Wij hebben in de vorige hoofdstukken het leven van den verlichte u geschetst en daarbij op menige bladzijde, naar ik hoop, doen gevoelen, welken geest hem bezielde. Toch willen wij op zijn onderwijs nog meer in ’t bizonder uwe aandacht vestigen: de leer was immers naar zijn eigen woord tot Ānanda, de Meester voor zijn volgelingen, als hij was heengegaan?
Welnu, dat woord van den Meester is ons voor een goed deel overgeleverd al kunnen wij niet overal beslissen, wat aan den Meester, wat aan leerlingen te danken is.
Wat die leer betreft, krijgen wij den indruk, dat zij zich—in onderscheiding van Jezus’ leer b. v.—vaak meer tot het verstand richtte dan tot het hart. ’t Is meestal meer een klemmend betoog dan een op het gevoel werkend beeld. Ja, er is in die betoogen zelfs iets mathematisch, punt voor punt wordt uitvoerig en eentonig afgewerkt en langzaam gaat het voort. Als een voorbeeld noem ik de volgende rede over den gloed der zinnen:59
„Toen sprak de verhevene tot de jongeren: alles, jongeren, staat in vlam. En wat is dit alles, jongeren, dat in vlam staat? Het oog, leerlingen, staat in vlam, het erkennen van het zichtbare staat in vlam, de aanraking met het zichtbare staat in vlam, het gevoel, dat uit de aanraking met het zichtbare voortkomt, staat in vlam: of het vreugde of leed is of geen vreugde of leed: ook dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding is het ontvlamd, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, lijden, kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: Alzoo zeg ik.
„Het oor staat in vlam, het hoorbare staat in vlam, het kennen van het hoorbare staat in vlam, de aanraking met het hoorbare staat in vlam, het gevoel dat uit de beroering met het hoorbare voortkomt, zij het vreugde, zij het leed, zij het geen vreugde en geen leed, ook dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, leed, kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: alzoo zeg ik.
„De reuk staat in vlammen (dan volgt weer dezelfde opsomming), de tong staat in vlammen (wederom), het lichaam staat in vlammen (wederom), de geest staat in vlammen (wederom).”
Dan gaat de rede voort: „Dit alzoo inziende (nl. de waarheid van het verteerd worden van alles door den vuurgloed der vergankelijkheid) wordt een wijze, edele hoorder des woords het oog moede, hij wordt het zichtbare moede, hij wordt het kennen van het zichtbare moede, hij wordt het gevoel moede, dat uit de aanraking met het zichtbare ontstaat, zij het vreugde of leed, of geen vreugde of leed. Hij wordt het oor moede (enz.), de reuk moede” (enz. enz.) (altijd weer dezelfde zinnen).
En dan eindigt de rede: „Terwijl hij deze dingen moede wordt, wordt hij vrij van begeerte, van begeerte vrij wordt hij verlost, in den verloste is het inzicht: ik ben verlost, vernietigd is de wedergeboorte, voleindigd de heiligheid, gedaan de plicht, geen terugkeer is er meer tot deze wereld: alzoo is zijn inzicht.”
Voor ons zou een dergelijke toespraak geen groote aantrekkelijkheid hebben, doch voor de leerlingen van Boeddha, die aan een dergelijken redeneertrant, ook van andere leeraars gewoon waren, was dat een ander geval.
Voor de niet ingewijden sloeg de meester gewoonlijk een eenigszins anderen toon aan, dan waren de redeneeringen niet zoo abstract. Zoo wordt ons b.v. in de Mahāvagga, hetzelfde werk, waaraan de juist vermelde toespraak is ontleend, ook verhaald hoe de verhevene aan „tachtigduizend dorpsoudsten” het woord predikte. „Hij erkende”, heet het daar, in zijn geest de gedachten der dorpsoudsten en predikte hun het woord naar de orde, namelijk de prediking van het geven, de prediking van de rechtschapenheid, de prediking van de hemelen, de verderfelijkheid, ijdelheid, onreinheid der lusten, den zegen van het vrijzijn van lust. Toen nu de verhevene erkende, dat hunne gedachten goed, ontvankelijk, vrij van hindernissen waren, verheven en naar hem toegewend, toen predikte hij hen, wat in ’t bizonder de prediking der Boeddha’s is: het lijden, het ontstaan van het lijden, de opheffing van het lijden, den weg tot opheffing des lijdens. Vervolgens wordt dan geschetst hoe in die dorpsoudsten het oog der waarheid opengaat en zij inzien dat „alles wat aan de wet van het ontstaan onderworpen is, ook aan de wet van het vergaan onderworpen is.”
M. a. w. hier wordt ons te zien gegeven, hoe Boeddha van het eenvoudige opklimt tot de verborgenheden, tot het wezenlijke, het eigenaardige zijner leer. Nu, al mogen wij ook allerminst vaststellen dat deze leer alzoo is uitgesproken (die verzameling van 80.000 dorpsoudsten is althans zeker een fictie) toch kunnen wij aannemen dat iets dergelijks aan de leerwijze van den Verlichte is eigen geweest60.
Soms ook vinden wij gesprekken, waarin Boeddha uit het dagelijksch leven opklimt tot het geestelijke, en wel in dier voege, dat hij zijn toehoorder door verschillende vragen langzaam brengt, waar hij hem hebben wil: alzoo de methode van Socrates, die ook vooral door vragen leerde.
Zoo b.v. een gesprek van den Meester met Sonā, een zijner leerlingen. Deze Sonā had zichzelf tot de uiterste ascese gedwongen, doch was ten slotte tot het inzicht gekomen dat zulk een streven geen goede vruchten droeg. Hij liep nu gevaar tot het andere uiterste over te slaan en terug te keeren tot een leven voor het genot.
Boeddha zegt dan tot hem: „Hoe is het Sonā, waart gij vroeger, voor gij uw huis verliet, met het snarenspel bekend?” „Ja, heer.” „Wat dunkt u dan Sonā, als de snaren al te strak zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn”. „Dat zal zij niet, Heer.” „En wat dunkt u, als bij uwe luit de snaren al te slap zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en voor bespelen geschikt zijn?” „Dat zal zij niet, Heer.” „Hoe echter, Sonā, indien bij uwe luit de snaren niet te strak en ook niet te slap gespannen zijn, als zij de juiste maat houden, zal dan de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn?” „Ja, heer.”
„Zoo ontaardt ook, Sonā, de al te sterk gespannen kracht in overmaat, en de al te veel overgelaten kracht in slapheid. Daarom Sonā, voleindig in uzelf het evenwicht uwer kracht en tracht te komen tot evenwicht van uw geestelijk vermogen, houd dit doel in ’t oog.”61
Somtijds vinden wij ook in het onderricht van Boeddha meer uitgewerkte gelijkenissen. Enkele daarvan willen wij U medededeelen, omdat zij ons zoo goed den geest des meesters doen kennen. We merken hierbij echter op, dat zeker niet al deze gelijkenissen van den Meester zelf afkomstig zijn.
Van den verzoeker, die tracht de menschen den weg des heils te doen bijster worden en van den verlosser, die hen op den rechten weg terugvoert, wordt ons de volgende gelijkenis verhaald, die wij kunnen noemen:
De ware en de verkeerde weg.62
„Wanneer, o jongeren, in het woud, op een berghelling, een groote vallei met water is, waarbij een groote kudde wild leeft en er komt een man die het wild plagen en ongelukkig maken wil, dan sluit deze man den weg,63 die goed, veilig en wel begaanbaar is af en opent een verkeerden weg, een moeraspad. Dan zal, o jongeren, die groote kudde wild schade lijden en verminderen. Wanneer er nu echter, jongeren, een man komt, die tracht naar gedijen, welzijn en heil voor deze groote kudde wild: dan maakt deze den goeden weg weer open en vernielt het moeraspad. Dan zal, o jongeren, de groote kudde wild voortaan gedijen, wassen en toenemen. Een gelijkenis, jongeren, heb ik verteld, om u den zin bekend te maken. De zin nu is deze:
„De groote vallei en het water zijn de lusten, o jongeren. De groote kudde wild, jongeren, zijn de levende wezens. De man, die schade en onheil voor hen tracht te bewerken is Māra, de booze. De verkeerde weg, jongeren, is de achtvoudige verkeerde weg, namelijk: verkeerd geloof, verkeerd bedoelen, verkeerd woord, verkeerde daad, verkeerd leven, verkeerd streven, verkeerd gedenken, verkeerd bespiegelen. De moerasweg, o jongeren, is vreugde en begeerte. Het moeraspad, jongeren, is het nietweten. De man, jongeren, die naar gedijen, welzijn, heil tracht is de voleindigde, de heilige hoogste Boeddha. De zekere, goede weg, die wel te begaan is, is de heilige, achtvoudige weg, dat is: goed gelooven, goed bedoelen, goed woord, goede daad, goed leven, goed streven, goed gedenken, goed bespiegelen. Alzoo, heb ik, o jongeren, den veiligen, goeden weg geopend, die wel te begaan is, de valsche weg is toegesloten, het moeraspad vernietigd. Alles, jongeren, wat een meester doen moet, die naar het heil zijner jongeren tracht, die zich hunner erbarmt: uit erbarmen voor u heb ik dat gedaan.”
Dit bovenstaande verhaal kan terecht den naam van gelijkenis dragen, wij vinden echter in de oude Boeddhistische boeken ook nog meer uitgewerkte verhalen, die wel eenigszins aan gelijkenissen doen denken, maar toch nog beter „leerzame verhalen” kunnen worden genoemd. Enkele daarvan, deels van Boeddha, deels van zijn volgelingen afkomstig, willen wij hier laten volgen, omdat zij ons den geest van zijnen godsdienst zoo goed leeren kennen. Allereerst noemen wij u:
De gelijkenis van de vergeving.
In een vroeger bestaan was Boeddha de asceet Jin Juh en woonde hij in een bosch. „Wouden zijn heerlijk” verklaarde hij. „Waar de wereldling geen genoegen vindt, vindt de „ontwaakte” mensch genot.”
In dien tijd was er een koning, Ko Li geheeten, een man van wreed, slecht karakter. Op zekeren dag nam deze koning zijn vrouwen met zich en ging jagen in het bosch. Vermoeid geworden viel hij in slaap. Toen gingen al de vrouwen het bosch in om bloemen te plukken; zij kwamen bij de kluis van den asceet Jin Juh en luisterden naar zijn onderricht. Na eenigen tijd ontwaakte de koning, en zijn vrouwen missende, werd hij jaloersch, trok zijn zwaard en ging haar zoeken. Toen hij haar allen zag staan tegenover de kluis van den asceet, werd hij zeer toornig.
„Wie zijt gij?” sprak de koning.
„Ik ben de asceet Jin Juh.”
„Hebt gij alle aardsche hartstochten overwonnen?” vervolgde de koning. De ander antwoordde dat hij hier was om met zijn hartstochten te strijden. „Indien gij „Sheung te teng”64 niet hebt bereikt, zie ik niet in dat gij beter zijt dan de philosophen,” (Fan Fuh) èn met de wreedheid van een Oostersch tyran hakte hij den armen kluizenaar handen en voeten af.
De monarch zag tot zijn verbazing een verheven kalmte op het gelaat van den gekwelden asceet en vroeg hem of hij geen toorn gevoelde.
„Neen, koning, en ik zal u eenmaal leeren ook uw dierlijke hartstochten te bedwingen. Als ik, in een ander bestaan, Sheung te teng bereik, zult gij, o koning, mijn eerste bekeerling zijn.”
In een volgend bestaan werd koning Ko Li de leerling Kaundiliya.
De hierop volgende geschiedenis is waarschijnlijk een protest van de Hinayana (de kleine overtocht, dat wil zeggen het meer oorspronkelijke Boeddhisme) tegen de „valsche leeraars” van de Mahayana (de groote overtocht) die het Boeddhisme als een soort atheïsme gingen opvatten. Zij kan genoemd worden:
De gelijkenis van den godloochenaar.
Angati, de koning van Tirhut, had eene dochter, Ruchī. Eerst leefde hij godsdienstig, doch later hoorde hij verkeerde leeraars, die verklaarden dat er geen toekomende wereld is en dat de mensch na den dood, in water en andere elementen wordt opgelost. Van toen af meende hij dat het beter was het tegenwoordige te genieten en werd hij wreed.
Op zekeren dag ging Ruchī tot den koning en vroeg hem haar duizend goudstukken te geven, daar het den volgenden dag een feestdag was en zij een offer wenschte te brengen. De koning antwoordde dat er geen toekomstig leven was, geen vergelding voor verdienste. Godsdienstige vormen waren zonder waarde en het was beter om van het tegenwoordige leven te genieten.
Nu had Ruchī het innerlijk gezicht: zij kon dus in haar leven teruggaan tot op veertien vroegere bestaansvormen. Dus sprak zij tot den koning dat zij vroeger een edelman was geweest, doch een overspeler en dat zij nu voor straf slechts een vrouw was. Als verdere straf was zij geweest monnik, jonge koe en geit en eens was zij geboren in de hel Avīchi. De koning wilde zich niet door eene vrouw laten onderrichten en bleef ongeloovig. Toen riep Ruchī, door betoovering, een geest te hulp, en Boeddha zelf, in de gedaante van een monnik, kwam in de stad. De koning vroeg hem vanwaar hij kwam. De monnik antwoordde dat hij uit de andere wereld kwam. De koning zeide daarop lachend:
„Als gij van de andere wereld komt, leen mij dan honderd goudstukken en als ik naar die wereld ga zal ik er u duizend teruggeven.”
Boeddha antwoordde ernstig: „Als iemand geld leent moet dat zijn aan de rijken, als hij geld geeft aan de armen, is het een gift, want de arme kan niet terugbetalen. Daarom kan ik u geen honderd goudstukken leenen, want gij zijt arm en berooid.”
„Gij spreekt logen” was het toornig antwoord des konings. „Is niet deze gansche rijke stad mijn eigendom?”
Boeddha antwoordde: „Over korten tijd; o koning, zult gij sterven. Kunt gij uw rijkdom meenemen naar de hel? Daar zult gij in onuitsprekelijke ellende leven, zonder kleeding, zonder voedsel. Hoe kunt gij mij dan mijn schuld betalen?” Zoo sprak Boeddha en op zijn aangezicht lag een zonderlinge glans, die den koning verblindde.
Ook het volgende verhaal is zeer populair, het heet:
Boeddha’s gelijkenis van Kisāgotamī.
Eens leefde er een nederig paar in Srāvastī. Zij verkochten erwten, rijst en houtskool in kleine ondiepe mandjes, door een matje tegen de middagzon bedekt. Zij hadden een eenige dochter, Kisāgotamī. Op zekeren dag zond haar vader haar het bosch in om hout te zoeken. Zij bleef in de jungle bloemen zoeken, totdat zij eensklaps van uit het dichte riet de oogen van een cheetah65 op haar gevestigd zag. Zij stierf bijna van schrik. Plotseling suisde er iets langs haar en de cheetah lag dood aan haar voeten. De pijl was geschoten door een jongeling, als jager in dienst bij den Rajah. Spoedig daarna wilde hij trouwen met Kisāgotamī, die zeer op hem gesteld was. Doch de ouders, die reeds op jaren kwamen zeiden dat zij hun eenige dochter niet konden missen.
Eens ging een blinde man het winkeltje voorbij, hij speelde en zong. De oude moeder luisterde en hij zong:
„Zonder een metgezel wordt de Kokila66 stil op haar tak, stil-stil-stil voor altijd.”
Zij bracht dit in verband met hare dochter, die inderdaad kwijnend en ziekelijk was geworden na hare teleurstelling en begon zich over deze bezorgd te maken. Zoo trad het meisje, na verloop van tijd, door den invloed van haar moeder, in het huwelijk. In die dagen richtte een wreede tijger verwoestingen aan en doodde vele dorpelingen. De vorst beloofde een groote som aan wie den tijger doodde. Kisāgotamī’s man werd er door verlokt, hij viel den tijger aan, maar werd door diens klauw doodelijk gewond.
De weduwe en een klein kind keerden naar Srāvastī terug en helaas: ze ontmoetten een stoet van weenende vrouwen, die haar ouders naar het graf brachten. Een maand later zag men de arme weduwe met een dood kind in de armen, telkens klagende. „Geef mij een geneesmiddel voor mijn arm kind.”
Een antwoordde: „Ga naar den Sakyamonnik, den Boeddha (verlichte).
Kisāgotamī ging naar Boeddha’s kluis en sprak: „Heer en meester, kent gij eenig geneesmiddel dat mijn jongen zal genezen?”
Boeddha antwoordde: „Ik moet een handvol mosterdzaad hebben.”
Het meisje beloofde het te bezorgen, maar Boeddha voegde er bij: „Ik moet mosterdzaad hebben uit een huis, waar geen zoon, echtgenoot, ouder of slaaf is gestorven.”
De arme Kisāgotamī ging met haar dood kindje van huis tot huis. Medelijdende menschen zeiden: „Hier is mosterdzaad, neem het.” Maar als zij vroeg of er geen zoon, of echtgenoot of ouder of slaaf in dat huis was gestorven, dan ontving zij ten antwoord: „Vrouw, de levenden zijn weinigen, dooden zijn er velen: tot ieder huis komt de dood.”
Ten slotte zat Kisāgotamī, vermoeid en zonder hoop aan den weg neer en keek naar de lichten in de steden, die één voor één werden uitgedoofd. Op dat oogenblik deed Boeddha, door de macht van Siddhi67, haar zijne verschijning zien en deze sprak: „Alle levende wezens gelijken op deze lampen. Zij worden opgestoken en flikkeren dan voor een wijle, daarop heerscht de zwarte nacht over allen. De verschijning predikte toen de wet aan haar, en volgens de woorden der Chineesche vertaling, bracht hij aan: „heil en redding, het pad wijzende dat leidt tot de eeuwige stad.”
De geschiedenis van prins Kunāla.
Koning Açoka had een jongetje, wiens oogen zoo schoon waren dat zijn vader hem Kunāla noemde: daar is een vogel van dien naam, welke onder de rhododendrons en pijnboomen van de Himalaya woont en die beroemd is om zijn lieftallige oogen. De jonge prins groeide op en ieder sprak over zijn schoonheid in het gansche land des konings. Geen vrouw kon hem in de oogen zien, zonder verliefd op hem te worden. Een Sthavira68 sprak eens ernstige woorden tot hem en zeide: „De trots van het oog mijn zoon, is ijdelheid. Pas op.”
Op jeugdigen leeftijd huwde Kunāla een meisje, Kānchana geheeten. Op zekeren dag zag een van de vrouwen des konings den jeugdigen echtgenoot en werd wanhopig verliefd op zijn schoone oogen. Kunāla was door schrik getroffen.
„Zijt gij niet,” sprak hij, „in de zenana69 van den koning, mijn vader?” Dit woord veranderde haar liefde in bitteren haat.
In dien tijd stond de stad Taxila tegen koning Açoka op. De monarch wilde er aanstonds zelf heengaan, doch de ministers raadden hem om prins Kunāla te zenden in zijn plaats. De prins ging naar de oproerige stad en wist spoedig de rust te herstellen. Het volk verzekerde hem dat zij de afpersingen en onderdrukkingen van des konings beambten hadden weerstaan, doch niet den koning zelf.
Niet lang daarna werd de koning door een walgelijke ziekte aangetast en moest ten behoeve van zijn zoon afstand doen van den troon. De koningin Tishya Rakshitā, dezelfde die den prins zoo haatte, dacht in haar hart: „Als Kunāla den troon bestijgt ben ik verloren.”
Zij beval een slaaf haar een man te brengen, door dezelfde ziekte als de koning aangetast. Zij vergiftigde den man en onderzocht hem van binnen. Een groote worm voedde zich met zijn ingewand. Zij gaf dien worm peper en gember: hij bleef er even gezond bij. Zij gaf hem uien en hij stierf.
Aanstonds ging zij naar den koning en beloofde hem te genezen als hij haar een verzoek wilde toestaan. De koning beloofde haar alles te geven, wat zij zeggen zou. Zij sprak tot hem: „Neem deze ui en gij zult beter worden.”
„Koningin,” sprak de koning, „ik ben een Kshatrya en de wet van Manoe70 verbiedt mij uien te eten.” De koningin vertelde dat het een geneesmiddel was, gèèn voedsel. Hij at de ui en werd genezen.
De koningin verzocht nu, als belooning voor deze genezing, een week lang de zaken des konings te mogen besturen. De koning aarzelde, maar liet zich overhalen.
Aanstonds zond de koningin een verzegelde order met ’s konings zegel voorzien, dat prins Kunāla bedelaarskleeren moest dragen en zijn oogen moesten worden uitgestoken: een blinde prins immers mag den troon niet bestijgen.
De goede menschen van Taxila waren diep geschokt door dit bevel, maar zij zeiden tot elkaar: „Als de koning zoo onbarmhartig is voor zijn zoon, wat zal hij dan wel doen, als wij hem niet gehoorzamen?” Eenige Chándālas71 werden er voor uitgekozen: doch zij hielden veel van den prins en wilden het wreed bevel niet uitvoeren. Op het laatst kwam er een afschuwelijke kerel, een mensch met wel achttien misvormingen en afwijkingen en rukte den prins de oogen uit.
Weldra was deze als bedelaar op den grooten weg: zijn vrouw, Kānchana, was ook bij hem, in lompen gekleed. De arme prins herinnerde zich de plechtige woorden van den Sthavira.
„Is niet de buitenwereld”, zoo sprak hij tegen zijn vrouw „slechts een klomp vleesch?”
De prins was altijd ziekelijk geweest en om nu in zijn onderhoud te voorzien speelde hij op de vinā72. Na vele zwerftochten bereikten zij Palibothra (Patna) en kwamen bij het paleis des konings. Doch de wachters wierpen de twee vuile bedelaars er uit. Ten slotte dringen echter de tonen der vinā tot den koning door. „Het is mijn zoon,” zeide hij. Hij zond beambten uit om hem te halen. De koning was verbaasd over den toestand, waarin hij hem aantrof. Toen hij te weten kwam wat er gebeurd was riep hij de schuldige koningin bij zich en gaf bevel haar levend te verbranden.
Doch prins Kunāla was een ander mensch geworden. Toen hij, zooals hij meende door zijn aardschen vader verlaten was, was hij een zoon van Boeddha geworden. Zijn „lichamelijk oog” was weg, doch hij voelde dat zijn „geestelijk oog” thans voor het eerst was geopend. In plaats van de zachte kleederen der hovelingen droeg hij nu de lompen van Boeddha’s verheven bedelaars.
Hij wierp zich voor de voeten van zijn vader en smeekte hem der koningin het leven te sparen: „Ik voel geen haat, geen smart, slechts dankbaarheid, dood haar niet.”
Açoka, de machtige zonnekoning, was bestemd om heel Indië te regeeren: zijn scepter reikte verder dan dien van den groot-Mogol. Hij ook zou eenmaal zijn prachtige paleizen verlaten en langs den weg zijn brood bedelen, ook hij werd Bhikshu.
Een Boeddha op een huwelijksfeest.
Koning Sudarsana was een modelkoning. In zijn rijk was geen doodstraf noch geeseling bekend, geen krijgswapen om te martelen of te verderven. Zijne stad, Jambunada, was gebouwd van kristal en kornalijn, zilver en goud. Eens bezocht een Boeddha deze plaats.
Nu was er in die stad een man, die den volgenden dag zou trouwen, en hij wenschte gaarne dat de Boeddha bij de plechtigheid tegenwoordig zou zijn. Boeddha, die voorbij kwam, las de stille wensch in zijn hart en beloofde te komen. De bruidegom was zeer verheugd, hij bestrooide zijn huis met bloemen en besprenkelde het met reukwater.
Den volgenden dag kwam Boeddha, de aalmoezenschaal in de hand, door vele leerlingen vergezeld. Toen zij allen op hunne bestemde plaatsen zaten, deelde de gastheer allerlei heerlijke spijzen rond, en sprak:
„Eet, mijn heer, met al uwe leerlingen, volgens uw begeerte.”
Doch nu openbaarde zich een wonder aan de verbaasde blikken van den gastheer. Hoewel deze heilige mannen allen zeer smakelijk aten, verminderden de gerechten en de dranken niet. Daarop dacht deze bij zichzelf: „Kon ik maar al mijn bloedverwanten uitnoodigen, ook voor hen zou er genoeg zijn.”
Nu geschiedde een tweede wonder: Boeddha las de gedachten van den goeden man, en, zonder dat zij uitgenoodigd waren, stroomden alle bloedverwanten het huis binnen. Ook zij aten smakelijk van het wonderbare voedsel.
Het behoeft nauwelijks betoog, dat het Chineesche boek Fu. pen. hing. tsi. king (door Beal in het Engelsch vertaald) ons vermeldt dat al de gasten, nadat zij eenige woorden over Dharma (de leer, de wet) van den Tathāgata hadden gehoord, tot voldoening van iedereen (behalve misschien van de arme bruid) de gele kleederen gingen dragen.
De nu volgende geschiedenis is een zeer aantrekkelijke en doet ons zien, dat een liefde, die de grenzen dezer wereld overschrijdt en tot in het hiernamaals reikt ook in de dagen van Sākya-muni niet onbekend was. Zij is getiteld:
De geschiedenis van het meisje Bhadrā.
Toen Sākya-muni een vroeger bestaan doormaakte, noodigde een zekere koning Sūryapati den grooten Boeddha Dīpan̄kara uit om zijn rijksgebied te bezien. Om dezen te eeren gaf de koning bevel dat zijn onderdanen, binnen een grens van twaalf yogana’s van de hoofdstad, alle bloemen en reukwerken zouden bewaren voor den koning, opdat deze ze aan Boeddha zou schenken. Niemand mocht deze gaven houden om ze voor zichzelf aan te bieden.
Sākya was toen een jonge Brahmaan, Megha geheeten. Hij was, ofschoon eerst zestien jaar oud, wel onderwezen in de wet. Hij was onvergelijkelijk schoon: zijn lichaam als geel goud, zijn haar insgelijks. Zijn stem was zoet en zacht als die van Brahmā. Hij kwam in de stad, juist toen deze was versierd met het oog op de komst van Boeddha Dīpan̄kara en ook hij—die reeds een zeker vaag voorgevoel van het Boeddhaschap in zich gevoelde—besloot aan den vleeschgeworden verlichte een offer te brengen.
Hij sprak bij zichzelven: „Welke offers zal ik hem brengen? Boeddha’s houden niet van offers in geld, ik zal hem de schoonste bloem geven, die ik kan vinden.”
Hij ging naar een kapper en zocht een fraaie bloem uit, doch de kapper wilde haar niet verkoopen. „De koning heeft orders gegeven, eerbiedwaardig jongeling, dat geen bloemkransen hier in de stad mogen worden verkocht, hoe dan ook.” Megha kreeg in een tweede en derde winkel hetzelfde antwoord.
Nu zag hij, terwijl hij verder zocht, dat een in ’t zwart gekleed meisje, een waterdraagster, Bhadrā geheeten, stilletjes een Utpala-bloem met zeven stelen nam, die in haar wateremmer deed, en daarop haar weg vervolgde.
Megha ging haar tegemoet en sprak „wat wilt ge doen met die Utpala, die gij in uw wateremmer verstopte? Ik zal u vijfhonderd goudstukken geven als gij haar aan mij wilt verkoopen.”
Het meisje was getroffen door de verschijning van den jongen man, die er zoo vriendelijk uitzag.
Zij antwoordde direct: „Schoone jongeling, hebt gij niet gehoord dat de groote Boeddha Dīpan̄kara op uitnoodiging van den koning zoo aanstonds in de stad zal komen en dat de koning een verbod heeft gegeven dat niemand, binnen twaalf yogana’s van de stad, reukzalf of bloemen aan eenig particulier mag verkoopen, aangezien de koning alles zelf wil koopen om het aan den Boeddha aan te bieden?
„Nu is er in onze nabijheid een kappersvrouw die van mij vijfhonderd geldstukken kreeg en mij daarvoor deze bloem met zeven stelen gaf. De reden waarom ik alzoo des konings gebod heb overtreden, is dat ik zelf een offer wil brengen aan den heiligen man.”
Toen antwoordde Megha: „Goed meisje, wat gij hebt gezegd zal u dunkt mij het recht geven om van mij vijfhonderd goudstukken aan te nemen, waarvoor gij mij dan vijf stelen van de Utpalabloem geeft en er twee voor uzelven behoudt.”
Zij antwoordde: „Wat wilt gij doen met de bloemen als ik ze aan u geef?”
De jonge Brahmaan zeide daarop dat hij ze aan den Boeddha wenschte te schenken.
Nu had dit meisje het innerlijk gezicht en zij zag aan het gelaat van den jongeling, dat hij eenmaal de leidsman der menschen zou worden.
Zij sprak: „Schoone vreemdeling, eenmaal zult gij een groote Boeddha zijn, en wanneer gij mij beloven wilt dat gij tot op den dag van uwe verlichting (waarop gij een Boeddha wordt) mij bij iedere geboorte tot uw vrouw zult nemen en dat wanneer gij Nirvāna bereikt, gij mij als leerling onder uwe volgelingen wilt opnemen, dan zal ik u vijf stelen van mijn bloem geven.”
De Brahmaan antwoordde dat een asceet al zijn rijkdom moest schenken aan zijn metgezellen en dat, indien zij deze regeling goed vond, hij haar voor altijd tot vrouw wilde hebben. Zij verkocht hem daarop vijf stelen van de Utpala, opdat deze zijn bizondere gift aan den Boeddha zouden zijn en begeerde dat zij de andere twee als haar eigen gift zou schenken.
Toen Dipan̄kara naderde, vol majesteit, glinsterend als een helder meer, werd het geschenk hem toegeworpen en door een wonder bleven de bloemen zwevend in de lucht: een canopy (koepeldak) vormend boven zijn hoofd.
Onder de „Fan hemelen” der Chineezen heet er een Fuh. ngai (gelukkige liefde). Laten wij hopen dat daar de lieve Bhikshu Bhadrā bij haar geliefden meester is.
Koning Wessantara.
Eens leefde Boeddha op aarde als koning Wessantara. Zoo vriend’lijk was hij voor iedereen dat het gerucht ging dat hij een besluit had genomen om aan iedereen te geven wat hij verzocht. Hij had een liefhebbende vrouw en twee kinderen. Ook had hij een betooverden witten olifant.
Een vreeselijke hongersnood brak in een naburig koninkrijk uit en de armen stierven bij duizenden. Acht Brahmanen werden tot koning Wessantara gezonden ten einde van hem den witten olifant te verzoeken: want een vruchtbare regen valt overal waar een betooverde witte olifant zich ophoudt.
De weldadige koning stond zijn witten olifant af. Dit wekte zoozeer den toorn van zijn volk op, dat zij hem afzetten.
Wessantara gaf nu al zijn rijkdom aan de armen en vertrok in een wagen, door twee paarden getrokken. Hij zou naar een groote rots in de wildernis gaan, teneinde daar kluizenaar te worden. Op zijn reis ontmoet hij twee Brahmanen, die hem om zijn rijtuig verzoeken. Hij geeft aan die bede gehoor en de onttroonde koning en koningin leggen de rest van den weg te voet af, ieder een kind op den arm. Hun weg leidt door het koninkrijk van den vader der koningin. Deze tracht hen van hun besluit terug te brengen, doch tevergeefs.
In dienzelfden tijd leefde een Brahmaan, Jutaka, zeer gelukkig met zijn schoone vrouw; totdat op zekeren dag, toen de vrouw water putte, jaloersche buren haar gemoed vergiftigden. Zij bliezen haar namelijk in dat zij een slavin was en wonden haar zoo op, dat zij haar echtgenoot aanviel, hem sloeg en zijn baard uitrukte. Ja, zij dreigde zijn huis te verlaten als hij haar geen twee slaven verschafte. Zij zeide dat een dwaze koning, Wessantara, in de wildernis leefde als asceet. Daar moest hij heengaan en om twee slaven verzoeken.
Zij toch hadden twee kinderen en hadden een gelofte gedaan om geen enkel verzoek te weigeren. Jutaka vertrok, doch hij kon niet bij den koning komen, daar de vader der koningin er een jager op wacht had gezet. Hij toch wist van Wessantara’s gelofte en wilde hem voor verdere onbeschaamdheden van hebzuchtigen vrijwaren. Jutaka vertelde den jager een leugenachtig verhaal en slaagde er in den kluizenaar te vinden. Hij vroeg de twee kinderen voor zich als slaaf en Wessantara was door zijn eed gebonden ze hem te schenken. Zoo spoedig Jutaka uit het gezicht van den koning was, bond hij de koningskinderen stevig met koorden vast, doch: hij verdwaalde in de wildernis en kwam in het land van ’s konings schoonvader, die al spoedig het geheele geval had vernomen.
Hij liet den Brahmaan voor zich komen en bood hem voor de kleinkinderen hun gewicht in goud. Het eind van den hebzuchtigen Brahmaan was ongeveer als dat van Judas: hij richtte van zijn oneerlijk verkregen rijkdom een groot feest aan: zijn ingewanden barstten door overvulling.
Koning Bambadat.
Boeddha was in een zijner vroegere geboorten koopman in Benares. Op zekeren dag ging hij met zijn vrouw in een rijtuig door de straten van Rājagriha, de hoofdstad van koning Bambadat. De vorst zag deze vrouw en werd betooverd door hare onvergelijkelijke schoonheid. Hij maakte terstond een afschuwelijk listig plan om haar te krijgen.
Een van zijn ambtenaren werd uitgezonden om stil een juweel van groote waarde in het rijtuig van den koopman te laten vallen. De arme koopman werd nu gevangen genomen onder beschuldiging van des konings kleinood te hebben gestolen. Hij en zijne schoone vrouw werden voor den koning gebracht, die met voorgewende belangstelling naar het geval hoorde en daarop beval dat de koopman onthoofd en diens vrouw in den harem zou worden opgenomen. Koning Bambadat was een wreed koning, wiens onderdrukkingen hem den haat zijner onderdanen op den hals hadden gehaald.
De arme koopman werd weggevoerd om onthoofd te worden, maar Indra op zijn hemeltroon had het vreeselijk voorval gezien en—een wonder geschiedde. Toen de beul zijn zwaard ophief deden onzichtbare handen den koning, die bij de bloedige gebeurtenis tegenwoordig wilde zijn, van plaats verwisselen met den koopman, zoodat deze den noodlottigen slag ontving. Doch de koopman vond zichzelf eensklaps op den olifant gezeten, die den koning naar de gerichtsplaats had gebracht. Deze treffende tusschenkomst des hemels verbaasde het verzamelde volk: zij riepen den koopman tot hun nieuwen koning uit. Onnoodig er bij te voegen dat zijn wijze van regeeren gansch anders was dan die van koning Bambadat.
Vermeld wordt het niet, maar waarschijnlijk was de schoone vrouw het meisje Bhadrā van de vorige geschiedenis.
De hongerige hond.
Eens was daar een slecht koning, Usuratanam geheeten. Deze onderdrukte zijn volk zoo vreeselijk, dat Boeddha in den hemel er medelijden mee kreeg. Boeddha was toen de god Indra. Hij nam den vorm van een jager aan en daalde met den deva Mātali neder: deze als een enorm groote hond. Zij traden eensklaps des konings paleis binnen en de hond blafte zoo ontzettend, dat het geluid de koninklijke gebouwen op zijne grondvesten deed schudden. De verschrikte koning riep den jager bij zich en vroeg wat die vreeselijke geluiden hadden te beteekenen.
„De hond blaft zoo van den honger” zeide de jager—en opnieuw rolde een geluid als van een verren donder door het paleis.
„Geef hem eten, geef hem toch eten” zeide de verschrikte vorst; al het voedsel, dat er was, moest dienen voor het koninklijk feestmaal: het werd voor den hond neergezet. Hij at het in een oogenblik op en blafte nogmaals met vreeselijke stem. Men haalde meer voedsel: alles ten slotte wat in de stad en in de aangrenzende provinciën was. Doch, na korte rust at de onverzadelijke hond alles op en begon opnieuw te blaffen. De koning stortte haast ter aarde van schrik.
„Zal niets ooit uw hond verzadigen, jager?”
„Niets, o koning, dan het vleesch van al zijn vijanden.”
„En wie zijn zijn vijanden, jager?”
„Zijn vijanden,” hernam de jager „zijn zij die slechte daden verrichten, die de armen onderdrukken, die oorlog maken, die wreed zijn tegenover de dieren der schepping.”
De koning herinnerde zich zijn vele slechte daden en werd door schrik en berouw aangegrepen. Daarop maakte Boeddha zich bekend en predikte hem en zijn volk de wet der gerechtigheid.
Daar Matāli altijd voorkomt als de wagenmenner van Indra ligt het voor de hand dit verhaal te beschouwen als een oud-Indisch, in Boeddhistischen geest omgewerkt, gelijk trouwens met vele Jataka verhalen het geval is. Boeddha is hier eenvoudig voor Indra, den oorspronkelijken held van het verhaal, in de plaats gesteld.
Boeddha als vredestichter.
Twee prinsen waren eens in hevigen twist geraakt over zeker kunstmatig, door dijken afgesloten meer. Een vreeselijke oorlog dreigde te ontbranden. Eensklaps verscheen Boeddha tusschen de prinsen en hun legers en vroeg naar de oorzaak van den strijd. Toen men hem volkomen had ingelicht stelde hij de volgende vragen:
„Zeg mij, koningen, heeft aarde eigenlijke waarde?”
„Geen waarde hoegenaamd.”
„Heeft water eigenlijke waarde?”
„Geen waarde hoegenaamd.”
„En het bloed van koningen, heeft dat eigenlijke waarde?”
„De waarde is daarvan niet te schatten.”
„Is het redelijk” sprak de Tathāgata „dat wat van onberekenbare waarde is in rekening wordt gebracht tegen datgene wat in het geheel geen waarde heeft?”
De vertoornde vorsten erkenden de wijsheid dezer redenen en gaven hun twist op.
De verloren zoon.
Zeker man had een zoon, die wegreisde naar een ver land. Daar werd hij vreeselijk arm. De vader echter werd rijk, hij verzamelde veel goud en schatten, hij had veel welgevulde magazijnen en olifanten. Doch hij had zijn verloren zoon zeer lief en klaagde heimelijk dat hij niemand had aan wien hij zijn paleizen en suverna’s73 bij zijn dood kon achterlaten.
Na vele jaren kwam de arme man, voedsel en kleeding zoekend, naar de streek waar zijn vader groote bezittingen had. Zijn vader zag hem reeds van verre en dacht bij zichzelf: „Indien ik aanstonds mijn zoon weer aanneem, en hem mijn goed en schatten geef, zal ik hem groot leed veroorzaken.
„Hij is onwetend en onopgevoed: hij is arm en verdrukt. Met iemand van zulke ongelukkige neigingen is het beter zijn geest langzamerhand op te voeden. Ik zal hem maken tot een mijner huurlingen.”
Daar kwam de zoon, uitgehongerd en in lompen, aan de deur van zijns vaders huis. Hij zag een grooten troon en vele hovelingen, die eer bewezen aan hem, die op den troon zat. Verschrikt door al die pracht vlood hij weer naar den weg terug. „Hier” zoo sprak hij „is het huis van den armen man. Als ik in het paleis van den koning kom, word ik wellicht in de gevangenis geworpen.”
Toen zond de vader boden naar zijn zoon: deze brachten hem mede, ondanks zijn verzet en klagen. Toen hij het huis van zijn vader bereikte viel hij flauw van schrik: hij herkende zijn vader niet en dacht dat hij een of ander wreede straf zou moeten verduren. De vader beval zijn dienaren zachtkens met den ongelukkige te handelen en zond twee werklieden van diens eigen levenswijze uit om hem als arbeider op het landgoed in dienst te nemen. Zij gaven hem een bezem en een mand en lieten hem, tegen dubbel loon de mesthoop opruimen.
Uit het venster van zijn paleis keek de rijke man naar zijn zoon, die daar aan het werk was. Doch op zekeren dag kleedde de vader zich als een arm man, overdekte zich met stof en vuil en sprak zijn zoon toe: „Blijf hier, goede man, en ik zal u van kleeding en voedsel voorzien: gij zijt eerlijk en arbeidzaam. Beschouw mij als uw vader.”
Na vele jaren voelde de vader zijn einde naderen. Hij riep zijn zoon en zijn ambtenaren bij zich en deelde hun het geheim mede, dat hij zoo lang had bewaard. De arme man was werkelijk zijn zoon, die hem in vroeger dagen had verlaten. Nu deze zich bewust was van zijn vroegeren droeven staat, nu hij bekwaam was rijkdom op prijs te stellen en te bewaren, wilde hij hem al zijn schatten toevertrouwen. De arme man was verbaasd over deze plotselinge ommekeer in zijn lot, en verblijd nog eenmaal zijn vader te zien.
Volgens de „Lotus van de Volmaakte wet” zijn de gelijkenissen van Boeddha omsluierd voor de onwetenden door een raadselachtige taal.
De rijke man van de gelijkenis, met zijn troon vol bloemen en juweelen, heet daar de Tathāgata, die al zijn kinderen teeder bemint en groote geestelijke schatten voor hen heeft bereid. Doch iedere zoon van Tathāgata heeft treurige neigingen. Hij stelt de mesthoop boven de paarl mani. Om zulk een mensch te leeren moet de Tathāgata lagere dienaren gebruiken, monniken en asceten, om hem langzamerhand van de lagere voorwerpen der begeerte af te wennen. Als hij zelf spreekt is hij gedwongen veel van zijn gedachten te omsluieren, omdat zij niet begrepen zouden worden. Zijn zonen hebben geen genoegen in het hooren van geestelijke dingen. Stap voor stap moet hun geest worden opgevoed voor hoogere waarheden.
Gelijkenis van de vrouw aan de bron.
Ānanda, de geliefde leerling van Boeddha, was eens dorstig, daar hij een verre reis had gemaakt. Bij een bron ontmoette hij een meisje, Matanga geheeten en vroeg haar hem wat water te geven. Doch daar zij een vrouw van lagere kaste was, vreesde zij een heilig Brahmaan te besmetten en weigerde vriendelijk.
„Ik vraag niet naar caste, maar naar water,” zeide Ānanda. Zijn nederigheid won het hart van het meisje.
Haar moeder was ervaren in liefdesdranken en tooverkunsten en toen deze hoorde hoe verliefd haar dochter was, dreef zij haar tooverspel met Ānanda en bracht hem naar haar hol. Hulpeloos bad deze tot Boeddha, die aanstonds verscheen en de booze demonen uitwierp.
Doch met Matanga was het nog droevig gesteld. Ten slotte besloot zij Boeddha zelf op te zoeken en bij hem hulp te vragen.
De groote geneesmeester, de gedachten van het meisje bemerkende, vroeg haar vriendelijk:
„Ondersteld dat gij mijn leerling huwdet, kunt gij hem overal volgen?” „Overal,” sprak het meisje. „Kunt gij zijn kleederen dragen en slapen onder hetzelfde dak?” zeide Boeddha, zinspelend op de armoede en dakloosheid der onbehuisden. Langzamerhand begreep het meisje zijne bedoeling en op het laatst nam zij haar toevlucht tot de drie groote paarlen.74
De geschiedenis van Vāsavadatta.
Te Mathurā was een courtisane, Vāsavadatta geheeten. Zij werd zeer verliefd op een der toenmalige discipelen van Boeddha, Upagupta geheeten, en zond haar dienstbode om hem haar hartstocht bekend te maken. Upagupta was jong en zeer schoon. Weldra kwam de dienstbode met het volgende raadselachtig antwoord terug:
„De tijd is nog niet gekomen, dat de leerling Upagupta een bezoek zal brengen aan de courtisane Vāsavadatta.”
Vāsavadatta was over dit antwoord verbaasd. Haar klasse toch was toen ter tijd een caste, een georganiseerd lichaam, door den staat beschermd en zij leefde in grooten overvloed. Zij was de schoonste vrouw in des konings rijk en niet gewoon dat hare liefde werd versmaad. Toen haar eerste oogenblikken van heftigheid voorbij waren, bedacht zij dat de jonge man arm was. Wederom zond zij haar dienstbode naar Upagupta. „Zeg hem dat Vāsavadatta liefde begeert, geen goud en paarlen.” De dienstbode kwam terug met hetzelfde raadselachtige antwoord: „De tijd is nog niet gekomen dat de leerling Upagupta de courtisane Vāsavadatta zal bezoeken.”
Weinige maanden daarna stond Vāsavadatta in liefdesbetrekking tot het hoofd der kunstenaars van Mathurā. Terwijl deze betrekking nog voortduurde kwam een zeer rijk koopman in de stad met vijfhonderd paarden, die hij wilde verkoopen. Toen hij hoorde van Vāsavadatta’s schoonheid, besloot hij haar op te zoeken en werd op haar verliefd. Zijn paarlen en suverna’s waren te verlokkend voor de hebzuchtige vrouw. Zij vermoordde het hoofd der kunstenaars en liet zijn lijk op een mesthoop werpen. Zijn familieleden deden, toen zij hem misten, allerlei nasporingen en het lijk werd gevonden.
Vāsavadatta werd gevangen genomen en voor den koning gebracht. Deze gaf bevel dat haar ooren, haar neus, haar handen en haar voeten zouden worden afgehouwen en haar lichaam op een kerkhof geworpen. Haar dienstbode bleef haar nog ter zijde, want zij was een vriendelijke meesteres voor deze geweest. Zij trachtte haar pijn te lenigen en joeg de vliegen van het bloedend lichaam weg.
Nu kreeg Vāsavadatta een derde boodschap van Upagupta: „De tijd is gekomen dat de leerling Upagupta een bezoek zal brengen aan de courtisane Vāsavadatta.” De arme vrouw, in wier ziel nog een echo was van de vroegere hartstocht, liet door haar dienstbode zorgvuldig haar geschonden leden onder een kleed bedekken: de verminkte overblijfsels van vroegere schoonheden. Toen de jonge man kwam zeide zij met eenige hartstocht:
„Eens was mijn lichaam geurig als de lotus en bood ik u mijn liefde aan. In die dagen was ik bedekt met paarlen en fijn linnen. Nu ben ik verminkt en met vuil en bloed bedekt. Mijn handen, mijn voeten, mijn ooren, de beul heeft ze afgehouwen.”
De jonge man troostte met groote vriendelijkheid de arme Vāsavadatta in haar doodsstrijd. „Zuster, het is niet voor mijn genoegen en mijn geluk dat ik tot u kom.” Hij wees haar op de werkelijke natuur van de bekoorlijkheden, die zij nu betreurde. Hij wees er haar op dat zij geen vreugden, doch kwellingen waren gebleken, en dat indien onkuischheid, ijdelheid, begeerigheid en moordzucht waren afgesneden, zij winst had en geen verlies.
Hij verhaalde haar van Tathāgata, dien hij op deze aarde had zien wandelen, een Tathāgata, die vooral hen die lijden liefheeft. Zijn woord bracht vrede in de ziel van Vāsavadatta. Zij stierf, na haar geloof in Boeddha te hebben uitgesproken.
Geesten voerden haar naar de boeteplaatsen van Devaloça.
Gelijkenis van het brandend huis.
Daar was eens een oud man, gebrekkig, vervallen, doch zeer rijk. Hij bezat veel land en vele goudstukken. Nog meer: hij had een wondergroot huis, dat vele sporen vertoonde van den tand des tijds. De gebinten waren door de wormen doorknaagd, de pilaren waren vergaan, de galerijen vielen naar beneden, het dak was droog en brandbaar. In het huis waren vele honderden bedienden en knechten van den ouden man, zoo uitgestrekt was de verzameling van oude gebouwen.
Het huis bezat ongelukkig slechts eene deur. De man was ook de vader van vele kinderen, vijf, tien, laten wij zeggen twintig. Op zekeren dag rook hij een brandlucht en liep hij zoo spoedig hij kon, de eenige deur uit. Tot zijn schrik zag hij dat het dak in vlammen stond, terwijl de vergane oude pilaren één voor één vuur vatten en de gebinten brandden als tonder. Daarbinnen waren zijn kinderen, waar hij zoo veel van hield, aan het stoeien en aan het spelen met hun speelgoed.
De beangste vader zeide bij zichzelven: „Ik zal het huis inloopen en mijn kinderen redden. Ik zal ze in mijn sterke armen nemen. Ik zal ze veilig dragen door de vallende gebinten en de brandende balken.” Doch daar kwam de droeve gedachte bij hem op dat zijn kinderen dartel en onwetend waren. „Als ik hun zeg dat het huis in vlammen staat, zullen zij mij niet begrijpen. Als ik beproef hen te grijpen zullen zij rondhollen en beproeven mij te ontsnappen. Helaas! en er is toch geen oogenblik te verliezen.”
Eensklaps schoot een heldere gedachte door het brein van den oude. „Mijn kinderen zijn onwetend,” zeide hij bij zichzelf, „maar zij houden van speelgoed en van blinkende dingen. Ik zal hun wat speelgoed beloven, dat zoo mooi is als zij ’t nooit zagen. Dan zullen zij naar mij luisteren.”
De oude man riep nu met luider stem: „Kinderen, kinderen, kom uit het huis en zie deze mooie stukken speelgoed. Wagens met witte ossen er voor, alles goud en klatergoud. Zie die keurige fijne antilopen, o, en wat een mooie geiten. Kinderen, kinderen, kom toch gauw, of zij zijn allen weer weg.”
Daar kwamen de kinderen met vliegende haast uit den brandenden bouwval. Speelgoed was haast het eenige woord dat zij goed begrepen. De vader nu was uitermate blij, dat zijn kroost van het gevaar was gered en hij bezorgde hun eenige wagentjes, zoo mooi als men ze nooit ziet. Ieder wagentje had een koepeldak als een pagode en was met fijn traliewerk en klinkende belletjes versierd.
Het was gemaakt van de zeven kostbare zelfstandigheden. Snoeren van glinsterende paarlen hingen er over: Vlaggen en kransen van de lieflijkste bloemen. Melkwitte ossen trokken deze wagens. De kinderen waren verbaasd toen zij er in zaten.
Volgens de „Witte Lotus van Dharma” beteekent deze gelijkenis het volgende: De oude man is Tathāgata en zijn kinderen zijn de blinde, lijdende kinderen van zonde en hartstocht. Tathāgata heeft hen zeer lief en wil hen redden van hun ongeluk. Het oude, wondergroote huis, onooglijk, rot, gevaarlijk is het rijk van Kāma: het gebied der begeerte, de drie groote werelden van den zichtbaren kosmos. Het oude huis staat in brand door het vuur van menschelijke hartstochten, haat en lust. Tathāgata wil, in zijn oneindig medelijden al zijn geliefde kinderen uit het groot gevaar verlossen, maar zij verstaan zijne taal niet. Zij denken alleen over mooi speelgoed en kinderlijke vermaken. Als hij tot hen spreekt over den grooten innerlijken vrede, die den mensch zijn smart doet overwinnen, begrijpen zij hem niet. Spreekt hij tot hen over wonderbare, bovennatuurlijke giften, die aan de stervelingen worden geschonken, dan zijn zij doof. De wagentjes van klatergoud voor de kinderen van Tathāgata bereid, zijn de „Groote” en de „Kleine” overtocht der Boeddhistische leer.75
Het gesprek met Rāhula over de valschheid.
Koning Açoka76 de groote beschermer van het Boeddhisme, die in de 3e eeuw vóór Christus leefde, heeft verschillende steen-inscripties gemaakt. In een daarvan noemt hij zeven hoofdwerken (of belangrijke gedeelten) uit Boeddha’s leer, daaronder dit gesprek. Volgens de vertaling van Prof. Beal luidt het aldus:
„In vroeger dagen, vóór Rāhula tot de hoogste kennis was gekomen, waren zijn woorden (daar zijn natuurlijke aard niet zoo verheven was) niet altijd gekenmerkt door liefde tot de waarheid.
Bij zekere gelegenheid beval Boeddha hem te gaan naar de Kientai (Ghanda of Ghanta) Vihāra en daar zijn mond te bewaren en zijn gedachten te beheerschen, tevens moest hij nauwgezet de regels van gedrag, in de schriften neergelegd, bestudeeren. Rāhula, het gebod hoorende, betuigde zijn gehoorzaamheid en ging.
Negentien dagen bracht hij in berouw en boete door. Ten slotte kwam Boeddha tot hem. Rāhula werd, hem ziende, met blijdschap vervuld en boog voor hem met diepen eerbied. Vervolgens ging Boeddha op de voor hem bestemde plaats zitten en verzocht aan Rāhula hem een bekken met water te brengen en zijne voeten te wasschen. Toen dit was afgeloopen vroeg Boeddha aan Rāhula of dit water nu nog geschikt was voor eenig huiselijk gebruik (drinken enz.) Rāhula zeide van niet: immers het water was vol met stof en onreinheid. Boeddha sprak: „Dit is ook uw geval: want ofschoon gij mijn zoon zijt en de kleinzoon des konings, ofschoon gij alles hebt opgegeven om een asceet te worden, toch zijt gij onbekwaam uw tong van onwaarheid en de bevlekking van losse praat terug te houden, en zoo zijt gij evenals dit besmette water: ongeschikt voor verder gebruik.”
Nadat nu het water was weggeworpen, vroeg Boeddha opnieuw of de schaal nu geschikt was om drinkwater te bevatten. Rāhula antwoordde: „Neen, want de schaal is nog besmet en onzindelijk en kan daarom voor zulk een doel niet worden gebruikt.” Daarop antwoordde Boeddha: „Zoo is het met u ook. Daar gij uw tong niet in toom houdt zijt gij bekend als ongeschikt voor eenig hoog doel, al belijdt gij een asceet te zijn.”
Daarop stak Boeddha de ledige schaal aan zijn voet en die ronddraaiende vroeg hij aan Rāhula of hij niet bang was dat zij breken zou.
Rāhula zeide dat hij daarover niet bezorgd was, want de schaal was een doodgewone en daarom beteekende zijn verlies weinig.
„Zoo is het met u ook,” sprak Boeddha, „want al zijt gij een asceet, toch zijt gij, daar gij uw tong niet meester zijt, bestemd om, als een klein en onbeteekenend ding, een eind’looze reeks zielsverhuizingen door te maken, een voorwerp van verachting voor alle wijzen.”
Rāhula schaamde zich diep en nog eens richtte Boeddha zich tot hem: „Luister, ik zal u eene gelijkenis vertellen. In oude dagen was daar een koning over zeker rijk, die een zeer grooten en sterken olifant bezat, wel in staat om vijfhonderd kleinere olifanten den baas te blijven. Er kwam opstand in een deel van ’s konings rijk. De koning wilde er heen, en haalde de ijzeren wapenrusting van den olifant voor den dag. Hij beval den oppasser van den olifant hem de wapens aan te doen, te weten: twee scherpgepunte zwaarden aan zijn slagtanden, twee zeisen aan zijn ooren, een kromme speer aan iederen poot, een ijzeren bal aan zijn staart; verder moesten negen soldaten hem begeleiden. De meester van den olifant had er schik in hem zoo geharnast te zien en prentte hem in toch vooral zijn slurf goed gekruld te houden, wetende dat een pijlschot in het midden daarvan noodlottig moest zijn. Doch zie in ’t midden van het gevecht wond de olifant zijn slurf los en wilde er een zwaard mee grijpen. De meester verschrikte en na overleg met den koning en zijn ministers, werd besloten dat hij niet meer op het oorlogsveld zou worden geleid.” Boeddha vervolgde: „Rāhula, wanneer menschen, die de negen fouten begaan, alleen hun tong maar bewaarden, zooals deze olifant werd geleerd zijn slurf te bewaren: alles zou wel zijn. Laten zij zich wachten voor de pijl, die in het midden treft, laten zij hun mond gesloten houden, opdat zij niet bij hun dood de ellende van toekomstige geboorten in de drie slechte wegen moeten doormaken.”
Hij voegde er nog deze versregelen bij:
„Ik ben als de vechtende olifant zonder vrees voor de pijl, die in ’t midden treft. Door oprechtheid en waarheid ontkom ik aan de menschen, die de wet niet eerbiedigen. Als de olifant, die, wel onderworpen en rustig den koning zijn snuit reikt om hem te bestijgen, zoo onder tucht is ook de eerwaardige: ook hij duldt vertrouwend en geloovig.”
Rāhula, deze woorden hoorende, werd bedroefd over zijn achteloosheid in woorden, wijdde zich aan vernieuwde oefening en werd aldus een Rahat.77
Wij besluiten hiermede de redenen en gelijkenissen, die wij van den Boeddha vermeldden: mogen zij niet allen van hem zelf afkomstig zijn, zij drukken toch zeker uit den geest zijner leer, zij stellen ons in levendig tafereel voor oogen de liefde, de zelfverloochening, het heil, door den Meester aangeprezen. Toch oordeelen wij het gewenscht, om, ten einde den lezer tot een helder besef te brengen van het eigenaardige van Boeddha’s streven, de hoofdpunten daarvan nog met een enkel woord in het licht te stellen. Wij willen dan daarbij tevens enkele quaesties, die zich in het Boeddhisme voordoen, met name die over het Nirvāna, opzettelijk onder de oogen zien.