Q. Rex. C. F. Zie regifugium.
Quadi, een suebische volksstam, die meestal samen met de Marcomannen genoemd wordt en in het tegenw. Moravië en omliggende streken woonachtig was. O. a. namen zij deel aan den grooten strijd, dien de Marcomannen van 166–175 na C. tegen Marcus Aurelius voerden, en ook in later tijd werden de rom. grenzen nog menigmaal door hen bestookt. Ze komen dan steeds voor in verbond met de in de Donau-Theiss-vlakte wonende Sarmaten (Iazyges), zie Iazyges. Tegen het einde der 4de eeuw na C., in het tijdperk der volksverhuizing, verdwijnen zij geheel.
Quadrans, kleine rom. koperen munt = 3 unciae of ¼ as. Men vindt er nog met verschillende stempels, doch als algemeen kenmerk dragen zij drie knopjes, overeenstemmende met het getal onsen.
Quadrigati, z. Bigati.
Quadruplatōres, meer gebruikelijke naam der delatores onder de rom. keizers.
Quaesītor, zie quaestor.
Quaestiōnes perpetuae, zie iudicium publicum en iudex. De eerste quaestio perpetua was de qu. repetundarum, in 149 door de lex Calpurnia in het leven geroepen.
Quaestor, ταμίας. Oorspronkelijk is dit woord hetzelfde als quaesītor, welke naam in zwang bleef voor hem, die met de leiding van een gerechtelijk onderzoek werd belast. Onder de rom. koningen komen quaestores parricidii voor, die niet slechts in zaken van moord, maar in het algemeen in res capitales werkzaam schijnen geweest te zijn als openbare aanklagers. Onder de republiek komen er reeds vroeg twee quaestores voor, die door de consuls benoemd werden, en hun ondergeschikt waren. Sedert 447 werden zij in de comitia tributa gekozen, zoodat ze magistratus populi werden. Sedert 421 werden er 4 benoemd, en wel promiscue de plebe ac patribus, waarvan twee te Rome bleven (quaestores urbani), en twee de consuls in den oorlog vergezelden. In 267 werd het getal op acht gebracht, waarvan 4 voor Italia, in 81 door Sulla op twintig, in 45 door Caesar op veertig. Het lot wees aan, welke twee als quaestores urbani of quaestores aerarii te Rome zouden blijven en naar welke provincie elk der overige zou gaan. Daar dus het lot den stadhouder en zijn quaestor samenbracht, bestond er tusschen hen een vinculum pietatis als tusschen vader en zoon, en was bij ontstentenis van den stadhouder de quaestor diens aangewezen plaatsvervanger. Overigens was hij belast met de boekhouding der staatsgelden in de provincie, evenals zijne ambtgenooten te Rome. De quaestores urbani of aerarii waren belast met het opsporen en vonnissen van halsmisdaden van niet-politieken aard (zie Contio). Zij oefenden deze rechtspraak uit als lasthebbers der consuls; bovendien waren zij werkzaam ten behoeve van de schatkist (aerarium) en toen door de instelling der quaestiones perpetuae langzamerhand hun crimineele rechtspraak verviel, werd het beheer der schatkist hun voornaamste bezigheid. Zij mochten geene uitbetalingen doen dan op een bevelschrift van den senaat, uitgezonderd aan de consuls, wanneer deze te Rome waren. Zij inden de belasting der burgers (tributa), der bondgenooten (stipendia), de inkomsten der bezittingen van den staat (vectigalia), verder de boeten (bona damnatorum) en de opbrengst van den oorlogsbuit (manubiae). Zie verder aerarium. Aan de quaestores urbani was ook opgedragen de zorg voor het onthaal van vreemde vorsten en gezanten. Uit den aard der zaak werd het werk voornamelijk verricht door een personeel van vaste klerken (scribae), aan wier hoofd de sex primi stonden, maar de quaestoren hadden de verantwoordelijkheid. Sedert de quaestuur de primus gradus ad honores was geworden, werd dit ambt door betrekkelijk jonge menschen bekleed. Daar men tien dienstjaren bij het leger moest tellen (die echter niet onafgebroken moesten worden uitgediend), was de leeftijd van 27 jaren, zooals bij de Gracchen het geval was, wel de vroegste voor de quaestuur. Eerst sedert het jaar 81 (lex Cornelia de magistratibus) hadden de quaestoren na afloop van hun ambtsjaar zitting in den senaat. De quaestoren aanvaardden hun ambt op 5 December.
Quaestor Caesaris of principis, zie candidatus principis.
Quaestor sacri palatii, onder keizer Constantijn den Gr. de eerste der hooge hofambtenaren, als het ware de rijkskanselier, tot wiens ressort wetgeving en justitie behoorden.
Quaestorium, de woning of de tent van den quaestor. Zie castra.
Quat(t)uorviri. 1) Quattuorviri iuri dicundo. In sommige municipia vond men duumviri iuri dicundo (z. a.) en twee aedielen, die dan gezamenlijk met bovenstaanden naam worden aangeduid.—2) Quattuorviri viis in urbe purgandis, eene commissie van vier leden, belast met de zorg voor de reinheid der straten en het onbelemmerd verkeer te Rome binnen den kring van den ouden muur van Servius Tullius. Het ambt bestond nog in de 3de eeuw n. C. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri (vigintiviri).—3) Zie praefecti Capuam Cumas.
Quinarius, rom. zilveren munt = ½ denarius, ter waarde van 5, later van 8 as.
Quinctii, patricisch gesl. 1) T. Quinctius Capitolīnus Barbātus, een dapper held, consul in 471, 468, 465, 446, 443 en 439, streed bij herhaling tegen de Aequers, Volscen en andere naburen van Rome.—2) L. Quinctius Cincinnātus (= krullebol) was consul suffectus in 460. Na afloop van het jaar trok hij zich op zijne landhoeve terug, doch werd in 458 als dictator geroepen om den door de Aequers ingesloten consul L. Minucius Esquilīnus Augurīnus te ontzetten. In 16 dagen tijds had hij de Aequers schitterend verslagen en een triumftocht gehouden, waarop hij onmiddellijk de dictatuur neerlegde en weder naar zijne hoeve terugging. Op 80-jarigen leeftijd, in 439, werd hij andermaal tot de dictatuur geroepen, om de onlusten te bedwingen, die door of tegen Sp. Maelius verwekt waren. Op zijn last werd Maelius door den magister equitum C. Servilius Ahāla omgebracht. Zie hieromtrent Maelii no. 1.—3) K. Quinctius Cincinnatus, zoon van no. 2, een rijzig en sterk jongeling, die zich in den oorlog onderscheiden had, doch heftig en opvliegend, zoodat hij zelfs beschuldigd werd zijn ouderen broeder in een twist te hebben doodgeslagen, deed in 461, bij den strijd over de lex Terentilia, met andere jonge adellijken een aanval op de volkstribunen en de plebs. Hij zag zich genoodzaakt in ballingschap te gaan; zijn vader moest de boete voor hem betalen.—4) T. Quinctius Pennus Cincinnatus was consul in 431 en 428.—5) T. Quinctius Cincinnatus Capitolinus, consulair-tribuun in 388 en 384, veroverde in 382 als dictator in tien dagen tijds Praeneste en negen andere steden en legde op den 20sten dag zijn dictatuur neder.—6) T. Quinctius Pennus Capitolinus Crispīnus was in 361 dictator tegen de Galliërs.—7) T. Quinctius Pennus Capit. Crispinus had in 214 en 212 met roem op Sicilia en bij Capua gestreden, doch werd in 208 als consul met zijn ambtgenoot M. Claudius Marcellus door Hannibal in een hinderlaag gelokt en stierf aan de bekomen wonden.—8) T. Quinctius Flaminīnus diende eerst in Beneden-Italië onder Marcellus (208) en werd in 198, nog geen volle 30 jaar oud, consul. Als proconsul versloeg hij in 197 het macedonische leger bij Cynoscephalae, waarna hij op de isthmische spelen van 196 de Grieken voor vrij verklaarde. Vervolgens bedwong hij (195) Nabis, tyran van Sparta, regelde de grieksche aangelegenheden en hield in 194 te Rome een driedaagschen zegetocht. In 189 was hij censor. De senaat zond hem in 183 naar Prusias van Bithynia, om de uitlevering van Hannibal te eischen.—9) L. Quinctius Flamininus, broeder van no. 8, was in 197 zijn legaat, in 192 was hij consul, in 184 werd hij door den censor M. Porcius Cato uit den senaat gestooten.—In lateren tijd vindt men eenige plebejische Quinctii of Quintii, z. a.—10) P. Quintius, voor wien Cicero in een causa privata eene pleitrede hield (81).—11) L. Quintius, in 74 volkstribuun en tegenstander van den consul L. Licinius Lucullus, dezelfde, die in het proces van Cluentius tegen Cicero optrad.—12) Quintius Scapula verwekte in Hispania den oorlog tegen Caesar, doch kwam na den slag bij Munda (45) te Cordula om.—13) T. Quinctius Atta, gestorven 77, dichter van fabulae togatae (z. togata no. 2). Er zijn nog enkele fragmenten van over.
Quinctiliānus, minder goede schrijfwijze voor Quintilianus, daar in zijn tijd in namen als Quintus en dgl. de c weinig meer geschreven werd.
Quinctilii, zie Quintilii.
Quinctīlis, oude naam voor Juli (zie annus).
Quincunx, zeldzaam voorkomende koperen rom. munt van 5 unciae = 5/12 as. Behalve met den stempel was zij met vijf knopjes of puntjes gemerkt, op de wijze van de vijf op onze dobbelsteenen. Hiernaar droeg deze figuur ook den naam van quincunx. Wanneer bijv. soldaten of boomen in quincuncem staan, staan zij als in onderstaande figuur.
Quindecimviri, 1) sacrorum of sacris faciundis, zie decemviri sacrorum.—2) buitengewone commissiën, bijv. agris dividundis; het getal 15 was niet standvastig; commissiën van 3, 5 of 10 leden komen veel meer voor.
Quinquātrus, een feest ter eere van Minerva, jaarlijks te Rome van 19 tot 23 Maart gevierd. Het was een feest van kunstenaars en handwerkslieden, vooral van de fullones, van onderwijzers en scholieren; op den eersten dag (dies natalis Minervae) werden aan de godin onbloedige offers gebracht, den tweeden, derden en vierden dag werden gladiatorenspelen gegeven, den vijfden dag vierden voornamelijk de trompetters feest en werden hunne instrumenten gewijd (tubilustrium). Bij de Q. minores of minusculae (13 Juni) speelden daarentegen de fluitspelers de hoofdrol.
Quinquennāles (viri), in de rom. municipia de naam van twee of drie overheidspersonen, wier werkkring met dien der censoren te Rome overeenkwam en die ook om de vijf jaren werden gekozen. Zie Municipium.
Quinqaertium = Pentathlum.
Quinqueviri, buitengewone commissiën, uit vijf leden bestaande, b. v. agris dividundis, muris turribusque reficiendis, enz. Quinqueviri mensarii komen in 352 voor, toen bij gelegenheid eener finantiëele crisis, op het initiatief der consuls P. Valerius Poplicola en C. Marcius Rutilus eene staatsbank (mensa) onder beheer van Vviri tijdelijk werd opgericht, die op voldoend onderpand voorschotten verleende. Een dergelijk geval had in 216 plaats (zie lex Minucia), doch toen onder beheer van IIIviri.
Quintāna (via), zie castra.
Quintii, zie Quinctii. De spelling zonder c kwam in den laatsten tijd der Rom. republiek op en werd onder het keizerrijk de meest gebruikelijke.
Quintiliānus (M. Fabius), uit Calagurris (Calahorra) in Hispania, omstreeks het jaar 35 n. C. geboren. Hij genoot zijne opleiding te Rome, waar hij vervolgens optrad als pleiter en bezoldigd leeraar in de welsprekendheid. Hij verwierf zich grooten naam. Twintig jaar lang vervulde hij het leeraarsambt, en toen hij het neerlegde, ± 91 na C., schonk keizer Domitiānus hem de ornamenta consularia. Hierna schreef hij zijn beroemd werk de institutione oratoria in 12 boeken, een volledig leerboek der rhetorica, rijk van inhoud, zuiver en duidelijk van taal en voorstelling. Van de op zijn naam staande declamationes zijn alleen de 145 kleine misschien van hem; de 19 groote zijn onecht.
Quintilii of Quinctilii. 1) P. Quinctilius Varus (= krombeen), praetor, streed in 203 in Gallia Cisalpīna zegevierend tegen Hannibals broeder Mago.—2) S. Quintilius Varus streed in het begin van den burgeroorlog met Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 8) tegen Caesar. Caesar nam hem gevangen, doch stelde hem weer in vrijheid.—3) P. Quintilius Varus, zoon van no. 2, consul in het jaar 13, werd later stadhouder van Syria, van waar hij in 6 na C. naar Germania werd gezonden. Zijn onberaden ijver om rom. taal en instellingen in te voeren was oorzaak, dat hij met drie legioenen in het Teutoburger woud door den Cheruscer Arminius overvallen en zijn leger geheel vernietigd werd (Sept. 9 na C.).—4) Quintilius Varus uit Cremona, een vriend van Vergilius en Horatius, stierf in 23.—5) Onder de keizers Marcus Aurelius en Commodus komen nog twee broeders Quintilii voor, die in 178 tegen de Germanen streden. Commodus bracht hen om.
Quintus, Κόιντος, van Smyrna (Smyrnaeus), dichter van een episch gedicht in 14 zangen, τὰ μεθ’ Ὅμηρον, bevattende de geschiedenis van den trojaanschen oorlog na den dood van Hector. Hoewel vrij langdradig en zonder eenheid, is het werk niet zonder verdiensten. Hij leefde vermoedelijk in de 4de eeuw na C. Naar Calabrië, waar het handschrift van zijn gedicht gevonden is, wordt hij dikwijls Calaber genoemd.
Quirinalia, een feest ter eere van Quirīnus, dat op den 17 Februari te Rome werd gevierd. Zie ook Fornacalia.
Quirinālis (collis), een der bergen, waarop Rome was gebouwd, zie Roma.
Quirinius (P. Sulpicius), zie Sulpicii no. 21.
Quirīnus, een van de oudste Romeinsche goden, in beteekenis overeenkomend met Mars. Later meende men, dat Q. een sabijnsche godheid was, wiens dienst door Numa naar Rome werd overgebracht; gewoonlijk wordt hij voor denzelfden gehouden als de onder de goden opgenomen Romulus (z. a.). Zijn oudste tempel te Rome lag op den mons Quirinālis, terwijl zijn dienst werd waargenomen door den flamen Quirinalis en door een afzonderlijk college van Salii (de Salii Agonenses), door Tullus Hostilius ingesteld. Q. is ook een bijnaam van Jānus (z. a.).
Quirītes. De oorsprong van dezen naam is zeer onzeker. Sommigen hebben hem afgeleid van de stad Cures in het sabijnsche land, anderen van een oud woord quiris of curis = speer. Doch wat ook de beteekenis zij, de herhaaldelijk voorkomende uitdrukkingen populus Romanus Quiritium of populus Romanus Quirites geven genoegzame aanwijzing, dat Quirites als volksnaam der rom. burgers gold. Daar nu deze naam vooral den rom. burger aanwijst in de uitoefening zijner burgerrechten, dus in vredestijd, zoo schijnt hieruit eene tegenstelling geboren te zijn tusschen Quirites als vreedzame burgers en milites, te meer daar sedert Marius het gros van het leger meer en meer uit beroepssoldaten was saamgesteld.
Rabirii. 1) C. Rabirius, bejaard rom. senator, werd in 63 door den volkstribuun T. Labiēnus van hoogverraad (perduellio) beschuldigd, als medeplichtig aan den moord op den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus in het jaar 100. Het proces werd gevoerd voor het oude hof der duumviri perduellionis; Rabirius werd ter dood veroordeeld, doch beriep zich op het volk. Hij werd door de redenaars Hortensius en Cicero verdedigd, doch zou vermoedelijk, uit wrok tegen den senaat, ook door de comitiën veroordeeld zijn, indien niet de praetor Q. Metellus Celer de roode vaan (vexillum russeum) van den Janiculus had doen wegnemen tengevolge waarvan de volksvergadering moest uiteengaan. De aanklacht werd echter niet weder opgevat.—2) C. Rabirius Postumus, zoon van C. Curtius, neef en aangenomen zoon van no. 1, rom. ridder, was in Aegypte in dienst van koning Ptolemaeus XI Aulētes geweest. A. Gabinius was in 54 beschuldigd en veroordeeld, op grond dat hij, als stadhouder van Syria, zich door den in een opstand verdreven koning voor 10000 talenten had laten omkoopen om hem op den troon van Aegypte te herstellen. Daar uit de bezittingen van Gabinius de boete, die gelijk was aan de ontvangen som, niet kon gevonden worden, werd Rabirius, die ook een deel van het geld had ontvangen, aangesproken voor het tekort. Schoon Cicero als verdediger van Gabinius, nu ook voor Rabirius pleitte, werd deze toch veroordeeld en ging in ballingschap. Zijn verblijf te Alexandrië was alles behalve vlekkeloos geweest. Later diende hij onder Caesar.—3) C. Rabirius, episch dichter van naam onder Augustus, bezong den slag bij Actium.
Racilius (L.), volkstribuun in 58, trok tegen P. Clodius voor Cicero partij.
Racōtis, Ῥακῶτις, oud vlek in Aegypte, dat bij de stichting van Alexandrië in den kring dezer stad werd getrokken en er eene wijk van werd.
Raeda, zie rheda.
Raetia, Ῥαιτία, welke spelling boven Rhaetia wordt verkozen, strekte, met het noordelijker Vindelicia vereenigd, zich uit van de Alpen tot aan den Donau en van den Rijn tot den Aenus (Inn). De oude Raeti werden voor stamverwanten der Etruscers gehouden, door keltische stammen teruggedrongen. Ten tijde van Augustus (15 voor Chr.) en niet dan na een hevigen strijd, werden de woeste bergbewoners door Drusus en Tiberius met de Vindelici tot onderwerping gebracht, en met de reeds vroeger onderworpen Vallis Poenīna vereenigd tot een nieuwe provincie Raetia et Vindelicia. Er waren weinig steden. Tridentum (Trente) (z. a.) was oorspronkelijk een raetische stad, maar kwam later aan de keltische Cenomanes. Raetia en Vindelicia vormden de westelijkste rom. Donauprovincie; de Vindelici zijn Kelten, de Raeti niet.
Rambacia = Rhambacia.
Ramnes of Ramnenses, eene der drie oude stamtribus van Rome, z. echter Tities.
Raphia, Ῥαφεία, -ία, havenstad van Palaestina ten Z. W. van Gaza.
Rase(n)na, Ῥασέννα, naam die de Etruscers zichzelf geven.
Ratiaria, stad aan den Donau in Moesia Superior, later hoofdstad van Dacia Ripensis.
Ratomagus = Rotomagus.
Raudii campi = Campi Raudii.
Rauraci of Raurici, Ῥαυρακοί, volk in Gallia Transalpīna, naburen der Helvetiërs, met wie 25000 hunner medetrokken bij hun verhuizingstocht tijdens Caesars aankomst in Gallia. Ze woonden in de omstreken van Basel. Hoofdplaats: Augusta Rauracorum = Augst bij Basel.
Ravenna, Ῥάβεννα, stad nabij de Adriatische zee ten Z. van den Padus (Po) in Gallia Cisalpīna. Het lag te midden eener moerassige streek en had gebrek aan drinkbaar water, daarom werd van de bewoners gezegd: sitiunt vivi, natant sepulti. De stad was met grachten doorsneden. Haar bloei dagteekent van den tijd, dat Augustus ze tot het station maakte van de vloot der Adriatische zee en hiervoor eene groote haven liet aanleggen (± 22). Reeds door hare ligging sterk, werd Ravenna nu eene vesting van den eersten rang. Daarom verlegde keizer Honorius zijne residentie hierheen en dit bleef zoo ook onder de volgende keizers, en na den val van het west-rom. rijk ook onder Odoācer en de oostgotische koningen.
Rea Silvia, ook Ilia genoemd, dochter van Numitor, werd door haar oom Amulius aan den dienst van Vesta gewijd, opdat zij kinderloos zou sterven. Toen zij moeder van Romulus en Remus was geworden, werd zij v. s. levend begraven, v. a. gevangen gezet, maar na den dood van Amulius bevrijd, of wel in den Tiber geworpen en door den stroomgod tot echtgenoote genomen.
Reāte, Ῥέατον, -άτη, oude stad der Aborigines in Midden-Italië, later door de Sabijnen vermeesterd en tot hunne hoofdplaats gemaakt. Zij lag aan de via Salaria in eene uiterst liefelijke vallei. Zie verder Avens.
Rebilus, familienaam in de gens Caninia.
Recitationes. Tijdens Augustus won de gewoonte veld, dat schrijvers, alvorens hunne geschriften uit te geven, voor een kleiner of grooter publiek gedeelten daarvan voorlazen, eensdeels om het oordeel der hoorders te vernemen, anderdeels om aan de uitgaaf meer openbaarheid te geven.
Recognitio equitum, zie Equites.
Recuperatōres. Oorspronkelijk was dit de naam van een college van rechters, om na een oorlog te beslissen over teruggaaf van veroverd goed. Het was dan uit mannen van beide volken (Rom. en peregrini) saamgesteld. Allengs werd deze vorm ook te Rome ingevoerd bij processen tusschen Rom. en peregrini, en tusschen peregrini onderling. Daar deze gedingen altijd in korten termijn (binnen 10 dagen) moesten afloopen, namen de Rom. onderling ook meermalen hunne toevlucht tot zulk een hof van arbiters, b.v. in zaken van schuldvordering. Ook voor aanklachten tegen stadhouders wegens afpersingen werd wel van recuperatores gebruik gemaakt, het eerst in 171 bij het proces tegen P. Furius Philus, stadhouder van Lusitania. De iudices recuperatores werden telkens ten getale van 3 of 5 door den praetor aangewezen. Onder de keizers kreeg deze instelling steeds grooter uitgebreidheid.
Rediculus Tutānus Deus, een god, die voor de Porta Capēna te Rome een tempel had; hij had, naar men zeide, toen Hannibal op Rome aanrukte, hem door verschrikkelijke visioenen tot den terugtocht genoodzaakt.
Redones, gallisch volk in het tegenw. Bretagne. Hoofdstad: Condāte, thans Rennes.
Redux, bijnaam van Fortūna, als de godin, die legers en veldheeren behouden uit den strijd terugbrengt.
Regia, het oude koninklijk paleis van Numa, later de ambtswoning van den pontifex maximus, aan het forum naast den Vestatempel gelegen.
Regifugium. Het schijnt dat op den 24ste van sommige maanden door den rex sacrificus op het comitium te Rome een offer werd gebracht. Op den 24sten Februari, den gedenkdag van de verdrijving der koningen, moest hij na dit offer zich in allerijl naar huis spoeden. In verband hiermede heeft men de letters Q. REX C. F. in den rom. kalender wel verklaard: quando rex comitium fugit. Deze letters behooren echter bij den 24 Maart en den 24 Mei. Waarschijnlijker is dus de verklaring: quando rex comitiavit fas of fastus, d. w. z. dat die dagen eerst dan fasti waren, wanneer het offer van den rex op het comitium was afgeloopen en hijzelf naar huis was gegaan.
Regillensis, familienaam in de gens Postumia (Postumii no. 2, 3, 5, 6).
Regillum, plaatsje in den ager Sabīnus, waaruit de gens Claudia stamde. Ligging onbekend.
Regillus lacus, meer in Latium, ten O. van Rome, tusschen Gabii en Lavīcum, bekend door de overwinning der Rom. op de Latijnen in 498 of 493.
Regimen morum, zie Censor.
Regium flumen, βασίλειος ποταμός, βασιλεία διῶρυξ, Nahar Malcha, thans nog Nahr el Malk, het grootste verbindingskanaal tusschen den Euphraat en den Tigris, waarvan de bouw aan Nebukadrezar wordt toegeschreven.
Regium Lepidi, ook forum Lepidi genoemd, stad in Gallia Cispadāna, rom. kolonie, thans Reggio d’Emilia. Zie ook Rhegium.
Regulus, familienaam in de gens Atilia (Atilii no. 2–6).
Relegatio, zie deportatio.
Remi, Ῥῆμοι, machtig gallisch volk in het Z. van Belgica, met de steden Durocortōrum (Rheims) en Durocatalaunum (Châlons-sur-Marne).
Remmia (lex), zie Calumnia.
Remulus, een Rutuliër, zwager van Turnus, die tegen Aenēas en de Trojanen geweldig op zijne dapperheid snoefde, maar door Ascanius gedood werd.
Remuria = Lemuria, z. Lemures.
Remus, zie Romulus.
Repetundae, scil. pecuniae, gelden, die wederrechtelijk, b. v. door afpersing, verkregen waren en waarvan dus de teruggaaf geëischt moest worden. In het bijzonder was crimen repetundarum de beschuldiging van afpersing en knevelarij, tegen den stadhouder eener provincie ingebracht. Voor deze misdaad werd door de lex Calpurnia in 149 de eerste quaestio perpetua ingesteld.
Repotia, gen. -orum, nabruiloft, door den pas gehuwden echtgenoot daags na de nuptiae gegeven.
Repudium, echtscheiding, wanneer zij van ééne zijde kwam, dus wanneer de man zijne vrouw verstiet. In lateren tijd kon repudium ook van de zijde der vrouw plaats vinden. Zie divortium.
Resaina, Ῥέσαινα, Ῥέσινα, stad in het mesopotamische gewest Osroēne, nabij de bronnen van den Chabōras, later Theodosiopolis.
Rescriptum, schriftelijk antwoord des keizers op vragen betreffende twijfelachtige of betwistbare rechtspunten, waarin hij de rechtsgronden aangaf, waarnaar eene zaak moest beoordeeld en behandeld worden.
Residuae, scil. pecuniae, achterhouding van gelden, aan de schatkist verschuldigd.
Restitutio in integrum, herstel in den vorigen toestand, kon plaats hebben door den praetor. Het vonnis werd hierdoor niet vernietigd, maar de gevolgen er van werden opgeheven. Dit gold echter slechts voor civiele zaken. Wanneer iemand aqua et igni interdictus was, kon hij alleen door de volksvergadering teruggeroepen en in zijne rechten hersteld worden. In de burgeroorlogen matigden zij, die de macht in handen hadden, zich dikwerf dit recht aan, en onder de keizers werd het een keizerlijk recht, waaruit zich spoedig het begrip van gratie (indulgentia) ontwikkelde. Eene andere rest. in int. vond plaats, wanneer eene censorische bestraffing door volgende censoren werd opgeheven.
Retiarius, een zwaardvechter, gewapend met een drietand en een net, dat hij zijne tegenpartij over het hoofd trachtte te werpen, om hem door inwikkeling weerloos te maken.
Reudigni, volk in het N. van Germania, op den rechteroever van den Albis, een van de kleine volkeren, die de godin Nerthus vereeren.
Rex, familienaam, vooral in de gens Marcia (Marcii no. 4 en 5).
Rex, de koning. Na de verdrijving der koningen behield dit woord bij de Rom. eene hatelijke beteekenis, met een begrip van den meester te willen spelen. Rex heet ook de rijke Romein tegenover zijne cliënten (z.a.). De rom. senaat verleende ook somtijds dezen titel aan vreemde vorsten, zooals aan Deiotarus. In dit geval staat rex vóór den eigennaam.—Rex bibendi of convivii is de president bij het drinkgelag, zie arbiter bibendi.
Rex sacrorum, sacrificus of sacrificulus. Na de verdrijving der koningen werd voor het verrichten der offers, die de koning te brengen had, onder bovenstaanden titel een priesterambt in het leven geroepen. De rex sacrorum werd voor zijn leven gekozen door den pontifex maximus; hij genoot groote eer, doch was voor altijd van alle burgerlijke ambten uitgesloten. In rang was hij de eerste van de priesterschap, toch was hij ondergeschikt aan den lager staanden pontifex maximus. Zijne vrouw, met wie hij per confarreationem moest gehuwd zijn, heette regina sacrorum en had ook offers te verrichten.
Rha, Ῥᾶ, rivier in Sarmatia, thans Wolga.
Rhacius, Ῥάκιος, z. Manto.
Rhadamanthys, -thus, Ῥαδάμανθυς, -θος, zoon van Zeus en Eurōpa, werd door zijn broeder Minos van Creta verjaagd, en ging naar Ocalēa in Boeotië, waar hij met Alcmēne trouwde. Toen zijn leven op aarde geëindigd was, werd hij naar het Elysium verplaatst. Bij lateren is hij een van de rechters in de onderwereld.
Rhaetia = Raetia.
Rhagae, Ῥαγαί, aanzienlijke stad in het N. van Media. Nadat het door eene aardbeving verwoest was, liet Seleucus Nicātor het herbouwen onder den naam van Eurōpus. In de parthische oorlogen werd het verwoest, en op of nabij de plek verrees Arsacia.
Rhambacia, Ῥαμβακία, stad der Oriten aan de kust van het perzische landschap Gedrosia. Alexander de Gr. legde er eene kolonie aan.
Rhamnus, Ῥαμνοῦς, demus in het N. van Attica, aan de Oostkust op eene landtong, met een tempel van Nemesis Rhamnusia. Een oudere tempel van Themis werd waarschijnlijk door de Perzen verwoest.
Rhamnusia virgo, Ῥαμνουσία, ἡ ἐν Ῥαμνοῦντι θεά, Nemesis, zoo genoemd naar haar beroemd beeld in den demus Rhamnus.
Rhamphias, Ῥαμφίας, Spartaan, die vóór den peloponnesischen oorlog als gezant met Athene onderhandelde en in dien oorlog een leger in Thessalië aanvoerde.
R(h)ampsinītus, Ῥαμψίνιτος, oud-aegyptisch koning, door velen voor denzelfden gehouden als Ramses III, die omstreeks 1150 stierf. Van hem wordt verhaald dat hij levend in de onderwereld afdaalde, met afwisselend geluk met Demēter dobbelde, en ten slotte met een gouden handdoek op aarde terugkeerde. Zijn schatkamer werd op dezelfde wijs bestolen als die van Hyrieus (z. Agamēdes).
R(h)amses, Ῥάμψης, of Ramessoe, naam van verscheiden aegyptische koningen. Vooral beroemd is Ramses II de Groote, door de Grieken Sesostris of Sesōsis genoemd, die in de 14de eeuw regeerde, zegevierend in Libye, Aethiopië en ver in Azië doordrong, groote versterkingen, kanalen en andere bouwwerken liet aanleggen en over het geheel Aegypte tot den hoogsten trap van bloei bracht, die het ooit bereikt heeft.
Rhapsōdus, ῥαψῳδός, een zanger, die bij feestelijke gelegenheden gedichten voordraagt. Aan hen heeft men vooral het bewaren der gedichten van Homerus (z. a.) te danken, ofschoon zij niet alleen epische gedichten voordroegen, maar ook andere, mits alle verzen dezelfde maat hadden. Oudtijds talrijk en geacht, gingen zij later in beide opzichten achteruit. Zij waren kenbaar aan hun kleeding en hadden bij hun voordrachten een staf (ῥάβδος of αἴσακος) in de hand; in latere tijden droegen zij een rood kleed, als zij uit de Ilias, een violet, als zij uit de Odyssee voordroegen.
Rhea (of Cybele), Ῥέα, Ῥεία, Κυβέλη, dochter van Uranus en Gaea, gemalin van Cronus en bij hem moeder der groote olympische goden Zeus, Poseidon, Hades, Hera, Hestia en Demēter. Zij werd in Griekenland oorspronkelijk alleen als zoodanig (Μήτηρ, Magna Mater) en gewoonlijk in gemeenschap met hare kinderen vereerd, vooral op Creta, waar zij Zeus ter wereld gebracht en voor Cronus verborgen zou hebben. Waarschijnlijk was het daar, dat haar dienst samensmolt met dien van de aziatische Cybele of Cybēbe, de groote godin (Μεγάλη θεά), moeder van alle leven in de natuur, ten gevolge waarvan zij mettertijd geheel met deze godin vereenzelvigd werd en zelfs den naam Cybele bij haar oorspronkelijken naam kreeg, terwijl bij haar dienst overal in Griekenland meer of minder aziatische gebruiken overgenomen werden. Deze Cybele werd algemeen in Azië vereerd met allerlei ceremoniën, die zich kenmerkten door buitensporige woestheid en een overmatig vertoon van droefheid en vreugde. De hoofdzetel harer vereering was Pessinus (Πεσσινουντία), waar haar overoud, uit den hemel gevallen beeld (waarschijnlijk een meteoorsteen) in een tempel aan den berg Dindymus (Δινδυμηνή) stond. Hier droeg zij den naam Agdistis (z. a.) en vierde men jaarlijks te harer eer den dood en het herleven van haar geliefden Atys, waarbij de opgewondenheid zoo hoog steeg, dat de feestvierenden zich dikwijls ernstig wondden of verminkten. Hare priesters, de Galli, waren gesnedenen en hadden een zeker aandeel aan de regeering. De luidruchtigheid van hare feesten gaf aanleiding tot de voorstelling, dat de godin zelve behagen schept in het gezelschap van dienstbare geesten, die haar met geschreeuw en gegil en oorverdoovende muziek overal op hare woeste tochten door bergen en wouden, vergezellen. In Phrygië, waar haar dienst eveneens in groot aanzien stond (Φρυγία θεά, Phrygia mater), heetten die gezellen der godin, en eveneens hare priesters, Corybanten, op den Ida (Ἰδαία θεά, mater Idaea) Dactyli Idaei, op Creta, waar ook hare priesters naar hen genoemd waren, Cureten. Het geraas, dat door laatstgenoemden bij het uitvoeren van hun wapendans (πρύλις, πυρρίχη) gemaakt werd, werd verklaard als eene herinnering aan de pogingen van de Cureten, om te verhoeden dat het geschrei van den kleinen Zeus door zijn vader gehoord zou worden. Door deze voorstellingen krijgt de godin eenige overeenkomst met Dionȳsus, en in sommige mythen neemt Sabazius, die voor denzelfden als Dionȳsus gehouden werd, de plaats van Atys in.—Te Rome werd de dienst van Rhea bij de rampen van den tweeden punischen oorlog ingevoerd; in 204 werd op last der sibyllijnsche boeken het beeld der godin in den vorm van een meteoorsteen van Pessinus naar Rome gebracht en op den mons Palatīnus een tempel voor haar gebouwd. Haar dienst werd waargenomen door phrygische Galli onder een Archigallus, die te Rome de luidruchtige plechtigheden van Klein-Azië herhaalden; het aandeel, dat de eigenlijke Rom. aan hare vereering namen, bepaalde zich tot de viering der Megalesia (z. a.), door maaltijden en wedstrijden op het tooneel en in de renbaan. In den keizertijd kwamen hierbij echter feesten ter gedachtenis aan Atys (22–27 Maart), en nog later, toen men zich van het wezen van Rhea slechts verwarde en mystieke voorstellingen maakte, ontaardde haar dienst in Taurobolia en Criobolia, offers van stieren en rammen, waarbij men zich door den doop met het bloed der offerdieren van zonden reinigde en als het ware op nieuw geboren werd.—De leeuw, de eik en de den zijn haar gewijd. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene waardige matrone, zittend op een troon met leeuwen aan beide zijden of op een door leeuwen getrokken wagen. Op het hoofd heeft zij een muurkroon en sluier.
Rhea Silvia, zie Rea Silvia.
Rhebas, Ῥήβας, rivier in Bithynia = Rhesus no. 1.
Rheda, een groote reiswagen op vier wielen, ingericht voor personen en bagage.
Rhegium (Regium), Ῥήγιον, thans Reggio di Calabria (niet te verwarren met Regium Lepidi), aeolisch-messenische kolonie op de bruttische kust, aan het fretum Siculum (straat v. Messina), de gewone plaats van overvaart naar Sicilia. Rhegium was eene bloeiende handelsstad der Chalcidiërs, totdat Dionysius I van Syracuse het in 387 veroverde en vernietigde. Later werd de stad herbouwd, en kreeg ze de vrijheid terug. In 280 had de stad veel te lijden door een oproer van eene campaansche legerafdeeling, die als rom. bezetting in de stad lag. Het bleef Rome trouw in den oorlog met Hannibal, en in het bellum sociale. Aardbevingen en de rom. burgeroorlogen droegen er verder toe bij om de plaats te ontvolken, totdat Augustus er eene kolonie uitgelezen zeesoldaten heenzond (36).
Rhenēa, Ῥήνεια, oudtijds Ortygia, eil. bij Delus, waarheen de lijken van Delus werden overgebracht.
Rhenus, Ῥῆνος, 1) de tegenw. Rijn, ontsprong op den mons Adula (zie aldaar), stroomde door den lacus Brigantīnus (meer v. Konstanz), splitste zich bij het eiland der Batavieren in twee armen (vandaar Rhenus bicornis), waarvan de zuidelijke den naam Vacalis of Vahalis (Waal) droeg en zich met de Mosa (Maas) vereenigde. Caesars mededeeling, dat deze arm zich multis capitibus in zee stortte, werd reeds in de oudheid als onjuist erkend. De mond heette Helium ostium en was veel wijder dan tegenwoordig; de monding van den noordelijken arm, die langs Traiectum (Utrecht) en Lugdunum Batavorum (z. a.) liep, droeg geen bijzonderen naam. Een derde arm verbond den Rijn met den Ouden IJssel en viel nog noordelijker in zee door het Flevum ostium (vermoedelijk het Vlie). Een andere verbinding met de zee is de Vecht geweest, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van den Krommen Rijn afbuigt en door sommigen voor de Fossa Drusiāna gehouden wordt.—2) thans de Reno, stroomt langs Bononia (Bologna) naar den Padus (Po). Op een eil. in deze rivier zouden Octaviānus, Antonius en Lepidus in 43 hun driemanschap hebben gesloten.
Rhēsus, Ῥῆσος, 1) zoon van Oceanus en Tethys, god van eene gelijknamige rivier in Bithynië of Troas.—2) zoon van Strymon of Eïōneus en eene Muze, koning van Thracië, die den Trojanen tegen de Grieken te hulp kwam. Hij had paarden, waarvan het lot van Troje afhing, als zij nl. in Troje voedsel of drank gebruikt hadden, was de stad niet te nemen. Daarom overvielen de Grieken hem nog voor hij de stad bereikte; hij werd met zijn gevolg door Diomēdes gedood, en de paarden werden door Odysseus weggevoerd.
Rhesus, Ῥῆσος, 1) rivier in Bithynia.—2) riviertje in Troas, zijtak van den Granīcus.
Ῥῆτραι, z. Lycurgus no. 5.
Rhiānus, Ῥιανός, van Creta, episch dichter en grammaticus in de laatste helft der 3de eeuw; in zijne jeugd was hij slaaf geweest, later werd hij de vriend van Eratosthenes. Als zijne werken worden genoemd verscheiden epische gedichten en eene uitgave van Homerus.
Rhinocolūra, τὰ Ῥινοκόλουρα of Ῥινοκολούρα, stad in de woestijn tusschen Aegypte en Palaestina, dicht bij de zeekust.
Rhinthon, Ῥίνθων, van Syracuse of Tarentum, tijdgenoot van Ptolemaeus I, uitvinder der zoogenaamde Hilarotragoedia. Uit dien naam en uit de enkele verzen, die van zijne 38 stukken zijn overgebleven, kan men opmaken, dat het parodieën waren op oude treurspelen; iets naders is echter hieromtrent niet bekend. Z. Φλύαξ.
R(h)ipaei montes, τὰ Ῥιπαῖα ὄρη, een hooge bergketen ergens in het hooge Noorden, waarschijnlijk de Carpathen, v. s. een deel van het Uralgebergte; ze worden ook Hyperborei montes geheeten (z. a.).
Rhipe, Ῥίπη, oude stad in het W. van Arcadia, bij Stratus.
Rhium, Ῥίον, zie Antirrhium.
Rhizinium, Rhizon, Ῥίζων, oude versterkte stad in Dalmatia aan een naar haar genoemde golf, sinus Rhizaeus, ten Z.O. van Epidaurus.
Rhoda, Ῥόδη, havenstad in het N. O. van Hispania Tarraconensis.
Rhodanus, Ῥοδανός, thans de Rhône, die in zijn loop den lacus Lemannus (meer v. Genève) vormt. Het aantal monden wordt door de ouden verschillend opgegeven, zelfs tot zeven toe, hetgeen wel zal zijn toe te schrijven aan de veranderingen, die de rivier zelve in verloop van tijd in hare uitwatering heeft gebracht. Zie ook fossa Mariana.
Rhodius, Ῥόδιος, rivier in Troas, die op den berg Ida ontspringt en in den Hellespont valt.
Rhodope, Ῥοδόπη, thracische bronnimf, gemalin van Haemus (z. a.).
Rhodope, Ῥοδόπη, hoog gebergte van Thracia, dat zich ten O. van den Nestus en verder langs de kust tot aan den Hebrus uitstrekt, thans Despoto-dagh. Dichterlijk Rhodopēius = thracisch, Rhodopeius vates = Orpheus.
Rhodōpis, Ῥοδῶπις, eene hetaere uit Thracië, die ten tijde van Amāsis te Naucratis woonde; zij besteedde een tiende van haar vermogen om ijzeren braadspeten te laten maken, die zij aan den delphischen tempel schonk.
Rhoduntia, Ῥοδουντία, bergtop van den Oeta met een kasteel, niet ver van de Thermopylae.
Rhodus, -de, Ῥόδος, -δη, dochter van Poseidon en Amphitrīte, bij Helius moeder van de Heliadae. Helius liet voor haar en hare kinderen een eiland uit zee oprijzen, dat naar haar genoemd wordt.
Rhodus, Ῥόδος, eiland in het Z.O. der Aegaeische zee, nabij de dorisch-carische kust. Het had een heerlijk klimaat, bijna geen dag ging voorbij zonder zonneschijn; onder de voortbrengselen telde men marmer, scheepstimmerhout, wijn, vijgen en heerlijke visch. Als oudste inwoners worden de Telchinen genoemd, die met het eiland uit de zee waren verrezen, en de Heliaden, vervolgens kwamen ook Phoeniciërs en Aegyptenaars. De mythe laat verder nog vóór den trojaanschen oorlog eene dorische kolonie onder Heracles’ zoon Tlepolemus naar Rhodus komen. In den perzischen oorlog sloot het eiland zich bij het atheensche zeeverbond aan. Het telde toen drie stadsgemeenten: Lindus, Ialysus en Camīrus, die tot de dorische hexapolis (zie Doris no. 2) behoorden. In 411 bewerkte de aristocratie eene omwenteling en den afval van het attische zeeverbond; een zekere Dorilus haalde de bevolking der drie steden over tot het stichten eener gemeenschappelijke stad Rhodus op den N.O. hoek van het eiland (408), welke stad zich spoedig tot een ongekenden bloei verhief. Spoedig werd de democratie weder meester en sloot zich weder bij Athene aan, doch bezoedelde in den eersten tijd haar triomf door laagheden en ongerechtigheid. In 358 verliet Rhodus opnieuw de zijde van Athene; oligarchen, door de carische vorsten gesteund, maakten zich van het bewind meester, totdat het eiland afhankelijk werd van Idrieus, tyran van Halicarnassus. Alex. de Gr. legde macedonische bezetting op Rhodus, doch na zijn dood maakte het zich vrij. Vruchteloos poogde Demetrius Poliorcētes de stad in te nemen (304), z. Protogenes. Later waren de Rhodiërs in den macedonischen, den syrischen en den mithradatischen oorlog bondgenooten der Rom., en bewezen door hunne voortreffelijke zeemacht uitstekende diensten. In 168 werden ze echter bestraft voor hunne sympathie voor Macedonia; ze verloren een groot gedeelte van hun gebied op het vasteland (zie Lycia), en werden afhankelijk van Rome. Buiten de rom. burgeroorlogen konden zij zich niet houden, zij kozen partij voor Caesar en moesten dit na zijn dood door Cassius ontgelden. Sedert waren zij nu eens vrij, dan weder ingelijfd, totdat onder Vespasiānus de vrijheid voor goed verloren ging. Omstreeks 400 na C. was Rhodus de hoofdstad der provincia insularum, die 53 eilanden omvatte. De stad Rhodus, met twee havens, lag amphitheatersgewijze tegen de bergen gebouwd. Zij was, even goed als Athene, eene kweekschool van kunst en wetenschap. Vooral beeldhouwkunst en redekunst bloeiden er, beide kenmerkten zich door het streven naar effekt. De rhodische rhetorenschool hield het midden tusschen aziatische gezwollenheid en attischen eenvoud; haar stichter was de redenaar Aeschines, die, toen hij Athene moest verlaten, zich te Rhodus vestigde. Het genus Rhodium viel over het algemeen in den smaak der Rom. Aan beelden was Rhodus rijk, maar vooral aan groote beelden. Het grootste was dat van Helius, aan wien het eiland geheiligd was. Het stond naast den ingang der haven en was meer dan 30 meter hoog; slechts weinigen konden de duimen omvatten. In de eene, uitgestrekte hand droeg het een vuurbekken, dat des avonds werd aangestoken. De maker was Chares van Lindus z.a. no. 2. In 278 opgericht, werd het in 222 door eene hevige aardbeving, die bijna de geheele stad verwoestte, omvergeworpen. Het orakel verbood, het beeld weder op te richten. Bijna negen eeuwen bleef het aan stukken liggen, totdat het in 672 na C. verkocht werd en op 300 kameelen weggevoerd. Eene andere hevige aardbeving, die aan den bloei van Rhodus den genadeslag toebracht, was die van 155 na C.
Rhoecus, Ῥοῖκος, van Samus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester, die het gieten van metalen beelden uitvond. Hij begon omstreeks 550 het bouwen van den tempel van Hera op Samus, die echter eerst door lateren voltooid is.
Rhoetēum, Ῥοίτειον, rotsachtige kuststreek van Troas, in verschillende kapen uitloopende, aan het Z.W. einde van den Hellespont, met eene gelijknamige stad. Rhoeteius ductor = Aenēas.
Rhoetus, Ῥοῖτος, 1) of Rhoecus, een Centaur.—2) = Eurȳtus no. 5.
Rhosus, Ῥωσός, Ῥῶσσος, zeestad van Syria aan de golf van Issus.
Rhoxolāni = Roxolāni.
Rhyndacus, Ῥυνδακός, groote rivier in Vóór-Azië, die op de zuidelijke helling van den mysischen Olympus ontspringt en, met den Macestus vereenigd, in de Propontis (zee v. Marmara) valt.
Rhypes, Ῥύπες, oude achaeïsche bondstad tusschen Patrae (Patras) en Aegium, door Augustus verwoest, die de inwoners naar Patrae verplaatste.
Rhytium, Ῥύτιον, oude stad ergens in het Z. van Creta.
Rica, vierkante doek met franje, door de rom. vrouwen bij sommige plechtigheden als sluier over het hoofd gedragen, doch niet zóó, dat het gelaat bedekt was.
Ricimer, zoon van een suebisch aanvoerder, was aan het hof van keizer Valentiniānus III opgevoed. Als keizerlijk veldheer versloeg hij de Vandalen, Alanen, Westgothen, en kreeg zooveel macht, dat hij over den troon beschikte en keizers van het westersche rijk afzette en aanstelde. Wij geven hier eene korte chronologische opgaaf.
455. Valentinianus III vermoord, evenzoo zijn moordenaar Petronius Maximus. Flavius Maecius Avitus wordt in Gallië tot keizer uitgeroepen.
456. Ricimer zet Avitus af en stelt Maioriānus aan.
461. R. zet Maiorianus af en stelt Libius Sevērus aan, die in 465 sterft. Twee jaren zonder keizer.
467. Keizer Leo I v. het. oost-rom. rijk en Ricimer stellen Procopius Anthemius tot keizer aan.
472. Ricimer trekt tegen Anthemius op, belegert en verovert Rome en plaatst Anicius Olybrius op den troon.
473. Dood van Ricimer en van Olybrius. Glycerius wordt keizer.
Ricinium, ook rec., vierkante doek, die dubbel gevouwen en over het hoofd en om de schouders geslagen werd, vooral als rouwgewaad.
Rigodūlum, stad der Treviri aan de Mosella (Moezel).
Ripaei montes = Rhipaei montes.
Ripuarii (Riparii), de Ripuarische of Oever-Franken, die hun naam ontleenen aan de Ripa Rheni, den linker oever van den Rijn, vooral de streek tusschen Rijn en Maas. De Franken, die hier en aan de overzijde van den Rijn wonen, worden in de 6de eeuw n. C. zóó genoemd ter onderscheiding van de Salische of Nederfranken (zie Salii).
Riti, Ῥεῖτοι, kleine zoutmeertjes aan den heiligen weg van Athene naar Eleusis.
Robīgus, een god, die het koren tegen roest beschermde, en wien ter eere jaarlijks den 25sten April de Robigalia gevierd werden. Bij Ovidius komt ook eene godin Robīgo voor.
Robur, de met zwaar eikenhout beslagen ondergrondsche verdieping van den rom. kerker. Zie carcer.
Rogatio, wetsvoorstel, dat nog niet tot wet is verheven.
Roma, Ῥώμη, de bekende stad aan den Tiber, de hoofdstad van het rom. rijk. Of tot de bevolking oudtijds nog andere stammen hebben behoord dan de Latijnen, is niet bekend; uit de sage omtrent den sabijnschen maagdenroof (zie Romulus), en uit het bestaan van sabijnsche eerediensten in Rome b.v. van Sancus, heeft men gemeend te moeten opmaken, dat Sabijnen, op den Quirinālis wonende (zie Capitolinus (mons)), tot de stichting hebben medegewerkt. Dit alles is zeer onzeker. De bevolking heet Quirites (z. a.) of populus Romānus Quirites. De oudste nederzetting vond men op den Palatinus (z. a.) en de Velia. De eerste uitbreiding wordt gewoonlijk aangeduid met den naam Septimontium; naast de drie oudere: Palatīnus, Cermalus, Velia, behooren hiertoe de montes: Fagutal, Oppius, Cispius en Caelius. Voor de stad der vier regiones: Palatīna, Suburāna, Esquilīna, Collīna, komen er dan nog bij: de Quirinalis met zijn uitlooper collis Latiāris, de Viminālis, en de laagte Argilētum. Tevens wordt tusschen de bergen het forum aangelegd, en de mons Capitolīnus wordt arx en zetel van den tempel van Jupiter Capitolinus. De agger Servii Tullii (zie Servius Tullius) omvatte behalve de genoemde streken ook nog den mons Aventīnus. Zie ook pomerium. In de vallei tusschen Aventinus en Palatinus, die wel eens vallis Murcia genoemd wordt, werd het Circus Maximus (z. a.) aangelegd. Aan de overzijde van den Tiber lag de mons Ianiculus, waarop een burcht lag, doch dit gedeelte ging in den oorlog met Porsēna voor een wijl verloren.—Na den gallischen brand in 390 werd de stad ordeloos en onregelmatig herbouwd, zoodat zij geen fraai aanzien had. Van de inwendig zoo prachtige huizen der rijken zag men niets, daar zij ombouwd waren met winkels (zie domus), die de straten vernauwden. Het was bij het drukke verkeer een maatregel van veiligheid, dat men niet in een rijtuig door de straten mocht rijden. De stad breidde zich uit buiten den muur van Servius, en toen onder Sulla en later bij herhaling het pomerium werd verlegd en buitenwijken binnen den kring der stad werden getrokken, ging de muur op verscheiden plaatsen geheel verloren. Trouwens, een muur was onnoodig geworden; welke vijand kon Rome aanvallen? Augustus verdeelde de stad in veertien regiones. Na den grooten brand onder Nero (64 na C.) werd Rome met zorg herbouwd, met ruime, breede straten. Latere keizers brachten het hunne tot verfraaiing bij; Aureliānus (270–275 na C.) omringde de stad opnieuw met een vestingmuur, die nu ook den mons Pincius, den Campus Martius en over den Tiber den Ianiculus omvatte. Onder de keizers was Rome een groot kunstmuseum met tal van tempels, zegebogen, zuilengangen, prachtige badhuizen, openbare pleinen en honderden standbeelden, uit Azië en Griekenland overgebracht. Bij één triumftocht o.a. die van M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11) over de Aetoliërs in 187, waren meer dan 500 marmeren en metalen standbeelden uit Griekenland naar Rome medegevoerd. Alleen standbeelden van paarden kon men te Rome meer dan 200 zien. Er waren 31 openbare bibliotheken, 8 of 9 circussen, 2 amphitheaters, 3 theaters, 15 of 16 thermen, 19 basilieken enz. Door verschillende waterleidingen werd Rome van water voorzien. De veertien regiones waren de volgende: 1) Porta Capēna, de zuid-oostelijkste.—2) Caelimontium, met het macellum magnum.—3) Isis et Serāpis, naar den tempel dezer godheden genoemd, met het groote amphitheatrum (z.a.) Flavium, de thermae (z. a.) van Titus en van Traiānus.—4) Templum Pacis met het forum (z. a.) Pacis, door Vespasiānus aangelegd, en den tempel van Venus en Roma.—5) Esquiliae, met het park van Maecēnas.—6) Alta Semita (= Hoogstraat), met de thermen van Diocletiānus en die van Constantijn en de groote castra praetoria (z. a.).—7) Via Lata (= Breêstraat), met de parken van Sallustius en van Lucullus en den tempel van Flora.—8) Forum Romanum, met het Capitolium (z. a.), comitium, verschillende tempels en basilicae, oudtijds de curia Hostilia (z. a.), de rostra (z. a.), de Regia (z. a.) en met nog een aantal andere fora (zie forum).—9) Circus Flaminius. Deze regio omvatte den campus Martius (z. a.), met de thermen en het Pantheon (z. a.) van Agrippa, de thermen van Nero, het theatrum (z. a.) van Balbus met 30000, dat van Marcellus, ook met 30000, dat van Pompeius met 40000 plaatsen,—de porticus Pompei en de curia Pompei, waar Caesar den dood vond, de villa publica der censoren, het Mausolēum Augusti, het amphitheater van Statilius Taurus, een aantal tempels enz.—10) Palatium, eerst eene minder aanzienlijke, oude wijk, sedert Augustus de wijk der paleizen. Zie Palatinus (mons). Op den berg stonden een beroemde Apollo-tempel en een der Magna Mater.—11) Circus Maximus, naar den grooten circus genoemd.—12) Piscīna publica, met de thermen van Caracalla.—13) Aventīnus, met den Diana-tempel, eene Tiberkade, losplaats voor de schepen (emporium) en groote korenmagazijnen.—14) Trans Tiberim, met de tuinen van Caesar, waarin Augustus eene naumachia bouwde. Tot deze regio behoorde ook de insula Tiberīna met tempels van Veiovis, Faunus en Aesculapius.—Buiten den muur lag de mons Vaticānus; aan den Tiberoever juist over den pons Aelius verhief zich het mausolēum Hadriani (z. a.). Zeven bruggen voerden over den Tiber, waarvan de pons sublicius, eene houten paalbrug, de oudste was. De muur van Aurelianus was ruim drie uren gaans in omtrek. De bevolking van Rome ten tijde van Augustus wordt op ongeveer 1½ millioen geschat.
Roma quadrata, zie Palatinus (mons).
Romāni (ludi), ook magni en maximi geheeten, aan Jupiter, Juno en Minerva gewijd. Zij werden van 4 tot 19 September gevierd met wedrennen in den circus en met tooneelvertooningen. Zie Ludi.
Romilii, oud patricisch geslacht. T. Romilius Rocus Vaticānus, consul in 455, versloeg de Aequers, doch werd wegens het verkoopen van den buit met geldboete gestraft. Hij verbeurde echter de volksgunst niet en was later een der tienmannen (451).
Romulea, oude stad der Hirpīni in Samnium, ten O. van Beneventum, door de Rom. verwoest.
Romulus, Ῥώμυλος, volgens de sage met zijn tweelingbroeder Remus de stichter van Rome. Zij waren zoons van Rea Silvia, kleinzoons van Numitor. Hun oom Amulius beval bij hunne geboorte hen in den Tiber te werpen, doch zij werden op wonderdadige wijze gered en door zekeren herder Faustulus en diens vrouw Acca Larentia groot gebracht. Later door Numitor herkend en met hunne afkomst bekend gemaakt, doodden zij hun oom Amulius. Vervolgens besloten zij op den palatijnschen heuvel een stad te stichten. Bij de vraag, wie der beide broeders aan de nieuwe stad den naam zou geven, ontstond er een twist, waarin Remus omkwam (zie Lemures). De Sabijnsche maagdenroof deed een hevigen strijd ontstaan, die echter met verzoening en met ineensmelting der latijnsche nederzetting op den Palatīnus en de sabijnsche op den Quirinālis (z. Roma) eindigde, onder gemeenschappelijk bestuur van Romulus en den Sabijn Titus Tatius, welke laatste echter niet lang daarna te Lanuvium werd vermoord. Na eene regeering van 37 jaar verdween Romulus bij gelegenheid van een hevig onweder. Het volk vreesde dat hij vermoord was, doch een der senatoren, Julius Proculus, verzekerde, dat hij Romulus door diens vader Mars in een vurigen wagen ten hemel had zien voeren en dat R. het bevel had achtergelaten, hem onder den naam Quirīnus als god te eeren.
Romulus Augustus, om zijn jeugdigen leeftijd ook wel Augustulus genoemd, was de laatste keizer van het west-rom. rijk. Nadat Glycerius (zie Ricimer) in 475 n. C. door Julius Nepos was verdrongen, werd deze laatste in 475 afgezet door zijn magister militum Orestes. Orestes zette echter niet zichzelf de keizerskroon op, maar zette zijn zoon Romulus Augustus op den troon. In 476 werden zij door Odoācer in Placentia belegerd. Orestes werd gedood, het jonge keizertje afgezet en Odoacer als koning van Italië erkend. Rom. Aug. kreeg een landgoed in Campania.
Rorarii, eene afdeeling lichtgewapende troepen bij de oude rom. legers. Het waren jonge, ongeoefende manschappen, die in de acies achter de triarii stonden: zij openden het gevecht, door tusschen de rijen door vooruit te snellen, en trokken zich later weer naar hun standplaats terug. De ouden verklaarden den naam hieruit, dat zij, evenals regendruppels bij een onweder vallen, tusschen de geregelde troepen in, nu en dan een bui van werpschichten in ’s vijands rijen wierpen.
Roscia (lex) theatralis, waarbij aan de ridders te Rome in het theater de 14 rijen zitplaatsen achter de orchestra (waar de senatoren zaten) werden ingeruimd. De wet beoogde hiermede een herstel van vroegere door Sulla opgeheven voorrechten. Hierbij werd ook de riddercensus van 400.000 sestertiën van 2½ as = ƒ 40,000 opnieuw vastgesteld. Deze wet was van den volkstribuun L. Roscius Otho, 67. Vandaar de uitdrukking in XIV sedere = equitem esse.
Roscii. 1) S. Roscius uit Ameria had na de vermoording zijns vaders zijn vermogen verloren door Sulla’s vogelvrijverklaringen en werd later door Chrysogonus, den kooper zijner familiegoederen, beschuldigd van vadermoord, doch met gelukkigen uitslag verdedigd door Cicero.—2) Q. Roscius Gallus, een vrijgelatene, geb. in het dorpje Solonium bij Lanuvium, een zeer geliefd tooneelspeler in het rom. blijspel, was een zeer schoon gebouwd man, die door nauwgezette oefening in houding en gebaren in de tooneelspeelkunst eene te Rome ongekende hoogte bereikte. Hij verwierf zich door zijn talent een groot vermogen, was een zeer achtingswaardig man, zeer gezien bij aanzienlijke Romeinen, o. a. bij Sulla en Cicero, en de lieveling van het volk. Cicero verdedigde hem in een proces, de zaak betrof de verdeeling eener schadevergoeding voor een slaaf, die aan Roscius was toevertrouwd om hem als acteur op te leiden, doch die vermoord was. Roscius stierf omstreeks 62.—3) L. Roscius Otho, volkstribuun in 67, maker der lex Roscia theatralis.—4) L. Roscius Fabātus, aanhanger van Caesar, bij Mutina gesneuveld, 43.
Rosea rura (Velini), een liefelijke en vruchtbare landstreek bij Reate, aan de oevers van den Avens en bij den lacus Velīnus.
Rostra, zie rostrum.
Rostrum, ἔμβολον, -λος, sneb of ram van een oorlogsschip, oorspronkelijk een enkele zware balk, van voren met een metalen dierekop voorzien en ter hoogte van den waterspiegel uit den voorsteven vooruitstekende. Later werden het drie balken, aan de punt zwaar met metaal beslagen, en onder den waterspiegel aangebracht, zoodat het vijandelijk schip onder water werd lek gestooten. Toen in 338 de volscische stad Antium hare vloot moest uitleveren, werden de snebben er afgenomen en als zegeteeken te Rome op het forum aan het openbare spreekgestoelte gehecht, waarnaar dit laatste den naam van rostra verkreeg. Men stelle zich deze rostra voor als eene verhevenheid, waarop de spreker zich vrij kon bewegen en rondom van een borstwering of leuning voorzien. Naar een ouden gedenkpenning te oordeelen, rustte het geheel op een gewelfden onderbouw door kleine zuilen gedragen, aan welke zuilen de veroverde scheepssnebben bevestigd waren. Het lag aan die zijde van het comitium, die aan het Forum grenst. Daar oudtijds de contiones op het comitium gehouden werden, richtten de sprekers zich naar die zijde. In 145 begonnen de sprekers zich naar het Forum te wenden, en werden voortaan de contiones daar gehouden. Caesar liet aan de W.-zijde van het Forum een nieuwe spreektribune bouwen, rostra nova of Iulia, zonder echter de oude af te breken. De nieuwe had wel geen snebben tot versiering, maar de naam rostra ging er toch op over.
Rotomagus, havenstad der Vellocasses in Gallia, thans Rouaan.
Roxane, Ῥωξάνη, dochter van Oxyartes, gemalin van Alexander d. G. Kort na den dood van haar echtgenoot bracht zij een zoon, Alexander (z. a. no. 8), ter wereld, met wien zij na vele wederwaardigheden door Cassander gedood werd (311).
Roxolāni, Ῥωξολανοί, machtige volksstam in Sarmatia ten N. van de Palus Maeōtis (zee v. Azow).
Rubellii, een familie die eerst onder de keizers Tiberius en Nero voorkomt. 1) Rubellius Blandus was een gunsteling van Tiberius, die hem zijne kleindochter Julia, weduwe van Nero (den zoon van Germanicus), tot vrouw gaf.—2) Rubellius Plautus, zoon van no. 1, stond hoog in de gunst bij Agrippīna, keizer Nero’s moeder. Zij dacht er zelfs over hem te huwen, doch Nero verbande hem en liet hem later (62) ombrengen. Hij was een aanhanger van de Stoa, en een vriend van Barea Soranus.—3) Rubellius Blandus, zoon van no. 2, door Iuvenālis gehekeld als een ijdele onbeduidende man, die trotsch was op zijn hooge afkomst.
Rubi, stadje der Peucetii in Apulia, ten W. van Barium (Bari).
Rubico, Ῥουβίκων, riviertje dat sedert Sulla de grens vormde tusschen Gallia Cisalpīna en het eigenlijke Italia. Door den R. over te trekken, rukte Caesar Italia binnen en gaf het sein tot den burgeroorlog.
Rubra Saxa, rotsen in Etruria bij de rivier Cremera, aan de via Flaminia.
Rubria (lex), tot stichting van eene kolonie op de puinhoopen van Carthago, in 122 door een volkstribuun Rubrius in overeenstemming met C. Gracchus tot stand gebracht. Dit was de eerste kolonie, die buiten Italia gesticht werd. De uitvoering van de wet viel aan C. Gracchus ten deel. De kolonie werd weer opgeheven, z. Carthago.
Rubria (lex), de Gallia Cisalpina, in 49, tot regeling van de rechtspleging in de gemeenten aldaar. Cisalpijnsch Gallië, hoewel reeds met burgerrecht begiftigd, bleef nog provincie onder een stadhouder tot het jaar 42.
Rubrīca, roode aarde, roode verf. Daar de titels der wetten en het begin der artikelen met rood geschreven werden, heeft het woord de beteekenis gekregen van wetsartikel, ook wel van wet.
Rubricātus, Ῥουβρίκατος, 1) rivier in het O. van Hispania, even ten Z. van Barcino (Barcelona), thans Llobregat.—2) rivier in Numidia, die bij Hippo Regius in zee valt.
Rubrii, 1) Rubrius, volkstribuun in 122, zie lex Rubria.—2) Twee Rubrii, in het proces van Verres voorkomende, de één een achtenswaardig man, de ander een handlanger van Verres.—3) L. Rubrius, aanhanger van Pompeius.—4) Twee Rubrii komen onder de regeering van Tiberius als beschuldigden voor.—5) Rubrius Gallus, rom. generaal onder Nero, later op de hand van Otho en daarna van Vespasiānus.
Rubrum mare = Erythraeum mare.
Rudiae, Ῥοδίαι, Ῥουδία, stad in Apulia tusschen Brundisium en Venusia, later municipium. De dichter Q. Ennius was hier geboren.
Rudis, schermstok, ook een staf, dien zwaardvechters ontvingen, wanneer hun het geluk ten deel viel, ontslag en vrijheid te krijgen. Zij waren dan rudiarii of rude donati.
Rufīnus, familienaam in de gens Cornelia, zie Cornelii no. 57.
Rufīnus, een Galliër, die onder keizer Theodosius den Gr. tot bevelhebber der lijfwacht opklom. Bij de verdeeling van het rijk werd hij minister en voogd van Arcadius, doch maakte zich door hebzucht en gierigheid gehaat. Zijn plan om zijne dochter aan Arcadius tot vrouw te geven, leed schipbreuk door toedoen van Eutropius. Rufinus trachtte nu onderhandelingen met de Hunnen aan te knoopen, doch werd op last van Stilicho, die met een leger kwam aanrukken, onder de oogen van Arcadius om het leven gebracht (395 n. C.).
Rufrae, stad in Samnium, tusschen Venafrum en Teānum Sidicīnum.
Rufrium, stad der Hirpīni in Samnium = Rufrae.
Rufus, familienaam in onderscheidene gentes, als: g. Annia, g. Claudia, g. Lartia, g. Minucia (Minucii no. 3–5), g. Pompeia (Pompeii no. 3–5), g. Pomponia, g. Rutilia, g. Sulpicia (Sulpicii no. 18–20), g. Valgia e.a.
Rufus, 1) arts uit Ephesus ten tijde van keizer Traiānus, die verscheiden geneeskundige werken schreef, waarvan eenige bewaard gebleven zijn.—2) een schrijver, aan wien Plinius minor een aantal brieven richtte.—3) Sextus Rufus, juister Rufus Festus, onder keizer Valens schrijver van een breviarium rerum gestarum populi Romani.—4) Rufus Festus Aviēnus, z. Avienus.
Rugii, aanzienlijk volk in Germania aan de kust der Oostzee. Zij komen onder Attila in diens leger voor.
Rulliānus, bijnaam in de gens Fabia (Fabii no. 14).
Rullus, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 25).
Rumīna, romeinsche godin van zuigende kinderen en zuigend vee, had een tempel nabij den ficus Ruminālis, waar Romulus en Remus door de wolvin gezoogd waren, en waaronder in 296 door de Ogulnii (z. a.) een bronzen beeld van de wolvin met de twee zuigelingen werd opgesteld. Deze boom stond bij het Lupercal; eene andere vijgenboom, ficus Navia, naar den wonderpriester Attius Navius (z. Attii no. 1), wiens beeld in de nabijheid stond, benoemd, vond men later op het Comitium; ook deze wordt gewoonlijk, nadat de andere verdord was, Ruminalis geheeten. Het beeld van de Ogulnische wolvin is waarschijnlijk niet identisch met de nu nog bestaande wolvin van het Capitool, die veel ouder is, en op het Capitool heeft gestaan, waar ze in 65 door den bliksem beschadigd werd.—Nevens haar stond een mannelijke godheid Rumīnus of Iupiter R.
Ruminālis ficus, z. Rumina.
Rupiliae (leges) tot regeling van verschillende zaken in het bestuur van Sicilia, van den proconsul P. Rupilius, nadat hij in 131 een einde had gemaakt aan den slavenoorlog op het eiland.
Rupilii, 1) P. Rupilius, uit geringen stand, doch een beschermeling van P. Cornelius Scipio Africānus minor, bracht het in 132 tot consul. Met gestrengheid ging hij te werk tegen de partijgenooten van Tib. Gracchus. Aan den slavenopstand in Sicilia maakte hij gelukkig een einde door de verovering van Tauromenium en Enna, waarbij 20000 slaven omkwamen. Door verschillende verordeningen (leges Rupiliae) bracht hij het bestuur van Sicilia op vasten voet (131).—2) L. Rupilius, broeder van no. 1, dong, ondanks den steun van Scipio, te vergeefs naar het consulaat.—3) P. Rupilius Rex, uit Praeneste, in 43 door Octaviānus vogelvrij verklaard, vluchtte naar het legerkamp van Brutus; te Clazomenae had hij een geschil met een zekeren Persius, wat door Horatius op geestige wijze besproken wordt in de 7de Satira van het eerste boek.
Rus, Ῥοῦς, beek en vlek in Megaris, met tempels en graven van heroën.
Ruscino, Ῥουσκίνων, rivier en stad der Sordones op de kust van Gallia Narbonensis, nabij de Pyrenaeën.
Rusellae, oudtijds eene der hoofdsteden van Etruria, aan de via Aurelia, dicht bij de kust, ten O. van Vetulonia. De kolossale muren, uit onregelmatige stukken graniet opgetrokken, bestaan nog en hebben een omtrek van meer dan een half uur gaans.
Rusticus, 1) familienaam, o. a. in de gens Fabia (Fabii no. 28) en de g. Iunia (Junii no. 22).—2) Q. Iunius Rusticus, stoicijnsch wijsgeer, leermeester en vriend van keizer Marcus Aurelius, onder wien hij hooge ambten bekleedde.
Rutēni, Ῥουτηνοί, gallisch volk op de grenzen van Gallia Narbonensis en Aquitania. Hoofdstad: Segodūnum (Rhodez) aan den Veronius (Aveyron).
Rutilii, 1) P. Rutilius, volkstribuun in 169, klaagde C. Claudius Pulcher tijdens diens censuur aan van perduellio, en als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen, zou hij veroordeeld zijn. Zie Claudii no. 10.—2) P. Rutilius Rufus, door den wijsgeer Panaetius in de stoicijnsche leer onderwezen, rom. staatsman, annalist en redenaar, was onder Scipio in den numantijnschen oorlog (133) krijgstribuun, onder Metellus in den jugurthijnschen oorlog legaat (109), in 105 consul, in 95 legaat van Scaevola (Mucii no. 5) in Asia. Daar ging hij de afpersingen der publicani te keer, doch werd uit weerwraak in 92 van knevelarij beschuldigd, en daar de rechters uit de ridders werden gekozen, veroordeeld. Hij was een vriend van Scipio en van Laelius. Zijn verdere levensdagen sleet hij te Smyrna, waar hij verscheidene werken schreef. Als redenaar had hij grooten naam.—3) P. Rutilius Lupus, consul in 90, sneuvelde in den marsischen oorlog tegen Vettius Cato (Scato).—4) P. Rutilius Lupus, volkstribuun in 56, later aanhanger van Pompeius, kreeg van dezen het bestuur over Achaia.—5) L. Rutilius Lupus, rom. rhetor ten tijde van Tiberius, schreef een werkje Schemata lexeos in twee boeken, een vertaling van het werk van Gorgias no. 2 (z. a.).—6) Rutilius Claudius Namatiānus, zie Namatianus.
Rutubis, havenstad aan de W.-kust van Mauretania.
Rutuli, Ῥούτουλοι, oud-italisch volk in Latium, met Ardea als hoofdstad. Zie Aenēas. Na hunne onderwerping door de Rom. verdwijnt hun naam uit de geschiedenis.
Rutupiae, Ῥουτούπιαι, haven in Zuid-Engeland, in het land der Cantii, aan het Nauw van Calais, station voor de overvaart van uit Bononia; het was beroemd om zijn oestercultuur.