§ 76. Ten slotte mogen hier nog eenige zeer byzondere namen vermeld worden, die tot deze groep behooren. Het zijn de geslachtsnamen Remmerswaal, Aalbertsberg, Blydenstein, Diepenhorst, Tetrode en Rodenburg. De dorpen Bloemendaal en Overveen, by Haarlem, droegen in de middeleeuen de namen Aalbertsberg en Tetrode; het stadje Aardenburg in Vlaanderen heette oorspronkelik Rodenburg; Diepenhorst is de oude naam van het dorp Ouddorp op ’t eiland Goeree; en een klooster van Benedictyner monniken, dat in de middeleeuen na by ’t dorp Runen in Drente lag, maar reeds in de 16de eeu opgeheven werd, droeg den naam van Blidestat (de blyde stede), ter blider steden, ter blider steên, later Blidensteen en Blijdenstein. Deze naam ging ook over op het dorp, dat rondom dit klooster ontstond, maar dat thans den naam van Runerwolde draagt.21 Deze zes oude plaatsnamen behooren in de middeleeuen t’ huis, en zijn thans nog slechts aan geschiedkundigen bekend. De hedendaagsche geslachten die deze namen dragen, vertoonen juist in die middeleeusche namen, die sedert de 16de eeu en vroeger reeds als plaatsnamen verdwenen zijn, het bewijs van hunne oudheid. Nevens Rodenburg bestaat ook Roodenburch en Roodenburg als geslachtsnaam, en nevens Tetrode nog Tetroode, Tetterode en Tettero, by verschillende geslachten. Hier uit zoude men wel kunnen afleiden, dat het hedendaagsche dorp Overveen in de middeleeuen geen onaanzienlike plaats moet geweest zijn. Van Aardenburg is het bekend dat dit thans zoo stille, kleine stedeke in de middeleeuen eene groote en bloeiende havenplaats was. Over den naam Remmerswaal zie men § 88.
Nog al byzonder is ook de geslachtsnaam Waterloo, die natuurlik ontleend is aan den naam van het dorp Waterloo in Zuid-Brabant, waar in 1815 de bekende veldslag plaats vond. Later dan 1811 kan de geslachtsnaam Waterloo moeielik ontstaan zijn. Hy dagteekent dus nog uit den tijd vóór den slag, toen Waterloo nog, als een klein afgelegen dorpke zeer weinig bekend was. Merkweerdig dat de naam van dit eertijds zoo onbeduidende plaatske juist een geslachtsnaam worden moest!
De geslachtsnaam Deurloo is ook zeer byzonder. Dit is de naam van het zeegat aan den mond van den Hont of Wester-Schelde in de Noordzee (zie § 104).
§ 77. De bewoners van verschillende wyken of buurten in groote steden zijn elkanderen veelal zoo vreemd, als anders de bewoners van twee kleine steden of dorpen onderling zijn. Zoo konden de geslachtsnamen Oudschans, Kattenburg en Buitenkant, te Amsterdam voorkomende, ontstaan. Zy zijn ontleend aan de namen van drie welbekende oud-amsterdamsche buurten, waar de eerste dragers dier namen zekerlik gewoond hadden, »gewonnen, geboren en getogen” waren, eer zy in andere amsterdamsche wyken kwamen wonen, waar deze namen als toenamen, als »kenmerk van herkomst” hun gegeven werden. De geslachtsnaam Van Cattenburch echter heeft eenen anderen oorsprong, is van eenen anderen plaatsnaam ontleend. In zeer vele nederlandsche steden is er eene Peperstraat; het is gewoonlik de straat waar in de middeleeuen de kooplieden in speceryen, »die crudenieren” hunnen handel dreven en hunne winkels hadden. De maagschapsnamen Peperstraete en Van Peperstraete zijn ontleend aan dezen straatnaam, zekerlik op de zelfde wyze als boven beschreven is aangaande de namen Oudschans, enz. Tot deze zelfde groep van geslachtsnamen behooren verder nog Austraete (brabantsch voor »Oudestraat”;—deze naam is dan ook in Zuid-Brabant inheemsch); Billestraete, Binnekade, Damsteeg, Diepenstraten, Groenestege, Hoogeweg en Hoogewegen, Hoogenstraten, Kampsteeg en Kamsteeg, Mommersteeg, Muntstege, Nieuwesteeg, Kerkbuurt, Vierstraete, Weststrate, Zeestraten, Scheldstrate en Schelstraete, enz. Deze laatste straatnaam komt als maagschapsnaam ook voor in de formen Verschelstraete en Verscheldstraete, dat is: Van der Scheldestrate, van de Scheldestraat. Hy moet dus oorspronkelik zijn uit de eene of andere plaats aan de rivier de Schelde gelegen. In der daad zijn deze vier geslachtsnamen dan ook eigen aan vlaamsche maagschappen.—De geslachtsnaam Vreeburg doet thans wel denken aan het bekende marktplein in de stad Utrecht. Maar deze naam kan evenzeer onmiddellik ontleend zijn aan den naam van het oude kasteel dat in den spaanschen tijd verwoest werd, en waaraan ook het hedendaagsche plein zynen naam te danken heeft. Immers daar ter plaatse stond die oude burcht.
§ 78. De grootste groep van nederlandsche geslachtsnamen, of liever die groep welke het grootste aantal namen omvat, is zonder twyfel de groep die uit namen bestaat, welke met het voorvoechsel van zijn samengesteld. In der daad, zulke namen komen uit der mate veelvuldig voor by het nederlandsche volk. Die van-namen zijn byna zonder uitzondering van aardrijkskundigen oorsprong, en men kan ze onderscheiden in byzondere en algemeene. De byzondere aardrijkskundige van-namen bestaan uit de namen van landen, gouen, eilanden, steden, dorpen en gehuchten (buitenlandsche natuurlik even zeer als binnenlandsche), allen met het voorvoechsel van er voor; b. v. Van Engeland, Van Wieringen, Van Deventer, Van Keulen. De algemeene aardrijkskundige van-namen bestaan uit gemeene zelfstandige naamwoorden die eene algemeene aardrijkskundige beteekenis hebben (berg, dijk, heide), maar die als byzondere aardrijkskundige namen dienst doen; eveneens met van er voor, en zoo wel met als zonder een lidwoord. B. v. Van Dijk, Van Sluis, Van den Berg, Van der Heide.
De byzondere talrijkheid dezer van-namen, voor zoo verre zy aan de namen van uitheemsche landen en plaatsen ontleend zijn, strekt ten bewyze van de talrijkheid der vreemdelingen, die zich onder ons hebben neêrgezet. En voor zoo verre zy afkomstig zijn van de namen van inheemsche gouen en plaatsen, kan men daaruit afleiden de veelvuldigheid waar mede de Nederlanders, binnen hunne eigene landpalen, hunne woonplaatsen verwisseld hebben.
§ 79. De maagschapsnamen met van samengesteld, en aan de namen van vreemde landen ontleend, zijn, uit den aard der zake, het minst talrijk. Zie hier die, welke my bekend zijn: Van Beyeren, Van Boheme, Van Bourgondien en Van Bourgonje.22 In de zuidelike Nederlanden komen de geslachtsnamen Van Ingelandt en Van Inghelant voor, als tegenhangers van den noord-nederlandschen geslachtsnaam Van Engeland; »Ingelant” toch, of »Inghelandt” is eene oud-nederlandsche spelwyze van ’t woord Engelland, eene spelwyze die overeenstemt met de vlaamsche en friesche volksuitspraak. Twyfelachtig zijn my de geslachtsnamen Van Cornewal en Carnewal. Zijn zy ontleend aan den naam van de engelsche gou Cornwallis?—Een Franschman, Adrien geheeten, verliet in de laatste helft der zeventiende eeu zyne woonplaats, de stad Rochelle, en vestigde zich in Nederland. Hier noemde hy zich Adrien de Charente, naar het gewest Charente, waar in zyne geboorteplaats Rochelle ligt. Later verdietschte hy dien aangenomen franschen toenaam tot Van Charante, en in dezen form wordt die naam nog heden door zyne nakomelingen als geslachtsnaam gedragen.23
Werd op bl. 193 de opmerking gemaakt dat de volksnaam Ier niet als geslachtsnaam schijnt voor te komen, hier kan toch op den naam Van Ierland gewezen worden.
Het oostfriesche eiland Borkum, het eerste oostwaarts in de reeks der friesche eilanden die niet tot Nederland behooren, kan ter nauer nood voor een vreemd eiland gelden. Niet slechts omdat de Borkumers echte Friesen zijn, maar vooral ook omdat zy door zoo vele banden aan de Nederlanden en de nederlandsche koopvaardy- en visschersvloot gehecht zijn.24 Immers nog tot voor weinige jaren was dit wel het geval; in de eerste helft van deze eeu en in vorige eeuen, tydens den bloei van den nederlandschen handel en van de visschery, natuurlik nog veel meer. Aan den naam van dit, in menig opzicht zoo hoochst merkweerdige eiland zijn de geslachtsnamen Van Borkum, Van Burkom en Van Burkum ontleend, met het enkele Borkum en waarschijnlik ook met Van Buurkom. Deze geslachtsnamen komen geenszins zeldzaam voor, en behooren aan verschillende, onderling niet verwante geslachten. Ook al een bewijs voor de talrijkheid der betrekkingen die er steeds tusschen dat eiland en de Nederlanden bestonden. De form Van Burkom en Van Burkum is volgens de friesche uitspraak; naukeuriger nog zou de spelling »Börkum” zijn, gelijk d’Oost-Friesen zelven ook spreken. Zoo luidt de geslachtsnaam Van Gorkum in den mond der oude Leeuwarders ook als »Van Gurkum”; de plaatsnaam Workum als »Wurkum”, het woord vork als »furk”, enz.
De bovengenoemde geslachtsnamen zijn weinig in getal; maar die welke ontleend zijn aan de namen van nederlandsche gouen, landstreken, eilanden, zijn even min talrijk. My zijn, als tot deze afdeeling behoorende, slechts bekend de geslachtsnamen Van Braband, Van Friesland, Van Holland, Van Drenth, (misschien ook Van Kempen), Van Marken, Van Proostdy (zoo heet eene kleine landstreek in de provincie Utrecht, gemeente Abkoude), Van Schouwen, Van Urk, Van Veluwe, Van Vlaanderen, Van Waas, Van Walcheren en Van Walchren, Van Wieringen en Van Wieringhen, en Van Zeeland.
De geslachtsnaam Van Graefschepe dient hier ook vermeld. Dit is eigenlik een algemeene aardrijkskundige naam, wijl niet blijkt welk graafschap bedoeld is. De oude graafschappen Zutfen en Benthem dragen beiden by de in- en omgezetenen den naam van »de Graafschap” als by uitnemendheid. Waarschijnlik is bovengenoemde geslachtsnaam aan eene dezer twee graafschappen ontleend.
§ 80. Geslachtsnamen samengesteld uit de namen van uitheemsche steden en dorpen, met het voorvoechsel van daar voor, zijn uit den aard der zake talryker dan die aan de namen van landen en gouen ontleend. Zie hier eenigen van die namen: Van Basel, Van Bremen, Van Costenoble25 (het enkelvoudige Costenoble komt ook voor), enz. Costenoble, Costenoblen, Constenoblen is de form waarin de naam der stad Constantinopel in oude, middeleeusche vlaamsche oorkonden geschreven staat. De geslachtsnaam Van Costenoble komt dan ook in Vlaanderen voor, en wel in het hedendaagsche Fransch-Vlaanderen. Oogenschijnlik is deze naam reeds zeer oud. Hy dagteekent wellicht nog uit den tijd der kruistochten, toen vooral ook Vlamingen naar de hoofdstad van het turksche rijk kwamen. Immers ook juist onder de Vlamingen waren, van alle nederlandsche stammen, het eerst geslachtsnamen in gebruik.—De geslachtsnaam Van Bethlehem zal wel uit eenen huisnaam geformd zijn. Want dat hy rechtstreeks aan den naam der bekende plaats in Palestina zoude ontleend zijn, door een voormalig ingezetene dier stede, schijnt my minder aannemelik, ofschoon het mogelik blijft.—Leinsele, een dorp in Fransch-Vlaanderen en waarvan de geslachtsnaam Van Leynseele ontstaan is, kan naueliks als een vreemde plaatsnaam gelden. (zie bl. 218).
De geslachtsnaam (Van den Berg) Van Saparoea is ook een zeer byzondere. Hy is, zoo verre ik weet, d’eenigste in Nederland, die ontleend is aan den naam eener plaats in Indië. Zie hier den oorsprong van dezen naam, volgens het tijdschrift De Navorscher, deel XXX, bl. 322.
»Saparoea is een welbekend eiland in den Molukschen archipel en behoort tot de Nederlandsch-indische bezittingen. Daar ter plaatse was in der tijd resident J. R. van den Berg, die bij een oproer of amokpartij, in Mei 1817, met zijne geheele familie (zijne echtgenoot Johanna Christina Umbgrove en drie kinderen), is vermoord, uitgenomen een kindje, het oudste zoontje, toen vijf jaar oud, dat door zijne min is gered, doch niet dan nadat het een krisslag had ontvangen, waardoor het eene oor door midden is gespleten. Later is het door de ijverige pogingen van den kapitein ter zee Q. M. R. Ver Huell, die zich in de baai van Saparoea bevond en onderrigt was dat het kind nog leefde, gelukt dat het hem werd uitgeleverd.
»Dit geredde kind is sedert naar Nederland overgevoerd, hier te lande opgevoed, thans (1880) een persoon tusschen de 60 en 70 jaren, een der voornaamste inwoners van Velp bij Arnhem, en sedert verscheidene jaren wethouder der gemeente Rheden.
»Vroeger teekende de bedoelde persoon zich steeds J. L. van den berg, doch aangezien er vele familiën van dien naam zijn, en dit vaak tot verwarring aanleiding gaf, vroeg hij voor een drietal jaren verlof, bij zijnen familienaam te mogen voegen van Saparoea, hetwelk bij koninklijk besluit is toegestaan, en sedert dien tijd voert de familie, waarvan hij thans het waardige hoofd is, den geslachtsnaam van den Berg van Saparoea.
»Omtrent bovenbedoelde moordgeschiedenis te Saparoea kan men nadere bijzonderheden vinden in: Merkwaardige gebeurtenissen uit de Nederlandsche Geschiedenis (te Amsterdam uitgegeven), alwaar in eene noot een verhaal daarvan voorkomt.”
§ 81. Duitschers hebben steeds het grootste gedeelte uitgemaakt van al de vreemdelingen, die in de Nederlanden een nieu vaderland zochten en vonden. En onder dezen waren het natuurlik weêr meest lieden uit de aan Nederland grenzende streken van Duitschland, uit de pruissische Rijnprovincie, uit Westfalen met de graafschap Benthem en het Nederstift van Munster (Arenberg, Meppen), en Oost-Friesland. Dien ten gevolge is het getal geslachtsnamen ontleend aan de namen van plaatsen in die gewesten gelegen, dan ook nog al aanzienlik. Zie hier eenigen van die namen, enkel van nederrijnlandsche plaatsen: Van Aken, Van Aaken en Van Ake, Van Calcar, Van Kleef en Van Cleeff, Van Cranenburgh met Van Kranenburg en Van Cranenborg26, enz.
Niet aleen dat vele Neder-Rijnlanders zich om voordeelswille in de Nederlanden neêrgezet hebben,—velen deden dit ook om redenen van godsdienstigen aard. Immers nadat de kerkherforming aan den duitschen Beneden-Rijn al spoedig grooten opgang gemaakt had, en zeer velen aldaar in de 16de eeu de kerk van Rome verlaten hadden, werden later, in de 17de en ook nog in de 18de eeu, door de wereldlike en geestelike vorsten dier streken, de Protestanten vervolgd en verdreven. Vooral ook de Doopsgezinden of Mennoniten, die geen onaanzienlik deel schynen geformd te hebben van die Herformden, hadden veelvuldige vervolging te dulden. Ofschoon enkele doopsgezinde gemeenten aldaar, onder anderen te Krefeld, Kleef en Emmerik zich nog tot in deze eeu, gedeeltelik nog tot heden toe konden staande houden in naue aansluiting aan de nederlandsche Doopsgezinden, zoo waren toch vele leden dier gemeenten genoodzaakt hun land te verlaten. En waarheen zouden zy gereeder uitwyken dan naar de naburige noordelike Nederlanden, waar de herformde kerk heerschte, en waar men die verdrevenen, die veelal welgestelde, neringdoende en nyvere burgers waren, geerne eene gastvrye ontfangst bereidde! Deze zaak is d’oorzaak dat zoo menig doopsgezind geslacht ons heden ten dage in zynen geslachtsnaam nog zyne afkomst uit Neder-Rijnland vertoont,—dat juist zulke geslachtsnamen aan nederrijnsche plaatsnamen ontleend, veelvuldig onder onze doopsgezinde landgenooten voorkomen. Zie hier eenigen daar van: Van Calcar, Van Gelder, Van Goch, Van Gulik, Van Cleeff, Van Meurs, Van Rees, enz. Ook Van Bracht (tegenwoordig nog als Van Bragt voorkomende), zoo als de schryver heette van het zoogenoemde »Menniste Martelaarsboek”, dat is: Het bloedigh tooneel der doopsgezinde en wereloose Christenen. Bracht is de naam van een dorp by ’t stadje Kempen.
En ook evenzeer als Mennoniten, werden ook Israëliten wel uit nederrijnsche plaatsen verdreven, en zochten in de Nederlanden een vrediger verblijf. Of anderszins, toen handel en nyverheid, dus ook bloei en welvaart in de 17de eeu vooral uit vele nederrijnsche plaatsen weken, ook al ten gevolge van den uittocht der neringdoende Herformden naar de Nederlanden, toen trokken ook de Joden uit, om hier een neringryker oord te vinden. En zoo is het gekomen dat wy zulke namen als Van Kleef en Van Cleef, Van Gelder, Van Goch, Van Creveld, Van Wezel (met Emrik, Kalker, zie § 73), enz. by verschillende israëlitische geslachten in Nederland aantreffen. Maar ook buitendien nog schijnt het dat vele ingezetenen der stadjes Xanten, Calcar, Goch naar Nederland gingen wonen. Immers de geslachtsnamen Van Santen, Van Sante, Van Zanten, Van Zante, Van Calcar, Van Kalker, Van Kalkert, Van Kalkeren (ook het enkele Kalker), Van Goch, Van Gogh, Van Gog, enz. in allerlei verschillende spellingen, komen zeer veelvuldig voor. Zy worden in talrijkheid echter nog verre overtroffen door voormalige ingezetenen van het stadje Gelder, wier nakroost met de geslachtsnamen Van Gelder, Van Gelderen, Van Geldre, Van Geldern, Van Geldere, Van Ghelder buitengewoon talrijk is onder ons. De geslachtsnamen De Gelder, De Gueldre, De Ghelder en De Gheldere, in de beide laatste formen vooral ook in Vlaanderen voorkomende, houd ik voor verfranschte formen van Van Gelder, te meer wijl ik reden heb te vermoeden dat het noordnederlandsche geslacht De Gelder uit Vlaanderen in Holland is komen wonen, terwijl het westvlaamsche geslacht De Gheldere nog het oude wapen van Gelre als geslachtswapen voert. Maar de friesche geslachtsnamen Gelderda, Geldra en Geldersma, evenmin als Gelders, elders in de Nederlanden inheemsch, hebben niets te maken met den plaatsnaam Gelder of Gelre. Deze namen zijn ontleend aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Gelder, Gelther.
§ 82. Minder talrijk dan de geslachtsnamen aan plaatsnamen in Neder-Rijnland ontleend, zijn onder ons die maagschapsnamen welke samengesteld zijn uit eenen westfaalschen plaatsnaam en het voorzetsel van. En toch hebben Westfalingen volstrekt niet in kleiner aantal dan Neder-Rijnlanders zich in de Nederlanden neêrgezet. Als slachters en bakkers, als bierhuishouders, vooral ook als handelaars in kleedingstoffen, met hunne talryke knechts, kellners, kantoor- en winkelbedienden en reizigers, zijn de zonen van de »Rothe Erde” rykelik onder ons vertegenwoordigd. Maar deze »Felingen” (zie bl. 191) kwamen meest allen in lateren tijd hier wonen dan de Neder-Rijnlanders. Zy kwamen toch in den regel om den broode, niet om gewetensvryheid. Immers behooren zy grootendeels tot de roomsche kerk. Zy kwamen meest in de vorige en vooral ook in deze tegenwoordige eeu—hunne scharen stroomen ons nog steeds toe; en zy brachten dies hunne geslachtsnamen reeds kant en klaar mede. Zoodat ons volk geene reden had om hen te noemen naar hunne plaatsen van herkomst—ook al ware dit na den jare 1811 nog mogelik geweest.
Eene uitzondering maken d’ inwoners van de graafschap Benthem, welke landstreek tot Westfalen gerekend wordt. Dezen zijn hooftsakelik Herformden, en de nederlandsche taal was tot diep in deze eeu hunne kerktaal, ja, is dat by sommige gemeenten, even als in Oost-Friesland, nog heden. Van daar dat er steeds veel betrekking over en weêr tusschen deze landstreek en onze Nederlanden bestond, ’t welk ook al mede aanleiding gaf (met den grooten hollandschen magneet, welvaart en rijkdom, handel en nering) om Bentheimers, in onze noordelikste gewesten als »Graafschappers” bekend, hier heen te doen trekken. Over de oorbeeldig nederlandsche geslachtsnamen dier Bentheimers zal verder in dit werk gehandeld worden; zie § 159.
Zie hier eenige nederlandsche geslachtsnamen aan westfaalsche plaatsnamen ontleend. De veelvuldig voorkomende naam Van Munster moet in d’ eerste plaats genoemd worden. En dan Van Bekkum (stadje by Munster), Van Byleveld (Bielefeld, zie bl. 211), enz.27 En aan bentheimer plaatsnamen ontleend zijn dezen: in d’ eerste plaats de talrijk voorkomende namen Van Bentheim, Van Benthem, Van Bentem, Van Bentum; verder Van Noothoorn (Noordhoorn, Nordhorn, stadje aan onze twentsche grens), Van Veldhuizen met Van Velthuyse (Velthuizen, Velthusen, thans ook Velthausen genoemd, dorp in die landstreek), enz.28
§ 83. De Oost-Friesen zijn, wat de talrijkheid van hun volk betreft, veel geringer dan de Westfalingen en de Neder-Rijnlanders. Niettemin is het getal der Oost-Friesen, die zich voor en na in de Nederlanden gevestigd hebben, niet geringer dan het getal van onze andere oostelike buren. Vooral ook in onze noordelike gewesten, onder hunne stamgenooten, hebben zich de Oost-Friesen steeds in grooten getale neêrgezet. De omstandigheid dat de Oost-Friesen zich steeds, tot diep in deze eeu, tot de Nederlanders in ’t algemeen, tot hunne volksgenooten bewesten Eems en Lauers in het byzonder voelden aangetrokken, veel meer dan tot Duitschers—dat ook de Oost-Friesen met de Nederlanders in volkstaal, zeden, bronnen van bestaan, godsdienst, enz. ten nausten verbonden zijn, droeg veel daar toe by. En ook boden de bloeiende nederlandsche gewesten den Oost-Friesen meer uitzicht op welvaart aan dan hun eigen land deed, vooral ook meer dan de duitsche landstreken achter hun gewest gelegen.
Uit deze talrijkheid van Oost-Friesen in de Nederlanden, zoude men mogen besluiten dat geslachtsnamen uit oostfriesche plaatsnamen met het voorvoechsel van samengesteld, ook talrijk onder ons zouden moeten voorkomen. Dit is echter het geval niet. Zulke namen zijn er wel, maar geenszins in die mate als men uit het bovenvermelde zoude mogen afleiden. Dat komt omdat de Oost-Friesen de zelfde friesche vóórnamen dragen als de nederlandsche Friesen en als allen die in de Nederlanden van frieschen stam zijn. En omdat de Oost-Friesen van ouds ook juist de zelfde oud-friesche wyze volgden om van hunne vóórnamen patronymika te formen, die dan later tot vaste geslachtsnamen werden, even als dit hier, bewesten Eems, het geval was en is. Zoo hadden dus de nederlandsche Friesen, de Groningerlanders, enz. geene redenen om aan de Oost-Friesen die zich onder hen vestigden, nieue namen, afgeleid van de plaatsen hunner herkomst, te geven. Immers droegen die Oost-Friesen reeds soortgelyke, of ook geheel gelyke, ten deele ook volkomen de zelfde namen, patronymika en andere geslachtsnamen, als de nederlandsche Friesen. Zoo treft men ook thans nog in onze noordoostelike gewesten en in de noordwestelike streken van Duitschland, voor zoo verre er oost en west van de Eems Friesen wonen, of lieden van frieschen stam, geheel de zelfde geslachtsnamen aan. Op deze gelijkheid van geslachtsnamen in Oost-Friesland en in de Nederlanden in ’t algemeen, in het nederlandsche Friesland in het byzonder, zal ik verder in dit werk nog gelegenheid hebben nader te rug te komen. Zie § 160.
Nederlandsche geslachtsnamen, met van er voor, aan oostfriesche plaatsnamen ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats moet hier de geslachtsnaam Van Emden genoemd worden, die, met Van Embden, Van Emde, Van Embde (en het eenvoudige Emden, Emde), enz. nog al talrijk en algemeen onder ons voorkomt; ook onder onze israëlitische medeburgers. Emden trouens is ook niet slechts de voornaamste en volkrijkste der oostfriesche steden, maar de bewoners van die aloude Eemsstad hebben ook steeds de nauste betrekkingen met de Nederlanden onderhouden. Verder Van Aurich en Van Aurick, Van Bingum, Van Borssum, enz.29
Het schijnt dat vooral ook Israëliten uit Oost-Friesland zich in de Nederlanden hebben gevestigd. Immers treffen wy onder hen, behalven Van Emden, ook de geslachtsnamen Van Geuns, Van Leer en Van Norden aan. Geuns is de nederlandsche form van den naam van het oostfriesche stedeke Gödens of Neustadt-Gödens, welke naam door d’ Oost-Friesen zelven ook als Gööns of Geuns uitgesproken wordt. Hier behoort de geslachtsnaam Van Goens (oe = ö = eu) ook genoemd worden, die even eens aan dit oostfriesche stadje ontleend is. De bekende Gouverneur-Generaal van Neêrlandsch Indië, Ryklof Van Goens was dan ook een Oost-Fries, even als zijn ambtsvoorganger Gustaaf Willem Van Imhoff, en, zoo als Arends zeit: »entweder im Gödenschen oder zu Leer geboren.”30 En dat het juist eene doopsgezinde en eene israëlitische maagschap is, die beiden den geslachtsnaam Van Geuns dragen, is ook niet zonder beteekenis. Het stadje Geuns toch was oudtijds eene byzondere stede, waar lieden van allerlei godsdienst en kerk mochten wonen en vryelik hunne geloofsplechtigheden verrichten. Iets wat in andere oostfriesche plaatsen (’t en zy dan Emden) niet, of althans niet in die mate geoorloofd was.
§ 84. Na al deze namen aan buitenlandsche plaatsnamen ontleend, zijn thans de geslachtsnamen, geformd met het voorzetsel van, uit de namen van nederlandsche steden, dorpen en gehuchten, noord en zuid, aan de beurt om hier besproken te worden. Byzonderheden leveren deze geslachtsnamen weinig op. Ook eischen zy, uit den aard der zake, voor den nederlandschen lezer geenen naderen uitleg. Zulke namen toch als Van Groningen, Van Vlissingen, Van Gent, Van Leuven zijn voor iedereen duidelik, en gemakkelik verklaarbaar. Wijl ik in dit werk van alle groepen en soorten van geslachtsnamen die ik bespreek, voorbeelden heb aangevoerd, wil ik ook hier eenigen van die namen opnoemen, ofschoon het eigenlik onnoodig is, want ieder een kent ze voldoende. Van Dokkum, Van Oosterzee, Van Leens,31 enz.
§ 85. Het aantal dezer geslachtsnamen, in de Nederlanden inheemsch, is verbazend groot. Geformd van plaatsnamen uit alle gewesten, treft men ze in al onze provinciën menigvuldig aan. Toch is de verspreiding dezer namen over alle deelen des lands geenszins gelijkmatig. Zeldzaam zijn zy nergens; maar in de noordelike en oostelike gewesten komen ze betrekkelik weinig voor. Hoe zuideliker van Friesland en Groningen en noordelik Noord-Holland men komt, hoe talryker men ze ontmoet. Het grootste deel is te vinden in de middelste streken der Nederlanden, in westelik en zuidelik Gelderland, in het Sticht van Utrecht, zuidelik Noord-Holland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. Het allermeeste in getal treft men deze namen aan in de groote hollandsche steden, daar by te Utrecht, Arnhem, enz; vooral ook te Rotterdam. Nog zuideliker, in Zeeland, de beide Vlaanderen, Antwerpen, Zuid-Brabant, Limburg, treden ze weêr meer op den achtergrond, ofschoon zy in deze gouen toch nog veel talryker zijn dan in Friesland, Groningen, Drente, noordelik Noord-Holland, Overijssel, noordelik en oostelik Gelderland. In ’t algemeen kan men zeggen dat zy onder de frankische bevolking meer voorkomen dan onder de friesche en saksische. In de noordelikste zoowel als in de zuidelikste gewesten treden de vadersnamen meer op den voorgrond. In Friesland daarenboven worden zy nog vervangen door sommige geslachtsnamen op a uitgaande en die van plaatsnamen geformd zijn. En dáár en in Noord-Holland benoorden ’t Y ook door de plaatsnamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel; b. v. Dokkum, Deinum, Wydenes, Medemblik.
De plaatsnamen van alle nederlandsche landstreken hebben niet in de zelfde mate bygedragen tot het formen van de geslachtsnamen hier omschreven. Die welke van plaatsnamen uit de noordelike gewesten van ons land geformd zijn, komen niet zoo veelvuldig voor als die welke samengesteld zijn met plaatsnamen uit de middelste gedeelten van Nederland. Velen vooral zijn ontleend aan de talryke noordbrabantsche plaatsnamen. Die in eene onzer groote hollandsche steden woont, neme eens eene uitvoerige landkaart van Noord-Brabant voor zich, en zie eens hoe velen van de plaatsnamen daar op voorkomende, oorsprong gegeven hebben aan geslachtsnamen van personen uit zyne omgeving, of die hy anderszins by name kent.
Uit der mate talrijk zijn in de noordelike Nederlanden de geslachtsnamen Van Staveren en Van Hinlopen, met Hinlopen, Hinlópen, Hinloope, enz. verspreid. Zoo talrijk dat het getal dergenen die deze geslachtsnamen dragen ongetwyfeld veel grooter is dan het getal der inwoners van die friesche stadjes. De reden hier van ligt voor de hand. Staveren en Hindeloopen zijn in vorige eeuen bloeiende, nering- en volkryke steden geweest. Vooral Staveren, d’ aloude friesche hoofdstad, was in de middeleeuen eene belangryke handelsstad, vol volk en rijkdom. Maar toen de handel zich van daar verplaatste, vooral naar Enkhuizen en Amsterdam, welke steden aan den ondergang van Staveren al mede hunne opkomst te danken hebben, en toen de welvaart uit den frieschen Zuidhoek verliep, toen verlieten ook vele inwoners die plaatsen en vestigden zich elders, waar zy al licht van anderen den toenaam: Van Staveren of Van Hinlopen, enz. kregen, en die toenamen als geslachtsnamen behielden.
Zeer talrijk zijn in Holland en elders in de noordelike gewesten ook de geslachten die de namen Van Son en Van Zon, Van Os, Van Oss en Van Osch voeren. Zekerlik wonen er daar meer lieden die Van Son of Van Zon heeten, dan het geheele dorp Son inwoners telt. Wat de reden is dat zoo vele ingezetenen uit die noord-brabantsche plaatsjes hunne geboorteplaats verlaten en zich elders gevestigd hebben, is my niet bekend.
De geslachtsnamen Van Belkum, in Friesland voorkomende, en Belkom, zijn ontleend aan den naam van het dorp Berlikum in Friesland, welke naam door de friesche stedelingen als »Belkum” wordt uitgesproken, terwijl hy in de eigenlike friesche taal »Berltsum” (spreek uit: Beltsum) luidt. Maar de geslachtsnaam Van Berlekom is aan den naam van het noord-brabantsche dorp Berlikum ontleend.
§ 86. Het is bekend dat vooral in de 16de eeu zeer vele nyvere burgers uit Vlaanderen en andere zuid-nederlandsche gewesten, ten deele om geloofsvervolging te ontgaan, ten deele ook aangelokt door den bloei en de welvaart der noordelike, van het spaansche juk bevryde streken, zich in grooten getale alhier, vooral in het eigenlike Holland, hebben neêrgezet. Vele antwerpsche en brugsche kooplieden trokken naar Amsterdam, vele kunstenaars (schilders) en nyveren (spinners, wevers), naar Haarlem en Leiden. Dien ten gevolge treffen wy nog heden in het Noorden zoo vele geslachtsnamen aan, die afgeleid zijn van plaatsnamen in het Zuiden. B. v. Van Aerschot, Van Beveren, Van Bree.32 En de talrijkheid dezer geslachtsnamen staat nog in geen de minste verhouding tot de duizenden van Zuid-Nederlanders die zich in het Noorden hebben neêrgezet, omdat het grootste deel dezer Vlamingen en Brabanders reeds vaste geslachtsnamen had, vóór zy zich hier vestigden. Voor zoo verre het protestantsche, vooral ook doopsgezinde geslachten zijn, die deze geslachtsnamen, aan zuid-nederlandsche plaatsnamen ontleend, voeren, dagteekent het verblijf dezer maagschappen in de noordelike gewesten reeds uit het laatst der 16de en het begin der 17de eeu. Men herinnere zich hier de afsonderlike gemeenten van »Vlaamsche Mennisten,” die tot in het laatst van de vorige eeu in vele noord-nederlandsche steden bestaan bleven. Ook de Vlamingstraat te Haarlem, waarschijnlik ook wel die in andere hollandsche steden (den Haag? Delft? Leiden?), draagt haren naam naar de Vlamingen, die zich aldaar met der woon vestigden. Dat er echter ook reeds vóór de kerkherforming Vlamingen in Holland waren komen wonen, blijkt b. v. uit de »Informacie up den staet van Hollant”, bl. 281, waar wy reeds in 1514 eenen »Jan Van Beveren” vinden als inwoner van het dorp Sassenheim, by Leiden.
De maagschapsnaam Van Bergen-Henegouwen is zeer naukeurig van form, en moet geenszins als een dubbelde naam beschoud worden. Immers draagt Bergen (Mons), de hoofdstad van de Henegou, dezen toenaam ter onderscheiding van zoo menige andere bekende plaats die eveneens Bergen heet; b. v. van St. Winox-Bergen in Vlaanderen, Bergen-op-Zoom in Brabant, Bergen in Kennemerland, Bergen in Noorwegen, enz.
Geslachtsnamen ontleend aan plaatsnamen uit het fransche gedeelte van Vlaanderen komen ook geenszins zeldzaam in Noord-Nederland voor. Zie hier eenigen: Van Belle, Van Grevelingen, Van Duynkerken,33 met het enkele Duinkerken, enz.
§ 87. Omgekeerd komen er in Zuid-Nederland geslachtsnamen voor, die ontleend zijn aan plaatsnamen uit de noordelike gewesten. Maar dezen zijn daar toch niet zoo talrijk als hunne tegenhangers in het Noorden zijn, wijl er zich nooit zooveel Noorderlingen in het Zuiden gevestigd hebben, als omgekeerd. De volgende namen, die deze groep formen, zijn my bekend: Van Biervliet, Van Delft, Van Dieren.34 De namen Van Tilborgh echter, Van Biervliet en Van Yzendijk mogen hier eigenlik niet gelden. Immers de noordbrabantsche stad Tilburg en de stadjes Biervliet en Yzendijk in Zeeusch-Vlaanderen, behooren slechts in staatkundigen, geenszins in geschiedkundigen en volkenkundigen zin tot Noord-Nederland.
§ 88. Natuurlik zijn er onder de maagschapsnamen, tot deze groep (plaatsnamen met van er voor) behoorende, ook eenigen waarvan de oorsprong in sommige opzichten duister is, of naderen uitleg noodig heeft. Sommigen dezer namen toch zijn ontleend aan de namen van kleine, weinig bekende plaatskes, gehuchten, enkele huizen, enz. Ook zijn er die verbasterde naamformen vertoonen, waar door de oorspronkelike naam van de plaats, die aan zulken geslachtsnaam oorsprong gaf, haast onkenbaar geworden is. Of eindelik, de plaats zelve, wier naam nog in eenen maagschapsnaam voort leeft, is reeds van den aardbodem verdwenen. Als voorbeelden kunnen in de eerste plaats gelden de geslachtsnamen Van Akendam, Van Houweninge met Van Houweningen, Van Munnikreede met Van Munnekrede, De Rommerswaele met Remmerswaal, enz. Voor weinige jaren lag nog even benoorden de stad Haarlem, vlak voor de Nieue- of Kennemerpoort aldaar, een gehucht onder het kennemerlandsche dorp Schoten behoorende, en dat den naam van Akendam droeg. De geslachtsnaam Van Akendam is er aan ontleend. Thans is, door uitbreiding der stad Haarlem, en door verandering der grensscheiding tusschen de gemeenten Haarlem en Schoten, dat gehucht geheel verdwenen. De haarlemsche straat die den naam van Schoterweg draagt, met het Frans-Hals-plein en de Frans-Hals-straat, nemen volkomen de plaats in van het oude Akendam.—Houweningen was de naam van een der zuidhollandsche dorpen, die by den tweeden Sint-Elisabeth’s vloed, ten jare 1421, overstroomd werden, en sedert verdronken gebleven zijn ter plaatse waar thans de Biesbosch is.—Munnikreede was in de middeleeuen een vlaamsch stedeken, gelegen by Damme tusschen Brugge en Sluis. Het is thans volkomen verdwenen.35—En Rommerswaele, ook Roemerswaal en Reymerswael, was eene zeeusche stad aan den noordeliken wal van het eiland Zuid-Beveland gelegen, maar in de 17de eeu langzamerhand geheel verzwolgen door de ongebreidelde stroomen der Ooster-Schelde.—De geslachtsnamen nog heden in wezen, houden de herinnering aan deze oude plaatsen levendig. De Rommerswaele (de naam is eigen aan een zuidnederlandsch geslacht) is een verfranschte form. Zie § 165.
Van Bakkenes. Deze geslachtsnaam is ontleend aan den naam van het dorp Bakenes, dat in de middeleeuen benoorden de stad Haarlem lag, aan het Spaarne, maar dat reeds in d’ eerste helft der 14de eeu tot Haarlem is binnengevest. De oude dorpskerk van Bakenes, nog onder den naam van Bakenesserkerk bekend en in gebruik, staat nog heden ten dage binnen de Spaarnestad, en de Bakenessergracht, d’ oude grensscheiding tusschen dorp en stad, is daar nog aanwezig. Het volk te Haarlem spreekt nog steeds »Bakkenes” in plaats van Bakenes, en deze volksuitspraak beeldt de geslachtsnaam ook af.
Eenige geslachtsnamen zijn ook byzonder, omdat zy ontleend zijn aan de namen van middeleeusche sloten of kasteelen, die voor het grootste gedeelte geheel verdwenen zijn, of nog slechts als min of meer belangryke bouvallen bestaan. Zijn de dragers dezer namen in der daad nog afstammelingen van de oude edellieden, die deze sloten of burchten gesticht hebben en bewoond, dan vervalt de byzonderheid. Maar dit komt betrekkelik zelden voor. Meestal zijn het onadellike verwantschappen, die deze oude namen voeren, omdat een hunner voorouders, die eerst dien naam als een toenaam aannam, toevallig op de eene of andere wyze, als hoorige of dienstman of pachter, aan dat oude huis verbonden was, of misschien ook slechts op het grondgebied daar van geboren was. Wy willen slechts een paar van deze geslachtsnamen vermelden; Van Brederode en Van Teylingen.
Indien de hedendaagsche dragers van den naam Van Brederode in der daad afstammelingen zijn der aloude graven van Brederode, gelijk wel beweerd wordt, zoo is deze geslachtsnaam zeker minder byzonder, dan waneer hy enkel ontleend is aan den naam Brederode, als plaatsnaam, als naam van het stamslot van dat oude geslacht van hollandsche edelingen. Dat kasteel, sedert de 15de eeu in verval, ligt reeds sedert de 16de eeu als een schilderachtige bouval in het schoonste oord van Haarlems heerlike omstreken. Het geslacht Van Brederode is dan ook te Haarlem gezeten. Het woord Brederode wordt in den haarlemschen tongval als Breêroô uitgesproken: van daar dat een ander haarlemsch geslacht den naam Van Brero draagt. Tegenhangers van den naam Van Brederode zijn de geslachtsnamen Van Teylingen en Van Hoogteilingen, die eveneens door burgerlike geslachten in Holland gevoerd worden, en afgeleid zijn van het oud-adellike slot Teylingen, dat sedert eeuen reeds in puin ligt by het dorp Sassenheim tusschen Haarlem en Leiden.
§ 89. Een byzondere geslachtsnaam is ook nog Van Bredael (het enkelvoudige Bredael komt ook voor), die te Antwerpen nog al veelvuldig voorkomt. Bredael was in vroegere tyden, hier en daar in de Nederlanden, de volksuitspraak van den naam der stad Breda. Een huis op de Roozegracht te Amsterdam, in de laatste helft der 17de eeu, heette: »Het schip van Breda”; zeker in herinnering aan het turfschip van Breda, waarmede Prins Maurits by verrassing het kasteel van Breda innam. Een feit uit de vaderlandsche geschiedenis, by ons volk zoo wel bekend. De doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam, die den naam van dit huis eens in zijn grafboek schryven moest, schreef echter: »’t schip van Bredael” (eigenlik schreef de man, die al zeer slecht ter penne was: »sep van Bredael.”).36 Die byzondere uitspraak van dezen brabantschen plaatsnaam was dus oudtijds ook te Amsterdam in zwang.
De geslachtsnaam Van Wensveen is ontleend aan den naam van het zuidhollandsche dorp Waddinksveen, welke naam in de volkstaal aldus wordt uitgesproken. Van Beusekom, Van Blarcom, Van Deutekom, afgeleid van de plaatsnamen Beusichem, dorp in Gelderland, Blaricum, dorp in het Gooiland, Deutichem of Doetinchem, stadje in Gelderland, kunnen naueliks voor verbasteringen gelden, omdat de volksmond deze plaatsnamen gemeenlik alzoo uitspreekt. En dit is eveneens het geval met de geslachtsnamen Van Bruyssel, Van Bruysselen en Van Bruyssele, Van Beem en Van Tertholen, die ontleend zijn aan de namen van de stad Brussel, van het dorp Bedum in Groningerland, en van het stadje Tolen in Zeeland. Deze namen luiden in de wandeling Bruessele (by de Zuid-Nederlanders), Beem en Ter Tolen. By dezen laatsten naam, even als by Ter Goes, Ter Gou en misschien ook Ter Mei, in plaats van Goes, Gouda en Ameide, heeft de volksmond den vollen oorspronkeliken naam behouden. De geslachtsnaam Van ter Tholen of Van der Tholen komt ook in samengetrokkenen form voor, als Vertholen.
§ 90. In vorige tyden, in de 16de en 17de eeu vooral, toen de geleerden hunne namen verlatynschten, heeft men het voorzetsel van by de geslachtsnamen die daar mede waren samengesteld, ook in ab of a omgezet, en op die wyze getracht deze namen althans eenigszins een geleerd voorkomen te geven. Overeenkomstig de regelen der latijnsche taal gaf men het voorzetsel van door ab terug, als het daarna volgende woord met eene klinkletter begon (Ab Utrecht), en door a waar dit niet het geval was (A Brakel). Ook voor eene h zette men ab, om dat men deze letter althans als half stom beschoude (Ab Huisen). Men schreef deze a veelal met een teekentje, als à, en doet dit nog wel. Waarom is my niet recht duidelik; goed Latyn is het niet.
Onder de nederlandsche geleerden van de 16de en 17de eeu en ook nog onder hunne nakomelingen in de 18de eeu, treft men menigvuldig zulke geslachtsnamen met ab en a aan. Zie hier eenigen van die namen, die voor zoo verre my bekend is, thans uitgestorven zijn: † Ab Andringa, † A Besten, † A Biler, † A Bolswert, en (men schreef die a gewoonlik klein) † à Laxten, † à Vullen, † à Mark, † ab Oostbroek, enz. Die oude geleerden sprongen soms nog al wonderlik om met deze geslachtsnamen, die eigenlik en oorspronkelik slechts toenamen voor hen waren, naar de plaatsen hunner geboorte. Johannes Gerhardi à Besten, by voorbeeld, predikant te Dokkum in 1620, en die dezen toenaam waarschijnlik droeg naar zynen vader, die dan in het westfaalsche dorp Beesten, by Osnabrück,37 zal geboren zijn, schreef zich ook wel à Groninga, wijl hy een Groninger van geboorte was. En Johannes Fokkes, die te Holwert, een dorp in Friesland, geboren was, verlatynschte en vergriekschte zynen naam, sedert hy hoogleeraar was te Franeker (in het midden der zeventiende eeu), tot Johannes Phocylides ab Holwarda. Deze man overdreef de zaak buiten dien ook nog. Had hy zich nog maar eenvoudig ab Holwert genoemd, hy hadde althans niet dwazer gehandeld dan zoo velen zyner tijd- en ambtgenooten. Maar hy maakte van den enkelvoudigen naam zyner geboorteplaats ook nog eenen oud-frieschen genitivus: ab Holwarda is Latyn en Oud-Friesch te gelijk—eene zonderlinge verbinding!—en beteekent »van van Holwert!” Dit is eene dubbele dwaasheid.
Slechts zeer weinigen van deze namen zijn tot op onze tegenwoordige dagen in het leven gebleven. My zijn slechts de volgenden bekend: A Brakel, (Lycklama) à Nyeholt, A Steringa (Lemke), A Tellinghuis, (Thomassen) à Thuessink (Van der Hoop), en Ab Utrecht (Dresselhuys).
§ 91. In Friesland komen eenige geslachtsnamen voor, die ware tegenhangers zijn van de namen die uit het voorzetsel van en eenen plaatsnaam zijn samengesteld. Het zijn als ’t ware vertalingen van zulke namen in het Oud-Friesch. In het Oud-Friesch namelik wordt eenig zelfstandig naamwoord door achtervoeging van de letter a in den tweeden naamval geplaatst. Zie § 44. Zoo ook zet men friesche plaatsnamen door achtervoeging van eene a in den tweeden naamval; maakt dus van den plaatsnaam Jellum den geslachtsnaam Jelluma, dat »Van Jellum” beteekent. Ofschoon deze oud-friesche taalform, in de volkstaal reeds in de middeleeuen uitstierf, bleef men toch nog lange daar na op deze wyze geslachtsnamen maken. Zie hier een voorbeeld. Wytse Foppes was, in d’ eerste helft der 18de eeu, een eenvoudig man, woonachtig in het friesche dorp Dongjum, dat by Franeker ligt. Hy had geenen eigenen geslachtsnaam. Immers zijn toenaam Foppes was anders niet als de naam van zynen vader Foppe, in den tweeden naamval; dus een patronymikon. Zoo lang Wytse Foppes te Dongjum woonde, was deze eenvoudige naam hem voldoende. Maar toen hy later zich te Leeuwarden als rekenmeester en instrumentmaker vestigde, had hy eenen afsonderliken geslachtsnaam noodig, ter onderscheiding van anderen, die ook deze algemeene namen Wytse Foppes droegen. Ware onze man een Hollander of andere Nederlander geweest, wis hadde hy zich »Van Dongjum” genoemd. Nu echter, als Fries, bezigde hy, zeer gepast, ook eenen frieschen taalform; hy smeedde zich den geslachtsnaam Dongjuma, dat Van Dongjum beteekent.
Reeds in § 44 van dit werk heb ik uitvoeriger over dezen form van friesche geslachtsnamen gesproken; ik kom er ook later op terug. Zie § 101.
Talrijk zijn deze namen in Friesland juist niet, vooral niet in vergelyking met de geslachtsnamen die uit eenen plaatsnaam met het voorzetsel van samengesteld zijn, en ook met die friesche geslachtsnamen, welke eveneens geformd zijn door achtervoeging van die oud-friesche a, maar dan achter eenen mansvóórnaam. Zie Een en ander over friesche eigennamen, in De Vrye Fries, dl. XIII.
De volgende geslachtsnamen, tot deze byzondere groep behoorende, zijn my bekend: Anjema, Aruma, Baarda, Buruma,38 van de namen der dorpen Anjum, Arum, Baard en Burum, alle vier in Friesland tusschen Fli en Lauers, in de hedendaagsche provincie Friesland gelegen. Maar er komen, meest in Groningerland, ook geslachtsnamen voor, die op deze oudfriesche wyze afgeleid zijn van groningerlandsche plaatsnamen; b. v. Beswerda, van het gehucht Beswert by Esinge; Bieruma, van het dorp Bierum in Fivelgo; Enuma, van Enum, eene buurt tusschen Loppersum en het Zand.39 Dit zijn zeker zeer oude geslachtsnamen die nog dagteekenen uit den tijd toen men ook nog in deze landstreek, in ’t oude Friesland tusschen Lauers en Eems, de friesche taal sprak. Dus minstens uit de 16de eeu. Eindelik moet hier nog genoemd worden de geslachtsnaam Smilda, die op oudfriesche wyze geformd is uit den naam van het drentsche dorp de Smilde.
§ 92. By den rijkdom van onzen vaderlandschen bodem aan stroomen en rivieren, enz. is het natuurlik dat er ook vele geslachtsnamen van ons volk ontleend zijn aan de namen van zulke wateren. Deze geslachtsnamen zijn in den regel uit zich zelven duidelik genoeg, en eischen weinig nadere verklaring. Eene eerste plaats onder de namen der kleine rivierkes in Nederland, neemt de naam A of Aa in. Deze naam die eenvoudig water, stroomend water beteekent, is aan vele rivierkes eigen; b. v. aan de Aa by Breda; de Aa by ’s Hertogenbosch; de Aa by Gendringen in Gelderland; de Aa, het bovenpand van den Angstel, in de provincie Utrecht; de Almelosche Aa in Twente; de Mussel-A en de Pekel-A in Groningerland, enz. In overeenstemming met het veelvuldig voorkomen van dezen riviernaam A, komt ook de daarvan afgeleide geslachtsnaam Van der Aa geenszins zeldzaam voor. Andere geslachtsnamen, aan riviernamen ontleend, zijn nog: Van der Aar; de Aar is een stroom die by Alfen uit den Rijn naar de Drecht by Nieuveen vloeit. Van Amstel; deze naam komt in Holland, vooral in Amstelland en Kennemerland algemeen voor. Van Berkel; de Berkel is een rivierke dat te Zutfen in den IJssel valt; maar deze geslachtsnaam kan eveneens aan het zuidhollandsche dorp Berkel ontleend zijn. Van der Does en Verdoes; de Does is een stroom by Leiden.40
De geslachtsnaam Van Overschelde moge hier ook vermeld worden, al is deze naam niet rechtstreeks aan den riviernaam Schelde ontleend. Immers Overschelde is de naam van eene landstreek over, aan den anderen kant van de Schelde gelegen, even als het Overmaassche over de Maas ligt. Zoo mede de maagschapsnaam Overeem, van het rivierke de Eem by Amersfoort afgeleid.
Ook namen van buitenlandsche stroomen en rivieren zijn in Nederland tot geslachtsnamen geworden; b. v. Van der Hever, Van der Lip met Van der Lippe en Van Wezer. De Weser is bekend genoeg. De Hever is een stroom in Noord-Friesland (westkust van Sleeswijk), vóór de stad Husum, tusschen het eiland Noordstrand en den vasten wal. En de Lippe is een bekende zijdrivier van den Rijn, in Duitschland.—Omdat de Roer (Ruhr) en de Aar (Ahr) beiden ook namen van bekende zijdrivieren van den Rijn in Duitschland zijn, zoo wel als namen van nederlandsche rivieren, zoo zoude men de op bl. 243 genoemde geslachtsnamen Van de Roer en Van der Aar ook evenzeer kunnen rekenen tot de geslachtsnamen aan de namen van buitenlandsche rivieren ontleend.
De maagschapsnaam Jordaan doet aan de bekende rivier in Palestina denken. Toch geloof ik niet dat deze naam van dien riviernaam afkomstig is. Mogelik is het dat de oorsprong van dezen naam te zoeken zy in den naam van die byzondere wijk der stad Amsterdam, welke den naam van »de Jordaan” draagt. Maar het komt my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaam Jordaan, met de patronymika daarvan, Jordaans en Jordaens, zynen oorsprong dankt aan den oud-nederlandschen mansvóórnaam Jorden, die ook in latynschen form als Jordanus, en weer verkort als Jordaan voorkomt. De geslachtsnamen Jordensz en Jordens zijn eveneens aan dezen mansnaam ontleend.
§ 93. Een byzonder-friesche form voor deze aan riviernamen ontleende geslachtsnamen ontbreekt ook al niet. Als zoodanig zijn my bekend de geslachtsnamen Eemstra, Rynstra (met den onzinnigen form Van Rynstra) en Scheenstra, afgeleid van de namen der rivier de Eems, van het stroomke de Ryn (Lemster-Ryn), dat uit het Tjeukemeer komende, by de Lemmer in de Zuiderzee floeit, en van het rivierke de Scheene, in West-Stellingwerf, alle drie in Friesland. Men zoude den geslachtsnaam Diepstra hier ook toe kunnen rekenen, omdat ”diep”, in de noordelike gewesten een algemeene naam is voor stroomende waters; het Dokkumerdiep b. v., het Damsterdiep, het Reitdiep, enz. Zoo ook Deelstra. En tevens de geslachtsnamen Boornstra en Boonstra, naar de rivier de Boorn (Boarn, gewoonlik als Boan, Boon uitgesproken); Eestra en Iestra, naar de (Dokkumer-) Ee, volgens friesche uitspraak Ie (dit woord is de friesche weêrga van het algemeen nederlandsche A of Aa—zie bl. 242); Flietstra en Vlietstra, naar het woord fliet of vliet, in Friesland, als elders, aan eenige wateren eigen; Groustra en Grouwstra, enz. Maar het is eigenaardiger deze geslachtsnamen afkomstig te rekenen van de namen der plaatsen die aan deze stroomen liggen, en die daar mede den zelfden naam dragen. Te weten: van het dorp Oldeboorn, in de wandeling enkel Boorn (Boan) genoemd; van het dorp Ee of Ie, in Dongeradeel; van het Vliet, zoo als eene voorstad heet van Leeuwarden, en eene van Franeker; van het dorp Grou, enz. Zie bl. 206.