvoerder der Lyciërs een van de dapperste bondgenooten der Trojanen, gastvriend van Diomēdes.—4) zoon van Minos en Pasiphaë, viel als kind bij het spelen in een vat met honig, zoodat niemand wist waar hij gebleven was. Polyīdus, een waarzegger uit Corinthe of Argos, werd door Minos gedwongen te openbaren waar het kind te vinden was, en toen hij niet voldoen kon aan den tweeden eisch van den koning, dat hij den doode het leven zou teruggeven, werd hij met het lijk in een gewelf opgesloten. Plotseling naderde eene slang, Polyidus doodde haar, waarop een tweede slang aankwam met een kruid in den bek, waardoor zij de eerste slang deed herleven. Polyidus legde nu het kruid ook op den dooden knaap met hetzelfde gevolg. Eindelijk werd hij nog door Minos gedwongen, Glaucus de kunst van waarzeggen te leeren, maar vóór zijn vertrek bewerkte hij dat Gl. die kunst weder vergat. Zooals hij voorspeld had, sneuvelde Gl. later voor Troje.—5) van Chius, beroemd beeldhouwer uit de 7de eeuw, uitvinder van het soldeeren en van verscheiden verbeteringen in het bewerken van metaal.
Gnathia = Egnatia.
Gnidus = Cnidus.
Gnomische poëzie, gedichtjes, die in korten en bondigen vorm een zedelijk beginsel, eene uit de ondervinding geputte les en dgl. verkondigen. Zulke uitspraken (γνῶμαι) komen bij alle dichters voor, maar werden door sommige grieksche dichters als een afzonderlijke dichtsoort behandeld; de voornaamste dichters zijn Solon, Phocylides en Theognis; de Rom. hielden zich weinig er mede bezig.
Gnossus, Gnosus = Cnosus.
Gnostici, γνωστικοί worden de schrijvers genoemd, die in de 1ste en 2de eeuw de waarheid der christelijke leerstellingen, behalve door het gezag der openbaring, ook door wijsgeerige bewijsgronden trachtten te betoogen. De kerk heeft een harden strijd moeten voeren met deze afwijking van de christelijke leer. De geschriften der Gn. zijn grootendeels te loor gegaan; alleen vindt men vele citaten bij de kerkvaders.
Gobryas, Γωβρύας, 1) een van de zeven Perzen, die den valschen Smerdis onttroonden, later schoonzoon van Darīus Hystaspis, maakte den veldtocht tegen de Scythen mede. Hij was de vader van Mardonius.—2) veldheer van Artaxerxes Mnēmon.
Golgi, Γολγοί, stad in het binnenland van Cyprus, ten O. van Idalium, sicyonische kolonie.
Gomphi, Γόμφοι, vesting in Thessalia op de grens van Epīrus, ten Z.W. van Tricca, door Caesar verwoest, later herbouwd.
Gon(n)us of -i, Γόν(ν)ος, -οι, stad der Perrhaebiërs aan den ingang van het dal Tempe, nabij den Penēus, in Thessalia. Het was eene belangrijke vesting.
Gordiānus, naam van drie rom. keizers, vader, zoon en kleinzoon. 1) en 2) M. Antonius Gordianus Africanus, vader en zoon. In 235 na C. was keizer Alexander Sevērus gedood in een opstand onder den ruwen krijgsman Maximīnus, die zich van het gezag meester maakte. Tegen hem riep het leger in 238 in Africa den ouden, tachtigjarigen Gordianus als keizer uit, een rijk, beschaafd man, verwant met de Antonijnen, en niet alleen als proconsul in Africa, maar ook in Italia en te Rome algemeen geacht. Hij nam zijn zoon tot mederegent aan; doch deze sneuvelde reeds na twee maanden in een slag tegen den stadhouder van Numidia, waarop ook de vader zich het leven benam.—3) M. Antonius Gordianus Pius Felix was van moederszijde een kleinzoon van no. 1. Na den dood van zijn oom en zijn grootvader, waren door den senaat M. Clodius Pupiēnus Maximus en D. Caelius Calvīnus Balbīnus tot keizers uitgeroepen, terwijl de jonge Gordianus, 13 jaren oud, op verlangen des volks den titel van Caesar kreeg. In dezen tijd beginnen de invallen der Gothen met de verwoesting van de stad Istrus in Maesia Inferior. Nog in het zelfde jaar 238 werden Pupienus en Balbinus door de praetorianen omgebracht en Gordianus tot Augustus uitgeroepen. Door de wijze raadgevingen van zijn minister Timesitheus, die ook zijn schoonvader werd, regeerde hij 6 jaren niet zonder geluk, tot hij in het begin van 244 op een veldtocht tegen Sapōres van Perzië aan den Euphraat dicht bij Circesium door zijn praefectus praetorio, M. Julius Philippus, vermoord werd, die daarop tot Augustus werd uitgeroepen.
Gordium, Gordiēum, Γόρδιον, Γορδιεῖον, oude hoofdstad der phrygische koningen, ten tijde van Augustus in Iuliopolis verdoopt, aan den Sangarius. Zie Gordius.
Gordius, -ias, Γόρδιος, Γορδίας, een phrygisch landbouwer, op wiens ploeg zich eens een arend zette, wat verklaard werd als een teeken dat hij eenmaal de koninklijke waardigheid zou verkrijgen. Toen kort daarna de Phrygiërs bij binnenlandsche onlusten het orakel om raad vroegen, werd hun bevolen hem tot koning te kiezen, dien zij zouden ontmoeten, terwijl hij op een wagen naar den tempel van Zeus reed. G. was de eerste, die aan deze voorwaarde voldeed, hij werd tot koning uitgeroepen en werd de stamvader van een nieuw vorstenhuis. Hij bouwde de stad Gordium, die residentiestad bleef, en wijdde daar den wagen, waarop hij gezeten was toen hij tot koning werd uitgeroepen, en waaraan de kunstig gelegde gordiaansche knoop was, die volgens een orakel door een toekomstig beheerscher der wereld zou losgemaakt worden, en dien Alexander de G. doorhakte.
Gordyaei, Γορδυαῖοι, krijgshaftige bevolking van Gordyēne. De oude naam leeft nog voort in Koerden. Gordyaei montes, geb. van Gordyene, in het Z. van Armenia.
Gordyēne = Corduēne.
Gordys, Γόρδυς, zoon van Triptolemus, die zijn vaderland verliet en zich in het naar hem genoemde landschap Gordyēne nederzette.
Gorgias, Γοργίας, 1) van Leontīni, kwam reeds tamelijk bejaard (hij was ± 483 geboren) in 427 als gezant naar Athene, en trok daar zeer de aandacht door zijne kunstige en sierlijke redevoeringen. Kort daarna deed hij een reis door Griekenland, en verwierf overal door zijne openbare redevoeringen (ἐπιδείξεις) en door zijn onderwijs in de redekunst, roem en geld. Hij stierf te Larissa in Thessalië, geruimen tijd na Socrates, misschien eerst 375. Hij was een der eerste sophisten en hield zich ook met wijsbegeerte bezig; in zijn werk περὶ τοῦ μὴ ὄντος ἤ περὶ φύσεως komt hij tot het besluit dat niets in werkelijkheid bestaat, dat men, al bestond er iets, het toch niet zou kunnen leeren kennen, en dat men, al ware ook dit zoo, zijne kennis toch niet aan anderen zou kunnen mededeelen. De welsprekendheid kan dus volgens hem niet dienen tot het verkondigen van een waarheid, die niet bestaat of althans niet te vinden is, maar is het werktuig om persoonlijke meeningen, juist of onjuist, ingang te doen vinden. Hij is de schepper van de Grieksche woordkunst, en van de verschillende redefiguren (Γοργίεια σχήματα); er zijn nog twee redevoeringen van hem over, Ἑλένης ἐγκώμιον en Παλαμήδης, die lang voor onecht zijn gehouden.—2) atheensch rhetor, gedurende eenigen tijd leermeester van Cicero’s zoon, schrijver van een werk over rhetorische figuren, waarvan een latijnsch uittreksel van Rutilius Lupus bestaat.
Gorgidas, Γοργίδας, Thebaan, boeotarch in 378. Rondom hem en zijn vriend Epaminondas vereenigden zich onder de oligarchische regeering een aantal jongelieden, die na het herstel der democratie in den oorlog tegen Sparta uitmuntten, en uit welke Pelopidas later de zoog. heilige schare vormde.
Gorgobina, stad der Bojers, ergens tusschen den Liger (Loire) en den Elaver (Allier), naar welke streek dit volk met Caesars goedvinden verhuisd was.
Gorgones, Γοργοῦς, Γοργόνες, drie dochters van Phorcys en Ceto, wier namen zijn Stheno, Euryale en Medūsa (z. a.). Zij wonen nabij de Hesperiden en worden voorgesteld als vreeselijke wezens met slangen in plaats van haar op het hoofd, een gordel van slangen, groote slagtanden, vleugels en koperen klauwen; wie haar aanzag werd versteend. Later werden zij echter als schoone jonkvrouwen afgebeeld, vooral Medusa. Bij Homerus komt slechts ééne Gorgo voor, wier schrikverwekkend hoofd op de Aegis staat.
Gorgōpis, Γοργῶπις, meertje bij Corinthus.
Gortȳn of -tȳna, Γόρτυν, -τυνα, eene der hoofdsteden van Creta, in het Z. van het eiland. In 1884 is hier een belangrijk opschrift ontdekt, dat een gedeelte bevat van het stadrecht van Gortyn uit ± 400, voor de geschiedenis van het grieksche recht van het hoogste belang.
Gortynia, Γορτυνία, stad in het macedonische gewest Emathia.
Gothi, Gothōnes, Γότθοι, Σκύθαι, een van de Oost-Germaansche volkeren; zij woonden in de eerste eeuw na Chr. aan den rechter oever van de Beneden-Weichsel (Vistula), maar waren daarheen gekomen uit Scandinavië (Gothland); ze werden—in tegenstelling met de meeste Germanen—door koningen geregeerd. Tusschen 150 en 230 na Chr. zijn ze in vele afdeelingen langzamerhand naar de Noordkust van de Zwarte Zee verhuisd, en hebben door die verhuizing waarschijnlijk de aanleiding gegeven tot den Markomannenoorlog (166–180), daar de stammen die daaraan hebben deelgenomen, door de Gothen voor zich uitgedreven zijn. In de 2de helft der 3de eeuw splitsen ze zich in Oost-Gothen (Austrogoti, Ostrogothi) of Grutungi, en in West-Gothen (Visigothi) of Tervingi. Een 3de gedeelte van den stam, de latere Gepiden, was aan de Weichsel achter gebleven. Sedert ongeveer 257 zijn Oost- en West-Gothen meester van Dacië, en blijven daar wonen tot ongeveer 376.
De eigenlijke Gothentochten, eerst te land, later ter zee, beginnen in 238, en duren tot 269, toen keizer Claudius Gothicus hen bij Naissus (Nisch) versloeg. Omstreeks 376 na C. dwongen de Hunnen de Oostgothen, zich met hen te vereenigen; doch de Westgothen vroegen aan keizer Valens eene woonplaats in het rom. rijk, en trokken, 200000 strijdbare mannen sterk, met hunne gezinnen den Donau over, om zich in Moesia en Thracia te vestigen, waarheen nog eene schaar Oostgothen hen volgde. De hebzucht en het bedrog der rom. ambtenaren was oorzaak van een oorlog, waarin Valens (z. a.) omkwam. De Gothen plunderden en verwoestten nu het Balkan-schiereiland, totdat in 382 keizer Theodosius de Groote hen tot onderwerping dwong. Onder de regeering van Arcadius begonnen de geschillen en plunderingen opnieuw; zie Alaricus. Alariks opvolger Ataulf voerde de Westgothen naar Gallia, waar in 415 Wallia een westgothisch rijk stichtte met Tolōsa (Toulouse) tot hoofdstad.—Toen in 453 met Attila’s dood het Hunnenrijk uiteenspatte, trokken ook de Oostgothen over den Donau en bleven zich in de Donaugewesten ophouden, tot zij in 495 onder hunnen koning Theodorik Italië veroverden. Als oudste overblijfsel van germaansche taal bezitten wij nog eene gothische bijbelvertaling van bisschop Ulfilas uit de vierde eeuw. De Gothen behoorden als Christenen tot de Arianen.
Gothīni = Cotini.
Gracchus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 7–13).
Gradīvus, bijnaam van Mars, als god die in den strijd vooraan gaat. Hij had een tempel voor de Porta Capēna te Rome.
Graeae, Γραῖαι, drie dochters van Phorcys en Ceto, die alleen den weg naar de Gorgonen, hare zusters, kenden; hare namen zijn Dino, Pephrēdo en Enȳo. Zij hebben een schoon, blozend gelaat, maar grijze haren, en met elkander slechts één oog en één tand. Soms worden zij als zwanen voorgesteld. Zij wonen aan den westelijken rand der aarde, waar noch zon, noch maan schijnt. Z. Perseus.
Graecia. De oude Grieken noemden hun land Hellas (z. a.), de Rom. gaven er als provincie den naam Achaia aan. Den algemeenen naam Graeci (Graïci) ontleenden de Rom. aan de Graï, een volksstam uit Boeotia, (uit het gebied van Tanagra en Orōpus), die samen met kolonisten uit Chalcis, Eretria en Cyme (aan de O.-kust van Euboea), Cumae in Campania gesticht hebben. Graïci is ook de naam van een griekschen stam in Epīrus. V. a. hebben de Rom. de naam Graeci aan dezen stam ontleend.
Graecia magna, ἡ μεγάλη Ἑλλάς, naam voor Beneden-Italië, wegens het groote aantal grieksche volkplantingen aldaar, die nagenoeg de geheele kust in bezit genomen hadden. Onderlinge veeten ondermijnden de macht dezer staatjes, die bovendien aan den eenen kant door Syracusae, aan den anderen door de lucanische Samnieten werden bedreigd. Op het laatste oogenblik verbonden de grieksche steden zich nog onder hegemonie der stad Thurii, doch de slag bij Laüs in 390 leverde het land in handen der Samnieten, en, voor zoover de grootere steden nog vrij bleven, werd hun gebied toch beperkt tot den bodem der stad. In 272 was geheel Zuid-Italië aan de Rom. onderworpen.
Graecostasis, een eenigszins verhoogd, open terras, locus substructus, aan de Z. zijde van het Comitium, grenzende aan het Forum, tegenover de Curia Hortilia. De gezanten van Grieken en andere volken wachtten er het oogenblik af, dat de rom. senaat hun audiëntie zou verleenen.
Graecus, Γραῖκος, zoon van Thessalus, koning van Phthia, aan wien de Grieken hun naam (Graeci) ontleenen.
Graii, dichterlijk = Graeci. Zie echter ook Graecia.
Graioceli, volksstam in Gallia Transalpīna, aan de Grajische Alpen, nabij den M. Cénis.
Γραμματεύς, schrijver, klerk. De schrijvers der magistraten, deels door hen zelf gekozen, deels hun door het volk toegevoegd, waren meestal lieden van geringen stand, soms zelfs staatsslaven. Dit was echter niet het geval met den γρ. τῆς βουλῆς, die door den raad verkozen werd, den γρ. κατὰ πρυτανείαν, die voor iedere prytanie door het lot werd aangewezen, en den γρ. τῆς πόλεως, die door het volk werd verkozen.—Bij het achaeïsch en aetolisch verbond behoorden de γραμματῆς tot de hooggeplaatste ambtenaars.
Γραμμή, linea alba, een met krijt besmeerd touw, dat over de renbaan gespannen was, totdat alle paarden in eene rij ervoor stonden; als de wedren begon, werd het touw snel weggetrokken. De inrichting diende om te beletten dat een paard vroeger afging dan de andere.
Grampius mons, beter Graupius mons, gebergte in Britannia Barbara, waar Agricola zijne laatste, zoo schitterende overwinning behaalde, alvorens keizer Domitiānus hem terugriep. Dit is het eenige gebergte in Britannia waarvan de naam bij een rom. schrijver vermeld wordt. Aardrijkskundigen uit de 18de eeuw hebben ten onrechte op een gedeelte der Highlands dezen naam overgebracht (Grampian mountains), die in het land zelf niet gehoord wordt.
Granīcus, Γρανικός, rivier in Mysia, uitstroomende in de Propontis (zee v. Marmara). Aan deze rivier behaalde Alexander d. Gr. zijne eerste overwinning op de Perzen, in 334, en L. Licinius Lucullus in 73 de zege op Mithradātes.
Granii, een plebejisch geslacht. 1) Granius Flaccus, oudheidkundige ten tijde van Caesar of Augustus, schreef de indigitamentis en de iure Papiriano.—2) M. Granius Marcellus, proconsul van Bithynia, werd in 15 n. C. door zijn quaestor Caepio Crispinus aangeklaagd wegens majesteitsschennis, maar vrijgesproken. Of hij ook vrijgesproken is van afpersing, waarvan hij ook aangeklaagd was, staat niet vast.—3) Granius Licinianus, romeinsch geschiedschrijver, waarschijnlijk uit den tijd der Antonijnen, van wiens annales eenige fragmenten over zijn.
Γραφή, schriftelijke aanklacht, in het bizonder, in tegenstelling met δίκη, aanklacht wegens een vergrijp tegen de maatschappelijke orde of tegen den staat. Ieder burger, die in het volle bezit zijner rechten was, niet alleen de betrokken persoon, konde als aanklager optreden, hij werd echter, indien niet een vijfde van de rechters voor veroordeeling stemde, met 1000 drachmen beboet, en verloor het recht iemand wegens eene soortgelijke zaak aan te klagen (z. ook Ἀνάκρισις). Op eene veroordeeling volgde geldboete, atimie of doodstraf.—Vgl. δίκη.
Gratiae, z. Charis.
Gratianopolis, vroeger Cularo, thans Grenoble, stad der Allobrogen in Gallia Transalpīna.
Gratiānus (Fl.), geb. te Sirmium in 359 n. C., oudste zoon van keizer Valentiānus I, sedert 367 mederegent en in 375 opvolger zijns vaders in het W. des rijks, terwijl zijns vaders broeder Valens het O. bestuurde (364–378 n. C.). Gratianus was een veelbelovend jongeling, om zijne zachtheid en reinheid van zeden algemeen bemind. Ausonius, de dichter der Mosella, was zijn leermeester geweest. Afwisselend hield Gratianus zich in Italia en Gallia op, waar hij dan meestal in de civitas Trevirorum (Trier) verblijf hield. Hij was een ijverig Christen, en hij onttrok aan den ouden godsdienst en de priesters daarvan den steun van den staat. Hij stond sterk onder den invloed der geestelijkheid, vooral van bisschop Ambrosius van Milaan. Hij had te kampen met de Lentienses, een afdeeling der Alemannen, die hij in 378 bij Argentovaria (Argentaria, ten Z. van Straatsburg) versloeg. In 383 brak in Britannia een opstand in het leger onder Maximus uit en toen deze laatste in Gallië geland was, werd Gratianus door zijn troepen bij Parijs verlaten en op de vlucht te Lyon vermoord.
Gratidii, plebejisch geslacht uit Arpīnum. 1) M. Gratidius, een bekwaam redenaar en een man van fijne beschaving, sneuvelde in den oorlog van M. Antonius (den redenaar) tegen de cilicische zeeroovers, in 102. Zijne zuster Gratidia was Cicero’s grootmoeder.—2) M. Gratidius was onder Q. Cicero legaat in Asia, 61–59.—3) M. Marius Gratidianus, zoon van no. 1 en door zekeren Marius (niet den bekenden) als zoon aangenomen, werd door Sulla vogelvrij verklaard en door Catilīna vermoord.
Gration, Γρατίων, een van de Giganten, door Artemis gedood.
Gratius (Grattius), afkomstig uit Falerii en daarom Faliscus bijgenaamd, rom. dichter, tijdgenoot en vriend van Ovidius. Van hem is nog een leergedicht over de jacht, getiteld Cynegetica, grootendeels bewaard gebleven.
Graupius mons, zie Grampius mons.
Graviscae, oude stad in Etruria, tot het gebied van Tarquinii behoorende, sedert 181 rom. kolonie, bekend door goeden wijn, doch ook door haar vochtig en koortsig klimaat (gravis aër), tengevolge van de verpestende uitwasemingen der Maremmen.
Gregorius, Γρηγόριος, 1) uit Neocaesarēa, bijgenaamd Θαυματουργός, geb. omstreeks 213 n. C., was een leerling van Origenes, en werd door zijn invloed tot het Christendom bekeerd; hij heeft als bisschop zeer veel gedaan voor de uitbreiding van het Christendom in Pontus. Van hem zijn nog verscheidene geschriften over.—2) van Nazianzus, bijgenaamd ὁ Θεολόγος, studeerde te gelijk met Basilius, die daar zijn vriend werd, en met Julianus te Athene, ongeveer 354 n. C. Hij heeft vele geschriften van theologischen inhoud, maar ook gedichten en brieven nagelaten. Bij hem komt sterk tot uiting de innige vermenging van Christendom en het beste deel der antieke beschaving. Voor de geschiedenis van belang zijn zijne Invectivae in Julianum. Hij is gestorven omstreeks 390.—3) van Nyssa, broeder van Basilius, bisschop van Nyssa. Ook van hem zijn vele geschriften over.
Groma, een woord uit de taal der augurs, misschien verbasterd uit het grieksche γνώμων. 1) een werktuig om den grond op te meten, Gromatici zijn landmeters. De voornaamste schrijvers over landmeetkunde, agrimensores of gromatici, zijn: Frontinus, Balbus, Hyginus (misschien twee verschillende schrijvers), en Siculus Flaccus.—2) het punt, vanwaar men bij het afbakenen eener ruimte voor eene legerplaats, eene stad, enz. de opmetingen begon.
Grudii, een volk in Belgium, ergens aan den Scaldis (Schelde), misschien bij het tegenwoordige dorp Groede in Staats-Vlaanderen.
Grumentum, aanzienlijke stad in het hart van Lucania aan de via Popilia.
Gruthungi (Greuthungi), naam der Oost-Gothen tijdens hun verblijf in Dacië (± 257–± 376 n. C.).
Gryllus, Γρύλλος, 1) vader van Xenophon.—2) zoon van Xenophon, sneuvelde in den slag bij Mantinēa; de Atheners beweerden, dat hij het was, die Epaminondas doodelijk gewond had.
Grynēus, bijnaam van Apollo, naar de aeolische stad Grynia, waar hij een tempel had.
Grynia, Grynium, Γρύνεια, Γρύνειον, oude havenstad in aziatisch Aeolis, met een tempel en een orakel van Apollo Grynēus.
Gryps, Gryphus, Γρύψ, griffioen, een fabelachtig dier met het lichaam van een leeuw, den kop en de vleugels van een arend. Zij bewaken het goud van het verre Oosten of Noorden en voeren om dat goud een eeuwigen strijd tegen de Arimaspen (z. a.).
Gugerni of Guberni, germaansch volk aan den linkeroever van den Rijn tusschen Keulen en het eiland der Batavieren. Ze dienden veel in de romeinsche legers, vooral onder den naam Traianenses (naar Colonia Traiana, Xanten). Men neemt veelal aan, dat ze afstammen van de door Tiberius naar den linkeroever van den Rijn verplaatste Sygambren (z. a.).
Gulussa, Γολόσσης, tweede zoon van den numidischen vorst Masinissa, broeder van Micipsa en vader van Massīva.
Γυμνῆτες, eigenlijk lichtgewapenden, in Argos een gedeelte van de onderworpen oude inwoners, die ongeveer in denzelfden toestand waren als de heloten in Sparta en als lichtgewapenden dienden.
Γυναικεῖον, z. Gynaeceum.
Γυναικονόμοι, Γυναικοκόσμοι, ambtenaars, door Demetrius Phalēreus aangesteld, om te zorgen voor de handhaving van de wetten op de weelde. Deze wetten bevatten bepalingen over feestmaaltijden, de inrichting van woningen, den opschik van vrouwen, e. dgl.
Gustatio, het gebruiken van eenige spijs tusschen de eigenlijke maaltijden in; zie verder Coena.
Guttōnes = Gothi.
Gyara (plur.) of Gyarus, Γύαρος, een arm eiland uit de groep der Cycladen, ten Z. van Andrus gelegen, onder de rom. keizers als verbanningsoord gebruikt.
Gyas, Γύης, een van de Centimani.
Gygaeus lacus, Γυγαία λίμνη, meertje in Lydia ten N. van Sardes, aan de overzijde van den Hermus, later Coloë, Κολόη, geheeten. Aan de oevers van dit meer waren de graven der oude lydische koningen.
Gyges, Γύγης, gunsteling van den lydischen koning Candaules. Door de hulp van diens gemalin, en volgens een verhaal onder bescherming van een tooverring, die hem onzichtbaar maakte, doodde hij Candaules, en maakte hij zich omstreeks 685 van de regeering meester. Hij was de stamvader van het geslacht der Mermnaden. Hij breidde zijn rijk uit en trachtte vriendschappelijke betrekkingen met Griekenland aan te knoopen, hoewel hij later de aziatische Grieken aan zich zocht te onderwerpen. Hoewel hij zich in het begin van zijne regeering genoodzaakt had gezien den koning van Assyrië te huldigen, hielp hij Psammetichus zich van het assyrische rijk onafhankelijk te maken. Waarschijnlijk sneuvelde hij in een oorlog tegen de Cimmeriërs.
Gylippus, Γύλιππος, spartaansch veldheer, werd in 414 met een leger en eene vloot naar Sicilië gezonden, om de Syracusanen tegen de Atheners te ondersteunen. Vooral zijn beleid veroorzaakte de vernietiging der atheensche legermacht, hij verzette zich echter tegen het ter dood brengen van Nicias en Demosthenes. Later maakte hij zich schuldig aan diefstal van buitgemaakte goederen en moest hij uit Sparta vluchten.
Gymnasiarchia, Γυμνασιαρχία, eene liturgie, die de verplichting medebracht om hen, die zich voor den fakkelwedloop oefenden, te onderhouden en waarschijnlijk ook gedurende den tijd van oefening te bezoldigen. Er waren te Athene tien gymnasiarchen, één uit iedere phyle.—In den keizerstijd was de gymnasiarch iemand die toezicht hield op de gymnasia en de daar gehouden oefeningen.
Gymnasium, Γυμνάσιον, plaats voor oefeningen in de gymnastiek. Een gymnasium vond men in elke grieksche stad, en groote steden hadden er gewoonlijk meer dan één. Oorspronkelijk waarschijnlijk zeer eenvoudige inrichtingen in de open lucht, trokken de gymnasia, bij de groote belangstelling die de Grieken voor de gymnastiek gevoelden, een groot aantal bezoekers, die er kwamen hetzij om zich te oefenen, hetzij om naar de oefeningen van anderen te zien. Zoo werd het gymnasium een middelpunt van het publiek leven, en werd het ook door velen bezocht, die alleen tijdverdrijf of gezellig verkeer wenschten, en zoo was dit ook de plaats, waar wijsgeeren, rhetoren, enz., zich bij voorkeur ophielden, daar zij wisten hier altijd talrijke toehoorders te vinden. Bij den aanleg van een gymnasium moest dus met dit drukke bezoek rekening gehouden worden, en dientengevolge werd een groot deel van de ruimte bestemd voor doeleinden, die niet onmiddellijk met gymnastische oefeningen in verband staan. Op vorenstaande schets, waarvan het donkergetinte de overblijfsels van het gymnasium te Ephesus voorstelt, waaruit men door beschrijvingen der ouden zich gemakkelijk eene voorstelling van het geheel kan maken, is C het Ephebēum, een groote zaal, bestemd voor de oefeningen der jongelieden, R R R waarschijnlijk speelzalen, en wel de langwerpige ruimte het sphaeristerium, ingericht voor het balspel, T T oefenplaatsen in de open lucht, rondom met verhoogde voetpaden voor de toeschouwers, W de renbaan met een groot aantal verhoogde zitplaatsen voor de toeschouwers, X X X, A en S open zuilengangen met plaatsen voor openbare voordrachten (exedrae), B een overdekte zuilengang, V V V beplante wandelplaatsen; de overige vertrekken zijn kleed-, bad- en stookkamers, bewaarplaatsen, enz. De door zuilen ingesloten ruimte A A A A (peristylium) heeft een omtrek van twee stadiën.
Gymnesiae insulae = Baleāres.
Gymnopaediae, Γυμνοπαιδίαι, een groot feest, gedurende verscheiden dagen in de maand Juli te Sparta met muziek, dans en gymnastiek gevierd. De oorspronkelijk godsdienstige beteekenis van dit feest raakte reeds vroeg op den achtergrond; sedert den slag bij Thyrea (omstreeks 540) herdacht men op die dagen de 300 in dien slag gesneuvelde Spartanen. Het waren de eenige dagen, waarop de burgers vreemdelingen ontvingen, die gewoonlijk in groote menigte kwamen toestroomen.
Gymnosophistae, Γυμνοσοφίσται, eene secte van indische wijsgeeren, die naakt in de bosschen leefden; wanneer zij oud of ziekelijk werden, lieten zij zich levend verbranden.
Gynaecēum, Γυναικεῖον, Γυναικωνῖτις, het gedeelte van het huis, dat meer bizonder door de vrouwen bewoond werd, en waar vreemde mannen niet werden toegelaten; het lag gewoonlijk in het achterste gedeelte van het huis of op een bovenverdieping. In het eerste geval lagen de verschillende vertrekken, evenals in het mannenverblijf, rondom eene αὐλή. Zie Οἰκία.
Gyndes, Γύνδης, een zijtak van den Tigris, die boven Ctesiphon in den Tigris valt. Cyrus leidde, volgens het naieve verhaal, op zijn tocht naar Babylon het water van den Gyndes in 360 kanalen af.
Gyrtōne, Γυρτών, -ώνη, oude stad in het thessalische landschap Pelasgiōtis, aan den Penēus. De bewoners heetten oudtijds Phlegyae, Φλεγύαι.
Gythēum of -ium, Γύθειον, -ιον, aan de Laconische golf, belangrijke zeestad en oorlogshaven der Spartanen. In 455 werd hier de spartaansche vloot door den Athener Tolmidas vernield, en in 371 werden de vruchtbare en wijnrijke omstreken door Epaminondas verwoest.