II. Boeddha als prediker van den weg des heils.

Hoe Boeddha dit deed, willen wij thans zien. Volgens de legende ging hij allereerst naar het woud van Benares, het wildpark Isipatana, waar de vijf asceten zich ophielden, die eens zijne leerlingen waren, doch zich van hem afkeerden, toen hij, na strenge vasten, weer gewoon voedsel ging gebruiken.18 Uit de verte zien de monniken den verhevene naderen. „Vrienden”, zoo zeggen zij tegen elkaar, „daar komt de asceet Gautama, die in overvloed leeft, en zijn heilig streven heeft opgegeven. Eerbied willen wij hem niet bewijzen, wij zullen niet voor hem opstaan, hem niet zijn almoezenschaal en zijn opperkleed afnemen, maar wij willen hem een plaats inruimen, als hij wil kan hij gaan zitten.”19

Doch toen de verhevene naderbij kwam, konden de monniken toch niet bij dit besluit blijven; zij gingen den verhevene tegemoet, de een ontlastte hem van aalmoezenschaal en opperkleed, de ander maakte een plaats voor hem gereed, een derde gaf hem water om de voeten te wasschen en een bankje om de voeten op neer te zetten. De verhevene zette zich neer op de voor hem bestemde plaats en wiesch zijne voeten.

Als zij dan vervolgens hun twijfel te kennen gaven hoe Gautama, nadat hij door strengheid en zelfkastijding de volle heerlijkheid van het weten en zien van het heilige niet kon bereiken, nu de bovenmenschelijke volkomenheid, de volle heerlijkheid van weten en erkennen van het heilige zou bereikt hebben bij een leven van overvloed, antwoordt de verhevene als volgt:

„De Tathāgata,20 o monniken, leeft niet in overvloed, hij heeft zijn streven niet opgegeven en zich tot den overvloed gekeerd. De Tathāgata, monniken, is de heilige, hoogste Boeddha. Doet uwe ooren open, o monniken, de verlossing van den dood is gevonden, ik onderwijs u, ik predik de leer. Als gij overeenkomstig mijn onderwijzing wandelt, zal u binnen een kleinen tijd ten deel vallen de hoogste voleindiging van een heilig streven: dat waarom edele jongelingen hun huis verlaten, om zonder huis te leven; nog in dit leven zult gij de waarheid zelve erkennen en haar zien van aangezicht tot aangezicht.”

En, als de verhevene deze redenen nog een paar malen heeft herhaald, dan vraagt hij aan de monniken: „Erkent gij niet, o monniken, dat ik vroeger nooit zoo tot u gesproken heb? „Dat hebt gij niet, heer.” Na antwoord en wederantwoord leert dan de verlichte aldus:

„Twee wegen zijn er, o monniken, waarvan verre moet blijven, die een geestelijk leven wil leiden. Welke beide wegen zijn dat? De eene weg is een leven van genietingen, overgegeven aan lust en genot, dat is min, onedel, ongeestelijk, onwaardig, nietsbeteekenend. De andere weg is een leven van zelfpijniging, dat is droevig, onwaardig, nietsbeteekenend. Van beide deze wegen, o monniken, is de voleindigde ver; hij heeft den weg van het midden leeren kennen, den weg, die het oog opent en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting, tot Nirvāna21 leidt. En welke, o monniken, is deze weg van het midden, dien de Tathāgata heeft erkend, die, welke het oog opent en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting, tot Nirvāna voert? Het is het heilige achtvoudige pad, dat wil zeggen: goed inzien, (vrij van wangeloof); goed bedoelen, (verheven, den ernstigen man waardig); goed spreken, (vriendelijk, openhartig, waar); goed handelen, (vreedzaam, eerlijk zijn); goed leven, (zonder een levend wezen te deren); goed streven, (door zichzelf in tucht te houden); goed gedenken, (waakzaamheid des geestes); goed bespiegelen, (zich verdiepen in de mysteriën des levens). Dit, o monniken, is de weg van het midden, dien de voleindigde heeft erkend, die het oog en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting, tot Nirvāna voert.”

Wat nu is het dat tot het betreden van dit achtvoudig pad moet dringen? De verlichte wijst zijn vroegere leerlingen op vier heilige waarheden: het lijden, de oorzaak van het lijden, de opheffing van het lijden, de weg tot de opheffing van het lijden.

„Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het lijden: geboorte is lijden, ouderdom is lijden, dood is lijden, met wat men niet liefheeft vereenigd te zijn is lijden, van wat men liefheeft gescheiden te zijn is lijden, niet verkrijgen wat men begeert is lijden: in één woord, de vijfvoudige22 gehechtheid is lijden.

Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het ontstaan des lijdens: de dorst23 is het, die van wedergeboorte tot wedergeboorte voert, namelijk de dorst naar lust, naar worden, naar ontstaan24, naar macht.

Dit, o monniken, is de heilige waarheid van de opheffing van het lijden: dien dorst opheffen door geheele vernietiging der begeerte; hem varen laten, zich van hem ontdoen, zich van hem losmaken, hem geen plaats geven.

Dit, o monniken, is de heilige waarheid van den weg tot opheffing van het lijden: het is het heilige achtvoudige pad; d. i. goed inzien (enz.)

Zoolang ik, o monniken, van deze vier heilige waarheden deze ware erkentenis niet had, zoolang wist ik ook dat ik nog niet in deze wereld en in die der goden, benevens in de wereld van Brahmā en die van Māra, onder alle wezens, onder asceten en Brahmanen, onder goden en menschen, de hoogste verlichting bereikt had. Doch nu heb ik die verlichting gevonden èn: onverliesbaar is de verlossing van mijn geest, dit is mijn laatste geboorte, voor mij komen er geen nieuwe geboorten meer.”

Ziehier de bekende prediking van Benares. Al moge zij wellicht niet letterlijk weergeven wat de Meester zelf heeft gesproken, toch vinden wij hier de grondlijnen van het oorspronkelijk Boeddhisme. De verlossing van het lijden te bereiken door alle begeerte af te sterven, zoodat men geen wedergeboorte meer noodig heeft, ziedaar het hoofdpunt, waar het op aankomt. Zoolang de mensch lusten en begeerten voedt, zoolang werkt zijn leven voort, en moet telkens een nieuwe geboorte plaats hebben. Alle lust, alle begeerte uitdooven is het hoogste streven, dan wordt men boven alle lijden verheven en gaat tot Nirvāna in.

Het praktische staat dus op den voorgrond. Het leven, zoo erkent de verlichte, is noodzakelijk vol van lijden; geboorte, ziekte, dood, het beteekent alles lijden. Hoe moet de mensch daarvan verlost worden? Door boven alle begeerte verheven te worden, en alzoo aan het leven, dat lijden is, te ontkomen. Want, juist de dorst, de begeerte doemt den mensch om telkens weer geboren te worden tot nieuw lijden. Is hij van alle begeerte bevrijd, dan behoeft hij niet meer te worden geboren: hij komt tot Nirvāna. Tot vernietiging? Neen, doch tot een zijn, boven al ’t aardsche verheven. Doch, wij komen hierop nog nader terug, wij willen eerst den verlichte nog volgen op zijn verderen loopbaan.

De vijf vroegere metgezellen waren dan de eersten, die zich bekeerden. Zij vragen hem om als zijn leerlingen te worden opgenomen. „Komt hier, o monniken, luidt dan zijn woord25, wèl verkondigd is de leer, wandelt in heiligheid om aan alle lijden een einde te maken.” Zoo vormde dan Boeddha zijne gemeente. Een nieuwe rede over de onbestendigheid en de onwezenlijkheid van al het aardsche bewerkt dan dat de ziel dier vijf jongeren den toestand van zondelooze heiligheid bereikt. „In dien tijd”, zoo zegt een oud bericht, waren er zes heiligen in de wereld: Boeddha zelf en deze vijf jongeren.”

Straks echter breidt zich de gemeente uit, al spoedig sluiten zich tal van asceten, kluizenaars in de wouden van Uruvelā, bij hem aan. Ook koning Bimbisāra trekt, als Boeddha straks zijn hoofdstad Rājagriha genaakt, met een groot gevolg den verlichte te gemoet. Hij treedt als leek26 tot de geestverwanten van den verhevene toe en blijft zijn leven lang een zijner trouwste beschermers.

Ook werden toen Sāriputta en Mogallāna, die beiden later geëerd werden als de twee voornaamste leerlingen, voor de gemeente van den Verlichte gewonnen. Beide jongelingen waren van Brahmaansche afkomst, en erkenden zekeren Sānjaya, een bedelmonnik, als hun geestelijk hoofd. Innig was hun vriendschapsverbond, zij hadden elkaar beloofd, dat diegene van hen, die het eerst de verlossing van den dood bereikte, het den ander aanstonds zou meedeelen.

Op zekeren dag zag Sāriputta een van Boeddha’s leerlingen, Assaji geheeten, bezig om in de straten van Rājagriha aalmoezen in te zamelen, rustig en waardig, den blik naar den grond gericht. Toen hij hem zag dacht hij: „Dat is een van de monniken, die heilig zijn in de wereld. Ik zal tot hem gaan en hem vragen: „Vriend, in wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd? Wie is uw meester en wiens leer erkent gij?” Doch Sāriputta bedacht: „’t Is nu niet de rechte tijd om het dezen monnik te vragen. Hij gaat langs de huizen en verzamelt aalmoezen. Ik zal hem achterna gaan, gelijk men iemand volgt van wien men iets begeert.” Toen echter de eerwaardige Assaji te Rājagriha aalmoezen had ingezameld, nam hij de ontvangen gaven en keerde terug. Na de gebruikelijke begroetingen sprak Sāriputta tot den eerwaardigen Assaji: „Uw gelaat, o vriend, staat helder, uw kleur is frisch en klaar. In wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd en wie is uw meester? En wiens leer erkent gij?” „Mijn meester is,” luidde het antwoord, „de groote Samāna27 uit het huis van Sakya, die de wereld is ontvloden. In naam van hem, den verhevene, heb ik de wereld verlaten. De verhevene is mijn meester en zijne leer erken ik. En wat zegt uw meester vriend, en wat leert hij?” „Ik ben nog een nieuweling vriend, nog niet lang heb ik de wereld verlaten, ik ben eerst sinds kort tot deze leer en deze orde gekomen. Niet in haar volle uitgebreidheid kan ik u de leer verkondigen, maar haar korten zin kan ik u zeggen.” Toen sprak Sāriputta, de bedelmonnik, tot den eerwaardigen Assaji: „Zoo zij het vriend, zeg mij weinig of veel, maar spreek mij van den zin (der leer), daarnaar alleen verlang ik, wat wil ik mij veel om de letter bekommeren?” Toen sprak de eerwaardige Assaji tot Sāriputta dit woord der leer: „De wezens, die uit ééne oorzaak vlieten, hun oorsprong leert de voleindigde en het einde dat zij nemen: dat is de leer van den grooten Samāna.”28

Toen Sāriputta deze woorden hoorde ging hem het licht der waarheid op, hij begreep dat „alles wat aan ontstaan zijn aanzijn dankt, ook moet vergaan.” Daarom zeide hij tot Assaji: „Al was de les ook niets anders dan dit, zoo hebt gij toch de plaats bereikt, waar geen lijden meer is. Wat in tallooze wereldtijdperken niet is gezien, thans is het tot ons gekomen.”

Dan gaat Sāriputta tot Mogallāna, zijn vriend. „Uw gelaat, o vriend, zegt Mogallāna, is helder, uw kleur is frisch en klaar. Hebt gij de verlossing van den dood gevonden?” Het antwoord luidt toestemmend, hij verhaalt van zijne ontmoeting met Assaji, en ook aan Mogallāna gaat het licht der waarheid op, het reine, wolkelooze. Te vergeefs tracht hun meester Sānjaya hen tegen te houden. Met groote scharen van asceten gaan zij naar het bosch, waar Boeddha woont: Sānjaya komt een stroom bloed uit den mond. Boeddha ziet de beide jongelingen naderen en verkondigt aan zijne omgeving, dat zij de edelsten en besten onder zijne jongeren zullen zijn. Beiden ontvangen van Boeddha zelf de wijding.

Zoo traden velen toe; doch er was ook tegenstand. Hetzelfde oude verhaal, waaruit wij deze geschiedenis ontleenden,29 deelt ons mede hoe het volk murmureerde: de asceet Gautama, zeiden zij, is gekomen om kinderloosheid, om weduwschap, om ondergang der familie te brengen. Zij waren bevreesd voor de toekomst, als zoovelen der edelste jongelingen tot den verlichte gingen. Geen wonder: waar moest het heen, indien de gelofte van kuischheid zoo algemeen werd, met de toekomst des volks? De Brahmanen vorderden die kuischheid alleen van de jeugd en den ouderdom, maar deze ontrukte aan het maatschappelijk leven de mannen, die een gelukkig gezin zouden kunnen stichten.

Doch, de verlichte liet zich door deze bezwaren niet van zijn doel afvoeren. Al schold men hem en de zijnen met de woorden:

De groote monnik komt getogen naar Magadha’s bergstad heen.

De Sānjaya’s30 bekeert hij allen, wanneer bekeert hij wel zichzelf?

Zij antwoorden:

De helden, de voleindigden, bekeeren door hun waarachtig woord,

Wie zal smaden, den Verlichte, die bekeert door der waarheid macht?

In ieder geval, het Boeddhisme wist zich glansrijk te handhaven en nam hand over hand toe.

Boeddha’s bloedverwanten waren niet onbekend gebleven met zijne lotwisselingen en zijn vader, Suddodhana, noodigde hem uit om zijn geboortestad te bezoeken, opdat hij zijn ouden vader nog eens zou zien, voor deze stierf. De verlichte ging dus op weg en nam zijn verblijf in een boschje buiten de stad. Daar kwamen zijn vader, zijn ooms en anderen hem opzoeken: doch deze laatsten waren niet bizonder ingenomen met hun bedelenden stadgenoot: zij namen daarom ook geen levensmiddelen voor hem mede, al was dit anders de gewoonte tegenover heilige kluizenaars.

Den volgenden dag ging Gautama, door zijn leerlingen vergezeld, met zijn schaal rond om zijn voedsel te bedelen. Eerst wilde hij bij de stadspoort gekomen, regelrecht naar het paleis van den rajah gaan; doch hij besloot zich aan den gewonen regel te houden, volgens welke een bedelaar van huis tot huis gaat. Men begrijpt dat de rajah al spoedig vernam dat zijn zoon bedelend door de straten ging: iets wat hem lang niet aanstond. Hij haastte zich dezen te gemoet te gaan en sprak:

„Waarom, meester, doet gij ons schande aan door te bedelen om uw voedsel? Meent gij dat wij zoovele bedelaars niet kunnen voeden?” „O, groote rajah,” was het antwoord, „dit is de gewoonte van ons allen.” „Doch,” luidde het wederantwoord, „wij stammen af van een beroemd geslacht van krijgslieden en niet één van hen heeft ooit zijn brood gebedeld.”

„Gij en uw familie,” hernam Gautama, „moogt u beroemen van koningen af te stammen, mijn geslacht is dat der profeten31 van ouds en zij hebben altijd van aalmoezen geleefd, die zij bijeen bedelden. Doch, mijn vader, indien een mensch een verborgen schat heeft gevonden, is het zijn eerste plicht om aan zijn vader de kostbaarste juweelen aan te bieden.” Overeenkomstig dit woord richtte hij zich in de volgende verzen tot zijn vader:32

Sta op, vertoef toch niet,

Betracht het rechte, ware leven,

Die deugd beoefent, hij vindt rust.

In dit en in een volgend zijn.

Volg niet het kwaad!

Die deugd beoefent, hij vindt rust

In dit en in een volgend zijn.

Suddhodana antwoordde niet, doch nam de schaal van zijn zoon over en leidde dezen het huis binnen, waar de familieleden hem hulde brachten. Doch Yaçodhara kwam niet. „Indien ik, zoo sprak zij, „eenige waarde heb in zijn oog, dan zal hij zelf komen en kan ik hem beter hier begroeten.”

Gautama bemerkte haar afwezigheid, en, gevolgd door twee zijner leerlingen ging hij naar de plaats, waar zij zich bevond, nadat hij hun eerst had gezegd, dat zij haar niet zouden tegenhouden, indien zij trachtte hem te omhelzen, hoewel anders geen lid der orde een vrouw mocht aanraken of door haar aangeraakt mocht worden.

Daar zag zij hem binnentreden, den eens zoo geliefden echtgenoot, nu een monnik, in ’t geel gekleed met gladgeschoren hoofd en aangezicht. Zij wist wel dat hij er zoo zou uitzien, doch zij kon zich toch niet inhouden. Zij viel op den grond neer, greep zijne voeten en barstte in tranen uit. Toen herinnerde zij zich de onoverkomelijke kloof tusschen hen beiden, stond op en plaatste zich naast hem.

De rajah sprak haar aan; hij deelde Gautama mede dat zij hem altijd was blijven liefhebben. Alle weelde, die hij zich had ontzegd, had zij zichzelve ook onthouden, slechts één maaltijd nam zij iederen dag, en zij sliep niet in een bed, maar op een mat, uitgespreid op de vloer. Boeddha schijnt toen niet veel te hebben geantwoord, alleen vermelden ons de bronnen dat hij een Jātaka-geschiedenis33 verhaalde over haar deugd in een vroeger bestaan. Zij werd een ernstig onderzoekster der nieuwe leer, en toen Boeddha later, eigenlijk tegen zijn zin, doch door de omstandigheden gedwongen, een orde van nonnen instelde, was zijn verlaten vrouw een der eerste leden dezer orde. Ook zijn zoon, Rāhula, en zijn broeder, Nanda, werden als monniken in de orde opgenomen.

Overigens vinden wij over dezen tijd van Boeddha’s leven, het veertigtal jaren tusschen den aanvang zijner prediking en het einde zijner loopbaan, wel eenige gesprekken of uitspraken, maar geen geregeld verhaal. Toch, een beeld van de wijze waarop de verlichte leefde en werkte, kunnen wij ons daaruit wel vormen. Hoe dan hebben wij ons het leven van den Meester en zijn leerlingen voor te stellen? Allereerst staat vast dat voor hen, zoo goed als voor andere asceten, het jaar in twee afwisselende tijdperken was verdeeld; de regentijd, waarin men zich rustig in zijn verblijf hield, de zoogenaamde „was”tijd, waarin meer bepaald de leerlingen zelf werden onderricht in de moeilijkste deelen der leer, en het overige deel des jaars, waarin de verlichte en zijne leerlingen leerend en predikend het land doortrokken. Die verdeeling des jaars was door de natuur zelve aangewezen en onvermijdelijk; trouwens indien men in den regentijd had willen rondtrekken had men dat niet kunnen doen zonder tallooze planten en kleine dieren onwillekeurig te dooden: geheel in strijd met de leer van den verlichte, die ook het kleinste leven heilig houdt.

In dien regentijd was de verlichte door tal van jongeren omgeven, en de aanzienlijken des lands beijverden zich om voor hem en de zijnen te zorgen. Later ging men wederom uiteen en Boeddha en zijn jongeren reisden langs de groote wegen, soms door vrienden geherbergd, maar gewoonlijk rustend en overnachtend onder de boomen des wouds. Vorsten en aanzienlijken waren echter vaak de dakloozen ter wille: zoo vernemen wij dat koning Bimbisāra, van wiens bekeering wij reeds gewag maakten, een zijner bosschen of parken, het Veluvana (bamboeswoud) ter beschikking stelde van den verlichte, en dat de groote koopman Anāthapindika, hem het nog beroemder Jetavana-park schonk: een park, dat naar luid der legende, door dezen koopman voor zooveel goud was gekocht, dat het den bodem van het gansche terrein kon bedekken.

Sommige schrijvers stellen zich voor dat ook toen reeds de monniken in Vihāra’s, kloosters, woonden. Doch, om verschillende redenen is dit niet waarschijnlijk te achten; de propaganda vereischte juist personen zonder vast tehuis en oude berichten teekenen ons de „monniken van Sakya” als levende onder de boomen des velds; de boomen, waar immers ook voorheen de „Rishi’s,” de oude zieners, geacht werden hun openbaringen te ontvangen. Ook uitspraken van Megasthenes, een gezant van koning Seleucus Nicator van Syrië (302–298 v. Christus) spreken van Boeddha’s volgelingen als van personen, die, noch in de steden wonen, noch een dak hebben boven hun hoofd, maar die gekleed zijn in boombast, met noten zich voeden en water drinken uit de hand. Ook wordt in datzelfde bericht van hen gezegd „dat zij geen huwelijk kennen, noch kinderen verwekken.”

Dus, gansch iets anders dan leven in Vihāra’s. En ofschoon nu dat getuigenis betrekking heeft op een tijd, lang na Boeddha’s dood, mogen wij het er toch voor houden, dat het in de dagen van den verlichte niet anders was. Hij toch zeide tot zijn volgelingen, „Een groote plicht rust op u, te werken voor het heil van menschen en geesten. Laten wij uiteengaan, ieder in verschillende richting, geen twee op hetzelfde pad. Ga en predik Dharma34.

In „de twaalf voorschriften”, een noordelijke bron, m. a. w. ontleend aan een heilige schrift der noordelijke Boeddhisten, wordt aan de „bedelaarstroep” zooals Boeddha zijn volgelingen noemde, uitdrukkelijk verboden om een ander dak te hebben dan een boom. Hun eenige zitplaats mag de moeder aarde zijn. Hun kleeren lompen van de mesthoop of het kerkhof. De boom, die den bedelaar beschut, moet liefst op een kerkhof staan. Niet tweemaal mag hij slapen onder denzelfden boom.

Nu is het wel zeker, dat deze „twaalf voorschriften” een strengere ascese vertegenwoordigen dan het oorspronkelijk Boeddhisme, doch, de voorstelling dat Boeddha en zijn volgelingen overal in sierlijke „vihāra’s” waren gehuisvest is toch zeker niet juist. Mij komt het voor dat zij een zwervend leven leidden, in grooten eenvoud, doch niet zoo, dat zij zich aan alle maatschappelijk verkeer onttrokken, dat immers noodig was om hun leer tot allen te brengen.

Zoo lezen wij b.v. van aanzienlijken, die den verhevene ter maaltijd noodden, van Brahmanen-leerlingen, die in een twistgesprek met den beroemden leeraar hun sporen trachtten te verdienen, van tegenstanders, die hem strikvragen deden. Daarbij worden zij dan natuurlijk dikwerf overwonnen, en menigmaal lezen wij dan hoe zij den verlichte en zijn leerlingen het verzoek doen: moge de heer, de verhevene, morgen bij mij met zijn leerlingen het middagmaal komen gebruiken. Boeddha geeft door zwijgen zijn toestemming te kennen. Is dan den volgenden dag de maaltijd gereed, zoo zendt de gastheer een bode met het verzoek: „het is tijd, heer, de maaltijd is bereid.” Daarop neemt dan Boeddha zijn aalmoezenschaal en opperkleed en gaat met de zijnen ter maaltijd. De gastheer en zijn familie bedienen zelf hun gasten. Is de maaltijd geëindigd, dan worden de handen gewasschen, de gastheer neemt met de zijnen aan Boeddha’s zijde plaats en deze richt tot hen een woord van vermaning en leering.

Had men op een dag geen uitnoodiging, dan onderneemt Boeddha zijn bedelgang door stad of dorp, nadat eerst de vroege morgenuren in geestelijke oefeningen of in het verkeer met de leerlingen zijn doorgebracht. Zwijgend ging dan de man, wiens naam door gansch Indië werd genoemd, voor wien koningen bogen, met zijn schaal rond, met neergeslagen blik, zonder te spreken afwachtend of men hem eenige spijze zou geven. Was die rondgang afgeloopen, dan noodde de middag tot rust in de koelte van het woud, totdat de avond aanbrak en hij weer onder de menschen optrad, vriend en vijand leerend en onderrichtend.

Zoo gingen de dagen van den verlichte, wiens zwervend leven en aanraking met allerlei personen ons telkens aan Jezus doet denken, vredig voorbij. Hoe was nu echter het leven van den meester met zijn vertrouwden, de leerlingen, die hem vergezelden? Waarschijnlijk heerschte er in dien intiemen kring een rustige toon: een stemming van kalme goedheid en stille vreugde, die aan der wereld ontvlodenen paste.

In dien kring waren voorts de gewone grenzen der maatschappij vrijwel weggewischt. Wie geluisterd had naar het woord (een vaststaande formule), „Kom, o monnik, wèl verkondigd is de leer, wandel in heiligheid, om aan alle lijden een einde te maken,” dat de Boeddha tot diegenen richtte, aan wie hij zijne leer had verkondigd, wie dus het gele kleed en de tonsuur35 had aangenomen, alle familiebetrekkingen had opgegeven, op geen bezit meer aanspraak maakte en strenge kuischheid in acht nam: hij maakte deel uit van een gewijden kring, waarin het casten-onderscheid was opgeheven.

Evenals, zeide de verlichte, rivieren hun naam verliezen, als zij opgenomen worden in den grooten oceaan, zoo verliezen ook adelijken en Brahmanen, Vaisya’s en Sudra’s hun oude namen, wanneer zij voor de leer van den Voleindigde hun huis verlaten. Den ouden naam en het oude geslacht hebben zij dan achtergelaten, voortaan heeten zij slechts „asceten, die den zoon van Sakya aanhangen36.”

Merkwaardig is in dit opzicht ook het gesprek, dat Boeddha voerde met koning Ajātasattu. Deze vroeg welk loon ten deel viel aan hem, die zijn huis verliet om een geestelijk leven te leiden. In den loop van dat gesprek zeide de Verlichte: „Indien een slaaf of dienaar des konings het gele gewaad aantrekt en als monnik in gedachten, woorden en werken onberispelijk leeft, zoudt gij dan zeggen: laat deze man weder mijn slaaf en dienaar zijn, die vóór mij opstaat en nà mij ter ruste gaat, die op zich neemt wat ik hem gebied, die voor mijn genoegen leeft, wat mij aangenaam is spreekt en naar mijn gelaat ziet?” Toen antwoordde de koning:

„Neen, Heer, ik zou mij voor hem buigen, voor hem opstaan, hem uitnoodigen plaats te nemen en hem aanbieden wat hij aan kleeding, spijze, beschutting en medicijnen noodig kon hebben; ik zou hem beschermen en bewaken, gelijk het behoort.”

Zoo maakte dus het geestelijk gewaad allen gelijk. Toch waren het meest de aanzienlijken, die zich onder Boeddha’s jongeren lieten opnemen; telkens wordt in de oude teksten gesproken van „de zonen van edele geslachten,” die hun huis verlaten om zonder tehuis rond te zwerven. Onder Boeddha’s leerlingen waren jonge Brahmanen als Sāriputta, Mogallāna, Kaccāna, adellijken als Ānanda, Rāhula, Amuruddha, zonen van groote kooplieden en aanzienlijke beambten, in een woord meest personen, die een zorgvuldige opvoeding hadden ontvangen. Dit kan ons niet verwonderen als wij in aanmerking nemen dat ook in onze dagen in ’t algemeen een beschouwing van het leven als lijden en kwelling veel meer aantrekkelijks heeft voor de aanzienlijken dan voor de eenvoudigen, die ondanks al hun ontbering in den grond der zaak toch geneigd zijn en blijven het leven als een heilgoed te beschouwen.

Voor de geringen des volks, de gestaalden in ’s levens strijd was de verkondiging van het smartelijke van alle bestaan niet te vatten en was de leer van oorzaak en gevolg niet te begrijpen.

Toch, indien zij wilden toetreden, zij waren welkom. En, enkelen lieten zich opnemen in den kring. In de „Theragātha, (spreuken der oudsten), worden aan den „oudste” Sunīta deze woorden in den mond gelegd: „Uit een onaanzienlijk geslacht ben ik voortgekomen, ik was arm en behoeftig. Nederig was het werk, mij opgelegd, de verwelkte bloemen opruimen (uit tempels en paleizen). Ik was door de menschen veracht, werd voor gering aangezien en gescholden. Deemoedig betuigde ik aan velen mijn eerbied.

Daar aanschouwde ik Boeddha met zijn monniken, zooals hij daar heenging, de held, in de voorname stad van Magadha, mijn last wierp ik af om eerbiedig voor hem te buigen. Uit erbarmen voor mij bleef hij staan, hij, de hoogste onder de mannen. Toen boog ik mij tot aan de voeten des meesters, trad aan zijn zijde en verzocht hem, den hoogste onder alle wezens, mij als monnik aan te nemen. Toen sprak de genaderijke meester, de erbarmer over de gansche wereld: „Kom tot mij, monnik,” dat was de wijding, die ik ontving. (Sunīta vertelt dan verder, hoe hij zich in het woud terugtrok en daar, in peinzen verzonken, de hoogste verlichting bereikte, zoodat de goden kwamen en hem vereerden.)

Toen zag mij de meester, terwijl de goden mij omgaven en hij sprak deze woorden: „Door heiligen gloed en door kuischen wandel, door intooming en zelfbedwang, daardoor wordt men tot Brahmaan, dat is het hoogste Brahmanendom.”

M. a. w., geen caste stond als zoodanig nader bij het hoogste heil dan een andere: de verlichting kon aan allen ten deel vallen, kon ook verkregen worden door den geringste des volks. Evenals Paulus zeide: „in Christus is geen Jood noch Griek, geen slaaf noch vrije,” zoo ook kon Boeddha zeggen: „in den kring der monniken is geen Sudra of Vaisya, geen Kshatrya of Brahmaan.” Was daarom het Boeddhisme een soort democratische beweging? Wie dat meent, vergeet dat de ware volgelingen monniken waren, die de maatschappij de maatschappij lieten en wie het alleen te doen was om het hoogste heil te verwerven. Niet om de verdrukten los te maken uit de ketenen van het castewezen, maar om rijk en arm den weg te banen tot het hoogste heil, daarom was het bovenal te doen37. Doch, die dat hoogste heil gevonden hadden: zij vormden inderdaad een kring, waarin de oude grenzen waren weggewischt, al stonden ook hier, gelijk onvermijdelijk is, sommigen op den voorgrond.

Daareven noemden wij reeds Sāriputta en Mogallāna, die beiden reeds in den aanvang van Boeddha’s werkzaamheid werden gewonnen door zijn prediking en die hem trouw volgden tot aan hun dood, welke kort voor dien des Meesters intrad. Maar vooral ook moeten wij noemen Boeddha’s neef Ānanda, tot wien de verhevene zijn laatste woorden sprak, den discipel, dien hij boven allen liefhad. Deze Ānanda was het ook, die voor Boeddha’s persoon en voor zijn levensonderhoud dagelijks waakte.

Een gansch andere rol heeft vervuld Devadatta, Ānanda’s broeder. Dit is de Judas van het Boeddhisme, die den Meester naar het leven stond. ’t Schijnt dat deze leerling, door eerzucht gedreven, in plaats van den reeds vergrijsden meester zelf de leiding der gemeente in handen wilde hebben. Hij beproefde op allerlei wijze den verhevene uit den weg te ruimen. Doch vruchteloos; wonderen bewaren het leven des heiligen. Uitgezonden moordenaars worden, als zij Boeddha naderen, met vrees en beving geslagen; vriendelijk spreekt hij hen toe en zij bekeeren zich tot het geloof. Als een rotsblok Boeddha dreigt te verpletteren vangen twee bergspitsen het op: zoodat slechts zijn voet wordt gewond. Als een wilde olifant door een nauwe straat op den verlichte wordt losgelaten blijft hij, getroffen door de tooverkracht van dien „vriendelijken denker” eensklaps staan en wijkt terug.

Heeft Devadatta werkelijk den verhevene naar ’t leven gestaan? Onwaarschijnlijk is ’t niet, al bestaat de mogelijkheid dat men Devadatta, die hierin van den meester afweek, dat hij veel strengere ascetische eischen wilde stellen, ten onrechte dergelijke moordplannen heeft toegeschreven.

Wat die strengere ascese betreft, hij verlangde dat een monnik altijd in het woud zijn verblijf zou houden, terwijl Boeddha gaarne in de nabijheid van steden en dorpen vertoefde. Ook wilde hij dat een monnik slechts leven zou van wat hij op zijn rondgang verzamelde en geen uitnoodiging ter maaltijd van vrome leeken zou aannemen. Zijn gewaad, meende hij verder, mocht slechts uit opgeraapte lompen zijn samengenaaid, enz. Een tijdlang had dit streven eenig succes, doch straks leed het geheel en al schipbreuk. Eene legende verhaalt zelfs, dat Devadatta levend door de hel werd verslonden. Wij zagen boven reeds38 dat volgens de „twaalf voorschriften” inderdaad eischen, als die welke Devadatta verlangde, aan Boeddha’s volgelingen werden gesteld en de vraag komt bij ons op: Ligt er toch misschien in Devadatta iets van het oorspronkelijke Boeddhisme dat men later heeft trachten weg te werken en als ondermijning van het gezag des Meesters te doen beschouwen? Eén ding schijnt mij wel waarschijnlijk, namelijk, dat wij ons de eerste volgelingen van den Verlichte niet moeten voorstellen als rustig levend in hun vihāras’,39 maar wel als zwervers, schamel gekleed, al kunnen wij niet aannemen, dat hun gewaad uit opgeraapte lompen moest gemaakt zijn, en evenmin dat zij niet ter maaltijd mochten gaan.

Voor deze opvatting pleit vooral het feit, dat zij, ook nog in de dagen van koning Açoka, die ongeveer tweehonderd jaar na Boeddha’s dood leefde, niet als zwijgende monniken in kloosters leefden, maar onder boomen, en er hun eer in stelden om zooveel mogelijk de onbekeerden door hun woord tot bekeering te brengen.

De onbekeerden tot bekeering te brengen, dat geschiedde ook in de dagen van den verlichte zelf. Doch niet allen traden toe tot den kring der jongeren met zijn gestrenge eischen van kuischheid, armoede en gehoorzaamheid. Wij zagen dat er ook waren die, als koning Bimbisāra40 hun toevlucht namen bij Boeddha, Dharma, Sangha (de Verlichte, de Leer, de Gemeente), zonder hun maatschappelijk leven en hun huiselijk bestaan te veranderen. Zij werden de weldoeners en verzorgers der monniken; ook zij, als zij wandelden in eenvoud en in onderdrukking van aardsche hartstochten en begeerten, konden een stap nader komen tot het Nirvāna, het hoogste heil. Zij waren voor de Boeddhisten wat Maria en Martha, wat een Nicodemus en Jozef van Arimathea waren voor Jezus en de zijnen. Ook waren zij van den aanvang af onmisbaar; hoe konden der wereld ontvloden monniken leven zonder arbeid, indien geen vrome vrienden en vriendinnen hen verzorgden van de nooddruft des levens?

Onder die leeken-vrienden waren ook vele vrouwen. Als een type dezer vrome vriendinnen kunnen wij beschouwen de voortreffelijke Visākhā, wier beeld ons met zooveel liefde in de Boeddhistische overleveringen wordt geteekend. Zij was een rijke burgervrouw in Sāvatthi, de hoofdstad van het land Kosala: de moeder van bloeiende kinderen, de grootmoeder van vele zonen. Algemeen geëerd werd zij bij elken maaltijd, bij ieder feest genoodigd: haar werden steeds het eerst de spijzen aangeboden, zij werd beschouwd als een gast, die geluk aanbrengt.

In de Mahāvagga vinden wij over haar het volgende verhaal, dat ons een aanschouwelijk beeld geeft en ons tevens doet zien, dat ook de Boeddhisten het woord verstonden: „het is zaliger te geven dan te ontvangen.”

Op zekeren dag dan neemt Boeddha zijn maaltijd in het huis van Visākhā. Na den maaltijd zet deze zich naast hem neer en zegt: „Acht wenschen verzoek ik van den verhevene.” „De voleindigden, Visākhā”, luidt het antwoord, „zijn te verheven om iederen wensch te kunnen vervullen.” „Doch wel wat geoorloofd is, Heer, en wat niet misprezen kan worden.” „Zoo spreek, Visākhā.”

„Ik wensch, o heer, mijn leven lang de gemeente regengewaden te geven, vreemde monniken voedsel te reiken, doorreizende monniken te spijzigen, kranke broeders te eten te geven, ziekenverplegers te voeden, zieken medicijnen te geven, dagelijks rijstebrij te verdeelen en aan de nonnen badgewaden te schenken.”

„Waarom vraagt gij, Visākhā deze dingen aan den voleindigde?” Zij geeft daarop rekenschap, waarom zij aan deze wenschen zooveel waarde hecht.

O. a. zegt zij. „Een monnik die uit den vreemde komt, kent de wegen niet en loopt vermoeid rond om zijn aalmoezen in te zamelen. Heeft hij nu echter genoten, wat ik voor deze vreemdelingen bestemmen wil, dan kan hij eerst uitrusten en vervolgens, als hij uitgerust is, aalmoezen inzamelen. Dit doel, o heer, heb ik in het oog en daarom wil ik mijn leven lang de doortrekkende monniken voedsel geven.

En wederom, heer, een doortrekkende monnik zal, als hij zelf zijn voedsel moet zoeken, achterblijven van zijn gezelschap of, waar hij rust wilde houden, zal hij moede door de straat gaan. Heeft hij echter de spijzen genoten, die ik aan de doortrekkende monniken wil schenken, dan zal hij niet achterblijven; waar hij rust wil houden zal hij op tijd aankomen en uitgerust zal hij door de straten gaan.”

Zoo legt zij vervolgens het doel van al hare acht wenschen uit en de verlichte spreekt: „Edel, Visākhā, edel handelt gij, dat gij, naar dezen prijs trachtend, den voleindigde bidt om vervulling uwer wenschen. Ik sta u, Visākhā, uwe acht wenschen toe.”

En dan prijst hij haar met de volgende woorden:

Die spijs en drank verleent, van eed’le blijdschap vol.

Des heil’gen leerling, rijk aan deugden,

Die zonder afgunst gaven schenkt om ’t hemelsch loon,

Die smarten stilt, die vreugde steeds verspreidt,

Verkrijgt des hemels heerlijk lot.

Zij wandelt voort op ’t pad des lichts, ’t gepreez’ne.

Van smarten vrij geniet zij langen tijd,

Het heerlijk loon der goede daad in ’t zalig hemelrijk.

In deze Visākhā vonden wij een type van vrouwen die, zooals het in het N. Testament zou heeten „den Heer dienden van hare goederen.”41

Overigens moeten wij niet meenen dat Boeddha de vrouwen hoog stelde, al is b.v. in het Boeddhistische Birma de praktijk beter dan de theorie. Neen, eene van de leerstukken van het Boeddhisme is dat de vrouw, voor zij tot het hoogste heil kan geraken, altijd weer eerst als man in de wereld moet komen.

Toch werd de vrouw in oud-Indië geëerd. De afsluiting der vrouw van het maatschappelijk leven, door latere zeden gewettigd, was ook in het oude Indië niet zoo sterk. Integendeel, de vrouwen namen deel aan het geestelijk leven van hun volk: de edelste dichters toonen ons dat het oude Indië de waarde der vrouw gevoelde en haar bewonderde en eerde.

Boeddha echter vond de vrouwen een gevaar: in haar waren verpersoonlijkt alle machten der verleiding, die den geest binden aan deze wereld. „Ondoorgrondelijk” zoo leert de moraal van een oude vertelling, „verborgen, als de weg van den visch in het water, zoo is het wezen der vrouwen, der uitgeslapen rooverinnen, bij wie de waarheid moeilijk is te vinden, voor wie de leugen is als de waarheid en de waarheid als de leugen.”

En wat dunkt u van het volgende gesprek van Boeddha en Ānanda? De laatste vraagt: „Hoe zullen wij ons tegenover eene vrouw gedragen?” „Haar aanblik vermijden, Ānanda”. „Maar als wij haar toch zien, wat moeten wij dan doen? „Niet tot haar spreken, Ānanda.” En als wij toch tot haar spreken, wat dan?” „Dan moet gij over uzelven waakzaam zijn, Ānanda.” Boeddha ging er dan ook slechts noode—na herhaald aandringen zijner pleegmoeder42—toe over om vrouwen als zijne leerlingen in de orde op te nemen, en gaf tegen Ānanda te kennen, dat het heilige leven en de heilige leer zonder vrouwen 1000 jaar, met haar slechts 500 jaar zou kunnen bestaan.

Zoo was Boeddha’s geest: en de nonnen stonden ook altijd bij de monniken ten achter, zij werden geduld, veel meer ook niet. Merkwaardig is het dat ook in den tegenwoordigen tijd tegenover tallooze Boeddhistische monniken in Birma—ieder heeft daar zijn klooster—slechts weinige nonnen worden gevonden. En wel, omdat blijkbaar dat strenge en koude haar niet aantrekt. Een vrouw, zegt de Boeddhist in Birma ook nog heden, begrijpt het zoo niet. ’t Kan ons niet verwonderen als wij bedenken dat er zoo weinig gemoedelijks in dezen godsdienst is, hoe hoog hij overigens moge staan.

Hebben wij stilgestaan bij Boeddha’s vrienden, wij vragen thans, met welke vijanden had hij te strijden? Allereerst met de priesterlijke Brahmanen, wier instellingen en positie in strijd waren met zijn beginselen en die hij geenszins ontzag.

Openlijk sprak toch de Verlichte het uit, dat hij aan offers geen waarde hechtte, ja, dat de deugd der Ahīnsa (eerbied voor het leven) het dooden van dieren verbood. Onomwonden kwam hij op tegen den waan dat de Brahmaan als zoodanig nader zou staan bij het hoogste heil: het achtvoudige pad, dat naar Nirvāna leidde, stond voor iedereen open.

Niet minder verhief hij zich tegen het zweren bij schriftgeleerdheid, tegen de meening als ware het genoeg de woorden van de Veda’s in het hoofd te hebben. Wie, zeide Boeddha, de liederen en spreuken der oude wijzen nabidt en zich dan zelf een wijze dunkt, die is even als een slaaf of gering mensch, die zich op de plaats stelt, waar de koning tot zijn gevolg sprak, dezelfde woorden bezigt en zich nu ook een koning dunkt.”43 De scholier gelooft wat de meester gelooft, de meester wat hij van vroegere meesters ontvangen heeft.

We zien hierin hoe hij het autoriteitsgeloof verwierp. Hoe hij over het offer dacht, daarvan hebben wij een merkwaardig verhaal, dat aldus luidt:

Boeddha had eens een gesprek met een aanzienlijk Brahmaan, die hem vroeg wat de eigenschappen waren van een goed offer. Als antwoord verhaalt Boeddha dan de geschiedenis van een wijs en gelukkig koning uit oude dagen, die, na vele overwinningen te hebben behaald en de heele wereld te hebben veroverd, het besluit nam een groot offer aan de goden te brengen. Hij liet zijn huispriester komen en vroeg dezen hoe hij zijn voornemen het geschiktst zou volvoeren.

De priester vermaande hem, om vóór zijn offer te brengen eerst in zijn rijk rust, welstand en veiligheid te doen wonen. Hij gaat dus niet tot het offeren over, voor hij alle schade heeft hersteld. En bij zijn offer verwoest men geen levens van bezielde wezens, geen rund of schaap wordt geslacht. De dienaren des konings doen hun werk bij het offer niet onder tranen en door dwang: vreezend voor den stok der opzieners: ieder doet vrijwillig, wat zijn eigen hart hem ingeeft. Melk, olie en honig worden aangebracht en zoo wordt het offer des konings der godheid geboden.

Er is echter, zegt Boeddha, nog een hooger en gezegender offer, ook gemakkelijk te brengen: als men gaven schenkt aan vrome monniken, woonplaatsen verschaft aan Boeddha en zijn gemeente.

En nog hooger offer is het: als men met een geloovig hart bij Boeddha, bij de leer en bij de gemeente (Boeddha, Dharma, Sangha) zijn toevlucht neemt, als men geen wezen van het leven berooft, leugens en bedrog verre van zich houdt.

Nog hooger offer is het, als men als monnik van vreugde en leed beide afscheid neemt en in heilige rust peinzend zich verdiept.

Het hoogste offer dat een mensch kan brengen en tevens de grootste zegen, die hij kan verwerven is echter: als hij de verlossing bereikt en de zekerheid krijgt: ik zal niet weer tot deze wereld terugkeeren. Dat is de hoogste voleindiging van alles wat offer heet.

De Brahmaan, die zelf een groot offer had willen brengen en honderde dieren daarvoor in gereedheid hield, nam geloovig deze prediking aan en sprak: Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha, bij de leer en bij de gemeente.” „De dieren”, zoo sprak hij, „laat ik vrij, mogen zij het groene gras genieten, koel water drinken, moge de frissche wind hen omzweven.”

Nam Boeddha het op tegen het brengen van offers, misprees hij den castengeest en het gezagsgeloof, niet minder stond hij tegenover vele asceten, die in eindelooze zelfkwelling en zelfkastijding den weg des heils meenden te bereiken. Hij immers wist uit eigen smartelijke ervaring dat zichzelf te kwellen vruchteloos was. Hem was het geworden tot een heilige zekerheid, dat geen vasten de aardschgezinde gedachten of hartstochten doet verdwijnen.

Neen, het werken aan opbouwing van zijn geestelijk leven, het trachten naar kennis, dat is het, wat de overwinning geeft en de kracht tot dezen goeden strijd vindt men in een leven, dat even ver verwijderd is van weelde als van ontbering en zichzelf opgelegde smart. Zoo waren de gedachten van Boeddha, die tegenover de ziekelijke afdwalingen van het Indische ascetisme op den naam van gezonde opvattingen mogen aanspraak maken.

Boeddha staat hier tegenover zijn tijdgenooten als de man van praktijk en gezond verstand. Moeten wij dat echter zoo verstaan, dat hij feitelijk alle geloof aan God en een hooger leven als bijgeloof verwierp? Sommigen oordeelen zoo en geven ons van Boeddha een beeld als van een godloochenaar of minstens een positivist uit langvervlogen dagen. Feitelijk, zoo roepen zij ons toe, geloofde Boeddha aan geen God en geen volgend leven. Zijn Nirvāna, het einddoel, was eigenlijk het ophouden van alle bestaan, zijn God was slechts de eeuwige wet van oorzaak en gevolg, waarvan alleen ’t Nirvāna verlost.

Wij zullen wellicht later nog uitvoeriger op deze belangrijke punten terug komen. Nu merken wij alvast op: 1e dat het Boeddhistische geschrift, Brahmajala sutta geheeten, waarin vooral Boeddha als een soort scepticus optreedt, door vele bevoegde beoordeelaars niet gerekend wordt tot de geschriften van het oorspronkelijk Boeddhisme, maar van de zoogenaamde Mahayana, (de groote overtocht) een latere ontwikkeling (of verbastering?) van Boeddha’s leer, en dat er een sterk en welgegrond vermoeden bestaat, dat de invloed der Mahayana bij meer geschriften, die een gelijken indruk van Boeddha ons geven, is in het spel geweest.

2e. dat wij zeer eigenaardige episoden uit Boeddha’s leven bezitten, waarin een gansch andere geest doorstraalt, en waaruit wij de conclusie trekken, dat Boeddha met dat komen tot de verlossing, dat hij, zooals wij daareven zagen aanprijst als het hoogste offer, niet bedoelt een verlost worden van het bestaan, maar het verheven zijn boven het koortsachtige, rustelooze, dat het zoeken van het eigen ik aan ’t leven geeft, een zijn, dat zoo verheven is, dat ook Boeddha zich aan geen beschrijving waagt, en dat hij het niet vergeleken wil hebben met leven in den meer gewonen zin des woords. Willen wij trouwens voor het woord Nirvāna een Nederlandsch gewaad zoeken, dan moeten wij bedenken dat het staat, geenszins tegenover leven, maar tegenover dorst (trishna) tegenover het begeeren, dat altijd weer de ziel verteert en onrustig maakt. En dan drukt het woord dat F. Ortt44 er voor geeft „de groote vrede”, het best Boeddha’s gedachten uit.

Doch laten wij tot bevestiging van onze opvatting Boeddha’s getuigenis zelve hooren. Boeddha dan verklaart zekeren asceet en philosoof Makkhali Gosāla voor den ergsten aller dwaalleeraars.45

Wat nu leerde deze? O. a. dat de mensch geen vrijen wil had. Hij zeide namelijk: „Er is geen macht (om te handelen), er is geen kracht, de mensch heeft geen invloed, alle wezens, alles wat ademt, al wat is, al wat leeft is onmachtig, machteloos, krachteloos, door toeval, door leiding, door natuur wordt het naar zijn doel gevoerd.”

„Ieder wezen,” leerde deze leeraar verder, „maakt een bepaald aantal wedergeboorten door, aan wier slot zoowel de dwaas als de wijze het einde des lijdens bereikt.”

Had Boeddha zóó over diens leer kunnen spreken als hij zelf een verkapt loochenaar van God en een hoogere wereld was geweest? Immers neen. En wat dunkt u, lezer, van de volgende gelijkenis van den verhevene?

Eens, zoo sprak Boeddha, was daar een blind geboren man, die zeide: „Ik kan niet gelooven in een wereld van verschijnselen. Kleuren die helder of dof zijn bestaan niet. Daar is geen zon, geen maan, geen sterren. Niemand heeft daarvan goede getuigenis.” Zijn vrienden beknorden hem, doch hij herhaalde dezelfde woorden.

In die dagen was daar een Rishi, die het „innerlijk gezicht” had, hij ontdekte op de helling van de Himalaya vier kruiden, die de macht hadden om den man, die blind geboren was te genezen. Hij zocht die op, bereidde ze met zijn tanden en diende ze toe. Eensklaps riep de blindgeborene: „Ik zie kleuren en verschijnselen. Ik zie schoone boomen en bloemen. Ik zie de heldere zon. Niemand heeft ooit te voren zoo iets aanschouwd.”

Daarop kwam er een heilig man tot den blind geboorne en sprak tot hem: „Gij zijt ijdel en trotsch en bijna even blind als voorheen. Gij ziet de buitenzijde der dingen, niet de binnenzijde. Hij, wiens bovennatuurlijke zintuigen zijn ontwaakt ziet de lazuren velden van de Boeddha’s van het verleden, hij hoort hemelsche geluiden op vijf yogana’s afstand. Ga naar een woestijn, of een woud, of een hol in de bergen en overwin uw dorst naar aardsche dingen.”

De blindgeboorne gehoorzaamde en de parabel eindigt met deze uitlegging: „Boeddha is de oude Rishi, de vier kruiden zijn de vier groote waarheden.”46 Hij brengt de menschen van het lager leven af en opent de oogen der blinden.

Wij zien duidelijk hieruit, dat ook het mystieke—trouwens wij mogen hier, gelet op wat de wetenschap in onze dagen leert over telepathie, clairvoyance enz. en op wat getuigenissen uit alle eeuwen bevestigen, van gezonde mystiek spreken—bij Boeddha geenszins ontbrak en dat het doel dat hij zich met zijn leerlingen voorstelde geen ander was dan hen van het aardsche los te maken en tot het hooger leven te brengen. In dat denkbeeld worden wij bevestigd door de Samana Phala Sutta.47 Daar leert Boeddha ongeveer het volgende:

De mensch heeft een lichaam, saamgesteld uit de vier elementen.

Dit lichaam is de vrucht van de vereeniging van zijn vader en van zijn moeder. Het wordt gevoed met rijst en meelpap en kan worden verminkt, gekruisigd, vernietigd. In dit vergankelijk lichaam is des menschen verstand geketend. De asceet, zichzelf dus opgesloten gevoelend, richt zijn geest op het scheppen van een vrijer hulsel.

In gedachten stelt hij zich voor een ander lichaam, geschapen naar het beeld van dit stoffelijke, met een vorm, organen en leden. Dit lichaam staat tot het stoffelijke als het zwaard tot de scheede, of als de slang tot de mand waarin zij is opgesloten. De asceet dan, gereinigd en volmaakt, begint bovennatuurlijke krachten te ontwikkelen. Hij vindt zich in staat om door materieele hindernissen als muren en wallen heen te dringen, hij kan zijn beeld zichtbaar maken op meerdere plaatsen te gelijk, hij kan op het water wandelen zonder er in te zinken, hij kan door de lucht vliegen als een grootvleugelige valk, ja, hij kan deze wereld verlaten en die van Brahmā zelf bereiken. Door deze kracht van zijn wil verwerft hij zich nog een ander vermogen: evenals de ivoordraaier een olifantstand bewerkt volgens zijn phantasie, zoo kan ook hij door zijn gedachten beelden oproepen48. Hij verkrijgt het vermogen om te hooren de geluiden der onzienlijke wereld even duidelijk als die van de zienlijke wereld—ja nog duidelijker. Ook is hij—door de macht van Manās49—in staat de meest geheime gedachten van anderen te lezen en hun karakter te zien. Hij kan zeggen: „Hier is een geest, door hartstocht bestuurd, daar is een geest, die bevrijd is (van de hartstocht). Deze man heeft eed’le doeleinden, die man heeft geen doel in het oog.” Evenals een kind zijn oorringen in het water ziet en zegt: „Dit zijn mijn oorringen”, zoo erkent de gereinigde asceet de waarheid. Voorts komt dan over hem de gave van het „goddelijk gezicht” en hij omvat met zijn blik al wat menschen doen op aarde en na hun dood en wanneer zij wederom geboren zijn. Dan ontsluiert hij de geheimen van het heelal en waarom de menschen ongelukkig zijn en hoe hun ongeluk kan ophouden.”

Zien wij hierin niet, dat het geenszins aangaat Boeddha voor een atheïstisch gekleurd vrijdenker te houden?50 Men hoore ook het volgende uit de Tevigga Sutta, een ander Cingaleesch werk.

Toen Boeddha te Manasākata vertoefde, in het mangowoud, kwamen tot hem drie Brahmanen, in de Veda’s wel onderwezen, om hem te raadplegen over de vereeniging met den eeuwigen Brahmā. Zij vragen hem of zij op den rechten weg zijn om die vereeniging te bereiken. Boeddha antwoordt niet rechtstreeks. Hij onderstelt een vreemd geval. Een man is verliefd geworden op de allerschoonste vrouw van het land. Dag en nacht droomt hij van haar, doch, nimmer heeft hij haar aanschouwd. Hij weet niet of zij lang is of kort, of zij tot de Brahmanen of tot de Sudra’s behoort, of zij blank is of bruin, zelfs haar naam kent hij niet.

Dan vraagt hij de Brahmanen of dit verhaal over die vrouw een wijze of een dwaze vertelling is. Zij erkennen dat het „zottepraat” is. Boeddha past nu dezelfde redeneering op de Brahmanen zelf toe. En de Brahmanen, onderwezen in de drie Veda’s, moeten bekennen, dat zij Brahmā nimmer hebben gezien, niet weten of hij lang is of kort, noch iets wezenlijks omtrent hem en dat alles wat zij zeggen over vereeniging met hem, dwaze praat is. Zij gaan een trap op, waarin eene kromming is en weten niet of zij een woning of een afgrond zullen bereiken. Zij staan op den oever eener rivier en roepen den anderen oever op om tot hen te komen.

Was Boeddha de atheïstische leermeester, dien velen in hem zien, dan had hij hier een schoone gelegenheid gehad om zijn inzichten te doen kennen. De Brahmanen, had hij dan kunnen zeggen, weten niets van Brahmā, om de eenvoudige reden, dat zulk een wezen niet bestaat. Doch juist dit doet Boeddha geenszins. Hij tracht te bewijzen dat de Brahmanen daarom niets weten van Brahmā, omdat deze zuiver geestelijk is en zij zuiver stoffelijk zijn.

Vijf sluiers, zegt Boeddha, bedekken Brahmā voor het sterfelijk oog. Zij zijn:

  • 1. De sluier van lust en begeerte.
  • 2. De sluier van boosheid.
  • 3. De sluier van luiheid en traagheid.
  • 4. De sluier van trots en eigengerechtigheid.
  • 5. De sluier van twijfelzucht.

Dan gaat Boeddha voort en vraagt:

„Bezit Brahmā vrouwen en rijkdom?”

„Neen, Gautama” antwoordt Vāsettha de Brahmaan.

„Is zijn geest vol van toorn, of vrij van toorn?”

„Vrij van toorn, Gautama.”

„Vol van boosheid, of vrij van boosheid?”

„Vrij van boosheid, Gautama.”

„Is zijn geest bedorven, of zuiver?”

„Zuiver, Gautama.”

„Heeft hij zelfbeheersching, of niet?”

„Hij heeft die, Gautama.”

Dan doet hij de Brahmanen vragen over henzelven:

„Zijn de Brahmanen, geleerd in de drie Veda’s, zijn zij in het bezit van rijkdom, of zijn zij dat niet?”

„Zij zijn het, Gautama.”

Dragen zij iemand een kwaad hart toe, of niet, Gautama?”

„Zij doen dat, Gautama.”

„Zijn zij zuiver van hart of niet?”

„Zij zijn het niet, Gautama.”

„Hebben zij heerschappij over zichzelf, of niet?”

„Zij hebben die niet, Gautama.”

Deze antwoorden stellen, gelijk men begrijpt, in het licht, dat er geen vereeniging kan bestaan tusschen zoo verschillende wezens als Brahmā en de Brahmanen. Brahmā is vrij van alle verkeerdheid, zondeloos, zichzelf meester, dus kan alleen hij, die zonder zonde is, hopen met hem in overeenstemming te komen. Vāsettha stelt vervolgens deze vraag: „Mij is gezegd Gautama, dat de asceet Gautama den weg weet tot den staat van vereeniging met Brahmā?”

„Ik ken Brahmā Vāsettha”, is Boeddha’s antwoord, „ik ken de wereld van Brahmā, en den weg die er heenvoert.”

Daarop vraagt de verootmoedigde, in de drie Veda’s onderwezen Brahmaan, aan Boeddha: hem den weg te wijzen tot den staat van vereeniging met Brahmā.

Boeddha geeft een uitvoerig antwoord: een scherpe tegenstelling makend tusschen het hooge en het lage Brahmanendom, tusschen de „aan huizen gehechte” en de „huislooze” Brahmanen. Die eersten, de huis-Brahmanen, zijn ruw, zinlijk, gierig, onoprecht. Om winst beoefenen zij de zwarte kunst, de waarzeggerij en bedrog. Zij weten bij koningen gehoor te krijgen, broeden oorlogen uit, voorspellen overwinningen, offeren levens op, berooven de armen. Als een tegenbeeld daarvan schildert hij den kluizenaar, die alle wereldsche dingen heeft verzaakt en zuiver, zichzelf meester, gelukkig is.

Om dit hooger leven aan de menschen te leeren wordt „van tijd tot tijd een Tathāgatha (voleindigde) in de wereld geboren, gezegend en waardig, overvloeiende van kennis, een gids voor dwalende stervelingen. Hij ziet aangezicht tot aangezicht het gansch heelal, de geesten-wereld van Brahmā en die van Māra, den verzoeker. Hij deelt aan anderen zijne kennis mede. De eerste „huislooze” door hem onderricht doet zijn geest een vierde der wereld doordringen met erbarming, sympathie en gelijkmoedigheid, verreikend, groot, bovenmatig.”51

„Waarlijk, dit is, o Vāsettha, de weg tot den staat van vereeniging met Brahmā” en hij verkondigt dat de Bhikshu of Boeddhistische bedelmonnik, die vrij is van toorn, vrij van kwaadwilligheid, zuiver van geest, meester over zichzelf, na zijn dood, als het lichaam ontbonden is, met Brahmā zal vereenigd worden.” De Brahmanen gevoelen dan de volle kracht van dit woord. Boeddha is in hun oog geen afbreker, maar een behouder van het geloof. Hij houdt het met den ouden geestelijken godsdienst tegenover alles mêesleepende nieuwigheidsleeraars.

„Gij hebt overeind gezet, wat was ter neder geworpen” zeggen zij tot hem.

Zoo zien wij hier Boeddha als diengene, die den geestelijken godsdienst weer opricht, door de Brahmanen onder vormen verstikt, evenals Jezus weer opvatte wat door Israëls profeten, die de eischen des levens op den voorgrond stelden was geleerd, doch door de Joodsche schriftgeleerdheid was nedergeworpen.

Doch hij deed nog meer, dat ons aan Jezus doet denken. Evenals deze ons geteekend wordt vol liefde voor gevallenen en verworpenen zoo hebben wij ook van het licht van Azië treffende verhalen, die in het licht stellen zijn liefde ook voor ver verdoolden.

In de Chineesche Dhammapada lezen wij van een schoone zondares, die van Boeddha had vernomen en die op weg ging om zijne prediking te hooren. Op weg zag zij echter in een bron haar schoon gelaat en zij was niet in staat om haar goede voornemen uit te voeren. Toen zij terugkeerde, werd zij ingehaald door een andere courtisane, schooner nog dan zij zelve, en zij reisden te zamen. Toen zij een oogenblik rustten bij een andre bron, werd de vreemdelinge door slaap bevangen en legde zij haar hoofd op den schoot van haar medereizigster. Eensklaps werd het schoon gelaat wasbleek als een lijk, een walgelijk lokaas voor afschuwelijke insecten. De vreemdelinge toch was de groote Boeddha zelf, die deze gestalte had aangenomen om de arme Pundarī te bekeeren.

„Daar is een schoonheid, die gelijkt op een fraaie kruik met vuil gevuld: een schoonheid die aan oogen, neus, mond, lichaam toebehoort. Het is die vrouwelijke schoonheid, welke leed brengt, huisgezinnen verdeelt, kinderen doodt”.

Deze woorden voorzeker, door den Meester bij een andere gelegenheid geuit, geven den zin weder van dit verhaal en drukken den geest des Meesters uit.

Wij zagen reeds dat deze noch aan offers, noch aan zelfkastijding waarde hechtte, daar dit de weg niet kon zijn om verlost te worden van het lijden.

Daartegenover legde hij allen nadruk op het streven van den mensch zelf. „Werk uws zelfs zaligheid” dat kan een spreuk wezen van Boeddha evengoed als „In eigen hand ligt eigen lot.” Een en ander leert hij dan ook uitdrukkelijk, geen uitwendige ceremoniën kunnen baten, geen geloof of gebed kan het doen, zelf moet de mensch den weg bewandelen tot het heil. „Ook de Tathāgatha’s zijn enkel predikers, zelf moet gij een poging doen.”52

Nauw in verband met deze meer verhevene opvatting van het heil staat zijne erkenning van de onafwendbare gevolgen die het kwaad heeft op des menschen persoonlijkheid zelve: slechts onze tijd heeft hem hierin geëvenaard. Wel leert Boeddha geen eeuwige straf: ook aan Devadatta, den Judas van het Boeddhisme wordt vergiffenis geschonken, doch, Boeddha kan de gevolgen van zijn booze daden niet wegnemen, deze moeten langzamerhand worden opgeheven in de zuiveringsprocessen van het hiernamaals. Boeddha kent niet de theorie dat een dwaze dweeper op zijn sterfbed eensklaps de rijke liefde en de verheven kennis van een engel zou deelachtig worden. In een volgend leven komt iemand juist in zulk een toestand van geest en gemoed, als die waarin hij voordezen verkeerde, anders is zijn persoonlijkheid verwoest. Dat noemt men de wet der gerechtigheid (Karma).

Deze leer van Boeddha is grillig verdraaid door sommigen van zijn volgelingen, doch zijn eigen woorden zijn snijdend klaar:

„Een fout, welke men bedreven heeft is als melk, die niet op ééns zuur wordt. Langzaam en zachtkens, als vuur onder de asch zal zij den dwaas verderven. Beide een goede en een slechte daad moeten rijp worden en hunne onvermijdelijke vruchten voortbrengen.53

Hoe Boeddha dit meent, heeft hij aangewezen in een schoone gelijkenis. Daarin worden de gevolgen van het kwaad afgebeeld als een ijzeren vesting der kwelling en de zonden als schoone vrouwen, die den mensch naar dezen zijnen ondergang lokken.

Alles in dit verhaal doet bij den eersten aanblik denken aan een tooversprookje uit de Duizend en Een Nacht (trouwens we zien dikwijls diepe waarheden in zulk een poëtischen vorm gehuld door de Indiërs), koel wuiven de palmen van een schoon eiland en in een heerlijk paleis wordt de slechte zoon, die naar goud zoekt, door vrouwen van bovenaardsche bekoorlijkheid bewaaierd. Hij heeft gesmaakt de onwaardige genietingen van Kāmaloça (de lagere wereld) en geniet ze voor een tijd. Van eiland tot eiland gaat de reiziger voort, ieder volgend eiland is schooner dan het vorige, maar ieder is weer dichter bij de stad der boete, de stad met ijzeren muren. Doch: die hem daarheen drijft is geen Ahriman, geen duivel: neen, de wet van oorzaak en gevolg drijft hem voort. Evenwel: daar is geen duivel, dien Boeddha niet kan verzachten, zelfs tot in de hel Avīchi is er geen schuilhoek, waar zijn groote liefde niet kan doordringen.

Elk, zoo laat Edwin Arnold54, den Boeddha zeggen, en wij nemen die woorden over omdat zij zoo goed zijn geest uitdrukken:

Elk heerscht in eigen kring, zoo mensch als God,

Want al wat leeft, daarboven, hier omlaag,

’t Zij groot of klein, schept door zijn eigen dâan

Zijn lot, zijn lust, zijn plaag.

Wat was, bepaalt wat is of worden zal,

Het beet’re, ’t mind’re, ontwikkeling, nieuw begin...

In blijde heem’len oogsten d’englen ’t loon,

Van eed’le daden in;

In d’onderwereld dragen duiv’len ’t pak

Van vroeger boos bedrijf. Het goede, ’t kwaad,

’t Wordt alles door den tijdstroom meegevoerd,

Niets blijft in d’eigen staat.

en zegt hij later van die wet der gerechtigheid, (Karma):55

Zoo dwingt haar wet ons tot gerechtigheid.

Niet één kan haar weerstaan. Volgt haar gedwee,

Liefde is haar innigst wezen en het doel,

Dat zij beoogt: Volmaking, Rust en Vrêe.

Liefde is haar innigst wezen. Zij was ook het innigst wezen van den Boeddha. Al zien wij in zijn persoon niet dat gemoedsleven dat een Jezus kenmerkt, toch vervult ons de gestalte van dien koningszoon, die alle aardsche banden breekt om der menschheid het heil te prediken, die vol is van medelijden, met diepen eerbied en wij kunnen ons begrijpen dat zijn volgelingen zeiden dat hij was „God, geopenbaard in de gestalte van barmhartigheid.”

Wij kunnen ons niet voorstellen dat zijn beeld, ons zoo treffend geteekend, slechts een mythe zou zijn: er moet een verheven karakter zijn geweest om denkbeelden te verkondigen, die zoo ver waren verheven boven zijn tijd.

Nooit verandert zijn verheven welwillendheid. Hij bekeert de verdorvenste zondaars. Hij spreekt tot de dochters der zonde. Als hij de aarde bezoekt is het licht tot in de diepste der hellen, hij maakt duivelen en goede menschen beide gelukkig. Een dwaas beleedigt hem. „Mijn zoon” antwoordt hij „beleediging tegen den hemel is als speeksel, dat men tegen het uitspansel richt: het keert terug op wie het uitwerpt.”

„Een Tathāgatha,” zegt hij tot zijne leerlingen, „kan door slechte daden en beleedigingen niet worden vertoornd: deze kunnen alleen zijn barmhartigheid en liefde verdubbelen.”

Bedenken wij nu daarbij dat het beginsel der vergelding (oog om oog, tand om tand) de politiestok was voor de maatschappij van die dagen, dat oorlog, plundering en wraak aan geheele kringen eigen waren als dagelijksch bedrijf en broodwinning, hoe verheven klinken ons dan tegen woorden als deze:

„Slechts door liefde bedwingen wij wrok. Door goed alleen overwinnen wij kwaad. De heele wereld vreest geweld. Alle menschen beven in tegenwoordigheid van den dood. Doe aan anderen wat gij wilt dat zij u zouden doen. Dood niet. Veroorzaak geen dood.

Zeg geen harde woorden tot uw buurman. Hij toch zal u antwoorden in denzelfden toon.

Zij die zeggen: „Ik ben verongelijkt en uitgetart, ik ben geslagen en geplunderd” zullen nooit ophouden te haten.

Wat de haat in de wereld kan doen ophouden is niet de haat, maar de afwezigheid van haat.

Als gij—evenals een trompet, die in den krijg is vertreden—geen klagelijk geluid meer voortbrengt, dan hebt gij Nirvāna bereikt.

Stil zal ik misbruik verduren evenals de strijd-olifant de pijl van den schutter ontvangt.

De mensch, die ontwaakt is, gaat niet op wraak uit, maar vergeldt met vriendelijkheid zelfs wie hem onrecht doet: evenals de sandelboom zijn geur nog meedeelt aan de bijl van den houthakker, die hem velt.”

Hebben deze schoone uitspraken vooral betrekking op het kwaad met goed vergelden, de volgende die zich op verschillend gebied bewegen zijn niet minder merkwaardig.

„De zwanen gaan op het pad der zon. Zij gaan door de lucht, dank zij hun wonderbare macht. Zoo gaan de wijzen deze wereld uit, als zij Māra en diens gezelschap hebben overwonnen.

Niet door uitwendige daden is men een (waar) asceet (Samāna).

Niet de tonsuur maakt van den onopgevoeden mensch een Samāna.

Geen regenbui van goudstukken kan de lust ooit voldoen.

Een mensch is geen Bhikshu alleen omdat hij aalmoezen vroeg, geen Muni56 omdat hij stilzwijgt. Niet door discipline en geloften, niet door groote geestelijke kennis, niet door alleen te slapen, niet door heilige inspiratie, kan ik die vrijheid verkrijgen, welke geen wereldling kent. De ware Samāna is hij, die alle kwaad ter rust heeft gebracht. Indien een mensch in den strijd duizend maal duizend man overwint en een ander overwint zichzelf, dan is de laatste de grootste overwinnaar.

Weinigen zijn er die aankomen aan de overzijde, de meesten loopen langs den oever heen en weer.

Laat de dwaas verlangen naar een waardelooze reputatie, naar voorrang onder de Bhikshu’s, naar heerschappij in de kloosters, naar vereering door andere menschen.

Een bovennatuurlijk persoon wordt niet gemakkelijk gevonden. Hij wordt niet overal geboren. Het ras, waaronder zulk een wijze geboren wordt, bloeit.

Roep mij niet uit op den weg alsof ik de god Brahmā was.57 Godsdienst is niets anders dan het vermogen om lief te hebben.

Het huis van Brahmā is waar kinderen gehoorzamen aan hun ouders.

Schoonheid en rijkdom zijn als een mes, met honig besmeerd. Het kind zuigt er aan en wondt zich.58

Zoo vormen de woorden en daden van Boeddha een schoon geheel, zooals hij leerde, zoo leefde hij. En zooals hij leefde, zoo stierf hij ook.

Achttien mijlen oostwaarts van Kapilavastu is thans een nederig dorp, geheeten: Māthā Kuär (de doode prins). Waarom die naam? Hwen Thsang, de Chineesche pelgrim, die in de 4de eeuw Indië bezocht, kan het ons vertellen. Daar was in zijne dagen een „doode prins” van marmer, rustende onder een prachtig tempeldak (canopy), waarvan nog ruïnen zijn overgebleven. Op de plaats van dien tempel stonden 477 jaar voor Christus eenige boomen waaronder toen, in doodslaap verstijfd, de „beste vriend der wereld” rustte, zooals de Indiërs hem noemden. Hooren wij, wat een in hoofdzaak betrouwbaar verhaal ons van zijn dood meldt.

Boeddha gaat van Rājagriha, de hoofdstad van Magadha-land het noorden in. Hij gaat den Ganges over, waar toen juist de toekomstige hoofdstad van Indië, de koningstad Pataliputta werd gebouwd. Hij ziet in den geest de toekomstige grootheid dier stad en voorspelt deze aan zijn jongeren.

In het dorp Beluva nabij Vaisāli wil hij zijn leerlingen laten heengaan om daar in stille eenzaamheid den regentijd door te brengen. Doch daar grijpt een smartelijke krankheid hem aan: den dood erkent hij als nabij. Nu denkt hij aan zijne jongeren: hij wil Nirvāna niet ingaan voor hij tot hen gesproken heeft. Alzoo bedwingt hij zijne krankheid en houdt het leven vast. Hij staat op, gaat uit het huis en zet zich voor de deur op de plaats, die men hem bereid heeft. Ānanda spreekt dan tot hem: „Ik zie, Heer, dat de verhevene beter is en het hem minder moeielijk valt. Mij, Heer, hadden de krachten verlaten, ik duizelde, de gedachten vloden heen door de ziekte van den verhevene. Doch een troost had ik, Heer, de verhevene zou niet in het Nirvāna ingaan, voor hij zijn wil omtrent de gemeente den jongeren verkondigd heeft.”

„Wat begeert de gemeente der jongeren van mij, Ānanda? Ik heb de leer verkondigd en geen verschil gemaakt tusschen binnen en buiten. Hij die zegt: „Ik wil heerschen over de gemeente” of „laat de gemeente mij onderworpen zijn,” hij moge Ānanda, zijn wil verklaren in de gemeente... De voleindigde evenwel zegt niet: „Ik wil over de gemeente heerschen.” Ik ben nu afgeleefd, bejaard, een oud man, die zijn reis heeft volbracht. Tachtig jaar ben ik oud—Wees gij, Ānanda, uw eigen licht, uw eigen toevlucht. Zoek geen andere toevlucht. Wie nu, Ānanda, of na mijn verscheiden, zijn eigen licht zal zijn, zijn eigen toevlucht en geen andere toevlucht zal zoeken, hij zal voortaan mijn ware discipel zijn, die het rechte pad bewandelt.”

Boeddha laat des avonds alle monniken, die nabij Vaisāli wonen samenroepen en wijst hen nog eenmaal op de kennis des heils, die hij hun predikte, opdat zij daarnaar zouden wandelen en die zouden vermeerderen en dan laat hij volgen: „Welaan monniken, ik zeg u, al het aardsche is der vergankelijkheid onderworpen, worstelt zonder ophouden. Over een kleinen tijd breekt het Nirvāna van den voleindigde aan, nu over drie maanden zal hij in het Nirvāna ingaan.”

En, ging hij voort:

„Mijn aanzijn rijpt voor ’t eind, na is mijns levens doel. ’k Ga heen: Gij blijft nog hier: het oord der toevlucht wacht, weest waakzaam steeds, en heilig zij uw wandel. Bewaart met kloeken moed, o jong’ren, uwen geest.

Die zonder wank’len steeds het woord der waarheid volgen.

Zij komen tot het doel, geboort, en dood voorbij.

Den volgenden dag doet Boeddha nog eenmaal zijn bedelgang door Vaisāli: ziet voor de laatste maal op de stad terug en begeeft zich met vele jongeren op weg naar Kusinārā, om daar het Nirvāna in te gaan.

Te Pāvā—onderweg—overvalt hem de krankheid, die aan zijn leven een einde zal maken.—Cunda—zoo verhaalt het oude bericht naïef tusschen de afscheidsgesprekken van den verlichte door—Cunda, de zoon van een goudsmid te Pāvā zette den verhevene zwijnenvleesch voor, ten gevolge waarvan hij ziek werd. Moede ging de meester verder, hij baadde zich in de rivier en dronk een weinig. Na eenige rust kwam hij te Kusinārā. Daar moest Ānanda hem tusschen twee boomen een rustplaats bereiden, waarop hij het moede hoofd nederlegde.

Het was niet de tijd dat de Sālaboomen bloeiden, doch deze beide waren van onder tot boven met bloesems bedekt.

Toen sprak de verhevene tot Ānanda: „Geheel met bloemen bedekt, hoewel het de bloeitijd niet is, zijn de beide tweelingsboomen: hun bloesems vallen in menigte op het lichaam van den voleindigde: hemelsche melodieën weerklinken in de lucht om hem te eeren.

Doch den Voleindigde, Ānanda, komt een andere eer toe, een andere verheerlijking, prijs, vereering, eerbied. Ieder monnik Ānanda, en iedere non en iedere leek en leekenzuster, die in het groote en in het kleine in de waarheid leeft en naar de wet leeft en ook in het kleine naar de waarheid wandelt: zij zijn het die den voleindigde brengen de hoogste eer, verheerlijking, prijs en vereering. Daarom, Ānanda, moet gij u oefenen en steeds bedenken: wij willen in het groote en het kleine naar de waarheid leven, wij willen naar de wet leven en ook in het kleine in de waarheid wandelen.”

Weenend ging Ānanda het nabijzijnde huis binnen en sprak: „Ik ben van zonden nog niet vrij, ik heb het doel nog niet bereikt, en mijn meester, die zich mijner erbarmde, zal in het Nirvāna ingaan.”

Toen zond Boeddha een der leerlingen tot hem: „Ga heen, leerling, en spreek uit mijn naam tot Ānanda: de Meester wil met u spreken, Ānanda. Toen ging Ānanda tot den Meester, boog zich en nam aan zijne zijde plaats. Boeddha echter sprak: „Niet alzoo, Ānanda, klaag niet, jammer niet. Heb ik u niet van te voren gezegd, Ānanda, dat men scheiden moet van alles wat men liefheeft en waarin men zich verheugt? Hoe ware het mogelijk, Ānanda, dat niet zou vergaan datgene wat geboren, geworden, gemaakt, der vergankelijkheid onderworpen is? Dat gaat toch niet. Gij echter Ānanda, hebt langen tijd den Voleindigde geëerd, in liefde en goedheid, met vreugde zonder valschheid, zonder einde: in gedachten, woorden en werken. Gij hebt goed gedaan Ānanda, ga voort, weldra zult gij van zonden vrij zijn.”

Toen de nacht aanbrak stroomden de edelen van Kusinārā met vrouwen en kinderen naar het bosch om voor het laatst den stervenden meester hunne vereering te brengen.

Subhadra, een andersgezind asceet, die gekomen was om met hem te spreken bekeerde zich tot hem als de laatste der geloovigen, die den Meester zelven aanschouwden.

Kort voor zijn heengaan sprak Boeddha nog tot Ānanda: „Wellicht, Ānanda, zult gij denken; het woord heeft zijn meester verloren, wij hebben geen meester meer. Zoo moet gij niet denken, Ānanda. De leer, Ānanda, en de orde, die ik u geleerd en verkondigd heb, dat is uw meester, als ik ben heengegaan.”

En tot de jongeren zeide hij: „Welaan, jongeren, ik zeg u: vergankelijk is alles wat geworden is, worstelt zonder ophouden (om het heil te verkrijgen). Toen ging zijn geest van extase tot extase, door alle trappen der vervoering, daarop ging hij tot Nirvāna in. De aarde beefde, de donder rolde. En Brahmā sprak:

„Eens leggen alle wezens af lichaamlijkheid, in alle werelden, zooals nu Boeddha, de overwinnaar, de meester der wereld, de machtige voleindigde, tot Nirvāna is ingegaan.”

De edelen van Kusinārā kwamen en verbrandden voor de poorten der stad het lichaam van Boeddha met alle eer, die aan de lijken van koningen placht te geschieden.


Zoo wordt ons geschetst het levenseinde van den verhevene. We hebben hem aan de hand der oude geschriften gevolgd op zijn levens weg. Wij hebben leeren kennen den Boeddha der oude legende. Doch niet al te moeilijk schijnt het om uit den Boeddha der legende den wijzen Sakyazoon der historie te kennen. Als wij dat beproeven, dan komt ons voor den geest een hooggeboren edele, die, met aardschen glans en luister omringd, alles daarliet om een oplossing te zoeken van de hoogste levensvragen. Een wijze, die alles wat het leven lieflijks heeft, verzaakte om te zoeken naar wat voeren kon tot waren vrede. Niet in zelfkastijding, noch in overdreven wereldschuwheid vond hij dien, maar in het streven om bij een leven, evenver van zinnelijkheid als van zelfpijniging, tot uitdooving van alle hartstocht, tot opgeven van alle persoonlijke begeerte te komen.

Eén, die voorts het licht hem geschonken, niet voor zichzelf hield, maar het zooveel in hem was aan anderen bracht, ja daaraan zijn gansche leven wijdde en die voor hoog en laag, voor mensch en dier de welwillendheid zelve was.

Eén, die diep besefte dat geen offers, geen boetedoeningen, geen ceremoniën vrede brengen in de ziel, maar dat er slechts vrede en licht te vinden is voor hen, die uit liefde zichzelf ten offer geven en alle begeerte en hartstocht weten te overwinnen.

Geen wonder dat zijn persoon een onuitwischbaren indruk achterliet en dat vrome vereering een stralenkrans wond om het hoofd van den Sakyazoon.