Reeds vroeger hebben wij er over gesproken dat de gemeente van Boeddha feitelijk een monnikengemeente is: zoodat wie ernstig naar het licht tracht, monnik moet worden.
Dat monnikendom is echter gansch iets anders, dan wij Westerlingen zouden denken. Een monnik: onwillekeurig denken wij dan aan de Roomsch-Catholieke monniken, personen, die evenals de geheele priesterschap met een wijding zijn bekleed, waardoor zij als tusschenpersonen gelden tusschen God en den mensch. Zoo iets vinden wij, waar het Boeddhisme ook maar eenigszins zuiver is bewaard gebleven, niet. Hun monniken deelen geen Sacramenten uit, dragen geen sleutelen van hemel en hel: zelf moet de mensch de weg des heils zoeken en vinden. Aan niemand heeft in de oogen van Boeddha’s volgelingen de Allerhoogste zijn gezag in handen gegeven: Hij werkt door eeuwige wetten: zijn wil is kenbaar in de wet van oorzaak en gevolg, die iedereen kan verstaan. De monniken vormen eenvoudig een vrije broederschap, welke ten doel heeft den weg te volgen, die tot de bevrijding leidt.
Zoo was het van den aanvang af. Niet lang na den dood des Verhevenen vroeg een minister van koning Ajātasattu aan Ānanda: „Is, vereerde Ānanda, een bepaalde monnik door den vereerde aangewezen, van wien hij gezegd heeft: deze zal na mijn dood uw toevlucht zijn?”
Ānanda antwoordde ontkennend. „Heeft dan,” vervolgde de minister, „de gemeente een bepaalden monnik benoemd, heeft een aantal oudsten van hem verordend: „Hij zal na den dood des Verhevenen onze toevlucht zijn?” Ook nu antwoordde Ānanda ontkennend. En de ander vervolgt: „Wanneer het u aan een toevlucht ontbreekt, vereerde Ānanda, hoe is er dan eenheid onder u?” „Het ontbreekt ons niet aan een toevlucht, o Brahmaan, wij hebben een toevlucht, de leer.”
M.a.w. geen hiërarchie of iets dergelijks. Zoo was het voorheen, zoo is het nog onder Boeddha’s volgelingen. En in weerwil (of juist daardoor?) daarvan is der monniken leven van de dagen van den Verlichte af tot nu toe vrijwel hetzelfde gebleven. Als wij vergelijken, wat Fielding vertelt over de monniken van het tegenwoordig Boeddhisme in Birma en Oldenberg over die van de eerste tijden, dan schijnt bijna alles hier zuiver bewaard te zijn gebleven.
We willen u dan over der monniken eigenaardig leven een en ander meedeelen. In de eerste plaats merken wij op, dat, in het algemeen, de toegang tot de gemeente (Sangha) voor ieder openstaat.
„Geopend zij voor allen de poort der eeuwigheid, wie ooren heeft, hij hoore en geloove ’t woord.”
Toch wordt voor sommigen een uitzondering gemaakt. B.v. voor die aan ernstige lichaamsgebreken of krankheden lijden, voor zware misdadigers, voor soldaten, schuldenaars en lijfeigenen, niet omdat deze laatste drie minder geacht werden, maar omdat hier de rechten van derden zouden worden verkort. Voorts mochten zonen niet in de orde gaan zonder toestemming der ouders en konden kinderen eerst met het 12e jaar voorloopig, met hun 20e jaar vol lid worden. Voorloopig en vol lid, bij jeugdigen van jaren kan dat eerst na eenige jaren op elkaar volgen. Bij ouderen volgt de voorloopige opname als lid en de erkenning als vol medelid spoedig op elkaar. De eerste wijding heet Pabbāja (het uitgaan, n.l. uit de wereld), de tweede Upasampadā (het inkomen).
Bij de eerste treedt enkel de candidaat zelf handelend op, bij de tweede is het de gemeente, die hem opneemt. Een en ander ging en gaat nog in hoofdzaak aldus in zijn werk. De candidaat verklaart bij het Pabbāja, dat hij deel wil uitmaken van de gemeente, eene verklaring, die ook een oudere monnik voor hem doen kan. Hij trekt daarop het gele gewaad aan, laat zich haar en baard scheren en spreekt tot de andere monnik(en): „Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha. Ik neem mijn toevlucht bij Dharma (de leer). Ik neem mijn toevlucht bij Sangha (de gemeente).”
Daarop volgt dan later, soms al spoedig, de eigenlijke opname, waardoor hij dus vol gemeentelid wordt.
Dit gaat ongeveer in deze voege. Voor de verzamelde monniken spreekt de candidaat: „Ik bid de gemeente, eerwaardigen, om de wijding. Moge de gemeente, eerwaardigen, mij tot zich opheffen, moge zij zich mijner erbarmen. Ten tweede en ten derde male verzoek ik de gemeente, eerwaardigen, om de wijding. Moge de gemeente, eerwaardigen, mij tot zich opheffen, moge zij zich mijner erbarmen. Dan volgt een soort verhoor. Er wordt gevraagd: „Hoort gij mij N......? Nu is de tijd voor u gekomen om waar en recht te spreken. Ik vraag u, hoe het met u is. Wat zoo is moet gij van zeggen: het is zoo, wat niet zoo is, daarvan moet gij zeggen: het is niet zoo. Zijt gij met een der volgende ziekten behept: melaatschheid, kropgezwel, witte uitslag, tering, vallende ziekte? Zijt gij een mensch?95 Zijt gij een man? Zijt gij uw eigen heer? Hebt gij schulden? Staat gij niet in koninklijken dienst? Hebt gij verlof van vader en moeder? Zijt gij volle twintig jaar oud? Hebt gij de aalmoezenschaal en de kleederen? Hoe heet gij? Hoe heet uw leermeester?”
Is nu het antwoord op al deze vragen bevredigend, dan wordt tot driemaal toe aan de gemeente het verzoek overgebracht hem de wijding te geven. „De gemeente hoore mij, eerwaardigen. Hier N..... wenscht als leerling van N. N.96 de wijding te ontvangen. Hij is vrij van verhindering. Hij heeft een aalmoezenschaal en de kleedingstukken. N. vraagt de gemeente om wijding met N. N. als zijn leermeester. De gemeente verleent aan N. de ordening met N. N. als leermeester. Wie van de eerwaardigen er voor stemt dat aan N. de wijding wordt gegeven met N. N. als leermeester, die zwijge, wie er tegen is, spreke.”
Komt na drievoudige herhaling geen tegenspraak, dan is de candidaat aangenomen en het heet: „N. heeft van de gemeente de wijding ontvangen met N. N. als zijn leermeester. De gemeente is er voor, zij zwijgt, alzoo neem ik dit aan.”
Nu stelt men, door de schaduw te meten, den tijd vast, waarop de candidaat is opgenomen en deelt hem vervolgens mede de vier regelen der gestrengheid in het uiterlijk leven, luidende aldus:
„De spijs van hem, die uit het huis naar het leven zonder tehuis is gegaan, zullen zijn de beten, die hij door bedelen verkrijgt. Zijn gewaad zal gemaakt zijn uit de lompen, die hij verzamelt. Zijn legerstede zal zijn onder de boomen des wouds.97 Zijn medicijn zal zijn de stinkende urine van vee.” Bereiden vrome leeken hem een maal: verleenen zij hem kleeding, onderdak, geneesmiddelen: ’t is niet verboden die aan te nemen, doch de rechte en wettige levenswijze van den monnik is deze gestrengheid van het bedelaarsleven. Dan worden hem meegedeeld de vier groote verboden, door welke te overtreden een monnik zichzelf uit de gemeente uitstoot:
1. „Een geordende monnik mag geen geslachtsomgang hebben, ook niet met een dier. De monnik, die geslachtsomgang heeft, is geen monnik meer, hij is geen leerling van den zoon van Sākya. Evenals een mensch, wien het hoofd is afgeslagen, met den romp niet leven kan, zoo is ook een monnik, die geslachtsomgang heeft, geen monnik meer, geen leerling van den zoon van Sākya. Daarvan moet gij uw leven lang u verre houden.”
2. „Een geordende monnik mag niet nemen wat hem niet gegeven is (wat men diefstal noemt) ook geen grashalm. De monnik, die een pāda98 of de waarde van een pāda of meer dan een pāda ongegeven neemt (wat men diefstal noemt) is geen monnik meer: hij is geen leerling van den zoon van Sākya. Evenals een dor blad, dat van den stengel is losgegaan, niet meer groenen kan, zoo is ook een monnik, die een pāda of de waarde van een pāda of meer ongegeven neemt (wat men diefstal noemt) geen monnik meer: hij is geen leerling van den zoon van Sākya. Daarvan moet gij uw leven lang u ver houden.”
3. „Een geordende monnik mag niet wetens een dier van het leven berooven, ook geen worm zelfs of mier. De monnik, die wetens een menschelijk wezen van het leven berooft, zij het dat hij een ongeboren kind doodt, is geen monnik meer, hij is geen leerling van den zoon van den Sākya. Evenals een groote steen, dien men in twee deelen heeft gespleten, niet meer tot één kan worden gemaakt, zoo is ook enz.”
4. „Een geordend monnik mag zich niet beroemen op bovenmenschelijke volkomenheid, mag zelfs niet zeggen: „Gaarne vertoef ik in een ledig huis.”99
„De monnik, die met booze bedoeling en uit begeerlijkheid zich leugenachtig op bovenmenschelijke volkomenheid beroemt, zij het een toestand van verzonkenheid, van verrukking, van tot zichzelf inkeeren (concentratie), van verheffing of van het pad der verlossing, of van de vrucht der verlossing, hij is geen monnik meer, hij is geen leerling van den zoon van Sākya. Evenals een afgehouwen palmboom niet meer groeien kan enz.”
Met de voorlezing dezer vier groote verboden is de ordening geëindigd. Men ziet, dat alle voorzorgen worden genomen, om onwaardigen te weren en moeilijkheden te voorkomen, doch, van werken op het gevoel, van mystiek is men hier verre verwijderd.
Het is dan ook geen wijding in een geestelijken stand, die een onverliesbaar karakter verleent, het is de vrije aansluiting bij eene broederschap, die men ook weer verlaten kan.
Dit juist maakt dat in het Boeddhistische monnikendom niet die groote, donkere vlekken zijn te zien, welke de ascese overal met zich brengt. Wordt een monnik de drang naar de wereld te sterk, valt hem de strijd tegen de zinlijke neigingen zijner natuur te zwaar, welnu: niets belet hem heen te gaan.
Het is beter, „de geestelijke oefening vaarwel te zeggen en zijn zwakheid te erkennen,” dan als geestelijke te zondigen.
Zondigt echter de monnik tegen de hoofdgeboden, dan kan hij door de gemeenschap worden uitgestooten. Iets wat echter niet veelmalen geschiedt, daar een monnik, die tegen zijn regels handelt, zoozeer door het publiek wordt veracht (een publiek dat zijn aalmoezenschaal dan niet met voedsel vult) dat hij vanzelf tot heengaan is gedrongen.
Hebben wij gezien hoe de monniken worden opgenomen, aan welke verplichtingen zij moeten beantwoorden: wij werpen thans een blik op hun dagelijksch leven.
We merkten reeds op dat het leven der monniken zich door eenvoud moet kenmerken: doch, niet zoo dat het in overdreven gestrengheid ontaardt.
Dit komt in alles uit. Eenvoudig zijn ook tegenwoordig in Birma—een land, waar het Boeddhisme vrij zuiver de oude traditiën heeft bewaard—de kloostergebouwen doch vriendelijk door boomen omgeven. Naast het klooster vindt men pagoden: koepelvormige verhevenheden, die het graf van den meester voorstellen: waarbij men nederknielt om gedeelten uit de heilige boeken op te zeggen: soms reeds in den vroegen morgen, als het nauwelijks dag is.
Binnen in het klooster, dat meestal niet heel groot is en van hout gebouwd, ziet men een beeld van den Verlichte, doch van hem alleen: andere heiligen kent men niet. Verder gewone dingen voor huiselijk gebruik, soms enkele boeken. Want eigendom mag een monnik niet bezitten: geen geld of goed, geen artikelen van weelde.
Iederen morgen doen de monniken—bij ieder dorp in Birma is een klooster—hun rondgang door het dorp. Den blik op den grond geslagen, de aalmoezenschaal in de hand, gaan zij van huis tot huis, zwijgend staan zij een oogenblik voor de deur, en als zij voedsel ontvangen—geld mogen zij onder geen beding aannemen—gaan zij zwijgend weer verder. Voor den middag zijn ze weer in ’t klooster terug. Dan volgt de maaltijd: waarbij dan het ’s morgens verzamelde: meestal rijst, wordt gebruikt. Dat is de eenige maaltijd: op andere tijden voedsel te gebruiken is den monnik niet geoorloofd.
Na den maaltijd mogen de monniken zich niet meer naar het dorp begeven, wel mogen zij in hun klooster personen ontvangen. Trouwens: dat moet wel, in Birma toch is ook het onderricht der jeugd geheel in handen van de monniken. Deze zijn het, die haar leeren lezen en schrijven en haar gedeelten uit de heilige boeken van buiten doen leeren. Voorts is ook een groot deel van den dag aan lezen en overwegen van de heilige boeken en aan stille overpeinzing gewijd. Arbeid in den gewonen zin des woords: arbeid der handen wordt echter door de monniken niet verricht, bedelen is hun onderhoud. Die bedelaars staan echter, al bemoeien zij zich noch met de politiek, noch met de regeering—tenzij om soms voor verdrukten te pleiten—in hooge eer. Met „heer” worden zij aangesproken, ook door de voornaamsten des lands. En als een aanzienlijk man een monnik ontmoet zal hij de knie buigen en den monnik laten voorbijgaan.
Zoo gaat het dagelijksch leven der monniken in stilte en kalmte voorbij. Slechts enkele malen wordt de eentonigheid daarvan onderbroken door dat zij ter maaltijd worden uitgenoodigd en ook door 14 daagsche biechtsamenkomsten. Die biechtsamenkomsten dateeren van oude dagen, de biechtformule Patimōkha is ook zeer oud, wij vermelden die straks. Deze samenkomsten dan hebben plaats met vollen maan en met nieuwen maan, op den vastendag, een dag, die dezen naam heeft van ouds, maar waarop inderdaad door de Boeddhisten niet gevast wordt.
Op deze samenkomsten, waartoe de oudste monnik uit een distrikt de monniken oproept, komen alle monniken in een der kloosters bijeen. Niemand mag afwezig blijven: voor krankzinnigen en kranken moet een der andere broeders verklaren dat zij rein zijn. Kan niemand die verklaring afleggen, dan draagt men den zieke in zijn stoel ter vergadering, of: men komt bij zijn bed tezamen. Doch nooit mag deze heilige vergadering onvoltallig zijn.
Bij ’t licht der fakkels—de vergadering heeft in den avond plaats—nemen alle monniken op hunne bestemde plaatsen zitting. Geen leek, candidaat of non mag hierbij tegenwoordig zijn. Daarop draagt één der monniken, bij voorkeur de oudste, de Patimōkha voor: de biechtformule.
Hij spreekt dan aldus: „De gemeente, eerwaardigen, moge mij hooren. Heden is het vastendag, de 15e der halve maand. Als de gemeente bereid is moge zij vastendag houden en de biechtformule hooren voordragen. Wat moet de gemeente van te voren doen? Spreek de verklaring der reinheid uit, gij eerwaardigen. Ik wil de biechtformule voordragen.”
De gemeente antwoordt: „Wij allen die hier zijn, hooren en bedenken deze wel.”
„Wie een fout gepleegd heeft,” gaat de voordragende voort, „moge haar bekennen. Wie geen fout heeft moge zwijgen. Uit uw zwijgen zou ik afleiden, dat de eerwaardigen rein zijn.” Evenals een enkel mensch, wanneer hem een vraag is gesteld, antwoorden moet, zoo is het ook bij zulk een vergadering, als de vraag driemaal is gesteld. Een monnik, die op een driemaal herhaalde vraag een fout, die hij gepleegd heeft en die hij zich herinnert, niet bekent, is aan leugen, wetens begaan, schuldig. „Wetens uitgesproken leugens, eerwaardigen, brengen verwoesting, heeft de verhevene gezegd. Daarom moet een monnik, die iets misdreven heeft, zich dat herinnert en daarvan rein begeert te worden, zijn fout bekennen. Wat hij bekent zal hem licht vallen.”
Daarna wordt de biechtformule uitgesproken, eerst worden genoemd de vier hoofdzonden, die uitgaan uit de gemeente met zich brengen. Alzoo wordt gehandeld over geslachtsgemeenschap, diefstal, moord en de aanmatiging van geestelijke volkomenheid. Vervolgens komt de driemaal herhaalde vraag: „Ik vraag de eerwaardigen: „zijt gij van deze zonden rein?” Ten tweeden maal vraag ik: „Zijt gij rein?” Ten derden maal vraag ik: „Zijt gij rein?” Als alles zwijgt is het antwoord: „Rein zijn hieraan de eerwaardigen, daarom zwijgen zij, aldus neem ik dit aan.””
Daarop worden andere zonden opgenoemd: zulke, die een terugzetting met zich brengen; vervolgens andere, die door de bekentenis zelve kunnen worden verzoend. Wel twee honderd verschillende artikelen, die zich over het geheele leven uitstrekken worden dan opgesomd. Daarin wordt tot in kleinigheden afgedaald, doch ook kleinigheden hebben soms groote beteekenis. Zoo ging het in oude dagen onder Boeddha’s volgelingen, zoo gaat het nog.
Een bizondere, eigenaardige beteekenis had, reeds van oude dagen af, de regentijd, die in Indië ongeveer van Juni tot October duurt. Die tijd was voor reizend prediken ongeschikt en werd dus doorgebracht in stille teruggetrokkenheid. Was hij ten einde, dan kwamen de leerlingen plechtig te zamen. Allen zaten zij neder, in eerbiedige houding op den grond, met gevouwen handen hun medebroeder smeekend, om, indien hij in dien tijd een schuld had begaan, deze te noemen. „Ik noodig,” zoo heet het, „de gemeente uit, om, indien gij iets van mij gezien of gehoord hebt, of verdenking tegen mij koestert, erbarmen met mij te hebben en te spreken, als ik het inzie, zal ik er boete voor doen.”
Zoo was in oude dagen die regentijd een tijd voor godsdienstige bespiegeling en inkeer tot zichzelf. En—zoo is het ook nu nog. In Birma is dat nog de tijd, zooals Fielding100 het uitdrukt, om den grond te bereiden voor het gewas, de zielen voor de eeuwigheid. Dan leven ook vele leeken op de wijze der monniken. Zij eten voor den middag en onthouden zich van tabak. Geen spelen zijn er dan, geen huwelijken worden er gesloten. Ook worden dan de zondagsbijeenkomsten101 veel talrijker bezocht dan anders.
In Ceylon brengt ook de „wastijd” eigenaardige gebruiken met zich. De monniken verlaten hun gewone huizen en leven in kleine hutten, door de boeren daarvoor opzettelijk gebouwd. Zij houden dan een reeks diensten, bestaande in voorlezingen uit de Pitaka’s,102 de heilige boeken, waarnaar dan oud en jong, arm en rijk komt luisteren. Onder de boomen wordt een platform opgericht: overdekt, doch aan de kanten open, en met kleeden en bloemen versierd. Daaromheen zitten allen dan aandachtig neder, en vooral naar de lezing der Yataka’s, de vroegere levens van Boeddha, wordt met groote belangstelling gehoord.
Overigens wordt in de meeste Boeddhistische streken aan wat wij prediken zouden noemen weinig of niet gedaan. Wel komt in Birma des Zondags veelal een monnik in een rusthuis—overal heeft men daar rusthuizen langs de wegen, meest door milddadigheid ten behoeve van het publiek geschonken—een gedeelte uit de heilige boeken voorlezen.
Een soort predik- of priesterambt bekleedt echter de Boeddhistische monnik niet: niemand denkt er b.v. in Birma aan een monnik bij een stervende te roepen, om b.v. gebeden te zeggen. Het zijn dan ook geen tusschenpersonen tusschen God en den mensch, maar personen, die, in vrije broederschap den weg bewandelen, die tot den grooten vrede voert. Ook hun godsvereering is zeer eenvoudig: althans wanneer we daar laten het Boeddhisme, zooals het in Tibet optreedt, waar het geheel en al—beter kunnen wij het niet met een enkel woord uitdrukken—tot een Roomsch-Catholiek gekleurd Boeddhisme is geworden, met een paus, offers, plechtige, geheimzinnige ceremonies enz. Maar dat vertegenwoordigt allerminst den eigenlijken geest van dezen godsdienst.
De monnik in Birma bepaalt zich tot het uitspreken van gewijde teksten bij de pagode, waarin vooral de erkentenis dat alles ellende en verdriet is op den voorgrond treedt. Ook bij de godsdienstige feesten aldaar—het groote godsdienstige feest heeft plaats na den regentijd—is er weinig ander ceremonieel. Monniken en leeken komen in de pagodes bidden, bloemen en geschenken worden aan de monniken gegeven, de klokjes der groote pagoden luiden met vriendelijken klank: doch niets van een statigen eeredienst, die trouwens in het kader van het Boeddhisme niet zou passen.
Wel werden reeds vroeg in eere gehouden vier heilige plaatsen, met den stichter van den godsdienst in verband staande: de plaats waar Boeddha is geboren, die waar hem de hoogste verlichting ten deel viel, die waar hij het „rad der gerechtigheid draaide” m. a. w. het eerst predikte, die waar hij het Nirvāna inging.
We spraken tot nu toe enkel over monniken, doch er zijn ook Boeddhistische nonnen—hoewel veel minder in getal: de vrouwen hebben daarin geen lust, al ontbreekt het hun overigens geenszins aan godsdienstige belangstelling. Is het soms ook omdat de nonnen zoover beneden de monniken zijn gesteld? Boeddha zelf had trouwens geen lust om een nonnenorde in ’t leven te roepen,103 maar werd door de omstandigheden daartoe gedwongen.
Wat de nonnen betreft, van haar heet het o. a. „Een non, al is zij ook sinds honderd jaar geordend, moet iederen monnik, al is deze eerst dien dag geordend, de eerbiedige begroeting brengen, voor hem opstaan, de gevouwen handen verheffen, hem naar behooren eeren. Deze ordening moet zij achten, heilig houden, bewaren, eeren, en haar leven lang niet overtreden.”104
In hetzelfde geschrift wordt haar ook voorgeschreven dat zij den regentijd niet mogen doorbrengen in een distrikt, waar zich geen monniken bevinden, dat zij iedere halve maand de monniken over de biecht moeten raadplegen en hun om de prediking van het heilige woord verzoeken.
Ook bij het zelfonderzoek na den regentijd moeten zij de monniken door een bode doen vragen of dezen niets hebben in te brengen, enz.
M. a. w. de nonnen hebben zeer weinig in te brengen.
Moeten de nonnen dus in alles de monniken raadplegen, toch moet een strenge scheiding bewaard blijven. Geen monnik, die voor de nonnen moet prediken mag hun huis betreden, behalve indien hij eene kranke moet toespreken. Geen monnik mag met een non op weg zijn, op een schip zijn, naast haar zitten zonder getuigen.
Nog verdient de aandacht dat de nonnen niet—zooals monniken in Boeddhistische landen soms doen—mogen leven in de eenzaamheid van het woud.
Komen die geboden alleen voor uit het denkbeeld van de „minderwaardigheid” der vrouw? Ja en neen. Neen voorzoover het een groote dwaling zou zijn om te meenen dat de vrouwen in landen waar het Boeddhisme zuiver wordt beleden een soort slavinnen zouden zijn, dat is althans in Birma volstrekt niet het geval: de vrouw heeft daar in het burgerlijke gelijke rechten schier als de man.
De Birmaan zegt echter van de vrouw ten opzichte van zijn godsdienst: de vrouw begrijpt het zoo niet.—En—dat is het ook. De vrouwen in Birma zijn van een zachte, teeder- hartstochtelijke, liefhebbende natuur; hun vrouwelijk gemoedsleven komt feitelijk in verzet tegen sommige artikelen van hun geloof. Zij hebben een groote bewondering voor Yaçodharā, de vrouw van den Verlichte. Die was godsdienstig, maar ’t brak haar hart, dat zij scheiden moest van haar geliefde: dat kòn zij niet begrijpen. Zoo nu zijn de vrouwen in Birma nog. Zij werken mede met alle macht om bedwelmende dranken en het dooden van dieren tegen te gaan. Zij volgen nauwgezet de voorschriften van den godsdienst op: maar, zegt Fielding, indien de godsdienst haar zegt: „Verlaat al wat gij liefhebt, alles waaraan uw hart gehecht is, want het is ijdel: zie het licht en bereid uwe ziel voor den Grooten Vrede,” dan deinzen zij terug: „Heer, dat kunnen wij niet, het zou te vreeselijk voor ons zijn.”
Een man die in Birma afstand doet van de wereld wordt geprezen, een vrouw niet. Ook bij de vrouwen zijn nonnen niet in aanzien, wie tot den Groote Vrede zal komen moet eerst als man worden wedergeboren.
Der vrouwen gemoed teekent echter een zeker protest aan tegen de hardheid der Boeddhistische leer.
Dat blijkt ook bij ’t gebed: Bidden—dat is voor den Boeddhist geenszins spreken tot God, opdat hij wenschen verhoore: neen, bidden is overpeinzen van den weg des heils: is zich vertrouwd maken met de eeuwige wetten der gerechtigheid. Er wordt niet gebeden, om den Boeddha goed te doen, maar om de liefde tot hem op te wekken in ’t hart.
Toch: Boeddhistische vrouwen bidden soms anders. Fielding verhaalt:105 „Ik herinner mij dat ik eens op het terras van een beroemde pagode stond, de gouden torenspits voor mij en gebeeldhouwde altaren rondom en daar een vrouw zag liggen, haar aangezicht naar de pagode gekeerd. Zij bad vurig, zóó vurig dat haar woorden verstaanbaar waren, want zij stoorde zich aan niemand, zoo bedroefd was zij; en wat zij vroeg was dit: dat haar kind, haar kleintje niet sterven zou. Zij hield het kleine kindje in haar armen, en als zij er naar keek waren haar oogen vol tranen. Want het was heel ziek, de ledematen waren niets dan vel en been, met dikke knieën en ellebogen, en het gezichtje was geheel uitgeteerd. Het was zelfs te zwak om belang te stellen in al de nieuwe dingen rondom: het opende alleen nu en dan ternauwernood even de vermoeide oogjes.
„Geef dat hij herstelle, geef dat hij gezond worde,” riep de vrouw telkens weer.
Tot wien smeekte zij? Ik weet het niet.
„Mijn heer, er moet wel iemand zijn. Iemand. Een geest, die ’t hooren kan. Wie weet het? Er zal toch wel iemand mij helpen? De menschen zouden mij helpen, als zij konden, maar zij kunnen niet; er moet toch wel iemand zijn?”
Zoo bidden Boeddhistische vrouwen meermalen. „Vrouwen” zeggen de monniken „begrijpen het nooit—”
Hebben wij hier niet op treffende wijze het liefderijk hart van de vrouw, dat niet tevreden is met eenige wetten, die alles besturen, dat niet, ook niet voor een hoog ideaal, scheiden wil van wien zij innig liefheeft? En—hoe hoog wij Boeddha stellen: brengt dit toch niet aan ’t licht dat er in zijn godsdienst is, ik zeg niet gemis van welwillendheid, maar van warmte?
Ongemerkt zijn wij zoo van de monniken gekomen tot de leeken. Eigenlijk zijn dezen geen lid der gemeente, de gemeente is er eene van monniken. Toch: zij zijn onderwezen in de leer van den Verlichte, zij nemen bij hem en zijne leer hunne toevlucht, de vijf geboden106 zijn hun heilig.
Doch een soort lidmaatschap van een kerk hebben zij niet. De eenige censuur die over hen wordt uitgeoefend is deze: dat de monniken geen gaven van hen aannemen als zij zich zeer hebben vergrepen.
Hoe openbaart zich het Boeddhisme bij de leeken? O. a. hierin dat zij den regentijd in ’t bizonder, gelijk wij reeds zagen, wijden aan godsdienstoefeningen, ook dat zij des Zondags—vooral ook in den regentijd—in rusthuizen samenkomen, daar komt somtijds dan ook een monnik een gedeelte uit de heilige boeken voorlezen, om dan telkens weer peinzend te herhalen en te overdenken, dat het leven slechts is „ellende, moeite, verdriet.”
Of zij daarom overigens zoo terneergedrukt zijn? Neen. Hun leven gaat gewoonlijk voort in kalme onbezorgdheid. Jacht naar rijkdom is met name den Birmaan geenszins eigen. Heeft hij zich eenig fortuin vergaderd, dan laat hij rusthuizen inrichten, pagoden versieren, kloosters bouwen en dergelijke. Van ons Westersch sparen en garen weet hij niet af. Waartoe zou hij het doen? Waarom zich ’t leven moeilijk te maken? Zij hebben voorts weinig behoeften, hun leven is—in overeenstemming met den geest van hun godsdienst—evenver van weelde als van zelfkastijding.
Als wij Birma en zijn bewoners beschouwen, dan moeten wij erkennen dat de Boeddhisten—hier heb ik ook op de leeken het oog—meer van hun geloof in het leven terecht brengen dan de Christenen van het hunne. Is dat omdat het geloof beter is? Neen, maar omdat het Christendom, zooals wij het vaak opvatten, veel verder afstaat van het eigenlijke Christendom, dan der Birmanen Boeddhisme van den geest des Verlichten.
In de eerste plaats is hun geloof praktisch. Boeddha sprak weinig of niet over God, niet omdat hij niet in Hem geloofde, maar omdat hij bij voorkeur niet verder ging dan zijn waarneming, die slechts kon komen tot de wet der gerechtigheid. Zoo doen ook zijn volgelingen. ’t Is den monniken zelfs ongeoorloofd zich met het bovennatuurlijke in te laten en het ligt ook niet zeer in den geest der leeken.
Wat hun levensopvatting betreft: liefde en medelijden wordt onder hen aangetroffen, de oorlog is in hun oog een gruwel, ’t kan niet in hen opkomen die met Boeddha of het Nirvāna te verbinden, zooals soms de Christenen doen, die vaandels „wijden” en den God der heirscharen aanroepen, terwijl Jezus sprak: „die het zwaard nemen zullen door het zwaard vergaan.” Goede soldaten vormt het Boeddhisme niet, ook daarom niet, omdat het denkbeeld van discipline in strijd is met hun: „ieder werkt zijn eigen heil”.
Dat individueele toont zich ook op andere wijze eigenaardig. Als gij een weg betreedt, die u straks over een wrakke brug voert, zal niemand u waarschuwen. Als gij in het water u werpt, zal niemand u redden tegen uw zin, als gij niet om hulp roept: ongevraagde raad geldt voor heerschzucht.
Dat zelfde individueele treedt ook in hun leer over straf en boete op den voorgrond. Van Boeddha heeft men geen godheid gemaakt die de straf voor anderen onderging. Geen plaats is hier ook voor vergeving in den alledaagschen zin: de gevolgen van het kwaad moet ieder boeten, dat is een eeuwige wet, een onontkoombaar iets. Doch wie geboet heeft, heeft ook zijn straf ondergaan, en is er niet minder, doch beter om.
Hoe men dat anders—en naar mij voorkomt beter begrijpt dan wij—kwam uit in de volgende gebeurtenis, die eenige jaren geleden in Rangoon geschiedde.107
Een Engelsch officier verloor eenige banknoten. Het bleek dat een der bedienden ze gestolen had: hij werd gearresteerd en bekende. De officier had gaarne de aanklacht ingetrokken, doch dat kon niet. De jongen werd gestraft, ofschoon zijn meester hem gaarne „de schande der gevangenis” had bespaard.
Zes maanden werd hij opgesloten. De meester vergat het geval, doch, na ’t eindigen van den straftijd kwam de jongen, blij en opgewekt, bij zijn meester terug.
Hij vond dat het vanzelf sprak dat hij weer in dienst zou worden genomen. Hij had immers zijn straf nu ondergaan!
De ander wilde hem echter niet weer hebben, hij had „in de gevangenis gezeten”. En—of de jongen sprak—dat hij „langen tijd” was gestraft geweest, het mocht niet baten.
Wie had hier zuiverder moraal? De Boeddhist of de Christen? ’t Kan dunkt me aan geen twijfel onderhevig zijn, maar ’t bewijst wel dat de Christenen hun eigen geloof, althans de zoo bekende gelijkenis van den verloren zoon, nog maar slecht verstaan.
Voor ons verbasterd inzicht is straf slechts een vernedering, die wij liefst ons zelf en anderen moeten besparen, voor den ander was zij boete: reiniging der ziel—in overeenstemming immers met zijn geloof, dat ons de wet der gerechtigheid leert, die ons door lijden ten slotte voert tot den Grooten Vrede.
Als wij dit indenken, begrijpen wij ook beter het merkwaardige verschijnsel, dat zelfs aanvoerders van rooverbenden, op wier hoofd een prijs is gesteld, zich vaak vrijwillig bij den rechter komen aanmelden. De straf moet immers strekken tot heil?
Dat is het, wat hen ook vrede geeft in ’t aangezicht des doods. Geen eeuwige hel, geen hemel, die zich direct voor hen opent, gaan zij tegemoet, doch hun volgend leven hangt af van het tegenwoordige: de hemel is voor den zondaar gesloten, doch niet voor eeuwig. Eenmaal zullen allen, nadat zij wijsheid geleerd hebben uit het lijden, tot den Grooten Vrede komen.
Wanneer een Birmaan stervende is komen geen monniken gebeden zeggen: ook spreken geen bloedverwanten of vrienden met hem over ’t hiernamaals. Wat dan? Een vriend zal komen en hem zeggen: Denk aan de goede daden, die gij gedaan hebt: en die zal hij herinneren, opdat de oude van dagen bij die vriendlijke herinneringen straks zacht insluimert. Is dat geen troost voor ’t menschenhart? Ook gelooft men in Birma dat, wanneer de mensch sterft, zijn geheele leven met al zijn onderdeelen voor zijn oogen komt als een landschap, dat in den donkren nacht door een bliksemstraal eensklaps geheel verlicht wordt.
En—dit geloof rust—in ’t voorbijgaan merk ik dat op—inderdaad op goede gronden: met name personen die den dood door verdrinking nabij waren hebben van zichzelf iets dergelijks getuigd, gelijk vele westersche waarnemingen uitwijzen.
Moeten wij ten slotte niet dankbaar erkennen dat ook het licht van Azië een schoon en heerlijk schijnsel geeft voor der menschen voet, ook al zijn we niet blind voor zijn eenzijdige kleur? En is niet dit vooral de groote kracht van de Boeddhistische leer, dat wel het kwaad in zijn boosheid, het goede in zijn heerlijkheid wordt erkend, maar dat alle loonzucht hier over boord is geworpen en men in stede van een uitwendige vergelding erkent een eeuwige, onwankelbare ordening, die rust en vrede geeft aan ’t hart, dat uitgaat naar liefde en plicht, doch duisternis aan wie haten en onrecht doen?
Geen godsdienst kunnen wij ons voorstellen, geschikt voor de kinderen van ons geslacht, of in deze dingen moet hij bij Boeddha ter schole gaan.