Van den Noordhoek van Japan naar de kaap Jerimo op Jezo overstekende, werd aan boord van Castricum 72 tot 100 vademen gewone zandgrond gelood; men was vervolgens grond af, en vond op eenen afstand van 4 mijlen N. van dezen uithoek weder 50 vadem zandgrond. Deze waarnemingen kunnen tot maatstaf der diepte van den Oostelijken ingang der straat Tsuyar dienen. In het midden der straat vindt men 50 tot 130 vademen. Wanneer men den hoek van Siwokubi, die 12′ O.Z.O. 12 O. van de stad Hakodate ligt, gepasseerd is, kan men de masten der in de haven voor anker liggende schepen, boven eene lage landengte uitstekende, zien. Daarnaar neemt men nu zijnen cours. Bij het inzeilen in de haven dient, bij helder weder, de 3169 voet hooge Komagatake of Zadelberg tot gids. Nadat men op eenen afstand van 1 Eng. mijl (ten einde de stilte onder de lagen wal te mijden) het 1136 voet hooge, door eene lage landengte met het Oostelijk gedeelte der baai verbonden voorgebergte, aan welks N.O. zijde de stad Hakotade ligt, omzeild heeft, houde men op den scherpen piek van den Komagataki, die Noord strekt, aan, totdat de Oostpiek van den Zadel, die N.O. bij N. strekt, zich Westelijk van den ronden knop op de kant van het Zadelgebergte bevindt[63], alsdan hale men van N. naar O. over, tot dat men het midden van den zandheuvel op de landengte Z.O.t.O. 34 O. van zich heeft. Zoo doende vermijdt men eene droogte, die aan het Westeinde der stad in eene N.N.Westelijke rigting 23 mijl uitstrekt. Alsdan brengt men den zandheuvel op de bakboordzijde, en loopt door, tot dat men den Westhoek der stad Z.W. 12 W. van zich heeft, waar men den besten ankergrond op 512 tot 6 vadem diepte vindt. Minder groote schepen kunnen tot op 14 mijl den hoek van Tsuki digt bij de stad naderen. In geval men bij mist of betrokken lucht den Piek of den Zadel niet onderkennen kan, sture men, nadat men, zoo als gezegd, het voorgebergte omzeild heeft, N.O. 12 O., totdat men den sandheuvel in de opgegevene rigting voor zich heeft. Bij ongunstigen wind vindt men op de buitenree op 25-12 vadem goeden ankergrond. De diepte aan den mond der baai is omtrent 30 vadem en droogt allengs tot 6 en minder op. Hakotade (de mond der rivier Kameta) ligt op 41° 49′ 22″ N.Br. en 140° 47′ 45″ O.L. De miswijzing van het kompas is 4° 30′ W. Hoog water bij nieuwe en volle maan 5 uur. De grootste rijzing en daling van het water bedraagt 3 voet.


[48] Voyages et découvertes faites par les Russes le long des côtes de la Mer glaciale et sur l’Océan Oriental, tant vers le Japon que vers l’Amérique, par Mr. G. P. Muller. Amsterdam 1766. Vol. I. p. 210.

[49] Troisième voyage de Cook. Tom. IV. p. 372.

[50] A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H. M. sloop Providence and her tender in the years 1796-98 by W. R. Broughton.

[51] Nova et accurata Jopaniae, terrae esonis ac insularum adjucentium ex novissima detectione descriptio apud Joannem Janssonium.

[52] A general Chart of the Japanne Islands, and N. E. Coast of Asia, in Broughton’s Voyage.

[53] Karte vom Japanischen Reiche nach Originalkarten und Beobachtungen der Japaner, in v. Siebold’s Atlas von Land- und Seekarten vom Japanischen Reiche, no. 1.

[54] In het overzigt der reis van den Kapitein-Luitenant ter zee Fabius tot het bezoeken van de havens van Hakotade en Simoda met de Nederlandsche schroefkorvet Medusa, in September en October 1856, wordt gezegd: „Den 17 Sept. werd Hakodate verlaten en de reis langs Nippon’s Oostkust voortgezet, doch deze togt was hoogst moeijelijk. Eene nagenoeg onbekende kust, sterke stroomen, hevige stormen, twee orkanen, slechte kaarten, waarvan de landkaart van v. Siebold nog verreweg de beste is, maakten dien togt lang en zorgvol.” Sic!

[55] Deze kaart, welke de schrijver dezes van den Admiraal Sir Francis Beaufort, Chef van het hydrographisch bureau der Admiraliteit te Londen, ter leen gekregen heeft, is daar onder Lit. B.e.l. 480 geboekt. Aan het einde van dit Hoofdstuk zullen wij een vergelijkend overzigt van de namen en de aardrijkskundige ligging der meest belangrijke punten op de Oostkust van Nippon, zoo als die door Vries, King, Broughton en von Krusenstern benoemd en bepaald zijn, mededeelen.

[56] Recueil de mémoires hydrographiques pour servir d’analyse et d’explication à l’Atlas de l’Océan pacifique par le Contre-Amiral de Krusenstern. St. Petersbourg 1827, pag. 178.

[57] Troisième voyage de Cook. Tom. IV. pag. 384.

Narrative of the expedition of an American squadron to the China seas a. Japan, performed in the year 1852-54, under the command of Commodore M. C. Perry, by Francis L. Hawks. New-York 1856. pag. 497.

[58] Volgens de berekening van den Hof-astronomist Sakusajemon komen 2815 Ri op eenen breedtegraad van 15 Duitsche mijlen. Overal waar wij van mijlen spreken, zijn Duitsche of geographische bedoeld; zijn het Engelsche, dan is zulks telkens bijgevoegd.

[59] Troisième voyage de Cook, l. c.

[60] Von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, No. 11.

[61] Wij hebben reeds in onze „Geschichte der Entdeckungen” aangetoond, dat digt bij deze haven, en waarschijnlijk in de bogt van Komoto, het jacht Breskens vervallen en Kapt. Schaep gevangen genomen is. Verg. pag. 100, aanmerking 20.

[62] Vergelijk: Troisième voyage de Cook, Tom. IV. p, 372. pl. 79. Geschichte der Entdeckungen im Gebiete von Japan, von v. Siebold, pag. 10 en 92. Anmerk. 20.

[63] „Steer for the sharp peak of Kamagataki, bearing about north, until the east peak of the Saddle, bearing about N.E. by N. opens to the westward of the round knob on the side of the mountain.” Sailing directions for Hakotadi, by Lieut. Wm. L. Maury, in Hawks Narrative, pag. 691.


IV. DE ONTDEKKING VAN HET LAND VAN JEZO.

Van den vermeenden »Noordelijcke hoeck van Japan” had Vries den koers N.N.O. genomen en bevond zich ’s middags den 7 Junij op 162° 1′ O. v. Teneriffe (volgens onze verbetering op 143° 39′ 36″ O. v. Gr. en op 41° 24′ bevonden N.Br.)[64]. Van daar tot op 40° 36′ N.Br. heeft men 70 tot 100 vademen graauwen zandgrond, langzaam opdiepende totdat men grond af is. Zij hadden ’s ochtend omtrent 10 uur hoog land gezien. Dit was de

Kaap Jerimo, de Z.O.hoek van Jezo (Eroen of Groen, Vries) »een hoogen steylen hoeck,” en ligt volgens Broughton’s orig. kaart op 41° 53′ N.Br. en 142° 55′ O.L. Volgens Sakusajemon’s kaart echter op 41° 56′ N.Br. en 143° 39′ 10″ O.L. Omtrent 4 mijlen van dezen hoek loodt men 50 vademen zandgrond en 3 mijlen daarvan 24 vad. schulpige zandgrond. Men kan den hoogen hoek tot op 12 mijl naderen en vervolgens langs den wal op de diepte van 20-24 vad. sturen. »Van do. hoeck streckt het land N. ende is hier hooch dubbelt lant ende op de toppen bedeckt met sneeuw.

Den Z.O.hoek Z.W. 12 Z. 5 mijlen afstand peilende, heeft men in het N.W.t.N. »een groote bay ofte inbocht.” Dit is de baai van Firoro. Vries nam een’ N.O. koers langs den wal; het was mistig weer, de zee liep om de N., hem naar den wal zettende, waar hij op 26 vademen grove zandgrond ankerde; zij konden de landzee hooren ruischen. De hoek van deze ankerplaats wordt

Cabbeljaus hoeck genaamd en is waarschijnlijk de lage uithoek digt bij Tobui in de rivier Monbets, waar het hooge land afvalt. Tobui ligt 35′ noordelijker en 18′ oostelijker als de plaats Saruru, wiens breedte door de Hof-astronomisten op 42° 7′ N. en de lengte op 143° 56′ O. bepaald is. Dit laatstgenoemde oord is eene Japansche wachtplaats, en mogelijk zou men aan den mond van de rivier kunnen ankeren. Van Japansche schepen wordt die plaats sedert eene eeuw bezocht. Ik merk zulks op, omdat in het Journaal gezegd is: »Voorts heeft de cust veel bochten, maer can niet geanckert worden daer men voor de see beschut licht.” Den 9 Junij op 15 vadem singelgrond ten anker gekomen, wordt ’s middags de breedte van 42° 44′ N. berekend en de Z.O.hoek van Jezo 12 mijlen Z.W.t.Z. en een lagen hoek (Cabbeljaus hoeck) 6 mijlen Z.W.t.W. gepeild, »hadden noch een hoeck, in ’t N.O. 12 O. 6 of 7 mijlen van ons (Goutsioer), alwaer wel een revier geleeck bij in te strecken soo wy sien conden; saegen noch lant in ’t O.t.N.

Vries bevondt zich zoo mede in een afstand van 12 mijl van het aanzienlijke dorp Tokatsi, (Tocaptie, Vries), waar de rivier Usibets, eene van de grootste op de Oostkust van Jezo uitwatert, en de kust zich in eene lage bogt terugtrekt.

Op de originele kaart van Vries[65] staan de woorden: »Alhier (Tocaptie) komt haar ’t eerste vaartuyg van dit Land aan boort, daarin syn twee mannen en een jongen, veel silver om haar hebbende en wijsen na ’t gebergte, dat daer silver in overvloet is.” Deze eerste ontmoeting met de inboorlingen van Jezo wordt in het Journaal meer breedvoerig verhaald. Met uitzondering van eenige vroegere mededeelingen omtrent dezen merkwaardigen landaard, die wij in de brieven van de Christelijke zendelingen in de 16 en 17 eeuw vinden[66] en eenige bijzonderheden daaromtrent door de reisgenoten van Vries in de 17 eeuw bekend gemaakt[67], behoort de beschrijving van dit volk, zoo als ook van zijne zeden en gebruiken aan verscheidene plaatsen van het Journaal ingelascht, tot de belangrijkste bijdragen, welke wij door Europische zeevaarders van dezen volksstam, thans bekend onder den naam van Aino’s of de ruige Kurilen, verkregen hebben. Om echter onze geo-hydrographische toelichtingen niet telkens af te breken, zullen wij aan den volkstam der Aino’s een bijzonder hoofdstuk aan het slot dezer verhandelingen toewijden.

De Bogt van Tokatsi heeft haren naam van het dorp dat aan den noordelijken mond van de deltavormige uitwatering der rivier Usibets op 42° 39′ N.B. en 144° 22′ O.L. ligt. De kust is laag en in het zuiden van Tokatsi moerassig; daar bevinden zich verscheidene meeren, waarvan die van Jeutô het grootste is.

De Rivier en de hoek van Kusuri, ongeveer 33′ in het N.O. van Tokatsi, loopt de Kusuri (Goutsioer, Vries) in zee en het lage stroomgebied van dezelve vertoont zich als eene opening van het land, die ook door Broughton gezien en op zijne kaart aangeteekend is. Deze rivier is de grootste van de Oostkust van Jezo en bestaat uit de vereeniging van twee armen, waarvan de oostelijke uit een binnenmeer aan den voet van den berg Otosja (het heeft den naam van Kusuri) en de westelijke ook uit een binnenmeer aan den voet van den berg Akani ontspringt en daarvan Akanibets (bets is rivier, beek) genoemd is. Deze beide hooge pieken behooren tot de bergketen, waarvan het Z.W. gedeelte, volgens Jansson’s kaart, »de Blaauwe berg” en het N.O. uiteinde »Batavias bergh” door Vries genoemd is. Ook Broughton vermeldt den eerstgenoemden onder den naam van Peaked Hill, en peilde op 42° 47′ N.Br. dien piek N. 9° O. en de opening van het land (den mond van de Kusuri) N. 21° O., op eenen afstand van 12 tot 15 Eng. mijlen. Het stroomgebied van den Kusuri is van de Ainos bewoond, die langs de beide armen eenen weg naar de binnenmeeren van Kusuri en van Akani, en van daar langs de rivieren Sjaribets en Ikutsinakots naar de Noordkust van Jezo gebaand hebben. Eenige Eng. mijlen oostelijker van de uitwatering en van de Kusuri steekt een hoek uit, aan welke wij den naam van Kaap Kusuri gegeven hebben. De meergemelde opening van het land vormt met deze kaap eene baai, waar, zonder twijfel, schepen eene goede tegen de N.O. en Oostelijke winden beschermende ankerplaats zullen vinden. Deze van geen europeschen zeevaarder tot nu toe bezochte kustenstreek bevelen wij aan hunne bijzondere aandacht en hebben derhalve dezelve meer breedvoerig, volgens de Japansche kaarten en berigten, beschreven.

Van zijne ankerplaats bij Tokatsi nam Vries zijnen koers Oost tot op eenen afstand van ongeveer 50 Eng. mijlen van de kust; daar geen land ontdekkende, stelde hij den koers N.O. en vervolgens N., om het land in het gezigt te krijgen. Den 11 Junij ’s middags bevond zich Vries op 43° 10′ N.Br., 212 mijl van het land, op de diepte van 27 vadem zwarten zandgrond. Van deze hoogte zijn drie voor de zeevaart belangrijke punten van de Oostkust bepaald geworden; in het W.t.Z. 6 mijlen afstand de kaap Seriba (Santanel Vries), die de Zuidelijke uithoek van den ingang in de Baai de Goede Hoop is, dan in het N.O. 4 à 5 mijlen afstand de Kaap de Manshooft, en in het W.t.N. 12 N. eene rivier, de Hokirarubets bij Biwase. Ook zijn de digt aan den mond dezer rivier gelegene eilandjes Fujutar en Kitafu en een eiland aan den ingang der baai de Goede Hoop gelegen, door de Japanners Daikoksima, door de Aino’s Horomosiri en door Vries van der Lyns eylant genoemd, waargenomen geworden.

De Kaap Seriba (Santanel Vries) vormt den Zuidelijken wal en kaap Harasan (Caep Maetsuyker) den Noordelijken wal van den ingang der baai de Goede Hoop, waar voor een eilandje ligt, door de Japanners Daikoksima (d. i. het eiland van den god van den rijkdom) en door Vries, na zijne terugkomst in deze baai, van der Lyns eiland genoemd. Dit eilandje is door eene reeks klippen met den Noordelijken wal verbonden, en van den Zuidelijken wal steekt een rif met rotsen boven water 112 mijl O.Z.O. in zee uit. Kaap Seriba ligt 8′ Zuidelijker en 5′ Westelijker als Atkesi of Akkes, de voornaamste plaats in de baai, die door den Hofsterrekundige op 43° 2′ N.Br. en 145° 34′ 27″ O.L. geplaatst is. Op Broughtons originele kaart is de ingang met het voorliggend eilandje en eenige rotsen onder 43° 0′ N.Br. en 144° 36′ O.L. aangestipt. Volgens Vries zoude dezelve op ongeveer 43° 5′ N.Br. te leggen komen.

De Baai de Goede Hoop verdient dezen naam, aan haar door onzen vermaarden zeevaarder gegeven, die daar van 16 Augustus tot 1 September zich ververscht en zijn schip hersteld heeft. Dezelve is naast die van Hakotade de beste van Jezo, en op de Z.O. kust de eenige veilige haven voor grootere vaartuigen.

Van de baai de Goede Hoop heeft Nicolaes Witsen[68] eene schets volgens oorspronkelijke handteekeningen medegedeeld, die in vergelijking met het plan van Atkis, in 1793 door den Russ. Lt. Laxmann opgenomen[69], en met de beide kaarten van Jezo van Sakusajemon en van Mogami Toknai[70], voor zoo verre de buitenbaai betreft, goed overeenkomt. Volgens deze schets is de buitenbaai ruim 3 mijlen diep en 212 mijlen wijd, met hoog land omgeven; het vaarwater in het midden is ruim, zuiver en 15 tot 6 vademen diep kleigrond; alleen langs de Oostkant in het Zuiden van eenen steilen uithoek, die »Caep Swers” genaamd is, liggen eenige rotsen en klippen, insgelijks aan de in eene bogt zich uitbreidende Westzijde. De ingang is in het Zuiden, zoo als gezegd, door het van der Lyns eiland en een ander eilandje, Bonmosiri, waarvan zich eene reeks rotsen naar kaap Maetsuycker uitbreidt, en door een van kaap Seriba O.Z.O. vooruitstekend rif beperkt en ongeveer eene mijl wijd. In het N.O. ligt de binnenbaai. Volgens de beschrijving van den verdienstelijken stuurman Coen en de plans van Laxmann en de Japansche aardrijkskundigen vormt die eene kom, die ongeveer 2 mijlen wijd is, echter ondiep en vol oesterbanken, en in het midden laag, vlak, verdronken land—vier à vijf eilandjes—heeft; zij is met bergachtig land omgeven en door groote valleijen doorsneden, waar volgens Sakusajemon en Toknai twee rivieren en verscheiden kleine beeken uitwateren. De Noordelijke rivier noemt Tokisijarubets, de Westelijke Ukorubets, beide alhoewel ondiep zijn met kleine booten 2 à 3 mijlen opwaarts bevaarbaar. Langs de eerste en eene andere verder naar het Oosten loopende rivier, Kokopebets, verkeeren de Aino’s met de in het O. gelegene Baai van Laxmann, de stapelplaats van den handel met de Kurilen, en langs de tweede met hunne landgenooten langs de Kusuri rivier. Deze met den tijd meer en meer toenemende handelsverbinding met het binnenland van Jezo en met de Kurilische eilanden en de voor de zee- en kustvaart gunstige ligging der baai de Goede Hoop geeft aan deze zeeplaats een goed vooruitzigt, en daartoe zal, daar de haven van St. Peter en Paul op het schiereiland van Kamtschatka sedert de oprigting van die van Aian en eene in de baai de Castries zijne beteekenis verloren heeft, een der belangrijkste punten voor de handels- en oorlogschepen in het Noordelijk halfrond van den Grooten Oceaan kunnen worden[71]. Ten tijde van het bezoek der baai door het fluitschip Castricum was slechts Atkis van eenige Aino-familien bewoond; thans vindt men reeds meer dan twintig gehuchten rondom de baai door Aino’s en Japansche visschers bewoond.

Tot aan het inkomen van de baai loodt men 27 tot 18 vademen zandgrond. Alsdan loopt men bij Westen van den steilen hoek van van der Lyns eiland binnen, latende een ronden steilen hoek (kaap Seriba), waar een rif O.Z.O. ver uitsteekt, aan bakboord liggen. Binnen den hoek van het eiland gekomen, neemt men den koers N.N.W. op 15 tot 6 vademen kleigrond naar eenen scherpen steilen hoek (door Vries Caep Swers genoemd), dien men achteromloopt om ten anker te komen.

Achter dien hoek is eene smalle bank, waarop bij laag water 10-11 voet, bij gewoon hoog water 15-16 voet, maar binnen dezelve 5-7 vadem water staat, en natuurlijk bij springvloed nog hooger[72]. Men komt hier regt voor het dorp Atkis op 5 vademen kleigrond ten anker. Ook vindt men achter het van der Lyns eiland op 8 vademen kleigrond eene goede ankerplaats, waarvan men na het binnenkomen of voor men uitzeilt een voordeelig gebruik kan maken. Om zich te ververschen en schepen te herstellen, wel ook om des noods daar te overwinteren, biedt thans reeds deze haven de beste gelegenheid. Men kan zich daar met water, visch, kabeljaauwen, steuren, roggen, tongen, brand- en scheepsbouwhout ruim voorzien. Digtbij in de bosschen groeijen zware eiken, vuren, berken, wilgen, linden en noteboomen[73]. Ook vindt men daar aalbeziën, frambozen[74] en appelties van roosen[75]. In den winter zal men hier beeren, herten en vogels vinden; in den zomer is het moeijelijk in de digtste bosschen en het hooge rietgras te jagen. Thans, waar deze baai van Japansche visschers en kooplieden bezocht is en zich daar waarschijnlijk ook eene Japansche volkplanting nedergezet heeft, zullen ook andere ververschingen en levensbehoeften te verkrijgen zijn.

Kaap Maetsuycker. Zoo werd door Vries de Oostelijke uithoek van den ingang der baai de Goede Hoop genoemd en van daar tot zoo ver de kust N.O. strekt door eene voortreffelijke afteekening van het land kenbaar gemaakt[76]. Op Jansson’s kaart is deze hoek ook zoodanig genoemd; in het Journaal vinden wij echter niets van deze kaap gewaagd. Op de Japansche kaarten noemt men het Harasan en ligt ongeveer 3′ à 4′ N.N.O. van Atkesi. De reeks van rotsen, die zich van daar naar van der Lyn’s eiland uitbreiden en waar bij laag water niet meer als 5 voet water staat, maakt zelfs aan booten de doorvaart naar de baai gevaarlijk. Voor Japansche en andere kleine vaartuigen bevinden zich langs deze kust nog twee ankerplaatsen, als:

De haven van Biwase en de reede bij de Iruri eilandjes. De eerste ligt 50′ oostelijk en eenige minuten noordelijk van Atkesi, eene kleine baai aan den mond van de rivier Hokiurbets gelegen en door twee eilandjes Kîtafu en Binebisjo (volgens Laxmann Tsigab en Kikumushiri) en verscheidene hooge rotsen (vijf?) in het Oost en Zuidoost beschermd. Het is de rivier, die den 11 Junij ’s middags aan boord van Castricum W.t.W. 12 W. gepeild is; de eilandjes zijn voor land gehouden, waar »eenige clipies onder de wal liggende boven water” gezien worden. De laatste ligplaats is op verscheidene Japansche kaarten aangewezen, doch de ligging en de afstand van de Iruri eilandjes van de kust is nog twijfelachtig. Volgens de kaart van Mogami Toknai[77] en de originele kaart van Broughton[78] en ook volgens eene oude handschriftelijke kaart, ons door eenen Japanschen geneesheer Fukutsi Gensok[79], die lang op Jezo geweest is, medegedeeld, liggen dezelve digt bij Kaap Usu, hetwelk wij voor »Caep de Manshooft” van Vries houden. Het zijn twee grootere en een kleiner eilandje Iruri, Moiruru en Kinasitomari genoemd. Ook op het plan van Laxmann liggen deze eilandjes (zij zijn Erori genaamd) in het oosten van een uithoek, waarop zich de plaatsnaam Otishi (Otsisi) die op alle kaarten digt bij kaap Usu geplaatst is, aangeteekend bevindt. Op de landverkenning van Vries[80] zijn verscheidene eilandjes kenbaar en in het Journael is gezegd: Hier (Caep de Manshooft in het N.W.t.W. 2 mijlen van ons ende was diep 25 vademen swart santgrond) is al slecht lant, niet hooch, sonder geberchte, saegen toen in ’t N.W.t.W. van ons een rif, daer het seer op barnde, ende lag omtrent een mijl van lant, ende om de N.O. van de Caep de Manshooft lach een vlack eylantien met 3 cleijne berchies, het N. eynt van do. eylantie lach N.N.O. 3 mijlen van ons. Het rif vindt zich juist zoo op Laxmann’s plan aangegeven en daardoor wordt ook bevestigd, dat de kaap Usu de

Caep de Manshooft, Vries, is. Op Sakusajemon’s kaart ligt dezelve op 43° 11′ N.B. en 146° 14′ O.L. en zoude volgens de peilingen aan boord van Castricum op den 14 Augustus gedaan, op 43° 16′ N.B. liggen, en is zeer kenbaar beschreven: »gaeven dien hoeck de naam van Caep de Manshooft, omdat hij hem vertoont als een hooft.” Van deze kaap steekt de kust N.O. en loopt in eene smalle, lage, 50 minuten lange landtong, kaap Nossjam uit, die door von Krusenstern kaap Broughton genoemd en op 43° 38′ 30″ N.B. en 146° 7′ 30″ O.L. geplaatst is. Noch Vries, noch Broughton hebben echter deze landtong als het oostelijkste punt van Jezo herkend en geweten, dat om de W. van deze landtong een straat bestond, die het eiland Jezo van Kunasiri, het zuidelijkste van de Kurilen, afscheidt. Wel bevindt zich reeds op de kaart van de Keizerl. Akademie te St. Petersburg, in 1758 uitgegeven, het eiland »Kunaschir,” door eene straat van Jezo afgescheiden[81], en waarschijnlijk is zulks volgens de waarnemingen van Spangberg en Walton geschiedt; de ontdekking echter dezer straat moeten wij aan Laxmann (1792) toekennen. Zijne kaart bleef echter tot het begin van deze eeuw in het Archief te Kamtschatka liggen. Aan den vermaarden Admiraal Golownin en zijnen bevrijder uit de Japansche gevangenschap, Admiraal Ricord, heeft men eene nadere kennis van deze straat, waaraan von Krusenstern den naam van straat Jezo gegeven heeft, te danken. Alvorens wij met Vries de oostkust van Jezo verlaten, moeten wij nog opmerken, dat von Krusenstern bij vergissing de baai van de Goede Hoop tweemalen op zijne kaart van Jezo geplaatst heeft, eenmaal onder den naam van baai de Goede Hoop, volgens Janssons kaart, andermaal onder die van baai van Atkesi volgens het plan van Laxmann[82].

De Coen’s eilanden. In het Noorden van kaap Broughton breidt zich het eiland Kunasiri in eene wijde bogt uit, waarin verscheidene kleine eilanden liggen. Deze bogt heeft Vries en ook nog Broughton voor een gedeelte van de kust van Jezo gehouden. De kleinere eilanden werden echter juist onderscheiden, opgenomen en beschreven, en Barbaren eiland, de Gebroocke eilanden van Tamary en het Walvisch eiland benoemd; het grootste daarvan, in het N.O. gelegen, vooronderstelde Vries een berg te zijn, die bij het »Lant van Eso” behoorde. Dezen berg noemde hij den Santberg en den vermeenden Oostelijksten uithoek van Jezo »Caep Canael of Caep Diemen”.

Op zijne heen- en terugvaart zien wij onzen stouten zeevaarder tusschen deze groep van eilanden dagen lang met tegenspoed van wind en weder worstelen, en vooral is het de digte en lang aanhoudende mist in deze gewesten, die zijnen loop deed staken, den gezigteinder beperken en zijne waarnemingen verhinderen.

De onderlinge ligging dezer eilanden is door de kompaswaarnemingen op den 12 Augustus, waar zich Vries op 43° 46′ N.Br. bevond, als volgt bepaald geworden: Caep Canael (N.O. hoek van het eiland Sikotan) 5 mijlen N.N.O. 12 O., het Walvisch eylant (Taraku) N.W. 12 W. 112 mijl en de Gebroocken eilanden W.Z.W.; en denzelfden dag ’s avonds op 43° 42′ N.Br. het Barbaren eiland W.Z.W 112 à 2 mijlen, het Gebroocken eiland N.O.t.O. 1 mijl, en nog een lang vlack eylant N.W. 112 mijl. Daarbij voegen wij nog de peilingen van de op 43° 26′ N.Br. ontworpen, door Nicolaes Witsen[83] medegedeelde kustverkenningen: Barbaren eiland (Westpunt) N.W. 23 W. 2 mijlen, Gebroocken eilanden N.W. 12 N. 3 mijlen. Ook kunnen de op den 13 Junius op 43° 28′ N.Br. 1 mijl in het Z.W. van het Barbaren eiland voor anker gedane waarnemingen iets tot de bepaling van de ligging dezer eilanden bijdragen. Caep de Manshooft W.t.N. 3 mijlen, het eylant met 3 berchies N.W. 12 N. 2 mijlen, een groot recif N.t.W. 12 W. 1 mijl, N.W. 12 N. 3 mijlen een laag eiland, N.N.W. 12 N. de Piek en N.O.t.N. 14 O. een vlack eilant 1 mijl, het Barbaren eilant. Ook lag een partij clippen boven en een deel onder water O.t.N. 1 mijl.

»Dese voorschreven eylanden syn 1, 112 à 2 mylen lang, hebbende veel cleyne eylandekens ende clippen by haer liggen, after dese eylanden op het vaste lant (het eiland Kunasiri) legt een kennelycke berch boven met een keep (de Piek Antony) ende leyt alleen.

Deze berg, dien wij later nader zullen leeren kennen, is, omdat hij 20 mijlen ver uit zee kan gezien worden, hier een belangrijk punt van verkenning. De eilanden en rotsen, wier met namen beteekend getal op Sakusajemons kaart[84] op tien aangegeven is, en zich op Toknai’s kaart[85] op 12 grootere en kleinere eilandjes en meer dan 30 rotsen beloopen, en meestal met de Aino-namen voorzien zijn, maken eene aanzienlijke groep uit, die zich van kaap Broughton N.O. tot den »Santberg” (het eiland Sikotan) uitbreidt en ongeveer 45′ in lengte beslaat. Wij hebben aan dezelve op onze verbeterde kaart van Jezo[86] den naam van den verdienstelijken stuurman Cornelis Jansz. Coen gegeven, zijnde hij de man aan wien wij de eerste aardrijkskundige beschrijving daarvan in zijn Journaal te danken hebben.

Met dat al is het moeijelijk volgens deze door de Japanners, door Vries en Coen, en ook door Broughton gedane waarnemingen, de juiste ligging van de vier aanzienlijkste dezer eilanden juist te bepalen, en wij dienen ons vooreerst nog aan de ligging van dezelve op Sakusajemon’s kaart te houden. Voor zoo ver de door Vries aan dezelve gegeven namen betreft, zoo houden wij het daarvoor, dat Juru het Barbaren eiland, Sibotsi de Gebroocken eilanden, Taraku het Walvisch eiland, en het lange eiland op den 13 Junius N.W. 12 N. 3 mijlen van de ankerplaats, Sîsjô is. De diepte wordt van 25 tot 65 vademen zandgrond langzaam naar de eilanden toe opdroogende, en in het Z.O. van het Walvisch eiland 70 tot 120 vademen singelgrond[87] bevonden en op de heenreis eene Noordelijke en op de terugreis eene N.Oostelijke strooming waargenomen.

Het Eilant Sikotan (Tschikotan, Russ.). Het is de »Santberg” van Vries en onbegrijpelijk, dat deze zeevaarder en zijn bekwame stuurman dit ver van het vermeende »Lant van Eso” afgescheiden eiland niet herkend, en voor eenen berg en den Oostelijken uithoek van dit land, die hij Caep Canael of Diemen noemde, gehouden heeft, en wij meenen deze vergissing alleen aan de digte, aanhoudende mist te moeten wijten. Broughton heeft Sikotan op den 6 en 7 October 1796 omzeild, zijne aardrijkskundige ligging bepaald, en aan hetzelve den naam gegeven van den Russischen Kapitein Spangberg, die het in de maand Julij 1739 bezocht had[88]. Door Golownin werd in 1811 de aardrijkskundige ligging nog juister bepaald, en in 1812 en 1813 de Oost- en Noordkust door Ricord en zijnen opvolger, aan boord van de Diana omzeild. Spangberg bepaalde de breedte reeds op 43° 50′; volgens de kaart van Janssen ligt Caep Canael op 44° 7′, doch volgens Vries waarnemingen van den 10 Augustus ’s middags, op 43° 56′ N.Br., hetwelk met die van Golownin en van de Hof-astronomisten van Jedo op eenige minuten na overeenkomt, te weten 43° 52′ en 43° 58′ N.Br. De lengte van Golownin, 146° 43′ 30″ O., verdient vooreerst nog de voorkeur, verschillende 9′ van die op Broughton’s originele kaart, waar het midden van het eiland op 146° 52′ O.L. geplaatst is. Sikotan strekt 5 Eng. mijlen Z. en N. en O. en W., en is kennelijk door den »Santberg”. Men vindt daar water, brandhout en eenige vruchten. Kapitein Spangberg, die digtbij op 8 vadem zandgrond ten anker gekomen was, nam dennen, elzen en andere boomen waar, ook ontmoette hij inboorlingen, die zeer ruig waren en de taal der overige Kurilen (Aino’s) spraken. De door Vries op den 13 Junij ontmoette Aino’s behoorden waarschijnlijk hier te huis, en de plaats, die »dese habytanten Takotekan en Rackokan noemden, en die sy wesen in ’t N.O.t.N. te liggen”, is de baai van Sjakotan of Malakotan, op de N.W. kust gelegen.

Volgens Toknai’s kaart vinden zich op Sikotan meer dan 20 gehuchten van de Aino’s, en verscheidene baaijen, waar riviertjes uitwateren en Japansche schepen ten anker komen. Rondom liggen vele eilandjes en rotsen, en in het Z.W. 14 W. van het eiland, op eenen afstand van 9 à 10 Eng. mijlen eene groep van vijf lage eilandjes, volgens Sakusajemon Kabiof, en volgens Toknai Mosirika genaamd, en met rotsen en klippen omgeven. Golownin heeft er vier gezien en is digt daarbij voorbijgezeild; ook op de kaart van Vries zijn dezelve aangegeven. Buitendien schijnen rondom deze eilanden vele klippen en gevaren aanwezig te zijn.

Het eiland Kunasiri (Kunaschir; Russ.) in het jaar 1758 op de voormelde kaart van de Keizerl. Akademie der Wetenschappen te St. Petersburg vertoond, is allengs weder verdwenen. Lapérouse nam, na de ontdekking der straat, die zijnen naam vereeuwigde, in Augustus 1787 zijnen koers N.O. langs het naburige eiland Jetorop, zonder evenwel de N.O. kust van het vermeende »Lant van Eso” te raken. Broughton hield ook de Walvisch baai voor de Oostkust van Jezo. De ontdekkingen van Laxmann bleven verborgen, en zoo werd, na de terugkomst van Golownin uit zijne Japansche gevangenis te Matsmaë, von Krusenstern met de ontdekkingen van dezen verdienstelijken zeevaarder bekend en in de gelegenheid gesteld, op zijne in 1815 uitgegevene »Allgemeine Weltkarte[89] het eiland Kunaschir te vertoonen en de straat, die het van Jezo afscheidt, de straat van Jezo te noemen.

Wij kennen echter alleen door Golownin en Ricord van het N.O. en Z.W. einde de aardrijkskundige ligging van dat eiland, zijnde de N.O. hoek kaap Moimoto (C. Loffzôff, Krus.) door Golownin op 44° 29′ 15″ N.Br. en 146° 8′ O.L., en het Z.W. einde, het Japansche fort in de Baai, waar Golownin gevangen werd (la Baie des Traitres) op 43° 44′ N.Br. en 144° 59′ 30″ O.L. bepaald geworden. De kennis van de geheele configuratie der kusten hebben wij, met uitzondering van de Baie des Traitres, waarvan in de nieuwe Russische uitgave van Golownin’s reize in 1851 een voortreffelijk plan medegedeeld is[90], alleen aan de opneming der Japanners, zoo als die in Sakusajemon’s en Toknai’s kaart zich vertoont, te danken.

Daarentegen laten zich de waarnemingen, die aan boord van de Castricum gedurende den togt langs de Coen’s eilanden en tegenover de »Walvis bay,” en gedurende het verblijf voor anker van dit schip van 4 tot 12 Julij aan den westelijken ingang van de Canael de Pieco of Antony gemaakt zijn[91], als eenige hoogst belangrijke aardrijkskundige en hydrographische bijdragen beschouwen en teregtbrengen; en vooral zijn het de kustverkenningen, die ons Nicolaes Witsen bewaard heeft, waardoor de strekking en de gedaante van het hooge gebergte, dat het Noordoostelijk gedeelte van dit eiland kenmerkt, aanschouwelijk gemaakt wordt. De op den 13 Junij ’s middags op het vaste land geziene »kennelijcke berch boven met een keep” die alleen ligt, is de berg Tsiuna of Tjôsinobori, de hoogste op het zuidelijke gedeelte van Kunasiri, en de den 14 Junij op de breedte van 43° 25′ in N.W.t.N., en wel bijna 20 mijlen afstand gepeilde »hoogen berch met een piek,” is de vulkaan Tsjatsja noburi, waaraan die Vries de naam van »Pieck Antony” (naar Antony van Diemen, Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië, in de jaren 1636-1645) gegeven, en dien de stuurman Coen den »Hooge Tepelberch” noemt, hetwelk de woordelijke vertaling van den Aino-naam is, beteekende Tsjatsja borst en Nobori hooge berg, piek. Volgens Toknai is deze nog een brandende vuurberg en de hoogste op het eiland. Na eene schets van dien vulkaan laat zich de Tepel als eene zijdelingsche uitbarsting, die zich allengs kegelvormig verhoogt heeft, herkennen, zijnde ook aan de zijde van den berg eene zulke zoogenoemde laterale eruptie zichtbaar[92]. Daar deze piek zeer kennelijk is en op 20 mijlen uit zee kan gezien worden, zoo is de aardrijkskundige ligging van dezelve voor de zeevaart zeer belangrijk. Volgens de waarnemingen van Golownin en Ricord ligt die op 44° 31′ N.Br. en 145° 46′ O.L en op Broughton’s originele kaart op 44° 20′ N.Br. en 146° 10′ O.L. Volgens Vries, die den »W. hoeck ofte afgaende hoeck van de Tepelberch” ’s middags den 11 Julij op 44° 43′ N.B. Z.t.W. 12 W. 2 mijlen afstands peilde, zoude die hoek op 44° 36′ en de »Tepelberch,” die volgens Sakusajemon’s kaart 10′ zuidelijker ligt, op 44° 26′ liggen, wat op de gemiddelde waarneming van deze zeevaarders uitkomt. Berekenen wij de breedte van den Piek naar de waarnemingen van den Hofsterrekundige bij Nisibets, in de baai van Laxmann, waar dit Japansch fort op 43° 23′ W. en de piek 1° 6′ noordelijker geplaatst is, zoo vinden wij die van 44° 29′ W. en derhalve eene uitkomst, die aan de aan boord van de Castricum gedane waarnemingen het grootste vertrouwen inboezemt. In ’t N.W.t.W., op ongeveer 8′ afstands, ligt een hoog gebergte, hetwelk een voorgebergte, den noordelijken uithoek van Kunasiri, vormt, en door Vries »Maria berch” genoemd wordt. Deze hoek, kaap Rewausi, kenmerkt zich door een klein daarvoor liggend eilandje Kawarsjo, en door witte plekken. De op middag den 11 Julij gemaakte peilingen zijn te belangrijk om hier niet te worden herhaald: »Als doen lach de gehackelde berch (het zuidelijkste voorgeberchte van het »Staetenlant” (Jetorop)) O.t.S. 12 S. 10 mylen, ende de hoeck van Eso, daer het Vossen eylant af leyt, lach S.O. 12 O. 6 mylen van ons, ende de W. hoeck ofte afgaende hoeck van den Tepelberch S.t.W. 12 W. 2 mylen van ons.” Ook de landverkenning op 44° 53′ aan de westzijde van het Staetenlant ontworpen[93], komt zeer te pas tot de bepaling van de wederzijdsche ligging van Kunasiri en het Staetenlant en van den westelijken ingang in de straat, die beide van elkander afscheidt, het Canael de Pieco of Antony van Diemen. De daarop betrekkelijke peilingen zijn: »de Croonberch O.N.O. 6 mijl, de gehackelde berch O.S.O. 12 O. 4 mijl (reede van het Statenlant), het Vossen eylant 3 mijl (aan den oosthoek van Kunasiri) en de Maria bergh W.t.S. 12 S. 4 à 5 mijl (westhoek van Kunasiri). Van het Vossen eylant, dat Coen den 7 Julij bezocht heeft, is gezegd: »Op dit eylantie, het welck cleyn was ende met een rif clippen aen het vaste lant vast gehecht, conde men met laech water over aen het vaste lant van Eso loopen; wy saegen verscheyde roode vossen[94] op do Eylant loopen, gaeven ’t den naem van Vossen Eylant. Van dit Vossen Eylant steekt een rif van clippen om de N.N.O. in see, ’t welk do Canael heel peryckeloos maeckt, ende streckt wel een myl van de wal. Dit rif was gebroocken, op sommige plaetsen de clippen boven water liggende, daer ginck een harde stroom om de O.” Op de hoogte van dit eiland heeft men getracht »des Canaels gelegentheyt” te onderzoeken, »conden in dit Canael geen vile (vuilen) sien als van het Vossen Eylant afsteekte, saegen de Caep de Canael (de N.O. hoek van Sikotan), in S.S.O. van ons ende lach in mist. Het Vossen eylant leyt omtrent 312 myl W. van de gehackelde berch van het Staetenlant, soo dat dit Canael omtrent 3 mylen wyt is.

Volgens de waarnemingen van Golownin en Ricord is de Straat Antony van Diemen (dit is de ware naam, die wij aan deze straat zullen geven, maar tevens ook opmerken, dat nog eene Straat van Diemen in ’t zuiden van Japan bestaat) 16′ en volgens Broughton’s originele kaart 20′ breed. Vries is met zijn volk aan de wal geweest en met inboorlingen, Aino’s, in aanraking gekomen. Daar hij aan deze groote baai, waar het schip Castricum voor anker lag, en die van kaap Moimoto tot Rewausi 15 Eng. mijlen wijd en 5 Eng. diep is, geenen naam gegeven heeft, zoo willen wij dezelve de Kruisbaai noemen, want hoogst merkwaardig was hier de ontdekking van twee houten kruizen. »Een van ons volck vont een houten cruys staen, bracht dat op strant, toonde het aen de habytanten, maer selve siende waeren daer vervaert voor, ende wesen men soudt in ’t water goyen; ja die dit houten cruys aengeraeckt hadde, mocht haer niet aen haer lyff comen, maer most syn handen eerst wasschen, dan was ’t wel; noch een soodaenige cruys stont voor aen in ’t bosch.

Ongetwijfeld waren dit Christelijke gedenkteekens en waarschijnlijk grafzuilen van Christenen. Reeds in 1622 werd het Christendom van het noorden van Japan naar Jezo (Matsmaë) overgebragt, en daar sedert 1639 het Christelijk geloof bij straf des doods verboden werd, waren het bekeerde Japanners of Aino’s, die daarheen gevlugt en overleden zijn. Bij de Aino’s wordt al wat met een’ dooden of zijne goederen in aanraking komt, voor onrein gehouden, van waar het afgrijzen der inboorlingen voor deze kruizen. Denkelijk was hun ook bij overlevering dat streng verbod en de Christenvervolging bekend geworden. Eenen anderen weg als over Japan had zich toenmaals het Christelijk geloof nog niet naar dit einde der wereld gebaand, want eerst in ’t jaar 1689 kwam de eerste tijding van het bestaan van Kamtschatka naar Rusland, en in 1697 hebben het eerst eenige kosakken aan de Kamtschatka-rivier een Ostroch-fort opgerigt.

Het eiland Kunasiri is 70 Eng. mijlen lang, N.O.t.N. en W.t.Z. strekkende, zeer smal, 10 tot 5 Eng. mijlen, en ongeveer in het midden, bij kaap Onnenots, door een naauwelijks eenige Engelsche mijlen breede landtong verbonden, waar het land laag is en zich de Oostkust als eene diepe bogt vertoont, die door Vries de »Walvis bay” genoemd wordt, omdat zij »hier veel walvisschen vernaemen.” Aan het noordelijk en zuidelijk gedeelte van deze kust bevinden zich echter eenige baaijen, die eene goede ankerplaats bieden. Die van Onnebets aan de noordelijke kust is waarschijnlijk de »Bay daer men by alle winden bevryt ligt[95], en die van Furuka hij de landengte en Tôbuts of Tôbets aan de zuidelijke kust verdienen voor ankerplaatsen voor walvischvangers zeer in aanmerking te komen; de laatste staat door eene rivier met een groot binnenmeer in verbinding, waarvan dan ook de naam (meer) en bets (rivier). Dit meer, dat van het door Vries gezien »hooch binnenlant meest boven met sneeuw bedeckt”, zijnen toevloed van versch water ontvangt, moet rijk aan zoetwater-visch zijn en aan de in de rivier opstijgende zalmen ten tijde van het kuit schieten (hier Julij-Augustus) eene goede gelegenheid bieden. Ook aan de zuidelijke westkust bevindt zich zulk een binnenmeer, en bij Sasak, en insgelijks aan de westzijde van de landtong bij Ikabanots, eene goede ankerplaats. De straat, die in het zuiden van Kunasiri Jezo afscheidt, hebben wij volgens de voortreffelijke kaart van Toknai in onzen meergenoemden Atlas No. 2 A. medegedeeld; voegt men daarbij het boven genoemd plan van de Baie des Traitres van Golownin en het plan van Laxmann, dan heeft men alle tot op den huidigen dag bekende geo-hydrographische bouwstoffen betrekkelijk dezen voor de toekomst belangrijken handelsweg. Nog wil ik echter doen opmerken, dat ook hier eene sterke strooming bij den westelijken ingang om de Z. en bij den uitgang om de O. loopt. Van de geologische gesteldheid van dit eiland weten wij niets; edele metalen zullen daar voorkomen, kruiden ter verversching (zuring en stelen van eene groote schermplant, waarschijnlijk het eetbare Heracleum) heeft het scheepsvolk in menigte gevonden, en Coen spreekt van dennen geschikt voor raa’s en masten en van roode vossen, otters, zalm, tarbot, bot, schaer, cabelliauwen en andere visschen in overvloed. Wij hebben ons lang bij dit eiland opgehouden, omdat het zoo goed als onbekend is en zijn bestaan nog in 1820 is in twijfel getrokken[96]. Wij willen nog doen opmerken, dat het op Golownin’s kaart als het XXIe der Kurilische eilanden gemerkt is.

Het eiland Jetorop (Iturup, Russ.). Onze vermaarde zeevaarder heeft dit eiland van den 13 Junij tot den 4 Julij, toen hij eenige mijlen van het Zuideinde is ten anker gekomen (zie boven pag. 113), bijna omgezeild. Het is geheel en al zijne ontdekking, eene Nederlandsche, op welke hij het zegel van eigendom door den naam het »Staetenlant” of »Staeten eylant” gedrukt heeft. Het is het grootste eiland van de Kurilen, dat zich meer dan een graad in eene N.O. en Z.W. rigting uitstrekt[97].

De N.O.hoek van dit eiland, kaap Seworosi (C. Vries) is door Golownin op 45° 38′ 30″ N.B. en 149° 14′ O.L. en de Z.hoek kaap Tesiko (C. Ricord) op 44° 29′ N.B. en 146° 34′ O.L. bepaald. De breedte van Caep Vries[98] is op de kaart van Jansson dezelfde en zoude volgens Vries waarneming op den 5 Augustus 45° 35′ N. bedragen, terwijl die van C. Ricord, volgens de op den 4 Julij bij het Vossen Eiland voor anker gedane waarneming op 44° 29′ N. uitkomt; op de kaart van gedaene coursen ligt die hoek eenige minuten zuidelijker, op 44° 25′ N., hetwelk ook op Broughtons en Sakusajemons kaart het geval is.

Behalve deze twee voor de aardrijkskunde gewigtige punten, die later ook door andere Europesche zeevaarders zijn bepaald geworden, hebben wij aan Vries nog andere belangrijke geo-hydrographische waarnemingen langs de O. en W. kust van dit eiland te danken, die aan waarde zullen winnen naar gelang het ons mogt gelukken ze met de kaarten van Sakusajemon en Toknai en met die van Broughton en andere zeevaarders overeen te brengen en toe te lichten.

De den 13 Junij op 44° 20′ N.Br. gedane peilingen bevestigen de ligging van den piek Antony tegenover den »gehackelden berch,” op de Z.hoek van Jetorop, »die boven op seer haekelich was ende geleeck een eylant, ende daerbij noch een hoogen berch, die hem aen tween met een cloof vertoonde;” »daer beoosten quam een hoogen ronden berch hem vertoonen met sijn top door een dijs,” en van eenen anderen »hoogen vlacken gecartelden berch, daer op het W. eint een berch op staet, gelijckende een boeren schuur van fatsoen, ende is oock het hoochtste van dien berch.” »Van do. berch streckte wat laeger lant tot in ’t N.O.t.N. ende was het verste land dat wij sien conden; de boerenschuur-berch lach ons het naest ende was omtrent 10 mijlen van ons. Het geberchte leeck al aen malcanderen vast te wesen tot den gehackelden berch, soo men con bemercken, liep een canael tusschen den gehackelden berch ende den piekberch door om de W.” De piek Antony lag W.t.N., de gehackelde berch N.W. 12 W. »daer beoosten” de hooge ronde berch (Croonbergh); de Boerenschuerberch N. 12 W. Alle deze gebergten bevinden zich op onze Japansche kaarten. Den piek Antonij kennen wij; de Gehackelde berch vormt het zuidelijke voorgebergte (kaap Ricord), de hoogen bergh met een cloof is eene bergketen, die bij kaap Moikesi op de W.kust uitloopt en de Croonberch een hooge trachytdom, Bussanobori genaamd, die op de W.kust een ver uit stekend voorgebergte K. Itobirikawoi vormt; en de Boereschuerberch is ook een Kegelberg, op de oostkust tusschen Kusiara en Tosimoinots. De ligging dezer tot verkenning dienende bergen werd door de waarnemingen van den 30 Junij en 2 Julij bevestigd. Gedurende den 17 en 18 Junij zeilde Vries langs de Oostkust van dit eiland met eenen N.N.O. en O.N.O. koers, en zag somtijds met eenen blik de toppen der met sneeuw bedekte bergen, die van kaep Noneisjô af aan zich hoog verhieven. Deze zijn de Refunsiri, Hetsirap en Tokarunbe, die boven allen uitsteken. Mogelijk kon men ook van hier uit de toppen der tegenoverliggende kegelbergen op de Westkust, van den Hetonoburi en Horosjunoburi, zien. De steyle clip gelyck een pyramida is waarschijnlijk het eilandje Obkarusibeisjô, hetwelk benoorden van »een steylen hoeck” (kaap Horaka) tegenover eene beek ligt. Het »hooch geberchte seer blinckende van de sneeuw,” ’s morgens 19 Junij in ’t W., N.N.W. en daarna in het N. gezien, zijn de hooge bergen, die het Noordeinde van het Staaten-eiland omsingelen, en de naar het N.O. uitloopende kaap Seworosi (C. Vries) en in het Noorden de hoeken Okkebets en Tosifuri vormen. Derzelver namen zijn: Sjusinobori, Isomattsenobori, Kitettsenobori en Sjokkonobori. Van den laatsten hoek begint de W.kust diep in te buigen en vervolgens eene hooge landtong N.W. uit te loopen. Van deze bogt hebben wij eerst door de meergemelde Japansche kaarten eene betere kennis gekregen; op Golownin’s kaart is dezelve aangestipt en baai van Sana genoemd. Het fort Sjana of Sana ligt echter niet in de baai, maar in het Z. der landtong. Dezelve is 25 Eng. mijlen wijd en 10 diep, en eindigt met een binnenmeer, Seppo genoemd, en met laag land, eene landengte van naauwelijks vier Eng. mijlen breed. Zij biedt naar de W.zijde eene tegen wind beschermde ankerplaats. Wij hebben aan dezelve den naam van de Baai van Seppo gegeven, omdat die van Sana onjuist is. De landtong bestaat uit een gebergte, dat twee toppen heeft, waarvan de oostelijkste de hoogste is. Deze twee-geheuvelden berch, die men 25 à 26 mijlen ver kon zien, was door den Commandeur Caep de Trou genoemd geworden; het is kaap Ikabanots op Sakusajemon’s kaart. Op den 30 Junij, op 45° 54′ N.B., lag Caep de Trou O.t.Z. 14 Z. 15 mijl, en de Boerenschuer Z.O. 15 à 16 mijlen en ’s middags den 2 op de gegiste breedte van 44° 56′, de Croonberch Z.O. 12 Z. 212 mijl, de Gehackelde berch in het Z., de Boeren Schuer O.Z.O. 12 Z., de Caep de Trou O.N.O. 12 N. Thans blijft nog de aardrijkskundige ligging van Caep de Trou te bepalen, die, ofschoon deze kustenstreek door onzen zeevaarder Vries, door Lapérouse (den 18 en 19 Augustus 1787) en door Broughton (van 8 tot 11 October 1796) is onderzocht geworden en op de kaarten van Sakusajemon en Toknai dit ver uitstekend voorgebergte zeer naauwkeurig vertoond is, nog twijfelachtig schijnt te zijn. Door Lapérouse is dezelve op 45° 39′ N.B. geplaatst, hetwelk ook met zijne waarneming op den 19 Augustus, waar bij zich op 46° 20′ in een afstand van 41′ in het N. van dat voorgebergte bevond, overeenkomt. Broughton, die zich ’s middags den 9 October op 44° 31′ 30″ N.B. bevond, den Piek Z. 52° W., en het eiland Sikotan Z. 17° O. peilde, en van N. 48° O. tot 61° O. hoog land zag, dat hij voor een eiland hield, nam zijnen koers N.O. om het te onderzoeken. ’s Namiddags passeerde hij op een afstand van 4 Eng. mijlen den Croonberch, dien hij voortreffelijk beschrijft[99], en peilde bij zonsondergang dezen vulkaan Z. 24° W., en de kust, zoo ver hij zien kon, N. 55° O. Stormig en mistig weer lieten hem de kust den volgenden dag slechts met een blik zien, en het laatste land werd van Z. 61° O. tot Z. 27° O. en »a low point” Z. 8° W. ontdekt. Dit lage punt, dat op zijne originele kaart op 45° 7′ geplaatst is, veronderstelde von Krusenstern, dat het Caep de Trou was, en gaf aan de aardrijkskundige ligging van de vermoedelijke Caep de Trou de voorkeur die van Lapérouse en die van Vries volgens Janssens kaart. Broughton heeft die kaap, die hij op den 10 tot 11 October zeer nabij voorbijkwam, wegens de digte mist niet kunnen zien, en het land, dat hij den 12 ’s ochtends zich van Z. 5° W. tot Z. 22° O. zag uitbreiden, en dat hij voor een eiland op zichzelve hield, was het N.W. einde van het Staaten eiland, waaraan Lapérouse en zijn opvolger (zoo als boven gezegd) verkeerdelijk den naam van Caep Vries gegeven heeft. Zulks is dan ook den volgenden morgen door deszelfs waarnemingen bevestigd geworden, waar hij zich midden in den Noordelijken ingang der straat Vries bevond. Deze uitweiding hebben wij moeten doen, om te bewijzen, dat kaap de Trou Noordelijker ligt als de groote hydrograaph von Krusenstern vermeende[100], en om de waarneming van Lapérouse en die van onzen Nederlandschen zeevaarder te regtvaardigen. Aangenomen dat de breedtebepaling der vermeende kaap Vries (onze kaap Okkebets) door Golownin goed is, en daar kaap de Trou op Sakusajemon’s kaart, waar de configuratie der kust alle geloof verdient, slechts 6′ van kaap Okkebets verschilt, zou de onderwerpelijke kaap op 45° 32′ N.Br. te liggen komen, dus 6′ Zuidelijker als die op Janssen’s kaart geplaatst is; en volgens Vries waarnemingen op den 5 Augustus, waar hij op 45° 43′ zijne kaap Vries Z.W. 4 mijlen van zich liggen had, en kaap Okkebets op 45° 40′ liggen zou, laat zich de breedte van kaap de Trou op 45° 34′ N. bepalen. Ook op Golownin’s kaart ligt die kaap op 45° 22′ N.Br. De vermeende kaap de Trou op de kaart van Broughton is kaap Notero, een lage uithoek, die op Sakusajemon’s kaart 20′ Zuidelijker geplaatst is, doch nagenoeg met de aardrijkskundige ligging (45° 7′ N.), die de verdienstelijke Engelsche zeevaarder aan zijn »Low port” aangewezen heeft, overeenkomt.

De reeks van vulkanen die Jezo in eene N.O. rigting doortrekt, zich in het Z. van Kunasiri door den Tsinpa nobori te kennen geeft en in het Noorden van dat eiland als een hooge Piek (de Tsjatsja nobori) verheft, breidt zich ook nog verder over Jeterop uit, waar de meeste bergtoppen, welke voorgebergten vormen, of hier en daar vrij staan, of aan den voet van meeren, verzonkene trechters van uitgedoofde vuurbergen, zich als kegelbergen en trachyt dommen kenmerken.

Men kan aannemen dat alle bergen die op Jezo en de Kurilen den bijnaam Nobori[101] hebben, van vulkanischen oorsprong zijn en zoo zien wij dan den Croonbergh als Fussanobori, en in de baai van Seppo den Hetô nobori en Horosju nobori, en langs de N.W. kaap den Sjusi nobori, Itomatse nobori, Kitettse nobori en Sjokku nobori zich verheffen. Het uitmuntende kaartenbeeld, dat ons Toknai van dit eiland, in een maatstaf van 24 centim. een equatoriaalgraad, geeft, laat uit de configuratie van de kusten—hier ver uitstekende, hooge voorgebergten en steile uithoeken, daar diep inloopende bogten, baaijen en massa-gebergten, door lage landtongen van elkander afgescheiden, van verre gezien zich als eilanden op zich zelven vertoonende herkennen. Dit verscheurd en gebroken, smal en meer dan 70 Eng. mijlen lange eiland geeft ons een duidelijk denkbeeld van de onderaardsche krachten, die het uit den Oceaan hebben doen oprijzen, en van het geweld der door orkanen bewogen golven der zee, die sedert duizende jaren de rotsen uitgespoeld, de bogten en baaijen uitgehold en er het strand met zand bedekt hebben, door welke zich kleine, snel loopende riviertjes den weg banen. Uit deze bij afwisseling uit steile rotsen en ondiepe baaijen en bogten bestaande kusten van dit eiland laat zich dan ook de ongelijke diepte digt bij den wal verklaren, waar men, naar gelang van deszelfs gesteldheid, 30 tot 100 vademen zwarte zandgrond, singel en paalgrond loodt. Behalve de Piramyda vindt men vele kleine eilandjes, rotsen en klippen rondom de kust verspreid, wier ligging maar figuratief bekend is; op deze gevaren moet men goed uitkijk houden. Behalve van eenige schipbreukelingen is dit eiland nog niet van Europische of andere natuuronderzoekers bezocht geworden, van zijne Fauna en Flora hebben wij nog geene wetenschappelijke kennis, zijne voortbrengselen laten zich gedeeltelijk uit de mededeelingen van de Japanners ontcijferen of als overeenkomende met die van Jezo en Kamtschatka, zijne zuidelijke en noordelijke naburige landen, vermoeden. En dit merkwaardige eiland draagt—ik herhaal het—sedert meer dan twee eeuwen een Nederlandschen, den zeer respectabelen naam van het Staaten eiland.

De straat de Vries en het Compagnijsland (het eiland Urup), met eenen O.N.O. koers langs de oostkust van het Staateneiland zeilende, zag men den 19 Junij op 45° 41′ gegiste N.breedte, »met een blinke lant in ’t W. ende W.N.W. ende stracx was ’t weder bedeckt van mist.” Dit was het hooge met sneeuw bedekte land van »Caep de Vries, kaap Okkebets en van het eiland Urup. Vries bevondt zich toen in het midden van den zuidelijken ingang der straat, die Jeterop van Urup afscheidt, en die thans zijnen naam draagt. »Saegen oock omtrekt 5 ueren naer den middach met een blinck, recht voor uyt in ’t N. een heel hoogen berch, die oock seer blonck van sneeuw,” »bevonden de diepte van 30 vadem paelgront, stracx weder diep 46, 47 vadem, ende wat corts gront af van 50 vadem,” »lieten het drijven op Godes genade om de N.W., hoorden gestadich de lant-zee ende groote ruysing van water ende veel gecryt van clipmeeuwen.” »Wat op den dach cregen wij weder gront op 50 vadem, ende den ander worp 47 vadem grof santgront, lieten ons tuy-ancker vallen,” »saegen doen in ’t S.S.O. de toppen van hooch geberchte, maer conden de voeting daer niet af bekennen, maer scheen dicht bij ons te sijn, wij hoorden gestadich groot geruys van water.” »Omtrent 2 a 3 ueren naer de vroe cost claerde de mist op, doen saegen wij, dat wij boven 12 mijl niet van den wal geanckert laegen; saegen in ’t S.t.W. van ons 3 mijlen lant, ende in ’t N.O.t.O. 5 à 6 mijlen van ons het noordelycxste lant dat wij sien conden. Het geruys van water saegen wij dat het afstorten van sneeuwater was, dat op verscheyde plaetsen van het geberchte in de cloven quam afvallen, ende een groot geruys ende geraes maeckte, ende het lant lach op veel plaetsen tot bij de waterstrant noch bedeckt met sneeuw; insonderheyt op ’t geberchte. Saegen een hoogen, ronden berch die vol sneeuw lach in ’t S.W.t.S. ende een do. in ’t S.W.t.W. van ons, wat lanchwerpiger dan van één hoochte sijnde, ende waeren met een laage valey aen malcanderen gehecht, alwaer noch eenige cleyne berchies buyten laegen, waer bewesten noch 2 ronde berghen laegen, maer die laegen wel over de 20 mijlen van ons. Van den berch in ’t S.W.t.S. van ons liggende, loopt een steyle afsteeckende hoeck, dien bij ons de naem gegeven was van Caep de Vries, conden in ’t N.W. geen lant sien, vertrouwende als nu in de Tartarijsche see te sijn.” »Waren op de bevonden breedte van 46° 6′.

Wij konden niet beter dan met de letterlijke woorden uit het journaal getrokken den ankerplaats van het schip Castricum beschrijven, die op de plaat 66 S. van Witsen’s boekwerk afgebeeld is en waar »vertoont wort, hoe zich het Compagnieslant opdoet, als men 14 deel van een mijl van de Kruishoek afleit.” De in het Z.Z.O. geziene toppen van hoog gebergte zijn de Mineraelberch, van wiens voet niet ver verwijderd Vries ten anker gekomen was, en dien wij nader zullen leeren kennen, het in Z.t.W. 3 mijlen afliggende land is Caep van der Lijn en het in het N.O.t.O. 5 à 6 mijlen noordelijkste land Caep Schouten terwijl hij 12 mijl ver van de Cruishoek af was. Van het schip uit zag men in het Z.W.t.Z. de N.O.hoek (K. Seworosi) en Z.W.t.W. de N.W.hoek (K. Okkebets) van het Staaten eiland, waarvan de N.O.hoek Caep de Vries genaamd was. De 20 mijlen afstand bewesten van het K. Okkebets geziene 2 ronden bergen konden de bovengenoemde kegelbergen bij K. Tosifuri zijn, waarvan de beide het verste afgelegene de Sjusi nobori en Itomatse nobori genaamd worden, de overeenstemming van de N.O.hoek van het Staaten eiland met Caep de Vries is door deze peilingen buiten allen twijfel gesteld en het voorzetsel de, dat men in lateren tijd dikwijls voor den naam van Vries geplaatst vindt, laat zich ook uit deze benoeming verklaren.

Lapérouse heeft, zoo als bij herhaling gezegd is, den N.westelijken uithoek van het Staaten eiland voor Caep de Vries gehouden en ook op zijne kaart met dezen naam gekenmerkt. Daar wij op onze kaart van Jezo en de Kurilen den naam van de Caep de Vries weder teregt gebragt hebben, zoo willen wij aan de N.westelijken uithoek, die nameloos geworden is, den naam van Kaap de Lapérouse geven en op deze wijze aan den grooten en ongelukkigen Franschen zeevaarder hulde doen, die aan onzen Nederlandschen eene zoo hoogen achting toegedragen heeft[102]. Lapérouse was dan ook de eerste die na Vries deze straat teruggevonden heeft (op den 20 Augustus 1787). De ankerplaats werd bevonden te liggen op 46° 6′ N.Br. en 168° 9′ O. v. Teneriffe of 146° 48′ 36″ O. v. Greenw., hetwelk met de boven vermelde verbetering van +3° 149° 48′ O. v. Gr. zijn zoude en nagenoeg met de waarnemingen van Golownin overeenkomen, die de aardrijkskundige ligging van Kaap van der Lijn, die ongeveer 3 mijlen in het Z.t.W. van de ankerplaats aflegt, op 45° 39′ N.Br. en 149° 34′ O.L. bepaald heeft. »Tusschen het schip en de wal bevont (Coen) een opgaande gront, 14 mijl van lant diep 30 vadem santgront, een gotelingsschoot van lant diep 19 vadem steenige gront.” »Zij hadden hier veel slecht water” en »laegen hier met groote peryckel gezet;” eene betere legplaats konden zij echter niet vinden; aan den wal komende vond men echter eene goede gelegenheid om water te halen. Het scheen hier eerst voorjaar te zijn (20 Junij), de elsenboompjes begonnen te bloeijen, de kruiden groenden[103] en bloeiden en de leeuwerik zong liefelijk. Men zag eenige roode vossen en een spierwitten, ook sporen—eene hut en een geraamte, waarschijnlijk eene begraafplaats—maar geene menschen.