Gaan de jongens zich op een ongeplaveid plein in stad of dorp vermaken met den kaatsbal, zoo worden eenige lijnen met een mes getrokken of met een stuk krijt en in een ommezien is het terrein gereed. Bij een klinkerplaveisel zijn de spellijnen door roode klinkers aangeduid, zoodat dit terrein steeds voor het spel gereed ligt.
Jong Friesland viert jaarlijks onder het patronaat van het hoofdbestuur van den Ned. Kaatsbond een mooi kaatsfeest in het vriendelijk dorp Wommels, gelegen tusschen Franeker en Bolsward.
De prijzen van deze partij bestaan uit 3 gouden en 3 zilveren horloges, welke telken jare worden vereerd door jonkvrouwe C. J. de Vos van Steenwijk, voor enkele jaren inwoonster van Wommels. De leeftijd der jongens is bepaald van 13–16 jaar, terwijl de parturen uit dezelfde plaats afkomstig moeten zijn. Zoo is deze partij van Jong Friesland een Bondspartij in het klein, de kweekschool tevens voor den grooten Bondswedstrijd.
Groote emotie onder de dorps- en stadgenooten als de beslissende partijen gespeeld moeten worden. Het geheele publiek leeft mede, gaat op in de partij, een hoera stijgt op uit de rijen der kaatsmakkers, als hun dorps- of stadgenooten de schoone Freuleprijzen hebben gewonnen.
Met welk een aandacht volgen de vaders der knapen elken op- of uitgeslagen bal, tevreden glimlachend als ze vooruitschieten, bedremmeld kijkende als ze achterop geraken, ze aanmoedigende tot den einde toe, wetende dat de kans spoedig keeren kan. En wie ze zoo ziet strijden met moed en volharding, loyaal elkaar straks de hand drukkende, krijgt eerbied voor de Friesche Spes Patria, voor het schoone ongekunstelde spel op Frieschen bodem.
Zooals wij in onze historische aanteekeningen reeds opmerkten, werd ook in België en in Frankrijk sinds overoude tijden gekaatst. De Romeinsche soldaten zouden het ook daar ingevoerd hebben. De adel beoefende vooral het spel en in Parijs waren in de 18de eeuw nog vele meesterkaatsers. Men speelde er voorheen met de bloote hand als bij ons. Later is de handschoen in gebruik genomen, ook bij de Belgen.
De Fransche revolutie gaf den genadeslag aan het eens zoo bloeiende kaatsspel. In Parijs werden de kaatsbanen gesloten en in 1825 verdween daar de laatste. Met het tweede Keizerrijk beproefde men in 1861 het spel weder te verheffen en werd het in den tuin der Tuilerieën gespeeld op het prachtig terras der Feuillantijnen. Een tweede poging werd in 1866 gedaan, doch het mocht niet baten. Parijs verloor de ambitie in het spel der voorouders. In Noord-Frankrijk en in België wordt het echter nog druk beoefend; het jeu au tamis verdwijnt meer en meer, om het veld alleen over te laten aan het „Jeu de pelote”.
De teekening, die hierbij gaat, geeft de Belgische benamingen aan. De Belgen onderscheiden 2 perken, het perk van den opslag en het perk van den uitslag; het kleine en het groote perk. Een partuur bestaat uit 5 spelers, die zich in de beide perken ongeveer opstellen, als de teekening aangeeft.
(De plaats der kaatsers hangt ook hier af van de plaats der kaatsen en van den slag). De zwaarste plaats in het uitslagperk is het „grand milieu”, waar de sterkste speler staat. Ook hier heeft men bij 't perk de benaming vóór—buiten—kwaad.
• 1, 2, 3, 4 en 5 zijn in het opslagperk; × 1, 2, 3, 4 en 5 in het uitslagperk.
Aan elke zijde van de bovenlijn (outre) zijn seinpalen (vlaggetjes) geplaatst, om aan te geven of de ballen àl of niet tellen. De perkspelers zijn voorzien van een leeren handschoen; de livreurs spelen met de bloote hand.
Aan weerszijden van het perk neemt een marqueur plaats, die de punten telt. Elke slag is 15 punten. 4 slagen maken 60 punten: dit heet een spel.
De partij wordt gewoonlijk in 13 spellen gespeeld met een rust na het zevende spel. De kaatsen ontstaan evenals bij het Friesche spel bij onbesliste ballen; bij het Belgische spel wordt een kaats ook aangemerkt in het uitslagperk. Om die kaats te winnen moet de tegenpartij den bal verder slaan dan het kaatsblokje. Is deze kaats achter in het perk, dan stellen alle vijf spelers zich op achter in het perk bij die kaats. Deze plaats der kaatsen is het meest kenmerkende verschil tusschen het Friesche en het Belgische spel.
Bij het Jeu de Pelote moeten alle uitslagballen en ook de terugslagballen blijven binnen de afgelijnde perken. Worden ze in de vlucht er over geslagen, dan zijn het verloren slagen voor 't partuur, dat den slag doet; de tegenpartij maakt daarmee winstpunten. Bij het Friesche spel is de terugslag over de zijlijnen niet kwaad.
Elk der livreurs slaat een spel op, zoodat alle 5 spelers den opslag om beurten hebben. Overigens komen de beide spelwijzen veel met elkaar overeen, zoodat een internationale kamp op beide manieren mogelijk is. De Belg gebruikt bij den opslag slechts één hand. Zijn opslag is daardoor bij lange na niet zoo krachtig als die van den Fries. Daarentegen is zijn uitslag zeer schoon en maakt hij dikwijls Herculesslagen. Met de krachtige, snelle en stijve ballen der Friezen is hierop de kans geringer.
Waar vijf tegen vijf spelen is de actie grooter, het veld meer bezet, wat aan 't oog der toeschouwers meer levendigheid oplevert. Hier staat tegenover, dat het spel over 't geheel minder krachtig is ten opzichte van den speler persoonlijk.
Dit is duidelijk merkbaar, als de Friezen en de Belgen tegen elkaar spelen in parturen van drie tegen drie, op Friesche wijze dus. In plaats van vijf, zooals bij hen, moeten er nu slechts drie het veld beslaan en het werk in perk en opslag verrichten.
Waar het spel zich daarbij over verscheiden parturen uitstrekt, hebben de Friezen meer ausdauer, wat natuurlijk een gevolg is van hun spelwijze.
Elegant in zijn houding, vlug in zijn beweging over het veld, bewegelijk van aard in het spel, opgewekt in den kamp, wordt de Belgische speler gaarne op de Friesche kaatsvelden gezien.
In den uitslag over 't geheel sterker dan de Friesche kaatser, is hij in den opslag verre de mindere, wat hem de partijen tegen de Friezen gewoonlijk doet verliezen. Ook het verschil in grootte tusschen den Frieschen en den Belgischen bal is hierbij voorzeker niet zonder invloed. De ontmoetingen leerden steeds, dat de Friezen in hun spel, de Belgen in het Jeu de Pelote de sterksten zijn.
Kaatsbaan (1780).
Het kaatsen, eene der oudste en der natie eigen lichaamsoefeningen, was in vroegeren tijd zoo algemeen, dat men in de steden overdekte en gepriviligeerde kaatsbanen had. In zijn „Historie van Holland” beschrijft Francq van Berckey zulk eene kaatsbaan en geeft daarbij eene verklaring van het spel, zooals het omstreeks 1780 in Holland gespeeld werd.
De kaatsbanen besloegen altoos een vrij groot plein en waren des te beter, naarmate ze grooter en ruimer waren. De bal, die er buiten geslagen werd, rekende men voor kwaad. Als nu nog telde zulk een slag 2 punten voor de tegenpartij.
De lengte en de breedte der baan werd bij afspraak tusschen de partijen bepaald en hing af van de krachten der spelers. De baan lag steeds voor het spel gereed, op de wijze dus als bij ons nog op sommige kaatspleinen.
In de teekening zijn de lijnen AB en CD rollagen op de geplaveide baan. Men onderscheidde toen 2 perken, uitslag- en opslagperk, zooals nog heden bij het Belgische Pelotespel en het Fransche „Au tamis”. Een partuur heette toen een cabel. Soms werd gespeeld 6 tegen 6, of ook wel 4 tegen 4. Het meest echter bestond een cabel uit 3 spelers, wat het sterkste spel geacht werd, zooals nog thans bij het Friesche spel het geval is.
Veelal geschiedde een partij bij uitdaging. De uitdagers sneden daartoe een bal in zooveel kerven, of bijhangende lappen als er uitdagers waren, legden den gesneden bal bij de baan of staken hem in een beugel bij de baan vast. Dit heette „balopsteken”. Andere spelers informeerden naar de opstekers. Vertrouwden ze zich, zoo namen ze den bal af en de partij begon.
(Deze gewoonte was in mijne jeugd nog in den kaatshoek in zwang, en naar ik meen, geschiedt zulks op onze kaatspleinen van het platteland nog wel. De bal wordt bevestigd in een ijzeren beugel aan den voormuur eener herberg op het kaatsplein. Zij, die de uitdaging aanvaardden, namen den bal uit den beugel, en maakten te voren een afspraak, om hoeveel geld of „gelag” de partij gespeeld zou worden).
In het opslagperk der teekening ziet men een zeef afgebeeld, een rond net van gevlochten snaren, trommelsgewijze gespannen, rustende op 3 pootjes en een weinig schuin van den grond verheven. Aan de zijde der baan stonden de toeschouwers. Hieruit koos elke cabel een aanteekenaar.
Tot beter begrip van den loop eener partij zullen we de makkers van den eenen cabel Dirk, Jaap en Kees noemen, die van den tegencabel Arie, Leen en Piet. Ze staan 3 bij 3 recht tegenover elkaar. Op onze teekening staat Dirk in het uitslagperk tegenover Arie bij de zeef. Jaap en Kees staan tegenover Leen en Piet in het middenperk tusschen de rollagen AB–CD.
De partij neemt een aanvang. Arie slaat op, hij steekt de hand met den bal omhoog en geeft daarmee aan Dirk het sein. Eerst werpt hij den bal 2 à 3 maal op de zeef, om goed te mikken, terwijl de bal op de hoogte van den bedoelden slag rijst. Hij drijft nu den bal op Dirk aan. Indien nu Arie, wat bazenwerk is, den bal ver over Dirk heen kan slaan, zoodat deze hem niet kan inloopen of treffen, dan telt cabel-Arie 2 punten. De bal is vrij, heette het destijds. Kan Arie dit telkens doen, dan zal hij het spel winnen door zijn opslag. (Er was dus toen een vrije opslag; thans zijn zulke slagen over de achterlijn kwaadslagen; het spel is nu dus meer begrensd).
Doch treft Dirk den bal en drijft hij hem met kracht weer naar Arie, zoo telt cabel-Dirk 2 punten, indien de tegenpartij den bal niet terugslaat. Gebeurt het echter, dat Arie den uitslagbal terugkaatst, dan schieten Jaap en Kees toe om hem terug te drijven, of ook Piet en Leen snellen toe om den door Dirk geslagen bal terug te kaatsen over lijn AB.
Dit heen- en terugslaan geschiedt zoolang tot de bal blijft liggen, bijv. bij + d of + c. Een slag is gewonnen door cabel-Arie, als de bal achter lijn AB blijft, door cabel-Dirk, als hij teruggeslagen is achter lijn CD. Is de bal dus bij + d komen liggen, dan is de slag voor cabel-Arie; doch bij + c tot rust gekomen is hij voor cabel-Dirk. Dan riep de winnende partij tot zijn aanteekenaar: „Schrijf!”
Het kan echter ook zijn, dat de bal geslagen wordt of tot rust komt tusschen de twee perken in, dat is tusschen AB en CD. Dan stelt men daar ter plaatse een teeken. Dit heet een kaats, bijv. bij + e. Heeft Arie of een zijner makkers den bal gekeerd, dan komt hun aanmerker de kaats aanteekenen. Kaatsen ontstonden toen dus alleen in de ruimte tusschen de beide perken.
Even als nu werd ook toen bij één of meer kaatsen van perk en opslag gewisseld. Zou de kaats gewonnen worden, dan moest zij voorbij geslagen worden over een der lijnen AB of CD en telde de cabel daarvoor 2 punten. Dat Jaap en Kees ter eener, en Piet en Leen ter andere zijde hierbij een werkzaam aandeel nemen, spreekt vanzelf. Vele malen ging de bal tusschen de cabels heen en weer. (Triktrakslag).
Gebeurde het echter, dat onder het spelen om eene kaats, de bal na eenige heen- en terugslagen weer terecht kwam tusschen de lijnen AB–CD, dan was de kaats onbeslist gebleven en ontstond er een nieuwe kaats. Zoo konden er bij den strijd om eene kaats wel eens drie andere kaatsen gemaakt worden. Om de kaats te winnen, moest een der cabels den bal over lijn AB of CD hebben geslagen.
Bij het slaan van de eerste kaats of van meerdere kaatsen gingen de cabels wisselen. Dit geschiedde beurtelings, nadat men met de meeste kunst den opslag zijner tegenpartij afwon. Ook werd elke maat op zijn beurt opslager, bij het slaan van een kaats. Dus alle drie maats werden op hun beurt opslager. Dit kon toen, omdat men dikwijls met meer dan 2 kaatsen verging, zooals hier boven is aangewezen.
Een zeer eigenaardige afwijking van ons tegenwoordig spel was het volgende. Stel, dat Arie om kaats + b te winnen, den bal naar Dirk slaat. Deze drijft hem terug, maar Piet pakt hem en werpt hem op zijn beurt terug. Nu schiet echter Kees toe en deze slaat den bal schuin over, waarop zijn eigen maat Jaap er op inloopt en den bal terugslaat tot + c bijv. Doch Leen, die dezen slag voorziet, is achteruit geloopen en drijft hem over alles heen, zoodat hij bijv. bij + d blijft liggen. Dirk had bij dezen strijd zijne plaats verlaten, en was meer vooruitgeschoten. De bal vliegt hem nu over. Cabel-Arie won dus de kaats en riep: „Schrijf”! Bij het tegenwoordige spel mag echter de bal slechts geslagen worden in dezelfde vlucht door één der partuurmakkers.
Gewoonlijk bestond toen een partij uit 6 spellen, soms meer, soms minder. Een spel bevatte meestal 12, soms ook 16 punten. Zulks werd te voren vastgesteld. Voor elken gewonnen slag werden 2 punten genoteerd.
Zooals uit bovenstaande verklaring blijkt, week het spel der 18de eeuw in vele opzichten van dat van onzen tijd af, maar stemde in vele gevallen toch weer met het onze overeen. Het gold toen als een der vernuftigste en vermakelijkste spelen van dien tijd.
Hier volgen nog een drietal der meest bekende kaatszangen, welke bij de prijsuitdeelingen der kaatswedstrijden worden aangeheven.
1. OAN DE KEATSERS.
Wize: De Fryske Tael (Nij Frysk Lieteboek No. 2).
2. HULDE OAN DE ALD-KEATSERS!
Wize: „Pietje Puck!”
(Ut „Sjirk Walles”).
3. FEN DE FRYSKE FAMMEN.
Wize: Yn 'e Snitser Merk (Ald Frysk Lieteboek No. 50).
(Ut „Sjirk Walles”).
De nos. 2 en 3 zijn overgenomen uit:
„Sjirk Walles ef de keningspriis fen it keatsen”, toaniel- en sjongstik fen W. Westra en Y. Schuitmaker, leden fen de keatsklub „Jan Bogtstra” to Frjentsjer, mei in foarwird fen de hear S. v. d. Burg, de algemiene skriuwer fen it Selskip for Fryske Tael- en Skriftenkennisse,—útjown by T. Telenga to Frjentsjer.
| PRAKTISCHE Huis-Bibliotheek Geïllustreerd. | |
| Schreber, Longen-Gymnastiek. 2e druk | 35 Ct. |
| Bock, Eerste Hulp bij Ongelukken | 30 „ |
| van de Ven, Amateur Fotograaf. 2e druk | 25 „ |
| Toepoel, Physical Culture | 60 „ |
| Licht-, Lucht- en Zonnebaden | 30 „ |
| Mijn Aquarium | 35 „ |
| De Kleine Briefsteller | 35 „ |
| De Jonge Schaker | 35 „ |
| Broekkamp, Jonge Dammer | ƒ 1.25 |
| Broekkamp, Damstudies | 35 Ct. |
| Leefson, Nieuwste Dansen | 35 „ |
| Skatspel, handleiding | 50 „ |
| Billardschool. 2e druk | 35 „ |
| Ott, Rijwiel, inrichting. 2e dr. | 25 „ |
| Levensmagnetisme | 15 „ |
| Terrarium. (Ter perse) | 35 „ |
| Luchtscheepvaart, populaire beschouwing | 30 „ |
| Sport-Bibliotheek Geïllustreerd.
decoratieve illustratie
| |
| HANDLEIDING voor: | |
| Voetbal-Scheidsrechter | 60 Ct. |
| Voetbal. 3e druk | 25 „ |
| Lawn Tennis. 2e dr. | 30 „ |
| Lawn Tennis. 3e dr. | ƒ 1.60 |
| Water-Polo. 2e dr. | 30 Ct. |
| Cricket | 30 „ |
| Croquet | 30 „ |
| Kegelen | 30 „ |
| Korfbal | 30 „ |
| Hockey | 30 „ |
| Hardloopen. 2e dr. | 30 „ |
| Roeien | 35 „ |
| Zeilen | 50 „ |
| Zwemschool. 2e dr. | 35 „ |
| Droogzwemmen | 15 „ |
| Schermen | 50 „ |
| Boksen | 35 „ |
| Worstelen | 60 „ |
| Schoonrijden | 50 „ |
| Kolven | 50 „ |
| Rolschaatsenrijden | 30 „ |
| Openluchtspelen | 45 „ |
| Halteren | 35 „ |
| Skiloopen | 30 „ |
| Wielrennen | 35 „ |
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:
| Plaats | Bron | Correctie |
|---|---|---|
| Blz. 4 | , | . |
| Blz. 17 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 17 | kustprovinciên | kustprovinciën |
| Blz. 18 | Polote | Pelote |
| Blz. 19 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 23 | ” | [Verwijderd.] |
| Blz. 25 | , | . |
| Blz. 28 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 30 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 32 | . | , |
| Blz. 32 | , | . |
| Blz. 36 | kaet-sers-dei | keat-sers-dei |
| Blz. 38 | bounsbistjúr | bounsbistjûr |
| Blz. 43 | ( | [Verwijderd.] |
| Blz. 43 | catagorie | categorie |
| Blz. 47 | . | , |
| Blz. 58 | [Niet in Bron.] | ) |
| Blz. 58 | [Niet in Bron.] | ) |
| Blz. 67 | marquer | marqueur |
| Blz. 76 | ùs | ús |