1 Essai sur la legende du Buddha. Paris 1875.
2 Vleeschwording der godheid, m. a. w. die teekenen zouden toonen dat hij een vleeschwording der godheid was.
3 Een bekend Boeddhistisch geschrift.
4 M. a. w. een der vroegere openbaringen van de godheid.
5 God des doods, zie Brahmanisme op blz. 9.
6 De vijf gehechtheden, hiermede worden bedoeld: lichamelijkheid, gewaarwordingen, voorstellingen, neigingen en bewustzijn. De bedoeling van dezen eenigszins duisteren zin, uit Boeddhistische teksten ontleend, is waarschijnlijk: waar men de vijf gehechtheden heeft achtergelaten zal geen ouderdom, ziekte of dood zijn. Waar men dus verheven is boven strijd en moeite.
7 Amrita, letterlijk: levensdrank.
8 Rishi’s, zie Brahmanisme blz. 8.
9 Jina = iemand, die zijn lagere natuur bedwingt.
10 Dit ziet op vroegere levens van den Boeddha.
11 De boom, waaronder Boeddha tot het ware inzicht kwam.
12 = Levensdrank onsterfelijk.
13 Jaarlijks stierf de zonnegod als zonnepaard (ons sterrenbeeld aries = de ram) om volgens de Indiërs alle vleesch te redden. Vandaar ook het paardenoffer.
14 M. a. w.: Wat is de oorzaak der wedergeboorte?
15 M. a. w.: Waar de begeerte is gedood, daar wordt men van wedergeboorte verlost.
16 Mahāvagga I. 5. 2 enz.
17 Teeken van eerbied.
18 Zie blz. 50.
19 Mahāvagga I. 6. 10.
20 „Voleindigde”, titel waarmee Boeddha zichzelf noemde, evenals Jezus sprak van „de Zoon des Menschen”.
21 „Nirvāna” een woord over welks beteekenis veel verschil is. De Boeddhisten duiden er het hoogste heil mee aan, dat boven alle lust is verheven.
22 Hiermee worden bedoeld de vijf elementen, waaruit volgens het Boeddhisme de menschelijke persoonlijkheid bestaat. Zij worden ook wel genoemd de vijf Skandha’s, en zijn: lichamelijkheid, gewaarwordingen, voorstellingen, neigingen en bewustzijn.
23 In den zin van „begeerte”.
24 Hernieuwd bestaan.
25 Een geijkte formule zijn deze woorden ook thans nog in het Boeddhisme.
26 Feitelijk vormen de Boeddhisten, zooals wij nader zien zullen een monnikengemeente, doch ook als leek kon men den verlichte eeren en hem volgen op een afstand.
27 Asceet.
28 Men zie op blz. 51 en 52 Boeddha’s bespiegeling onder den Bō-boom.
29 getiteld: „De vraag van Upatisa” (een andere naam voor Sāriputta.)
30 Sānjaya’s leerlingen.
31 Rishi’s, zie over hen blz. 8.
32 Volgens het Boeddhistische geschrift „Dhamma pada”, een verzameling, grootendeels van spreuken.
33 Jātaka: d. w. z. verhalen over vroegere levens.
34 De leer, de wet.
35 De Boeddhistische monniken hadden en hebben haar en baard afgeschoren.
36 De oudste naam der Boeddhisten.
37 Dat later het Boeddhisme de verdrukten hielp verlossen, zullen wij zien als wij over koning Açoka handelen.
38 Zie blz. 63.
39 d. i. kloosters.
40 Zie bladz. 58.
41 Het verhaal over Visākhā in Mahāvagga. VIII. 15.
42 Mahā Prajāpatī.
43 Deze aanhaling zoowel als het thans volgend verhaal naar Dīgka Nikāya.
44 H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof in Burma). vertaald door F. Ortt. ’s-Gravenh. 1900.
45 Volgens Anguttara Nikāya.
46 Zie blz. 56.
47 Een Cingaleesch Boeddhistisch geschrift.
48 Dit is de waarschijnlijke afwerking van dezen niet afloopenden zin.
49 De hooge verlichting in de rede.
50 Ook Prof. Rhys Davis, die overigens daartoe wel geneigd is, erkent het geloof der oude Boeddhisten in een bovennatuurlijke kennis, Abhinnā, en bovenzinnelijke vermogens, Iddhi. Men zie zijn Buddhism. 1899. pag. 174.
51 Hier wordt geteekend „de kracht van vriendelijke gedachten”, ook tegenwoordig wel bekend, waarop wij wellicht later nog terugkomen. Men zie ook blz. 76.
52 Dhammapada.
53 Dhammapada.
54 Het licht van Azië. vert. door Dr. H. U. Meyboom. Amsterdam. 1881. blz. 166, 167.
55 Zie bladz. 172. a. w.
56 Bhikshu = bedelaar, Muni = zwijgende, omdat de monniken zwijgend rondgingen met hun aalmoezenschaal.
57 Chineesch spreekwoord.
58 De boven aangehaalde spreuken zijn aan verschillende Boeddhistische geschriften ontleend.
59 Uit Mahāvagga, deze rede zou gericht zijn tot de duizend kluizenaars van Uruvelā.
60 Men vergelijke ook op blz. 71 het gesprek met een Brahmaan over het ware offer.
61 Uit Mahāvagga.
62 Uit Doedhā-vitakha Sutta.
63 Naar het water.
64 Chineesche uitdrukking voor Nirvāna.
65 Soort van vergiftige slang.
66 Een soort vogel.
67 Of Iddhi = door haar in „verrukking van zinnen” te brengen.
68 Letterlijk: oud man, een soort Boeddhistische heilige.
69 Vrouwenverblijf.
70 Indische wetboek van voor-Boeddhistischen oorsprong. Thans o.a. nog in Birma geëerd.
71 Lieden die tot geen caste behooren, dus verachtten in de maatschappij.
72 Soort muziekinstrument.
73 Goudstukken.
74 nl. Boeddha, Dharma, Sangha: de verlichte, de leer, de gemeente.
75 Mahayana, groote overtocht, Hinayana, kleine overtocht. Alzoo heeten de twee scholen, waarin het oorspronkelijke Boeddhisme zich splitste en die beiden hun eigenaardige opvattingen en litteratuur bezaten.
76 Açoka was koning over een deel van Indië in de 3e eeuw voor Christus.
77 Rahat of Arahat: een, die niet meer wederom geboren behoeft te worden.
78 Zie pag. 56.
79 Samyuttaka Nikāya.
80 Zie H. Fielding. De ziel van een volk, vertaald door F. Ortt. Drukkerij „Vrede” ’s-Gravenh. 1900.
81 Vgl. blz. 112.
82 Dit Ātman beschouwen zij als Brahmā in den mensch, het goddelijke in ons, vgl. blz. 12, 13.
83 n.l. diegenen, die als Makhali Gosāla, zie blz. 74, gelooven dat het ik, na een aantal zielsverhuizingen doorgemaakt te hebben, ’t zij goed of boos, in den dood ondergaat.
84 Milinda is de Grieksche koning Menander, die ongeveer 100 jaar voor Christus leefde en Indië aan zich onderwierp.
85 Zie blz. 95 enz.
86 Uit Dhammapada.
87 Cariyā Pitaka. III. 15.
88 M. a. w. naar alle vier de windstreken, zie blz. 78, waar hetzelfde onderwerp wordt aangeroerd.
89 Cullavagga. VII. 3.12.
90 Zie blz. 100, 101.
91 Kant verhaalt dat hij door deze voortgezette oefening deelen van zijn lichaam, die anders niet onder de heerschappij van zijn geest stonden, kon beheerschen.
92 Samyuttaka Nikāya. vol. I fol. ghā.
93 Ook dit verhaal naar Samyuttaka Nikāya. vol. II. fol. ja.
94 Blz. 324. a. w.
95 Geen slangendemon in menschengedaante.
96 Een der oudere monniken, die hem voordraagt.
97 Waarschijnlijk vertoefden de oudste volgelingen vooral onder boomen; doch ook tegenwoordig zijn de kloosters altijd met boomen omgeven.
98 Zeer kleine munt.
99 M. a. w. zich beroemen op zijn liefde tot een eenzaam, bespiegelend leven.
100 De ziel van een volk blz. 175.
101 Waarbij een monnik uit de heilige boeken voorleest.
102 Pitaka’s = korven, de drie heilige boekverzamelingen der zuidelijke Boeddhisten, waarvan het eerste handelt over Vinaya (de orde). Het tweede over Dharma (de leer), het derde over Abhidharma (het geloof). Ieder dier afdeelingen bestaat uit tal van geschriften. Vele zijn uitgegeven en vertaald in de verzameling „Sacred books of the East.”
103 Vlg. op bl. 70 het gesprek met Ānanda.
104 Cullavagga XI. 4.
105 a. w. blz. 17.
106 Zie blz. 119.
107 Fielding a. w. blz. 108 en volg.
108 Naam, dien Açoka droeg.
109 Grafteeken, gedenkteeken.
110 De bedoeling schijnt te zijn dat deze boomen ’s nachts de monniken tot toevlucht zullen strekken.
111 Over het laatstgenoemde zie bl. 109–111 van dit werk. Upatishya of Upatissa is een andere naam voor Sāriputta, zie blz. 58 en 59.
112 Waarschijnlijk waren er ook olifanten bij, die worden heel wat ouder dan menschen.
113 Zie blz. 118 en 119.
114 Woorden, die Boeddha zou geuit hebben, toen hem onder den Boddhiboom de verlichting ten deel viel.
115 Zie blz. 126.
116 deze zijn: 1 geen leven vernietigen. 2 niet stelen. 3 zich voor onreinheid wachten. 4 niet liegen. 5 geen bedwelmende dranken gebruiken. 6 niet op verboden tijden eten. 7 van dansen, zingen, muziek en tooneelvoorstellingen zich onthouden. 8 geen kransen, parfumerieën, zalven of sieraden gebruiken. 9 geen hoog of breed bed gebruiken. 10 geen goud en zilver aannemen.