Title: Het kaatsspel
Author: Willem Westra
Release date: January 10, 2012 [eBook #38546]
Language: Dutch
Credits: E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
E-text prepared by
the Online Distributed Proofreading Team
(http://www.pgdp.net)
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het lied.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
dunne rode stippellijn,
waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
Het verschil in spelling van Frank van Berkhey is behouden.
Een extra verduidelijking is beschikbaar bij woorden die voorzien zijn van een dunne groene stippellijn.
Van de meeste illustraties is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.
HANDLEIDING MET HISTORISCHE
AANTEEKENINGEN EN KAATSZANGEN
DOOR
W. WESTRA
Voorzitter van den Nederlandschen Kaatsbond.
BAARN.
J. F. VAN DE VEN.
| Bldz. | |
| Inleiding | 7 |
| Eenige historische aanteekeningen | 15 |
| Eereprijzen en Kaatszangen | 25 |
| Uitlegging van het spel | 43 |
| Beschrijving van een partij | 57 |
| Aan de Kaatsers | 75 |
INLEIDING.
zong De Genestet, toen hij nog „jong en jolig” was en „'t groene veld hem meer trok dan het groene laken.” Dat spel was het raketten. Deze regelen zijn mede van toepassing op het kaatsen, dat Oud-Hollandsch balspel. Immers op den dag van den grooten wedstrijd van den Ned. Kaatsbond zijn reeds 's morgens vele honderden naar de kampplaats opgetrokken, die in den middag tot een 5000 tal zijn aangegroeid, om getuige te zijn van de meesterlijke slagen van Frieslands beroemde spelers. Er zijn er bij honderden, die zich in den morgen een plaatsje in de tribunes hebben uitgekozen, en tot des avonds 7 uur met onverdeelde aandacht het spel gade slaan.
Wie in het kaatsseizoen (April–October) in den kaatshoek onzer provincie komt, die zal verwonderd staan over het groot aantal personen en knapen vooral, die elken dag met groote ambitie dit aloude balspel spelen. In vele plaatsen van Friesland is het kaatsspel het openluchtspel. Het is dan ook of de bovenstaande regels van De Genestet voor het kaatsspel en zijne beoefenaars zijn geschreven.
Zooals de Griek zijn Olympische spelen had en de Engelschman zijn football heeft, zoo heeft de Fries zijn kaatsspel.
En de Friezen kennen hun beste spelers, zooals de Engelschman zijn beste footballspelers kent. Hun namen gaan in het speelseizoen van mond tot mond en ook de kaatsersroem van hen, die in vroegere jaren de corypheeën van het kaatsterrein waren, klinkt nog jaren daarna door Frieslands kaatserswereld.
Er was een tijd, en die tijd ligt verre achter ons, dat het kaatsspel hier te lande en elders, zelfs door koningen, graven en edelen hoog werd gewaardeerd. Doch niet alleen bij dezen stond het als een ridderlijk spel bekend, ook bij het volk was het niet minder hoog in aanzien. Kaatsten de heeren meer in de open of overdekte kaatsbanen, het volk beoefende het spel op openbare pleinen in dorp of stad. Veel is bij de wisseling der tijden veranderd en ook het kaatsspel heeft in die kentering gedeeld. Vroeger een algemeen bekend spel in Nederland en onder alle klassen der samenleving beoefend, is het kaatsgebied langzamerhand beperkt geworden tot Friesland, welks inwoners steeds lichaamsoefeningen in de openlucht, waarbij vlugheid, moed en kracht hoofdvereischten zijn, als de meest geliefde uitspanningen beschouwden. Het eigenaardig en frissche volkskarakter der Friezen spiegelt zich in dit aloude balspel nog ten duidelijkste af.
Terecht wordt in onzen tijd ingezien, dat gezonde en ongekunstelde volksspelen in het vrije veld een volk bewaren voor verweeking en voor verbastering van het karakter. Zonder iets te willen afdingen op de waarde van vele geïmporteerde spelen, moet ons toch de klacht van de lippen: „Waarom moeten die uitheemsche spelen de plaats innemen van onze echt Hollandsche spelen? Of vindt dit zijn oorzaak misschien in het bedroevend verschijnsel te willen bewonderen, wat uit den vreemde komt?” Zoo ja, dan zal zulks niet strekken tot hooghouding van ons eigenaardig en frisch volkskarakter. Voor alles gelde toch bij onze volksspelen de leuze: „Nederlandsch in Nederland.” Een echt Hollandsch balspel is het kaatsspel. Het wordt gespeeld op 't vrije veld of op een plein in stad of dorp. Aan de beoefening er van is een minimum van kosten verbonden. Met een bal van 10 cent speelt men verscheidene partijen, en met weinig omslag is het speelterrein in orde. In vele plaatsen zelfs ligt het speelveld altijd gereed; (de kaatsbuurt). In dit opzicht verdient het ook de voorkeur boven die spelen, voor welker beoefening duur materiaal moet worden aangeschaft, of waarbij schittering van kleeding mede een rol speelt.
Elke Friesche kaatsersknaap draagt in het speelseizoen een kaatsbal in zijn zak; spoedig is onder de jongens een partuur gevormd en vóór en na schooltijd ziet men ze op de speelvelden druk in de weer den bal te hanteeren. De Friesche knaap is dan de beste type van Hildebrands „Hollandsche Jongens”.
Zie in uwe verbeelding eens die Friesche knapen op de groene weide of op het speelplein, zie die jonge en krachtige mannen als moedige en onversaagde athleten den sterken arm uitgestrekt, 't lichaam schuins, vóór- of achterwaarts gebogen, den scherpen en vasten blik beurtelings op den tegenstander en den kaatsbal gericht. Dit balspel is een bij uitstek gymnastisch spel, het oefent oog en hand, maakt wakker, wekt zelfvertrouwen, staalt de spieren, versterkt het hart, maakt de longen veerkrachtig, in 't kort bevordert eene goede gezondheid. Het is een onophoudelijk springen, werpen, buigen, strekken en loopen, en met welk een behendigheid wordt de bal, hoog in de lucht of laag bij den grond, verscheidene meters ver geslagen.
Waar er nu in onzen tijd de nadruk op wordt gelegd, dat niet alleen gestreefd moet worden naar de bevordering van openluchtspelen ten bate van de jongens en de jongelieden uit den gegoeden stand, maar ook en in veel hooger mate nog van die uit de mindere standen, daar meenen wij, dat ook voor deze laatsten even goed als voor de eersten het kaatsspel het aangewezen openluchtspel is. Daarbij is het niet ingewikkeld, maar toch een spel vol afwisselingen. Het wordt meestal gespeeld 3 tegen 3; soms ook 2 tegen 2 of één tegen één. Het kan echter even goed ook 4 tegen 4 gespeeld worden, de regel is evenwel 3 tegen 3, wat de sterkste formatie is.
De lichamelijke ontwikkeling van alle lagen der maatschappij is een volksbelang. Blijkens de posten, uitgetrokken op de Staatsbegrooting voor 1910, als subsidies aan het Ned. Gymnastiekverbond, het N. O. Genootschap, den Ned. Bond voor Lichamelijke Opvoeding, wordt zulks door de Regeering erkend. Naar onze meening kunnen ook de gemeentebesturen niet langer achterwege blijven om steun te verleenen, en moet van gemeentewege een terrein beschikbaar worden gesteld, waarop de jeugd en de jongelingschap zich dagelijks met het spel vermaken kan, wat tot heil der lichamelijke ontwikkeling van „Jong Nederland” strekken zal.
Dikwijls wordt er in onzen tijd geklaagd over verwildering der jeugd. Geeft haar de speelterreinen van vroeger terug, en de klachten over de „baldadigheid van den koning der straat” zullen zeker afnemen.
In sommige dorpen van onzen kaatshoek is een plein, aldus geplaveid, dat het kaatsveld steeds tot spelen gereed ligt. Het perk is daarbij aangewezen door een rij van roode klinkers, terwijl het terrein overigens met gele klinkers is gevloerd. Deze pleinen of kaatsterreinen worden door de gemeente onderhouden.
De plaats onzer inwoning bezit een weiland in de stad, het terrein, waar Franeker's bekende groote kaatspartij wordt gehouden. Het gemeentebestuur stelt dit terrein gedurende het speelseizoen ter beschikking van de kaatsminnende jeugd en de jongelingschap, elken dag na 12 uur.
Hieruit blijkt, dat het kaatsspel steeds in onze provincie een zeer populair spel is geweest.
Door de toenemende bevolking en de daarmee gepaard gaande aanbouwing, werden in vele plaatsen de pleinen aan het spel onttrokken. Ook werd door sommige gemeentebesturen het kaatsen binnen het dorp of de stad verboden, hetwelk in die plaatsen noodlottig is geweest voor den bloei van het aloude balspel.
In onzen tijd van opleving der openluchtspelen treedt ook het kaatsspel weer meer naar voren. Door de organisatie en het streven van den Ned. Kaatsbond worden in vele plaatsen der provincie kaatsclubs opgericht, die òf op een buurt òf op een weiland hare oefeningen houden.
Een eigenaardig verschijnsel doet zich bij de vorming dezer clubs voor. Terwijl toch bij vele sportvereenigingen het standenverschil naar voren treedt en in een zelfde plaats onderscheiden clubs gevormd worden, omvatten onze kaatsclubs de leden van elken stand. De landbouwer en zijn arbeider, de timmerbaas en zijn knecht, de onderwijzer, de ambtenaar, de dokter, de werkman en de burger spelen samen als leden eener zelfde vereeniging op het groene veld of het kaatsplein.
Een landbouwer en twee zijner arbeiders speelden vele malen in één partuur; de dokter, het hoofd der school en de timmerbaas van 't zelfde dorp kaatsten nog dit jaar op de Bondspartij.
Zulks kan niet anders dan een gunstigen invloed uitoefenen op de verhouding van de onderscheiden standen in een zelfde plaats. Het versterkt bovendien de nationale eenheid, waar de protestant, de katholiek, in 't kort, lieden van verschillende godsdienstige richting samen spelen onder 't zelfde vaandel.
Het spreekt van zelf, dat een spel als het kaatsspel, hetwelk weleer door geheel ons vaderland met groote voorliefde en door alle standen beoefend werd, niet zonder invloed is geweest op de taal des volks. Tal van uitdrukkingen hebben haren oorsprong aan dit spel te danken. Hier volgen er eenige:
Hij maakt een bovenslag of dat was een bovenslag; zij kaatsen elkaar de ballen toe; wie de kaats verliest, moet de ballen betalen; de beste kaatser slaat wel eens den bal mis; wie kaatst, moet den bal verwachten; elkaar prippers (slecht uit te slagen ballen) geven; hij slaat voor baas (eerste opslager) op; dat was een buitenslag; dat was een kwaadslag; elkander den bal toewerpen, enz. enz.
Bij Harreboomee vonden wij nog enkele uitdrukkingen of spreekwoorden, die in onzen tijd niet meer gebruikt en verstaan worden, zooals:
Hiermee is de bal afgekaatst; de kaats is mijn; hij weet die kaats wel te teekenen; teeken die kaats (let daarop) keer die kaats; het was een heel gewonnen spel, dan in 't laatst gaf hij de kaats; die van het dak niet kaatsen kan, blijve uit de baan; geef mij kaatsruimte, enz.
Vondel zegt in den lofzang van den Christelijken ridder:
En bij Cats:
Terwijl in de laatste jaren onderscheiden balspelen in ons land werden ingevoerd, en het nut van openluchtspelen allerwege wordt ingezien, werd reeds sedert eeuwen op den Vaderlandschen bodem, in de provincie Friesland, een balspel gespeeld, hetwelk in alle opzichten waard is zijn oude plaats in de rij der vaderlandsche spelen weer in te nemen.
Moge dit openluchtspel bij uitnemendheid meer en meer beoefenaars en voorstanders vinden, waar men in onzen tijd steeds meer doordrongen wordt van 't groote belang der oefening van 't lichaam, ook op de ontwikkeling der hoogere vermogens van den geest: „den wil, het karakter, den moed, de tegenwoordigheid van geest, de scherpzinnigheid”.
Ons wil het voorkomen, dat dit aloude balspel alleszins waard is weder in de nationale zede door te dringen, omdat het kan bijdragen tot verhooging van de volksgezondheid, tot ontwikkeling van den volksgeest, tot veredeling en versterking van het volkskarakter.
Eenige historische aanteekeningen.
Naar men meent, is het kaatsspel hier te lande door de Romeinen ingevoerd. Deze zouden het overgenomen hebben van de Grieken, door wie onderscheidene balspelen beoefend werden. Bij de Spartanen werd het balspel als een belangrijk onderdeel der gymnastiek beschouwd, terwijl ook de Atheners het met voorliefde beoefenden. Onder die Grieksche balspelen waren er vier spelen met een kleinen bal. Een dier spelen schijnt veel overeenkomst gehad te hebben met ons kaatsspel. Ook de Romeinen speelden met een bal „trigonalis” genoemd, waarmee men vrijwel op dezelfde wijze speelde als tegenwoordig nog met den kleinen kaatsbal. De onaanzienlijken speelden in de open lucht en op de straten en pleinen van het oude Rome, een „fatsoenlijk” Romein in het „sphæristerium”, eene overdekte baan.
Dergelijke kaatsbanen werden in lateren tijd in verschillende Europeesche landen aangetroffen. We herinneren aan de kaatsbaan van Versailles, waar de bekende eed van 1789 werd uitgesproken. In het Jeu de Paume speelden de Bourbons met den Franschen adel en hunne hovelingen en menige vermaarde partij werd daar gespeeld.
Koning Hendrik IV van Frankrijk en zijn minister Sully muntten bijzonder in het kaatsen uit, ofschoon de eerste volgens de overlevering een onpleizierig speler was. Wanneer hij een partij verloor, schold hij zijne medespelers uit. Vóór hem was koning Frans I niet minder groot liefhebber van het kaatsspel. De overlevering vertelt van hem de volgende anecdote: „Op een dag, dat hij in partuur met een monnik kaatste tegen twee voorname heeren, werd de strijd beslist door een meesterlijken bovenslag van den monnik. Uitgelaten van vreugde riep de koning: „Dat is een prachtige monniksslag”. „Met uw verlof,” hernam snedig de monnik, „dat was de slag van een abt”. En de koning schonk hem later de eerst opengevallen abdij.”
Nog heden ten dage wordt het kaatsspel, vooral in Noord-Frankrijk, veel beoefend.
Ook in Spanje en in België vooral wordt het kaatsspel nog in onzen tijd druk gespeeld. Ook in die landen trof men in vroeger eeuwen kaatsbanen aan. Opmerkelijk mag het heeten, dat dit aloude balspel zich heeft gehandhaafd in de kustlanden van de Noordzee en den Atlantischen Oceaan.
In den nazomer van 1903 werd door de Spaansche kolonie te Parijs, die zeer talrijk en zeer rijk is, gepropageerd voor het „Pelote Basque”. Het wordt gespeeld op den fronton te Neuilly, even buiten de vestingwerken, met 't gevolg dat de fronton in de rue Borghese een plaats van samenkomst is geworden voor de aanzienlijke Spanjaarden. Bij dit spel wordt de bal door middel van een handnap tegen den muur geslagen en als hij terugkomt, moet hij door de tegenpartij teruggeslagen worden. Het spel moet een groote behendigheid vereischen, maar is niet zonder gevaar. In de Spaansche kustprovinciën langs den Atl. Oceaan wordt dit spel mede nog gespeeld; (de Baskische provinciën; vandaar de naam Pelote Basque.)
In het Fransche kaatsspel zijn twee slagen spreekwoordelijk geworden: de linksche slag van den hertog van Nemours, (deze was linksch en muntte vooral uit in prachtige bovenslagen), genaamd „de slag van Nemours”; mede „de slag van Orleans”, een reuzenslag tot boven aan het dak der kaatsbaan, van Philippe-Egalité.
Ook Karel X speelde als graaf van Artois dikwijls in de kaatsbaan. Thans wordt het kaatsspel in Noord-Frankrijk nog beoefend door de volksklasse en den burgerstand. Het meest wordt daar gespeeld het „Jeu au tamis”, waarbij de opslager den bal laat afstuiten op een trommel, met een vlies overspannen, om den opstuitenden bal met de gehandschoende hand naar het perk te drijven; de perkslagers hebben een napvormigen handschoen en trachten den opgeslagen bal terug te drijven. Meesterlijk wordt de kleine, harde bal dikwijls een verbazend eind hoog in de lucht teruggeslagen.
Dit kaatsspel met de zeef werd ook in ons land vroeger veel gespeeld. In 1780 werd het kaatsspel in dezen vorm veel in Holland beoefend, zooals Franck van Berkhey in zijn „Historie van Holland” ons mededeelt. Bij den opslag gebruikte men toen in Holland een zeef, een rond net van gevlochten snaren, trommelsgewijze gespannen, rustende op drie pootjes en een weinig schuin van den grond verheven. Frank van Berkhey zegt, dat omstreeks 1780 het aloude kaatsspel was gedegradeerd tot een boerenspel, maar erkent, dat het een van de vernuftigste en vermakelijkste spelen van dien tijd was. Het is, zegt hij, een recht manlijk en gezond spel, en vereischt een vlugge gestalte, benevens stevige, vereelte vuisten.
Evenals in ons vaderland reeds langen tijd niet meer aldus beoefend, verdwijnt deze wijze van kaatsen ook meer en meer in Frankrijk en bij onze buren de Belgen, het rijk alleen overlatende aan het „Jeu de Pelote”, dat met uitzondering van eenige afwijkende spelregels en afwijkenden vorm van het perk, vrijwel overeenkomt met het huidige Friesche kaatsspel. Van daar dan ook, dat de Belgen en Friezen elkaar jaarlijks op de Friesche kaatsvelden komen bestrijden, zooals te Sneek en te Leeuwarden.
Zooals wij reeds hiervoor opmerkten is het kaatsspel hier te lande ongetwijfeld door de Romeinen ingevoerd.
Van oudsher althans is het hier bekend, zij het ook in anderen vorm en volgens andere regels. In „Ulrich de Zanger” (Onze Voorouders van Van Lennep) lezen wij anno 1048: „De kaatsbaan was wel is waar op dit oogenblik verlaten, maar des te drukker ging het schieten naar den vogel zijn gang” (in de omstreken van het kasteel te Vlaardingen). In de grafelijke en hertogelijke rekeningen der 14de eeuw vinden we het kaatsspel vermeld. Zoo vinden we opgeteekend, dat Jan van Blois „vercaetste jeghens hertoghe Aelbregt 50 mott”, en met Jan van Heenvliet tegen denzelfden hertog 16 mott. In 1364 vermaakte hij zich te Dreischor en Goes met „caetzen” en liet te Quesnoi „twee foletten, om mede te caetzen”, koopen.
Ook vercaetste hij geld jegens heer Franke van Borssele, Janne van den Oestende en anderen te Haarlem. Willem van Oostervant verspeelde in 1398 „up een kaetsspel tot Staveren”, zijn tuyn, dat is zijn gouden halsketen, die hij met 26 Fransche kronen weer inloste. Deze Willem van Oostervant, later graaf Willem VI, was een hartstochtelijk kaatser.
De weelderige hertogen van Bourgondië vermaakten zich dikwijls met den kaatsbal en ook hertog Karel van Gelre was een groot beminnaar van het kaatsspel. Dat er in den tijd van Karel van Gelre geenszins „om des keizers baard” gespeeld werd, blijkt uit een door Hofdijk meegedeelde aanteekening van des hertogen rentmeester Bar-le-duc, bij gelegenheid, dat de hertog naar Frankrijk reisde: „In den heiligen daigen van Paeschen m.g. Heren gegeven die sijne genaede verkatz hadde VIIJ sonne kronen, maickt XXIIIJ gl. X st.”
De edelen in de middeleeuwen gaven, wanneer ze hunne onderzaten op een feest wilden onthalen, dikwijls een „kaatsbal”, d. w. z. eene kaatspartij, met al wat daarbij behoorde, vrij gelag incluis. Zoo betaalde de rentmeester van Buren in 1469 eene zekere som voor „den kaetsbal, die mijn gen. Here die gesellen gaff, dat si kaetsen solden, dat hij 't aensach om den tijt te verdriven”.
Filips de Schoone was een groot liefhebber van 't kaatsspel, zooals de historie vermeldt. Na op zekeren warmen dag wederom druk gekaatst te hebben, dronk hij, hoewel zeer bezweet, te veel koud water, wat hem het leven kostte (1506).
Te midden der Staatszorgen, in 1566 zelfs, vergaten de leden van den adel het kaatsen niet en toen de Markgraaf van Bergen op 't punt stond met Montigny naar Spanje te vertrekken, werd hij bij 't spelen in de kaatsbaan zoodanig aan den voet gekwetst, dat hij de reis eenige dagen moest uitstellen.
In 1547 was te Arnhem op 's Heeren Hof een kaatsbaan aangelegd en deze werd toen en later door de ridderschap zoo ijverig bezocht, dat men in 1583 den jonkers verweet dat zij in plaats van de Kwartiersvergaderingen bij te wonen en 's Lands belangen te helpen behartigen, hun tijd doorbrachten „in den balspill op 't Hof”.
Prins Maurits hield ook veel van kaatsen en men zou zeker meenen, dat hij, de krijgsman, nog minder dan de Geldersche jonkers om wind en weer gegeven zou hebben en toch beviel 't hem niet, dat de Arnhemsche kaatsbaan open was; op zijn verzoek werd er een dak opgezet. En Hooft vertelt in zijne „Nederlandsche Historiën”: Toen op Vrijdag den 2 October 1587 in Amsterdam vrij onverwacht de tijding kwam, dat men binnen weinige uren een bezoek van Leicester stond te wachten, was alles in de weer om de noodige schikkingen tot ontvangst te maken. De Stadsbode klopte ook aan bij den schepen en burgerhopman Jan Hooft, die echter niet thuis was. Maar des schepens huisvrouw wist wel „waar zijn uithof was” en stuurde den bode naar de kaatsbaan. Als in de 17e eeuw een knecht zijn heer zocht, liep hij „kaetsbaan in, kaetsbaan uit”.
Ook de geleerden van vroeger dagen wisselden dikwijls de studeerkamer met de kaatsbaan af. O. a. was de beroemde professor Van Swieten er een groot liefhebber van en oordeelde hij het voor den mensch een zeer gezonde uitspanning, evenals de Hooggeleerde Adrianus van Rooijen en Erasmus, die het als een gezond nationaal spel in hun Latijnsche dichtmatige redevoeringen voordroegen.
Werd het kaatsen bij de edellieden als een ridderlijk spel beschouwd, niet minder hoog in aanzien stond het bij het volk. Dit kaatste echter niet in de kaatsbanen, maar op de straten en pleinen van dorp en stad. Bij de toenemende bevolking en bebouwing begon men in de steden overlast van het kaatsspel te krijgen, en van de andere toen in gebruik zijnde spelen, zoodat zoogenaamde „keuren” werden uitgevaardigd. In de 14e eeuw o. a. te Amsterdam:
„Nyemant moet kaetsen mit ballen noch mit ballen slaen binnen de vrijhede van der stede”.
Albrecht van Beieren stond aan de Brielenaars het kaatsen toe alleen buiten de veste. In andere plaatsen was men minder streng—misschien wel omdat de liefhebberij zoo groot was, dat een verbod aanleiding zou hebben gegeven tot groote onaangenaamheden. Het volk, dit begreep men—en men begint het in onzen tijd meer en meer in te zien—moest zich in een gezonde lichaamsoefening ontspannen. Maar toch het kaatsspel werd evenals het kolven en het clootschieten beperkt, hier tot enkele straten of pleinen, daar tot zekere uren.
In den jare 1390 bewees graaf Albrecht van Beieren aan de Haarlemmers de bijzondere gunst hun een speelveld ten geschenke te geven, en wel de baan, een ruim veld tusschen den grooten en den kleinen Houtweg, om daarop te gaan „spacieren en balslaan en recreatie te nemen”.
In de Amsterdamsche keuren van de 15e eeuw vindt men vermeld, dat het kaatsen in de Nes verboden werd, tengevolge van de klachten der kloosterlingen, die door het kaatsen, kolven en clootschieten bij hun muren, in hun aandacht gestoord werden.
Ten slotte willen wij hier nog enkele Friesche keuren vermelden. Bij een ordonnantie van den 12 Februari 1566, uitgevaardigd te Leeuwarden, werd aan een iegelijk verboden „wye hy sy, hem te vervorderen met colff ende bal te slaene, noch oick met ballen ofte clooten te schieten, hoedattet sy, binnen deeser steede Leeuwairden, 't sy op kerckhoven, 's Conincx plaetsen of te andere straeten, waer dattet sy, by pene voer d'eerste reyse te verbeuren, die contrarie bevonden wert te doen, veerthien stuvers, die andere reyse een gouden gulden, ende die derde reyse by arbitraele correctie”. In 1580 gaf de regeering van Leeuwarden bij eene publicatie de waarschuwing: „Ende sal neymant so wel olde als jonge personen, op de kerckhoven, noch in de kercken noch kloosters speelen, noch balslaen, by pene van 't ouersten kleet, in te lossen met seuven stuvers.”
Den 21 September 1594 publiceerden Burgemeester en Raden van Franeker o. a.: dat het kaatsen op de stadsplaats onder de predicatie verboden was: „by poene van apprehensie en aan een der palen daartoe verorderd gesteld en zekeren tijd lang gesloten te worden”.
Bij placaat der Staten van Friesland van 20 Juli 1667 werden alle ingezetenen geordonneerd „op de voorschreven dagen, voornamentlijck onder de predicatiën, niet in de herbergen te gaen drincken, noch mit kaerten en andere spelen zich te exerceeren, alsmede van kaetsen, balslaen, clossen en anderen diergelijcke exercitiën en spelen sich te onthouden, op poene van twalef caroli-guldens, 't elckens te verbeuren,” enz. Dit placaat werd nader bevestigd bij een dito van den 20 Juli 1676 en nog later bij een dito van den 29 April 1699.
Nog in de 17de eeuw vond men in vele steden van ons land een kaatsbaan, zooals te Franeker in de Molensteeg, waar de studenten speelden (1632); te Leeuwarden in de Baghijnestraat, te Amsterdam, Dordrecht, Arnhem, Den Briel, enz.
In de 18de eeuw schijnt het aloude spel meer op den achtergrond gedrongen te zijn. De heeren hadden de kolfbaan boven de kaatsbaan gekozen. In Friesland echter is het steeds het geliefde spel, van den boerenstand vooral, gebleven en niet minder van den burgerstand in de dorpen, terwijl het thans ook weder in Leeuwarden, Bolsward, Sneek, Dokkum en Harlingen gespeeld wordt, evenals in Franeker, waar het altijd bestaan heeft.
In een opstel „De frissche lucht” zegt de bekende Friesche schrijver en dichter, Dr. J. H. Halbertsma:
„Het kaatsen is eene oefening, die vlugheid en kracht in de hoogste mate vereenigt. In een open weiland, bij droog weder gespeeld, dus in de vrije lucht, moest dit spel de vlugheid en de kracht van het Nederlandsche ras krachtdadig bevorderen. En wanneer ik dan denk, dat wij voor dit athletenwerk den biljartbal in de plaats hebben gekregen, kan ik mij alweder eene der redenen verklaren, waarom onze handen en krachten zooveel „jufferlijker” zijn geworden dan die onzer vaderen.” En waar moet het met de wereld heen, als we allen juffers worden? vraagt Halbertsma.
We hebben dus gezien, dat het aloude balspel, het kaatsspel, om zich heeft vereenigd vorsten, graven, hertogen, geestelijken zelfs, geleerden, burgers en voorname lieden, ambtenaren en werklieden.
Maar de tijden zijn veranderd en wij met hen. Dat dit aloude spel alleszins waard is weer in zijn oude eer en zijn ouden luister hersteld te worden, is buiten twijfel.
De machtige organisatie, de Ned. Kaatsbond, die ruim 10.000 leden omvat, streeft op loffelijke wijze naar dit doel.
Eereprijzen en Kaatszangen.
Weleer bestonden de prijzen bij de kaatswedstrijden uit zilveren ballen, zilveren lepels, zilveren tabaksdoozen enz. Dat die prijzen zeer gewaardeerd werden, blijkt uit het feit, dat nog heden ten dage in vele families deze zegeteekenen bewaard worden als eene herinnering aan de kaatscorypheeën van dien tijd. In het Friesch museum zijn mede van deze fraaie zilveren eereprijzen te vinden.
Van de oude zilveren ballen is de meest bekende „de ouwe griep” (Bildtsch dialect) of „de âlde gryp” (Friesch) te Lieve Vrouwen Parochie (Bildtsch dorp).
Het was op 24 Aug. 1794, dat te Beetgum deze bal verkaatst werd. Eenige gardeniers uit dat dorp hadden hem als prijs uitgeloofd. Zijn naam „Ouwe Griep” ontleent hij aan de teekening, die er op voorkomt: „een man met een grijp”. (Een grijp is een landbouwwerktuig, gebruikt bij het rooien van aardappelen, een product, daar veel verbouwd). Niet alleen Beetgumers, maar ook de beste spelers uit den omtrek namen aan den wedstrijd deel. Na menig spannende partij werd ten slotte de bal gewonnen door drie spelers uit het dorp „Vrouwbuurt” (L. V. Parochie); nl. Hindrik Faikes, Taeke Johannes en Krelis de Boer.
Des avonds begaven de winnaars zich naar de dorpsherberg om den bal in ontvangst te nemen, doch vele Beetgumers, die het kwalijk verkroppen konden, dat deze mooie prijs naar elders zou verhuizen, maakten aanmerkingen op het spel der Vrouwbuurtsters en beweerden, dat dezen den bal niet eerlijk hadden gewonnen. Het gevolg daarvan was, dat het weldra tot handtastelijkheden kwam. Een der Vrouwbuurtsterspelers, die den bal in ontvangst genomen had, sprong uit een raam der bovenverdieping, kwam nog al gelukkig beneden, zette het op een loopen en verschool zich in een waterstoep. Ondertusschen werd de vechtpartij in de herberg voortgezet, en de andere Bildtkers moesten, door de overmacht genoodzaakt, mede hun heil in de vlucht zoeken. Nadat ze een eindweegs achtervolgd waren, kwamen de overwinnaars, door slooten en over bouw- en weiland vliedende, behouden met den Eereprijs in hun dorp aan. Sedert dien bewaart men „de Ouwe Griep” als een zegeteeken aan den Beetgumer tocht. De overwinnaars gaven hem aan hun dorp ten geschenke en sedert 1796 wordt hij elk jaar op den eersten Zondag na Vrouwbuurtster (met kermis) onder de inwoners verkaatst. Dan is het een feestdag in dit Bildtsche dorp.
De eerste dorpspartij had plaats op 22 Augustus 1796.
Uit het dak van de herberg van Harmen Keimpes hing toen de bal in een netje zoo hoog, dat er geen gevaar was, om door de Beetgumers weggenomen te worden, waarvoor men nog steeds vreesde. Tevens werd er een wacht bij geplaatst, hetgeen nog vele jaren daarna geschiedde.
Eénmaal is de bal zoek geweest; de winnaar of beter de bewaarder van den bal had hem in den winter bij geldgebrek in den lombard gebracht, waar hij spoedig weer werd uitgelost. In 1894 was de bal een eeuw in het dorp geweest, bij welke gelegenheid men op den meergemelden dag flink feest gevierd heeft. Hoevele beoefenaars van het kaatsspel hebben in deze jaren om hem gestreden, in hoeveel kamers heeft hij niet als een sieraad en ten trots der overwinnaars gehangen!
Als blijk van hooge ingenomenheid met het aloude Friesche volksspel, vereerde de Commissaris des Konings in deze provincie in 1883 aan de Franeker kaatspartij een fraaien zilveren bal als Koningsprijs.
De eene zijde van dezen fraaien gedreven bal bevat het wapen van Harinxma thoe Slooten, terwijl de andere zijde eene voorstelling van de kaatspartij geeft. Op den bal staan de volgende inscripties:
„Vereerd door Mr. Binnert Philip Baron van Harinxma thoe Slooten, Commissaris des Konings van Friesland, ter gelegenheid van de feestelijke herdenking van het 30-jarig bestaan van de kaatspartij te Franeker.”
De andere inscriptie heeft betrekking op het kaatsspel, en is van de hand van den heer J. v. Loon, toen lid van Ged. Staten van Friesland. Zij luidt in 't Friesch aldus:
Een der drie winnaars van het partuur wordt door zijn makkers als koning aangewezen. Deze heeft het recht den bal als koning van de partij te dragen bij den optocht na afloop van dezen strijd en 't volgende jaar bij den optocht naar 't kaatsterrein. Daarna komt de bal weer in het bezit van de Commissie der Kaatspartij, welke hem deponeert op de oudheidkamer van 't stadhuis alhier.
Ook de Leeuwarder kaatsclub bezit een zilveren bal.
In 1908 werd te Brussel een wedstrijd gehouden tusschen 2 sterke Friesche en 2 krachtige Belgische parturen. Door den koning van België was als koningsprijs uitgeloofd een prachtige zilveren bal met vergulde kroon.
De Friesche spelers waren overeengekomen om dezen bal, zoo zij de winnaars in dezen kamp mochten worden, ten geschenke te geven aan de Leeuwarder kaatsclub, welker bestuur hen op dezen tocht geleidde. De zege werd behaald door de Friesche kaatsers, en één hunner, de kaatser Reinder Anema, lid van de Leeuwarder club, werd als koning uitgeroepen, daar hij den beslissenden slag geleverd had. Getrouw aan de overeenkomst, stelde deze bij terugkomst in Friesland den bal ter hand aan 't bestuur zijner club.
Daarna is op den bal de volgende inscriptie aangebracht:
Indien de Leeuwarder club hare groote jaarlijksche kaatspartij houdt, wordt deze eereprijs gedragen door den kaatskoning van 't vorige jaar.
De vermaardste Zilveren bal in de Nederlandsche kaatssport is de Mulierprijs, de groote Zilveren Wandelbal van den Ned. Kaatsbond, welke op de groote Bondspartij jaarlijks de Eereprijs is.
Deze Wandelprijs, die in 1900 op de Bondspartij in het dorp Witmarsum, de geboorteplaats van den geachten schenker W. J. H. Mulier, zijne wandeling begon, is de groote attractie van dezen wedstrijd. Reeds weken te voren is de strijd om dezen Wandelbal het onderwerp der gesprekken in de kaatswereld. Dezen bal te winnen, geldt voor de hoogste eer in de kaatssport.
Beschrijving van den bal:
Op de bovenste helft is gegraveerd een Friesch landschap, terwijl op een vrij veld twee kaatsers staan. Een bal vliegt door de lucht; opgeslagen door den eenen speler, moet hij door den tegenstander worden teruggeslagen. De benedenhelft is versierd met klaverbladen en klaverbloemen „en relief,” als symbool van het vrije veld, waarop het spel gespeeld wordt. Aan den rand van het inschrift hangen in ruitvormige zilveren plaatjes de wapens der elf Friesche steden. De bal is bevestigd aan een fraai lint in de nationale kleuren. Hierop zijn in ruitvormige zilveren platen aangebracht de wapens der vroegere kwartieren van Friesland: Oostergo, Westergo en Zevenwolden. Op den band, die halverwege om den bal heenloopt, staat het volgende inschrift van den Frieschen bard W. Faber: