§ 156. De nederlandsche taal is rijk aan een zeer groot aantal verschillende gouspraken of streek- en stadsspraken, zoogenoemde tongvallen. Deze gouspraken worden overal, in Holland zoo wel als in Brabant, in Vlaanderen niet minder als in Friesland, door het volk, ja in meerdere of mindere mate door iederen Nederlander, algemeen in het dageliksche leven gesproken. Geen wonder dus dat vele nederlandsche geslachtsnamen, die toch onmiddellik uit de spreektaal ontstaan zijn, menigvuldige kenmerken der verschillende gouspraken vertoonen, en dit zoo wel door de uitspraak, aangeduid door de spelwyze, als door byzondere woorden en formen waaruit deze namen zijn samengesteld.
De uitspraak der tweeklank ui als enkele, lange u, en der (hollandsche) klank ij als zuivere, lange i is zeer algemeen verspreid en aan nagenoeg alle nederlandsche gouspraken eigen, zoo men de byzonder-hollandsche en brabantsche (met de oost-vlaamsche), en dezen nog niet eens allen, uitzondert. En toch komt juist dit kenmerk, deze byzondere uitspraak, weinig in geslachtsnamen voor; minder dan menig ander byzonder kenmerk, dat toch niet zoo algemeen verspreid is als juist dit. De oorzaak van dit verschijnsel is dat oudtijds en nog algemeen in het begin der 17de eeu, alle Nederlanders, ook de Hollanders en Brabanders, de klanken ui (uy) en ij (dat is de dubbele i) als u en i uitspraken, ook al schreven ze ui of uy en ij. Toen dus de uitspraak dezer klanken in Holland en Brabant verliep tot ui (zelfs oi) en ei (zelfs ai), toen hield men toch in andere nederlandsche gewesten, waar men op zuivere, oude wyze u en i bleef uitspreken, de schrijfwyzen uy of ui, en ij by, in de spelling. Immers had men in die gewesten geen reden om de spelling te veranderen, al was het dat de Hollanders en Brabanders de uitspraak veranderden. De andere Nederlanders toch bleven de zelfden in spelling en uitspraak hunner taal; zy schreven den bekenden geslachtsnaam Buytendijk, voor en na aldus, en bleven dien zeer te recht uitspreken als Butendiik. Dies komt de spelling met enkele of dubbele u, waar de geijkte nederlandsche taal tegenwoordig ui eischt, slechts uiterst weinig in geslachtsnamen voor, niettegenstaande de uitspraak als u zoo algemeen is. My zijn geen andere namen bekend, die deze byzonderheid vertoonen, dan: De Cupere en Kupers, anders De Kuiper en Kuipers; Kluun en Stuut (zie bl. 488), Muus, Hardevuust, Rahusen, Garmhusen, en Uut het Hooghuis ten deele. Ook nog de geslachtsnaam (Mulert) Van de Leemcule. In sommige tongvallen, vooral langs onze oostelike grenzen, spreekt men dit woord kule, kuul uit met de hoogduitsche u, in klank overeenkomende met het fransche ou en ten naasten by met het nederlandsche oe. Die byzondere uitspraak van dit woord heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan van de geslachtsnamen Koelstra en Leemkoel, die ook als Lemkuhl en Lehmkuhl voorkomt, en van Savelcouls, als patronymikon van savelcoul, dat is savelkule of zandkuil; zie bl. 256 en 289.
De enkele i werd oudtijds, vooral ook in geslachts- en plaatsnamen, en althans als deze letter lang, gerekt, uitgesproken werd, gewoonlik als y geschreven. In het hedendaagsche geijkte Nederlandsch bestaat er eene schromelike verwarring tusschen die enkele y (geen y-grec, maar een goed-nederduitsche letter, de zoogenoemde steert-i onzer grootouders) en de dubbele i, anders gezeid de ij. De hedendaagsche Nederlanders grootendeels kennen geen onderscheid tusschen deze twee letterteekens. Van daar de algemeen-gevolgde spelling met ij, b. v. in de geslachtsnamen Van Yperen, De Mey, Meynders, Rykens, enz. die meestal met ij (Van IJperen, De Meij) geheel verkeerd worden geschreven, en ten deele ook verkeerd uitgesproken als Van Eiperen, Reikens, in plaats van Van Iperen, Rikens, enz. Ten einde te beletten dat men de y als ij = ei uitspreke, verlengen sommige ontaalkundigen en die geen zuiver gehoor hebben, de enkele i wel met eene e, tot ie. Maar ie = ia is toch een tweeklank, al spreken de Hollanders dien klank tegenwoordig verkeerdelik als eene enkele, lange i uit; dienen = dînen, di-nen. Zoo is men er ook toe gekomen om die eigenlik onredelike ie te schryven in een paar namen die oorspronkelik den enkelen i-klank hebben; enkel maar om de verkeerde uitspraak als hollandsche ij = ei te beletten. Die namen zijn Schriever (de zuivere form Schryver komt ook voor), Kriegsman (Krijgsman), Snieders (Snyders), enz.
De verwisseling van a en e vóor eene r is in alle nederlandsche tongvallen, ja in alle germaansche talen, zeer algemeen. Ster en star, hert en hart, smert en smart, bermhertig en barmhartig zijn reeds van ouds her wisselformen, ook in de schrijftaal. Verder is het neder- en hoogduitsche ver en fern in het Engelsch far, en het nederlandsche sterk in het Hoogduitsch stark, enz. Die verwisseling treffen wy ook in enkele geslachtsnamen aan: Varwer en De Varver nevens Verwer en De Verwer; Stark nevens Sterk; De Starke, en zelfs gerekt De Staercke, nevens De Sterke. Verder Kerremans (de zoon van den karreman, een oorbeeldig brabantsche naam), Garritzen nevens Gerritsen, Karkemeyer, Dannenbargh, enz. En omgekeerd Ligthert nevens Ligthart, De Swert nevens De Swart, Wermenbol (zie bl. 421), enz.
De Temmerman, De Smet en De Smedt met Selversmet vertegenwoordigen de uitspraak van sommige zuid-nederlandsche gouspraken in de woorden timmerman, smid, zilver. Deze geslachtsnamen zijn dan ook in Zuid-Nederland inheemsch. Tegenover deze verheldering van de onvolkomene i tot onvolkomene e staat eene verdoffing tot onvolkomene u, die aan andere gouspraken, in Friesland, Noord-Holland en West-Vlaanderen, eigen is. Deze byzondere uitspraak heeft de volgende geslachtsnamen doen ontstaan: Durksz, in Friesland, nevens Dirks, en nevens Derks in de saksische gouen; Zulver, in Noord-Holland, nevens Zilver (zie bl. 412); Wullems en Wulmkes (zie bl. 109), patronymika van den mansvóórnaam Willem; Van der Wurff nevens Van der Werff; De Rudder, in West-Vlaanderen, elders De Ridder, enz. Het omgekeerde komt ook voor, namelik de verheldering van de doffe u der geijkte nederlandsche taal tot eene onvolkomene i. Te weten in den maagschapsnaam Van de Pitte, nevens Van de Putte. Deze naam is in Zeeland en Vlaanderen inheemsch, en in deze gewesten wordt ook het woord put als pit uitgesproken.
Sommige nederlandsche gouspraken laten eene onvolkomene doffe u hooren in plaats van de geijkt-nederlandsche o in de woorden boter, storm, gestorven, enz. Deze uitspraak heeft de geslachtsnamen Sturm, Butter, Wurkum, enz. doen ontstaan. De beide laatste namen zijn in noordelik Noord-Holland inheemsch, en de eerste vond ik in Zeeland. De geslachtsnaam Wurkum is oorspronkelik de naam van de friesche stad Workum, en hy maakt de weêrga uit van den maagschapsnaam Van Burkum (zie bl. 223). Burkum en Wurkum, zoo kan men nog van ouderwetsche Leeuwarders den naam der stad Workum en dien van het eiland Borkum hooren uitspreken.
Aan eenige nederlandsche gouspraken, bepaaldelik aan de frankische in ’t algemeen, aan de hollandsche in het byzonder, is eigen dat men de slot-n der woorden in d’uitspraak achter wege laat. Aan deze uitspraak, welke aan de Nederlanders die van frieschen en saksischen stam zijn, zoo zonderbaar in d’ooren klinkt, danken geslachtsnamen als Tiggeloove (tichel-oven), Jansse, Van Heusde, Van Ake, Van Campe, Van Emde, Minde, Van Vuure (Vuren is de naam van een geldersch dorp), hun ontstaan. De gerekte en lymige uitspraak aan de meeste byzonder-hollandsche gouspraken eigen, vindt men afgebeeld in den geslachtsnaam Van Mouwerik. Deze naam, afgeleid van den gelderschen dorpsnaam Maurik komt ook als Van Mourik voor (omdat de Hollanders in hunne uitspraak ou en au niet onderscheiden); tevens ook in den goeden form als Van Maurik.—Blom, in plaats van bloem, is aan de volkspraak van vele nederlandsche gewesten eigen. Deze form komt voor in de geslachtsnamen Blom, Blommendaal, Van Blommenstein, enz.
In de zuiver-saksische en in de friso-saksische gouen, in de noordoostelike Nederlanden dus, komt in geslachtsnamen zoo wel als in plaatsnamen menigvuldig ol voor, waar het geijkte Nederlandsch ou heeft, overeenkomstig de volksspreektaal in die streken. Zulke geslachtsnamen, in die gewesten oorspronkelik inheemsch, maar die ook elders wel voorkomen, zijn: Boekholt, Eekholt, Nieholt, Niewoldt, Olthoff, Groenewold, Swartwoldt, Ten Wolde, Op ’t Holt, De Olde, Oldenboom, Coldewyn, Deurholt, Tinholt, Holvast (zie bl. 468), enz. In de geslachtsnamen Van Oldenaller en Van Ouwenaller, beiden ongetwyfeld aan eenen en den zelfden plaatsnaam ontleend, kan men ook den infloed bemerken van den hollandschen tongval in den laatsten, van den saksischen in den eersten naam. Bovengenoemde geslachtsnamen Boekholt, Eekholt, Groenewold, enz. vinden hunne tegenhangers in de maagschapsnamen Boekhout en Buekenhout, Eechout, Groenewoud, De Oude, Den Ouwen, enz. in andere gewesten inheemsch. Het woord old, oud, verliest in de saksische tongvallen ook wel de d, en wordt dan, hier meer, daar minder gerekt uitgesproken, als ol en ool. Deze form komt voor in de geslachtsnamen Ool-Bekkink (zie bl. 50), Oolbroer (zie bl. 434) en Oljans (zie bl. 171). De tweeklank oe wordt in sommige nederlandsche streekspraken vervangen door eu. Van daar de geslachtsnamen Jongebreur en Bestebreur (zie bl. 434). In andere tongvallen weêr laat men den eu-klank hooren, waar het geijkte Nederlandsch eene o heeft. Deze uitspraak is afgebeeld in de geslachtsnamen Keuning en De Ceuninck, die nevens Koning en De Coninck voorkomen. Verder in Neuteboom nevens Noteboom, in Van der Neut nevens Van der Noot, enz. Het woord molen vooral wordt veelvuldig als meulen uitgesproken. Van daar dat ook in geslachtsnamen meer meulen wordt geschreven en gesproken dan molen. Zoo is allereerst de naam Van der Meulen en Vermeulen veel meer algemeen als Van der Molen, en daar by aan zeer veel verschillende maagschappen eigen. Verder Meulebrouck, Van der Oudermeulen nevens Molenbroek, enz. Deze klank eu wordt, door hoogduitschen infloed, ook wel als ö geschreven, en komt als zoodanig voor in de geslachtsnamen Rörink, Höpink (zie bl. 40), Frankemölle, enz. De zuiver nederlandsche form van dezen laatsten naam, Frankemolen, is aan eene andere maagschap eigen. In de geslachtsnamen Homulle en Kattemulle (zie bl. 314) wordt dit woord molen, meulen, mölen, möle weêr op eene andere wyze geschreven. Deze naam Homulle vertoont wel drie afwykingen, volgens de volksuitspraak, van het geijkte Nederlandsch. Immers behalven den form mulle voor molen, is ook de n achter ’t oorspronkelike mullen weg gesleten, en is tevens hoog tot ho afgesleten. Want de volle form van dezen naam is Hoogemolen, welke form ook als geslachtsnaam voorkomt. Hoog tot Ho verkort vinden wy ook in de geslachtsnamen Van den Hoonacker (van den Hoogenakker), Homeyer, (Hoogmeier, in tegenoverstelling van Niermeyer, Niedermeier, Nedermeier) en Van Hoboken. Deze laatste naam is ontleend aan dien van het dorp Hoboken by Antwerpen, en beteekent: hooge beuken. De verwisseling van o en eu neemt men ook waar in den naam der stad Leuven, die door de Zuid-Nederlanders Loven genoemd wordt. Beide formen komen in geslachtsnamen voor; zie bl. 474.
In de zuiver-saksische en friso-saksische gouspraken staat het woord lutje, ook lutke, in de plaats van ’t algemeen-nederlandsche klein. Van daar de groningerlandsche geslachtsnaam Lutje, een tegenhanger van Klein, en Lutkemeyer, Lutjens en Lutgens, nevens Kleintjes dat in andere gewesten voorkomt, enz. Zie ook den maagschapsnaam Luttik, op bl. 492. Eene andere byzonderheid dezer zelfde streekspraken is nog de uitspraak der sch als sk, voorkomende in de geslachtsnamen Visker, Fisker en Busker. Verder de verkleinform op ien, die voorkomt in de geslachtsnamen Boertien in Drente (nevens Boerke in Friesland, zie bl. 480 en bl. 302); in Karssiens, elders Karsjens en Kersjens, van Karsje, Kars, Kers, Kerstiaan of Christiaan; Knoppien, Lukkien, Mandties, enz. De verkleinform je luidt in menige gouspraak, vooral in de hollandsche, als ie. Van daar de geslachtsnamen Assies, Keesie, Lampie, Weesie, Jaapies (Jacobs), enz. Assies is een patronymikon van Assie, en deze mansvóórnaam staat in de plaats van Asje, een verkleinform van Asse, ’t welk een oud-friesche mansvóórnaam is, weinig in gebruik, maar ook door Leendertz in zyne naamlijst vermeld, en waar de patronymikale geslachtsnamen Asma, Assma, Assing, Assink, Van Asma, en vele plaatsnamen van afgeleid zijn. Een andere, zeer algemeen buiten Holland en Zeeland gebruikelike verkleinform is ke, in plaats van je of tje. Deze verkleinform komt in vele geslachtsnamen voor, in vele verschillende gewesten. Zie hier eenigen: Buurke, Boerke, Schuurke, Beerske, Mannekens, Guskens (van den verkleinform van Gus of Augustus), Wyvekens (zie bl. 167), Harkema, Gerkema, Waalkes, Gieskens (van den verkleinform van Gys, Gijs (zie bl. 176), Lollekens, Boomkens, Heykens en Heykema, enz. Zeer algemeen is ook de verfloeiing der d tot j of w. Deze volksuitspraak komt in vele geslachtsnamen voor; b. v. in Van Muyen, in plaats van, en nevens, Van Muyden, Den Ouwen, De Goeje en De Goeye, De Quay (de kwade), De Vroey (zie bl. 351), De Breeje, Van Goeyenhuisen, Van Ostaeyen, in plaats van Van Ostade, welke naam ook voorkomt, en die afgeleid is van het gehucht Ostade (Oost-Ade? of Ode-stade?) by Asten in Noord-Brabant; een ander gehucht Ostade of Ostaye ligt by Zundert, ook in Noord-Brabant. Eene oud-amsterdamsche, ook over andere steden en gouen van Noord-Holland verspreide uitspraak van het woordje nieu (nieuw) luidt als nuw, nu. Te Amsterdam kan men vele lieden nog hooren spreken van den Nuwendijk en de Nuwmarkt. Deze byzondere uitspraak vinden wy afgebeeld in de geslachtsnamen Nuwendam, in plaats van Nieuwendam, de naam van een dorp in het Waterland, tegenover Amsterdam aan ’t Y gelegen; Nuwland en Nulant, Nuveen, Nuhout en Nusteeg (zie bl. 220). De formen Nieuwland met Nyland en Nieland, Nieveen, Nyhout, Nyholt, A Nyeholt, Nieholt komen ook, nevens dezen, voor. Eene andere uitspraak van dit woord nuw = nieu, en wel als nou, nouw, zelfs wel als noud, nouwd, is eveneens aan deze en gene gou in Noord-Holland eigen; onder anderen aan de spreektaal van het eiland Wieringen. En ook deze byzondere form komt in geslachtsnamen voor, en wel in Nouwland en Van den Nouwland. Eene andere verbastering van het oorspronkelike nieu, nieuw, vindt men in de maagschapsnamen Van Nievervaart en Nievergeld; zie bl. 431. De geslachtsnaam Mosk is eveneens in het westelikste Friesland inheemsch, en vertegenwoordigd de friesche uitspraak van ’t algemeen-nederlandsche woord musch; zie bl. 382. In Friesland, zoowel als in West-Vlaanderen, spreekt men het woord duivel niet slechts als duvel, maar ook als dyvel, divel, dievel uit. Van daar de geslachtsnaam Den Dievel (zie bl. 355). De vogel kievit heet kyfte of kieft in de saksische gouspraak van Twente en oostelik Gelderland. Van daar de geslachtsnamen Kiefte, als tegenhanger van ’t algemeen-nederlandsche Kievit, die in Twente (te Gramsbergen) my voorkwam, en Kyftenbelt, elders in Overijssel inheemsch. Zie bl. 490. De geslachtsnaam Borggreve, een tegenhanger van Burggraaf en Burghgraef, vertoont ook eenen saksischen form, even als Brouwhamer (zie bl. 365) eenen frieschen. Renneboog, samengetrokken uit Regenboog (zie bl. 414), komt in form naby ’t woord rein, dat in het Friesch en West-Vlaamsch in de plaats van het algemeen-nederlandsche woord regen staat. Bemd voor beemd of weide, is eene brabantsche uitspraak, die wy terug vinden in den geslachtsnaam Van den Bemden (eene andere maagschap schrijft zelfs Van den Bempden), welke in Zuid-Brabant inheemsch is. In dat gewest vinden wy ook den plaatsnaam Suerbempden (Zuurbeemden), zoo als een dorp heet in het Hageland, met den daarvan afgeleiden geslachtsnaam Van Zuerbempden. In West-Vlaanderen laat men in de volksspreektaal de w wel achterwege, als deze letter aan het begin van een woord staat. Zoo zegt men daar orm of oorm in plaats van worm, oensdag voor woensdag, oelen en oekeren voor woelen en woekeren, gelijk de Hoogduitschers ook Rache (Wrache) zeggen voor het nederduitsche woord wraak. En zoo is er in Vlaanderen ook eene maagschap, die haren naam als Van der Ostyne spreekt en schrijft, nevens eene andere die Van de Woestyne heet, in den oorspronkeliken form. Deze vlaamsche naam, die zyne weêrga vindt in den noord-nederlandschen geslachtsnaam Van Wildernis, is tamelik algemeen in de vlaamsche gouen verspreid, en komt daar in allerlei formen en verbasteringen voor. Nevens Van der Ostyne nog als Van der Ostuyne en als Van der Hoestyne; naast Van de Woestyne nog als Van de Waestine, en, half verwaalscht, als Van de Wattyne. In der daad komt het hedendaagsche woord woestijn in oude west-vlaamsche oorkonden herhaaldelik voor als waestyn, waestine. Andere verbasteringen van dit woord vinden wy nog in de vlaamsche geslachtsnamen Wostyn, Hostin en Ostin, zelfs Van de Goesteene, en eene halve verwaalsching in De la Woestine, dat men ook, nog meer verknoeid, als Delawoëstine schrijft. De naam Van de Goesteene dankt zynen byzonderen form aan eene zeer gewone verwisseling van de letters w en g in de germaansche en romaansche talen. Zoo zijn de oud-germaansche mansvóórnamen Walther of Wouter, Wilhelm of Willem en Witte (of Wyten, zoo als de Vlamingen zeggen) in den mond en in de pen der Franschen tot Gauthier, Guillaume en Guido geworden, even als de oud-germaansche woorden war of oorlog (thans uitsluitend engelsch), wafel en waas (wasem) door de Franschen als guerre, gauffre en gas, zelfs gaz, in hunne taal zijn overgenomen. En juist in die verhouding staat ook de naam Van de Goesteene, die op de grenzen van het germaansch-romaansche, van het nederlandsch-fransche taalgebied, in Fransch-Vlaanderen inheemsch is, tot den naam Van de Woesteene, Van de Woestyne.
In velen onzer gouspraken nemen de woorden, die zich daartoe leenen, geerne, als ter versterking, eene t achter zich. Zoo kan men vele Hollanders den naam van ’s Gravenhage als den Haagt of liever als den Haacht hooren uitspreken. In Gelderland noemt men de rivier de IJssel veelal den Iisselt; en Meppel wordt door vele Drenten en Overijsselaars altijd Meppelt genoemd. In West-Vlaanderen kan men de woorden wylen, heden, samen, pastoor, kelk, enz. als wilent, hedent, sament, pastoort en kelkt hooren uitspreken. Ja, te onzent en ten uwent behooren zelfs in geheel Nederland tot de schrijftaal. Deze, by tongval achtergevoegde t vinden wy ook in eenige geslachtsnamen, in Van Zutvent (nevens Van Zutphen); in Van Isselt (naast Van IJssel); Valkenborgt (by Valkenburg); Andernagt (oorspronkelik Andernach—zie bl. 211); Kleywegt (nevens Kleiweg); Mestdag en Mestdach (nevens Mesdag, zie bl. 417), enz. Misschien ook in Tellenhoft. Te Antwerpen komt de naam Asselberg in drie verschillende formen, aan drie verschillende maagschappen eigen, naast elkanderen voor. Te weten, in zuiveren form als Asselberg, in tongval-form als Asselbergt, en als patronymikon: Asselberghs.
Juist tegenovergesteld aan deze byvoeging eener overtollige t, laat men in de limburgsche gouen, en ook elders wel, de t achterwege als deze letter een woord sluit. B. v. ach, in plaats van acht, is algemeen limburgsche uitspraak. Ook deze eigenaardigheid vinden wy in sommige geslachtsnamen te rug. Immers komen nevens de namen Coenegracht (zie bl. 280), Offergelt (zie bl. 431) en Vijftigschild (zie bl. 431), in de zuid-nederlandsche deelen van Limburg de maagschapsnamen Coenegrach, Offergel en Vijftigschil voor.
De lange a-klank vóór eene r luidt in zeer vele nederlandsche gouspraken, eigenlik en van ouds in allen, als eene byzondere opene e; haard = heerd, paard = peerd, merkwaardig = merkweerdich, enz. Deze zoogenoemde zware e-klank, die oudtijds by de Zuid-Nederlanders ook wel als ei afgebeeld werd, komt voor in de geslachtsnamen Van den Eertwegh en Van Eerdewegh (nevens Van den Aardweg—zie bl. 474); Beerske (zie bl. 480), De Keirsgieter, Snelderweert en Van Maarschalkerweert, enz.—Aan Brabant eigen is de uitspraak van de tweeklank oe als ue. En deze uitspraak is afgebeeld in de geslachtsnamen Buekenhoudt en Verbueken (buek = boek of beuk, dus Buekenhoudt = Boekholt—zie bl. 498 en bl. 405); Van Suetendael (nevens Van Zoetendaal in Holland); Van Nueten, Ketelbueters en Capuen. Ook byzonder-brabantsch is de uitspraak van den tweeklank ou als au; hout b. v. als haut, en oude, door uitfloeiing der d (zie bl. 501), als auwe of au’e. In menigen, vooral zuid-brabantschen geslachtsnaam is deze byzondere uitspraak in de spelling afgebeeld; b. v. in Schautteet, dat is Schoutheet (zie bl. 326); in Hautvast (zie bl. 468); verder in Sauwen (zie bl. 185), Dauwe en Dauwen (zie bl. 339), in Aupiers (zie bl. 171), Austraete (zie bl. 220), Auwerkerken (Ouwerkerk en Ouderkerk komt ook voor, en Van Auwerkerck); Van der Auwera en Van der Auweraa. Deze laatste zonderling schynende naam, zonderling vooral als hy op de zuid-nederlandsche wyze geschreven wordt (Vanderauwera), wordt verklaard door den eveneens voorkomenden geslachtsnaam Van der Ouderaa (dat is: van het oude water, zie bl. 281). Verder Van der Auwermeulen en Van Auvermeulen nevens Van der Oudermeulen; Caudyser nevens Coudyzer; Van den Eechautte en Van den Eechaudt nevens Van den Eekhout; Van den Audenhoven en Van Audenhoven nevens Van Oudenhoven, enz.
In Groningerland zijn de geslachtsnamen Reenders en Meendering inheemsch. Het schijnt my toe dat deze namen, die aldaar en elders ook voorkomen als Reinders, Reynerts en Meynderink met Meindering, (zoon van Reinder, [Reinher, Reginheri of Raginhari], en zoon van Meinder, [Meinher, Meginheri of Maginhari]), hunnen oorsprong ook te danken hebben aan eene byzondere uitspraak in den eenen of anderen tongval. Een tegenhanger van den groningschen naam Reenders is de geslachtsnaam Renders (eveneens van Raginhari afgeleid,) en die in West-Vlaanderen inheemsch is.—Bekend is de byzonderheid die aan vele, vooral zeeusche en vlaamsche gouspraken eigen is, dat de h, als beginletter van eenig woord of lettergreep, niet uitgesproken wordt. Waar tegen over staat dat die zelfde letter wel uit onkunde geschreven wordt, (en ook wel gesproken, zoo als te Zwolle, op Fliland, enz.) waar zy niet behoort. Aan deze zonderlinge onregelmatigheid, ten opzichte van de h, danken de volgende geslachtsnamen hun ontstaan: Van der Hauwera (zie Van der Auwera hier boven), Liefhooghe, zie bl. 345; Houdenbrouck, in Vlaanderen inheemsch, en elders als Oudenbroek, in Holland ook als Ouwenbroek voorkomende; Bouckout nevens Bouckhout en Boekhout; Van de Kerckove nevens Van de Kerckhove; Kortenoeven nevens Kortenhoeve; Nettekoven en Gripekoven, dat is voluit: Nettinkhoven (zie bl. 83) en Gripinkhoven. In de spelling der geslachtsnamen Van der Hougstraete, Van der Ougstraete, Verougstraete, Verhougstraete, Verhoestraete, allen aan verschillende vlaamsche maagschappen eigen, valt de infloed van verschillende gouspraken en tongvallen op meer dan eene wyze op te merken. De verwaarloozing der h in de uitspraak had ook inkrimping van het lidwoord ten gevolge, in geslachtsnamen als D’Haese, D’Hondt, D’Hert, D’Hoedt, enz. die allen in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn. In enkele gevallen is die h, als beginletter van eenig woord, ook geheel verdwenen, ten gevolge waarvan het lidwoord geheel met het hoofdwoord is saamgesmolten. Deze verbastering komt voor in de geslachtsnamen Daveloose (De Havelooze—zie bl. 353), Duyvetter (D’Huyvetter—zie bl. 316), Dedel (zie bl. 354), enz.
Spreken Zeeuen en West-Vlamingen de letter ij van het geijkte Nederlandsch als eene lange i uit, zy maken eene uitzondering met sommige woorden, als pijp, blyven, wijf, die ze als pupe, bluven, wuuf uitspreken. Deze byzondere uitspraak wordt aangeduid door de spelling uy in den zuid-nederlandschen geslachtsnaam De Puype, een tegenhanger van den noord-nederlandschen naam Pijp. In de friesche taal, en ook in de friso-frankische gouspraak hier en daar in Noord-Holland, wordt het woord brug als bregge, breg uitgesproken. Die uitspraak, welke ook weergegeven wordt in den naam van het gehucht Ter Bregge (aan de brug), by Hillegersberg in Zuid-Holland, vinden wy ook terug in de geslachtsnamen Van der Breggen nevens Van der Brugge en Verbruggen, en in Bregman nevens Brugman. In West-Vlaanderen komt deze zelfde naam zelfs in den form Van der Brigghe voor. Enkele geslachtsnamen toonen door hunne spelling en geheel hun voorkomen aan dat zy ontstaan zijn in de saksische tongvallen, in het zoogenoemde Plat-Duitsch, dat over onze oostelike grenzen gesproken wordt. Zulke namen zijn: Schöttelndreier (schoteldraaier, een maker van fijn eerdewerk), Bütefür (zie bl. 469), Lütkebühl, dat is: kleine heuvel (lütke = klein, zie bl. 500), enz. Vry algemeen Nederlandsch is de uitspraak van het woord vriend als vrind. In den geslachtsnaam De Vrind komt deze uitspraak voor.
Woorden die slechts in deze of gene byzondere gouspraak bestaan, maar die in het algemeene Nederlandsch onbekend zijn, komen weinig als geslachtsnamen voor. Als zoodanig noemen wy Schrier, Stykel, Siepel, Tosch, enz. in Friesland; zie bl. 480; Kedde, ook een geslachtsnaam, is de friesche naam voor een hit (hitlandsch peerdje of poney). Van Twuyver, een noordhollandsche maagschapsnaam; in de westfriesche gouspraak van noordelik Noord-Holland heeft het woord twuiver de beteekenis van gehucht of buitenwijk, eene buurt, afgescheiden van de beboude dorpskom gelegen. Naber en Ninaber (zie bl. 437) zijn saksische woorden; De Puydt en Biebuyck (zie bl. 385 en 369), vlaamsche. Ook is byzonder-vlaamsch de maagschapsnaam Doolaeghe, die ook als Doolage, Van Doolaeghe en Verdoolaege voorkomt, en die uit een oud-vlaamsch woord bestaat, dat moeras beteekent.—In onze friesche en saksische gouspraken luidt het woord zuur als sûr, men spreke soer, van daar de geslachtsnaam Soerewyn (zie bl. 424).—De namen van steden en dorpen zijn in ’t algemeen, in de dageliksche spreektaal, aan allerlei verbastering en inkorting onderhevig; en deze verknoeiingen vinden wy terug in de geslachtsnamen welke van die plaatsnamen afgeleid zijn. Reeds op bl. 208, 213 en 217 zijn er enkelen opgenoemd van zulke verbasterde plaatsnamen, die als maagschapsnamen in gebruik zijn. Zie hier nog eenigen: Van Uitert en Van Uytrecht (deze laatste naam vertoont eigenlik anders niet als eene spelling die van d’algemeen-aangenomene eenigszins afwijkt), Van Vendeloo, verknoeide volksuitspraak van den naam der limburgsche stad Venloo; Noorloos (Noordeloos, dorp in Zuid-Holland); Van Hinlope en Hinloope, Van Dordt, Van Gorkum, Gouwswaard en Gouswaard (Goudswaard, dorp in Zuid-Holland); Oussoren (Oudshoorn, ook een zuid-hollandsch dorp); Wessanen (West-Zaan, ook West-Zanen); Van Buul en Van Buel (Budel, dorp in Noord-Brabant); Van Strien (Stryen, dorp in Zuid-Holland); Dooyeweert en Dooyewaard (Dodeweert of Dodewaard, dorp in Gelderland), enz.
§ 157. Als een aanhangsel tot al deze maagschapsnamen die hun ontstaan danken aan de byzondere uitspraak, de byzondere formen en woorden, eigen aan de verschillende nederlandsche gouspraken, moeten hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden, welke, door hunne spelling, zondigen tegen de algemeene regels der nederlandsche taal. Onkunde zoowel als stijfhoofdigheid om niet nog in tijds te willen veranderen wat in verkeerden form door ouders of verder voorgeslacht onzen grootouders was overgeleverd geworden, zijn als oorzaken van deze wanspellingen aan te merken. Immers, die schrijfwyzen waar mede die namen tegen de thans geldende taalregels zondigen, zijn nooit by goede schryvers in gebruik geweest, zoo min in eenig nederlandsch gewest als in eenig tijdperk van het bestaan onzer taal. Braakenburg, Van Naamen, De Jaager, Kraamer, Raaymaakers, Rookmaaker, Raadersma, Van Maanen, Van Aaken, allen met twee a’s waar de regels der nederlandsche taal nooit anders als eene enkele a hebben geeischt;—Van der Moolen, Van Lookeren, met eene o onnoodig en te veel. Van Buuren, Van Bueren en Van Buiren waar Van Buren volkomen genoeg was;—De Ruytter en De Ruyttere met eene overtollige t;—Schravemade, Van Schravendijk, Van Schravesande, Schrauwen (zie bl. 185), met verbastering der oorspronkelike ’s-G in Sch (’S-Gravesande, in dezen goeden form komt deze maagschapsnaam ook voor. ’S-Gravenmade, enz.)—dit zijn allen voorbeelden van zulke wanspellingen.
Wijl de Hollanders in hunnen tongval de ij als ei uitspreken, en wijl de ey, als oude form der ei, door ongeletterden ook wel als eij wordt geschreven, zoo zijn velen bevangen in eene schromelike verwarring tusschen die letters en klank-afbeeldingen. Die onredelike verwarring heeft geslachtsnamen doen ontstaan als de volgenden, welke allen ware misspellingen zijn, al blijkt dit juist niet uit de byzonder-hollandsche uitspraak dezer namen: Kijzer; Holstijn, Boekestijn, Rijnierse, Mijer, Rijziger, in plaats van Keizer of Keyzer, Holstein, Reinierse, Reiziger, welke namen trouens in deze goede spellingen ook voorkomen. Vooral in het woord stein, waar vele maagschapsnamen op uitgaan, komt deze wanspelling voor: Everstijn, Palenstijn, Ponstijn, Willemstijn, enz. En omgekeerd Van Reyn, Van de Woesteyne, Teysen, zelfs Teijsen en Theijssen, Blokzeyl, De Reycke, enz. in plaats van Van Rijn, Van de Woestyne, Thijssen, enz., die allen eveneens voorkomen. Ook wordt de verwisseling van den goeden form uy met den slechten uij (de Ruijter in plaats van De Ruyter, Duijf in plaats van Duyf) dikwijls gezien. De maagschapsnaam Pyttersen, in Friesland inheemsch, bevat eene misspelling in die twee t’s, waar slechts eêne t behoort geschreven te worden. Echter niet in die y, in stede van de algemeen-nederlandsche ie in dezen naam: Pietersen. Immers die spelling met y (dat is: zuivere, lange i) stemt volkomen overeen met de eigene uitspraak der Friesen, die naukeurig en zeer te recht onderscheid maken tusschen den tweeklank ie en de enkelvoudige, lange i of y. Zoo werd in de vorige eeu de mansvóórnaam Pieter (Petrus), volgens de zuivere uitspraak der Friesen, in Friesland zeer veelvuldig, zelfs vry algemeen als Pyter, ook wel als Pytter geschreven. Van daar de hedendaags zoo byzondere form van den geslachtsnaam Pyttersen.
Eenige maagschapsnamen zondigen ook, in taalkundig opzicht, tegen het geslacht der woorden waaruit zy samengesteld zijn; b. v. De Schaap en De Zout, in plaats van Het Schaap en Het Zout. Vry veelvuldig is het geslacht der woorden verkeerd genomen by die maagschapsnamen welke met Van den en Van der samengesteld zijn. Als voorbeelden van zulke taalkundig-onjuiste geslachtsnamen mogen hier vermeld worden: Van der Berghe, Van der Leeuw, Van der Wolf, die Van den Berghe, Van den Leeuw, Van den Wolf moesten zijn, omdat de woorden berg, leeu, wolf van het mannelike, niet van het vrouelike geslacht zijn. Zoo ook Van der Paardt, Van der Ende, Van der Hoff, als of de onzydige woorden peerd, einde en hof van het vrouelike geslacht waren. De form van den maagschapsnaam Van den Wall moge al overeenstemmen met het mannelike geslacht dat door de nieuere hollandsche taalkundigen aan het woord wal wordt toegekend—oorspronkelik en in zuiver nederduitsch is het woord wal (walle) van het vrouelike geslacht. Dit vrouelike geslacht komt in de geslachtsnamen Van de Wall en Van der Wal dan ook tot zijn volle recht, en zoo kan ik deze twee laatstgenoemde namen niet met Van der Berghe, Van der Paardt, enz. over den zelfden kam scheren. Eveneens als met Van der Wall is het ook met den maagschapsnaam Van der Hoek, te Leeuwarden inheemsch; zie bl. 268.
Eene enkele maal komt het voor dat twee afsonderlike namen, beiden aan één enkel geslacht eigen, door misverstand aan elkanderen worden geschreven, dus tot éénen naam worden saamgesmolten. In den maagschapsnaam Tra Kranen (Trakranen) is daarvan op bl. 216 een voorbeeld medegedeeld. Verkeerd is ook het gebruik van zeer vele Zuid-Nederlanders om voorzetsels en lidwoorden, die het zelfstandige naamwoord, het hoofdwoord dat den maagschapsnaam samenstelt, voorafgaan, met dat hoofdwoord aan één te schryven. Ware gedrochten van namen komen er op die wyze voor den dag; b.v. Vanderauwera, Vandenabeele, Vandenpeireboom, Vangeetruyen, Vandeneynde, enz. Of ook schryven de Zuid-Nederlanders zulke namen als Vander Auwera, Vanden Peireboom, Vanden Eynde. Het eene is zoo verkeerd als het andere. Door Walen en Franschen, die onze namen niet verstaan, is deze dwaze schrijfwyze zekerlik in zwang gebracht. Nog gedrochteliker worden zulke namen als er bovendien nog een andere geslachtsnaam aan verbonden wordt. Zoo is te Brussel de maagschapsnaam Vosvanavesade inheemsch. Het valt in der daad moeielik uit dien monsternaam op het eerste gezicht Vos Van Avesade (Van (H)avesathe?) te herkennen. Maar!—geheel vry van deze verkeerdheid zijn de Noord-Nederlanders ook niet. Wel valt het ons niet in om b.v. den naam Van der Heul te schryven als Vanderheul, maar by die formen van dezen zelfden naam waar van en der zijn samengesmolten tot ver, hechten wy dit ver wel aan het hoofdwoord, en schryven Verheul, ’t welk eigenlik even verkeerd is als Vanderheul. Toch is deze schrijfwyze, waar ver met het hoofdwoord van den naam onmiddellik verbonden is, algemeen by ons in gebruik (zie § 95). Slechts zelden ontmoet men zulke namen op de taalkundig juiste wyze geschreven. Eerst in de laatste tientallen jaren is deze schrijfwyze door sommige maagschappen te recht weêr voor hunne eigene namen in gebruik genomen, b. v. Ver Loren, Ver Huell, Ver Voorn.
§ 158. Het gebied onzer nederlandsche taal is niet naukeurig besloten binnen de staatkundige grenzen van Noord- en Zuid-Nederland. Langs de oostelike grenzen van Noord-Nederland, en langs de westelike grenzen van Zuid-Nederland strekken zich eenige gouen uit, waar de dageliksche volksspreektaal nog nederlandsch is. Men spreekt daar natuurlik volstrekt niet de geijkte algemeen-nederlandsche boeketaal, maar men spreekt er goed-nederlandsche gouspraken, die in hooftsaak in het geheel niet, en in byzaken slechts weinig verschillen van de gouspraken welke in onze nederlandsche gewesten, langs (binnen) onze noordoostelike en zuidwestelike grenzen gesproken worden. Oost-Friesland, Benthem, het westelike gedeelte van Westfalen, dat men Munsterland noemt, en Neder-Rijnland zijn die grens-gewesten langs onze oostelike palen. En Fransch-Vlaanderen, dat is ’t arrondissement Duinkerke van het Département du Nord in Frankrijk, formt daarmede die buitenlandsche landstreken met eene nederlandsch sprekende bevolking.—In Oost-Friesland en Benthem was nog tot voor eenige jaren de nederlandsche taal kerk- en schooltaal, althans by de herformde bevolking dier gewesten. Zelfs is zy daar, als zoodanig, nog niet volkomen verdreven. Maar by ’t einde dezer eeu zal de hoogduitsche taal, die het Nederduitsch en Nederlandsch al verder noord- en westwaarts verdrijft, ook daar wel reeds eene volkomene zege behaald hebben. De Duitschers erkennen de gouspraken in bovengenoemde duitsche gewesten niet als Nederlandsch, maar noemen die gewestelike spreektaal, ’t zy ze dan Friesch, Saksisch of Frankisch is, Platduitsch. En wijl by hen Platduitsch het zelfde is als Nederduitsch, zoo is deze benaming, ofschoon misschien minder gepast, toch niet onjuist. Men vergete daar by ook niet, dat de nederlandsche taal eene nederduitsche is. Het Nederlandsch in de duitsche gewesten langs onze grenzen gaat by middel van andere nederduitsche, platduitsche gouspraken langzamerhand en geleidelik over in het Midden- en Hoogduitsch dat hoogerop in Duitschland gesproken wordt. Door die geleidelike overgang neemt de vermenging van dat Nederlandsch met het Hoogduitsch hoe langer hoe grooter verhoudingen aan. In een niet ver verwyderd tijdstip zal het Nederduitsch in ’t algemeen, en het Nederlandsch in het byzonder, als spreektaal uit die gewesten verdreven zijn door den infloed der hoogduitsche kerk- en schooltaal.
Anders liggen de zaken in het bovengenoemde gedeelte van Frankrijk, waar het Nederlandsch, en wel eene schoone, oorspronkelik zuiver-nederlandsche, thans ook al door het Fransch verbasterde vlaamsche gouspraak de dageliksche volksspreektaal is. Het Fransch en het Nederlandsch zijn twee talen van geheel verschillenden oorsprong, van geheel anderen aard. En zoo kan er geen sprake zijn van eene vermenging dier talen, van eenen geleideliken overgang van de eene in de andere. Dies is het Vlaamsch van Frankrijk, wil het zich staande houden, genoodzaakt steun te zoeken by het Vlaamsch van Zuid-Nederland, by het Nederlandsch in ’t algemeen. En dit is de reden waarom het Vlaamsch van Frankrijk, al bloeit het niet en al kwijnt het zelfs onder den druk van het Fransch, toch zuiverder, oorbeeldiger Nederlandsch is dan de duitsche gouspraken langs onze oostelike grenzen, heden ten dage nog nederlandsch zijn. (Ik zeg niet nederduitsch in dezen zin, want nederduitsch blyven die gouspraken, voorloopig althans, toch, ook al zijn ze hoe langer hoe minder nederlandsch geworden.)
Maar de geslachtsnamen, eigen aan de oorspronkelike, ingezetene bevolking dier gewesten, zijn daar en blyven daar onveranderd, als getuigen van de aloude, volkseigene taal. Immers zijn de geslachtsnamen onmiddellik ontstaan uit de volksspreektaal, en vertoonen dikwijls de byzondere eigenaardigheden, juist van de volksspreektaal—en niet van de geijkte schrijftaal, gelijk in de vorige bladzyden is aangetoond.
Natuurlik draagt de vlaamsch-sprekende bevolking in Frankrijk ook vlaamsche geslachtsnamen, even als de namen der steden en dorpen in dat gewest (Duinkerke, Hazebroek, Hondschoten, Grevelingen, Mardijk, enz.) ook allen zuiver nederlandsch zijn. Onder die geslachtsnamen zijn er velen van hoogen ouderdom, omdat juist van alle nederlandsche gewesten, de geslachtsnamen in de westelike gouen van de oude graafschap Vlaanderen het eerst in gebruik kwamen, betrekkelik vroeg in de middeleeuen. Die namen sluiten zich, over het geheel genomen, ten nausten aan de geslachtsnamen van het zuid-nederlandsche gewest West-Vlaanderen, zoo wel wat hunne spelling aangaat, die gedeeltelik zeer ouderwetsch en middeleeusch, gedeeltelik ook zeer oorbeeldig vlaamsch is, als in andere opzichten. Zie hier eenige geslachtsnamen uit Fransch-Vlaanderen, die grootendeels geenen naderen uitleg vereischen. De Swaen, Haentjens (zie bl. 397), De Baecker (zie bl. 310), Van Hecke, De Coussemaecker en De Coussemaker, Hardeman,12 enz. Onder deze namen zijn er eenigen die aan Fransch-Vlaanderen byzonder eigen zijn, die my althans in andere nederlandsche gewesten niet voorgekomen zyn, ’t en zy dan eene enkele maal (by inwyking?) in West-Vlaanderen. Als zoodanigen noem ik: Ghiselin (zie bl. 176), Corenhuyse, Zouter (zoutzieder? als Zeper = zeepzieder, zie bl. 316), Sluyper, Modewijck, Droomers, Vervlaken, Verleene, Rooryck (zie bl. 177), Cogge (zie bl. 447), enz. Enkele namen zijn ook in dit gewest inheemsch, die ik niet versta, al zijn zy van voorkomen goed nederlandsch. Dat zijn: De Spautere, gewoonlik op fransche wyze en half verfranscht als Despautère geschreven; Ellebode, De Kijspotter, Tamakers, Mespelbole, enz. Ontaalkundige namen komen hier ook al voor. Trouens daarover heeft men zich hier allerminst te verwonderen. B. v. Van Houtte, Van de Weghe, Van de Kerckove, Van der Beker, Van der Berghe, Winibroot (zie bl. 452); Van Hende (Van Ende? zie bl. 505)? Van den Helle, enz.
Ook in die streken van noordelik Frankrijk, die aan het vlaamsche taalgebied grenzen, of die oorspronkelik tot dit gebied behooren, al zijn ze nu geheel of ten deele verwaalscht en verfranscht, zijn onder de hedendaagsche ingezetene bevolking oud-nederlandsche maagschapsnamen geenszins zeldzaam. De adresboeken der steden Atrecht, Douay, Kamerijk, Kales, St.-Omaars, Rijssel, Ter Wanen enz. leveren vele voorbeelden daarvan, om van de namen der dorpelingen in die gouen te zwygen.
§ 159. In die streken van Neder-Rijnland of de pruissische Rijnprovincie, welke zich uitstrekken langs onze limburgsche en geldersche grenzen, in de omstreken van Gulik, Gelder en Goch alzoo, van Kleef en Emmerik, en ook den Rijn opwaarts tot Wesel toe, komen onder de landseigene, ingezetene bevolking vele echt nederlandsche geslachtsnamen voor. Velen daarvan stemmen met de eigenaardig limburgsche overeen. Ook zijn de geslachtsnamen, met ingen en angen beginnende (zie § 97), meest oorspronkelik in deze gewesten te huis. De geslachtsnamen Jansen, Janssen, Janssens, enz. zoo oorbeeldig nederlandsch, zijn vooral in zeer grooten getale in deze gewesten inheemsch. Onbekendheid in die gouen heeft my verhinderd de nederlandsche namen, aldaar inheemsch, te verzamelen. Zie hier echter eenige weinigen: Van Ackeren, De Haas, Van Eicken, Van Gils, Verbeek, Verhoeven, Lachnit (zie bl. 469), Van Dorp, Hartoch, Op den Hoff, Te Cock, Van der Zypen, De Leeuw, Van Hauten, Van de Bongardt, die geen van allen naderen uitleg eischen.
Uit het kleine gedeelte van Munsterland (Westfalen) dat aan onze geldersche en twentsche grenzen paalt, by Winterswijk, Enschede en Oldenzaal, en dat verder langs de zuidoostelike grenzen van Groningerland (Westerwolde) zich uitstrekt, de omstreken van Meppen en Lingen namelik, kan ik geene byzondere nederlandsche namen hier mededeelen, ofschoon zy ook daar wel voorkomen. Byzonderlik de saksische vadersnamen op ink (zie § 16), in de aangrenzende streken van den gelderschen Achterhoek en van Twente zoo algemeen en zoo eigenaardig, zijn ook in grooten getale vertegenwoordigd onder de volkseigene geslachtsnamen in die gouen. En eveneens zeer vele namen die op meyer eindigen. Bovendien nog vertoonen eenige maagschapsnamen in deze gouen inheemsch, de nederlandsche saamgetrokkene voorvoechsels ten, ter, te (zie bl. 260). Maar omdat de ingezetene bevolking van Munsterland trou den Roomsch-Katholyken godsdienst aanhangt, zoo heeft zy zich, sedert de kerkherforming, steeds tot Munster gewend en van de Nederlanden afgekeerd. Vandaar dat de nederlandsche taal hier sedert die herforming veel verloor, en uit geschriften geweerd werd—’t welk ongetwyfeld aan de geslachtsnamen, hier inheemsch, moet kunnen worden bemerkt.
Anders is het gesteld met de graafschap Benthem (de stad Benthem, met Gilhuis, Schutterop, Noordhoorn, Nienhuis en omstreken). Dit kleine landje, tusschen Munsterland, Twente en Drente ingesloten, heeft eene grootendeels herformde bevolking, die tot op de helft dezer eeu de nederlandsche taal als kerk- en schooltaal gebruikte. By sommige Oud-Gereformeerde gemeenten aldaar, te Emmelenkamp en te Veldhuizen b. v., is dit nog heden ten dage het geval. Buitendien is de nederduitsche volksspreektaal van de graafschap Benthem zoo sterk nederlandsch gekleurd, dat zy veeleer tot de nederlandsche dan tot de duitsche gouspraken moet gerekend worden. De Benthemers onderhielden dan ook steeds (vroeger meer dan thans) de nauste betrekkingen met de Nederlanders, vooral met de ingezetenen van Twente en Drente. En die naue nederlandsche verwantschap blijkt ook nog ten duideliksten uit de geslachtsnamen der Benthemers. Zie hier eenigen daarvan, als voor de hand opgenomen, uit de verschillende plaatsen der graafschap: Arendsen, Bakker, Broekhuis,13 enz. Al deze namen eischen geenen naderen uitleg. By Van der Schwaag, een tegenhanger van Van der Zwaag (zie bl. 270), is in die schw, in plaats van sw of zw, de infloed van het Hoogduitsch merkbaar.
§ 160. In de friesche gewesten beoosten Eems (in Oost-Friesland, Harlingerland, Jeverland, Butjadingerland, enz.), maar vooral in het eigenlike Oost-Friesland, en daar nog wel meest in de westelikste gouen, in Emsigerland (de zoogenoemde Krummhörn) en Reiderland, treden by de ingezetenen des lands de nederlandsche geslachtsnamen nog veel meer op den voorgrond als in eenig ander gewest buiten onze staatkundige grenzen gelegen. En geen wonder! In de middeleeuen, van de oudste tyden af, was natuurlik de friesche taal de eenige volksspreektaal dezer ooster-eemsche Friesen. Reeds in de laatste middeleeuen echter begon de nederduitsche taal, het Nedersaksisch of zoogenoemde Platduitsch, met het Friesch in deze gouen aan de Eems en de Weser te verdringen. Eerst in de steden, later ook ten platten lande. Sedert de kerkherforming vooral begon het Nederduitsch algemeen de zege te behalen op het Friesch, welke laatste taal in de 17de eeu aldaar nog slechts door enkele oude lieden en in eenige afgelegene landstreken werd gesproken. Thans is het Friesch er nagenoeg geheel uitgestorven als afsonderlike taal, al heeft het natuurlik op de hedendaagsche nederduitsche volksspreektaal nog duidelik zynen stempel gedrukt. Heden ten dage leeft het Friesch nog, als afsonderlike taal, in het Sagelterland, eene kleine, zeer afgelegene landstreek in het groothertogdom Oldenburg, aan de oostfriesche grenzen. Tot omstreeks de jaren 1850 en 1860 was het Friesch ook nog de spreektaal der bewoners van het eiland Wangeroog in de Noordzee, aan Oldenburg behoorende. Sedert de kerkherforming, en ook reeds een paar eeuen vroeger, werd het Nederduitsch de kerk- en schrijftaal der Oost-Friesen, welk Nederduitsch in den loop der zeventiende eeu by hen die den Lutherschen godsdienst beleden door het Hoogduitsch, en by hen die de Herformde (Gereformeerde) geloofsbelydenis aanhingen, door het Nederlandsch werd vervangen. Eerstgenoemden hadden in de oostelikste gouen de overhand; laatstgenoemden formden in de westelikste streken de meerderheid der bevolking. En deze verhouding bestaat aldus nog heden ten dage. Sedert het begin dezer eeu, sedert Oost-Friesland een deel uitmaakte van het koninkrijk Hanover, en nog meer sedert de helft dezer eeu, en vooral sedert Oost-Friesland by Pruissen werd ingelijfd, werd by de Gereformeerden het Nederlandsch ook door het Hoogduitsch verdrongen, al bleef dan zelfs in de grootste oostfriesche stad, in Emden, nog tot voor weinige jaren, de nederlandsche taal nevens de hoogduitsche by de openbare godsdienstoefeningen in gebruik, en als is die taal daar nog niet volkomen uit de kerken verdwenen. In de zeventiende en achttiende eeu was het Nederlandsch by de meeste Oost-Friesen, vooral te Emden, Norden, Leer en Weener, en in de omstreken dier plaatsen, hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, de geijkte schrijftaal. De dageliksche spreektaal was daar steeds, sedert de 16de eeu, en nog heden, een sterk nederlandsch gekleurd Nederduitsch, dat ook nog talryke sporen van de friesche taal vertoont, en oorspronkelik geheel de zelfde friso-saksische gouspraak is die ook eigen is aan de groningerlandsche gouen. Heden ten dage echter slijt het nederlandsche bestanddeel hoe langer hoe meer uit de oost-friesche volksspreektaal, en komt er hoe langer hoe meer hoogduitsch in.
Het is hier de plaats niet om den strijd en de wisseling tusschen de friesche en nederduitsche volkstalen, tusschen de nederlandsche en hoogduitsche schrijftalen, in Oost-Friesland, nader te behandelen. Het weinige, hier boven vermeld, is voldoende om te verklaren hoe het komt dat de Oost-Friesen zoo algemeen nederlandsche (ook byzonder-friesche) geslachtsnamen dragen.
In de eerste plaats trekken onder de oostfriesche geslachtsnamen die namen onze byzondere aandacht, welke het byzonder friesche karakter, den uitgang op a vertoonen. Deze namen zijn grootendeels, zoo niet allen, van hoogen ouderdom, dagteekenen nog uit de middeleeuen, uit den tijd toen de friesche taal in de oostfriesche gouen nog de heerschende was. Zy zijn aan de Eems niet zoo talrijk vertegenwoordigd als tusschen Eems en Lauers, en veel minder nog als tusschen Fli en Lauers. De oorzaak daarvan is dat zulke namen in 1811, toen de fransche overheerschers ook de Oost-Friesen dwongen, gelijk met de Nederlanders, om vaste geslachtsnamen aan te nemen—dat zulke namen op a toen door de Oost-Friesen niet op nieu werden gesmeed, gelijk de nederlandsche Friesen zulks wel deden. En de friesche anamen, sedert de middeleeuen onder hen bestaande, waren tot op betrekkelik weinigen samengesmolten, meest door uitsterving der oude geslachten die deze namen droegen, soms ook door verwaarloozing en verbastering. In het westen des lands komen zulke anamen nog het meeste voor, al ontbreken zy in het oosten ook niet en strekken zy zelfs tot aan en in de Weser-gouen zich uit. Zie hier eenigen er van: Ronda, Seba, Weerda14, enz. Velen dezer namen komen evenzeer in de andere, in de nederlandsch-friesche gewesten voor, en zijn ten deele reeds in dit werk vermeld en verklaard. Anderen weêr schynen uitsluitend den Oost-Friesen eigen te zijn. Zy zijn my althans onder de nederlandsche Friesen niet voorgekomen. Zulke namen zijn: Bartela, Buska, Dirringa, Boyunga en Bojunga (elders ook als Boyenga, Booienga, Bojenga voorkomende), Hayunga en Hajunga, Onja, Brinckama en Brinkema, Brockema, Adena, Bogena, Dikena en Diekena, Reemtsma, enz. De namen op na eindigende, zijn oorbeeldig oostfriesch; zie § 46. Zy komen dan ook in de nederlandsch-friesche gouen slechts weinig voor.
Al deze namen (behalven de drie op stra eindigende, zie bl. 517), zijn oud-friesche vadersnamen. En het zijn allen oud-friesche, grootendeels nog gebruikelike mansvóórnamen (Sebe, Weert, Haio, Epke of Epco, Age, Tamme, Bartele, Boye, enz.) die er aan ten grondslag liggen. Slechts een paar er van kunnen wy hier wat nader beschouen. Seba is de oud-friesche tweede-naamvals-form van den oud-frieschen mansvóórnaam Sebe, Sebo, die heden nog, in Oost-Friesland meer als bewesten Eems, in volle gebruik is. By misspelling voert een afsonderlik geslacht dezen zelfden naam ook als Seeba. Deze naam is ook, als zoo menig andere oostfriesche (zie § 83), naar Holland gekomen. De beroemde natuurkundige Albertus Seba, oorspronkelik een Fries en in het oostfriesche dorp Etzel geboren, was in den tijd apotheker te Amsterdam. Heden ten dage komt zijn naam, tot Zeeba verhollandscht en verbasterd, nog te Amsterdam als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamen Sebes, Seebesz en Seebens, allen in Nederland inheemsch, zijn ook van den mansvóórnaam Sebe afgeleid, en beteekenen naukeurig het zelfde als Seba (zie ook bl. 91).—Agena is eveneens een oud-friesche tweede-naamvalsform, en wel van den mansvóórnaam Age, die nog heden in onze friesche gouen in volle gebruik is, en door Förstemann ook als een oud-germaansche mansvóórnaam, Ago, vermeld wordt. Tegenover den byzonder-oostfrieschen tweeden-naamvalsform Agena staat de nederlandsch-friesche form Agema, die ook als geslachtsnaam voorkomt, en met de geslachtsnamen Agesma, Agesz en Agen eene reeks patronymika formt, die allen »(zoon) van Age” beteekenen.—De lettergreep brinck in den oud-frieschen geslachtsnaam Brinckama heeft met het nederduitsche woord brink, dat zoo veelvuldig in nederlandsche plaats- en geslachtsnamen voorkomt (zie bl. 289), niets te maken. Immers dit is, als Brinke, een friesche mansvóórnaam, en wel een verkleinform van den oorspronkeliken naam Brinne, Brinno, welke door Tacitus reeds vermeld wordt als aan eenen Kaninefaat eigen te zijn. Van dien zelfden form Brinke, Brink, die ons ook voorkomt in den samengestelden mansvóórnaam Brinkmar (een friesche edelman uit de groninger Ommelanden, in de 13de eeu levende, heette Brinkmar Haigienga), zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Brinksma en Brinks, beiden vadersnamen, en de plaatsnaam Brinkum (Brinka-heim = woonplaats van Brinke), die aan twee dorpen eigen is, één in Oost-Friesland en één in Hoya (Hanover). De oorspronkelike, onverkleinde form van dezen naam Brinno bestaat nog in den engelschen plaatsnaam Brinnington (in Derbyshire by Chesterfield), welke plaatsnaam in Engelland ook als geslachtsnaam voorkomt.
Zeer talrijk zijn in Oost-Friesland ook die geslachtsnamen, welke ten deele uit byzonder-friesche, ten deele uit algemeen-germaansche mansvóórnamen (maar deze laatsten dan meest in byzonder-nederlandschen form) bestaan, in den tweeden-naamval, op s, en en ens eindigende; volkomen als in de friesche gewesten van Nederland, ja volkomen als in geheel Nederland. Als voorbeelden noemen wy Dethmers, Brongers, Folkerts, Helmers, Hilderts, Aben, Bennen, Bolen, Eden, Addens, Ebbens, Feddens, Harrens. Velen komen evenzeer in Oost-Friesland als in de Nederlanden voor: Dirken, Janssen en Jansen, Freerks, Hommes, enz. Vooral de namen op en eindigende (zie § 40) zyn byzonder talrijk onder de oostfriesche geslachtsnamen vertegenwoordigd: Jellen, Itzen, Mammen, Mellen, Onnen, en honderd anderen. Deze namen formen de nederduitsche tegenhangers van de byzonder-friesche namen op ena (zie § 46). In Oost-Friesland komen die beide formen dan ook wel naast elkanderen voor, als na-verwante patronymika van eenen en den zelfden mansvóórnaam afgeleid; b. v. Adena en Aden, Agena en Agen, Allena en Allen, Dikena en Dyken, Habbena en Habben, Ukena en Uken, enz. Habbena en Habben worden in het nederlandsche Friesland vervangen door den geslachtsnaam Habbema, en deze drie namen zijn, met Habbinga en Habbynck (in West-Vlaanderen, zie bl. 123), louter patronymika van den frieschen mansvóórnaam Habbe, Habbo, door Förstemann reeds als oud-germaansch (Habo) vermeld.
Al deze geslachtsnamen, met nog honderden en honderden soortgelyken zijn in de friesche gewesten tusschen Eems en Weser uit der mate talrijk, en velen er van aan verschillende geslachten eigen, zoo als dit by vadersnamen in het algemeen veelvuldig voorkomt. Vooral ook de Jansen’s en Janssen’s zijn in deze gewesten zeer talrijk (zie bl. 156), nog meer als in het eigenlike Nederland.
Sluiten al deze meer byzonder-friesche namen en naamsformen de oostfriesche geslachtsnamen ten nausten aan die van de nederlandsch-friesche gewesten, er komen in Oost-Friesland ook honderden geslachtsnamen voor, die een meer algemeen-nederlandsch voorkomen vertoonen. In der daad, zulke namen zijn zoo algemeen den Oost-Friesen eigen, vooral in het westen des lands, dat men, het adresboek van Emden inziende, of een nieusblad uit Reiderland, Overledingerland of Emsigerland (Weener, Leer, Emden, Norden), zich niet kan voorstellen de namen te lezen van ingezetenen uit duitsche gewesten. Zie hier een aantal oostfriesche geslachtsnamen, zoowel byzondere als algemeene, maar die allen echt-nederlandsch zijn, en grootendeels de zelfden die ook binnen onze grenzen voorkomen: Duintjer (zie bl. 416), De Ruiter, Van Senden15, enz. Sommigen van deze maagschapsnamen komen in het byzonder overeen met die welke aan de groningsche Ommelanden eigen zijn; b. v. de talryke huisnamen (zie bl. 487): Bolhuis, Dijkhuis, Groothuis, Kleinhuis, Kloosterhuis, Leemhuis, Veenhuis, enz. Verder Scheepker, Buttjer (van butt of bot, zekere visch; dus Buttjer = Botvanger of Botman [zie bl. 299] in Nederland); Feenders, Glaasker en Glasker (zie bl. 310), Metjer, Hitjer, Snitger, enz. Dan nog Varver (dat is: verwer; zie De Varver in West-Vlaanderen, op bl. 497 vermeld), Fisker (zie Visker op bl. 488), Gerriets (ook in het nederlandsche Friesland spreekt men veelal Gerriet voor Gerrit, Geert, Gerhard), enz. vertoonen allen spelwyzen en formen die in de friesche volksspraak hunnen oorsprong vinden. Görtemaker (ook te Leeuwarden zegt men gortmaker voor grutter), De Buhr in plaats van De Boer, Sielmann in plaats van Sylman of in het byzonder-hollandsch Zijlman; Von Scharrel (Scharl of Scharrel, zoo heeten twee friesche dorpen, een bij Staveren en een in het Sagelterland); Von Zwoll, Von Loh, vertoonen weer hoogduitsche spelwyzen en formen.
In de 16de eeu vluchtten er ook vele protestantsche Vlamingen zoowel naar Oost-Friesland, als naar de eigenlike noord-nederlandsche gewesten, en bleven daar wonen; zie bl. 476. De maagschapsnamen De Pottere (zie bl. 315), en De Wingene (eene verfransching van Van Wingene,—Wyngene is een dorp in West-Vlaanderen), nog heden in Oost-Friesland inheemsch, herinneren aan deze uitwykelingen, en zijn van hen afkomstig.
Verder oostwaarts op, langs den geheelen duitschen kust der Noordzee en aan de mondingen der rivieren Weser, Elve en Eider, in al de friesche en friso-saksische gouen van Oldenburg, Hanover en Sleeswijk-Holstein, komen nederlandsche maagschapsnamen, zoo wel in byzonder-frieschen als in algemeen-nederlandschen en nederduitschen form veelvuldig voor. En dit zijn geenszins namen die daar door Nederlanders zijn ingevoerd! Integendeel, die namen zijn er eigen aan ingezetene geslachten, aan landzaten van ouds her.
Vooral ook in Noord-Friesland (de westkust van Sleeswijk met de eilanden die daar voor liggen, met eene oude, nog heden friesch-sprekende friesche bevolking)—vooral ook in Noord-Friesland treffen wy onder de ingezetene bevolking eenige oorbeeldig-nederlandsche maagschapsnamen aan; b. v. Decker, De Vries, Hagendeveld (een woord, in het zeventiende-eeusche Hollandsch van byzondere beteekenis), Dirks, Claassen, Cornelissen, Hendricks, Volkerts, Teunis, Sparboom, Peper, Dertiens, Haverkar, Groot, Prott (Proot in Holland en Vlaanderen, zie bl. 478), enz. Deze namen zijn by de Noord-Friesen in gebruik gekomen en genomen gedurende de jaren van 16- en 17-honderd, toen de nederlandsche infloed zoo groot was in deze gouen, toen de Noord-Friesen een goed deel formden van de bemanning der nederlandsche oorlogs-, koopvaardy- en visschersvloot, en de nederlandsche taal, door nederlandsche bybels, psalmboeken, gezang- en liederen-boeken, almanakken en rekenboeken, werken over stuurmanskunst, reisbeschryvingen (van Bontekoe), de gedichten van Vader Cats, Brandt’s »Leven van De Ruiter”, en dergelyke werken, die onder deze Friesen in aller handen waren, althans by de mannen vry algemeen bekend was en beoefend werd. De noord-friesche zeelieden hielden toen zelfs hunne dagboeken, de kooplieden hunne rekenboeken in het Nederlandsch. Onder de hedendaagsche Noord-Friesen zijn friesche vadersnamen van byzonder friesche mansvóórnamen ontleend, ook zeer algemeen als geslachtsnamen in gebruik. Zie hier eenigen als voorbeeld: Aggens, Boysen, Ebbens, Edsen, Engels, Ercks, Godbersen, Hayens, Harens, Harkens, Hemsen, Japiks (zie bl. 88), Ingwersen, Rickers, Rickwardtsen, Sibbers, Volquardsen, enz.
§ 161. De Nederlanders, van ouds een zeevarend en handeldryvend volk, hebben zich als ’t ware over de geheele wereld verspreid, vooral in handelsteden en zeeplaatsen; en ook hebben zy, hier en daar, in oost en west, veelvuldig volkplantingen gesticht. Voor zoo verre deze volkplantingen nog heden nederlandsche bezittingen zijn, in Oost- en West-Indie, hebben zy natuurlik steeds een nau en druk verkeer met het moederland onderhouden, en maakt de europesche bevolking in die landen, eigenlik slechts een gedeelte uit van het nederlandsche volk in het moederland. De maagschapsnamen der Nederlanders in onze oost- en west-indische bezittingen leveren dan ook, uit den aard der zake, niets eigenaardigs op, niets, dat hen onderscheidt van de geslachtsnamen, in ’t algemeen aan ons volk in ons eigen land eigen. Hoogstens formen de zonderlinge, omgekeerde maagschapsnamen, in Oost-Indie inheemsch (zie bl. 463), eene kleine byzondere groep van nederlandsch-indische namen.
Eenige oud-nederlandsche volkplantingen echter hebben sedert korteren of langeren tijd den samenhang met het oude moederland verloren. Sommigen daar van zijn in handen der Engelschen gekomen en gebleven (Ceylon, de Kaap de goede hoop). Anderen zijn nu vry en op zich zelven, als b. v. de kern van den bond der Vereenigde staten van Noord-Amerika, New-York en naaste omgeving, in de zeventiende eeu de nederlandsche volkplanting Nieu-Amsterdam uitmakende. Of ook de afstammelingen der oud-nederlandsche volkplanters hebben nieue, vrye staten opgericht, de Oranje-Vrystaat, de Transvaal, enz. In al deze landen dragen de nakomelingen der oud-nederlandsche uitwykelingen, ten deele althans, nog hunne nederlandsche geslachtsnamen, als een bewijs van hunnen oorsprong en afkomst. In de engelsche Kaapkolonie en in de verdere vrye zuid-afrikaansche staten komen deze oud-nederlandsche geslachtsnamen vooral nog in grooten getale voor. Zie hier eenigen daar van: Van Niekerk, De Beer, Van Breda, Potgieter, Groeneveld, Swanepoel, Overbeek (zie bl. 478), Myburgh, Hofmeyr, Tesselaar, Brandt, Klopper, De Wet, Van Blommestein, Oosthuizen, Van Zijl, enz. Iets eigenaardigs leveren deze afrikaansch-nederlandsche geslachtsnamen niet op, ’t en zy dan in eenigen, die, naar mijn beste weten, in Nederland zelve niet meer voorkomen; als: Uys, Bezuidenhout, Prinsloo (de oude naam van het Loo, ook wel Koningsloo genoemd, by Apeldoorn op de Veluwe), Van der Merve, Van der Hever (zie bl. 244), enz.
Duitschers en Franschen met duitsche en fransche geslachtsnamen hebben zich wel onder deze nederlandsche volkplanters in Zuid-Afrika neêrgezet, en al hunne nakomelingen hebben hunne geslachtsnamen niet zuiver kunnen bewaren. Die namen komen thans wel, in uitspraak, spelling en form verdietscht, onder de oorspronkelik nederlandsche voor; b. v. Minnaar en Mijnhart, oorspronkelik de fransche naam Ménard; Losper, oorspronkelik het duitsche Laubscher; Coetzee of Coetze, oorspronkelik het duitsche Kutze, Kutsche (?), enz.
Op Ceylon bestaan ook nog nederlandsche geslachtsnamen, eigen aan afstammelingen der oude nederlandsche volkplanters van dat eiland. Als zoodanig kwam my aldaar byzonder de geslachtsnaam Van der Spaar voor.
In New-York en in den naasten omtrek van die stad wonen nog afstammelingen van de oude nederlandsche volkplanters van Nieu-Amsterdam. Zy zijn aldaar onder den naam van »Knickerbockers” bekend, dragen nog roem op hunne afkomst, en staven hunnen oorsprong door hunne nederlandsche geslachtsnamen; b. v. Van der Bilt, De Wit, Frelinghuysen, Van Buren, Suydam, Schuyler, Op de Graeff, Van Bebber, Roosevelt, enz. Door engelschen infloed zijn sommigen dezer oud-nederlandsche geslachtsnamen ook in hun voorkomen, form of spelling verengelscht; b. v. Van Buskirk, oorspronkelik zeker Van Buskerk, zoo niet Van Buschkerk of Van Boschkerk; De Young in plaats van De Jong, enz. De namen der duizenden nederlandsche uitwykelingen die sedert de helft dezer eeu zich in Noord-Amerika en wel meest in de westelike staten der Unie hebben neêrgezet, behoeven hier niet vermeld te worden, als niets eigenaardigs opleverende.
In de verschillende europesche landen wonen hier en daar, vooral in de hoofd-, handel- en zeeplaatsen, ook nog afstammelingen van Nederlanders, welke zich daar in vroegeren of lateren tijd met der woon hebben gevestigd. Zy zijn, ten deele althans, ook nog kenbaar aan hunne nederlandsche geslachtsnamen. Toch vindt men ongelijk veel minder Nederlanders in andere europesche landen, als vreemdelingen, vooral Duitschers, Franschen, Italianen, enz. by ons. Maar, al zijn ze zeldzaam, men vindt ze overal, soms zelfs in tamelik afgelegene oorden en plaatsen. Zoo komen er nog eenige afstammelingen van Nederlanders voor, kenbaar aan hunne nederlandsche namen, in Noorwegen, en wel meest te Bergen, welke stad, reeds sedert de middeleeuen, steeds een druk handelsverkeer met Nederland onderhield. Die namen zijn Van der Ouwen, Van Erpecom, Nieuwjaar en Geelmuyden. De laatstgenoemde naam is in zoo verre byzonder, als hy in Nederland zelve niet meer schijnt voor te komen, al is hy goed-nederlandsch van oorsprong. Geelmuyden is oorspronkelik de naam van het stedeke Genemuiden in Overijssel, welke naam in de volksspreektaal meest als Geelmujen, Geelmuyen wordt uitgesproken.