1 Förstemann, Altdeutsches Namenbuch, dl. II. bl. 835. Förstemann, Ortsnamen, bl. 178, 204, 245. Grimm, Geschichte d. Deutsch. Spr., bl. 775. Deut. Gramm., dl. II, bl. 349–352. Kemble, Saxons in England, dl. I, bl. 56–63, en 445–480. Kemble, in Philolog. Proceedings, dl. IV, bl. 1–9. Guest, in ib., dl. I, bl. 117. Pott, Personen-namen, bl. 169, 247, 553. Chrichton, Scandinavia, dl. I, bl. 160. Zeuss, Herkunft der Baiern, bl. XII, XXIII, XXXV. Massmann, in Dorow’s Denkmäler alter Sprache und Kunst, dl. I, bl. 185–187. Schott, Deut. Col., bl. 211. Max Müller, Lectures on Language, 2de series, bl. 16. Latham, Ethnol. Brit. Is. bl. 241. Latham, Eng. lang., dl. I, bl. 111. Meyer, Ortsnamen, bl. 139. Bender, Ortsnamen, bl. 103, 104. Vilmar, Ortsnamen, bl. 264, 265. Buttmann, Ortsnamen, bl. 2. Wright, Celt, Roman, Saxon, bl. 438–441. Edinburgh Review, dl. CXI, bl. 374–376. Donaldson, English Ethnography, bl. 61. Taylor, Words and places, bl. 124 en vervolgens.
2 Eelking, Fokking, Groening, Harting, Huising, Imming, Janning, Kamping, Leffring, Menning, Nolting, Onning, Popping, Rensing, Sieberding, Teding, Uiling, Veering, Wiebeking.
3 Zie Zwitzers’ Ostfriesisches Monatsblatt, Jaargang 1882, bl. 531.
4 Addingh, Hammingh, Herdingh, Hiddingh, Idsingh, Julsingh, Luytingh, Mensingh, Oostingh, Reiningh, Staringh, Stratingh, Tabingh, Tullingh, Weytingh, Woltringh.
5 Zie D. Buddingh’. Het boetregt, bevattende een oudheid-, geschied- en letterkundig onderzoek naar oorsprong en naambeteekenis van het geslacht Buddingh’, benevens de genealogische verspreiding van dien stamboom en zijne takken. Delft, 1863. Zie ook De Navorscher, XXXIV, 420.
6 Elinge, Ebbinge, Eppinge, Hachtinge, Hiddinge, Hilbinge, Houwinge, Lubbinge, Lussinge, Meursinge, Santinge, Sinninge, Tabinge, Uninge, Waninge, Wanninge, Willinge, Woltinge. Buiten Drente ook Bonninge, zelfs Bonningue in Fransch-Vlaanderen, Temminge, Soninge, Ubbinge, enz.
7 Zie Driessen, Monumenta Groningana vet. aev. ined. I, pag. 17, X.
8 Behalve Radink zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansvóórnaam Rado ook nog de volgende geslachtsnamen afgeleid: Rattinck, Ratinckx, Radix, Reading in Engeland (?); Rahden, Raats, Raat, Raedt, Raets, Radema Raadsma, Radsma en Ratsma. En de plaatsnamen Radinghem, een dorp in Artesie (Frankrijk); Reading in Berkshire (Engeland); Raddington in Somersetshire (Engeland); Radewert, oorspronkelike naam van de dorpen Rauwert (of Raard) en Raard in Friesland; Raetshove (in het Waalsch Raccourt), stadje in het nederlandsch-sprekende gedeelte van de belgische provincie Luik; Radegast, dorp by Bleckede (Lüneburg) Hanover; Radingsdorf, dorp by Prägarten in Boven-Oostenrijk, enz.
9 Bentinck, Bollinck, Boltinck, Bontinck, Bultinck, Daeninck, Derinck en Derink, Deuninck, Dieperinck en Dieperink, Dirckinck, Elderinck en Elderink, Essink, Goethinck, Haitinck, Hissink, Johanninck, Lamrinck, Reymerink, Ruytinck, Siegerink, Sikkink, Slabbinck, Stalinck, Teyink, Tenckinck, Teuninck, Volmerinck en Volmerink, Wiltinck en Wiltink, Wolberink.
10 Mellink, Reerink, Roelvink, Stroink, Temmink en Temminck, Voetelink, Wassink en Waszink, Wilbrenninck, Wiltink en Weenink.
11 Ch. Creemers, Aanteekeningen over het dorp Stramproy; Roermond, 1871, bl. 53.
12 Ghellynck, Gyselynck, Hallynck, Hebbelinck en Hebbelynck, (Hebbelynckx komt ook voor), Hellynck en Hellinckx, Merghelynck, Kempynck, Wytynck.
13 Bruinings, Boyungs, Eldringson, Ewings, Geerlings, Heymingson, Lammingsen, Merings, Ottings, Schellings, Sillings, Snellings, Stuvinghs, Tellings, Tjaberings, Tolings, Warrings.
14 Bierinckx, Buelinckx, Frelinckx, Hebbelynckx, Hellinckx en Hellynckx, Honinckx, Kranincx, Noninckx, Ooninckx, Pulincx, Ruytinckx, Snellinx, Surinx, Ratinckx.
15 Zie Ad. Duclos, Reivaart. Brugge, 1882, bl. 56.
16 Klein-Bentinck, Olde-Bronninge, Klein-Budding, Klein-Bussink, Olde-Dubbelink, Olde-Eitinge, Ny-Hoving, Olden-Huising, Nye-Manting, Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Klein-Ubbink, Olden-Waving, Olden-Wening, Klein-Hiddink, Klein-Wiecherlink.
17 Edixhoven (Edinkshoven), Frelinghuysen, Gussenk’lo, Hennixdael, Haslinghuis, Heusinkveld, Nunninghaven, Olminkhof, Poppinghuis, Renninghoff, Ridderikhof (Ridderinkhof), Rottinghuis, Schortinghuis, Suringbroek, (zie bl. 48), Wanninkhof, Wellinghuysen, Wiggelinkhuizen, Wittinghoff, Yserinkhuizen.
18 Hallungius, Hundlingius, Olingius, Reddingius.
19 Dotinga, Ebbinga, Eppinga, Feddinga, Fokkinga, Gauwinga, Hettinga, Hoitinga, Ypinga, Kempinga, Lettinga, Menninga, Nanninga, Ockinga, Ouwinga, Poppinga, Reininga, Sibinga, Sikkinga, Tamminga, Ubbinga, Wybinga.
20 Kruisinga met Kruizenga en Kroezinga, Muischenga en Musschenga, Plantinga en Plantenga, Vitringa.
21 Ennenga, Veenenga, Grimmenga, Hommenga, Yettenga, Cannenga, Libbenga, Minnenga, Nammenga, Offenga, Peunenga, Ruidenga, Stuivenga, Torenga, Walenga.
22 Donga (Dodinga); Enga en Engga (Enninga, Ennenga, zie bl. 57); Fenega (Feninga, zie bl. 58); Follega (Follinga); Hillega (Hillinga); Hudig (Huding); Immig (Imming, zie bl. 19 en 32); Mennega (Menninga, zie bl. 54); Minnigh (Minning, slechts een andere form als Menninga, maar van den zelfden mansnaam afgeleid); Radix (Radiks, Radinks, Radink, zie bl. 37); Ridderikhof (Ridderinkhof, zie § 22); Schallig (Schalling); Suerickx (Surinkx, Surinks, zie bl. 48); Taank (Tadink); Weddik (Weddink) en Willige (Willinge). Laatstgenoemde naam komt ook in Drente als geslachtsnaam voor, en is met Willink, Wilma, Willes, Willen en ’t engelsche Wilson afgeleid van den ouden mansvóórnaam Wille, die in Friesland nog voorkomt, vooral in de verkleinformen Wilko (Wilco) en Wiltje.
23 Zie Oorkonden der Geschiedenis van het St. Anthony-Gasthuis te Leeuwarden, I, bl. 133.
24 Ibid. dl. I, bl. 112.
25 Eekhoff, Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, dl. I, bl. 40.
26 Oorkonden der Geschied. van het St. Ant.-Gasth. te Leeuwarden, dl. I, bl. 141.
27 Van Rijn. Oudheden en gestichten van Friesland, dl. I, bl. 262.
28 Dat men oudtijds, zoo wel in Friesland als elders in de Nederlanden, zeer onnaukeurig, zeer onstandvastig was in de spelling der eigennamen, is overvloedig bekend. Om een enkel voorbeeld te noemen, zoo vind ik den geslachtsnaam Burmania op de volgende wyzen geschreven: in eene oorkonde van ’t jaar 1433, als Burmanningha; in eene andere van 1425: Burmana (als een eenvoudige tweede-naamvalsform op a, van den mansnaam Burman); van 1502: Buyrmangye; van 1507: Bwrmanghie; in een ander stuk van 1507: Burmannie; van 1520: Burmannia; van 1524: Van Buurmanya; van 1546: a Bourmannia en van Bourmannia in ’t zelfde geschrift; van 1558: van Burmanya; van 1562: van Bourmania; van 1563: van Burmannia; van 1574: van Bormannia; van 1580 en ’81: Burmania; van 1582: van Buermannia. Alle deze stukken kan men vinden in de Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden. Rienk Burmania nog, die in 1482 Olderman te Leeuwarden was, schreef zynen naam: Burmanghia. En een geestelike der Roomsch-katholyke kerk, die in 1876 te ’s Hertogenbosch woonde, heet Burmanje, naar de hedendaagsch friesche uitspraak.
29 Zie Eekhoff, Geschiedk. Beschrijving van Leeuwarden. dl. I, bl. 376.
30 Donia (Dodinga); Venia, Veenje (Feninga); Finia, Fynia, Fynja, Fynje (Fininga); Vissia (Vissinga, Fissinga); Frisia (Frisinga, Friesinga); Groenia en Groenje (Groeninga); Hania, Hanja, Van Hanja, Hainja, Hanje, Hainje (Haninga); Hunia (Huninga); Inia (Ininga); Lelia (Lelinga); Rinia en Rynja (Rininga); Runia (Runinga); Sinia, Synja (Sininga); Sminia, Van Sminia (Smidinga); Tynje (Tininga); Tania, Tanja en Tanje (Taninga of Tanninga).
31 Corty (Korting, Kortenga, van Kort, Cord, eene bekende samentrekking van Koenraad, Conrad, Konert); Donny (Donga = Dodinga, van Dodo, Doede; of van den mansvóórnaam Donne, die aan den geslachtsnaam Dons oorsprong gaf, en aan den naam van Donningen, een dorp by Clerf in Luxemburg); Emmery (Emmering, van Emmert, Emhart); Ferry († Fernia = Ferringa, van Ferre, ook Fere, zie bl. 30); Grévy (Grevinge, Grevingh, † Grevinga, zie bl. 76, ook Grevinchovius, zie bl. 52); Gerry (Gerring, van Gerre, Ger; ook de geslachtsnamen Gersma en Gersonius komen hier van); Hardy (Harding, Harting, Herdingh, van Hart); Henny (Henning, Hennye in Noordwest-Duitschland; zie bl. 70, van Henne); Hovy (Hoving, Hovinge, Hovingh, Hovinga, zie bl. 50, van Hove, Houe); Rembry, (Remberdink, Remmerding, voluit Remberchting, van Rembert, Rembrecht, Rembercht, Renbercht, Reginbercht); Remy (Remminga); Warny (Warninck); Werry en (half-hoogduitsch) Wehry (Wering, Weringa); Schaly (Schalinga), zie bl. 73.
32 Maaldrink, Meestringa, Meyering, Meyerink, Meyeringh, Neirinckx, Neyrinckx, Neirynck, Ridderink, Rigterink, Schildering en Schilderink, Schippering, Scholting, Schulting, Scholtink, Schultink, Smeding, Smedink, Smedinga, Vissering, Vischering, Vogeding, Weeveringh en Weverink.
33 Zie Drenthsche Volksalmanak voor ’t jaar 1842, Koevorden, bl. 159.
34 Over het woord skelta, schulte, scholte, schout, en over de eveneens luidende mansvóórnamen, met de geslachtsnamen daarvan afgeleid, zie men mijn opstel: »Schelte, Scholte, Schulte, Schout, Schuit”, in De Navorscher, Dl. XXXII, bl. 386.
35 Zie Taylor, Words and Places, bl. 492 en 499.
36 Muysson, Hemmingson, Neeteson, Nicolson, Pierson, Robertson, Sanderson, Stevenson, Tamson, Waleson, Wouterson.
37 Hubregtse, Jansse en Janse, Jooste, Jorisse, Karelse en Carelse, Leendertse, Lievense, Matthysse, Pieterse, Theunisse, Robberse (van Robber, Robbert of Robert, Rodbert, Hrodbercht).
38 Constantse, Davidse, Ferdinandusse, Gideonse, Gilyamse, Jobse, Jonasse, Willeboordse.
39 Duyvensz, Evertsz, Hilbertsz, Klaasesz, Koensz, Laurensz, Woutersz.
40 Halbesz, Igesz, Lolkesz, Meinesz, Mellesz, Nannesz, Oeblesz, Oomsz, Poppesz, Rinsesz, Ruurdsz, Roukesz, Seebesz, Sibblesz, Sybesz, Sickesz.
41 Feitz, Leendertz, Lootz, Reitz.
42 Dirks, Egberts, Engelberts, Folkerts, Gerberts, Gerrits met Geerts, Gheeraerdts en Geeraerts, Hendriks en Heins, Huberts, Koerts en Coenders, Koops, Lodewijks, Roelofs, Rutgers, Sybouts en Sibolts, Stoffels, Wouters.
43 Gerolts, Gerrebrands, Godschalks (en Gosschalk in enkelen form), Helmers, Herrewijns, Hildebrands, Remmers, Roelants, Volkmaars, Wigbolts (en in versletenen form Wiebolts), Wyemars en Wiemers, Willebrands.
44 Doedes, Douwes, Ealzes, Feddes, Rengers, Rinkes, Sierds, Sjerps, Sipkes.
45 Derx, Farx, Franx, Fredrix, Haex, Hendrickx, Hendrykx, Marx.
46 Dl. I, bl. 36—van ’t jaar 1462.
47 Dl. I, bl. 240—van ’t jaar 1530.
48 Dl. I, bl. 313—van ’t jaar 1542.
49 Dl. I, bl. 316—van ’t jaar 1542.
50 Dl. I, bl. 319—van ’t jaar 1542.
51 Register van den aanbreng van 1511. Dl. 1, bl. 169.
52 Domis, Duyvis, Galis, Heinis, Jonxis, Mienis, Stammis, Steenis, Tamisz, Tanis, Veenis, Warris.
53 Gyssen en Giezen, Huygen, Joosten, Jorissen en Gorissen, Keessen, Kersten en Carsten, Luyken, Nolten, Onnen, Oortgysen, Otten, Rijcken, Thijssen, Wynen.
54 Foppen, Hedden, Heeren, Hubben, Luyten, Makken, Okken, Pollen, Poppen, Rensen, Synen en Zynen, Snellen, Themmen, Uniken, Warren en Wobben.
55 Feickens, Fockens, Foekens, Heykens, Huigens, Leeuwens, Meddens, Onnens, Rykens, Roukens, Tjabbens, Tiddens, Tonkens, Ubbens en Uilkens.
56 Haefkens, Haentjens, Kannekens, Lollekens, Luydjens, Mintjens, Schellekens en Scheltjens, Seuntjens, Vennekens.
57 Giltjes, Loosjes, Maatjes, Onnekes, Rinkes, Solkes, Waalkes, Zoontjes en Wulmkes, dat is de mansvoornaam Wilhelm, samengetrokken tot Willem, in verbasterde uitspraak Wullem, in schrijfwyze verkort tot Wulm, in verkleinform Wulmke, in den tweeden naamval Wulmkes.
58 Bernarda, Bruna, Geldra, Gosliga, Hameka, Hoga, Idsarda, Jilderda, Jorna, Yska, Menalda, Popta, Reinalda, Rembada, Reverda, Ripperda, Ruurda, Sjoerda, Tjaarda, Wiarda, Wynalda, Albada, Bloema, Hora, Meina, Rommerda.
59 Taylor, Words and Places, bl. 381.
60 Ik mag hier niet achter wege laten te wyzen op eene verklaring van den uitgang ma achter friesche patronymikale geslachtsnamen, voorkomende in mijn geschrift Een en ander over friesche eigennamen, en die aanmerkelik afwijkt van de verklaring die ik hier aangaande deze namen geef. Nadere onderzoekingen, ten gevolge van het vinden en gebruiken van vele bronnen in oude geschriften en oorkonden, die my vroeger onbekend waren gebleven, of ook ontoegankelik waren, hebben mijn oordeel in deze zake thans volkomen gewyzigd. Ik herroep dus by dezen, wat ik in bovengenoemd opstel ter verklaring der ma-namen heb geschreven.
61 Bennema, Beintema, Bronnema, Dekema, Epema, Epkema, Feikema, Gaikema, Gjaltema, Haitsema, Hobbema, Ykema en (Van) Ikema, Yntema, Klasema, Lieuwema, Mellema, Ottema, Piekema, Ritsema, Sipkema, Tietema, Uilkema, Wierdema.
62 Entena, Epena, Falkena, Frankena, Imckna, Yntena, Matena (zie bl. 110), Sytena, Ubbena, Ukena, Wibena, Wymna.
63 Zie Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden, bl. 5.
64 Ibid. bl. 9.
65 Ibid. bl. 13.
66 Duursma, Engelsma, Folkertsma, Geldersma, Gerbertsma, Hendriksma, Hoitsma, Jansma, Jorritsma, Lammertsma, Meindertsma, Nammensma, Pietersma, Riemersma, Sierdsma, Sigersma, Steensma, Tjalsma, Tjebbesma, Tiemersma, Wigersma, Wierdsma.
67 Namen als Kopinga, Klaassen, Andriessen, Tomson, enz. zijn eigenlik even zonderling samengesteld als Leefsma. Immers ook hier is een vreemde, een hebreeusche naam (Jacob), twee andere bybelsche namen (Andries, Andreas en Tom, Thomas), en een kerkelike naam (Klaas, Nicolaus), allen dus van vreemden oorsprong, verbonden met de germaansche patronymikale uitgangen inga en sen, son (zoon). Zie hier eenigen van die byzondere nederlandsche geslachtsnamen, aan bybelsche en kerkelike mansvóórnamen ontleend, en eigenlik even zonderling van samenstelling, wegens de dietsche en friesche aanhangsels.
Van den bybelschen mansvóórnaam Petrus zijn afgeleid de nederlandsche geslachtsnamen Pietringa (Peterynck vond ik in West-Vlaanderen, als een naam uit de vorige eeu), Pietersma, Pietsma, Piersma, Petersma, Pietema, Pietersen, Pieterse, Pyttersen, Pieters, Piers, Pieren, Pierson, Peterson, Peeters, Peters, Petersen, Petri, Pietjes.
Van Nicolaus: Klazinga, Klasinga, Klasenga, Klasema, Klasing, Clausing, Klaassen, Claeysseune, Claessens, Klaasen, Klasesz, Nicolzon, Nicolai, Lykles, Lyklema, Lycklama (zie § 45).
Van Andreas: Andriessma, Andriessen, Andreessen, Andriesse, Anders, Andersen, Andreæ, Drewes, Dreevsen.
Van Jacob: Kopinga, Copinga, Coops, Koops, Koopsma, Kops, Koppen, Koppe, Jacobs, Jacobson, Jacobi, Japikse, Jaapies.
Van Martinus: Martens, Maartensz, Meertens, Mertens, † Martena, Martini.
Van Thomas: Thomassma, Thomassen, Tomsen, Toms, Tomson.
Van Paulus: Paulusma, Paulsen, Pauwels, Pauwelse, Paulen, Pauli, De Pauly.
Van Caspar: Caspersma, Kaspers, Caspari.
Van Christophorus: Stoffelsma, Stoffels, Stoffers, Christoffels, Stuffers.
Van Christianus: Christiaenssens, Christiaanse, Kerstsma, Kestma, Kastma, Karsten, Carsten, Corst, Cors, Corstiaans, Kersting, Christ, Carstensen, Kersten.
Van Mattheus: Matthyssen, Thyssen, Theys, Tysma, Tiesma, Thysma, Tiesema, Tiessema, Thyssens, Matthes, Mathiessen, Matthaei.
Van Bonifacius: Fazinga, Faasma, Faassen, Fasen, Vaasen, Vase.
De zeer talryke nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan den bybelschen mansnaam Johannes ontleenen, vindt men in § 58 opgenoemd.
68 Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden, bl. 82 en 91.
69 Franssema, Hoolsema, Ilpsema, Jeltsema, Klootsema, Luurtsema, Roelfsema, Tietsema, Weitsema.
70 Ten einde geen nederlandsche geslachten misschien te krenken, worde hier als voorbeeld slechts de duitsch-friesche geslachtsnaam Von Ompteda vermeld. De naam waarvan dit patronymikon is afgeleid, is, in zynen oudsten, oorspronkeliksten form Ummo, Omme, en in dien form, ook verkleind als Omke, en als Umo, Ome, Oomke, nog in Friesland in gebruik. Van daar de geslachtsnamen Ommenga, Omenga, Oomkens, Omen, Ooms, Oomsz, Ummen en Umken. Vele friesche mansvóórnamen worden in Friesland door willekeurige achtervoeging eener t verformd; van Haio maakt men Haite, van Ubo, Oebe maakt men Oebt, Oept, Upt, en zoo ook van Ummo, Omme is Umt, Omt geworden. Men ging zelfs verder, en hing er nog eene t achter; zoo kwam van Haite de form Haitet; van Oept, Upt maakte men Uptet, van Umt, Omt werd Umtet, Omtet. Nu neemt in den mond der Nederlanders de m geerne eene p of b achter zich; Middenleek werd Medemlik en Medemblik; Emuden werd Emden, Embden. Zoo ook werd Umtet en Omtet tot Umptet en Omptet. Deze naam door achtervoeging der oud-friesche a in den tweeden naamval geplaatst, geeft het patronymikon Ompteda (niet Ompteta; zoo komt van Albert en Hilwert, ofschoon deze namen beiden op t eindigen, Alberda en Alberdingk, Hilverdink, enz. met eene d). Dit oud-friesche geslacht Ompteda, oorspronkelik gezeten op ’t Zand in Fivelgo, waar de Ompteda-burcht is, is zeer verspreid in de friesche gouen aan beide oevers der Eems. De afstammelingen er van schryven hunnen naam op verschillende wyzen, als Ompteda, Von Ompteda, Umpteda, Omta, Umta, en formen dien ten gevolge nu vijf verschillende maagschappen. Een soortgelyke naam is de geslachtsnaam Impteda, die tegenwoordig, door letterkeer, in den verbasterden form Impeta voorkomt, en een patronymikon is van den mansnaam Imptet, Imtet, Imte, Imt, Immo.
71 Ter Haagha met Van Terwisscha en Van Terwisga (tor wiska is Oud-friesch voor ter weide, zur Wiese, Platduitsch tor Wische, op of aan de weide) zijn de eenigste friesche geslachtsnamen, die dit voorvoechsel ter, dat elders algemeen is, by zich hebben. Zie § 98.
72 Serbruyns, Serclaes, Serdobbels, Sergeys, Sergeyssens, Sergeysels, Serjacobs, Serlippens, Serneels, Serniclaes, Seroyen, Serpieters, Serreyns, Serruys, Sersanders, Sersimoens, Serstaas, Serstevens, Servranckx, Serweytens, Serwouters.
73 De Navorscher, dl. XXVIII, bladz. 28.
74 De Navorscher, deel XXVIII, bladz. 28.
75 Arnoldi, Augustini, Brandi, Conradi, Eberhardi, Gysberti, Hilbrandi, Jacobi, Martini, Matthaei, Meinardi, Michaëlis, Nicolai, Petri, Rudolphi, Simonis, Wilhelmy, Winoldi.
76 Ruardi (van Ruard [Ruwaert], Ruurd), Sybrandi (van Sybrand, Sîgbrant), Taconis (van Taco), Tjallingii (van Tjallingius, Tjalling), Wiardi (van Wiard—zie bl. 115), Wybrandi (van Wybrand, Wîgbrant), Wigboldy (van Wigbold), Wigeri (van Wigerus, Wiger, Wîgher).
77 Eyssonius, Hajenius, Heynsius, Hillenius, Jansenius, Janssonius, Matthesius, Mettenius, Nolthenius, Stratenus, Tielenius.
78 Johannink, Johanningmeyer, Johans, Janninga, Janninge, Janning, Jannink, Janzing, Janssonius, Jansenius, Janszeune, Jansone, Janseune, Janson, Janneson, Jantzon, Janssen, Janssens, Jansse, Jansen, Jansens, Janse, Jansé—in verfranschten form, even dwaas als Tanjé op bl. 69 vermeld; zie ook § 165. Janszen, Jansze, Janzen, Janze, Jansz, Jans, Jannen, Janne, Jannesse, Janesse, Jannissen, Jannisse, Jantz, Jantzen, Jansma, Jansema, Jenning, Jennings, Jenninck, Jentink, Jens, Jensson, (misschien ook Jenny, zie § 30), Jensen, Jensma, Jensema, Jentsema (dit is een oud-friesche verkleinform Jentse, Jen-tse of Jen-ke, Jenke, in ’t Hollandsch Jannetje, friesch ts == k), Jentzema, † Janthiama en † Jantiema (eveneens oud-friesche verkleinformen), Jantjes, Jennen, Jenniskens, Jennissen, Jennessen, Jeenenga, († Jenia, zie § 29), Jeens (de form Jeen komt in Friesland nog als mansvóórnaam voor), Jentjema, Jone, Joons, Hannes, Hanson, Hanssen, Hanssens, Hannessen, Hansen, Hansens, Hanse, Hansma, Hansema, Hensen, Henss, Henssens, Henskens. Dan nog de geslachtsnamen, wier oorsprong van den mansnaam Johannes in versletenen en verkorten form, of van de oud-germaansche mansnamen Hanno, Henno, in verkleinform Hanke (Hancko) en Henke (Hencko), aan twyfel onderhevig is: Hanning, Hannema, † Hankema, Hanken, Hankes, Henning, Hennye, Henny (zie § 30), Hens, Henkema, Henkes, enz. enz.
79 Groninger Volksalmanak, 1838, bl. 142.
80 Historische beschouwing der nederlandsche eigennamen, in De Jager’s Taalkundig Magazijn, dl. IV, bl. 317.
81 Oorkonden der Geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden, bl. 46.
82 Toevallig is Oldeneel ook de naam van eene buurtschap by Zwolle. Wat die naam als plaatsnaam beteekent, weet ik niet. Maar het is waarschijnlik dat de eene of andere van de verschillende maagschappen, die den naam Oldeneel dragen, dien naam aan dat gehucht ontleenen, terwijl by anderen de oorspronkelike beteekenis »Oude Cornelis” kan zijn.
83 Zie het toeblaadje (feuilleton) van het nieusblad Volksblad. Enschede. Jaargang 1882, no. 48, onder den titel Kwade Bette door M. J. Wuyster.
84 Oorkonden der Geschied. van het St.-Anthony-Gasth. te Leeuwarden, dl. 1 bl. 39.
85 Eleazar en Eliazar, Elias, Esau, Ezechiël (en Ezechiëls), Jehu, Jeremias, Jesse, Joël, Jonas, Isacq, Juda en Levy (zie bl. 130), Laban, Manasse, Nabal (en Nopol? eene andere uitspraak van dezen naam?), Nathan, Ruben (en als patronymikon Rubens), Salomon en Solomon, Samuël, enz.
86 Clephas, Lazarus, Marcus en Markus, Mattheus en Matthaei (zie bl. 150), Nicodem, Stephanus, Thomas, enz.
87 Germanus, Gratiaen, Gregorius met Gregory en Gregoor, Jeronimus, Ignatius, Julianus, Krispyn, Pancras, Quiryn, Rochus (met Rochusz en Rochussen), Servatius en Zervaas, Severien (met Severijns, Severijnse), Silvester, Urbanus en Uurbanus, Vincent en Valentyn. De geslachtsnaam Kiliaan kan tweederlei oorsprong hebben; hy kan de naam zijn van den heiligen Kilianus, en hy kan ook een latynsche form zijn om aan te duiden, dat de drager van dezen naam een Kieler is, iemand geboortig van, of t’huis behoorende in de stad Kiel in Holstein, of in de Kiel, een buurt by ’t Hoogezand in Groningerland.
88 Jagers, Jaegers, Jaeghers en Jegers, Houtzagers, Keersmaekers en, in wanspelling, Kerssemakers (kaarsemaker); Klerckx en Clerckx, Kosters, Costers en Custers, Kramers, Kremers en Creemers; Kuipers, Kuypers, Cuypers, Kupers, Küppers en het verlatynschte Cuperi; Koopmans, Coopmans, met de versletene formen Coomans en Comans; Lantmeeters, Leydeckers, Meesters, Messemaeckers, Rovers, Olieslagers, Pelsmaekers, Schoenmakers, Schoemaekers en het zuid-nederlandsche Schoesetters; Schrynemaekers, van het verouderde schrijn, kast als meubelstuk (in Friesland heeten de kastmakers nog schrijnwerkers); Snepvangers (snep = snip), Snyders, Snieders en Snyers, Teegelbackers, Waersegers, (waarzegger), Weevers, enz.
89 Zie ook mijn opstel: Brabantsche en flaamsche geslachtsnamen, in De Navorscher dl. XXVIII, bl. 22, 191, 358.
90 Hoefnagels en Houfnaeghels, Hombrouckx, Haseldonckx, Kerekhoffs, Kievits, Koevoets, Quaeyhaegs, Rijsheuvels, Roosbroeckx, Snoeks en Snoucks, Spitaels, Steenackers, Sterckx, Stroobants, Roeyaekers, Vingerhoets, Vloeberghs, Welvaarts.