Tweede Deel.

Historisch Overzicht.

476–568.

De geschiedenis van de drie eeuwen (476–800), die verliepen tusschen de vernietiging van het Keizerlijk gezag in Italië en het herstel daarvan in den persoon van Karel den Groote kan men in twee perioden verdeelen, van welke de eene ongeveer een eeuw (476–568) en de tweede iets langer dan twee eeuwen (568–800) is. De eerste periode vormt nu het onderwerp van ons verhaal. In dit tijdperk hebben wij eerst, ongeveer 16½ jaar, de regeering van Odovacar, Ottowacker of Odoacer, die wij beter den naam van zijn munten (Odovac of Odovacar) kunnen geven dan den Latijnschen vorm “Odoacer”; daarna komt de heerschappij der Oost-Goten (493–535), waaronder de belangrijke regeeringen vallen van Theoderik den Groote, zijn zoon Athalarik (onder het regentschap van zijn moeder Amalasuntha) en Theodatus of Theodahad; daarna de “Gotische oorlog” met de lange veldtochten van Belisarius en Narses, waarvan het einde de nederlaag en dood is van de koningin der Oost-Goten, Totila (Baduela) en Theia (553), en dan, gedurende vijftien jaar (553–568) de vestiging van de Byzantijnsche heerschappij in Italië, dat een tijdlang een diocese wordt van den Oost-Romeinschen Keizer, Justinianus.

De tweede periode, die wij in het derde deel zullen behandelen, begint met de Longobarden-heerschappij van twee eeuwen (568–774), een lange reeks jaren, die, behalve door enkele zeer belangwekkende persoonlijkheden en eenige vraagstukken over architectuur, bijna even somber is als de tijd die volgde op den inval der Doriërs in Griekenland. Ten slotte krijgen wij het verzoek om hulp van den Paus aan den Koning der Franken, gevolgd door de tusschenkomst en de heerschappij van de Franken en het zoogenaamde herstel van het West-Romeinsche Keizerrijk door de daad van Paus Leo III, die een gouden kroon op het hoofd van den Franken-koning, Karel den Groote, zette, toen deze, zonder iets te vermoeden (volgens sommigen) oprees van zijn gebeden voor de graftombe van den Heiligen Petrus te Rome.

I. Odovacar’s regeering (476–’93).

Het verhaal werd afgebroken bij de onttroning van Romulus Augustulus door Odovacar en op het einde van eerste Deel werd een schets gegeven van het latere leven van den onttroonden Keizer en ook een beschrijving van het vroegere leven van den barbaren-koning, die gedurende meer dan zestien jaar (hij stierf 15 Augustus 493) op den troon zetelde, ofschoon hij den titel of den diadeem van de Romeinsche Keizers niet aannam.

In Ravenna had de jeugdige Romulus Augustulus geresideerd en daar was hij gevangen genomen; daar vestigde ook Odovacar den zetel van zijn regeering. Het rijk, waar zijn regeering werd erkend, omvatte geheel Italië ten zuiden van de Alpen, en Rhaetia tusschen de Alpen en Donau. Het grootste deel van Sicilië werd na den dood van Gaiserik (477) ook aan hem onderdanig: maar de Vandalen behielden Lilybaeum en andere gedeelten van het eiland, evenals Sardinië en Corsica, terwijl aan gene zijde van de West-Alpen de Bourgondische Koningen de streek van de Rhône en Saône bezaten, de West-Goten geheel Spanje en het Zuiden van Gallië in hun macht hadden, en verder noordwaarts de Alemannen en Franken heerschten.

Zoodra Odovacar zich sterk genoeg voelde, zond hij een gezantschap naar den Keizer van het Oosten om zijn positie te bepalen en erkenning te eischen. Dit gezantschap was gemachtigd te verklaren namens den Romeinschen Senaat en en den vroegeren Keizer, Romulus Augustulus (wiens handteekening Odovacar zich blijkbaar had verschaft), dat het Romeinsche, of liever het Italiaansche volk besloten had, dat één Keizer voldoende was voor beide deelen van het Keizerrijk; en uit naam van Odovacar overhandigden zij Zeno de keizerlijke insignia—de ornamenta Palatii—den purperen mantel, den diadeem, de globe en schepter, met het verzoek, dat de Keizer den bestuurder van Italië den titel van Patricius zou willen verleenen.

Zeno antwoordde, dat zijn voorgangers, Leo I en de Keizerin Verina, twee Keizers voor de Romeinen hadden gekozen; den eene, Athemius hadden zij gedood, den andere, Nepos, verbannen; maar Nepos leefde nog en bestuurde zijn provincie Dalmatië. Derhalve moesten zij zich tot hem wenden met hun verzoek. Zeno schreef persoonlijk aan Odovacar en noemde hem “Patricius”.1

Men zal zich herinneren dat de val van Orestes, den vader van Romulus Augustulus, voornamelijk moet toegeschreven worden aan het feit, dat hij zijn soldaten geweigerd had een derde deel van het land van Italië te geven. Odovacar had den steun van het leger verworven door de belofte dit verzoek om land toe te staan, en nu moest hij dat doen. De bijzonderheden van dezen zeer belangrijken maatregel zijn niet nauwkeurig bekend, maar men kan met zekerheid aannemen, dat vele groot-grondbezitters verdreven en geruïneerd zijn en dat uitgestrekte, vruchtbare landen verdeeld zijn onder veteranen, die den grond gingen bebouwen. In andere gevallen stelden de nieuwe bezitters zich er mede tevreden als landheeren op te treden en de oude bezitters als pachters te gebruiken, terwijl zij waarschijnlijk den toestand der slaven verbeterden, die zij, volgens de feudale gewoonte in het Noorden, als leenmannen aannamen. Odovacar had, evenals Alarik en Athaulf en de groote Theoderik, diepen eerbied voor de staatsregeling van het Keizerrijk en was, naar het schijnt voor de uitvoering der wetten en het innen der belastingen geheel en al afhankelijk van de oude keizerlijke ambtenaren.

In 480 werd Nepos, die nog steeds erkend werd door het Oostelijke Keizerrijk, door zijn comites palatii (ambtenaren van het paleis) te Salona gedood. Odovacar werd aldus bevrijd van den eenigen mededinger, die aanspraak maakte op den troon van Italië. Hij had te Ravenna, dat nog steeds een prachtige haven bezat, een sterke vloot verzameld, om tegen de zeeroovers der Vandalen op te treden en om Sicilië te veroveren. Na den dood van Nepos stak hij de Adriatische zee over en annexeerde Dalmatië. Dit was natuurlijk een daad van openlijke vijandschap tegen Zeno en een schending van de integriteit van het Oost-Romeinsche Rijk; maar Zeno was niet in staat het te vergelden, daar hij werd bezig gehouden door gevaarlijke godsdienstige woelingen, die in het oosten, dat broeinest van sophistische leerstellingen, waren ontstaan; de patriarch van Alexandria was door fanatieken gedood. Deze conflicten in Constantinopel hadden een ernstig karakter aangenomen door Zeno’s welgemeende poging om de verbitterde tegenstanders te verzoenen—de Monophysieten (die verzekerden dat de menschelijke en goddelijke natuur van Christus in één vereenigd waren) en de zgn. orthodoxe partij. Gesteund door den patriarch Acacius had hij een brief uitgegeven, die bekend is onder den naam Henotikon (d.i. een poging tot verzoening), maar deze werd, zooals het met dergelijke pogingen meestal gaat, ontvangen met den heftigsten tegenstand, vooral van den kant van den Paus en de Katholieken te Rome, en een tijdlang verergerde dit slechts den ellendigen twist, totdat de zgn. orthodoxe partij de overwinning behaalde.2

15. Monastero del Sacro Speco, Subiaco.

15. Monastero del Sacro Speco, Subiaco.

Ofschoon Odovacar een Ariaan was, stond hij in dezen twist aan den kant van Paus Simplicius; maar toen de Paus in 483 stierf, beschouwde hij het terecht als zijn taak de onlusten, die gewoonlijk bij de verkiezing van een Paus plaats vonden, te voorkomen; hij liet door den Prefect het college der kiezers (toen nog niet beperkt tot de Kardinalen) bijeenroepen, en verklaarde, dat geen verkiezing van kracht zou zijn zonder zijn sanctie; en het was zijn candidaat, Felix II, die gekozen werd. Deze inmenging in Kerkelijke aangelegenheden wordt door sommige schrijvers met droefheid en verontwaardiging vermeld. Wel hadden de Keizers van het Oosten zich soms, niet alleen bij de verkiezing van prelaten, maar ook in het omschrijven en verspreiden van leerstukken gezag aangematigd; en te Rome had Honorius zelfs tusschen twee Pausen een beslissing genomen. Maar Odovacar was een barbaar en een Ariaan en zijn krachtige en voorspoedige politiek wordt gebrandmerkt als het begin van de lange en rampzalige veeten tusschen de wereldlijke aanspraken van de Kerk en de wettige macht van de Staat, terwijl Odovacar toch, wanneer hij op waardige wijze was opgetreden, geweldige slachtingen en wederzijdsche verbittering had kunnen voorkomen en den naam van het Christendom vrij had kunnen houden van de smetten, die de godsdienstige vervolgingen en de oorlogen, gevoerd in naam van het Evangelie des vredes, er op geworpen hebben.

De waarheid is, dat op de ruïnen van het Keizerlijke Rome onder den naam van Pauselijk gezag een nieuwe politieke macht oprees—in naam geestelijk, maar inderdaad wereldlijk van aard en in haar idealen—die, daar zij als bondgenoot het godsdienstige en zedelijke gevoel van den mensch opeischte en gewapend was met alle wapenen, die het bijgeloof verschaft, in staat was zich eeuwen lang tegen het hoogste burgerlijke gezag staande te houden. Hierin verschilt het Christendom geheel en al van den Islam, waar dadelijk het hoogste geestelijke en het hoogste burgerlijke gezag in één persoon werden vereenigd; want, welke andere slechte gevolgen een dergelijk systeem ook had, op deze wijze kon een zuiver geestelijke invloed nooit ontaarden in een staatkundige instelling, wier hoofddoel was het verwerven van wereldlijke macht en die aldus in botsing kwam met het wettige, burgerlijke gezag.

Ondanks Odovacar’s verstandige regeering, ondanks zijn pogingen om de nadeelen van het groot-grondbezit (latifundia), waaraan Plinius de Oudere den ondergang van Italië toeschrijft, te verhelpen, schijnt de toestand in vele streken van zijn koninkrijk droevig geweest te zijn. Zoo lezen wij in een brief van Paus Gelasius (492) dat in Toscane en Aemilia en de andere provincies “nauwelijks één menschelijk wezen bestaat”—hominum prope nullus exsistit. In Rome was ook de werkende klasse—de stadswerklieden en de scholae van schilders, bouwlieden, geneesheeren enz.—in een toestand van armoede en verwaarloozing gekomen, waaruit zij later met moeite voor korten tijd door Theoderik werd opgeheven.

Ongeveer 486 gebeurde, hetgeen blijkbaar de onmiddellijke oorzaak werd van Odovacar’s nederlaag. In Noricum was de heilige kluizenaar Severinus (p. 102) gestorven en het land was weder tot anarchie vervallen. De woeste Germaansche volksstam van de Rugiërs, die in het tegenwoordige Moravië en Zuid-Bohemen woonde, greep, waarschijnlijk aangespoord door Zeno, de gelegenheid aan om Zuidwaarts op te rukken en het land te plunderen en te verwoesten. Odovacar trok de Alpen over met een groot leger van barbaren en Italianen, versloeg de Rugiërs in Noricum, achtervolgde hen over den Donau en nam hun koning gevangen. Maar de zoon van den koning ontsnapte en vluchtte naar de Oost-Goten, die toen in de streek tusschen Noricum en Dacië gevestigd waren, het land van de Save en de Drave, dat zich noordwaarts tot den Donau uitstrekt. De hoofdman van deze Oost-Goten was Theoderik de Amaler, een man van ongeveer 32 jaar. Zeno, die Odovacar wilde onderwerpen en de onbeschaamdheid van de Pausen beteugelen, zette Theoderik aan tot een inval in Italië. De smeekbeden van den jongen vorst der Rugiërs deden Theoderik besluiten Odovacar aan te vallen.

Dit deed hij, zooals het heette, volgens opdracht van den Keizer in het Oosten. Hij had den titel “Patricius”3 verworven en had onder zijn bevel een keizerlijk generaal (magister militum) en andere Keizerlijke ambtenaren (comites, comtes, counts, graven). Zijn doel, dat hij niet verborgen hield, was den usurpator of “tyran” aan te vallen en Italië voor het Keizerrijk te heroveren.

Gedurende den herfst, winter, en lente van 488-’89 trokken geweldige benden van verschillende volkstammen, doch voornamelijk van Oost-Goten, te zamen waarschijnlijk 200.000, met ongeveer 50.000 krijgslieden, onder aanvoering van Theoderik de Alpen over; zij begonnen hun marsch bij Aemona (Laibach) en namen denzelfden weg als Theodosius, Alarik en Attila hadden genomen. Aan de rivier de Sontius (Isonzo) bij Aquileia en daarna aan de Athesis (Adige) bij Verona werd slag geleverd; Odovacar werd gedwongen terug te trekken, doch ook de Goten leden zware verliezen, en Theoderik trok, in plaats van zuidwaarts over de Apennijnen, naar Milaan en sloeg zijn kamp op bij Ticinum (Pavia). Toen haastte Odovacar zich (volgens sommige schrijvers) naar Rome, maar vond de poorten gesloten. Hetzij dit gebeurde of niet, zeker is het, dat na de veldslagen in Noord-Italië de Romeinsche Senaat en de geestelijken voorstellen deden aan Theoderik, want Odovacar had in de laatste jaren groote verbittering verwekt door de Kerken te plunderen om zijn troepen te betalen. Sommige schrijvers spreken ook van het overloopen van Tufa, Odovacar’s magister militum, naar Theoderik; maar het schijnt, dat Tufa dit slechts geveinsd heeft en erin geslaagd is een aantal Goten van Theoderik naar Odovacar’s kamp te brengen. In ieder geval zien wij dat Odovacar zich krachtig staande houdt in Noord-Italië—hij bezet Milaan en met hulp van Bourgondiërs, die hij heeft ontboden, dwingt hij Theoderik binnen de muren van Ticinum te blijven, waar de geweldige massa’s menschen veel te lijden hebben van gebrek aan ruimte en voedsel.

Maar in deze moeilijke omstandigheden (490) kwamen de West-Goten uit Gallië hun stamgenooten te hulp en Odovacar leed bij de Adda een verpletterende nederlaag. Hij trok terug naar Ravenna, dat weldra door Theoderik van de landzijde belegerd werd. Maar de haven gaf vrijen toegang tot de zee, daar de Goten geen vloot hadden, en wegens de moerassen en sterke wallen kon Ravenna niet gemakkelijk bestormd worden. En aldus werd Theoderik, ofschoon hij overal elders in Italië als heer werd erkend, drie jaar lang getrotseerd4 door de stad, die later de hoofdstad van zijn koninkrijk werd en nog steeds zoo nauw aan zijn naam verbonden is.

Eindelijk, in het begin van 493 werd Odovacar gedwongen te capituleeren, want de Goten hadden zich meester gemaakt van de zeevesting Rimini en genoeg schepen verzameld om Ravenna ook te blokkeeren. Wij weten niet veel van deze capitulatie, behalve dat Odovacar’s leven gewaarborgd werd. Toch werd deze voorwaarde geschonden, want ongeveer drie weken later noodigde Theoderik zijn gevangene uit tot een feestmaal in het Paleis van den Raad, dat volgens een ouden schrijver in het Zuid-Oostelijke deel van Ravenna was (waarschijnlijk het gebouw, dat nu nog het Paleis van Theoderik genoemd wordt) en liet hem bij zijn aankomst dooden; of misschien volvoerde hij de bloedige en verraderlijke daad zelf; éen kroniekschrijver toch verzekert dit, en geeft bovendien de dramatische bijzonderheid, dat Theoderik, toen zijn zwaard het lichaam van zijn slachtoffer van de hals tot de lendenen in tweeën kliefde, zich omkeerde en grijnslachend mompelde: “Het ellendige creatuur schijnt geen beenderen te hebben.”

II. De Heerschappij der Oost-Goten (493–535).

Daar Theoderik het onderwerp zal vormen van latere hoofdstukken, zal hier slechts een kort verslag gegeven worden van zijn lange regeering van drie en dertig jaren.

Na den slag bij de Adda (490), zond hij bericht van de overwinning naar Constantinopel en vroeg verlof om den titel van koning aan te nemen; maar Zeno stierf in April 491, en daar zijn opvolger Anastasius5, geen antwoord zond, liet Theoderik zich door zijn manschappen tot koning kiezen. Door deze handeling verbeurde hij natuurlijk de insignia en het ambt van keizerlijk gevolmachtigde en bracht zichzelf in dezelfde positie, in welke de “tyran” zich had bevonden. Maar Anastasius vond het mettertijd raadzaam den fait accompli te erkennen en den toestand aan te nemen, zooals die was. Toen derhalve ongeveer zeven jaar later (498) een ander gezantschap aan het hof in het Oosten kwam, werd hij vriendelijk ontvangen, en kreeg opdracht de keizerlijke insignia, die de Romeinsche senaat namens Odovacar aan Zeno had gezonden, aan Theoderik te overhandigen. Natuurlijk beteekende dit niet, dat Anastasius Theoderik als Keizer van het Westen erkende. Wat het beteekende en wat de positie van Theoderik was, zal later besproken worden, wanneer wij zijn wetgeving en regeering beschrijven.

Langzamerhand versterkte en breidde Theoderik zijn macht uit. In 504 heerscht hij niet alleen over het geheele vroegere rijk van Odovacar, namelijk Italië, Rhaetië en Dalmatië, maar heeft ook Noricum en Pannonië onderworpen en een afstammeling van Attila geholpen een tijdelijke herleving van het Hunnenrijk in het oude gebied van de Oost-Goten, in Dacië, tot stand te brengen en het leger van den Keizer van het Oosten te verslaan.

En evenmin aarzelde Theoderik—ofschoon hij met onverstoorbaren ernst de meest onderdanige brieven6 aan Anastasius schreef—een inval te doen in het gebied, dat den Keizer toebehoorde, want hij nam niet alleen Sirmium aan den Donau, maar drong zelfs Illyricum binnen. Hierop zond Anastasius, hevig vertoornd, in 508 een vloot van 200 schepen uit om Tarente aan te vallen en de kusten van Zuid-Italië te verwoesten—een dwaze représsaille die niets uitwerkte, dan (zooals een schrijver uit dien tijd, Marcellino Conte, zegt) een “schandelijke overwinning van Romeinen over Romeinen”, daar toch de bewoners van Apulië en Calabrië geenszins verantwoordelijk waren voor de daden van Theoderik. Ook naar het Westen was het gebied van Theoderik aanmerkelijk uitgebreid. Waarschijnlijk uit vrees, dat Anastasius anderen tegen hem zou opzetten, zooals hij tegen Odovacar opgezet was, sloot hij verbonden met de drie machtigste barbaarsche volkeren; hij gaf zijn zuster Amalafrida aan Thrasamund, den Koning der Vandalen7, zijn dochter Theudegotha aan Alarik II, Koning der West-Goten, en een andere dochter, Ostrogotha, aan Sigismund, den zoon van den Bourgondischen Koning. Bovendien was hijzelf, blijkbaar omstreeks 497, met Audefleda, de dochter van den machtigen en strijdlustigen Koning der Franken, Chlodovech (Chlodwig, Ludwig, Clovis) in het huwelijk getreden.

Wanneer wij den tijd van Karel den Groote beschrijven, zullen wij de opkomst van dat rijk en de Franken schetsen. Het is voldoende hier te vermelden, dat zij in de laatste jaren snel waren opgerukt uit het tegenwoordige Nederland en België, onder Clovis zich verspreid hadden in het noorden van Gallië, en de Bourgondiërs hadden overwonnen. Maar toen Clovis er toe overging de West-Goten aan te vallen, kwam Theoderik zijn stamgenooten te hulp en dwong Clovis, zijn schoonvader, het beleg van Arles op te geven en zich terug te trekken over de Loire (c. 509), na een nederlaag, waarin hij, volgens Jordanes, 30.000 man verloor. Theoderik kreeg nu de hoogste macht in het rijk der West-Goten, daar zijn schoonzoon, Alarik II, in den slag was gedood. Hij stelde zichzelf tot voogd en regent aan over den troonopvolger, zijn kleinzoon Amalarik en werd aldus heerscher over het geheele gebied der West-Goten in Gallië en Spanje, terwijl hij als Koning van Italië, Sicilië, Pannonië, Dalmatië erkend was en ook van Provence, dat hij geannexeerd had. Gedurende ongeveer zestien jaren (510–526) heerschte hij over een grooter gebied van het Westersche Rijk, dan sommige van de latere Keizers en hij beschouwde zich als een “Princeps Romanus” en men sprak hem, hoewel niet officieel, aan als “Augustus”, ofschoon hij op de meest nederige en onderdanige wijze bleef schrijven aan den Keizer van het Oosten.

Maar de laatste jaren van den grooten Koning der Oost-Goten zouden ongelukkig zijn. Oneenigheden over leerstellige vraagstukken, wier rampzalige gevolgen wij reeds zoo dikwijls hebben beschreven, verwekten een steeds heftiger vijandigheid tegen hem en dit deed in de diepten van zijn barbaarsche natuur den heftigsten wrok ontstaan. Hij werd nukkig, verbitterd en argwanend. Eerst had hij, evenals Odovacar, ofschoon hij een Ariaan was, de partij van den Paus gekozen tegen de ongelukkige poging van Keizer Zeno om de Katholieken en Monophysieten te verzoenen. (Zeno’s poging, Henotikon, was door de Kerk van Rome als een werk van Satan gebrandmerkt, ofschoon het geteekend was door alle bisschoppen van het Oosten.) Na Zeno’s dood (491) werden deze twisten nog heviger en wij zagen reeds dat Anastasius voor een bende fanatieken in Constantinopel om zijn leven moest smeeken. Ondertusschen schijnt Theoderik den juisten koers genomen te hebben en achtereenvolgens drie Pausen tegen den Keizer van het Oosten handig te hebben uitgespeeld, terwijl hij zich aldus, ofschoon hij zelf een Ariaan was, de gunst van zijn Katholieke onderdanen verzekerde.

Maar een plotselinge verandering ontstond in deze verhoudingen toen Anastatius in 518 stierf. Hij werd opgevolgd door Justinus—een onontwikkelden, dapperen, eenvoudigen, dom-orthodoxen, Dardanischen (Bulgaarschen) boer, die niet lang na zijn verkiezing sterk onder den invloed geraakte van zijn veel begaafder, ook orthodoxen neef, Justinianus, die later, zooals hijzelf meende, een hechte steunpilaar werd van de in zijn oogen eenige ware Kerk. Aan het hof te Constantinopel kreeg de ketterij van de Monophysieten en andere leerstukken plotseling een slechten naam en werd een begin gemaakt met vervolgingen. Te Rome bleef Paus Hormisdas, die niet zoo inschikkelijk was als zijn voorgangers, nogal koel tegenover de vriendelijkheden en Kerk-bouwenden ijver van den Ariaan Theoderik en opende onderhandelingen met Justinus en diens heerschzuchtigen neef, met de bedoeling om over de verdraagzaamheid jegens ketters den banvloek uit te spreken. Weldra verbinden de Paus en de Keizer zich tegen Theoderik en dit verbond wordt plechtig bekrachtigd door een Concilie, gehouden te Constantinopel en bijgewoond door afgevaardigden van den Paus; hier wordt het Katholicisme afgekondigd als staatsgodsdienst, het Henotikon plechtig veroordeeld, en over Acacius, die er aan medegewerkt heeft, de banvloek uitgesproken.

Omstreeks 523 kwam het bevel van Justinus, dat alle Ariaansche Kerken aan de Katholieken moesten worden afgestaan. Theoderik antwoordde daarop door de Katholieke Kerken te sluiten. Hij was uitermate verbitterd. Het voornaamste doel van zijn regeering en wetgeving gedurende dertig jaren was geweest de Goten en Romeinen tot één volk samen te smelten en hijzelf had vele Romeinsche gewoonten aangenomen en toonde een oprechte bewondering voor de wetten, de litteratuur en de monumenten van het Romeinsche Keizerrijk. Maar zijn welgemeende, doch soms tamelijk onhandige navolging van Romeinsche gewoonten, taal en idealen wekte den lachlust van de geboren Italianen op, onder wie, vooral onder de rijken, een sterke beweging opkwam ten gunste van Nationalisme en Katholicisme, als een protest tegen den vreemden Gotischen indringer, wiens heerschzuchtige soldaten zich het beste deel van hun land hadden toegeëigend, als ook hun fraaiste kerken en voornaamste ambtelijke waardigheden en voordeelen. Verbitterd door deze steeds toenemende vijandigheid, schijnt Theoderik aan zijn misschien wat oppervlakkige bewondering voor Romeinsche zaken een einde te hebben gemaakt en aan die aangeboren neiging tot wreedheid te hebben toegegeven, die hij toonde door den moord op Odovacar. Zijn woede tegen de Katholieken werd aangewakkerd door den fanatieken ijver van zijn schoonzoon, Eutharik, een fellen Ariaan, aan wien hij zijn eenige dochter, de erfgename van zijn troon, Amalasuntha had gegeven. Theoderik verloor meer en meer zijn populariteit; daden van geweld werden eerst op rechtvaardige wijze onderdrukt—zoo moesten b.v. de Katholieken te Ravenna de Joodsche Synagoge, die zij in brand hadden gestoken, weer opbouwen—maar later door harde represailles. Te Rome vooral werd de stemming tegen de barbaarsche ketters zoo venijnig, dat de Goten order kregen aan geen burger het gebruik van eenig wapen toe te staan—usque ad cultellum.

16. S. Vitale, Ravenna.

16. S. Vitale, Ravenna.

Dat er onder de zeer gemengde bevolking van Rome pro-Goten waren, is natuurlijk niet te verwonderen. De geschiedenis van de beschuldiging, die door zulk een “delator” (aanklager) tegen een patriciër, Albinus, is ingebracht en den dood (524) van den philosoof Boëthius en zijn schoonvader Symmachus, het hoofd van den Romeinschen Senaat, zullen later vermeld worden. Het werpt een somber licht op de twee laatste jaren van Theoderik’s regeering en maakt een andere wreede daad van hem minder onbegrijpelijk. Paus Hormisdas was gestorven ven (523), en door een waardigen, doch onbuigzamen anti-Ariaanschen prelaat, Johannes I opgevolgd. Verontwaardigd over de handeling van het Concilie te Constantinopel en Justinus’ order om de Ariaansche Kerken in Italië te sluiten, wilde Theoderik een krachtig protest naar den Keizer van het Oosten sturen. Hij liet Paus Johannes te Ravenna komen en droeg hem met eenige senatoren en den Ariaanschen Aartsbisschop van Ravenna, Ecclesius, op Justinus te vragen, dat bevel in te trekken. Het gezantschap werd eervol aan de poort ontvangen en in feestelijken optocht geleid naar Constantijn’s Basilica van Hagia Sophia, terwijl de Keizer bijzonderen eerbied bewees aan den eersten Paus, die Constantinopel binnentrad. Maar Theoderik’s verzoek werd geweigerd of ontweken, en op den terugtocht werd de Paus, die blijkbaar verdacht werd met den Keizer te heulen, in de gevangenis geworpen, waar hij weldra stierf. “De dankbare Kerk”, zegt Gregorovius, “heeft hem geëerd met den nimbus van een martelaar.” Om zijn plaats te vervullen stelde Theoderik voor Felix te kiezen. De Romeinen beefden en gehoorzaamden.

Wij hebben gezien, dat Odovacar de ongeregeldheden trachtte te voorkomen, die gewoonlijk bij de verkiezing van een Paus plaats vonden. Theoderik’s aanmatiging van het recht van investituur, niet alleen van bisschoppen, maar van den Stedehouder van Christus zelf, was iets geheel anders, en daar ook Theoderik’s opvolgers zich dit recht hebben aangematigd, en ook Belisarius, die met de hulp van Theodora pausen liet aftreden en kiezen, en zelfs Justinianus, die—ondanks zijn Pragmatieke Sanctie—den weerspannigen Paus Vigilius gevangen zette, en later ook verschillende vorsten van het z.g.n. Heilige Roomsche Rijk, kan dit beschouwd worden als de werkelijke fons et origo mali. Theoderik stierf in 526, ongeveer drie maanden na den dood van Paus Johannes in de gevangenis. Fantastische verhalen over den dood van den koning worden in ernst door Procopius en Gregorius den Groote gedaan. Die zullen verteld worden in het volgende hoofdstuk. De ware oorzaak van zijn dood was waarschijnlijk een aanval van dysenterie, en een oude schrijver verzekert, dat deze plaats vond juist op den dag, waarop het besluit van den koning, dat de Katholieke Kerken aan de Arianen zouden worden overgegeven, in werking zou treden—een merkwaardige overeenkomst met het verhaal van den dood van Arius zelf (pag. 39). De kroniekschrijver Jordanes, die de verloren geraakte “Geschiedenis” van Cassiodorus, den eersten minister van Theoderik, heeft gebruikt, schrijft, dat de dood van den koning zeer kalm en waardig was. Toen hij het einde voelde naderen, liet hij zijn ministers en de bevelhebbers der Oost-Goten komen en stelde hun als opvolger zijn kleinzoon Athalarik voor—want Eutharik, zijn schoonzoon, was gestorven.

Athalarik was een jongen van tien jaar. Zijn moeder Amalasuntha werd dus regentes; haar minister was Cassiodorus. Zij wordt beschreven als een schoone en geleerde vrouw, bedreven in het Gotisch, Grieksch en Latijn en bijzonder gesteld op de klassieke litteratuur; en wij krijgen een gunstigen indruk van haar karakter door het feit, dat zij bewerkte, dat de verbeurd verklaarde goederen van Boëthius en Symmachus aan hun families werden teruggegeven. Doch haar Romeinsche neigingen hadden haar ondergang ten gevolge. De Goten, die een dergelijke verwijfdheid verachtten, eischten, dat de jonge Athalarik de studies, die zijn moeder voor hem had gekozen, zou opgeven en een militaire opvoeding zou krijgen; zij verklaarden, dat het een stelling van Theoderik was, dat geen man onversaagd een vijand het hoofd kon bieden, die gesidderd had voor de roede van een leermeester; en de zaak kwam tot een uitbarsting, toen zij den jongen eens zagen huilen, omdat hij een klap van zijn meester of zijn moeder had gekregen. De militaire opvoeding evenwel schijnt hem gelegenheid te hebben gegeven te veel aan zichzelf te denken, hetgeen zijn zwakke gezondheid knakte, en na acht jaren stierf hij (534), voordat hij gekroond was.

Het was een vast beginsel van de Goten, dat de regeering nooit zou overgaan van de lans op het spinrok. De naaste manlijke erfgenaam was Amalasuntha’s neef, Theudehad of Theodahad, zooals hij op zijn munten heet (zie Plaat 9), ofschoon hij beter bekend is als Theodatus. Hij was de zoon van Theoderik’s zuster Amalafrida, die met den Vandalen-koning Thrasamund gehuwd was. Hij studeerde ijverig Plato en had uitgestrekte landgoederen in Toskane, waar hij was gehaat wegens zijn hebzucht; en hij, van zijn kant, haatte Amalasuntha, omdat zij trachtte zijn inhaligheid te beteugelen, en beschuldigde haar, dat zij door het regentschap te behouden de wet schond. Hierin werd hij gesteund door drie van de invloedrijkste Goten en langzamerhand werd Amalasuntha zoo gehaat, dat zij de hulp inriep van den Oost-Romeinschen Keizer, Justinianus. Hij gaf haar een prachtig paleis te Dyrracchium (Durazzo), waarheen zij haar schatten begon te vervoeren; maar op het laatste oogenblik, misschien (ofschoon men niet geneigd is dit van haar te gelooven) omdat zij erin slaagde de drie vijandige edelen te laten vermoorden, gaf zij haar vlucht op en bood aan de regeering met haar neef te deelen. Het aanbod werd aangenomen en haar minister, Cassiodorus, schreef een prachtigen brief aan Justinianus, waarin hij hem meedeelde, dat “zooals het menschelijk lichaam, twee ooren, twee oogen en twee handen had, evenzoo het Gotische Koninkrijk nu twee vorsten had.”

Deze regeering eindigde echter weldra. Theodahad’s krachtig optreden en de vijandige stemming der Gotische edelen hadden tengevolge, dat Amalasuntha verbannen werd naar een klein eiland in het meer van Bolsena, waar zij kort daarna in haar bad werd verdronken (535). De moord werd misschien bedreven om den dood van de drie edelen te wreken en zeker met medeweten van Theodahad.8 Dit feit was, ofschoon het niet het einde aanduidt van de Gotische overheersching, toch de onmiddellijke aanleiding tot den Gotischen oorlog, die ten gevolge had, dat de veroveraars verdreven werden en de Oost-Romeinsche Keizer tijdelijk Italië in zijn bezit kreeg, zoodat Rome en Ravenna de hoofdsteden van twee Byzantijnsche provincies werden. Gedurende die jaren regeerde Justinianus ook over de provincies van Noord-Afrika, over Sicilië en de andere eilanden in de Middellandsche Zee en over Zuid-Spanje (het grootste gedeelte van deze landen was door zijn generaals op de Vandalen heroverd); van de Perzen had hij voor een groote som gelds den z.g.n. eeuwigen vrede gekocht, die een tijdlang aan zijn provincies in het verre oosten, Asia Minor, Syrië en Egypte, rust verzekerde.

III. De Gotische oorlog. (535–’53).

De Byzantijnsche verovering van Italië kan men in twee perioden verdeelen; de eerste van Belisarius’ aankomst tot de inneming van Ravenna en zijn terugroeping in 540, de tweede van 540 tot den slag op den Vesuvius, den dood van Theia en de verdrijving van de Goten in 553. Deze twee perioden omvatten een groot gedeelte van de lange regeering van Justinianus; opmerkingen over zijn persoon, zijn wetgeving, over het hof te Constantinopel en over den oorlog van Belisarius in Afrika zullen in de volgende hoofdstukken gevonden worden. Hier zullen wij ons beperken tot gebeurtenissen, die nauw samenhangen met Italië.

De moord op Amalasuntha werd door Justinianus tot een casus belli gemaakt. Het is waarschijnlijk dat hij reeds lang over een aanval op de Goten had gedacht en zijn politiek in verband met Amalasuntha had duidelijk bewezen hoe sterk zijn sympathie was voor de Romeinsche, anti-Gotische beweging in Italië. En nu was hij in staat handelend op te treden, want zijn groote veldheer Belisarius9 had, na zijn roemrijken veldtocht in Perzië (530), de macht der Vandalen in Afrika gebroken door de inneming van Carthago (533) en door het gevangennemen van Koning Gelimer, die eenigen tijd eenzaam had rondgezworven, maar zich ten slotte had overgegeven aan den overwinnaar en door de straten van Constantinopel was meegevoerd bij den triomftocht, die bovendien merkwaardig was door de aanwezigheid van den drie-maal veroverden buit van den Tempel van Jeruzalem.

Om Noord-Italië te bedreigen en aldus de Gotische strijdmachten te verdeelen zond Justinianus een leger naar Dalmatië, en Belisarius stak in 535 met slechts ongeveer 7500 man van Afrika naar Sicilië over. Hij vertrouwde vooral, zooals hij tot Procopius zeide, op zijn boogschutters te paard, een soort van lichte ruiterij, die de Goten niet kenden. Maar met zulk een klein aantal had hij nooit kunnen hopen te overwinnen, indien hij niet had gerekend op de zeer belangrijke hulp van het Italiaansche volk, dat dagelijks afkeeriger werd van de Gotische heerschappij. Inderdaad, zoodra hij op Sicilië was geland, openden alle steden, behalve Palermo, de poorten voor hem. In Palermo was een sterke Gotische bezetting, maar de boogschutters van Belisarius schoten van de hooge schepen hun pijlen in de stad en Palermo capituleerde. In zeven maanden werd geheel Sicilië veroverd en de onkrijgshaftige Plato-liefhebber Theodahad was zoo verschrikt dat hij aanbood af te treden en, voor een groot pensioen, zich terug te trekken. Het aanbod werd aangenomen, maar toen hij hoorde, dat zijn troepen een klein voordeel in Dalmatië hadden behaald, kwam hij op zijn voorstel terug. Terwijl hij nog aarzelde, stak Belisarius zoo snel als vroeger de fulmina belli, Scipiadae, naar Afrika over, onderdrukte een opstand en kwam weer terug in Sicilië; daarna stak hij naar Rhegium over, dat Theodahad’s schoonzoon hem overleverde; andere steden openden ook haar poorten. Doch Napels bood weerstand; weldra echter werd het genomen en geplunderd; een troep van ongeveer 600 man was door een ongebruikte aquaeduct de stad binnengedrongen.

Onder de Goten te Rome heerschte groote ontsteltenis, en ook verontwaardiging over hun laffen Koning. Zij hielden een vergadering in de Campagna en zetten hem af. Een dapper krijgsman, Vitiges (of Witigis) werd in zijn plaats gekozen. Theodahad vluchtte naar Ravenna, maar werd ingehaald en gedood. Vitiges haastte zich, om andere redenen, ook naar Ravenna; hij liet in Rome een garnizoen van 4000 Goten achter. Van Ravenna zond hij gezanten naar de Franken, en verzekerde zich door een groote som geld en door het afstaan van Gallia Narbonensis (Languedoc) van hun onzijdigheid. Daarna riep hij haastig alle Gotische strijdkrachten en hulptroepen op, die in Provence en Noord-West-Italië waren. Maar voordat deze zich verzameld hadden, was Belisarius Rome binnengerukt—zonder twijfel geholpen door de geestdriftige medewerking van de Italianen en officieel uitgenoodigd door Paus Silverius—en terwijl zijn manschappen de stad binnentrokken door de Porta Asinaria, trokken de Goten eruit, noordwaarts, door de Porta Flaminia. Hij ging dadelijk aan het werk om de oude versterkingen van Aurelianus te herstellen en de stad voor een belegering van levensmiddelen te voorzien. Toen stormde Vitiges, die 150.000 krijgers had verzameld, op Rome af, waar nu een Keizerlijk leger van 5000 man was—een klein aantal om versterkingen van ongeveer achttien K.M. in omtrek te verdedigen. In een ontmoeting buiten de muren wordt Belisarius door het groote aantal overweldigd en komt bijna om, daar de Romeinen de poorten vóor hem dichtwerpen; maar door een wanhopigen aanval slaat hij de Goten terug en komt weder binnen Rome; hier wordt hij éen jaar en negen dagen belegerd (537–38).

De bijzonderheden van deze lange belegering behoeven niet verteld te worden. Krijgslisten, oorlogswerktuigen, alarm, overrompeling, bestorming, wanhopige uitvallen, Homerische tweegevechten, dat alles komt voor in de levendige schildering van Procopius. Vitiges snijdt de aquaeducten af, besmet de rivier met lijken, bemachtigt de haven, brengt zijn verplaatsbare torens, katapulten en stormrammen bij de muren en verovert bijna de Moles Hadriani (den Engelenburg); maar hij wordt afgeslagen door een hagelbui van marmeren beelden en verliest (volgens Procopius) 30.000 man; ofschoon zijn leger nog 150.000 man telt (waarschijnlijk ook door Procopius overdreven), is hij niet in staat de aankomst van levensmiddelen en versterkingen uit Constantinopel te verhinderen—1600 ruiters, voornamelijk Hunnen, ook Isauriërs en andere barbaarsche hulptroepen. De belegering had soms blijkbaar weinig uitwerking, want Procopius ging naar Napels om versterkingen en proviand te halen en slaagde daarin. Ook de gemalin van Belisarius, Antonina, kwam veilig en gemakkelijk in Rome en werd weldra gevolgd door een prelaat, Vigilius, uit Constantinopel gestuurd door de Keizerin Theodora; deze verzocht Belisarius hem tot Paus te laten kiezen, hetgeen zonder moeite geschiedde door den armen, ouden Silverius te beschuldigen van verstandhouding met de Goten.

Ten slotte stelden de Goten voorwaarden; zij herinnerden Belisarius er aan, dat Theoderik naar Italië was gezonden om het te veroveren op den tyran Odovacar, dat hij den Keizer altijd als zijn heer had erkend, hem had geëerd en de wetten van het Keizerrijk had gehandhaafd. Waarom, zoo vroegen zij, was Justinianus dan een oorlog tegen hen begonnen? Als Belisarius Italië wilde verlaten, met al zijn buit, zouden zij tevreden zijn. Toen dit aanbod werd geweigerd, beloofde Vitiges Sicilië en Zuid-Italië af te staan en zelfs een schatting te betalen; maar wederom ontving hij een weigerend antwoord. Eindelijk werd een wapenstilstand van drie maanden gesloten; maar Belisarius maakte daar misbruik van, legde nieuwe versterkingen aan, voorzag zich van levensmiddelen en nieuwe troepen, en veroverde zelfs verschillende punten die de Goten volgens de overeenkomst tijdelijk verlaten hadden. Bovendien werd een bevelhebber, Johannes, door hem uitgezonden met een sterke afdeeling om Picenum te verwoesten; deze slaagde erin de vesting Rimini te overrompelen, zoodat de Goten, verontwaardigd over deze feiten, Rome trachtten binnen te dringen. Maar zij werden afgeslagen, staken plotseling hun legerplaats in brand, braken het beleg op en trokken noordwaarts.

De strijdkrachten, die Belisarius uit Afrika had overgebracht bedroegen slechts 7500 man, volgens Procopius, die, zooals vroeger Polybius had gedaan, den overwinnaar van Carthago op zijn veldtochten vergezelde. De geestdrift van de Italianen schijnt het getal zijner troepen weinig vermeerderd te hebben en hij was niet in staat de Goten te achtervolgen. Daarom wachtte hij, totdat er hulp zou komen uit Constantinopel. Het grootste deel van deze versterkingen landde in den herfst van 538, waarschijnlijk bij Ancona, Fano of Pesaro, een weinig ten Zuiden van Rimini, dat door de keizerlijke troepen onder Johannes was bezet. Ondertusschen had Belisarius 2000 man den Flaminischen weg opgestuurd, die den beroemden tunnel10 door den Oost-rug van de Apennijnen hadden geforceerd, waarbij zij de Goten, die den pas bezet hielden, hadden verslagen; zij bereikten Rimini, en weldra volgde hijzelf en vereenigde zich met de nieuwe troepen.

Deze versterkingen werden aangevoerd door Narses, een handigen, eerzuchtigen, vurigen, rusteloozen, kleinen man met ronden rug, die aan het hof het vertrouwen van Justinianus had gewonnen (niet van Theodora, wier gunsteling Belisarius was) en tot hooge ambten was geklommen. Hij was reeds zestig jaar oud en had, toen hij het bevel over deze expeditie kreeg, volstrekt geen militaire ervaring, maar was bestemd om weldra zijn natuurlijke begaafdheid van groot aanvoerder te toonen. Daar hij de ongunstige stemming te Constantinopel ten opzichte van Belisarius kende, nam hij een onafhankelijke en hooghartige houding aan, eischte gelijk gezag, en werkte met minachting de verouderde tactiek van zijn jongeren collega, den overwinnaar der Vandalen en den verdediger van Rome, tegen. En zonder twijfel was Belisarius, ofschoon hij slechts vier en dertig jaar oud was, een soldaat van de oude school, eenigszins stijf en exclusief, terwijl Narses een bijzondere gave schijnt gehad te hebben om menschen in zijn dienst te halen, zooals blijkt uit het groote aantal Italianen en barbaren, die zich in de latere jaren van den oorlog onder zijn vaandel schaarden. Bovendien was de raad van Narses, zooals de uitslag bewees, juist, en dit verergerde waarschijnlijk den twist. De vereenigde keizerlijke legers trokken, zooals Narses had aangeraden, noordwaarts, terwijl zij het land schoonveegden; de Goten weken, en ten slotte verzamelde Vitiges al zijn krijgslieden, omstreeks 30.000 man, binnen de muren van Ravenna.

Ravenna was, zooals wij reeds zagen, toen Odovacar belegerd werd, een lastig te veroveren stad, vooral zonder vloot, en daar een gemeenschappelijk optreden onmogelijk was door de verdeeldheid van aanvoerders en legers, werd het beleg niet ondernomen. Terwijl aldus de tijd verbruikt werd met onbelangrijke operaties tegen kleine steden, kwamen de Franken, gehoor gevend aan den oproep van Vitiges, in Italië, vergezeld door duizenden Bourgondiërs. Milaan, waar eene kleine bezetting van keizerlijken lag, moest capituleeren, werd in brand gestoken en geslecht.11 Dit werd door een nog grooter inval gevolgd in 539. Een geweldige bende van 100.000 Franken, onder hun Koning, Theudebert, kleinzoon van Clovis, trok de Alpen over, in naam om de Goten te helpen, doch feitelijk om te plunderen. Zij namen Ticinum (Pavia) en roeiden bijna de geheele bevolking uit. Maar toen zij bemerkten, dat het geheele land verwoest was, en daar zij bovendien aan dysenterie leden, veroorzaakt door het drinken van het water uit den Po of den Ticinus, of uit dat moerassige land, waar nu, midden in de rijstvelden Certosa staat, besloten zij plotseling terug te gaan naar Gallië, en verdwenen.

17. Mozaïek: Justinianus en Theodora, S. Vitale, Ravenna.

17. Mozaïek: Justinianus en Theodora, S. Vitale, Ravenna.

In deze crisis riep Justinianus Narses terug. Misschien verlangde hij zijn raad te vernemen aangaande de onbeschaamdheid van Chosroes, den grooten Perzischen koning, die het hem moeilijk maakte ondanks den “Eeuwigen Vrede”. Misschien begon hij te begrijpen, dat het verdeelde gezag in Italië noodlottig was. Belisarius kreeg aldus vrijheid van handelen, en nadat hij Fiesole en Osimo (bij Ancona), veroverd had, sloeg hij het beleg voor Ravenna, in de hoop, dat er schepen uit het oosten zouden komen om de haven te blokkeeren. Justinianus echter wilde vrede en onderhandelde met Vitiges, die rekende op de belofte van Theudebert om met 500.000 man terug te komen. Maar Belisarius was besloten Ravenna te nemen, en Vitiges, ontmoedigd door de desertie van vele Goten en het verbranden van zijn koren-voorraad, hetgeen door den bliksem of door verraad van zijn vrouw geschied was, stelde eindelijk voor Belisarius als koning van Italië of zelfs als keizer van het Westen te erkennen. Belisarius veinsde dit voorstel aan te nemen. De poorten werden geopend en de Byzantijnen kwamen de stad binnen tusschen de rijen van toeschouwers, die, verontwaardigd over het kleine aantal en de onaanzienlijke gestalten van hun overwinnaars vergeleken bij hun verdedigers, in verwenschingen uitbarstten; de vrouwen, zegt Procopius, spuwden haar Gotische minnaars en mannen in het gezicht. Belisarius had beloofd het leven en de bezittingen van de overwonnenen te sparen en hij hield zijn woord; maar Vitiges en de voornaamste edelen werden als gevangenen behandeld. Aldus kwam Ravenna, in 540, onder het gezag van de Oost-Romeinsche Keizers. Het bleef in hun macht als hoofdstad van het Byzantijnsche Exarchaat, gedurende ongeveer twee eeuwen, totdat de Longobarden het in 752 innamen. Vier jaren later werd het den Longobarden ontrukt door Pepijn, den koning der Franken.

Op dit oogenblik, toen Belisarius den oorlog had kunnen beëindigen, indien hij door Justinianus voldoende was gesteund, werd hij plotseling teruggeroepen naar Constantinopel. Hij keerde terug met grooten buit en zijn gevangenen, Vitiges en vele Gotische edelen, om zijn triumf op te luisteren, zooals hij zeven jaar vroeger den Vandaal Gelimer en den buit van Carthago had meegebracht.


Met de terugroeping van Belisarius eindigt de eerste periode van den Gotischen oorlog (535–540). In die vijf jaren waren de Goten, behalve een paar geïsoleerde garnizoenen, uit het schiereiland verdreven. Zij behielden nu nog de noordelijke streken van Italië, Ligurië en gedeelten van Emilia en Venetia, terwijl zij Pavia, Verona en eenige andere steden als steunpunten bezaten. Vele van hun krijgers waren tot de keizerlijken overgegaan. Rome en Ravenna waren provincie-steden geworden van het Byzantijnsche Keizerrijk. Maar nog elf jaren van oorlog en verwoesting moesten er volgen, voordat de Gotische heerschappij geheel verdwenen was.

De toestand van Italië aan het einde van dit eerste tijdperk was zeer treurig, vooral in de noordelijke streken, die door Franken en Bourgondiërs, door Goten en ook door Byzantijnen verwoest waren. De bewoners van Toskane en Emilia trokken naar de bergen en leefden van eikels, of verzamelden zich aan de kusten om visch te vangen. Vijftig duizend kwamen om volgens Procopius, die vele verschrikkelijke tooneelen aanschouwde en met Thucydideïsche levendigheid de ongelukkige, uitgehongerde schepsels beschrijft, die met verdwaasde oogen rondstaarden, wier uitstekende beenderen bedekt waren met een huid als perkament, die van geel donkerrood en van rood zwart werd, zoodat noch vogels noch andere dieren hun lijken wilden eten. Hij verzekert ook dat cannibalisme veel voorkwam, zoo als in Spanje, toen de Vandalen daar een inval deden, en hij vertelt van twee vrouwen, die dicht bij Rimini reizigers gastvrijheid aanboden en er zeventien in hun slaap doodden om hen op te eten, doch door den achttiende werden ontdekt en gedood.

Toen Belisarius aankwam, bemerkte hij, dat hij niet meer in de gunst stond aan het hof te Constantinopel. Een triumf werd hem niet toegestaan. Hij werd gezonden naar het verre Oosten, waar de onbedwingbare Perzische koning, Chosroes, het keizerlijk gebied was binnen gedrongen en Antiochië had genomen en geplunderd. Daarna, beschuldigd van verraad, werd hij teruggeroepen en geraakte nog meer in ongenade. Zijn vrouw, Antonina, had hem door haar gedrag te schande gemaakt en was een vertrouwde geworden van Keizerin Theodora, wier vroegere schanddaden langzamerhand vergeten werden door de vroomheid van haar latere jaren. De sympathie, die Theodora eerst voor Belisarius had gevoeld, was overgegaan op zijn ontrouwe gemalin en toen hij trachtte haar gevangen te zetten, werd zij bevrijd door den invloed van de Keizerin, die elke gelegenheid aangreep om hem te vernederen.12

Ondertusschen heerschte in Italië ontevredenheid en wanorde. Niet alleen het volk, maar ook het keizerlijke leger, veronachtzaamd en zonder soldij, begon weer naar het bestuur der Goten te verlangen, terwijl onder de Goten het zelfvertrouwen werd vernieuwd door de verkiezing van een leider, Baduila of Baduela,13 gewoonlijk Totila genoemd, onder wiens aanvoering de Gotische heerschappij in Italië zou herleven en gedurende elf jaren zou stand houden.

Belisarius leefde in dagelijksche angst, dat hij vermoord zou worden. Eenzaam en somber wandelde hij door de straten van Constantinopel, gemeden door al zijn vrienden. Eindelijk, in 544, stelde Justinianus, ongerust over Italië en misschien verschrikt door de nadering van de pest, voor, dat Belisarius de leiding van den oorlog tegen de Oost-Goten weer op zich zou nemen. Maar geen troepen werden voor hem beschikbaar gesteld. Op eigen kosten wierf hij dus 4000 Illyriërs. Met dezen stak hij over naar Ravenna en slaagde er in Bologna te nemen.

Ondertusschen had Totila een groot gedeelte van Zuid-Italië veroverd, en, gekampeerd bij Tibur (Tivoli), bedreigde hij Rome, dat de keizerlijke troepen onder Bessa bezet hielden, nam sterke punten aan den Flaminischen weg en legde er garnizoenen, om den toegang naar Rome van het noorden af te snijden. Een jaar lang moest Belisarius, die Rome te hulp wilde snellen, in machtelooze wanhoop werkeloos blijven; hij zond dringende verzoeken om hulp aan Justinianus en stak zelfs over naar Durazzo om hun aankomst af te wachten. Maar toen zij eindelijk kwamen, bleken zij ongeoefend en tuchteloos te zijn, en hun bevelhebber—dezelfde Johannes, die vroeger de plannen van Belisarius bijna even hardnekkig had gedwarsboomd als Narses zelf—drong er op aan de Goten eerst uit Apulië en Calabrië te verdrijven, voordat zij zouden trachten Rome te ontzetten, dat Totila nu was begonnen te belegeren en dat Belisarius had besloten te bevrijden.

Zooals in het geval van Narses, bleek het ook nu noodzakelijk de strijdkrachten te verdeelen. Johannes ontscheepte zijn troepen bij Otranto, en, daar er slechts een paar verspreide benden Goten in die streken waren, kon hij weldra aan Justinianus melden, dat hij Zuid-Italië in zijn macht had, terwijl Belisarius naar den mond van den Tiber zeilde. Hier bezette hij de haven (Portus Romanus); Ostia zelf was in handen van Totila’s Goten, die een ketting over de rivier hadden gespannen om den toevoer van levensmiddelen naar Rome te verhinderen. Een moedige poging van de Byzantijnen om den ketting te doen springen en zich met booten en branders een weg te banen naar de stad mislukte op het laatste oogenblik door de onhandigheid of het verraad van Bessa, en zoo woedend waren het volk en de soldaten op hun aanvoerder, die een massa geld schijnt verdiend te hebben door voedsel aan de uithongerde burgers voor buitensporige prijzen te verkoopen, dat de Porta Asinaria, nadat eenige Isaurische wachters waren omgekocht, midden in den nacht voor de Goten werd geopend. Toen zij binnenrukten (17 December, 546), trok de Byzantijnsche bezetting en een groote menigte door andere poorten de stad uit, terwijl Bessa gedwongen werd al zijn schandelijk gewonnen goud achter te laten.

Het is bijna niet te gelooven, maar Procopius verzekert ons, dat, toen de Goten Rome binnentrokken, zij er nauwelijks 500 menschen vonden. De meesten waren in de kerken gevlucht en na eenig bloedvergieten in den roes van de overwinning, werden de barbaren zoo niet van plundering, dan toch van moord op de smeekelingen door Totila weerhouden, die, zooals ook bij andere gelegenheden, waardig en menschelijk14 optrad.

Totila bleef langer in Rome dan Alarik, die er slechts zes dagen vertoefd had. Terwijl hij daar was, zond hij naar Justinianus den diaken Pelagius (later Paus), die met rustigen moed, bijna alleen, den Gotischen Koning had afgewacht, zooals Paus Leo vroeger Attila en Gaiserik had ontvangen. Door middel van Pelagius zond Totila een brief aan den Keizer: “Ik heb eerbied voor U als voor mijn vader”, schreef hij, “en zal altijd uw trouwe bondgenoot zijn; maar indien gij geen vrede wilt aannemen, zal ik Rome verwoesten, opdat het niet weder een gevaar voor de Goten kan worden.”

Justinianus antwoordde niet; derhalve begon Totila de muren van Rome neer te halen. Hij had een derde gedeelte ervan afgebroken en misschien nog vele andere gebouwen, toen hij plotseling ophield—wellicht omdat Belisarius, die juist diezelfde muren had herbouwd, hem daarover een roerenden brief schreef, of omdat hij hoopte Rome eens tot hoofdstad van een “Gotica” te maken onder de bescherming van het Oost-Romeinsche Rijk. Toen trok hij naar het Zuiden van Italië, terwijl hij als gijzelaars de Romeinsche senatoren meenam, die—zooals die beroemde senatoren van den ouden tijd, toen de Galliërs Rome innamen—de aankomst van den barbaarschen overwinnaar hadden afgewacht, hoewel misschien niet in zulk een waardige houding.

Na hetgeen wij gehoord hebben, moeten wij er ons misschien niet over verbazen te lezen, dat, toen Totila en zijn Goten Rome ontruimden, de groote stad, die in de dagen van Alarik’s inval nog ongeveer twee millioen inwoners had, gedurende zes weken volstrekt ledig bleef—nergens in het geweldige labyrinth van oude en nieuwe gebouwen, nergens in de ontelbare straten en open pleinen was een sterfelijk wezen te zien.15

Belisarius en zijn Byzantijnen trokken de verlaten stad binnen, en de Aureliaansche muren werden haastig hersteld; vele oude marmeren beelden werden er ingebouwd, hetgeen men nog kan zien (zooals dat tijdens Themistocles ook in Athene was geschied). Uit de omstreken kwamen nu duizenden terug, die zich verborgen hadden; toen hij dit vernam, keerde Totila terug; maar hij werd afgeslagen en sloeg weder zijn legerplaats bij Tivoli op. Nu waren (547) zoowel Rome als Ravenna in handen van de Keizerlijken en zij konden zich voorstellen, dat de fortuin hun gunstig was; maar elk verzoek om versterkingen was vruchteloos, want Justinianus was geheel en al verdiept geraakt in godsdienstige quaesties16 en hij verlangde blijkbaar niet alleen beroemd te worden als burgerlijk wetgever, maar ook als de hoogste wetgever voor de Kerk en als degene, die de godsdienstige eenheid had hersteld door de overwinning van dat geloof, dat hij als het eenige ware beschouwde.

Daar Belisarius de hoop op hulp van Constantinopel had opgegeven en ook van de troepen van Johannes, die hardnekkig al zijn kracht gebruikte voor een guerilla in het zuiden, geen steun verwachtte, verliet hij Rome en zeilde naar de kusten van Zuid-Italië, waar hij een geheel jaar met vruchtelooze expedities zoek bracht, totdat hij eindelijk naar Constantinopel teruggeroepen werd. Hier kwam hij in 549 met ontzaglijke rijkdommen aan, maar zijn goede naam was geschandvlekt en zijn geestkracht gebroken door zijn laatsten ongelukkigen veldtocht. Hij was toen ongeveer 44 jaar oud. Nog zestien jaar overleefde hij zijn terugroeping, maar, daar Italië hem niet meer zag, moet zijn later leven hier met een paar woorden afgehandeld worden.

Tien jaren leefde hij teruggetrokken te Constantinopel, in weelde en geëerbiedigd, maar zonder officieele waardeering. In 559 evenwel bedreigden de Hunnen—of liever de Avaren, die het land, dat eens den Hunnen toebehoorde, hadden veroverd en nu, evenals vroeger de Hunnen, onbeschaamde boodschappen stuurden om een hooge schatting te eischen—Constantinopel zoo ernstig, dat Justinianus er aan dacht zijn hoofdstad te verlaten. In deze paniek riep hij Belisarius, wiens zelfvertrouwen herleefd schijnt te zijn, want hij deed een schitterenden aanval op de woeste indringers en verpletterde hen; daarop werd hij plotseling door Justinianus teruggeroepen, die door zijn seniele angst en argwanende jaloezie drie jaar later (563) er toe gedreven werd tegen den ouden krijgsman, aan wien hij zooveel verplichtingen had, beschuldigingen van verraad aan te nemen. Belisarius werd van al zijn bezittingen beroofd en onder nauwkeurig toezicht gesteld. Een paar maanden later kwam zijn onschuld aan het licht en werd hij in zijn eer hersteld. In het begin van 565 stierf hij, negen maanden voor den dood van Justinianus. Het verhaal, dat hij als een oude blinde bedelaar bij de deur van een kerk zat met een bordje “Date obolum Belisario” (“Geeft Belisarius een stuiver”), schijnt in de elfde of twaalfde eeuw ontstaan te zijn.

Maar wij moeten terugkeeren tot het jaar 549 en tot Italië, waar Totila en zijn Goten zich wederom meester maakten van het geheele land. Wederom veroveren zij de haven van den Tiber en belegeren Rome; wederom zijn de uitgehongerde Romeinsche burgers zoo woedend op hun Byzantijnsche aanvoerders, die zij ervan beschuldigen voorraden van levensmiddelen te bewaren om die voor buitensporige prijzen te verkoopen, dat zij een van hen dooden en de Isaurische wachters overhalen een poort voor den vijand te openen. Taranto in het zuiden, Rimini in het noorden, en vele andere steden gaven zich nu aan de Goten over, die zelfs naar Sicilië overstaken en het geheele eiland afliepen. Zij verzamelden ook een vloot en waagden het Ancona te blokkeeren, maar Johannes, die na de terugroeping van Belisarius zijn vrij nuttelooze guerrilla had voortgezet, vereenigde zijn schepen met die der Byzantijnen te Ravenna en bracht de ongeoefende vloot van de barbaren zulk een nederlaag toe, dat Totila wederom Justinianus vrede aanbood, terwijl hij hem beloofde Sicilië en Dalmatië voor het Keizerrijk te heroveren. Maar Justinianus had Narses reeds (551) het opperbevel in den oorlog tegen de Goten opgedragen.

Narses was reeds 73 jaar oud, maar bezat, naar het schijnt nog zijn oude geestkracht en zelfvertrouwen. Zijn groote rijkdom en overredingskracht stelde hem in staat een geweldig leger te verzamelen, dat bestond uit Avaren, Gepiden, Herulen, Perzen en andere barbaren, waaronder 2500 wilden, die hij, omdat zij zoo woest en onhandelbaar bleken, een weinig later moest omkoopen om weer naar het noorden terug te gaan. Dit waren de Longobarden of Lombarden, waarover wij later veel zullen hooren. Zij werden aangevoerd door hun hoofdman Audoin, den vader van den beroemden Alboin. Narses werd gesteund door een vloot; hij trok de monden van de rivieren door middel van schipbruggen over en kwam aldus bij Ravenna. Toen marcheerde hij zuidwaarts om de Furlo-pas met zijn tunnel (p. 127 n.), die door den vijand sterk bezet was, te vermijden, daarna dicht langs de kust en over den Apennijnen bij Sentinum en de “graven van de Galliërs” (die gevallen waren in den grooten slag tegen de Romeinen, acht en een halve eeuw geleden); vervolgens wachtte hij in de vlakte van Tadino of Tagina de aankomst van Totila uit Rome af en leverde slag op den dag, die hem door de Heilige Maagd (onder wier heilige bescherming hij geloofde te staan) was geopenbaard17. De Goten werden verslagen, en Totila getroffen door een speer werd door zijn mannen naar een hut gedragen, eenige kilometers van het slagveld verwijderd, en stierf daar. Deze overwinning had ten gevolge, dat vele steden zich overgaven en dat Rome, waar slechts een kleine Gotische bezetting lag, die een tijdlang heldhaftig de Moles Hadriani verdedigde, genomen werd. Toen werden wederom de sleutels van de oude hoofdstad van het Romeinsche Keizerrijk naar Constantinopel gezonden; gedurende Justinianus’ regeering werd Rome, zooals Procopius ons vertelt, vijf maal genomen en hernomen.

18. S. Apollinare in Classe, Ravenna.

18. S. Apollinare in Classe, Ravenna.

Woedend over hun nederlaag en den dood van hun Koning, slachtten de Goten in het zuiden 500 jongelingen, die Totila als gijzelaars, en vele van de senatoren, die hij als krijgsgevangenen had meegenomen. Na dien tijd bestond de Romeinsche senaat niet meer. Ondertusschen werd in het noorden een nieuw Gotisch leger verzameld. Theia, een dapper bevelhebber van Totila, had Verona tot zijn hoofdkwartier gemaakt en hield nog Pavia en andere belangrijke punten bezet; hij werd te Pavia tot Koning gekozen. Voordat hij trachtte zuidwaarts te trekken, vond hij het noodig zich de onzijdigheid van de Franken te verzekeren, die zich vasten voet hadden verschaft in de streek van de meren en zelfs in gedeelten van Venetia. Toen dit geregeld was, trok Theia de Apennijnen over. Zijn doel was zich te vereenigen met zijn broeder Aligern, die zich geducht had versterkt in Cumae—die stad bij het meer Avernus, de woonplaats van de Sibylle, misschien meer dan 1000 jaar v. Chr. gesticht door de Grieken, van wier wallen men nu nog overblijfselen kan zien. De Gotische Koning ontweek handig de keizerlijke strijdkrachten en bereikte de golf van Napels, waar hij zijn legerplaats opsloeg, niet ver van Pompeji, bij den mond van den Draco (Sarno). Gedurende twee maanden lagen de legers van Theia en Narses, door de diepe rivier gescheiden, tegenover elkaar en waagden het geen van beiden over te steken om aan te vallen. Maar de aanvoerder van de Gotische vloot, verschrikt door de nadering van vijandelijke schepen, gaf zich aan de Byzantijnen over, en Theia, die nu geen levensmiddelen meer kon ontvangen, was gedwongen zich terug te trekken naar de hellingen van den Vesuvius. Door den honger geteisterd besloot hij af te dalen en alles in een ontmoeting te wagen. De Goten lieten hun paarden achter en naderden in dichte slagorde, Theia vooraan. “Toen de Romeinen dit zagen,” zegt Procopius18, “begrepen zij, dat het gemakkelijk zou zijn hun slaglinie te verbreken, indien Theia terug gedreven werd; zij, die moed genoeg hadden—en dat waren er velen—vereenigden zich om hem aan te vallen, deels met werpspiesen, deels van dichtbij. Maar hij beschermde zich met zijn schild en ving de speren op; vervolgens, plotseling naar voren springend, versloeg hij menig vijand. En wanneer hij zag, dat zijn schild vol werpspiesen was, gaf hij het aan zijn schilddrager en nam een ander; zoo streed hij een derde deel van den dag, totdat hij eindelijk, toen er weder twaalf speren in zijn schild staken, het niet gemakkelijk kon oplichten en zijn aanvallers niet kon afslaan; hij plantte het stevig voor zich, deelde met zijn rechter doodelijke slagen uit, pareerde met de linkerhand en riep luide om den schilddrager. Toen de man hem een ander schild bracht, verwisselde hij snel; maar een oogenblik gaf hij zijn zijde bloot; hij werd getroffen door een werpspies en onmiddellijk gedood. De Romeinen staken zijn hoofd op een piek en droegen het rond, ten aanschouwe van beide legers”.19

IV. De Byzantijnsche Overheersching.

Nadat hun Koning gevallen was, vochten de Goten nog twee dagen met wanhopigen moed, maar eindelijk gaven zij zich over op voorwaarde, dat zij of in Italië als onderdanen van den Keizer zouden blijven of zouden wegtrekken buiten de grenzen van het Keizerrijk. Vele trokken de Alpen weer over en vermengden zich met andere Germaansche volksstammen. Een duizendtal trok weg, voordat het verdrag was geteekend, baande zich een doortocht naar Pavia en verbonden zich daar waarschijnlijk met de Franken. Eenige verspreide bezettingen hielden het nog een tijdlang uit. Theia’s broeder Aligern verdedigde Cumae dapper, langer dan een jaar, totdat “de Romeinen de grot van de Sibylle uitholden tot een geweldige mijn, de muur van de stad deden instorten en aldus de belegerden tot overgave dwongen.” (Gibbon, die Agathias citeert.)

Maar Lucca werd nog hardnekkiger verdedigd. Het was nog steeds niet ingenomen, toen een nieuwe vloed van barbaren zich over geheel Italië stortte. Geweldige horden van Franken en Alemannen, met ongeveer 75.000 krijgslieden, kwamen van het noorden onder aanvoering van twee broeders, Alemannen, Butelin (Buccelin) en Leutar (Lotharius), blijkbaar gevolmachtigd door den onkrijgshaftigen, doch machtigen Frankischen Koning Theudebald, die veilig in zijn paleis te Metz bleef. Nadat hij Lucanië, Campanië en Bruttië geplunderd had, trok Leutar snel terug naar het noorden. Zijn leger werd gedecimeerd door de pest, waaraan hijzelf stierf. Butelin werd door Narses aangevallen bij den Volturnus in Calabrië. Hij werd gedood; zijn leger werd verslagen en verstrooid; en vóór het einde van 455 was bijna elk spoor van deze overweldiging, die ons doet denken aan den inval der Kimmeriërs tijdens Koning Gyges van Lydië, verdwenen, en kunnen wij voorloopig de groote Frankische natie vergeten.

Na de nederlaag bij den Volturnus en het verdwijnen van de barbaarsche indringers trok Narses Rome binnen met zijn gevangenen en buit. Bij Conza in Campanië werd nog steeds een versterkt kamp door 7000 Goten verdedigd. Deze gaven zich nu over en werden als gevangenen naar Constantinopel gestuurd, waarschijnlijk om in het keizerlijk leger te worden opgenomen, en wij kunnen aannemen, dat met deze gebeurtenis de Byzantijnsche heerschappij in Italië volkomen gevestigd is. De veertien jaar, die hierop volgen, tot de komst van de Longobarden in 568, bieden niet veel bijzonders, en wij weten betrekkelijk weinig van de geschiedenis van Italië in deze periode, behalve dat door oorlog en pest en hongersnood het volk in groote ellende werd gebracht en dat het Byzantijnsche bestuur, door zijn zware belastingen, die noodig waren voor een groot staand leger en de hofhouding van een onderkoning, den toestand nog erger maakte dan die onder de Goten was geweest. En dit zegt veel, want, ofschoon het bestuur van Theoderik en Totila in vele opzichten te bewonderen was, bestond er toch weinig hoop voor de welvaart van het land, omdat er geen echte versmelting van het heerschende en het onderworpen ras tot stand was gekomen; hoe oprecht Theoderik’s streven ook was, zulk een vereeniging was onmogelijk, niet alleen wegens het essentieele verschil tusschen het Romeinsche en Noorsche karakter en temperament (veel grooter dan tusschen de Noormannen en de Angelsaksen), maar ook, omdat de Goten nooit, om zoo te zeggen, kinderen van den Italiaanschen bodem zijn geworden, doch altijd een militaire kaste zijn gebleven—een geluks-leger, zooals Villari hen terecht noemt.

Veertien jaren lang na den dood van Theia in den slag bij den Vesuvius was Narses de militaire dictator van Italië. Gedurende de eerste helft van deze periode resideerde hij voornamelijk te Ravenna; maar hij bezat niet den titel van Exarch, die later aan de gouverneurs van die stad werd gegeven; zijn officieele titels waren “Patricius” en “Magister militum”. Zijn bestuur schijnt buitengewoon streng geweest te zijn, en ondanks Justinianus’ beroemde Pragmatieke Sanctie (554), waarbij burgerlijk en geestelijk gezag in Italië vrij werd gesteld van militaire inmenging, was het land feitelijk in staat van beleg; de belastingen voor het leger werden ondragelijk, militaire beambten speelden den baas over de burgerlijke rechters, groot-grondbezitters van militairen rang onderdrukten den werkmansstand, en prelaten werden gevangen gezet of naar Constantinopel gezonden, beschuldigd van insubordinatie tegen het burgerlijk gezag20. Het is begrijpelijk, dat onder dergelijke omstandigheden de landbouw werd verwaarloosd, openbare gebouwen in puin vielen, hongersnood en pest in het land heerschten.

In 560 ging Narses weder naar Rome en vestigde zich in het paleis van de Caesars op den Palatinus. Ongeveer in dezen tijd kwamen de Avaren dreigend opzetten en voordat Justinianus en Belisarius in 565 stierven, ontstond er nog meer beweging onder de noordelijke volkeren. De Slaven, zoowel als verschillende Mongoolsche en Tartaarsche volksstammen kwamen van Azië west-waarts aandringen en joegen hen op, die (zooals de Longobarden) zich onlangs in Midden- en Noord-Europa gevestigd hadden. Na den dood van Justinianus kondigde zijn neef, Justinus II een politiek van vrede en militaire beperking af; maar de vermindering van de subsidie, die zijn oom aan de Avaren beloofd had, toonde hem het gevaar van dergelijke bezuinigingen, en zijn ontsteltenis nam toe bij de aankomst van een gezantschap van Romeinsche aanzienlijken, die verklaarden dat de Italianen weldra de hulp van de Goten of andere barbaren zouden inroepen, liever dan nog zich langer te onderwerpen aan het despotisme van Narses. Justinus’ angst verminderde waarschijnlijk niet door de opmerking van zijn gemalin, Sophia, dat zij, indien zij haar gang mocht gaan, den ouden eunuch wel gauw zou leeren, dat wol spinnen bij de meisjes de beste bezigheid voor hem was. “Ik zal een strik voor haar spinnen, dien zij nooit losmaken zal,” antwoordde Narses, toen, tegelijk met de woorden van de Keizerin, de gezanten hem het bevel van Justinus om terug te komen brachten; en zijn verontwaardiging schijnt verergerd te zijn, toen een officier, Longinus, benoemd werd om hem te vervangen als gouverneur van Ravenna. Hij weigerde aan het bevel van den Keizer gevolg te geven, en in 567 trok hij naar Napels, daar hij liever de gevaren van ongehoorzaamheid wilde trotseeren, dan de vernederingen ondergaan, die hem in Constantinopel wachtten.

De “strik”, dien Narses dreigde te spinnen, was misschien de inval van de Longobarden in Italië, die het volgend jaar plaats greep. Hoe het ook zij, de geschiedschrijver van de Longobarden, Paulus Diaconus vertelt ons, dat de oude overwinnaar van de Goten algemeen verdacht werd, door woede en verontwaardiging gedreven, gezanten21 te hebben gestuurd aan de Longobarden om hen uit te noodigen Italië binnen te dringen, zooals Bonifacius vroeger de Vandalen had uitgenoodigd naar Afrika over te steken, en Eudoxia misschien Gaiserik had verzocht Rome aan te vallen. Evenals Bonifacius, had ook Narses te laat berouw van zijn daad. Hij ging op verzoek van Paus Johannes III, die hem in Napels bezocht, naar Rome terug om den veldtocht tegen de Longobardische horden, die reeds van plan waren de Alpen over te trekken, voor te bereiden. Maar voordat de storm losbarstte, stierf hij, in het jaar 567 of 568—tenzij wij sommige oude schrijvers22 moeten gelooven, die verzekeren, dat hij in Rome nog vijf of zes jaren na den inval der Longobarden leefde en dat hij in hetzelfde jaar stierf als Paus Johannes, nl. 573.

Z. W. Europa ten tijde van Theoderik (c. 520)

Z. W. Europa ten tijde van Theoderik (c. 520)


1 De hoogste Romeinsche waardigheid na de keizerlijke. Gewoonlijk voerde de vader van den Keizer dien titel. Zeno besloot, dat niemand dien zou dragen, die niet consul, praefectus of magister equitum was geweest. In later tijden verleenen Pausen den titel “Patricius” aan sommige Duitsche keizers en andere monarchen.

2 Zeno’s opvolger Anastasius, verloor bijna de troon en zijn leven bij een oproer ontstaan door deze godsdiensttwisten—ditmaal liep de twist over de vraag of “een van de Personen van de Drieëenheid was gekruisigd of niet”. Hij hield zich drie dagen verborgen en moest, beroofd van zijn insignia, en knielend voor een razende menigte van fanatieken, om zijn leven smeken.

3 Zeno was door Basiliscus (broeder van Keizerin Verina) onttroond en verjaagd (475–477). Daarna was hij, gedeeltelijk door de hulp van Theoderik, weder op den troon geplaatst; hij nam Theoderik, die toen 23 jaar was, als zoon aan en gaf hem de titels van Patricius en Consul. (Odovacar had ook den titel van Patricius van Zeno gekregen!)

4 De oude Duitsche ballade Rabenschlacht of “de strijd voor Rabene” (Ravenna) is gebaseerd op herinneringen aan bloedige uitvallen van Odovacar; maar in de ballade wordt de tijd van Attila en Odovacar hopeloos verward.

5 Anastasius was een oude paleisdienaar, een Ἡσυχοποιός (die voor de stilte moet zorgen) van de Keizerlijke apartementen, met wien Zeno’s weduwe, Ariadne, huwde. Hij regeerde ongeveer 28 jaar.

6 Hij noemde den Keizer “den beschermer van de wereld” en verzekerde hem, dat zijn eigen regeering slechts “een nederige navolging is van het ééne groote Keizerrijk.”

7 Lilybaeum, de laatste bezitting der Vandalen op Sicilië, werd als huwelijksgeschenk aan Amalafrida gegeven.

8 Procopius zegt, dat het gebeurde op aanstoken van Keizerin Theodora, die jaloersch was op Amalasuntha’s schoonheid!

9 Zijn naam beteekent misschien “Witte-Vorst” (Beli-tsar). Procopius was bij hem in Afrika. Justinianus had een casus belli gevonden tegen de Vandalen door partij te kiezen voor den verdreven Koning Hilderik, die Amalafrida, Theoderik’s zuster, had laten dooden—een daad, die de heftige vijandschap tusschen de Goten en Vandalen ten gevolge had.

10 De Petra pertusa, thans de Passo di Furlo (Lat. forulus), waar een tunnel van ongeveer 110 voet de rots in een nauw ravijn doorboort. Vespasianus had het laten maken, zooals een inscriptie nog vertelt. Dichtbij ligt Urbino, Raffael’s geboorteplaats.

11 De oude S. Ambrogio werd waarschijnlijk verbrand. Een gedeelte van de oude deuren kan men nog zien. Het tegenwoordige gebouw is Romaansch, uit het jaar 900 ongeveer. De oudste Kerk te Milaan, S. Lorenzo, van Byzantijnschen bouwtrant en een navolging van de S. Vitale (Ravenna) werd c. 560 gebouwd, gedurende de Byzantijnsche overheersching.

12 Het karakter van Antonina, zooals het door Procopius in zijn Anecdota wordt geschilderd, is, naar wij hopen, erg zwart gemaakt. Zij was zeker frivole, en waarschijnlijk nog slechter, maar zij toonde ook grooten moed, oprechtheid, en kracht door het lot van haar man in Italië te deelen. Ook Theodora gedroeg zich bij vele gelegenheden moediger dan Justinianus, die meer dan eens uit Constantinopel wilde wegloopen.

13 Zoo heet hij op zijn munten. (Zie Plaat 9, 21. Totila was misschien een titel of bijnaam “Dood-loos”, zonder dood!)

14 Latere middeleeuwsche schrijvers beschuldigen Totila van brandstichting en het vernielen van oude monumenten. Gregorovius en andere Duitsche schrijvers roemen natuurlijk zijn adel en heldenmoed. Maar zelfs de imperialistische Procopius prijst zijn bestuur. “Hij moedigde het landvolk aan het land te bebouwen en eischte van hen slechts, wat zij vroeger aan hun heeren betaalden.” Hij maakte alleen aanspraak op de rijkdommen van deze groot-grondbezitters, en daar de Kerk een van de voornaamste latifondisti was geworden, had zij het zwaar te verantwoorden.

15 Post quam devastationem XL aut amplius dies Roma fuit ita desolata, ut nemo ibi hominum nisi bestiae morarentur (Marcell. Conta, of hij, die zijn werk heeft voortgezet) Ἐν Ρώμῃ ἄνθρωπον οὐδένα ἐάσας (Procopius.)

16 Antonina schijnt weer verstandig te zijn geworden en de gevaren van haar man gedeeld te hebben; zij ging naar Constantinopel om versterkingen vragen, maar hoorde dat Theodora juist gestorven was (Juli 584) en dat Justinianus naar niets luisterde dan naar religieuze quaesties. Derhalve verzocht zij slechts, dat Belisarius teruggeroepen zou worden.

17 Dit vertelt Paulus Diaconus (740–801), wiens “Geschiedenis van de Longobarden” onze voornaamste bron is voor de twee volgende eeuwen.

18 Deze episode staat op de laatste pagina van den Gotischen Oorlog.

19 Treffend is dit verhaal weergegeven door Felix Dahn, Ein Kampf um Rom.

20 Er bestond in die tijd groote wrijving tusschen Justianus en de Romeinsche geestelijken, daar Justianus zich als hoofd van de kerk erkend wilde zien. Hij had Paus Vigilius zelfs naar Constantinopel ontboden, en, omdat hij recalcitrant was, voor een half jaar op een eiland gevangen gezet. De Paus stierf te Syracuse op zijn reis naar Italië in 555.

21 Men zegt, dat hij Zuid-Italiaansche vruchten naar hen zond om hen te lokken, zooals avonturiers van de Noormannen Spaansche sinaasappels naar hun stamgenooten in Normandië stuurden.

22 B.v. de “Liber Pontificalis”, een werk door talrijke schrijvers samengesteld. Het is een belangrijke bron voor de Kerkgeschiedenis, vnl. van de negende eeuw. Een ander werk van denzelfden naam werd door Agnellus gecompileerd (c. 840), een priester van Ravenna, die veel geeft, wat van waarde is, ofschoon hij zeer naïef bekent, dat hij gewoon was, wanneer hij geen feiten kon ontdekken, zijn toevlucht te nemen tot het gebed om zijn verbeeldingskracht te bezielen.