Hoofdstuk I.

Theoderik.

Theoderik1 behoorde tot het koninklijke geslacht van Amala2, dat, volgens Jordanes, beweerde af te stammen van Capt, een van de voorvaderen, halfgoden of Anses—blijkbaar de “Asen” van de Skandinavische Mythologie, het “bovenmenschelijke” geslacht, dat Asgard, de gaarde der Asen, in de Gouden Eeuw bewoonde. Hij was, zeide men, een rechtstreeksche afstammeling, in de tiende generatie, van Hermanrik, den stichter van het groote Gotische Rijk. Toen hij acht jaar was, werd hij door zijn vader Theodemir als gijzelaar naar Constantinopel gezonden, waar hij tien jaar bleef—een feit, dat zijn sympathie voor Romeinsche en Byzantijnsche beschaving volkomen verklaart. Theodemir stierf in 474 en zijn eenige wettige erfgenaam was naar Italië en Gallië gegaan om zijn geluk als krijgsman te beproeven; derhalve volgde Theoderik, ofschoon hij geen zoon was van een wettige vrouw, zijn vader als vorst der Oost-Goten op.

De opmerking is reeds gemaakt, dat in oude Germaansche sagen de beroemde Oost-Gotische koning verward is met den West-Gotischen Theoderik, die in den grooten slag op de Catalaunische vlakte gevallen is, strijdende aan de zijde van Aëtius en de Romeinen tegen Attila—een feit, dat drie jaar voor de geboorte van Theoderik den Groote plaats vond (451). In deze oude Germaansche mythen wordt Theoderik Dietrich van Bern (Verona) genoemd en zijn voornaamste hoofdman is Hildebrand. In het Hildebrandslied, een van de oudste sagen, valt Theoderik in Italië Odovacar aan, maar wordt overwonnen en vlucht met Hildebrand naar het hof van Attila, met wiens hulp hij Odovacar eindelijk verslaat in een geweldigen slag, de “Rabenschlacht,” of den slag voor Ravenna. Hier hebben wij groote verwarringen van tijd en plaats. En in het oude Germaansche heldendicht, het Nibelungenlied, dat in levendigheid van voorstelling en eenvoudige wijze van uitdrukking kan vergeleken worden met Homerus, heerscht nog grooter verwarring, want Dietrich treedt daarin niet alleen met Etzel (Attila) op, maar ook met Siegfried, den drakendooder van de Skandinavische Edda-mythen, een “bovenmenschelijken” held uit duistere, voor-historische tijden3. In de sagen van Siegfried en Dietrich heeft de dichter van het Nibelungenlied gevoegd de verschrikkelijke slachting der Bourgondiërs door de Romeinen onder Aëtius en de Hunnen onder Attila, die in 437 plaats vond. Gunther, de Koning der Nibelungen—zooals de Bourgondiërs werden genoemd, nadat zij den beroemden schat van de Nibelungen hadden bemachtigd,—is blijkbaar de Bourgondische Koning Gundocar, die bij dit bloedbad omkwam; maar het tooneel van de gebeurtenis is van Bourgondië in Gallië overgebracht naar Etzelnburg, de legerplaats en het paleis van Attila aan den Donau.

19. De ijzeren Kroon en de zgn. Kroon van Karel den Groote.

19. De ijzeren Kroon en de zgn. Kroon van Karel den Groote.

Zie de lijst der Illustraties.

Er bestaat ook een Germaansche sage over Dietrich’s geheimzinnige verdwijning en dood. Dit is belangrijk in verband met de Italiaansche legende over hetzelfde onderwerp; wij komen daar weldra op terug.

Ondanks de tien jaren, die Theoderik te Constantinopel op den meest ontvankelijken leeftijd heeft doorgebracht, ondanks zijn zeventien nog bestaande brieven (ongetwijfeld verbeterd en verfraaid door zijn minister, Cassiodorus) en ondanks vele andere bewijzen van zijn bewondering voor klassieke kunst en litteratuur, hebben sommigen geloofd, dat Theoderik zoo onontwikkeld was, dat hij niet in staat was zijn eigen naam te schrijven. De eerste vier letters van zijn naam waren in een gouden plaatje uitgesneden en de koning trok zijn pen over het papier door de openingen. Doch het is ook wel mogelijk, dat dit alleen door hem gebruikt werd om stukken te onderteekenen met zijn tamelijk ingewikkeld monogram, dat men op sommige van zijn munten vindt4. Een metalen plaatje met openingen, waar men inkt of verf in kan smeren is zeker een gewoon middel om snel woorden of figuren op hout, linnen of papier te plaatsen.

Zooals wij reeds hebben gezien, was het doel van Theoderik’s streven de Goten en Italianen tot één volk te versmelten. Hij trachtte vooral den invloed van de klassieke kunst en litteratuur op zijn Goten te versterken. In Rome werden de scholen, waar kunst, rhetoriek, geneeskunde en recht onderwezen werden ruim door hem gesteund, zooals ook door zijn dochter Amalasuntha, die hem zelfs in geleerdheid en “Romeinsche” voorliefde overtrof.

Litteraire studie werd mode, gedeeltelijk door de bescherming van de Romeinsch-voelende Goten, gedeeltelijk ook zeer zeker als een protest tegen den ongeletterden barbaar en zijn onbeschaamde overheersching. Vergilius werd op het forum voorgedragen, klassieke poëzie en proza werden nagevolgd, en bij religieuze en politieke werkzaamheden werd veel zoogenaamd klassiek Latijn gebruikt. De brieven en andere geschriften van Theoderik’s voornaamsten staatssecretaris, Cassiodorus, en van den senator en philosoof Boëthius kan men wegens hun keurig Latijn vergelijken met de werken van Plinius en Seneca, misschien zelfs met die van Cicero. De monumenten in Rome en andere steden werden beschermd door de instelling van een bijzondere politie en nachtwacht, waardoor de Gotische koning het vandalisme van den “Romein”—een scheldnaam, zooals vroeger “barbaar” of “Graeculus esuriens”—trachtte te beteugelen; want de oude bewoners van Rome en andere Italiaansche steden waren er aan verslaafd de koppen en armen van bronzen standbeelden5 af te rukken en bronzen platen weg te halen ter wille van het metaal. Wij vernemen, dat Theoderik een groote som goudstukken uitloofde voor het vinden van een bronzen beeld dat te Como was gestolen.

En het was niet alleen door het beschermen van de monumenten van de vroegere beschaving dat Theoderik de beide volken trachtte op te heffen; hij begunstigde ook den landbouw, richtte een postverkeer in, regelde de visscherij, stichtte ijzerfabrieken in Italië, opende een goudmijn in de Abruzzen en draineerde uitgestrekte gedeelten van de Pontijnsche moerassen.

Wat zijn wetgeving betrof, was Theoderik misschien niet zoo verstandig als de koning der West-Goten, Athaulf, die verklaard had, dat voor de Goten geen vaste staatsregeling kon bestaan, behalve een, die berustte op de wetten en instellingen van het Keizerrijk. Het is waar, dat Theoderik het beginsel verkondigde, dat “in Constantinopel wetten werden gemaakt en in Italië slechts edicten” en hij schijnt volkomen berust te hebben in het feit, dat hij, ofschoon hij de keizerlijke insignia van Anastasius ontvangen had, toch geen Keizer was en door het hof in het oosten zelfs niet als een erfelijk koning6 was erkend, doch slechts als “tyran”; toch vaardigde hij edicten uit, die alle eigenschappen hadden van Gotische wetten voor zijn koninkrijk en ofschoon hij de namen van de oude Romeinsche ambtenaren behield en (in den beginne) grooten eerbied betoonde voor den Romeinschen Senaat, en zijn verre provincies in Gallië en Sicilië toevertrouwde aan Romeinsche prefecten, berustte zijn macht toch alleen op zijn leger van Goten7 en in waarheid regeerde hij door zijn Gotische militaire graven (comites) en zijn particulieren raad van Gotische edelen; want de Senaat was niet anders dan een deftige, machtelooze vergadering van Romeinsche patriciërs—zulk een beeld op den voorsteven, als de Atheensche Areopagus werd in den tijd van Philippus van Macedonië.

De munten van Theoderik geven een aanwijzing voor zijn verhouding tot het keizerrijk. Gibbon verzekert, dat zijn beeldenaar op zijn munten is gegraveerd en haalt dit feit aan als een bewijs, dat hij onder den titel van koning zich de volledige rechten van een keizer toekende. Villari daarentegen verklaart, dat slechts de keizer munten kon slaan met zijn eigen beeldenaar en volgens hem moeten wij aannemen, dat Theoderik zich dat voorrecht nooit heeft aangematigd. De waarheid schijnt te zijn, dat Theoderik soms zelfs op gouden munten zijn beeld liet slaan en zich aldus een bijzonder keizerlijk voorrecht aanmatigde, want er is éen zoodanige gouden munt gevonden in 1894 (zie p. 104).

Zijn belangrijkst edict (Edictum Theoderici) bestond uit 154 artikelen. Zij berustten op de Romeinsche wetten, verzacht door het Christelijk gevoel. Schijnbaar behielden de Italianen hun wettige rechten en werden beveiligd tegen onwettige handelingen van de Goten, die onder het militaire bestuur van de graven stonden: maar deze tweeledige wetgeving veroorzaakte natuurlijk sterke wrijving tusschen het militaire en civiele gezag en de overheerschende trotsche barbaren stoorden zich niet aan billijkheid, terwijl bovendien de Italianen het recht niet hadden wapenen te dragen, behalve als huurlingen in het Gotische leger; zij werden beschouwd als geschikte winkeliers, handwerkslieden, kunstenaars en geneesheeren, en werden ook veel gebruikt om belastingen van hun landgenooten te innen. Het land was voor een groot gedeelte aan de Gotische soldaten gegeven, die de veteranen van Odovacar van hun landgoederen verdreven.

Theoderik’s poging om een fusie van de beide volken te bewerken verwekte dus hevige vijandigheid en verbittering. Dit bracht hem langzamerhand meer tot absolute tyrannie. Ten slotte voegde godsdienstig fanatisme zich bij den rassenhaat en bleek hij, geprikkeld door den tegenstand, zijn aangeboren wreedheid niet te kunnen beteugelen. Hiermede komen wij tot de laatste ongelukkige jaren van zijn regeering, tot den dood van Boëthius en Symmachus en tot het einde van Theoderik zelf, dat ongeveer twee jaren later plaats vond.

Het afgrijzen, dat in veler geest door de sombere en wreede persoonlijkheid van den Ketterschen barbaren-koning in zijn laatste jaren werd opgewekt, was zonder twijfel de oorsprong van de talrijke akelige verhalen over zijn dood.8 Procopius vertelt het volgende, wat bijna zoo ijselijk is als het feestmaal in Macbeth. Het gebeurde kort na den dood van Paus Johannes, Boëthius (die op afschuwelijke wijze was geworgd) en Symmachus, den schoonvader van Boëthius en het hoofd van den Romeinschen Senaat, dien Theoderik zonder eenig onderzoek had laten terechtstellen. Er werd een feestmaal gehouden in het paleis te Ravenna en een schotel met een grooten visch werd voor den Koning gezet. Zijn uitpuilende oogen en open bek (zooals die van een geworgden man) verschrikten Theoderik zoo geweldig, dat hij sidderend van zijn zetel opstond, de gasten ontsteld achterliet en zich te bed legde; een hevige koortsaanval en dysenterie veroorzaakten weldra zijn dood. Volgens een ander verhaal, dat zelfs Paus Gregorius de Groote in ernst vertelt, werd aan een inner van belastingen, die het eiland Lipari aandeed, door een kluizenaar gemeld, dat Theoderik gestorven was. “Dat is onmogelijk”, riep de ontvanger uit, “ik heb hem kort geleden in goede gezondheid verlaten.” “Maar ik zag hem zooeven”, hernam de kluizenaar. “Hij werd door demonen in boeien naar Paus Johannes en Symmachus gesleept om daarna in onzen vulkaan geworpen te worden.” Een derde verhaal, dat in lateren tijd te Ravenna in omloop was, vermeldde dat Theoderik, om de vervulling van een voorspelling, dat hij door den bliksem gedood zou worden, te voorkomen, zijn mausoleum liet voorzien van een dak uit één geweldig steenblok en daar altijd bij onweer zijn toevlucht zocht; maar de bliksem doorboorde de geweldige massa en doodde hem, terwijl het blok juist tot aan het middelpunt gespleten werd, zooals men nu nog kan zien!

Het Mausoleum van Theoderik, door hemzelf gebouwd, bestaat uit een zwaren tienzijdigen onderbouw met bogen, waarop een ronde bovenbouw zich verheft, vroeger omgeven door een zuilenrij en nog gedekt door den reusachtigen monoliet, die een lagen koepel vormt, zes en dertig voet in diameter, en waarschijnlijk ongeveer tien duizend centenaars weegt. De vreemde uitwassen aan den geweldigen steen hebben misschien gediend voor de touwen, waaraan kolossale kranen hem opgeheschen hebben. De bovenbouw, die oorspronkelijk de kapel van het Mausoleum was, werd als Katholieke Kerk (Sta. Maria delle Rotonda) gewijd na de inneming van Ravenna door Belisarius (540)9. Sommigen gelooven, dat de urn of sarkophaag van Theoderik op vier kleine zuilen op den top van het dak stond; anderen, dat daar een ledige urn of cenotaphium stond, maar dat de sarcophaag met het stoffelijke overschot zich in den onderbouw bevond. Hoe het ook zij, de beenderen van den Ariaanschen Koning schijnen verbrand, verstrooid, of gestolen te zijn en begraven door monniken, die er belang bij hadden het verhaal van den vulkaan op Lipari te bewijzen. Het zonderlingst van alles is, dat hetgeen men beschouwde als het geraamte van Theoderik (vroeger door monniken gestolen) in 1854 weer gevonden is en daarna weder is verdwenen (blijkbaar door vijanden gestolen) tegelijk met een gouden sieraad (Villari zegt een gouden borstharnas) dat, merkwaardig genoeg, de monniken zich niet toegeëigend hadden. Van deze verhalen zegt de Gotische Jordanes niets en hij vertelt ook niet, dat Theoderik eenige wroeging of berouw voelde. Hij beschrijft, hoe hij op zijn sterfbed door zijn familie en Gotische edelen was omringd, hoe hij zijn hand legde op het hoofd van den kleinen Athalarik, dien hij, evenals zijn moeder Amalasuntha, in hun genegenheid aanbeval, terwijl hij hen ook aanspoorde het Romeinsche volk en den Romeinschen Senaat te ontzien en de vriendschap en gunst van den Keizer in het oosten boven alles, behalve de liefde tot God, te stellen.

De paleizen, kerken en andere gebouwen door Theoderik opgericht waren blijkbaar zeer talrijk. Hij bouwde of herbouwde aquaeducten te Rome (de Aqua Claudia en andere), te Terracina, Spoleto, Parma, Trient en Ravenna (de Trajana); amphitheaters en thermae op andere plaatsen; stadsmuren te Rome en Verona; basilieken te Ravenna, Rome, Capua, Napels, Spoleto (waar de prachtige overblijfselen van de oude S. Agostino del Crocifisso zeker Oost-Gotisch zijn) en ook in zijn geliefd Verona en Pavia; paleizen te Rome, waar hij gedeelten van de Domus van de Caesars herbouwde, te Terracina, te Monza, waar later Koningin Theodelinda, volgens Paulus Diaconus, het zomerpaleis van Theoderik liet herstellen; te Pavia, waar Agnellus, de kroniekschrijver van Ravenna, op het gewelf van het Tribunaal in het groote paleis een mozaïek zag, dat Theoderik op zijn strijdros voorstelde; te Verona, waar, op de plaats van de tegenwoordige Castella San Pietro, men misschien overblijfselen kan zien van een paleis van Theoderik, dat is afgebeeld op een oud zegel van Verona; ten slotte bestaat te Ravenna nog een gebouw bekend als Theoderik’s paleis. Het is dicht bij zijn prachtige basiliek, en men zou geneigd zijn te denken, dat het een deel van de koninklijke gebouwen is geweest, maar Ricci en andere deskundigen plaatsen het in een lateren tijd en meenen, dat het groote paleis van Theoderik dichter bij de stadsmuren stond, waar nu de openbare tuinen zijn, bij S. Apollinare Nuovo, omdat daar ook fundamenten zijn opgegraven. Agnellus vertelt, dat het paleis uitzag op zee (die toen echter veel dichter bij de stad was) en omgeven was door mooie tuinen en versierd met prachtige mozaïeken en beelden; en hij beschrijft een mozaïek van Theoderik te paard, eenigzins gelijkend op hetgeen hij te Pavia zag. Dit paleis werd door Belisarius (540) en door de Longobarden geplunderd, maar vele marmeren beelden en andere kunstwerken bleven ongeschonden, totdat Karel de Groote die naar Aken bracht om zijn paleis te versieren en de kathedraal, die hij bouwde naar het voorbeeld van S. Vitale.

Kasteel van Theoderik te Verona. Naar een oud zegel.Op het zegel, niet in de afbeelding, staat in de zinspreuk, die Frederik Barbarossa aan de stad heeft gegeven na de vrede van Constanz. Dus kan het niet ouder zijn dan 1183. Maar het paleis bestond nog lang na Theoderik, en werd door de Longobardische en Karolingische Koningen gebruikt en later, nog in 1400, als vesting. Het werd afgebroken in 1801. Het gebouw op den voorgrond is een zuilengang verbonden aan de stadsmuren. De koepel en torens zijn waarschijnlijk Karolingisch.

Kasteel van Theoderik te Verona. Naar een oud zegel.10

Behalve zijn Mausoleum en de overblijfselen van zijn paleis bezit Ravenna van Theoderik nog in uitstekenden toestand, een zeer schoon gebouw met prachtig decoratief—de basiliek, nu S. Apollinare Nuovo geheeten, die hij bouwde in verbinding met zijn paleis. Toen hij, in 493, de stad, die zoo lang door Odovacar was verdedigd, innam, stonden er waarschijnlijk reeds de kerken, die in verband met Galla Placidia zijn genoemd (p. 80). Deze kerken waren alle katholieke, en Theoderik schijnt zich eerst tevreden gesteld te hebben met het in bezit nemen van de kerk van S. Teodoro11; hij veranderde het Romeinsche bad in een baptisterium, dat nu nog de Battistero degli Ariani heet. Later beantwoordde hij Justinus’ bevel om de Ariaansche kerken te sluiten door alle Katholieke kerken te sluiten of voor den Ariaanschen dienst te veranderen, en het zgn. Ariaansche kruis kon men waarschijnlijk in alle kerken te Ravenna zien.12 Zijn basiliek was de kerk, die hij in verbinding met zijn paleis bouwde, waarvoor hij vele prachtige marmeren zuilen van Rome liet aanvoeren. Zij werd gewijd aan Jezus Christus en behield dien naam, totdat zij werd “gereinigd” voor den Katholieken dienst door Aartsbisschop Agnellus (c. 560). Toen kreeg die kerk den naam van Sanctus Martinus in Caelo aureo (met dien “gouden hemel” wordt ook hier het vergulde dak bedoeld). Ongeveer 800 werd zij weder gewijd als S. Apollinare, en van de andere basiliek van dien naam, die gebouwd werd op de plaats, waar de heilige13 was gemarteld, even buiten de havenstad van Ravenna (de toenmalige “Classis”), onderscheiden door de bijvoeging Nuovo of Dentro (“Binnen”).

Classe, Ravenna. Mozaïek in S. Apollinare Nuovo.

Classe, Ravenna. Mozaïek in S. Apollinare Nuovo.

Theoderik’s paleis te Ravenna. Mozaïek in S. Apollinare Nuovo.

Theoderik’s paleis te Ravenna. Mozaïek in S. Apollinare Nuovo.

Behalve de schoone, Romeinsche marmeren zuilen, met kapiteelen van wit marmer met fijn lofwerk in Byzantijnschen stijl, waarop de Byzantijnsche “pulvino” rust (een soort van tweede kapiteel), bezit de basiliek bijzondere waarde en aantrekkelijkheid door haar schitterende en hoogst belangrijke mozaïeken, waarmede beide zijden van het schip zijn versierd. Boven de vensters aan de eene zijde zijn dertien wonderen van Christus en aan andere zijde dertien voorstellingen van Zijn Lijden afgebeeld; de afwezigheid van de Kruisiging is kenschetsend voor de vroeg-Christelijke kunst, die er voor terugdeinsde den doodstrijd van den Verlosser in beeld te brengen.

20. Theodelinda’s Kip en Kuikens, Monza.

20. Theodelinda’s Kip en Kuikens, Monza.

Tusschen de vensters zijn figuren van profeten en heiligen, waaronder sommige zeer plechtige. Al deze mozaïeken dateeren uit den tijd van Theoderik, en toonen vooral door hun verschillende houdingen, hun prachtig geteekende en geschaduwde gewaden, hun fijne kleuren, de kenmerken van de Romeinsche, in tegenstelling met de Byzantijnsche school. Nog grootscher zijn de mozaïeken, die aan beide zijden van het schip de ruimte tusschen de toppen van de bogen en de bovenvensters vullen. Aan den eenen kant troont Christus tusschen vier engelen; vijf en twintig martelaren naderen, en aan het einde van deze processie staat het paleis van Theoderik. Aan den anderen kant troont de Maagd met het Kind tusschen vier engelen; de drie Wijzen komen naderbij gevolgd door vier en twintig maagden en iets verder ziet men de stad met haar muren en de haven van Classe. Nu schijnt het wel zeker (zooals later zal blijken), dat de processies van maagden en martelaren van lateren datum zijn dan de overige mozaïeken en dat zij, toen de kerk werd “gereinigd” voor den Katholieken dienst, aangebracht zijn in de plaats van de oorspronkelijke mozaïeken van Theoderik, die waarschijnlijk den koning te paard voorstelden en verschillende optochten van Gotische edelen en krijgslieden. Op de afbeelding van het paleis zijn nu de ruimten van de bogen gevuld door gordijnen, die de figuren van den Koning (in het midden) en van zijn hovelingen moeten verbergen, iets wat niet geheel bereikt is, want hier en daar kan men een menschelijke gedaante gedeeltelijk nog herkennen.

Nog een feit is in dit verband van belang. Op den achtergrond van het paleis en ook van de muren van Classe zijn talrijke gebouwen geschilderd. Waarschijnlijk hebben wij hier ruwe omtrekken van de oude Ursiaansche kathedraal en het aangrenzend baptisterium (dat nog bestaat) en van de oorspronkelijke S. Giovanni Evangelista, gebouwd door Galla Placidia, of van S. Teodoro, herbouwd door Theoderik, en van den Battistero degli Ariani. Merkwaardig genoeg vindt men geen aanwijzing van eenigen campanile, zooals die nu bestaan. Er is ook geen aanduiding van de twee prachtige kerken te Ravenna, de S. Vitale en S. Apollinare in Classe, die opgericht, of voltooid zijn in de latere periode van den Gotischen oorlog of van de Byzantijnsche overheersching (c. 535–550).


1 De vormen “Theoderik” en “Theodatus” (voor “Theodahad”) zijn ontstaan uit het Grieksche en Latijnsche “Theodorus” en “Deodatus”. Procopius schrijft Θευδέριχος en zonder twijfel komt Theuderik het dichtst bij het Gotisch. Vergelijk : Theudemir, Theudebald, Theudelinda enz. Theude zal wel het Gotische thiuda (volk) zijn. Vandaar is thiudsk (tedesco) diut-sch of deutsch de taal van het volk, ter onderscheiding van het Latijn. Diutrich (Dietrich) of Theode-rik beteekent dus “koning van het volk”. Voor -rik vgl. p. 26 noot. Zie ook de munt van Theoderik, Plaat 9. 18 en Verklaring p. 104.

2 Amala beteekent, zegt men, “macht”. In het Nibelungenlied (dat op zeer oude sagen berust, ofschoon het gedicht in zijn tegenwoordigen vorm ongeveer 1200 ontstaan is) wordt Dietrich von Bern, zoon van Dietmar (d.i. Theoderik van Verona, zoon van Theodemir) der Amelunge genoemd en zijn mannen die Amelungen. Verona, niet Ravenna, wordt in de Germaansche sagen beschouwd als de hoofdstad van Dietrich. Hij had daar een paleis. Middeleeuwsche legenden geven hem de Arena als verblijf!

3 In andere sagen wordt Dietrich met Siegfried zelf verward. Hij bezit tooverkrachten en verslaat draken.

4 Zulke monogrammen komen voor op munten van Theodosius, Justinianus en andere Keizers, als ook op die van Odovacar (Plaat 9, munt 17), Athalarik, Baduila, Luitprand enz. en op munten van steden, zooals van Ravenna en Lucca. Theoderik’s monogram (“Theodorus”) is meestal zoo

5 Ondanks alle plunderingen van Goten en Vandalen was er nog altijd in Rome, zegt Cassiodorus, een talrijk “volk” van standbeelden en “kudden” (bronzen) paarden.

6 Procopius echter, hoewel vurig anti-Gotisch, zegt: “Theoderik was zeer rechtvaardig. Hij was in naam een tyran, doch in werkelijkheid een koning.” Een inscriptie gevonden in de Pontijnsche moerassen noemt hem “semper Augustus” en in een van zijn latere edicten geeft hij zichzelf den titel “Romanus princeps.”

7 In het leger waren ook Romeinen, maar zij schenen trotsch te zijn op het privilege “Goten” genoemd te worden.

8 Zijn geheimzinnig verdwijnen—zooals het overlijden van Koning Arthur—waarop in Germaansche sagen wordt gezinspeeld, moet men niet toeschrijven aan afgrijzen, maar aan de Germaansche voorstelling van hem als een grooten held.

9 Later was het de kapel van het naburige Benedictijner-klooster; het werd ook langen tijd gebruikt als het Pantheon of S. Croce van Ravenna en was omgeven door vele graftomben.

10 Op het zegel, niet in de afbeelding, staat in de zinspreuk, die Frederik Barbarossa aan de stad heeft gegeven na de vrede van Constanz. Dus kan het niet ouder zijn dan 1183. Maar het paleis bestond nog lang na Theoderik, en werd door de Longobardische en Karolingische Koningen gebruikt en later, nog in 1400, als vesting. Het werd afgebroken in 1801. Het gebouw op den voorgrond is een zuilengang verbonden aan de stadsmuren. De koepel en torens zijn waarschijnlijk Karolingisch.

11 Teruggegeven aan de Katholieken na 540 en Spirito Santo genoemd. Theoderik’s Baptisterium werd een kerk. Nu is er nog slechts de cupola van over met een prachtig mozaïek, Christus en de 12 Apostelen voorstellend.

12 Het lijkt op het Maltezer kruis, en men kan het te Ravenna nog zien, ofschoon het later natuurlijk bijna “uitgeroeid” is.

13 Apollinaris, de beschermheilige van Ravenna, was een leerling en vriend van den Heiligen Petrus en door hem uitgezonden om Noord-Italië te bekeeren. Hij werd door een bende heidenen doodgeslagen.