1 Blikslager, Brouwer, Herder, Kapper, Kramer, Koopman, Molenaar, Paardekoper, Schoenmaker, Timmerman, Smid, Snyder, Visscher, Voerman, Zeehandelaar, Zwaardemaker.
2 De Bleeker, De Brouwer, De Coopman, De Koning, De Kleermaker, De Looyer, De Landmeter, De Munter, De Jager, De Visscher.
3 Zie Register van den Aanbreng, dl. I. bl. 174.
4 Zie De Navorscher, dl. XXXII, bl. 85, 361, 362, 551.
5 Men zie aangaande dit belangryke woord De Bo’s Westvlaamsch Idioticon en Guido Gezelle’s Loquela, jaargang 1883, bl. 14.
6 Register van den Aanbreng in 1511, dl. I, bl. 4.
7 De Molenaar, De Molenaer, Meulenaar, De Meulenaar, De Meulenaere, De Meuleneere, De Meuleneir, Muller, Mulder, De Mulder, De Muylder, De Muyldere, De Meulder (ook half-verfranscht als De Meuldre), De Molder, enz. Müller en Möller geven door hunne spelling hunnen hoogduitschen oorsprong te kennen. De geslachtsnaam De Meulemeester (ook in hoogduitschen form als Mühlemeister voorkomende) behoort ook tot de molenaars. Zoo mede Meulman en het patronymikale Meulmans met het hoogduitsche Möhlmann. Ten slotte nog Van der Molen, Van der Meulen, Van der Muelen, Van de Molen, Vermeulen, Vermeule, Termeulen, Verwatermolen, Van der Slagmolen, Van der Heymolen, Van Dromole (d. i. Van de Roode-molen), Frankemolen, Homulle, Katemolen (kate, zie § 99) en het verbasterde Kattemulle, enz.
8 Groenman en Fruitman, Appelman, Augurkiesman en Komkommerman, Kalkman en Steenman, Hooiman en Stroman, Melkman, Blikman en Yzerman, Lakenman en Pelsman, Vlasman en Hennipman, Matteman en Doozeman, Brilleman, Mosselman en Oesterman, Suikerman, Mosterman, Vleesman en Spekman, Wafelman, Visman en Botman.
9 Zeeman, Timmerman, Landman en Veldman (ook Feltman en Veltman), Bouman en Weiman, Huisman (zie bl. 301) en Schuurman, Veeman, Koeman met Coeyman, Schaepman met Schaapman, Voerman, Veerman, Aschman, Modderman en Baggerman.
10 Huysmans, Schuurmans, Coeymans, Ackermans, Timmermans, Yzermans, Botermans, Knechtmans.
11 Cruysmans, tegenover ’t onverbogene Kruseman (de man met kruis, kruus, kroes haar? zie den geslachtsnaam Kruishaar), Vorsselmans, Hellemans, Nelemans, Palstermans, Hurtmans, Oerlemans, Stockmans, Mosmans, Hezemans.
12 Zie Register van den Aanbreng van 1511, bl. 14.
13 Register van den Aanbreng van 1511, dl. 1, bl. 3 en bl. 168.
14 Louis de Baecker, Les Flamands de France—Gent, 1851—bl. 185.
15 Informacie up den staet, faculteit ende gelegenheit der steden ende dorpen van Hollant ende Vrieslant—bl. 118 en 402.
16 Register van den Aanbreng van 1511—bl. 13.
17 De Oude Tijd, jaargang 1870, bl. 114.
18 Van den Bergh, Histor: Beschouwing der nederl. Eigennamen. Bl. 316.
19 Louis de Baecker, Les Flamands de France. Bl. 372.
20 Oorkonden van het St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. Bl. 265.
21 De oude Nederlanders hadden te recht eenen tegenzin om de zelfde klinkletter twee maal onmiddellik naast elkanderen te plaatsen. Daarom schreven zy straet en muer, gelijk de Vlamingen voor weinige jaren nog deden, terwijl de Hollanders reeds sedert anderhalve eeu straat en muur schryven. Zoo ook Blaevoet in plaats van Blauvoet of Blaeuvoet; immers u en v is oorspronkelik de zelfde letter. Hoe omslachtig staan daar tegenover de spelwyzen Blaauwvoet volgens Siegenbeek, Blauwvoet volgens De Vries en Te Winkel, waar men de u of v vier maal naast elkanderen plaatst (immers w is twee maal v of u) en zeven of acht klinkers op elkanderen laat volgen! De naam van Wilhelm Blaevoet komt reeds voor in eene oorkonde van den jare 1176 (Zie Louis de Baecker, Les Flamands de France, bl. 372) En nog heden bestaat deze geslachtsnaam in Vlaanderen.
22 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens. Dl. II, bl. 207.
23 Algoed, Alderbesten, Alderliesten (een versletene form van alderliefsten, allerliefste), Bemindt, Bly met De Bly en Evenbly, Brave, Dankbaar, Dapper, Edel, Ernstig, Frisch, Geneugelijk, Goedertier, Helder, Kloek en Cloeck, Knap en Knappe, Levendig, Netjes, Kostelijk, Rijk en Ryckaert, Rustige, Suyver, Vrolik, Vrolijk, Vroolik en Vroolijk, Verheugd, Vlug, Vroom, Welgemoed, Weltevreden en Weltevreede met Content. Nevens Welgemoed komen ook nog voor: Ligtermoed (licht te moede, licht- of luchthartig), Vrymoed en Vriemoet, en het min of meer raadselachtige Verschgemoed.
24 Behouden (zeker oorspronkelik de bynaam van iemand die behouden bleef by eenig groot ongeluk, of die behouden t’ huis kwam van eene gevaarlike reize?), Flauw, Nugteren, Verdoold, Verloren en Verloore met Vermist (deze laatsten als bynamen van vermiste, verdoolde of verlorene, maar weêr te recht gekomene kinderen?), Weerloos, Welbedacht, Welbekend, Zagt en De Sagte en Zuinig. Aangaande den naam Verloren zie men ook § 157.
25 Leep, Stout, Woest. De naam Stout kan ook opgevat worden in de oude beteekenis van moedig, dapper (zoo als by den bynaam van Karel den Stoute); ook kan hy eene verdietsching zijn van den hoogduitschen geslachtsnaam Stolz, die ook hier te lande voorkomt.
26 De Goedt, De Goeje, De Goeyen, Den Goeyen, Den Besten, De Coene, De Kloeke, De Kuysche, De Milde, De Rijcke en Ryke, De Vroe en De Vroey (versletene en verfloeide formen van De Vroede), De Vroome en Vroome, De Waeker en De Wijs met het hoogduitsche Weis en het fransche Le Sage. De bynaam De Vroede is reeds van zeer oude dagteekening. Immers droeg, volgens het brugsche weekblad Rond den Heerd, dl. VIII, bl. 106, een aanzienlik burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127, den naam van Wilhelm de Vroede.
27 Den Dullen (dat is: de dolle), De Loome, Monster (dat ook oorspronkelik de naam wezen kan van het dorp Monster [Monasterium] in het hollandsche Westland), De Harde, De Herde en D’Harden, De Quay (oude spelling en versletene form van De Kwade), De Simpel, De Slimme en Slimme (met de hoogduitsche weêrga Schlimmer), De Sot, De Staute (zie Stout hier boven), De Sukkel en Sukkel. Verder De Surgeloose (het woord zorg wordt in menige gouspraak als zurg, surg, surch uitgesproken,—(zie bl. 223) met Sorgeloose en Sorgeloos, De Wilde, De Wild en De Wildt, en eindelik Luysteraar.
28 Den Held met Held, Heldt en Helt, Goedbloed en Goetbloet met Goedhart, ook Jongbloed, Jongebloed, Jonckbloedt, Jonckbloet en Jonkbloed; dan nog Jonkhart.
29 De Praetere, De Sorgher, Sorgdrager, Helper, Trooster en Raadgever, Ligthert en Ligthart, Pronckert en Pronk, De Sloovere en Sloof. Een byform van den naam Raadgever is nog de geslachtsnaam Raadgep, eene zonderlinge quasi-verdietsching van den hoogduitschen maagschapsnaam Rathgeb, die ook in ons land voorkomt. Dat deze naam reeds zeer oud is, bewijst d’ omstandigheid dat hy reeds in de middeleeuen in versletenen form voorkwam. Immers zekere Wouter Ratgheer (Raadgever) was ten jare 1345 schepen der stede Sluis in Vlaanderen (zie De Oude Tijd, jaargang 1870, bl. 114.). Verder behooren tot deze groep nog de namen Looper en De Looper (een oude beroepsnaam? uit den tijd toen de groote heeren er eenen looper op nahielden?), De Wandeleir, Springer en De Springere, Stapper, De Fluiter en Fluyter, De Telder, Hardlooper en Hartlooper met Dribbelaar, Vlieger, De Vlieger en De Vlieghere, Hoogklimmer, Zwemmer, Duyker, Duiker en Duker, Schuyler, De Slooper, Stoker en Roker, Blazer, Blaaser en Brommer, Waayer en Zwaayer, Swerver en Zwerver, De Smyter, Roeper en De Roeper, Schrikker, Kermer, Lagcher, Weener (kan ook de naam zijn van het oostfriesche vlek Weener), Schreyer en in Friesland Schriemer (eigenlik skriemer, dat schreier beteekent). Ten slotte nog, als patronymikon, Droomers.
30 Leedegang en Ledeganck (oorspronkelik zeker wel de bynaam van eenen ledigganger, leêglooper), Drayer (kan ook aan een handwerk, wieldraaier, ontleend zijn), Praalder, Sluyper, Zwendelaer, Dobbelaer, Dobbelaar, Dobbeleer, Dobbeleire en De Dobbelaere met De Dobbeleer.
31 De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 234 en 236.
32 De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 113.
33 Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens, dl. I. bl. 40.
34 De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 128.
35 Informacie up den staet van Hollant, bl. 469.
36 De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 456.
37 De Uithangteekens, dl. I, bl. 243.
38 Zie Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem—Haarlem, 1880—dl. VIII, bl. 72.
39 Keetell, Ketel, Goteling en Gutteling, Schotel, Leepel, Mes en Hakmes, Emmer, Tobbe, Kuip en De Cuype, Ton, Ledder (de friesche form van het woord ladder), Beezem, Bezem en Besem, Korf, Fles, Stoop en De Stoop, Beker en De Kroes (deze naam kan ook by Kroese, enz. op bl. 343 worden gevoegd), Stoel, Hooghstoel, Stoof, Stoove (oud-nederlandsche, nog in West-Vlaanderen in volle gebruik zijnde naam voor »kachel”), Keers en Kaars, De Kandelaer en De Kandeleer (in de 16de eeu was er te Delft eene brouery die »In de Kandelaer” heette, even als in de 15de eeu te Leuven—Uithangteekens, dl. I, bl. 48 en dl. II, bl. 210), Slot, Sleutel en De Grendele, Klok en De Klok, Bril en Brill. De boere-gereedschappen worden vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De Carne en Ploeg. Verder komen nog voor Cruywagen, Korswagen (is dit eene verbastering van het oude woord kordewagen = kruiwagen, nog heden in Friesland, by letterkeer, kroodwagen, krode genoemd?), Stelwagen, aan verschillende geslachten eigen, en het versletene Stelwag (wat beteekent dit woord eigenlik? De wagenmaker heet in Groningerland »stelmaker”—zie bl. 308), Goedewaagen, enz. Vermoedelik is deze laatste naam oorspronkelik wel Goudewagen, gouden wagen, ’t welk de West-Vlamingen als goede wagen ongeveer uitspreken. De naam is wel te Gouda inheemsch, maar kan zeer wel uit Vlaanderen afkomstig zijn. »De Gouden wagen” was oudtijds als uithangteeken of gevelsteen veel in gebruik, vooral aan boere-herbergen en afspanningen; te Leeuwarden zijn er nog heden twee herbergen, die zoo heeten.
40 Uithangteekens, II, 265.
41 Uithangteekens, II, 203.
42 Uithangteekens, II, 170.
43 Uithangteekens, dl. II, bl. 190.
44 Uithangteekens, dl. II, bl. 238.
45 L. L. de Bo, Westvlaamsch Idioticon, op het woord Biebuik.
46 Uithangteekens, dl. I, bl. 47 en 48.
47 Uithangteekens, dl. I, bl. 39.
48 Informacie up den staet van Hollant, bl. 427, 437, 442, 488, 545.
49 J. P. Blok, Eene hollandsche stad in de middeleeuwen—’s Gravenhage, 1883—bl. 60.
50 J. H. van Dale, Het Sluische St. Kathelyne gilde, in De oude Tijd, jaargang 1870, bl. 114.
51 Rond den Heerd, dl. VIII, bl. 106.
52 De Navorscher, dl. XXVII, bl. 80.
53 De Navorscher, dl. XXVII, bl. 398.
54 In Noord-Brabant ligt ook een dorp dat Beers heet (in het land van Kuik); in Over-IJssel (Ambt Ommen) ligt een gehucht Beerse, en in het Land van Antwerpen, by Turnhout, nog een dorp Beers. Naar dit laatste dorp draagt zekerlik het antwerpsche geslacht Van Beers, waar de dichter Jan van Beers toe behoort, zynen naam. Misschien ook Beersmans; zie bl. 322.
55 W. Eekhoff, Geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden, dl. II, bl. 419.
56 »In den witten Brack”, was in 1600 de naam van een huis te Delft. Zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten; bl. 18.
57 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. I, bl. 48.
58 De Navorscher, dl. XXVII, bl. 78.
59 De Navorscher, XXVII, bl. 411, 412, 413.
60 Bernh. Brons Jr. Friesische Namen, bl. 56.
61 Edw. Gailliard, Glossaire flamand—Brugge, 1882—bl. 191.
62 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. I, bl. 48.
63 Zie Uithangteekens, dl. II, bl. 15, 328.
64 Zie Uithangteekens, dl. II, bl. 315, 369, 371.
65 Register van den Aanbreng van 1511, dl. III, bl. 60.
66 Uithangteekens, dl. II, bl. 353.
67 »In de Quack” was in 1600 de naam van een huis te Delft. Zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 18.—De kwak, eene soort van reiger, werd hier in de middeleeuen als wildbraad gegeten.
68 Zie De Navorscher, dl. XXVII, bl. 78, 340, 453 en 505.
69 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. I, bl. 47.
70 Wagenaar, Amsterdam, IV, bl. 401.
71 De Navorscher, dl. IV, bl. 129.
72 De Navorscher, dl. XXVII, bl. 412.
73 Zie Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. II, bl. 378.
74 Zie mijn opstel: Naamsoorsprong van Apeldoorn, in De Navorscher, dl. XXV, bl. 559.
75 Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens, dl. II, bl. 389.
76 E. Laurillard, Familienamen, in het tijdschrift De oude Huisvriend, jaargang 1882.
77 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. II, bl. 42.
78 Donckerwolcke, Slagregen, Stofregen, Hagel, Hagelslag en Haegelsteen, De Donder en Den Donder met Donders in patronymikalen form, Blits en Blitz, De Mist, De Rijm, Grondijs en Koudijs. De Dauw en Den Dauw, Mooiweer, Springvloed en Springvloet, Vuur, Vlam en De Vlam, De Rook en De Roock, Vonk en het hoogduitsche Funke, Van den Ochtend en Van den Avondt, Avonts en Savendts, en ten slotte Middernacht.
79 Zie Rond den Heerd, jaargang VIII, bl. 106.
80 Register van den Aanbreng van 1511, dl. I, bl. 15.
81 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. II, bl. 227.
82 Zie mijn opstel Bier en Bierdrinkers in Friesland, voorkomende in de Friesche Volksalmanak voor het jaar 1884—Leeuwarden, 1884.
83 Dat de wijn koel ware, gold oudtijds als eene byzonder gewenschte eigenschap, gelijk uit vele volkseigene oude geschriften, enz. blijkt. Zoo luidt ook eene strofe in het schoone oud-nederlandsche volkslied van Oostland:
»Daer sullen wi avont end’ morgen
»Noch drincken den coelen wiin.”
84 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. II, bl. 192.
85 De Navorscher, dl. XXIII, bl. 272.
86 Roem, Luister, Moed met Vrymoed en Vriemoet, Rust, Gewin, Troost, Kracht en Kraft met Krafft, Vernuft, Kunst en Duizendkunst (oorspronkelik zeker een bynaam voor eenen duizendkunstenaar), Kennis en Goedraad.
87 Hoon en De Hoon, Hoogmoed, Kommer, List, Moedwil, Noodt en De Nood, Ongena met Ongenaed, Ongenaeden, Ongenae en Onghena, Onrust, Schade, Sorg en Cleynsorgh, Schuld, De Spot, Twist, Verraed en Vrees.
88 Geselschap met Sellschap en Sellschop, Godsdeel en Aelmoes, Den Handel, Post en De Post, Haest en De Haast, Krediet en Contant, Koopmanschap, Lotery, Musyck en Vogelgezang, Politiek, Praal en Pronk, Koestapel, Slaap (zie bl. 328 en 437) en Sluymer, Sieraad, Oorlof en Paspoort, Schim en Spook, Scheepvaart en Zeevaert, Vijlbrief (veilbrief?), De Wet, Wonder, met het hoogduitsche Wunder.
89 Zie Guido Gezelle’s maandblad Loquela, te Rousselaere uitgegeven, in den jaargang van 1883, bl. 85.
90 Zie E. Laurillard, Familienamen, voorkomende in het tijdschrift De oude Huisvriend van J. J. A. Gouverneur, jaargang 1882.
91 De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 85.
92 De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 399.
93 Zie De Navorscher; dl. XXXII, bl. 156.
94 »Familienamen”, een opstel, voorkomende in het tijdschrift De oude Huisvriend van J. J. A. Goeverneur; in jaargang 1882. Men vergelyke aangaande dezen naam ook De Navorscher, dl. XXXII, bl. 484.
95 De Navorscher, dl. XXX, bl. 537, 570. XXXII, bl. 482.
96 Vreugdenhil en Vreugdeneel (misschien oorspronkelik wel een en de zelfde naam), Rotteveel, Vethake, Wouterlood, Lammerschop, Wijckerheld, Latynhouwers, Duizendstraal, Boerlijst, Kroothoep, Handlugten, Heuveldop, Rijnbende, Liedermooi, Herderschee, Nagtglas, Koorenblik, Ondereet, Schuttero, Stokkentreeft, Geiregat.
97 Pieleprat, Pingeweele, Plutschouw, Hioolen, Margadant, Nonhebel, Jiskoot en Yskoot (oorspronkelik misschien wel een en de zelfde naam), Zetteruam, Hoyack, Schuak, Pollones, Lasones, Kempees, Uloth, Mieremet, Nogarede, Boldoot, Fevesur, Wambersie.
98 Zie het tijdschrift Rond den Heerd—Brugge, 1873—dl. VIII, bl. 364.
99 J. Ter Gouw, Amsterdamsche Kleinigheden, bl. 58.
100 Dr. J. P. Blok, Eene hollandsche stad in de middeleeuwen, bl. 336.