O. Imperativische geslachtsnamen.

§ 150. Eenige byzondere nederlandsche geslachtsnamen vat ik te zamen tot eene groep, waaraan ik, in navolging der Duitschers, die over dit onderwerp schreven, den naam geef van »Imperativische geslachtsnamen.” Tot de »Zonderlinge geslachtsnamen” (zie de voorgaande afdeeling) moeten deze namen zekerlik ook gebracht worden, al behooren zy dan grootendeels geenszins tot de onverklaarbare namen. Het eigenaardige dezer namen bestaat hierin dat zy uit de gebiedende wijs van eenig werkwoord bestaan, veelal met toevoeging van een zelfstandig naamwoord of een bywoord. Of zelfs dat zy, met andere woorden te zamen, eenen geheelen kleinen volzin formen. B. v. Stavast (sta vast), Lachniet (lach niet), Kijk in de Vegt, enz. De oorsprong dezer zonderlinge, ten deele zelfs vermakelike namen is wel meest hierin te zoeken, dat zy oorspronkelik bynamen, half en half scheldwoorden geweest zijn, door de volks-geestigheid bedacht en toebedeeld aan dezen of genen, die door zijn gedrag, door byzondere eigenaardigheden in zijn doen en laten of in zyne inborst, aanleiding gaf den eenen of den anderen van deze namen op zich toe te passen. Een gierigaard b. v., tuk op een gering muntstuk, kreeg al licht in scherts den bynaam van Geert Grijp-den-duit, en die oorspronkelike scheldnaam is nog heden, in form een weinig versleten, als de geslachtsnaam Grijptenduit in gebruik. Eenen dronkaard, die geen wijn, bier of sterke drank kon laten staan, maar alles »uitzoop”, noemde de geestige volksmond al spoedig Symen Suip-het-uit, en ook deze scheldnaam is tot den dag van heden in stand gebleven, als de geslachtsnaam Zuipetuit.

Velen van deze geslachtsnamen zijn reeds van oude dagteekening, ’t welk ten deele ook blijkt uit de versletene formen die deze namen thans vertoonen. In de middeleeusche naamlijsten van poorters in de nederlandsche steden, en in andere oorkonden uit die jaren, komen zulke imperativische toenamen geenszins zeldzaam voor. Zoo vinden wy te Amsterdam eenen burger die den naam draagt van Jonge-Jan Doet-er-niet-toe99, en te Leiden, omstreeks den jare 1400, eenen koopman die Jan Blijf-hier heet. De man voldeed niet aan het bevel dat in zynen toenaam opgesloten was. Immers hy bleef niet te Leiden, maar vertrok naar het land van Schonen in Zweden, waar hy stierf.100 De namen Schiettekatte en Garegoed kan men ook tot de imperativische brengen, en dat deze namen eveneens reeds van oude dagteekening zijn, vindt men op bl. 454 vermeld.

Zie hier een lijstje van de imperativische namen, die nog heden in de Nederlanden als geslachtsnamen voorkomen: Makeblyde (maak blyde, vroolik), Breekpot, ook in de formen Breecpot, Breckpot en Brecpot voorkomende, Stavast, Zitvast en Hautvast, dat is: houd vast, in zuid-brabantschen en limburgschen form; de naam is dan ook in Limburg inheemsch. Tevens in Groningerland, als Holvast (hold vast), volgens het taaleigen van dat gewest. Verder Halover (haal over), Kiekepoos (kiik eene poos, kijk een oogenblik), Schuddeboom en Schuddebeurs, Grijptenduit en Zuipetuit, boven reeds vermeld; Schepop, Scheiuit, Leguit en Loopuyt, Houtrouw (houd troue, wees getrou), Schafraad en de tegenhanger van dezen naam Raadgep, dat is eene verbastering van den hoogduitschen form Rathgeb, welke ook in Nederland voorkomt, en raad geef, anders gezeid: geef raad, (ver)schaf raad beteekent. Dan nog Vliegop, Plukhooy, Schenkbier, Snydewind, Leeflang, Snydoodt en Sladoot, Schuddemat, Bytebier en Slokkenbier (bijt het bier en sluk het bier), Scheurleer, Smytegelt (smijt het geld), Stortenbeeker en Sturtewaegen. De beide laatst genoemde namen, die men zeer wel als imperativen, stort den beker (om), en stort den wagen (om) kan verklaren, kunnen evenwel oorspronkelik ook de namen zijn van eene byzondere soort van beker en van wagen, en misschien by wege van huisnamen tot geslachtsnamen geworden. Immers vinden wy onder het drinkgetuich onzer voorouders byzondere bekers, waaruit iemand die »het loopje” daarvan niet en kende, niet drinken kon zonder te »storten”, onder den naam »stortebekers” genoemd. En een »stortewagen” zal wel de naam zijn van eenen byzonderen wagen of kar, dien men, door eene eigenaardige inrichting, kan laten wippen of kippen, zoo dat zijn inhoud uitgestort wordt, gelijk onze boeren wel by ’t vervoer van eerde, mest, enz. gebruiken. Treur en Treurniet, Kreukniet (ver)kreuk(el) niet—, Wijkniet en Lachniet, Keereweer, Koopal en Maakal, zijn nog imperativische namen wier beteekenis duidelik is. Keerwolf kan als keer den wolf worden geduid, maar het kan ook een oud-germaansche mansvóórnaam zijn; immers Kjerulf vinden we als zoodanig in Skandinavien. Bütefür is een nederduitsche (platduitsche) form, en wil zeggen: zet het vuur aan. Vuur aanboeten, vuur aanbüten wordt nog door het volk in onze noordoostelike gewesten gezegd. De Franschen hebben dit oud-germaansche woord ook nog in hunne taal. Het fransche woord boute-feu, zoo als men (te ’s Gravenhage! liefst) den man noemt, die belast is met het vuur aanzetten of vuur aanboeten, bediedt in alle opzichten het zelfde als deze nederduitsche geslachtsnaam Bütefür; zie bl. 460.

Twee van de imperativische geslachtsnamen, ja drie, zijn zelfs uit kleinere volzinnen samengesteld. Het zijn Kijk-in-de-Vegt en Kom-te-Bed met het vragende Sijn-je-wel (zie je wel?), zie bl. 449. Kijk-in-de-Vegt is oorspronkelik waarschijnlik een huisnaam, aan zulk een huis eigen, waar men uit de vensters in de rivier de Vecht kon kyken. Zekerlik wel in de overijsselsche Vecht, en niet in de hollandsche; want de geslachtsnaam Kijk-in-de-Vegt is in Overijssel inheemsch. Dergelyke namen zijn meer door de volksgeestigheid gegeven aan huizen, burchten, schansen, enz., van waar men in of naar eene andere plaats kon zien. De oorsprong van het zonderlinge Kom-te-Bed is denkelik wel in eenen uit scherts gegevenen bynaam te zoeken.—De kwist- en spaarnamen, op bl. 454 vermeld, kan men ook tot de imperativische geslachtsnamen rekenen.