Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja—maar de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.

In De Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika handelende, het volgende: »D’oorsprong van zulke geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy leit voor de hand, en ’t is eerder te verwonderen, dat die metronymika niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen, ware ’t niet dat er schande in deze namen opgesloten lach voor d’eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die verachtelik genoech zijn om onder d’overheersching van hun vrouen te leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo wordt iemand die volgens recht Seerp Tjallings heeten moest, naar z’n vader Tjalling, in ’t dageliksch leven door z’n dorpsgenooten Seerp Grietjes genoemd, omdat-i onder den plak zucht van Griet, z’n boos wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkel Seerp Grietjes of Jan Trijntjes zich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo’n naam soms ook op z’n kinders en kleinkinders over, voor wie d’oorspronkelike beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde, tot dat de spotnaam op ’t lest werkelik geslachtsnaam werd.”

De heer P. Leendertz Wz. antwoordde hierop, in De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 80: »De heer Winkler meent, dat wij hen die familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend, Maaikes, Pietjens en dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor te vinden. Stel eens, Grietje is in het dorp gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maar Tjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vader Tjalling is kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moeder Grietje is blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de moeder, niet Seerp Tjallings, maar Seerp Grietjes heet? In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. van Klaas van Niesje, Aart van Naatje.”

Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo vond ik op ’t eiland Ameland iemand genoemd: Betse-Rinse-Piet, dat is: Pieter, zoon van Rins (Rins, Rinske is een bekende friesche vrouenaam), dochter van Betje (zie Friesche Volksalmanak, jaargang 1842, bl. 176). En op ’t eiland Marken een Symen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk, dat is Symen (oorspronkelik Sîgman, niet Simon), zoon van Dirk, zoon van Pieter, zoon van Kee (Cornelis), zoon van Neeltje (Cornelia); zie De Taalgids, dl. IV, bl. 206.

Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader, als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter Stand-Fries C. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 leefde, en Merret Lorens Petersen Hahn genoemd werd. Dat is: Merret, de dochter van Lorens, die een zoon was van Peter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heette Moiken Manne Jens Eben, dat is: Moiken, de dochter van Manne, de zoon van Jens, de zoon van Ebe. Deze vrou torschte dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong in d’omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels by hunne namen, noodzakelik.

In het Ostfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden wy in een schoon gedicht Erinnerungen an Borkum, de volgende regels:

Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war’s also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje’s Johann und Geertrud’s Klaas sind binnengekommen,” Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s” noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann” hiess der Mann und »Geertrude Klaas” hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.

Verder nog schrijft Leendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven: Hughe Fs. vheilsoeten (d. i. Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrou Heilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heer F. Caland uitgegeven; en van eenen ouden dichter Clays ver Brechten sone gewaagt Maerlant, Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75.”

Ik kan hier nog byvoegen den naam van Johannes Swanekens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen.79 Swane, in verkleinform Swaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die als Swaantje, Zwaantje nog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.

Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had, vermeldt van den Bergh.80 Hy gewaagt namelik van metronymika, die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K., Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie.” Dit is: Pieter, zoon van Aaght (Agatha); Heine, zoon van Zuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje (zie hier boven); Hallink, zoon van vrouw Lieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaam Liefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan, zoo wel als een patronymikon, wijl Lieve een vrouenaam was, even als Lieven een mansnaam.

Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig bekend: Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Trynes, Trienekens, Truyens en Willemijns. En in de tweede plaats: Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone, Verjans, Verjutten en Vernaleken.

Aagtjes is: de zoon van Aagtje, ook als Aagjen, Aagje, eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaam Agatha.—Agneessens beteekent: zoon van Agnees, Agnes, een bekende kerkelike vrouenaam. Maayen en Maaikes, met Maeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamen Maai en Maaike (Maey, Maeyken), en dit zijn, met Mary en Maryke (Marytje, Maryken, Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze noemen wil (zoogenoemde koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaam Maria.—Grietens en Grietjens, Magdaleens en Willemijns, van Griete, Grietje, verkorting van Margaretha, van Magdalena en Wilhelmina, zijn duidelik genoeg. Trynes en Trynekens met Trines en Trienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid van Trijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaam Catharina. En Truyens komt van Trui, eene volkseigene afkorting van Geertruida, Gertrudis, een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de nederlandsche steden en dorpen van Maeykens en Trynekens. Thans zijn de Maaikes tot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche in Zuid-Holland. Trijntjes vindt men nog overal in Noord-Nederland, vooral ten platten lande; Grietjes en Truitjes nog meer, ook in de steden. De namen Agatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, Catharina en Geertruida zijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.

Iets anders is het met de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, Duyfjes, Elskens, Leentjes en Pietjens. Naar myne meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren. Aafke of Aafje is wel een vrouenaam, nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik. Duifje, Duveke is een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt. Leentje (Magdalena of Helena) en Pietje (Petronella) zijn alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens verkleinformen van mansnamen, van Ave (waar van de geslachtsnaam Avis, zie bl. 98), van Duif (waarvan Duyvis, zie bl. 90), van Leen, Leendert; en van Piet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En zoo kunnen de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, Elskens, Leentjes, enz. even goed patronymika zijn als metronymika.

»Maar Betjes en Elskens ook?” zal allicht gevraagd worden. »Betje en Elsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaam Elisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!” Niet altijd. Betje kan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaam Bette. Deze naam Bette levert met den mansvóórnaam Botte, die in Friesland nog in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval, in uitspraak; anders niet. Bette en Botte zijn oorspronkelik twee verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; de e en de o zijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de mansvóórnamen Jelle en Jolle, Jelmer en Jolmer, Helmer en Holmer, Werp en Worp, Melle en Molle, Jette en Jotte, en de woorden therp en thorp (in Kollumerland), del en dol, (visch-) net en not, gers en gors (te Molkwerum), bern en born of ben en bon (te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinform Betse (eigenlik Bettse, Bet-tse == Betke, friesch ts == k) komt de mansnaam Bette nog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamen Betting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, Betz en Bets zijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamen Betteweer, een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland); Bettenwarfen, een gehucht by Secriem in Harlingerland; Bettingburen, een gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.

Elskens kan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaam Elske, Elsje (Elisabeth) of van den vroueliken form van Else, als een patronymikon van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansnaam Alis, Eliso, die in den form Else, Elso, nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz gevonden wordt. Van dezen mansvóórnaam Else zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Elsing en Elzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, Elzenga en Elsen, met de plaatsnamen Elswert, een gehucht by Kantens; Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland; Elseghem (Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen; Elsom (Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwerpen; Elsing, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz, enz.

Leenesonne (zie bl. 83) en Lyseseune (zie bl. 84) zijn ook twee geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen. Leenesonne kan zoo wel de zoon van Leen (Magdalena, Helena), als van Leen (Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) beteekenen. En Lyseseune is naar myne meening wel: zoon van Lyse, Lijsje, Lize (Elisabeth)—maar deze naam kan toch ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Lis, door Förstemann vermeld. Als Lisse en Lise komt deze naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten van Leendertz en Brons gevonden. In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden—b. v. Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaam Lise gebruikelik is, heeft men er Eliza, Elisa van gemaakt, volgens den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen dat Lise niet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens heeft het oud-germaansche Lis, Lise met de oud-hebreeusche namen Elisa en Elias natuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog de geslachtsnamen Liezinga en Lyzenga, echt friesche patronymika, afgeleid; eveneens Lysen. En tevens de plaatsnamen Liesbüttel, dorp by Itzehoe in Holstein; Liessem (Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn; Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.

De metronymikale geslachtsnamen Van Gertruyden, Van Lysebeth en Van Lysebetten vertoonen weêr eenen anderen form, en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamen Van Frank, Van Alewijn, enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam, en komt ook onder de formen Van Geertruyden, Van Geertruyen en zelfs versleten als Van Geetruyen voor.

Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel, komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen danken wellicht hun ontstaan aan spotterny. My zijn slechts bekend: Cathelijn (Cathelyne, Catheline is een oud-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten gebruikelike form van Catharina), Henriette, Leysbeth (Elisabeth), Naatje (de gewone hollandsche verkorting en verkleinform van Anna of Wilhelmina, of van eenigen anderen op na eindigenden vrouenaam), Salomé, Sophie, Suzanne, Susanna, Susan en Soesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets in De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaam Xantippe voorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan is het zeker deze.

§ 60. Ver is eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike, en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting of verslyting van het woord vrou; vooral dan, als de eigennaam van die vrou er op volgt: Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar, vermeld in de Annales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245, genoemd: Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordje ver maakt nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen, Veraechtens, Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, Verjutten en Vernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met die geslachtsnamen, welke met her samengesteld, en in § 52 en 53 beschreven zijn.

Veraechtens, met den volleren form Veraechtenszeune en met den afgesletenen form Veraechten, die beiden ook als geslachtsnamen voorkomen, beteekent: Vrou-Aachten-zoon, de zoon van Vrou-Aagt, van de vrou die Agatha heet. Vreven, en Vreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking van Vereven, Ver-Even, Ver-Even-zoon, Vrou-Eva’s zoon, de zoon van vrou Eva, een naam, volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik. Vertruyen is: zoon van Vrou-Truye, van de vrou die Trui, Truda (Gertruda) heet. Vergrietens is: zoon van Vrou-Griete, Margaretha.—Verheyllesone is: zoon van Vrou-Heyle, van de vrou die Heile heet. Heile, (in verkleinform ook Heilke en Heiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam, nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik. Verjans en Verjutten beiden beteekenen: zoon van Vrou-Johanna. Immers Jans, Jansje is nog heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemde koseform van Johanna in gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den naam Johanna in het dageliksche leven tot Jutte.

Vernaleken eindelik is: der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der vroue) Aleke, de zoon van de vrou die Aleke heet. En Aleke (Aaltje) is een verkleinform van Ale, welke naam weer eene samentrekking, inkorting, verfloeiing is van A(de)la, Adela, Athala, (ook Edele, gelijk de moeder heette van den vlaamschen graaf Karel de Goede; zy was eene dochter van koning Knut van Denemarken.) Een volle en schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegenwoordig nog slechts in den franschen form Adèle de eere waardig geacht om door »hollandsche dames” gedragen te worden, ofschoon hy in de formen Aaltje en Aaltien nog steeds voor en na in de friesche en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam blyven dragen.

In de middeleeuen treffen wy de metronymika met ver er voor dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld, noem ik Bouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschrift De oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114.

De friesche taal kent de letter v niet als beginletter van eenig woord. Van daar dat het nederlandsche woord vrou in het Friesch als frou luidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitsche frau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene form fer voor, in plaats van ver, als elders in de Nederlanden. Dit fer treffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam † Ferhildema (Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) van Fer-Hilda, van vrou Hilde), een echt metronymikon. Het geslacht dat dezen naam voerde, is uitgestorven; maar de geslachtsnaam Hildema (zonder het voorvoechsel fer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d’ oud-germaansche naam Hildis, Hilda, ook in hare samenstellingen Berchthildis, Machthildis (Mathilde), Hlothildis, Chlothildis (Clotilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is deze naam, in den form Hiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke (Hillechien) slechts als vrouenvóórnaam in gebruik—hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.

In den vlaamschen geslachtsnaam Veranneman treffen wy dit ver == vrou ook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte metronymika, tot de moedersnamen rekenen. Veranneman toch beteekent niet de zoon van Vrou-Anna, maar de man, dat is: de hoorige, de volgeling, de dienstman dier vroue. Zie § 45.

Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de geslachtsnamen Moederzoon, Meyskens, Nonnekens, Vrouwes en Wyvekens vermeld worden. Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formen Moyersoen en Moeyersoon voorkomt, en zelfs weer in tweeden naamval als Moyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woord metronymikon, even als de mannelike tegenhanger van dezen naam, de geslachtsnaam Vaarzon en Vaarson (vaders-zoon) als eene nederlandsche overzetting van het woord patronymikon kan beschoud worden. Een Jan Vaderszoon wordt vermeld in Van Lennep en Ter Gouw’s Uithangteekens, bl. 404. Meyskens, de zoon van een meysken, een meisje, eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. Maar Nonnekens en Nonkes behoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende: zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamen Munniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, Muynckx en Munniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen—maar Nonnekens en Nonkes kunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansvóórnaam Nunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Nono. Deze naam komt, ook in verlatynschten form als Nonus, nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche patronymikale geslachtsnamen † Nonninga, versleten tot † Nonia (zie § 29), en † Noneka van den verkleinform Noneke (even als Nonnekens en Nonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikon Nuninga komt nog heden in Groningerland voor, in spelling tot Nuinenga verhollandscht. Eindelik nog Noninckx en Noeninckx, Nüninghoff en Nunninghaven (zie bl. 52). De Nonia-sate is te Tonnaart (dat is Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), en Nünningen is een dorp by Fallingborstel in Hanover.

De geslachtsnamen Vrouwes en Vrouwe (afgesletene form van Vrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voord vrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen, van den ouden mansvóórnaam Frau, Vrou. Het woord vrou heeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis gehad; in het Gothisch beteekent het woord frauja heer. Van heer (dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan als frou (domina). Dat Fraw, Frau, Fro een oud-germaansche mansvóórnaam is, kan men in Förstemann’s Namenbuch vinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamen Vrouwes en Vrouwe, met † Froukana, † Frouwama en † Fraukema (van den verkleinform Frauke), en Froma, een nog bestaande oud-friesche geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog te Lutkegast een Froma-heert, en te Niehove eene Froma-sate vinden.

Wyvekens is, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben in het woord wijf, in verkleinform wyveke, wijfke, wijfje (dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaam Mannekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaam Wyveke, verkleinform van Wiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. Volgens Leendertz’s naamlijst ook nog na den jare 1500. In den bastaardform Wivina komt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen voor. Elders ook als Wyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden form Wyfken. Maar hoe dan ook—Wyvekens is zoowel in ’t eene als in ’t andere geval een metronymikale geslachtsnaam.

De maagschapsnaam Der Weduwe behoort ook tot deze afdeeling. De beteekenis er van, zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt, Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam als Der Weduwé—eenigszins verfranscht.

Zoo eenvoudig en duidelik de naam Der Weduwe te verklaren is, zoo moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den geslachtsnaam Der Kinderen aan te toonen. Ik vermeld dezen naam, die ook als Van der Kinderen en Der Kinder—beide min zuivere formen—voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen naam, Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die ’T Kint genoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zich Jan of Piet Des Kinds moeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik een meervoudsform: Der Kinderen. Aan een patronymikon valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood hunner ouders, in ’t ouderlik huis blyven wonen, en daar ’t ouderlik bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen, de kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men zegt: ik ga naar de kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin dient, zegt: ik woon by de kinderen. Heet die knecht Pieter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneens Pieter heet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hem Pieter der kinderen te heeten. En die toenaam kan een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring, die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam.

Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, is Witvrouwen. De afgesletene formen Witvrouwe, Witvrouw en Wittevrouw komen ook voor. Moeten wy by deze »witte vrou” aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet als een ware moedersnaam beschouen, maar, even als Der Kinderen, Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks.—Zonderling genoeg zijn de namen Der Weduwe, Der Kinderen en Witvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.

§ 61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan, Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform, het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde.

De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog, deze byzondere groep.

Aertgeerts, de zoon van Aert-Geert, van Arend-Geraart.—Hansates, de zoon van Hans-Ate.—Hans is de algemeen bekende inkrimping van Johannes, en Ate is een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de Friesen in volle gebruik. De geslachtsnamen Ates, Aats en Aten met Atinga en Atema en † Aatsma, en de plaatsnamen Ateburen, een gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), en Atens (Atingen), een dorp in Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens aan den mansnaam Ate.

Coppejans en Coppieters, de zoon van Jacob-Jan of Jacob-Johannes, en die van Jacob-Pieter of Jacob-Petrus. Dat Cop, Coppe, Kop oud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaam Jacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »Coppe offt Jacop Meluszoen.”81 Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaam Kop. De geslachtsnamen Kops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschte Koppius zijn er van afgeleid.—Koopmeiners is de zoon van Koop-Meiner, van Jacob-Meinert of Jacob-Meinhart. Want even als Kop, zoo is ook Koop, met Jaap, Koben en Kobus, ook met Japik en Jappe, en misschien met Jakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaam Jacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, is Koop als een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamen Kopinga en Copinga, Koopsma, Koops, Coops en Kopen zijn er van afgeleid. Het patronymikon Coping, de weêrga van de friesche vadersnamen Kopinga en Copinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even als Coppingsyke nog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).

Jansegers is de zoon van Jan-Seger, van Johannes-Segher.—Seger is een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook als Sieger, Siger, in Holland als Zeger nog heden voorkomende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamen Siegerink, Sigersma en Siegersma, Siegers, Segers en Zegers, met † Sigera afgeleid, en de plaatsnamen Sigerswolde, zoo als een dorp in Opsterland en een gehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten; verder Zegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen; Siegersleben, een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.

Kortjanse is: de zoon van Kort-Jan, van Koenraad-Johannes. Want Kort, met Koort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Koenraad. Behalven Koenraads en Conradi zijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van: Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty (zie bl. 74), Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken ook Kuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders de tweeklank oe als ue uitspreken (groen = gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook mogelik dat de geslachtsnaam Kortjanse een patronymikon zy van Kort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan.”

De maagschapsnamen Janclaes en Pieterhans eischen geene nadere verklaring. Perclaes is: Peter-Klaas; Per, Peer, Peerken is in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform van Petrus.—Woutermaartens eindelik en Wautermaertens (deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duidelik genoeg.

De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen, met name genoemden man. B. v. Langewouters beteekent zoon van den langen Wouter; Langejan is duidelik genoeg. Ook Jongejan en Jongejans; Oudejan, Ouwejan en Oudejans, met Oljans, in versletenen saksischen form; Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, Ouweneel en Oldeneel (Neel is eene verkorting van Cornelis82; Jongepier en Aupiers (Pier is eene vlaamsche en friesche verkorting van Pieter, Petrus; Aupiers beteekent: zoon van den ouden Pieter, in brabantsche gouspraak: van den ouen Pier, van den Au-Pier.) Verder Roodhans en Roothans, dat is: de roode Hans. Echter komt Roothaan ook voor als geslachtsnaam (zie § 132), en Roothans zoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik. Jongkees (Kees is de bekende volkseigene verkorting van Cornelis), Kleynhens en Cleynhens (Hens, Hans, Johannes), Ouweleen (Leen als verkorting van Leendert), Sterkendries, Langendries en Langhendries (Dries als verkorting van Andries), eischen geen van allen naderen uitleg. Schoonhein; de schoone Hein of Hendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaam Schönhain, die geheel iets anders beteekent. Schoonejans en Nevejans, (zoon) van Neef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ook Schonejans, Schoonjans, Schonians en het half verfranschte Schoonéans aan, met Nevejan en Neveyans. Een tegenhanger van Schonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaam Grotrian, die nevens Groterjan voorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als met Grotjohan, Grootjan en Grootjans.—Grotrian, Groterjan, Grotjohan en Grotjohann zijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers van deze namen, Lütjohan, dat is: de kleine Johan, en Lüthenning, de kleine Henning; Henning is het patronymikon van Henne, Hänne, Johannes. De nederlandsche naam Grootjan vindt ook in Nederland zyne weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam Groshans en in den oorspronkelik franschen maagschapsnaam Grosjean, even als Kleinjan in Petitjean; in Engelland komt Littlejohn als geslachtsnaam voor. Wilderjans is zeker wel (zoon) van den wilden Jan, en doet door die r ook aan hoogduitschen infloed denken; terwijl Heetjans my tamelik duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoord heet = warm gedacht worden? of aan heeth, heede, heide? Bruggetijs, ook al een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlik Tijs (Matthijs, Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf. Kroeseklaas is de kroese, de kroes- of krulharige Klaas of Nicolaas. Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke mate vertoonen. Poggenklaas is minder duidelik, maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche gouspraken heet eene padde pogge; zie § 133. Appeljan is oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenen Jan die appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te doen had. Timmerhans en Timmerjans zijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenen Hans en eenen Jan, die timmerlieden waren, en dies Timmer-Hans en Timmer-Jan werden genoemd. Schipperheyn is oorspronkelik de bynaam van eenen schipper die Hein, Hendrik heette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam als Schipperein voorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval, de h verloren.

Quahannens eindelik, ook als Quatannens, Quattannens, en Quathannens voorkomende, is eveneens een zuid-nederlandsche geslachtsnaam, zoo als de byzondere en ouderwetsche spelling wel aanduidt, en beteekent: de zoon van Qua-Hannes of van Quaet-Hanne, van den kwaden Johannes. Deze naam is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen man die Hannes of Hanne (Johannes) heette, en die wegens zyne minder loffelike eigenschappen de kwade Hannes, Qua-Hannes genoemd werd. Uit Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden bekend, uit den ouden tijd, van zulke met kwaad samengestelde geslachtsnamen, tevens ook van zulk eenen bynaam. Een Pietere Quaclaeys (Pieter, de zoon van den kwaden Klaas) woonde in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie de Annales du comité flamand de France, 1853, bl. 236.) En de vrou die in 1520 weerdinne was in »den Engel”, eene herberg aan de zuidzyde van de Groote-Markt te Iperen, heette Elisabeth Quaedjonck. Duidde deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een harer voorvaders, wien dezen naam eerst als bynaam gegeven was, kwaadaardig van inborst was geweest,—Elizabeth droeg dien naam te recht, want ook zy was wijd en zijd berucht als een boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de bezoekers van hare herberg meê te praten; vooral zy die door eenen schralen buidel genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had dan ook van hare omgeving den bynaam Qua-Bette ontfangen. Ook keizer Karel V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een eenvoudig reiziger vermomd, in haar huis kwam om te beproeven of het gerucht waarheid sprak, moest haren boozen aard maar al te zeer leeren kennen. Tot haar straf veranderde de keizer den naam van hare herberg. Hy liet »de Engel” wegnemen, en »de Beer” daar voor in de plaats stellen »ter gedachtenis hoe Elisabeth de menschen niet als een engel, maar als eene berin placht te bejegenen.”83 En nog heden staat de herberg »de Beer” te Iperen aan de Markt.

By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord niet voor, maar achter den oorspronkeliken mansnaam geplaatst: Dirkzwager (een tegenhanger van Nevejan) en Dirkmaat, Janmaat en Pietermaat. Maat is een volksaardig woord dat in de eerste plaats iemand beteekent die met eenen anderen de zelfde betrekking vervult, maar in de tweede plaats ook wel goede-vriend beduidt; goede-maats, goede-maatjes met iemand wezen, is eene uitdrukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het woord is vooral by ons zeevolk in gebruik—bootsmansmaat, verkort tot bootsmaat; koksmaat, timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de stuurman mate; bedoeld is: de mate van den schipper of kapitein. En Janmaat is de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. De maagschapsnamen Janbaas en Janknegt behoeven geen uitleg. Leentvaar is een gemoedelike naam voor Vader-Leendert, even als Keesom voor Oom-Kees (Cornelis). Deze laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsch, waar de friesche uitspraak om voor oom oudtijds gelding had, even als nog heden beoosten Fli. Janbroers is: de zoon van Broêr-Jan, van broeder Jan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon van eenen dubbelen mansnaam beschouen, zoo als Woutermaartens is. Immers Broer is een mansvóórnaam, die voornamelik in Friesland nog heden in volle gebruik is, die Förstemann reeds als Brothar vermeldt, en die oorsprong gaf aan de volgende geslachtsnamen: Broers, Broeren, Broersma, Broersema, Broderssen, Broders, Broren, Breuren, Breure, Brören, Brorks, Brorken, Brörkens (van den verkleinform Brörke), enz.

§ 62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande afdeelingen behandeld, moge hier nog eene byzondere groep van geslachtsnamen vermeld worden, welke bestaat uit oude, ten deele zeer oude, ten deele ook verouderde, maar volle en schoone oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche mansvóórnamen, op zich zelven. Zy staan meestendeels niet in den tweeden naamval, en zijn dus ook geene echte patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de vadersnamen verwant, en staan in de plaats daarvan. Immers men kan wel met zekerheid aannemen dat deze hedendaagsche geslachtsnamen in vorige eeuen door de stamvaders dier geslachten als eenvoudige vóórnamen, als eenige namen, zijn gedragen geworden; en dat zy, geheel zoo als patronymika, op de kinderen en het verdere nageslacht van die mannen, eerst als toenamen, ter onderscheiding, zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn belangrijk en merkweerdig; want zy toonen ons nog de volle, schoone, volkseigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit de geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die deze zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te binnen die eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. Zy spreken ons van de roemryke dagen der Gothen, Friesen, Saksen, Franken, uit den tijd toen het kerstendom met de namen van zynen stoet van bybelsche personen en kerk-heiligen, nog niet begonnen was de roemruchtige, schoone, volkseigene namen van onze eigene voorouders te verdryven.

Zie hier eenigen van deze oude namen, die nu als maagschapsnamen dienst doen, en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche en vlaamsche gouen inheemsch zijn: Alewijn (Adelwyn, Adelwin, Athalwin == edele vriend). Allewaert (Alwart, Athalwart, waar van, in versletenen form, ook de geslachtsnamen Alverdink en † Alvaarsma afkomstig zijn). Beerewoud (Berwalt, Barwold, Barwout, waarvan ook de plaatsnaam Barwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is afgeleid). Blomhert en Blommaert (zie bl. 93 en 94). Burghardt en Borchart, ook, by letterkeer, Brochard, een volle, oud-germaansche mansnaam, waarvan ook de maagschapsnamen Borgrink, Burgerding, Burgers, Borcherts afstammen. Ditmar; van dezen mansnaam zijn ook nog afgeleid de geslachtsnamen Detmering, Detmers en Dethmers, met Van Ditmar (zie bl. 130 en 148). Eerebout (Erbalt). Einhout (Eginhold of Aginald). Elewaut en Ellewaut, en in samengetrokkenen form Elout (met den plaatsnaam Ellewoutsdijk, dien de Zeeuen als »Ellou’sdike” uitspreken, een dorp op Zuid-Beveland). Gheerbrant, Gillebaert en Gillebert. Ghiselin (Gyselyn, een verkleinform van Gise, Gijs, Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam komen ook de patronymikale maagschapsnamen Giezing, Gyssen en Giezen). Gisolf. Haanraadt (dat is oorspronkelik Hagenrad). Harrewijn en Herrewijn (oorspronkelik Herwin, Hariwin). Herrebaut, Heerbout en Herreboudt (Haribald). Herrebrandt. Hillegeer (Hildger, Hildigar); ook verloopen tot den mansvóórnaam Hilger, die weêr oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Hilgerink en Hillegers. Hillewaert (Hildiward, Hildoard), ook verloopen tot den mansvóórnaam Hilwert, waar de patronymikale maagschapsnamen Hilwerda en Hilverda, Hilwerts en Hilwers, Hilverding, Hilverdink en Hilverink van afgeleid zijn, met de plaatsnamen Hilversum (Hilwarthisheim, Hilwart’s woonplaats), een vlek in het Gooiland; Hilwartshausen, dorp by Einbeck in Hanover, enz.—Hollebrand (oorspronkelik Huldbrant; een Hulbrand Sicka zen, dat is: Holbrand, de zoon van Sicko, of Sikkes zoon, wordt vermeld in eene oorkonde van 1465.84 Isenbaert en Ysebaert (Isanbercht, later in Holland en Friesland ook Ysbrecht, waar van de plaatsnaam Ysbrechtum, dat is: Ysbrechta-heim, dorp by Sneek in Friesland). Merwart. Oortwijn (Ortwin is wel bekend uit de Gudrun-sage). Meilof (oorspronkelik en voluit Meginolf, Maginvulf, Meinwolf, Meinolf, by letterkeer Meinlof en eindelik Meilof). Door misverstand, wijl men dacht dat voor dit of eene h was verloren gegaan, heeft men dezen versletenen form Meilof weêr veranderd in Meilhof, ’t welk ook als maagschapsnaam voorkomt. Oswold en Osewoudt (Oswald, Ansowald). Rooryck (oorspronkelik Roderyk, Rodrik, Hrodrik, als Roderich in Duitschland, als Rodrigo in Spanje (uit den Gothen-tijd?) nog voorkomende). Ryckewaert (Ricwart), komt ook voor in de geslachsnamen † Rickwardsma en Riquards. Snellebrand. Thiebaut en Thiebout (Thiudabald, Theudobald, Theobald, Dietbout, Dibbold, Dubbeld, zie bl. 51 en 145). Volbout (Folcbald), in Friesland Folcbald, Folbad, waar van de geslachtsnamen Volbeding (Folcbalding) en Volbeda (Folcbalda). Vrambout en Vroombout (Frombald, Frumold).

Deze namen zijn, als mansvóórnamen, heden ten dage, nagenoeg zonder eenige uitzondering, by de Nederlanders buiten gebruik geraakt. Tot deze groep van geslachtsnamen behooren echter ook eenige namen die als mansvóórnamen onder ons volk nog niet volkomen uitgestorven zijn, al komen zy dan ook zeldzaam voor. Hier toe kunnen gerekend worden de geslachtsnamen: Adelbert, Albracht, Albrecht, Albregt, als Albert nog in volle gebruik. Baudewijn, Boudewijn en Boldewijn, ook verfranscht als Bauduin (Baldwin). Everwijn (Eburwin, zie bl. 116). Godschalk, Gosschalk (Godescalc, Godes knecht, Gods dienaar). Hillebrand en Hildebrandt. Bertram (Berchtraven). Dittlof en Ditloff (Thiudolf, Diedolf, Detelf, Dietlof, Detlef) waarvan de geslachtsnamen Ditlofs, Detelfs, Detlefsen en Detheleven. Leopold (Luitpold, Liutbald). Librecht (Liudbrecht), verbasterd als Liebert, Libbert en Lubbert nog in volle gebruik; en waarvan de geslachtsnamen Liebersma, Lybering, Libbers, Lubberts, Lubbers en Lubberden (zie bl. 101). Walraven en Walraf. Wibaut (Wigbald), als Wibolt nog in de friesche gewesten in gebruik, waarvan de geslachtsnamen † Wibalda, † Wibolda, † Wyboltsma, Wigboldy, Wiebols en de plaatsnaam Wybelsum (Wigboldes-heim), dorp by Emden in Oost-Friesland. Wilmar, met de patronymikale geslachtsnamen Wilmerink, Wilmering, Wilmers. Wolfgang. Udo. Wybo en Wibo. Deze laatste naam komt als geslachtsnaam in Vlaanderen geenszins zeldzaam voor. Als mansvóórnaam, ook onder de formen Wybe en Wiebe, is hy in Friesland nog algemeen in gebruik. De geslachtsnamen Wybinga, Wybenga, Wybema, Wiebes, Wiben, ook in verkleinform Wiebeking, patronymikon van Wibeke, zijn er van afgeleid.

Weêr andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, vertoonen zeer oude formen en spellingen van mansvóórnamen, die in hunne hedendaagsche formen en spelwyzen by ons volk nog in volle gebruik zijn. Voorbeelden van zulke namen zijn: Beernaert, tegenwoordig Bernard, Barend, Berend, Baart, Beert, en de zeer talryke geslachtsnamen daar van afgeleid. Everard, Eberhardt, tegenwoordig Evert, ook als patronymikale geslachtsnamen Everaarts, Everaedts, Eberhardi, met Everda (zie § 44), Everts, Evertsz, Evertszen, Eversma, Evers, enz. Gheeraert (Gerhard), tegenwoordig Gerard, Gerrit, Garrit, Geert, waarvan Gerards, Gerrits, Gerritsen, Garritzen, Geerts, Geertsema en Geertsma, enz. Hughebaert en Huygebaert (Hugibercht), tegenwoordig Hubrecht, Huibert, waarvan Huiberts, Hubrechts, Hubregtse, Hubers, Huiversma, enz. Meynhardt (Meginhart), tegenwoordig Meindert (zie bl. 129). Volkwaert (Fulcwart), tegenwoordig Folkert, Volkert (welke versletene form echter eveneens uit Fulchart ontstaan is), en waarvan de geslachtsnamen Folkerts, Folkertsma (zie bl. 129) en Volquardsen.

Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden, eveneens van zulke volle oud-germaansche mansvóórnamen geformd, maar die in den tweeden naamval staan, dus echte patronymika zijn, en eigenlik in § 37 behoorden vermeld te worden. Het zijn: Ganglofs (Gangulf, Gangwolf, dat is geheel de zelfde naam, maar omgekeerd, als Wolfgang). Gerrebrands (Gerbrand is in Friesland nog wel als mansvóórnaam in gebruik); Gerrebrandt, weer in eenen anderen form, is ook een geslachtsnaam, even als de patronymika Gerbrands in algemeen-nederlandschen, Gerbranda in frieschen, Gerbrandy in verlatynschten form. Gevaerts, en in versletenen form Gevers; de volle, oorspronkelike form Gebhard komt ook als geslachtsnaam voor. Reinouts (Reginhald) met Reinalda (zie bl. 113). Roelants (Hrodlant), met Rolands. Sybouts en Sibolts (Sîgbald), met Sybeda (oudtijds in minder versletene formen als † Sybalda en † Sybada voorkomende), † Sibetsma, Sybolts, Siebolds, Sieboldts, en met de plaatsnamen Sebaldaburen, dorp in het Wester-kwartier, en Siboldaweer, eene sate te Godlinse in Fivelgo, beiden in Groningerland; Sibada-state te Oosterend in Hennaarderadeel (Friesland); Sibetsburg, gehucht by Ni-Ende in Jeverland, en Sibetshus, gehucht by Jever, beiden in het Oldenburger Friesland. Volkmaars (Fulcmar), versleten tot Folmer, Volmer, en nog voorkomende in de geslachtnamen Völlmar, Folmers en Volmers, Volmerinck en Volmerink, enz.

§ 63. Enkelvoudige mansvóórnamen, aan den bybel ontleend, komen ook als geslachtsnamen voor. Het grootste deel dezer namen bestaat oorspronkelik uit de namen van personen die in de boeken van het oude testament voorkomen. Zy worden meest door onze joodsche landgenooten gedragen. Als zoodanig vermeld ik de geslachtsnamen Absalon, Baruch, Boas, David en Davyt.85 Aan namen uit het nieue testament ontleend, zijn de geslachtsnamen Ananias, Bartholomeus,86 enz. Deze namen worden ook wel door oorspronkelik nederlandsche, door germaansche, kerstelike geslachten gevoerd. En wijl deze namen ten deele ook veelvuldig onder ons als mansvóórnamen in gebruik zijn, zoo komen zy ook als vadersnamen voor, en wel tevens in allerlei afgesletene formen. Als voorbeelden voer ik slechts de geslachtsnamen aan die van een paar dezer namen, van Lucas en Stephanus, afkomstig zijn. Van Lucas komen: Lucassen, Luiks, Luickx, Luycks, Luiks, Luiken, Luycken, Luike, Lüken, ook Loeks, dat verkeerdelik op hollandsche wyze geboekstaafd is, Lukenga, Luikenga, Luikinga. En van Stephanus, in het dageliksche leven Steven en Steffen, komen: Stephani Steveninck, Stevensz, Steffens, Steffensma, enz. Verder nog de geslachtsnamen Israël (ook Israëls), Tobias, Daniël (ook Daniëls), Emmanuël, Gabriël en Raphaël, die eveneens aan den bybel ontleend zijn.

Nevens deze bybelsche mansnamen hebben ook de namen van Heiligen der Roomsche kerk veelvuldig oorsprong gegeven aan nederlandsche geslachtsnamen. Deze namen van Kerk-heiligen zijn niet minder dan die van bybelsche personen by ons volk als vóórnamen in gebruik geraakt. Reeds aanvankelik by d’invoering des kerstendoms was dit het geval. En velen daarvan zijn onder ons nog in dageliksch gebruik. Natuurlik hebben deze namen aan zeer vele patronymikale geslachtsnamen oorsprong gegeven. En even natuurlik moesten deze namen, die grootendeels uit vreemde talen, van vreemde volken genomen zijn, in den mond van ons nederlandsche volk vele verkortingen en verbasteringen en omzettingen lyden, eer zy werkelik volkseigendom konden worden. Dien ten gevolge zijn de geslachtsnamen, aan zulke namen van Kerk-heiligen ontleend, heden ten dage dikwijls moeielik te herkennen en te duiden. Vooral als die oorspronkelike namen tegenwoordig by ons volk slechts zelden meer als mansvóórnamen in gebruik zijn. Wie herkent b. v. in de geslachtsnamen Fazinga en Faasma (oudtijds ook Phaesma geboekstaafd), in Fasen en Vaasse zoo terstond den kerkeliken mansvóórnaam Bonifacius, verkort tot Faas? Of in Bleesing († Blesingha), Blesen en Blesma den naam Blasius, die oudtijds door het nederlandsche volk als Blees gesproken werd? Of in Kopinga, Jacob? in Tiesma, Mattheus, Matthias, Thijs? in Kastma en Kassen, Christianus, Karstiaan, Karst? in Centen, Vincentius? in Ceelen, Marcelis?

Verstrooid door dit geheele werk zal men zeer vele geslachtsnamen aantreffen die op bovengenoemde wyze aan kerkelike namen ontleend zijn. Hier mogen aleen sommigen van die geslachtsnamen vermeld worden, welke slechts bestaan uit de namen van Kerk-heiligen, in weinig verbasterden of onverbasterden form, en dat wel van zulke namen, die tegenwoordig weinig als mansvóórnamen by het nederlandsche volk in gebruik zijn. B. v. Augustinus (Augustini komt ook voor), Bonefaes, Clement, Dominicus,87 enz.

Eindelik komen onder de nederlandsche geslachtsnamen nog eenige weinigen voor, die de namen zijn van oude Grieken en Romeinen; b. v. Caesar en Cezar, Milo, Plato, Scipio, Felix en Julius. De beide laatstgenoemden zijn minder vreemd, wijl ze ook als mansvóórnamen onder ons in gebruik zijn.