VII. De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme.

Wanneer wij het hier genoemde onderwerp wilden behandelen in alle uitvoerigheid, zouden wij nog wel een gansch lijvig boekdeel daaraan kunnen wijden. We zouden dan moeten spreken over verschillende secten, die in de schoot van het Boeddhisme ontstonden, over al de landen, waarheen het zich uitbreidde, en de wijziging, die het daarbij soms onderging. Dat alles zou ons echter te ver voeren en niet passen bij het kader van dit werk. Toch zijn een paar dingen uit de geschiedenis van het Boeddhisme voor ons van zooveel belang, dat wij daarover niet willen zwijgen. En wel: de verschillende oude kerkvergaderingen, het vormen van de verzameling der Heilige Schriften, het optreden van het Boeddhisme als door den staat beschermde godsdienst onder Açoka, en ten slotte met een enkel woord: de uitbreiding van het Boeddhisme in andere landen en zijn ondergang in Indië.

Allereerst dan over de oude concilies. Drie worden ons genoemd: dat van Rājagriha, van Vaisāli en van Patna. Het eerste zou gehouden zijn, aldus verhaalt Buddaghosa, een soort Boeddhistische kerkvader, nabij Rājagriha. Daar toch waren achttien groote kloosters, met monniken gevuld. Men verzocht dus van hunnentwege aan den koning van Rājagriha, of hij een groot hol in de bergen ten hunnen behoeve voor die vergadering wilde inrichten.

De koning, zoo gaat het verhaal voort, was daartoe volkomen bereid. Alles werd keurig in gereedheid gebracht: er waren vijfhonderd bekleede zitplaatsen voor de monniken, een spreekgestoelte voor den voorzitter.

Twee maanden lang had men daarmede werk. De monniken werden uitgenoodigd en kwamen bijeen—’t was in den wastijd. Eerst bestond de vergadering niet uit het volle getal: er waren er 499, Ānanda had niet verkregen de Prajnā Parāmitā, de kennis der onzienlijke wereld. Dus was één zetel vacant. Doch, toen Ānanda des nachts peinsde, kwamen de wonderbare krachten over hem: en—door den vloer heen bereikte hij den zetel, voor hem gereed gehouden.

Kasyapa was voorzitter en noodigde Upali uit om voor te dragen de regelen, door Boeddha over de orde gegeven (Vinaya). Upali zat in de preekstoel, voor Boeddha bestemd, met den ivoren waaier in de hand. De monniken zongen na wat men hun voordroeg.

Daarna kwam Ānanda in het spreekgestoelte en droeg de uitspraken over de leer (Dharma) voor. Het eerste der Sutra’s, door Ānanda voorgedragen, was Brahmajala Sutra.

Nu zijn de volgende punten zeer merkwaardig: in het jaar 16 v. C. had ook een concilie plaats, naar de faam zegt van 500 monniken. Er waren er slechts 499, één was uitgesloten, doch verricht een wonder en wordt chef.

Dit concilie was bijeengeroepen door koning Kanishka, die over een groot deel van Indië toen regeerde. En—naar het schijnt, heeft hier de, later zich vormende, Mahayana school, eene overwinning behaald op het meer oorspronkelijk Boeddhisme. Nu rekenen sommige geleerden het Brahmajala sutra ook tot de boeken dezer school, naar mij voorkomt terecht; omdat het niet den geest van het oorspronkelijke Boeddhisme ademt.

En ook op dit concilie hield men zich bezig met de heilige boeken, met name om daarop commentaren te maken en wel op de Sutra’s, de Vinaya en de Abhidharma: welke drie ook volgens de zuidelijke Boeddhisten den heiligen canon vormen. Het ligt dus mijns inziens voor de hand, dat dit heele concilie van Rājagriha niets anders is dan een poging om—wat later gesanctioneerd werd—de goedkeuring der oudheid te geven door het reeds kort na Boeddha’s dood geldig te maken.

Even onzeker schijnt wat verhaald wordt over het tweede concilie, dat ongeveer 100 jaar later gehouden werd. Meer op vasten grond komen wij echter bij het 3e, dat van Patna, dat ongeveer het jaar 244 in Patna werd gehouden, in de dagen van koning Açoka. Waarschijnlijk is daar met de verzameling der heilige boeken een begin gemaakt. Over Açoka en zijn werken willen wij echter uitvoeriger spreken, omdat het hier een vorst geldt, die het Boeddhisme met groote kracht heeft bevorderd en wiens naam nog immer door de gansche Boeddhistische wereld een goeden klank heeft. Zooals bekend is drong Alexander de Groote in de 4e eeuw vóór onze jaartelling zegevierend tot in Indië door. In die dagen was Magadha de hoofdstad geworden van een vrij groot koninkrijk, dat echter voor de macht van Alexanders wapenen moest bukken.

Een avonturier, uit de handen van den koning van Magadha ontsnapt, zocht bij Alexander zijn toevlucht. Deze rebel vergaderde de stammen van den Pendsjab rondom zich en—toen in 315 v. C. de koning van Magadha werd vermoord, plaatste hij zich op diens troon. De Grieken verjoeg hij uit Indië. Deze troonsbeklimming was zeer merkwaardig, omdat zij bewees dat de oude Indische maatschappij voorbij ging: Chandragupta toch was een man van lage caste, evenals zijn partijgenooten. Juist in die dagen kwam het Boeddhisme op en nam snel in invloed toe. Waarschijnlijk begunstigden reeds Chandragupta en zijn zoon dit nieuwe geloof. Zeker is het dat zijn kleinzoon, Açoka, er toe over ging en de groote koning der Boeddhisten werd. Hij was inderdaad de Dharma Raj (koning der gerechtigheid), waarvan Boeddha, toen hij in 520 v. C. onder een vijgeboom zat, had gedroomd.

Açoka, die 24 jaren telde, toen hij den troon beklom, was eerst een vroom Brahmaan, die 50.000 Brahmanen dagelijks voedde. Ook was hij zeker een dapper en bekwaam krijgsman; althans hij veroverde een groot deel van Indië. Zekere monnik Nigrauda bekeerde hem tot het Boeddhisme. De koning werd daarvoor nu een groot ijveraar en—tal van inschriften, door hem in rotsen en steenen gebeiteld in bijna alle streken van Indië—leggen er getuigenis van af, hoe ernstig hij zijn taak opvatte om de nieuwe leer ingang te doen vinden en in het maatschappelijk leven de hervormingen in te voeren, die zij eischte. Deze inschriften zijn ook in ander opzicht voor ons van groote waarde. Immers de ouderdom der boeken staat niet altijd vast en—volgens nagenoeg eenstemmig oordeel der geleerden—stond Açoka’s Boeddhisme vrij dicht bij het oorspronkelijk. Zij zijn grootendeels uitgegeven en alzoo onder het bereik der geleerde wereld gebracht.

We willen er enkele van aanhalen, die ons doen zien welke denkbeelden over God en toekomstig leven door den beroemden koning werden gekoesterd.

„Veel te verlangen naar de dingen (dezes levens) is ongehoorzaamheid, zoo herhaal ik: (ongehoorzaamheid) is ook de (altijd) werkzame zucht naar grondgebied bij een vorst, die den hemel wil gewinnen. Belijd God (Isāna) en geloof in Hem, die het waardig voorwerp der gehoorzaamheid is. Want gij zult geen middelen vinden om den hemel te winnen, aan dit geloof gelijk. O, streef er naar om dit onschatbare kleinood te verkrijgen.”

„Aldus spreekt koning Devānampiya Piyadasi (de door de goden geliefde108): Het tegenwoordig oogenblik en het verleden zijn onder dezelfde vurige hoop voorbijgegaan: Hoe zal door de bekeering van den koninklijk geboorne de godsdienst worden uitgebreid? Als deze zoo toeneemt door de bekeering van de laaggeborenen, hoe zal hij dan toenemen als de hooggeborenen overtuigd worden? Overal waar de naam van God in eere is, waarlijk daar is godsdienst.

„Aldus sprak Devānampiya Piyadasi: Daarom heb ik van dit oogenblik af gezorgd dat er godsdienstige redenen werden gehouden, ik heb godsdienstige plichten aangewezen, opdat de menschen daarna luisterend, er toe gebracht worden het rechte pad te volgen en eere te geven aan God.

Ook over een volgend leven laat Açoka zich uit: „Al de moed (heet het elders) dien Piyadasi, de geliefde der goden, heeft getoond is ten opzichte van een volgend leven. Aardsche roem brengt weinig voordeel, doch veroorzaakt integendeel, verlies van deugd.

Voor den hemel te werken is moeilijk voor een boer en voor een prins: tenzij zij met uiterste krachtsinspanning alles opgeven.

Mogen mijne liefhebbende onderdanen geluk verkrijgen in deze en in een volgende wereld.

De beminde der goden spreekt aldus: Meer dan twee en dertig en een half jaar lang ben ik een hoorder der wet geweest, doch ik beijverde mij niet met alle inspanning. De goden, die voor dien tijd in Jambudvīpa als ware goden werden beschouwd zijn nu afgezworen... Een klein (eenvoudig) man, die zichzelf wat oefent kan voor zichzelf groote hemelsche zegen verwerven, en met dat doel is deze prediking uitgesproken. Beide, grooten (hoogen) en kleinen moeten zich oefenen en zullen ten slotte (ware) kennis verkrijgen. En deze wijze van handelen zal wat zijn? Van groote gevolgen. Want het geestelijk goed zal groeien, en zal steeds sneller groeien, ten slotte zal het telkens met de helft worden vermeerderd.

„Deze prediking is gehouden door hem die is heengegaan. Twee honderd vijftig jaren zijn er verloopen na het vertrek van den leeraar.”

Alles in deze opschriften moge niet geheel duidelijk zijn, zooveel is toch wel zeker, dat het Boeddhisme van Açoka allerminst een soort atheïsme mocht heeten. Een en ander stemt overeen met wat wij reeds vroeger opmerkten, b.v. dat de oude Boeddhisten zich Brahmacharin, vereerders van Brahmā noemden en dat in een gesprek met de Brahmanen Boeddha niet zegt: Brahmā vereeren is onzin, maar wel: uw uitwendige vereering van Brahmā deugt niet.

Doch, wij komen tot Açoka terug. Deze vergenoegde zich niet met in edicten het Boeddhisme aan te prijzen, neen, hij trachtte de beginselen van het nieuwe geloof ook in staat en maatschappij door te voeren. Terecht kan men van hem zeggen, dat hij Wilberforce vooruit was in den strijd tegen de slavernij, Tolstoï in zijn begeerte om het zwaard weg te werpen, Rousseau en Fichte in hun wensch om den innerlijken godsdienst aller eigendom te maken. Ook is treffend zijn zorg voor de dieren. We willen u, aan de hand der opschriften zelve laten zien, hoeveel Açoka tot stand bracht.

Wat betreft zijn belangstelling in den inwendigen godsdienst denken wij b.v. aan het volgende inschrift: Piyadasi, de vriend der goden, hecht minder waarde aan aalmoezen en uitwendige plechtigheden, dan aan het bevorderen van den bloei van den inwendigen godsdienst.”

„Voortgang in Dharma (de ware leer, de deugd) kan op tweeërlei wijze worden verkregen, door vormelijke regels, en door de gevoelens, welke deze opwekken in het hart. In dezen dubbelen invloed heeft de eerste een zeer geringe waarde, de innerlijke opwekking is slechts in waarheid belangrijk.”

Wat zijn afkeer van den oorlog betreft denken wij aan deze inscriptie:

„Piyadasi, de vriend der Devas, (goden) stelt alleen op prijs den oogst van het volgend leven. Daarom alleen is deze inscriptie gegrift, opdat onze zonen en kleinzonen geen nieuwe veroveringen zouden maken. Laten zij niet denken dat veroveringen met het zwaard den naam verovering verdienen. Laten zij zien den ondergang, de verwarring, de hartstocht die zij medebrengen. Ware veroveringen zijn alleen die van Dharma.”

Açoka zorgde voor mensch en dier, hij maakte aan slavenmishandeling een einde, verbrak de slavenketenen der menschen, zorgde voor reizigers en monniken op liefderijke wijze.

Hierover vermelden de opschriften het volgende:

„Vroeger werden, in de groote eetzaal en den tempel van koning Piyadasi, den vriend der goden, dagelijks honderd duizende dieren geslacht om tot voedsel te strekken met hun vleesch .... doch nu weerklinkt telkens weer het koor dat voortaan geen dier meer zal worden ter dood gebracht.

Als een mensch onderworpen is aan slavernij en slechte behandeling, zal hij van dit oogenblik af door den koning van deze en andere gevangenschap worden bevrijd. Vele menschen in deze streken kwijnen in de gevangenis, daarom was de Stūpa109, die de bevelen des konings bevat, zeer noodig.

Overal is gevestigd het dubbele systeem van geneeskundige hulp van koning Piyadasi, medische hulp voor menschen en medische hulp voor dieren... En waar er geen voorraad is (van kruiden), in al deze plaatsen moeten deze worden geplant en gedroogd, zoowel wortels als kruiden. Overal waar er geen voorraad van is, moeten zij worden aangebracht en geplant. En aan de groote wegen moeten bronnen worden gegraven en boomen geplant, tot het welzijn van mensch en dier.

In sommige Boeddhistische landen zijn de kloosters ook tegenwoordig de eenige plaatsen waar men logeeren kan, en de monniken de eenige dokters. Waarschijnlijk is dus ook hier gedacht aan boomen, die geplant moeten worden bij de Saugharāma, zooals het toen heette. Saugharāma = tuin der monniken, terwijl deze zelf toen Pavajitāni’s (huisloozen) heetten tegenover de Gahathāni (die een huishouden hebben) waarmee waarschijnlijk de Brahmanen bedoeld worden.

Doen dus reeds deze aanhalingen vermoeden dat in die dagen de monniken meer onder boomen, dan wel in huizen woonden, de volgende uitspraak van Açoka komt daarmede overeen.

„Wanneer godvruchtigen zullen verblijven bij den heiligen vijgeboom, of daaromheen rondwandelen ten einde vrome verrichtingen te volbrengen, zal het een voordeel en een genoegen voor de landstreek en hare bewoners zijn om geschenken hun aan te bieden, en overeenkomstig hun edelmoedigheid en anderszins, zullen zij voorspoed of tegenspoed genieten. Zij zullen dankbaar zijn voor de komst van het geloof. Wat dorpen of hun inwoners voor de zaak van den godsdienst mogen geven of in stand houden, de gewijden (monniken enz.) zullen het zelfde ontvangen, en, ten voorbeelde van mijn volk zullen zij gestreng in de eenzaamheid leven. En eveneens zullen de gewijden, welke zegeningen zij ook uitspreken, daarin overvloedig zijn.

Voorts zal het volk in den nacht110 tot toevlucht hebben den grooten myrobolanpruimenboom (Terminalia chebula) en den heiligen vijgeboom. Mijn volk zal den grooten myrobolanboom vermeerderen. En daar mijn godvruchtigen dit doen voor het genoegen en het welzijn van het dorp, waar zij verblijven, mogen zij rondom den schoonen en heiligen vijgeboom een liefelijk verblijf hebben bij het volbrengen van vrome daden.”

Wij hebben hier nog niet de kloosters alzoo, doch: een overgangsvorm. Terwijl in den eersten tijd Boeddha’s monniken twee aan twee uitgingen ter bekeering, zien wij hen nu meer bepaalde woonplaatsen innemen in de nabijheid van eenig dorp. Straks komen zij in kloosters, in gebouwen te wonen.

We kunnen echter, met het oog op de toestanden in Açoka’s tijd, dezen overgang zeer goed begrijpen.

Açoka toch had Indië veroverd, en had nu noodig een leger van verlichte monniken ten einde zijn rijk voor het Boeddhisme te winnen. Dat groote leger moest worden gevoed: vandaar dat aan dorpen en steden werd opgedragen voor de monniken te zorgen: ook nu nog een geliefkoosde taak der leeken in Boeddhistische landen. Vandaar ook de zoo uitgebreide aanplantingen van mango’s, bananen enz. Ook van de planting van deze boomsoorten wordt in een der edicten van Açoka gesproken.

Uit deze opschriften blijkt voorts dat er drie jaarlijksche groote feesten waren in die oude dagen, wier datum in verband met de maan werd vastgesteld, feesten, waarbij olifanten, toortsen, optochten enz. te pas kwamen. Tempels schenen er toen nog niet te zijn, de godsdienstige plechtigheden hadden plaats in tempels van ongekorven hout met de sterren als lampen. Açoka deed wat hij kon om het Boeddhisme uit te breiden, en, al gingen de monniken in die dagen ook reeds zwijgend rond, toch waren zij waarschijnlijk overigens niet zoo gesloten, hun taak toch was: propaganda maken voor het nieuwe geloof, waarbij hun echter werd ingeprent vriendelijk en meegaand te zijn tegen de „ketters.” Door zulke verzoenende manieren zullen zelfs de ketters gunstig worden gestemd en zulk een gedrag zal het aantal bekeerlingen doen toenemen.

Dat het echter toch propaganda moest zijn, blijkt uit het volgende in een der edicten:

„Sinds langen tijd zijn er geen dienaars van den godsdienst geweest, die, zich bewegende onder de ongeloovigen, hen met een overstrooming van godsdienst overstelpten, met een overvloed van heilige leeringen. Door Cambodja, Gāndhāra, Surasthra, Petenica en elders zijn er nu aangewezen (als zendelingen), die hun weg vinden tot op de uiterste grenzen der barbaarsche landen, voor het heil van allen. Omgaande zoowel met de gevreesden als met de geachten, in Pataliputra zoowel als in vreemde plaatsen, betere dingen leerende, zullen zij overal doordringen.”

Zoo zwerven dus Açoka’s monniken als echte huisloozen (pavajitāni) overal rond om hun nieuw Evangelie te brengen.

Ook voor het uitwendige van den godsdienst deed Açoka veel. Hij bouwde vier stūpa’s (grafheuvels) ter eere van den Verlichte: één op de plaats, waar de Verlichte was geboren, één waar hij de verlichting deelachtig werd, één te Benares, waar hij het eerst predikte, één te Kusinārā, waar hij het Nirvāna inging.

Men weet welke gedachten men over de stūpa’s had. Een dood man was volgens de oude Indiërs (en nog is er iets van dat geloof over) machtiger dan een levend persoon. Meestal stelde men zich voor dat zijne kracht zich openbaarde, waar zijn lijk rustte, en men groef zelfs daarbij heilige vijvers, waar een buitengewone versterking den vereerders der heiligen ten deel viel. Over het graf bouwde men dan een koepeldak, daar vereerde men de dooden en bracht hun offers. Zoo nu deed men met Boeddha ook. In eene oude Chineesche Boeddhistische liturgie heet het: Ik beschouw het gewijde altaar als eene koninklijk edelgesteente, waarbij de schaduw (geest) van Sākya Tathāgata verschijnt.”

Zoo dacht men dus, bij de vereering der stūpa’s in gemeenschap te komen met Boeddha. Eer kunnen wij dus zeggen dat er in Açoka’s Boeddhisme eenig bijgeloof was, dan dat wij hem beschuldigen van een soort atheïsme, als hoedanig sommige geleerden het oorspronkelijk Boeddhisme willen opvatten.

Açoka deed nog iets anders van groote beteekenis. Hij riep een kerkvergadering te Patna bijeen in het jaar 244 v. C. waarop vooral over de gewijde boeken werd gehandeld. Naar het schijnt werd het volgende (blijkens een der opschriften des konings) vastgesteld:

„Het is wel bekend, heeren, hoe ver mijn eerbied en mijn geloof in Boeddha, Dharma en Sangha gaan. Alles wat onze heer Boeddha heeft gesproken is wèl gesproken. Daarom, heeren, moet het inderdaad worden beschouwd als van onbetwistbaar gezag. Zoo zal het ware geloof lang duren. Alzoo, mijne heeren, eer ik met de hoogste vereering deze godsdienstige werken: Vinayasamaka (lessen in discipline), Aryavasas (de bovennatuurlijke krachten der Arya’s), Anāgatabhayas (de verschrikkingen der toekomst), Munigāthas (het leven van Boeddha in versmaat), Upatisapasina (de vragen van Upatishya), Moneyasūta (de Sūtra van het innerlijk leven) en de vermaning tot Rāhula over valschheid, uitgesproken door onzen heer Boeddha111. Deze godsdienstige werken, heeren, wil ik dat de monniken en nonnen, ter bevordering van hun invloed ten goede, voortdurend zullen bestudeeren en zich herinneren.”

Sommige geleerden beschouwen dit als een uittreksel, waarin Açoka de voornaamste stukken uit een, toen reeds bestaanden canon opnoemt, zoo b. v. Rhys Davis. Anderen meenen, dat juist het concilie van Patna, waarvan dit ontwerp de besluiten meedeelt, op aansporen van den koning een aanvang maakte met den canon. Mij komt deze laatste meening waarschijnlijk voor. De zeven hier genoemde geschriften zijn allen bekend. Wat de vragen van Upatishya aangaat, dat dit geschrift hier voorkomt is niet onbelangrijk. Immers wat is de vraag die Upatishya bezighoudt? Hij ziet van een heuveltop een feest, waarop zeer velen zich vermaken. Eensklaps overvalt hem de gedachte: over twee honderd jaren zullen alle deze levende wezens een prooi zijn van den dood.112 Indien daar is een beginsel van verwoesting, kan daar dan niet evengoed een beginsel van leven zijn? Niemand kan deze vraag beantwoorden, doch Athadzi loste hem deze op door hem Boeddha’s Dharma te leeren. Doet niet ook het opnemen van dit geschrift ons vermoeden dat het oorspronkelijk Boeddhisme niet de ultra pessimistische leer was, die sommigen er van willen maken?

Açoka was dus de man, die, door het bijeenroepen eener groote vergadering, welke de bovengenoemde geschriften ijkte, den grondslag legde tot de gansche, vrij omvangrijke Boeddhistische gewijde literatuur. De hoofdzaak daarvan vormen de drie Pitaka’s (korven), welke onder dien naam door de zuidelijke Boeddhisten voor heilig en oud worden gehouden, doch wier boeken ook bij de meeste andere Boeddhisten in eere zijn. Deze drie korven bevatten tal van geschriften: de eerste korf bevat Vinaya (de tucht), de tweede Dharma (de leer), de derde Abhidharma (het bovennatuurlijke). Een groot deel dezer gewijde geschriften is tegenwoordig uitgegeven in de serie: Sacred Books of the East (gewijde boeken van het oosten.)

In het eerste gedeelte komt o. a. voor de vroeger reeds besproken Patimōkha (biechtrede), in het tweede o. a. Dhammapada, een verzameling van schoone spreuken en Jataka’s, verhalen over vroegere levens van Boeddha, een rijke bron van oud-Indisch denken en gevoelen.

Onder de Boeddhistische werken buiten deze drie Pitaka’s kunnen wij vooral noemen het „Lalita Vistara,” waarin wij de levensgeschiedenis van Boeddha in romantischen vorm vinden meegedeeld. Langzamerhand zijn deze boeken bij elkaar gekomen en door de Boeddhisten in hooge waarde erkend.

Doch wij keeren na deze uitweiding tot Açoka terug. Hij maakte blijkbaar met de doorvoering der Boeddhistische beginselen vollen ernst. In een zijner edicten heet het „dat er nooit in eenig vroeger tijdperk een systeem van onderwijs, toepasselijk op iederen tijd en iedere daad is geweest, als wat nu door mij is ingericht.”

In een ander stuk heet het: „De voornaamste middelen die ik u verschaft heb om dit uit te werken zijn de instructies, die ik u gegeven heb. Gij zijt gesteld over honderde en duizende menschelijke wezens om te winnen de liefde der welgezinden. Ieder mensch is mijn kind, en mijn wil is dat mijne kinderen allen mogelijken voorspoed mogen genieten in deze wereld en geluk in de volgende. Ik heb dezelfde begeerte voor alle menschen.”

Deze laatste order gaf hij aan zijne rajuka’s, waarschijnlijk leekenbeambten: zij moesten dus, evenals de monniken, werken voor de uitbreiding van den nieuwen godsdienst. Waarschijnlijk echter heeft hij door een en ander den grondslag gelegd voor de latere hiërarchie in sommige Boeddhistische landen, die zooveel overeenkomst heeft met de Roomsch-Catholieke priesterheerschappij. Doch: daar mogen wij hem de schuld niet van geven. Als wij nagaan wat Açoka wilde, dan moeten wij dezen Constantijn van het Boeddhisme bewonderen, die—geheel anders dan de Christelijke Constantijn—niet uit politieke, maar uit religieuze en zedelijke overwegingen handelde en zijn beste krachten inspande om de zijns inziens ware beginselen van het nieuwe geloof te doen doorwerken in zijn rijk. Geen wonder dat hij in hooge eere staat bij de volgelingen van Boeddha.