Aanteekeningen bij de munten1

Plaat 45

van c. 650 tot c. 1313.

45. Munten: van Heraclius tot Hendrik VII, c. 650–1313.

45. Munten: van Heraclius tot Hendrik VII, c. 650–1313.

1. Een gouden munt van de “Heracliussoort” (c. 670), die Constans II en zijn drie zonen vertoont, Constantinus Pogonatus (die zijn bijnaam kreeg wegens zijn baard, dien hij gedurende een veldtocht in Afrika liet groeien), Heraclius en Tiberius. Toen Constantinus Pogonatus den troon besteeg, benoemde hij zijn beide broeders tot Augusti (keizerlijke collega’s) en gaf hen even groote macht als hij zelf bezat, in navolging van de Heilige Drieëenheid, naar men zeide.

2. Constantinus VI en zijn moeder Irene, die hem blind liet maken. Gouden Byzantijnsche munt van ongeveer 800.

3. Munt van den laatsten Longobardischen Koning, Desiderius. Tremissis van electron (ongeveer vier deelen goud en éen deel zilver). Voorzijde: DN. DESIDER R (de R is een gewone afkorting voor REX op Lombardische munten). Keerzijde: Een ster of bloem in een cirkel en de woorden FLAVIA LUCA. Voor “Flavia” zie men aanteekening bij Plaat 9, munt 17. Dit woord vindt men op Lombardische munten als bijvoegelijk naamwoord bij steden, zooals Lucca, Piacenza enz. en beteekent misschien, dat deze steden “koninklijke vestingen” waren met zekere privileges. De namen van vele andere steden komen op deze soort voor b.v. Milaan, Pavia (Ticino) enz., waar misschien een koninklijke munt was. Er zijn ook eenige merkwaardige munten, zooals deze “ster-tremisses” met den naam van een stad, over met een zinloos opschrift (VIVIVI.... in plaats van den naam van een koning. Ook werd in 1904 te Ilanz, in Zwitserland een schat gevonden, waarbij vele dergelijke tremisses waren, voorzien van den naam van Karel den Groote. Deze beide typen zijn blijkbaar uitgegeven, nadat Desiderius (774) naar Frankrijk verbannen was (zie p. 212), daar de oude keerzijde is behouden.

4. Munt van Liutprand. Voorzijde van een gouden tremissis. Borstbeeld van Liutprand met diadeem, schepter, borstharnas en krijgsmantel. Lees: DN. LUTPRAN R. Op de keerzijde van deze soort Lombardische munten neemt een gevleugelde figuur, de H. Michael, beschermheilige der Lombarden, de plaats in van de Victoria, die op de klassieke munten zoo dikwijls voorkomt. De vroeg Lombardische munten (zelfs die van Agilulf en Theodelinda) zijn barbaarsche navolgingen van de keizerlijke. Omstreeks den tijd van Liutprand (712–44) krijgen zij een meer eigen karakter, maar de uitvoering is nog barbaarsch en de opschriften zijn dikwijls onduidelijk en onjuist.

5. Karel de Groote (uit de Biblioth. Nation., Parijs). Munten van Karel den Groote komen voor met de namen van verschillende steden, Parijs, Parma, Florence, Rome enz. Dit is een zeldzamer, keizerlijke munt met beeldenaar (de keizer heeft hier een knevel). Lees: CAROLUS IMP. AUG. en op de keerzijde RELIGIO KRISTIANA rondom den zoogenaamden Karolingischen tempel (zie munt op p. 374). De letter M = 40 nummi (D = 20).

6. Louis de Débonnaire. Eveneens uit de Biblioth. Nation., Parijs. Voor bijzonderheden zie men Engel et Serrure, Fig. 402.

7. Dukaat van Koning Roger (II) van Sicilië en zijn zoon. In 1140, tien jaar nadat hij den koningstitel had aangenomen, schafte Roger de keizerlijke munten (de zoogenaamde tari) af en liet zilveren dukaten slaan met zijn eigen beeldenaar.

8. Augustal van Frederik II (voorzijde en keerzijde). Een zeer fraaie munt. “De ware voorlooper van de groote Italiaansche munten en medailles der vijftiende eeuw” (Serrure).

9. Carlin d’or (¼ ons) van Karel van Anjou, geslagen in 1277 op de munt in den Castell dell’ Uovo, Napels. De keerzijde stelt de Heilige Boodschap voor.

10. Real d’or (¼ ons) van Karel van Anjou, geslagen in 1270 in navolging van de Augustal van Frederik II.

11. Zilveren munt van het type der prachtige gouden dukaten van Pedro III van Arragon en Costanza, de dochter van Manfred. Niet lang na den Siciliaanschen Vesper (1282) uitgegeven. De typische munt van Sicilië gedurende de volgende twee eeuwen. Op de voorzijde de keizerlijke adelaar en COSTA[NTIA] DEI GRATIA ARAG. SIC. REG. Op de keerzijde Pedro’s naam als koning van Arragon.

12. Munt van Robert d’Anjou, Hertog van Calabrië, zoon van Karel II, lo Zoppo (de Lamme) en kleinzoon van den grooten Karel van Anjou. Hij was koning van Sicilië 1309–43. Zie Dante, Paradiso VIII, 76.

13. Een fraaie munt van Pavia van ongeveer 1400. Het type is echter ouder. Op de keerzijde een bisschop op een troon. Pavia verklaarde zich na den dood van Frederik II in 1250 onafhankelijk, maar kwam later in de macht van de Visconti van Milaan.

14. Venetiaansche gouden zecchino2, het eerst geslagen door Doge Giovanni Dandolo, c. 1285. Op de voorzijde: Doge Dandolo, die knielend den schepter van den H. Marcus ontvangt. Keerzijde: de H. Marcus geeft hem zijn zegen. Zie ook de munt uit veel vroeger tijd, p. 374.

15. Zilveren florijn (fiorino) van Pisa (na 1313) met den naam van Frederik Barbarossa, dien het Ghibellijnsche Pisa op zijn munten hield tot 1494 (uitgezonderd de jaren 1312–13, toen de naam van Hendrik VII daarvoor in de plaats kwam; zie No. 18). Voorzijde: Keizerlijke adelaar en FREDERICUS IMPERATOR. Keerzijde: Madonna en Kind.

16. Gouden florijn van Florence uit het jaar 1304. Zie de zilveren grosso van ongeveer 1200 op p. 388, die als type werd aangenomen voor deze latere gouden munten, met Johannes den Dooper, den beschermheilige van Florence, en de Florentijnsche lelie, die Dante il maladetto fiore noemt.

17. Men zegt, dat dit de eenige beeldenaar van Frederik Barbarossa is. Hij is zeer barbaarsch en grotesk: een leelijke, baardelooze jongen.

18. Pisaansche munt met den naam van Hendrik VII, dus dagteekent deze van 1312–1313. Zie No. 15.

19. Beeldenaar van Hendrik VII.


1 Zie ook p. 103 (aanteekeningen bij de eerste plaat van de munten).

2 Zoo genoemd naar de Zecca, het Muntgebouw te Venetië.