In het jaar 429 staken de Vandalen onder hun koning Gaiserik1, misschien op uitnoodiging van den Romeinschen stadhouder Bonifacius, den grooten mededinger van Aëtius, van Spanje over naar Afrika. De inval in de rijke en vruchtbare provincies van Noord-Afrika behoefde eigenlijk nauwelijks te worden aangemoedigd door een verrader. In Spanje waren de Vandalen hevig aangevallen door de West-Goten, wier koning Wallia het grootste deel van het land had onderworpen, maar Gaiserik of Genserik, die, zooals de beroemde Spartaansche koning Agesilaus, klein en kreupel was (door een val van zijn paard) schijnt hun leger gereorganiseerd en zelfs een veldtocht ondernomen te hebben (428) tegen de Sueven in het tegenwoordige Noord-Portugal. In het volgend jaar landt hij op de kust van Afrika met een groote strijdmacht en een menigte vrouwen en kinderen—te zamen misschien 80.000. Deze landing is levendig, misschien met te groote fantasie, door Gibbon beschreven. “De Mooren, die langzamerhand de kust en het kamp van de Vandalen durfden naderen, moeten wel met schrik en verbazing de kleeding, de wapenen, de krijgshaftige houding en de tucht van de onbekende vreemdelingen, die hun land hadden betreden, aanschouwd hebben; en de schoone gelaatskleur van de blauwoogige Germaansche krijgers vormden een merkwaardige tegenstelling met hun zwarte of olijfkleurige tint, veroorzaakt door de nabijheid van de heete zone. Nadat de eerste moeilijkheden, ontstaan door de wederzijdsche onbekendheid met elkanders taal, uit den weg waren geruimd, sloten de Mooren een verbond met de vijanden van Rome, en benden van naakte wilden stormden uit de wouden en de dalen van het Atlas-gebergte om zich te wreken op de beschaafde tyrannen, die hen de heerschappij over hun vaderland ontrukt hadden.”
Afgrijselijke verhalen worden opgedischt over de verwoestingen en wreedheden van de Vandalen in Afrika gedurende de tien jaren, die verliepen voordat Gaiserik de geheele streek van Noord-West-Afrika had veroverd en zijn macht geconcentreerd had in Carthago, vanwaar hij met zijn sterke vloot het Westen van de Middellandsche Zee schoon veegde en de Balearen, Corsica, Sardinië en eindelijk ook Sicilië bemachtigde. Vandalisme is synoniem geworden met barbarisme en wreedheid, maar het is zeer wel mogelijk dat het verhaal over den ketterschen Gaiserik en zijn Vandalen door een vriend en biograaf van St. Augustinus overdreven is, vooral ook door de latere schrijvers. Het is nauwelijks te gelooven, dat indringers, die zich in een land willen vestigen, wijngaarden en vruchtboomen zouden verbranden en uitroeien, en de verhalen, dat zij lijken van geslachte gevangenen ophoopten om de muren van een belegerde stad te beklimmen of dat zij die lieten rotten om pest te verwekken, schijnen eenigszins fantastisch2.
Indien Bonifacius werkelijk de Vandalen heeft aangespoord naar Afrika over te steken, moet hij dat gedaan hebben in een vlaag van woede of moet hij zich leelijk misrekend hebben, want een jaar later zien wij hem wanhopig tegen hen strijden. Toen hij verslagen was, trok hij terug naar de zeevesting Hippo, bekend als de stad van St. Augustinus. Hier werd hij door de Vandalen belegerd. In de derde maand van de belegering stierf St. Augustinus (28 Augustus 430), 76 jaar oud. Na veertien maanden begonnen de belegeraars meer gebrek aan voedsel te krijgen dan de belegerden, die vrijen toegang tot de zee hadden. Ook werden er troepen gestuurd van Constantinopel, onder bevel van Aspar, die met Bonifacius de Vandalen aanviel. Maar zij werden met zwaar verlies teruggeslagen. Daarop scheepten zij al hun troepen in en zeilden weg, Aspar naar Constantinopel en Bonifacius naar Ravenna, waar hij tot onze verbazing zeer vriendelijk door Galla Placidia ontvangen werd en zelfs geëerd werd met medailles, waarop hij was afgebeeld op een zegekar met een palmtak in de eene, en een geesel in de andere hand. Maar kort daarna stierf hij aan een wond, die hij in een duel met Aëtius ontvangen had. De inwoners van Hippo werden door de Vandalen deels vermoord, deels tot slaaf gemaakt en de stad werd verbrand.
Wat Gaiserik weerhield om Carthago aan te vallen, is niet duidelijk. Misschien stelt men zich de uitgestrektheid van die Afrikaansche provincies niet goed voor en evenmin het kleine aantal Vandalen in verhouding tot de overwonnen, doch nog vijandige bevolking. Bovendien was Carthago, herrezen op de oude puinhoopen, die Scipio ongeveer zes eeuwen vroeger had achtergelaten, weder de eerste stad geworden van Noord-Afrika (het werd “Rome” genoemd), en ofschoon van de reusachtige Byrsa en de overige versterkingen van de oude Phoenicische stad slechts enkele twijfelachtige overblijfselen nog bestaan, is het toch niet onwaarschijnlijk dat er in Gaiserik’s tijd nog genoeg over was om te maken, dat de plaats3 lastig genomen kon worden, ondanks de verwijfdheid van haar bewoners, die volgens de schrijvers ronddartelden in een poel van weelde, goddeloosheid en misdaad. Daarom wilde Gaiserick voor zijn krijgers eerst een staat opbouwen.
In dit verband is het van belang te weten, dat de politiek der Vandalen eenigszins socialistisch schijnt geweest te zijn. Het regeerende ras matigde zich natuurlijk een feudale heerschappij aan over het onderworpen volk en was zelf vrij van belasting, maar de arbeiders van de inlandsche bevolking werden bevoorrecht boven hen, die zich van werken onthielden. Van de vermogende edelen, geestelijken en rijke grondbezitters werden velen zwaar belast, zelfs verbannen, terwijl landbouw, nijverheid en handel werden aangemoedigd door gedeeltelijke ontheffing van belasting.
In de laatste jaren van deze periode van rust leefden de Vandalen in vrede met het Keizerrijk, want drie jaren na de plundering van Hippo was er een verdrag geteekend. Doch dit duurde kort en in 439 viel Carthago. Daarna veroverde Gaiserik’s vloot alle eilanden in het Westelijk deel van de Middellandsche zee; Sicilië werd verwoest, de Vandalen landden zelfs op de kusten van Italië. In 442 sloot Valentinianus III, die zich vrij begon te maken van het regentschap van zijn moeder Placidia, een vernederend verdrag met den Vandalen-koning; hij erkende hem als heerscher over al het gebied, dat hij had veroverd, en niet alleen als bondgenoot, gelijk zoo dikwijls het geval was geweest, wanneer het Romeinsche Rijk een barbaar als koning erkend had, maar als absoluut en onafhankelijk monarch. Zoo was nu het Westelijke Rijk beroofd van het grootste deel van zijn Afrikaansch gebied, van alle Westelijke eilanden (ook Sicilië), van bijna geheel Spanje en Zuid-Gallië, en van Brittannië, terwijl Attila reeds meester was in Dacië, en Moesië, Pannonië, Noricum, Rhaetië en een groot deel van Illyrië en Thracië verwoestte.
13. S. Pietro in Ciel d’oro, Pavia.
Gedurende de volgende dertien jaren, de laatste van Valentinianus’ regeering, schijnt Gaiserik zich tamelijk rustig gehouden te hebben. Hij was bezig zijn rijk te versterken en wachtte een gelegenheid af om zijn veroverd gebied ook buiten Afrika te vergrooten, terwijl zijn vloot de zee schoon veegde en zijn leger steeds verder doordrong in de richting van Tripolis en de Groote Syrte.
In 455, het 27e van de 49 jaar zijner regeering, verzamelde Gaiserik een vloot (wellicht uitgenoodigd door keizerin Eudoxia) en zette een troep van zijn Vandalen en Mooren bij den mond van den Tiber aan land4. Rome was zonder verdediging. Er waren geen georganiseerde strijdkrachten en de geheele stad was in rep en roer. Toen Maximus, de opvolger van den vermoorden Valentinianus, trachtte te vluchten, werd hij gedood door het gepeupel; zijn lichaam werd in stukken gerukt en in den Tiber geworpen; en toen drie dagen later de Vandalen en hun Afrikaansche hulptroepen de poorten naderden, vonden zij geen wanhopige bevolking, die besloten was haar haardsteden te verdedigen, en evenmin een phalanx van geoefende soldaten, maar een aantal ongewapende priesters aangevoerd door een eerwaardigen bisschop—denzelfden Leo, die drie jaren tevoren den woesten Attila getrotseerd had bij den oever van den Lacus Benacus. Men zegt dat Gaiserik eerbiedig heeft geluisterd naar de waardige, onbeschroomde en welsprekende taal van Leo en beloofd heeft de gebouwen van Rome te ontzien en de Romeinen, wanneer zij geen weerstand boden, te sparen. Maar zulk een wonder als in het geval van Attila gebeurde niet; geen bovennatuurlijke invloed bewerkte, dat Gaiserik zijn Vandalen naar hun schepen terugriep en naar Sicilië of Carthago voer; hij gaf toestemming om te plunderen en in de volgende veertien dagen werden alle vervoerbare schatten van Rome naar de schepen gesleept, die aan den mond van den Tiber lagen.
De Vandalen schijnen slechts weinig in Rome vernield te hebben, maar bij de algemeene plundering zijn ook vele beroemde Grieksche en Romeinsche kunstwerken verdwenen, die tegelijk met een geweldige massa kostbare voorwerpen, juweelen, gouden, zilveren en bronzen versierselen, geborduurde kleederen naar Carthago zijn vervoerd. Veel van dezen buit ging naar Constantinopel, toen zeventig jaar later Justianus’ veldheer Belisarius, Carthago innam, en de vernietiging daarvan moet men niet aan de Vandalen, maar aan de Fransche, Vlaamsche en Venetiaansche kruisvaarders toeschrijven, die Constantinopel in 1204 plunderden. Misschien ontging de buit van den Joodschen tempel—hetgeen velen wellicht het belangrijkste van de schatten zullen vinden—dit lot. Ongeveer 400 jaar geleden had Titus dezen buit uit Jeruzalem gebracht en afbeeldingen ervan kan men nog op zijn triomfboog te Rome zien. De zeven-armige gouden kandelaar, de gouden tafel om de brooden op te leggen, de zilveren trompetten en de talrijke gewijde gouden vazen waren (volgens Josephus) in den Tempel van den Vrede te Rome geplaatst en de Groote Voorhang van den Tempel en de heilige Boeken van de Wet werden bewaard in het Paleis van de Caesars. Een overlevering verzekert, dat deze schatten in den Tiber werden geworpen, toen Maxentius bij den Pons Milvius verdronk. Waarschijnlijker is evenwel dat zij naar Carthago zijn vervoerd en dat sommige ervan door Belisarius naar Constantinopel werden gebracht. Hunne merkwaardige lotgevallen waren daar nog niet ten einde, als wij Procopius mogen gelooven, die verzekert, dat Justinianus door godsdienstige bezwaren gedreven, de “utensilia (huisraad) van den Joodschen tempel” naar Jeruzalem terugzond, waar zij in de schatkamer van een Christelijke Kerk werden gezet. Als dit waar is, moeten wij vreezen, dat zij later in handen van de Saracenen zijn gevallen en nu in de een of andere ver afgelegen Arabische of Syrische moskee zijn. Niet minder belangrijk is het feit, dat de Vandalen ook naar Carthago de helft—zoo niet het geheel—van het zoogenaamde gouden dak van den Jupiter-tempel op het Capitool medenamen, dat gemaakt was van vergulde bronzen pannen, en zonder twijfel ook de vergulde beelden en quadrigae—welke beelden Domitianus, naar men zegt, ongeveer dertig millioen gulden gekost hadden.
Onder de duizenden Romeinsche gevangenen, die meest als slaven werden verkocht, waren drie bijzonder belangrijke. “De keizerin Eudoxia”, zegt Gibbon, “ging haar vriend en bevrijder te gemoet, doch betreurde weldra haar onvoorzichtigheid. Zij werd op ruwe wijze van haar juweelen beroofd en met haar twee dochters, de eenige overgebleven afstammelingen van den Grooten Theodosius, gedwongen den trotschen Vandaal te volgen.”
Men zal zich herinneren, dat de oudste van deze dochters, Eudocia, met Hunnerik trouwde, die zijn vader Gaiserik in 477 opvolgde—want de kleine kreupele stichter van het Vandalen-Rijk regeerde ongeveer zestig jaar. De Keizerin zelf met haar jongste dochter, Placidia, werd ten slotte (c. 463) naar Constantinopel gestuurd, waar de Keizer van het Oosten haar vriendelijk ontving—een bewijs, dat men niet geloofde, of niet wist, dat zij Gaiserik naar Rome had geroepen. Een tweede bewijs zou kunnen zijn het feit, dat haar dochter Placidia de gemalin was van Olybrius, die later (472) een paar weken Romeinsch Keizer was.
Een jaar na de inneming van Rome leed de vloot der Vandalen een verpletterende nederlaag bij Sardinië tegen de Romeinsche onder Ricimer, maar die ramp schijnt Gaiserik niet zeer getroffen te hebben, want ongeveer twaalf jaar later (468) richtte een groote vloot, die was uitgerust door de beide Keizerrijken, weinig tegen hem uit en vele van de 1113 schepen, waaruit de Keizerlijke vloot bestond, werden vernield door Gaiserik’s branders. De zoon van Gaiserik, Hunnerik, die met Eudocia was gehuwd, handhaafde de heerschappij van zijn vader te land en ter zee en is bekend om zijn hevige vervolging van de Katholieken—of misschien van de geestelijken van beide partijen, want hij liet den Ariaanschen patriarch van Carthago op het forum aldaar verbranden. Zooals later verteld zal worden, eindigde het rijk van Gaiserik in 533, toen een opvolger van Hunnerik, Gelimer, overwonnen werd door Belisarius, Justinianus’ veldheer, die Carthago in zulk een snel tempo innam, dat hij bij de inneming in staat was aan een maaltijd deel te nemen, die bereid was voor den Koning der Vandalen.
Het volgende verhaal is belangwekkend in verband met de inneming van Rome door Gaiserik. Er is een kerk te Rome, die druk bezocht wordt wegens het prachtige standbeeld van Mozes—een van de figuren van het reusachtige monument van Paus Julius II, dat Michelangelo nooit heeft kunnen voltooien en wat hij gewoon was “de tragedie van mijn leven” te noemen. Deze kerk heet thans S. Pietro ad Vincula. Zij was gebouwd door Keizerin Eudoxia en heette oorspronkelijk Basilica Eudoxiana. Haar tweede naam heeft op de volgende legende betrekking. “Eudocia, de moeder van Keizerin Eudoxia” zegt Gregorovius in die Geschichte der Stadt Rom, “bracht uit Jeruzalem den ketting van den Heiligen Petrus (zie Handelingen XII); de eene helft hiervan zond zij naar Constantinopel, de andere helft naar haar dochter in Rome. Daar was reeds de ketting, waarmede de apostel geboeid was, voor hij gemarteld, werd en toen Paus Leo (dezelfde, die Attila en Gaiserik trotseerde) de twee kettingen dicht bij elkander hield, haakten zij zichzelf zoo vast ineen, dat zij een enkele ketting vormden van 38 schakels. Dit mirakel bewoog Eudoxia, die toen de gemalin van Valentinianus III was, om deze kerk te bouwen, waar de kettingen5 nog steeds bewaard en vereerd worden.”
De plundering van Rome door Gaiserik’s opvolgers, zegt Gregorovius, schijnt het spreekwoordelijke gebruik van “Vandalisme” wel te rechtvaardigen, want een groot aantal burgers werden totaal geruïneerd en duizenden tot slaaf gemaakt. Maar bijna alle schrijvers getuigen, dat Gaiserik niet zulk een “Vandaal” is geweest. Hij hield zijn woord ten opzichte van de vernieling van kerken, paleizen en oude monumenten.
In de periode van 455 tot de onttroning van Romulus Augustulus zijn er weinige gebeurtenissen van eenig belang, behalve Ricimer’s reeds vermelde overwinning op de vloot der Vandalen en zijn plundering van Rome—de derde keer, dat het geplunderd werd in ongeveer zestig jaar. De kronieken uit dien tijd bestaan bijna geheel uit voortdurende onlusten, oproeren, onttroningen en verkiezingen; de keizerlijke poppen van de militaire dictatoren Ricimer, Gundobald en Orestes volgden elkaar, met kleine tusschenruimten, zoo snel op, dat in twintig jaar niet minder dan negen zoogenaamde Keizers het purper aannamen. Het korte verslag in het Historisch Overzicht zal dus wel voldoende zijn, en wij zullen hier slechts een levendige beschrijving van den onttroonden Keizer uit Gibbon bijvoegen en iets over het vroegere leven van Odovacar.
“Na den dood van Valentinianus waren in twintig jaren achtereenvolgens negen Keizers verdwenen, en de zoon van Orestes, een jongeling, slechts om zijn schoonheid beroemd, zou allerminst recht hebben op de belangstelling van de nakomelingschap, indien niet zijn regeering, die gekenmerkt werd door de vernietiging van het West-Romeinsche Keizerrijk, een merkwaardig tijdperk afsloot in de wereldgeschiedenis. De zoon van Orestes nam de namen van Romulus en Augustus aan, en maakte die te schande. Het leven van dezen ongevaarlijken jongeling werd gespaard door de edelmoedige genade van Odoacer, die hem met zijn geheele familie uit zijn Keizerlijk paleis wegzond, een jaarlijksch inkomen van 6000 goudstukken voor hem vaststelde en hem het kasteel van Lucullus in Campanië als verbanningsoord aanwees.
De heerlijke kust van de golf van Napels was vroeger bezaaid met villa’s en Sulla prees den meesterblik van zijn tegenstander Marius, die zich had gevestigd op het hooge voorgebergte van Misenum, dat aan alle kanten de zee en het land overziet, zoover als de horizont reikt. De villa van Marius was na een paar jaren door Lucullus gekocht en de prijs was van f 30.000 gestegen tot meer dan f 960.000. Het werd door den nieuwen bezitter met Grieksche en Aziatische kunstwerken versierd, en de huizen en parken van Lucullus verwierven een eervolle plaats op de lijst van de Keizerlijke paleizen. Toen de Vandalen voor de kusten gevaarlijk werden, werd de Lucullische villa langzamerhand een sterke vesting, het afgelegen toevluchtsoord van den laatsten Keizer van het Westen. Ongeveer twintig jaar na die groote omwenteling werd het in een kerk en een klooster veranderd om de beenderen van den Heiligen Severinus te ontvangen. Zij rustten veilig tusschen de gebroken trofeeën van de overwinningen op de Cimbren en Armeniërs, tot het begin van de tiende eeuw, toen de versterkingen, die een gevaarlijk steunpunt konden geven aan de Saracenen, werden afgebroken door het volk van Napels.” (Gibbon c. XXXVI.)
Sommigen gelooven dat deze villa van Lucullus in Pizzofalcone stond, wat nu een hoog gedeelte van Napels is. Maar op Kaap Misenum, die de Baai van Pozzuoli (Puteoli) vormt, kan men nog overblijfselen van een groote villa zien—zonder twijfel de villa van Lucullus, waar Keizer Tiberius werd gesmoord, en waarschijnlijk ook die, waar Romulus Augustulus stierf.
Van Odovacar’s jeugd worden eenige bijzonderheden gegeven door Gibbon, Villari en anderen—uit Jordanes en verschillende oude schrijvers, o.a. een leerling en biograaf van den Heiligen Severinus. De vader van Odovacar en van zijn broeder Onulf was waarschijnlijk de Scirische of Herulische hoofdman Edeco, die door Attila gezonden was naar Constantinopel als gezant met Orestes, den vader van Romulus Augustulus. Na den dood van Attila, toen de Hunnen zich verspreidden, leidde de jonge Odovacar een zwervend leven en is misschien de zeeroover geweest van denzelfden naam, die een vloot van Saksische piraten op de noordelijke zeeën aanvoerde. In ieder geval, het tooneel van zijn vroegere avonturen schijnt het noorden geweest te zijn, want wij vernemen, dat hij ongeveer 460 Noricum (Styria, Salzburg enz.) doortrekt aan het hoofd van een bende barbaarsche soldaten, die in Italië dienst wilden zoeken onder Ricimer. Noricum was nog niet hersteld van de verwoestingen van Attila en verkeerde in een toestand van anarchie. De eenige erkende autoriteit was de Heilige Severinus, de kluizenaar, die van zijn cel uit de orde in het land bewaard schijnt te hebben. De Heilige werd opgezocht door Odovacar, die het lot, dat hem in Italië wachtte, wilde leeren kennen. Toen de slanke, jonge krijgsman bukte om de lage deur door te gaan, werd hij door den Heilige met deze woorden begroet: “Vade ad Italiam. Vade, vilissimis nunc pellibus coopertus, sed multis cito plurima largiturus, Ga naar Italië! Ga! Ofschoon gij nu in dit ruwe gewaad gekleed zijt, zult gij weldra aan velen rijkdommen verschaffen.” Niet lang daarna streed Odovacar in Ricimer’s leger onder de muren van Rome en schijnt tot hoogen rang geklommen te zijn; hij was ook populair geworden, want in 475 kozen zijn soldaten hem plechtig tot hun Koning door hem op een schild omhoog te heffen (zooals zoo dikwijls gebeurde, wanneer het leger een nieuwen keizer koos). Als Koning van barbaarsche krijgers wierp hij zichzelf op tot heerscher over Italië. Hij matigde zich dus niet de keizerlijke waardigheid en titel aan, maar schafte die af.
Van c. 306 tot c. 565
9. Munten: van Constantijn I tot Justinianus c. 306–565.
1. Constantijn I. 2. Constantius II. 3. Julianus (Apostata). 4. Jovianus. 5. Valentinianus I. 6. Valens. 7. Gratianus. 8. Valentinianus II. 9. Theodosius de Groote. 10. Honorius en Arcadius. 11. Galla Placidia. 12. Valentinianus III. 13. Theodosius II. 14. Pulcheria. 15. Romulus Augustus (-ulus). Het woord Conob of Comob, dat dikwijls op middeleeuwsche munten voorkomt, beteekent Comitis Obryziacus, d.w.z. de Munt van den Graaf. Deze Graaf, Comes sacrarum largitionum was zoo ongeveer de Minister van Financiën.
16. Voorzijde van een bronzen munt van 22 nummi. Beeltenis van een krijgsman met borstharnas en krijgsmantel, geleund op een speer; misschien Gaiserik zelf. Oudere munten van Gaiserik hebben (zooals dikwijls bij de barbaarsche heerschers het geval is) den beeldenaar van den overleden of nog regeerenden Keizer, b.v. Honorius en Valentinianus (zie no. 22). Geen der munten, die men aan Gaiserik toeschrijft, dragen zijn naam. Hetgeen op sommige koperen munten vroeger werd aangezien voor “Genserik”, leest men nu als “Mense Aug.” (in de maand Augustus). Het woord Karthago en de paardekop, het oude symbool van Carthago, bewijzen dat de munt werd geslagen na de inneming van Carthago in 439. De oudste kroniekschrijvers spellen zijn naam “Gaiserik”, Procopius schrijft “Gizerichus”.
17. Zilver. Keerzijde: Odovacar, zonder baard, doch met knevel; borstharnas en krijgsmantel. Lees: Flod[ov]ac, d. i. Flavius Odovacar; Flavius is de familienaam van Vespasianus, later aangenomen als koninklijke titel door Constantius I en sommige van zijn opvolgers, en ook door de koningen der Longobarden. Voorzijde: zijn monogram met een krans en er onder RV (Ravenna). Hij sloeg eerst munten met zijn eigen naam, nadat hij zijn residentie te Ravenna gevestigd had.
14. Boëthius.
Naar het schilderij van Giovanni Santi.
18. Goud. Voorzijde van een munt van 3 solidi (ongeveer 210 gram) bij Sinigallia in 1894 gevonden. Vóór deze vondst bestond er geen munt met Theoderik’s beeldenaar. Gewoonlijk zetten dergelijke vorsten hun naam of beeltenis niet op gouden munten; dit werd beschouwd als een voorrecht van de Keizers. Het is een bijzonder kostbaar overblijfsel van Romeinsch-Gotische kunst, dat, zooals men nog aan de keerzijde kan zien, door een ouden bezitter als broche is gebruikt. Op deze munt staat: Rex theodericus pius princ[eps] i[nvictus?] s[emper?]. Omgeven door deze woorden, houdt Theoderik een globe in de hand, waarop een Godin der overwinning staat met krans en palmtak. De bezitter van deze munt is de heer F. Gnecchi, Milaan.
19. Brons. Athalarik in wapenrusting, met speer en ovaal schild. Lees: DN (Dominus of Dominus noster) Atalaricus. In de tusschenruimten SC (Senatusconsulto) en X (10 nummi). Waarschijnlijk uitgegeven door Athalarik’s moeder, Amalasuntha. De voorzijde vertoont een mooi borstbeeld van “Rome”—misschien een bevestiging van de mededeeling dat de koningin-moeder de schoone kunsten in Rome aanmoedigde.
20. Brons. Lees: dn. Theodahatus rex. Een keurig gemodeleerde beeltenis. De nauwsluitende kroon is merkwaardig en ook het met juweelen versierde gewaad. Het gezicht stemt overeen met onze voorstelling van zijn karakter en is een type (misschien Vandaalsch), geheel verschillend van Theoderik. Cassiodorus vertelt ons dat Theodahad bevolen had zijn beeldenaar op zijn munten te slaan, “als een herinnering aan onze regeering voor toekomstige eeuwen”. Waarschijnlijk te Rome gemunt, na zijn breuk met Justinianus (535–36).
21. Brons. Beeldenaar van Baduela (of Baduila), d. i. Totila. Lees: ... Duela rex; op de keerzijde: dn. Baduela (of -ila) rex. Geslagen na 549 te Rome (of Pavia?).
22. Zilver. Lees: dn. Theia rex. De voorzijde vertoont den naam en beeldenaar van den Oost-Romeinschen Keizer Anastasius († 518), ofschoon deze munt natuurlijk van 552–53 is. Hetzelfde beeld werd dikwijls nog lang na den dood van een Keizer gebruikt.
23. Brons. Lees: dn. Justinianus ppvag (waarschijnlijk verkeerd voor ppaug d. i. Pius Princeps Augustus). Een van de vele bestaande beeltenissen van Justinianus. Waarschijnlijk uitgegeven door Theodahad of Witigis (Vitiges). Gemunt te Rome c. 536–38. Na 540 (toen Belisarius Ravenna innam) werden er Keizerlijke Byzantijnsche munten van Justinianus geslagen in Italië, doch waarschijnlijk niet eerder dan na Theia’s dood en den val van het Gotische Rijk (c. 553–55).
Italië ten tijde van Odovacar (476–493)
1 Zie voor dezen naam de aanteekening bij munt 16, Plaat 9.
2 Toch vertelt de schrijver dat hem iets dergelijks in Midden-Afrika is overkomen. De inboorlingen belegerden de versterkte plaats, waar hij zich bevond en vergiftigden de rivier, die de plaats van water voorzag, door de lijken van geslachte gevangenen erin te werpen.
3 De nieuwe stad (Colonia Carthago), door Julius Caesar en Augustus gebouwd, stond niet, zooals sommigen meenen, op een afstand van de oude plaats (b.v. waar nu Tunis ligt), want de nog bestaande Romeinsche overblijfselen, het amphitheater, de groote Thermae, de circus, en de reservoirs, die gevuld werden door de reusachtige aquaeduct, die het water van de 90 K.M. verwijderde heuvels bracht, lagen allen binnen de oude muren, aan den voet van de acropolis en bij de haven. Dit Romeinsche Carthago, dat ongeveer een eeuw de hoofdstad van het Vandalenrijk was, wordt door verschillende oude schrijvers beschreven, die de prachtige gebouwen en de schitterende circus-spelen roemen en ook een nieuwe groote haven, vlg. de Appendix over Carthago in Cotterill’s editie van het eerste boek der Aeneis (Blackie and Son).
Wat de aquaeduct betreft, ieder zwemmer zal met belangstelling de krachtproef lezen van Spendius en Mâtho in Flaubert’s Salammbô. [Vertaler.]
4 Daar Valentinianus in het begin van 455 gedood was en Gaiserik in Juni 455 bij Ostia landde, betwijfelde de groote Italiaansche historicus en archaeoloog Muratori (c. 1700) dit. Maar Gibbon herinnert ons aan de vijgen die Cato in de senaat op den grond wierp, terwijl hij uitriep: “Deze werden slechts drie dagen geleden te Carthago geplukt.” Bovendien had Gaiserik zonder twijfel reeds strijdkrachten op Sicilië gereed.
5 Vijlsel van de kettingen werd door de Pausen gebruikt als een zeer kostbaar geschenk.
6 Verdere bijzonderheden over deze munten vindt men in de uitstekende catalogue of the Goths and Lombards van het Britsch Museum, door Mr. Wroth samengesteld en in het standaardwerk van Engel et Serrure Numismatique du moyen âge, Vgl. de aanteekeningen bij plaat 45 van de munten.