De staatkundige geschiedenis van Italië in de 4 eeuwen, die nu volgen, kan in drie perioden verdeeld worden. Eerst komen (800–962) de Karolingers en de zgn. Italiaansche koningen, van welke er sommige tot Keizer werden gekroond; daarna ontstaat het zgn. Heilige Roomsche Rijk, gebouwd op de grondvesten van het oude Keizerrijk door de Saksische en Frankische vorsten; de derde periode omvat de regeering van de twee eerste Keizers der Hohenstaufen en eindigt met de opkomst der Italiaansche republieken en vereeniging van het Duitsche rijk met dat der Noormannen. De eerste periode is, na den dood van Karel den Groote in 814, weinig belangwekkend. De kronieken van deze vrome, domme en zwakke Karolingische Keizers en de nauwelijks minder onbelangrijke of verachtelijke “Italiaansche” vorsten vertoonen een verbijsterend en vermoeiend warnet van staatkundige verwikkelingen, van gevechten van zonen tegen vaders, broeders tegen broeders, van ellendige oorlogen en opstanden en bloedvergieten, van boosaardigheid, bijgeloof, verraad en misdaad. Indien wij meer wisten van de werkelijke geschiedenis van Italië in dezen tijd, de geschiedenis van het volk, zijn gedachteleven, zijn voelen en werken, zijn taal, literatuur en kunst; indien wij duidelijk den groei der Italiaansche republieken, haar handel en hartstochtelijke liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid konden nagaan; indien wij van meer nabij konden waarnemen, hoe de adel van den arbeid zich langzamerhand verhief tegenover de aanmatiging van den militairen en geestelijken stand, hoe het feudalisme uit zijn sterkten werd gedreven; indien wij meer konden vernemen van de groote en edele mannen en vrouwen, wier persoonlijkheid is begraven in de beschimmelde kronieken van Pausen en Keizers, dan zouden degenen van ons die niet alleen oudheidkundigen of politieke historici zijn, deze periode belangrijk genoeg vinden. Maar de kronieken geven slechts een opsomming van al het lage en verachtelijke in de menschelijke natuur, zooals dat te voorschijn treedt bij de vreemde overheerschers en pretendenten naar koninklijke en keizerlijke titels, of bij de listige, losbandige en eerzuchtige hoogepriesters van de Roomsche Kerk. Deze eerste droevige periode zullen wij dus vrij kort behandelen; wij zullen meer in bijzonderheden afdalen, wanneer wij komen aan den belangrijken tijd van de Noormannen, Otto den Groote en Frederik Barbarossa.

(1) De Karolingers (800–888).

Het verhaal der historische gebeurtenissen werd in het derde deel afgebroken met de kroning van Karel te Rome op den Kerstdag van het jaar 800. Als Keizer regeerde hij dertien jaren en een maand, daar hij den 28en Januari 814 stierf. Eenige karaktertrekken van hem zijn reeds vermeld; in een later hoofdstuk zal er nog meer gezegd worden over zijn persoonlijkheid, zijn invloed, zijn wijze van regeeren; dus zullen wij ons thans tot de volgende feiten bepalen.

De uitgestrektheid van het nieuwe Keizerrijk en het groote verschil tusschen de vele volken, die het omvatte en die zonder eenig onderling verband door een dwang van buiten werden bijeengehouden, veroordeelden het tot een snellen ondergang. Karel was een groot aanvoerder en uitstekend soldaat, maar geen man, die een Imperium kon stichten, un grandissimo condottiero, zegt Villari, senza un vero genio organizzatore. Bovendien werd door Karel het Duitsche systeem van opvolging toegepast, waarbij de vorst beschouwd werd als de persoonlijke eigenaar van het rijk en zijn gebied gewoonlijk onder zijn erfgenamen verdeelde, een systeem, dat zoo verderfelijk voor het oude Frankische Koninkrijk was gebleken; Karel hoopte aldus twisten tusschen zijn zonen te voorkomen. Zijn kinderen, wettige en onwettige, waren niet minder dan vijftien in aantal, maar hij beschouwde de drie zonen van zijn gemalin Hildegard, nl. Karel, Pepijn en Lodewijk, als zijn erfgenamen, en hij had door een testament, dat in den wettelijken vorm in 806 was opgesteld, Frankrijk (d.w.z. Austrasië en Neustrië), Italië en Aquitanië respectievelijk aan deze drie toegewezen. Maar Pepijn stierf te Milaan, waar men zijn graftombe kan zien, in 810 na zijn ongelukkige belegering van Venetië, en zijn broeder stierf in het volgend jaar. Dus vond de ontworpen verdeeling van het rijk niet plaats en de zwakke en bijgeloovige Lodewijk, bijgenaamd “de Vrome” of “de Zachtmoedige” (le Débonnaire), werd plechtig als medekeizer door zijn vader in 813 te Aken1 gekroond en volgde hem het jaar daarna als Keizer op.

Lodewijk de Vrome toonde zijn karakter door den nieuwen Paus, Stephanus IV te smeeken naar Reims te komen om hem nog eens te kronen. Deze Paus nu had, evenals zoovele andere Pausen, voor zijn eigen wijding zich niet bekommerd om de keizerlijke bekrachtiging, waarop Karel de Groote zoo sterk had aangedrongen; doch niettegenstaande dit feit beschouwde de nieuwe Keizer zichzelf niet alleen zonder de pauselijke zalving als ongekroond, maar wierp zich bij de komst van den Paus te Reims driemaal voor hem op zijn knieën, een gebeurtenis, die wel verdient vermeld te worden met het oog op den toekomstigen strijd over de Investituur. Ja zelfs, toen bij den dood van Stephanus Paus Paschalis haastig gewijd werd, voordat de keizerlijke sanctie was gekomen, toonde Lodewijk zich wederom niet beleedigd, maar was zelfs zoo vriendelijk een Donatie te schenken, zooals Pepijn er een had toegekend, waarbij hij (als het document echt is) alle vroegere territoriale giften bekrachtigde en aan de kerk souverein gezag gaf over uitgestrekte gebieden als ook volledige vrijstelling van keizerlijke inmenging bij pauselijke verkiezingen. Merkwaardig is het, dat deze concessies weldra gevolgd werden door een daad, die eenigzins beleedigend schijnt tegenover den Heiligen Vader: in navolging van zijn vader plaatste Lodewijk met eigen handen de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Lotharius in de kathedraal te Aken en wees aan zijn twee jongere zonen, Pepijn en Lodewijk (den Duitscher) Aquitanië en Beieren toe, zonder zich blijkbaar in het minst te bekommeren om de pauselijke zalving.

Ofschoon Lotharius dus mede-keizer was geworden, had hij toch als keizer2 over Rome of Italië nog geen macht. Zijn jeugdige neef, de onwettige zoon van Pepijn, Bernard geheeten, was Koning van Italië geworden en moest den Keizerstitel hulde bewijzen. Daar hij echter een dergelijke slaafschheid haatte, stond hij tegen het keizerlijk gezag op. Hierop werd de jonge vorst spoedig overweldigd en door zijn vromen oom Lodewijk op zulk een wreede wijze van het gezicht beroofd, dat hij stierf.

Toen werd Lotharius in zijn plaats Koning van Italië en nam de uitnoodiging van den Paus aan om zijn keizerlijken titel in Rome te laten bekrachtigen. Maar hoe weinig geneigd hij was de pauselijke aanspraken op gezag of zelfs op rechtspraak in Rome te erkennen, blijkt wel uit het feit, dat hij aldaar zijn keizerlijken rechterstoel plaatste en als hoogste rechter uitspraak deed in een zaak tegen Paus Paschalis. Dit besliste optreden, waartoe Lotharius eerder geleid werd door het voorbeeld van zijn grootvader dan door den invloed van zijn zwakken en bigotten vader, was ongetwijfeld in de goede richting; hij en zijn opvolgers hadden, indien zij aldus krachtig waren voortgegaan, misschien de ellende kunnen voorkomen, die de Pausen eeuwen lang veroorzaakt hebben door hun begeerte naar wereldlijke macht3. Doch de mede-keizer was niet krachtig genoeg om den Paus in zijn eigen hol te trotseeren. Zoodra Lotharius Rome verlaten had, werden eenige van Paschalis’ tegenstanders gevangen genomen en gedood, waarschijnlijk op bevel van den Paus, en toen er gezanten van den verontwaardigden Keizer kwamen om de zaak te onderzoeken, stelde de sluwe priester hen door een welbekende list te leur en legde plechtig voor een openbare vergadering in het Lateraan een verklaring af van zijn volkomen onschuld, terwijl hij tegelijkertijd stoutweg verzekerde, dat zijn vijanden als verraders waren omgekomen (velut majestatis reos).

Aldus had Lotharius’ goed bedoelde poging slechts ten gevolge, dat het Italiaansche volk verdeeld werd in twee partijen, die later de Ghibellijnen en Welfen zouden heeten. Zoo bitter was reeds de vijandschap, dat het, toen Paus Paschalis stierf, onmogelijk bleek hem in de St. Pieter te begraven, en de onlusten bij de verkiezing van zijn opvolger waren zoo hevig, dat Lotharius nog eens door zijn vader gezonden werd om den vrede te herstellen. Bij deze gelegenheid, (824) vaardigde hij een Constitutio uit, die bepaalde, dat er te Rome een keizerlijke gezant (missus) gevestigd moest zijn en de keizerlijke sanctie vóór de wijding van een Paus als noodzakelijk voorschreef.

36. Kathedraal van Palermo.

36. Kathedraal van Palermo.

Ermengard, de vrouw van Lodewijk den Vrome, was in 818 gestorven en men had Lodewijk met moeite kunnen weerhouden zich in een klooster terug te trekken; maar weldra trad hij weder in het huwelijk en geraakte geheel en al onder den invloed van zijn tweede gemalin, de Beiersche prinses Judith; en toen het langzamerhand bleek, dat haar jonge zoon, de latere Karel de Kale, de vooruitzichten van zijn oudere broeders zou vernietigen en zich niet om hun geboorterechten zou bekommeren, brak er een afschuwelijke familietwist uit. De drie oudste zonen, Lotharius, Pepijn en Lodewijk de Duitscher verbonden zich en zetten hun stiefmoeder gevangen; en bijna dwongen zij hun vader in een klooster te gaan. Maar het volk kwam tusschenbeide; de koningin werd bevrijd en de zwakke oude koning werd weder op den troon geplaatst. Hij stierf evenwel kort daarna (840) en dadelijk namen de drie broeders (Pepijn was gestorven) de wapenen tegen elkander op, totdat zij te Verdun een overeenkomst sloten, waarbij Karel de Kale Frankrijk, Lodewijk Duitschland en Lotharius Italië kreeg met een strook lands, die Frankrijk van Duitschland scheidde en zich uitstrekte van den mond van den Rijn tot dien van de Rhône. Deze merkwaardige strook, met haar twee hoofdsteden, Aken en Arles, noemde hij Lotharingen en een deel daarvan draagt nog dien naam.

Wij zullen nu van de dynastieke twisten van deze Karolingers afscheid nemen en onze aandacht meer bepalen bij hetgeen in Italië zelf gebeurde tijdens de regeering van Lotharius. In het noorden van het schiereiland was, ofschoon verscheidene steden, vooral Venetië, een groote mate van onafhankelijkheid hadden verworven, de Frankische vorst, die zich “Koning van Italië” noemde ook werkelijk de heerscher. Ook in Rome slaagde hij erin tot op zekere hoogte, zooals wij zagen, zijn keizerlijke rechten tegen het Pausdom te handhaven. Maar in het zuiden en het midden had deze “Rex Longobardorum” slechts een schaduw van macht over den hertog van Spoleto en zelfs dit niet over den hertog van Benevento4. Bovendien waren er verscheidene zuidelijke steden, zooals Salerno en Capua, die niet alleen weigerden de Frankische suprematie te erkennen, maar ook hun onafhankelijkheid tegen hun Longobardische heeren handhaafden, of die, zooals Napels en Amalfi, de Byzantijnsche overheersching afschudden en autonomie verwierven.

Zooals het ook het geval was geweest met de Longobarden, sloot de onvolkomenheid van de Frankische verovering alle mogelijkheid uit, om Italië tot één geheel te maken. De verdeeldheid van het land stelde het bloot aan vreemde indringers, onder wie het zeer lang geleden heeft; en juist in dezen tijd hebben wederom indringers een belangrijke rol gespeeld, indringers, die zeer verschilden van de Ariaansche Goten en Vandalen, van de Katholieke Franken, of zelfs van de heidensche Hunnen. De Mohammedanen of Saracenen van Arabië en Noord-Afrika hadden hun veroveringen met verbijsterende snelheid over de geheele zuidelijke en oostelijke kust van de Middellandsche zee uitgebreid, hadden het grootste gedeelte van Spanje bemachtigd en zouden zich van geheel West-Europa meester gemaakt hebben, indien Karel Martel hen niet in 732 bij Tours een verpletterende nederlaag had toegebracht. In de volgende eeuw maakten zij voortdurend de kusten van Sicilië, Sardinië en Zuid-Italië onveilig, bedreven de meest brutale daden van zeerooverij, soms zelfs in bondgenootschap met Christelijke steden, die hen te hulp riepen tegen hun Christelijke tegenstanders. In 827 vluchtte een Byzantijnsche veldheer, Euphemius, die op Sicilië zonder resultaat een opstand had verwekt, naar Afrika en overreedde de Saracenen een vloot van honderd schepen met ongeveer 10.000 man uit te zenden om Sicilië te veroveren. In den beginne werden zij door nederlagen en pest gedecimeerd; doch er werden talrijke versterkingen gezonden en na een langdurig en verschrikkelijk beleg namen zij Palermo in, welks bevolking, naar men zeide, gedurende de belegering van 70.000 op 3000 was gedaald. Van Sicilië uit begonnen de Saracenen het kustgebied van Zuid-Italië te bestoken en hun stoutmoedigheid werd aangewakkerd door het verraad van verscheidene Italiaansche steden, van welke Napels in het bijzonder zich schandelijk heeft gedragen door de Mohammedanen behulpzaam te zijn bij de inneming van Messina.

Om Rome zelf tegen deze Muzelmannen te beschermen vond Paus Gregorius IV (tijdens de regeering van Lotharius) het noodzakelijk een nieuwe stad5 bij Ostia te bouwen, die stevig te versterken en zware ballistae op de wallen te plaatsen. Maar de Saracenen baanden zich met geweld een doortocht den Tiber op (846), plunderden het land tot de stadsmuren en ook de twee groote basilieken van den H. Paulus en de H. Petrus, die buiten de muren lagen. De Angel-Saksen, Franken en andere vreemdelingen die hunne “kolonies” in den Borgo hadden, werden overweldigd en er ontstond een wanhopige strijd op de Vatikaansche brug; doch eindelijk werden de ongeloovigen door de Romeinen, geholpen door de Longobardische troepen uit Spoleto, teruggeworpen. De schrik door deze stoutmoedige onderneming veroorzaakt deed Lotharius en den Paus, den energieken en krijgshaftigen Leo IV besluiten den Borgo6 met muren te omringen en deze wijk heette in het vervolg de Città Leonina.

Terwijl deze nieuwe muren verrezen (in 849), werd er op de hoogte van Ostia een zeer belangrijke zeeslag geleverd, een slag die misschien van evenveel gewicht was als die van Salamis, van Châlons (op de Catalaunische velden) of van Tours. De Napolitanen, die alle reden hadden om berouw te hebben over hun verbond met de Muzelmannen, vielen stoutmoedig een sterke vloot der Saracenen aan, die Ostia bedreigde en geholpen door een storm, die vele schepen van den vijand deed stranden, maakten zij een ontzaglijk aantal gevangenen, van welke velen gedwongen werden te werken aan de muren van de Città Leonina. Een prachtig, hoewel bloeddorstig fresco, door Raffael ontworpen en uitgevoerd door Giov. da Udine stelt Leo IV voor, terwijl hij te Ostia met opgeheven hand de slachting van Saraceensche gevangenen zegent. Dit is echter historisch onjuist, want Leo heeft, naar men zegt, den dag voor den slag een bidstond gehouden in de S. Aurea, de basiliek te Ostia en is dadelijk daarna naar Rome vertrokken.

[Voordat wij van dit onderwerp afscheid nemen, zal het noodig zijn een weinig vooruit te loopen en op te merken dat de Saracenen nog vele jaren Sicilië behielden en Zuid-Italië teisterden. Zij maakten Bari tot hun voornaamste steunpunt en plunderden geheel Apulië, Calabrië en zelfs Campanië tot de poorten van Salerno. In 888 verwoestten zij de Benedictijner abdij van Monte Cassino, zooals te voren is vermeld. Zoo nu en dan werden zij streng gestraft. Lodewijk II veroverde Bari en maakte den “Sultan” der Saracenen gevangen. De zgn. Keizer Guido (c. 890) hakte hem in de pan en maakte een sterke legerplaats, die zij op den berg Garigliano (bij de Liris) hadden aangelegd, met den grond gelijk; toen deze legerplaats was herbouwd, werd die wederom geheel en al vernield door de verbonden staten van Zuid-Italië tijdens de regeering van Berengarius (915). Maar zij bleven toch een voortdurend gevaar en veroorzaakten zelfs den Saksischen keizers veel last. Otto III werd inderdaad volkomen door hen verslagen en kwam bijna in dien slag om. De Saracenen van Spanje teisterden bovendien jaren lang de noordelijke kusten. Zij bemachtigden Provence en Sardinië en verwoestten de marina van Ligurië, Toskane en Latium en eens zelfs brandden zij een gedeelte van de stad Pisa plat. Eindelijk werden deze Spaansche Saracenen door de vloten van de Pisanen, van Sicilië en Zuid-Italië overwonnen en opgenomen door de Noormannen, zooals wij later zullen zien.

In 855 stierven zoowel Lotharius als Paus Leo, de eerste in een klooster, waarin hij zich had teruggetrokken, nadat hij afstand had gedaan van den troon ten behoeve van zijn zoon Lodewijk, die ongeveer vijf jaren te voren als medekeizer was gekroond. Leo werd opgevolgd door Benedictus III, die door de pauselijke partij werd gesteund en gekozen werd in strijd met de wenschen uitgesproken door de officieele gezanten namens den nieuwen Keizer, hetgeen een zeer duidelijke aanwijzing van den stand van zaken te Rome was.

Ofschoon de kroniekschrijvers zonder twijfel veel, wat van groot belang voor de toekomst van Italië was, onopgemerkt hebben gelaten, geven de annalen van de twintig jaar van Lodewijk’s regeering (855–75) nauwelijks iets belangrijks behalve de veldtochten van den Keizer tegen de Saracenen, waarover reeds gesproken is, en eenige gebeurtenissen, die samenhangen met het krachtig optreden van Paus Nicolaas I. Deze was gekozen door den invloed van den Keizer, doch het duurde niet lang of hij geraakte in hevigen strijd met Lodewijk II en het volkomen ontbreken van elk gevoel van eerlijkheid, dat in het pauselijk gemoed bijna altijd scheen gepaard te gaan met andere, niet zelden bewonderenswaardig dappere eigenschappen, bracht er hem toe, de bekende “Isidorische decretalen”, een verzameling van onechte in Frankrijk verzamelde decreten van gefingeerde Concilies, waardoor den Paus de suprematie over alle bisschoppen gegeven werd en het kerkelijk gezag (zooals in de beroemde Donaties van Constantijn en Pepijn) volkomen onafhankelijk werd gemaakt van de burgerlijke macht, als aanvalswapen te gebruiken. Hierna keerde Paus Nicolaas zich tegen den aartsbisschop van Ravenna, die, zooals vele van zijn voorgangers, een eenigzins uitdagende houding tegen Rome had aangenomen, en na een korten strijd overwon hij hem volkomen. Toen viel hij den Patriarch van Constantinopel aan en de twist tusschen het Oosten en Westen werd een breuk naar aanleiding van de heftig bestreden Filioque-vraag, de vraag of de Heilige geest niet alleen van den Vader maar ook van den Zoon uitgaat. Daarna toonde hij zijn moed in een zaak van minder diepzinnigen aard. De broeder van Lodewijk II, Lotharius, koning van Lotharingen, was hevig verliefd geworden op een zekere Waldrada, die hem op daemonische wijze fascineerde en die hij werkelijk had laten kronen in de plaats van zijn koningin, Luitberga. Het was een geval gelijkend op dat van Anna Boleyn en in beide gevallen had de Paus ongetwijfeld gelijk. Een Kerkelijk Concilie te Metz had de echtscheiding bekrachtigd en het nieuwe huwelijk ingezegend; de Aartsbisschoppen van Trier en van Keulen kwamen naar Rome om hun meening kracht bij te zetten; maar Paus Nicolaas weigerde drie weken lang hun audientie te verleenen; daarna zette hij hen af en sprak over beiden den banvloek uit.

Daarop marcheerde Lodewijk, die op een veldtocht tegen de Saracenen te Benevento was, hevig verontwaardigd naar Rome en bezette de Civitas Leonina. Paus Nicolaas nam een houding van lijdelijk verzet aan; hij ging de St. Pieter binnen en bleef twee dagen lang, zonder voedsel, geknield voor het hoogaltaar liggen; ten slotte zegevierde hij, want Lodewijk werd ziek en keerde naar het noorden terug zonder iets bereikt te hebben; en Lotharius stierf een paar jaren later, nadat hij vergeefsche en vernederende pogingen had aangewend om van den opvolger van Paus Nicolaas de erkenning van Waldrada te verkrijgen.

Toen Lodewijk II in 875 te Brescia stierf, waren zijn twee ooms, Lodewijk, de koning van Duitschland, en Karel de Kale van Frankrijk, die reeds beslag hadden gelegd op het gebied van Lotharius, de pretendenten naar de kroon van Italië en den keizerstitel, en het is belangwekkend te zien, dat bij deze gelegenheid, in plaats van een zich zelf kronenden Keizer, de Paus, de energieke en eerzuchtige Johannes VIII en de Italiaansche grooten de zaak beslissen. Het is zeker, dat Karel werd uitgenoodigd (of aangemaand) door Johannes naar Rome te komen om door den Paus tot keizer te worden gekroond, dat hij gehoorzaamde en dadelijk daarna naar Pavia trok, waar hij voor een groote vergadering van Italiaansche edelen en prelaten door den Aartsbisschop van Milaan met de Longobardische IJzeren Kroon tot Koning van Italië werd gekroond. De twee jaren van de regeering van Karel den Kale zijn merkwaardig om zijn voortdurende gevechten tegen zijn neven, de zonen van Lodewijk den Duitscher, en de hernieuwde moeilijkheden met de Saracenen, die, ofschoon zij door een Italiaansche vloot onder aanvoering van Paus Johannes zelf verslagen waren, toch het Romeinsche gebied verwoestten en, wederom geholpen door de verraderlijke Napolitanen, Rome zelf bedreigden7.

Na den dood van Karel den Kale in 877 volgde er een sombere periode van vier jaren van onbeduidende oorlogen, gedurende welke er geen Keizer was. De pretendenten waren Lodewijk de Stamelaar (le Bègue) en zijn drie neven, de zonen van Lodewijk den Duitscher. Een van deze, Karloman, werd Koning van Italië en na zijn dood in 879 volgde zijn broeder Karel de Dikke hem op en werd ten slotte in 881 tot Keizer gekroond. Daar al zijn mededingers waren gestorven, werd Karel de Dikke kort daarna ook koning van Duitschland en van Frankrijk (d.w.z. van de Oost- en West-Frankische koninkrijken) en regeerde dus over bijna het geheele vroegere Rijk van Karel den Groote. Maar zijn domme onmacht bleek even merkwaardig als zijn lichamelijke grofheid; en een vergadering van edelen te Tribur, bij Mainz, onttroonde hem en het volgend jaar stierf hij. Aldus eindigde na 88 jaar de erfelijke dynastie der Karolingers, die zich Koningen van Italië en Keizers der Romeinen noemden, ofschoon, zooals wij zullen zien, sommige van de koningen en z.g.n. keizers van de volgende sombere en woelige periode op onwettige wijze (zooals Arnulf) of door de vrouwelijke linie (zooals Berengar en Lodewijk) van Karel den Groote afstamden.

(2) Zoogenaamde Italiaansche Koningen en Keizers (888–962).

Het verval van de keizerlijke en koninklijke waardigheid moet men aan vele oorzaken toeschrijven. Een daarvan was de ontaarding van de Karolingische vorsten; een andere de noodlottige familie-veeten die zich vermenigvuldigden als hydra-koppen; nog een andere oorzaak was het feit, dat de Pausen en de bisschoppen zich wereldlijke macht aanmatigden; vervolgens ook de uitputtende en dikwijls vergeefsche worstelingen met buitenlandsche vijanden, zooals de Saracenen, waarbij weldra nog de Hongaren en Noormannen kwamen; en ten slotte was een zeer voorname oorzaak de snel toenemende onafhankelijkheid van vele steden, zooals Venetië en Napels (om niet te spreken van Rome), en ook van de machtige leenmannen van de kroon, die in vele gevallen erfelijke hertogdommen of markiezaten hadden gesticht en geneigd waren steeds hooger te streven en met elkander te strijden om de kroon van Italië of zelfs te grijpen naar het bedriegelijke schijnbeeld van den keizerlijken diadeem.

Het ineenstorten van het Karolingische Rijk had de opkomst van twee groote volken ten gevolge, het Duitsche en het Fransche; en een tijdlang scheen het alsof Italië eindelijk zich tot één natie onder eigen koningen zou vereenigen. Daarom zijn Italiaansche schrijvers geneigd om met een zeker genoegen over deze z.g.n. “Italiaansche” hertogen en markiezen, en den regno d’Italia indipendente uit de weiden, terwijl door de Duitsche historici deze periode, in welke Italië grootendeels vrij was van Duitsche overheersching, dikwijls beschouwd wordt als een triviale periode van ontaarding, die geen beschrijving verdient.

Daar er in een volgend hoofdstuk iets zal gezegd worden over wetenschap, godsdienst en kunst in Italië gedurende de negende en tiende eeuw en de twisten van de pretendenten naar de kroon van Italië onbelangrijk zijn, zullen wij nu slechts een kort verslag geven van de voornaamste gebeurtenissen van deze periode.

Bij de verkiezing van Karel den Dikke hebben wij gezien, dat de keuze van een keizer, een tijdlang ten minste, afhankelijk was van den Paus, en de grooten, zoowel de leeken als de geestelijken, van Noord-Italië, zich het recht hadden aangematigd hun eigen koning te kiezen of de keuze te bekrachtigen; want zij lieten Karel te Pavia door den Aartsbisschop van Milaan kronen met de Longobardische kroon. Na zijn onttroning was het dus natuurlijk van zelf sprekend, dat deze grooten weder hun eigen koning zouden kiezen. Zij negeerden het feit, dat Arnulf van Carinthië, een Karolingische bastaard, in de plaats van Karel als koning van Duitschland was gekozen en zich dus ipso facto als Koning van Italië beschouwde, en kozen Berengarius, den Markies van Friaul8, den zoon van Gisela, een dochter van Lodewijk den Vrome.

37. S. Marco, Venetië.

37. S. Marco, Venetië.

In de volgende 37 jaren (888–925) moest Berengar achtereenvolgens tegen vijf mededingers strijden; van deze gelukte het vier de pauselijke kroning deelachtig te worden, voordat Berengar zelf in 915 dit bereikte. De eerste van deze mededingers was de Hertog van Spoleto. Hoe stoutmoedig en onafhankelijk deze Longobardische hertogen van Zuid-Italië geworden waren, hebben wij reeds gezien. Toen Lodewijk II nog keizer en Hadrianus II Paus (867) was, had de hertog van Spoleto, Lambert, plotseling een inval gedaan en Rome geplunderd. Deze daad herhaalde hij in 878, toen hij Paus Johannes VIII een maand lang gevangen hield, en hem tevergeefs trachtte te dwingen Karloman den keizerstitel toe te kennen; hij gebruikte dergelijke dreigementen, dat de Paus, dien wij reeds om zijn krijgshaftig optreden en zijn schitterende overwinning op de Saracenen hebben bewonderd, op een schip naar Graaf Boso van Provence vluchtte.

Deze Lambert van Spoleto nu had een zoon, Guido, dien Karel de Dikke wegens verraad afzette, terwijl hij zijn hertogdom aan Berengar van Friuli gaf. Maar Guido kwam weer met behulp van de Saracenen9 terug, en nadat hij Berengar bij de Trebia, niet ver van Pavia, verslagen had, zette hij zich als Koning van Italië de IJzeren Kroon op het hoofd en werd twee jaren later (891) met den keizerlijken diadeem in de St. Pieter te Rome gekroond, ofschoon de Paus, Stephanus V, in het geheim samenspande met een derden mededinger, Arnulf van Carinthië, die, als opvolger van Karel den Dikke ten noorden van de Alpen, al dien tijd zijn aanspraken op het koningschap van Italië en den keizerstitel had volgehouden10.

Guido was niet tevreden met den keizerstitel; hij wenschte een keizerlijke dynastie te stichten door ook zijn zoon, Lambert, tot keizer te maken, en de beruchte Formosus, die Paus was geworden, begunstigde eerst die eerzuchtige plannen en kroonde Lambert te Ravenna als medekeizer; maar toen na Guido’s dood Arnulf (896) met een sterk leger in Italië drong en Rome binnentrok, weigerde de besluitelooze of sluwe Paus den Spoletaanschen pretendent zijn hulp en ofschoon hij de keizerlijke kroon op Lambert’s hoofd had gezet, herhaalde hij nu deze plechtigheid ten gunste van diens mededinger.

Arnulf evenwel had niet veel voordeel van het feit, dat hij het doel van zijn eerzucht bereikt had, want terwijl hij zich gereed maakte Lambert te Spoleto aan te vallen, werd hij door een beroerte getroffen en ofschoon hij nog drie jaren in leven bleef, beteekende zijn politieke invloed in Italië toch niets meer. De ommekeer van de stemming wegens de kroning van dezen “barbaar” over den Paus, die deze verfoeilijke unctio barbarica had verricht was zoo geweldig, dat het lijk van Formosus voor den dag werd gehaald om voor een Synode ter verantwoording te worden geroepen,—een tooneel, dat later beschreven zal worden. Lambert daarentegen, krachtig geholpen door zijn eerzuchtige moeder, Agiltrud, (de dochter van den hertog van Benevento, die Keizer Lodewijk gevangen nam), rees ten zeerste in de achting van het volk en zou er waarschijnlijk in zijn geslaagd zijn eenig overgebleven mededinger te verdrijven, ware hij niet in 898 gestorven ten gevolge van een val van zijn paard, terwijl hij op jacht was—of volgens anderen, vermoord. Aldus werd Berengar van zijn mededingers bevrijd.

Doch niet lang werd den Koning van Italië rust gegund. De nieuwe, verschrikkelijke vijanden, de Magyaren, zooals zij zichzelf noemden, of Hun-ugri, zooals de Slaven hen noemden, waren evenals de Hunnen van Oostersche afkomst en geleken op hen, wat hun woestheid en meedoogenlooze onmenschelijkheid betrof; zij waren in groote massa’s van de Oeral-streken gekomen en hadden nu, daar zij bij de Slavische volken slechts weinig weerstand vonden, reeds onder hun aanvoerder Arpad het land veroverd, dat naar hen nog Hongarije heet; en weldra drongen zij door in Duitschland, Frankrijk en Italië en waren een halve eeuw lang de schrik van Europa, totdat zij in 955 volkomen werden verslagen door Keizer Otto I in den grooten slag op het Lechfeld11.

In 899 vielen deze Magyaren in Italië en brachten Berengarius bij de rivier de Brenta zulk een nederlaag toe, dat zijn tegenstanders wederom moed vatten en een vreemden vorst, Lodewijk, den zoon van Boso, den “Koning” van Provence, voor de keizerskroon opriepen, daarbij een gedragslijn volgend, die ontzaglijk veel ellende over Italië bracht.

De jeugdige pretendent, de zoon van Boso en Ermengard, de dochter van den Karolinger Lodewijk II, gaf gehoor aan de uitnoodiging; hij kwam te Rome en werd inderdaad door Paus Johannes IX gekroond; maar Berengarius viel hem stoutmoedig aan, dwong hem naar huis te gaan en te beloven nooit meer in Italië terug te komen. Deze belofte evenwel werd door Lodewijk gebroken; maar in 904 werd hij door Berengarius gevangen genomen, blind gemaakt en naar Provence teruggezonden.

Wederom volgde een periode, waarin Berengarius onbetwist koning was, en in 915 werd hij te Rome als keizer gekroond, nadat het hem gelukt was te zamen met Paus Johannes X een bond van de Longobardische hertogen, van Napels en andere steden te vormen, met de bedoeling het Saraceensche kamp bij de Garigliano te vernietigen, welk doel werkelijk werd bereikt. Het scheen nu wederom, alsof Italië eindelijk vrede en eenheid zou deelachtig worden onder zijn eigen regeerders; maar deze Italiaansche Koningen en Keizers waren in het geheel niet naar den zin van de Pausen, die aldus onder voortdurend toezicht stonden, en de eerzuchtige en beginsellooze Johannes X begon, kort nadat hij Berengar den keizerlijken diadeem op het hoofd had gezet, evenals vele van zijn voorgangers en opvolgers, te “boeleeren” met vreemde vorsten, zooals Dante het noemt. Hij noodigde Rudolf, koning van Hoog-Bourgondië uit, het koningschap over Italië te aanvaarden en plaatste hem te Pavia in 922 de IJzeren Kroon op het hoofd. Berengar, in het nauw gebracht, riep zijn oude vijanden, de Magyaren, weder in het land. Deze kwamen, doch in plaats van hem te helpen, begonnen zij de landstreek te plunderen. Zij staken Pavia in brand en hun benden strekten hun strooptochten naar het zuiden bijna tot Rome uit. Ondertusschen was Berengar, zonder hun hulp, erin geslaagd Rudolf te verslaan en naar Bourgondië terug te jagen; maar kort daarna (924) werd hij te Verona vermoord, naar men zegt door een intiemen vriend, Flambert, die reeds eenmaal tegen hem een samenzwering had gesmeed en vergiffenis had gekregen12.

In de volgende zeven en dertig jaren was er geen Keizer. De titel, die eens het zinnebeeld was geweest van een macht over de geheele wereld, had nu geen waarde meer; Byzantijnsche vorsten matigden zich dien titel aan en Pausen kenden dien aan Duitsche monarchen, Provençaalsche prinsen of Longobardische hertogen toe. Het ontbreken van een Imperator Romanorum in Italië gedurende meer dan een derde van een eeuw was van weinig belang, want het is de werkelijkheid achter dergelijke namen, die er eenig gewicht aan geeft, en het aanzien, dat die naam aan het latere “Heilige Roomsche Rijk” schenkt, is niet te danken aan de onafgebroken opvolging, maar geheel en al aan het staatkundige en persoonlijke gewicht van de Duitsche vorsten, die, in meerdere of mindere mate met goedvinden van het Italiaansche volk, den keizerlijken titel hebben gevoerd. Het oorspronkelijke Imperium Romanum had reeds voor de zesde eeuw opgehouden te bestaan en het eenige recht, dat de middeleeuwsche Imperatores Romanorum hadden op hun titel, bestond in hun macht of was het recht, dat de Italianen (en in sommige gevallen misschien de Pausen als hun vertegenwoordigers) bezaten, om dien titel te doen herleven en toe te kennen, aan wien zij wilden. Maar, ofschoon men moet erkennen, dat de keizerlijke waardigheid, zooals die in den persoon van Otto herleefde, nog meer een fictie was dan de titel, die met de woorden piissimus Augustus, a Deo coronatus, magnus Imperator aan Karel den Groote werd toegekend of zelfs dan de eer, die Arnulf van Carinthië deelachtig werd door de unctio barbarica van den Paus, men mag toch niet vergeten dat zoo iets als keizerlijke opvolging soms een zoogenaamde subjectieve werkelijkheid bezit; want hoe denkbeeldig de onafgebroken overdracht van een geheimzinnig voorrecht ook moge zijn, de ontroering, die gewekt wordt in de gemoederen, die dergelijke aanspraken erkennen, blijkt dikwijls een wezenlijke en groote kracht te zijn in de historische evolutie en die ontroering kan niet geloochend worden13.

Eindelooze veeten en burgertwisten, algeheele ondergang van patriotisme door lage, persoonlijke eerzucht, schaamtelooze verbintenissen met vreemde vorsten en barbaarsche vijanden—dat zijn de voornaamste trekken van de z.g.n. regno d’Italia indipendente, een tijd, waarin het bleek, dat de Italianen nog niet hoog genoeg stonden om onafhankelijk te zijn.

Merkwaardig is het, dat in deze periode van zeven en dertig jaren verscheidene vrouwen zulk een belangrijken invloed hebben uitgeoefend; meer dan eene heeft een tijdlang een staatkundige macht bezeten, die men kan vergelijken met het gezag van Placidia of Pulcheria; maar zij verwierven en behielden die macht door een daemonische, of misschien beter gezegd, diabolische bekoring, die eerder doet denken aan de jongere Agrippina of Lucrezia Borgia dan aan de dochter of kleindochter van den grooten Theodosius. Een van deze vrouwen was Bertha, de dochter van die Waldrada, die wij vroeger vermeld hebben in verband met Lotharius (p. 285). Bertha was eerst gehuwd met Graaf Theobald van Provence, die haar een zoon, Hugo, had geschonken. Daarna trouwde zij met Adalbert, Markies van Toskane, en kreeg verscheidene kinderen, van welke er een, Ermengard, met de fascineerende schoonheid van haar moeder begiftigd was. Bertha, en na haar dood, Ermengard, Markiezin van Ivrea, schijnen op de Italiaansche edelen zulk een invloed te hebben gehad, dat deze kort na den moord op Berengarius besloten Rudolf van Bourgondië, ofschoon hij reeds door den Paus gekroond was, niet te erkennen en den jongen graaf van Provence uit te noodigen de kroon van Italië te aanvaarden14. Hugo landde bij Pisa (926) en werd te Pavia gekroond, terwijl Paus Johannes X voor de derde maal zijn goddelooze zalving gaf aan een pretendent tijdens het leven van diens mededinger en er aldus de oorzaak van werd, dat de open wond van Italië ging zweren in plaats van die, als Hoofd van Christelijk Kerk, te verbinden en te heelen.

Rome van 896 tot 926.

Maar in Rome was de vrouwelijke overheersching in deze periode aan het licht gekomen, en wij moeten een weinig teruggaan om te zien hoe dit begon. Nadat Paus Formosus Arnulf als keizer had gekroond, en Paus Stephanus VI om deze onwaardige handeling te wreken, zijn lijk uit het graf had gehaald en voor een Synode ter verantwoording had geroepen, heerschte er een schandelijke toestand in Rome, waar in acht jaren (896–904) niet minder dan tien Pausen optraden, van wie de meeste hun ambt verwierven of verloren door misdadige kuiperij of moord15. In dezen tijd, waarin volgens sommigen geheel Italië een gelukkige onafhankelijkheid genoot onder de regeering van hun eigen koning Berengarius, begon in Rome een verschrikkelijk despotisme op te komen, waarvoor zoowel het Pausdom als het Koningschap van Italië zouden moeten buigen. Een zekere Theophylactus, een leider van de wereldlijke aristocratie (judices de militia) was gestegen tot het ambt van Dux et Magister militum en had de titels van Senator en Consul aangenomen, terwijl zijn vrouw, die den onheilspellenden naam Theodora droeg, en hare twee dochters Marozia en Theodora er in slaagden door haar schoonheid en losbandigheid een groot getal aanbidders en satellieten tot zich te trekken. In 904 werd de eerzuchtige Kardinaal Sergius, die reeds jaren lang getracht had de pauselijke tiara te bemachtigen en wien het ten slotte gelukt was de minnaar van Marozia te worden, tot Paus gekozen; sinds dat jaar was het ambt van paus langen tijd afhankelijk van deze vrouwen. Zeven jaren troonde deze man op den zetel van den H. Petrus; door Baronius en andere kerkelijke schrijvers wordt hij een monster, door Gregorovius een “terroriseerende misdadiger” genoemd; zijn concubine en haar Semiramis-achtige moeder hadden een hofhouding, die door haar weelde en zedeloosheid deed denken aan de ergste tijden van het oude Keizerrijk.

Sergius III stierf in 911. Twee pausen volgden daarna, van wie wij bijna niets weten, maar wier verkiezing en plotseling verdwijnen waarschijnlijk moeten worden toegeschreven aan hof-intriges. Toen werd een zekere priester, Johannes, die langen tijd Theodora, ofschoon zij niet jong meer was, het hof had gemaakt en Aartsbisschop van Ravenna was geworden, door den invloed van zijn minnares op den pauselijken troon geplaatst (914). Hij was die zedelooze en onbetrouwbare Paus Johannes X, van wien wij reeds meer dan genoeg hebben gehoord. Ondertusschen had Marozia, die haar pauselijken minnaar had verloren, een fortuinzoeker getrouwd (913), een soldaat, Alberik geheeten, die na afwisselend onder Guido en Berengarius gediend te hebben er in geslaagd was zich tot Hertog van Spoleto op te werpen.

Het was kort hierna, dat Berengarius, gesteund door Theophylactus, Alberik en hun beider almachtige echtgenooten, naar Rome kwam en als Keizer werd gekroond (915) door Paus Johannes X, nadat hij de Saracenen op den berg Garigliano, zooals reeds verteld is, verslagen had.

Theophylactus, Theodora en Alberik verdwijnen nu plotseling en eenigzins geheimzinnig van het tooneel en Marozia vestigt zich in den sterken burcht van S. Angelo (Engelenburg), vanwaar zij Rome beheerscht. Paus Johannes laat Berengarius in den steek en kroont Rudolf van Bourgondië; niet lang daarna herhaalt hij dit spel met Hugo van Provence. Deze verraderlijke intriges brengen Marozia in botsing met den vroegeren minnaar van haar moeder; ten slotte neemt zij hem gevangen en sluit hem in den burcht op, waar hij weldra op haar bevel wordt geworgd, of volgens sommigen, met een kussen gesmoord.


Na den dood van haar echtgenoot, Alberik van Spoleto, was Marozia in het huwelijk getreden met Guido van Toskane, den broeder van Ermengard en den stiefbroeder van Hugo van Provence. Toen nu Hugo in 926 tot Koning van Italië werd gekozen en gekroond, gevoelde Marozia zich natuurlijk diep gegriefd, want zij had ongetwijfeld Guido getrouwd met de bedoeling zichzelf Koningin van Italië te maken. Doch gelukkig stierf Guido weldra, en Hugo van Provence verloor omstreeks denzelfden tijd zijn vrouw. Deze kans mocht Marozia niet laten voorbijgaan en weldra werden de listen van de verleidelijke meesteres van Rome met succes bekroond. Hugo kwam te Rome (932) en vierde zijn bruiloft met Marozia in den Engelenburg; de onlangs gekozen Paus Johannes XI, een zoon van de bruid en haar minnaar van vroegere jaren, Paus Sergius III, verrichtte de plechtige handeling en zegende het koninklijk echtpaar in.

Maar bij haar eersten echtgenoot, Alberik van Spoleto, had Marozia een wettigen zoon, die nu ongeveer achttien jaar was, ook Alberik geheeten; deze zoon had de krijgshaftige eigenschappen van zijn vader geërfd en bezat een heerschzuchtig karakter en aanleg om leider te zijn. De jongeling was zeer verontwaardigd over het gedrag van zijn moeder en voelde zich beleedigd door de aanwezigheid van zijn nieuwen stiefvader, in wiens gevolg hij als page had gediend, en toen Hugo eens zijn onbeschaamdheid16 met een oorveeg beloonde, snelde hij naar buiten en sprak met vurige welsprekendheid de verzamelde menigte toe, die dadelijk daarop een aanval deed op den burcht. Hugo, verschrikt, liet zich aan een touw naar beneden zakken en vluchtte uit Rome. Alberik zette zijn moeder17 gevangen, stelde zijn onechten halfbroeder, den jongen Paus, onder strenge bewaking en nam de titels van Princeps en Senator aan.

Alberik, of Alberico, bestuurde Rome misschien streng, maar rechtvaardig, gedurende 22 jaren (932–954). Het is een periode van de Italiaansche geschiedenis vol belangrijke hervormingen, die, helaas, weer te gronde zijn gegaan onder Alberik’s zoon en opvolger, die het karakter van zijn grootmoeder, Marozia, had geërfd. Hij verdeelde het leger in twaalf scholae naar de twaalf wijken van de stad, elk onder bevel van een banderese, “baanderheer”, zooals de Florentijnsche Gonfaloniere della compagnia. Door de titels van Princeps en Senator bekleedde hij blijkbaar zichzelf met de voornaamste wetgevende en uitvoerende bevoegheden; want de Senaat bestond niet meer en de aanzienlijken schijnen slechts als zijn ondergeschikte ambtenaren gehandeld te hebben. Als President van het Gerechtshof18 had hij, zooals de Venetiaansche Doges van vroeger tijden, een bijna absolute macht, en ofschoon wij op zijn munten naast zijn naam dien van den Paus vinden, is het toch zeer duidelijk, dat geen der zeven Pausen van deze periode eenig politiek gezag had. De meeste van hen waren door Alberik zelf uitgekozen, en onder zijn régime was een Paus niets anders dan het Hoofd van de Kerk, die het geestelijke gezag uitoefende. En men kan er niet aan twijfelen, dat Alberik de werking van geestelijken invloed zeer hoog schatte, ten minste als een steun voor het burgerlijke gezag. Dit blijkt uit twee feiten. Ten eerste moedigde hij krachtig de hervorming van de kloosters19 aan, waarmede Broeder Berno te Cluny, in Frankrijk, een begin had gemaakt, en toen Berno’s leerling, Odo, Rome bezocht, gaf hij hem een paleis op den Aventinus om daar een hervormd klooster te stichten (thans S. Maria Aventina en het klooster van de Maltezer Ridders). En ten tweede was hij zoo overtuigd van de noodzakelijkheid om den invloed van den godsdienst te erkennen en te gebruiken, dat hij besloot het hoogste burgerlijke en het hoogste geestelijke gezag in één hand te vereenigen, een stoutmoedige poging, die bij de oudste Romeinsche Keizers en bij eenige Kaliefen van de Mohammedanen schijnt geslaagd te zijn, maar die in vele gevallen de oorzaak is gebleken van groote ellende. Vóór zijn dood verzamelde hij de aanzienlijken van Rome voor de Confessio van de St. Pieter en liet hen zweren, dat zij, zoodra de gelegenheid zich voordeed, zijn zoon en opvolger, Octavianus, tot Paus zouden kiezen. Wij zullen zien, hoe deze belangrijke proef afliep.

38. Baptisterium, Florence.

38. Baptisterium, Florence.

Voordat Alberik stierf (954), had Koning Hugo driemaal (933, 936 en 941) Rome aangevallen om zich te wreken en zijn oproerigen stiefzoon te verdrijven; maar Alberik had hem krachtig afgeslagen en, ofschoon er een tijdelijke wapenstilstand was gesloten en hij in dien tijd Hugo’s dochter trouwde, verhinderde hij toch al zijn pogingen om de stad binnen te komen en de keizerskroon uit de handen van den Paus te ontvangen.

Ongeveer 940 was er nog een pretendent voor de kroon van Italië verschenen in den persoon van een anderen Berengarius, Markies van Ivrea, een stiefzoon van Ermengard, die wij vroeger genoemd hebben. Hugo veinsde vriendelijk naar zijn aanspraken te luisteren en noodigde hem uit naar zijn hof te komen, met de bedoeling hem te dooden of blind te maken. Maar Hugo’s zoon, Lotharius, bracht, uit vriendschap of medelijden, Berengarius van dien toeleg op de hoogte; deze vluchtte daarop naar Duitschland, keerde in 946 geholpen door Otto, den Saksischen Koning, terug en verdreef Hugo, die zich terugtrok naar zijn eigen rijk, Provence, en kort daarna te Arles stierf. Nu was Berengarius in naam regent van den jongen koning Lotharius, maar het duurde niet lang of Lotharius stierf (950), waarschijnlijk vergiftigd door den man, wiens levens hij had gered. Hugo had een Bourgondische douairière getrouwd en haar dochter, Adelheid, aan zijn zoon Lotharius uitgehuwelijkt. Na den dood van Lotharius trachtte Berengarius Adelheid te dwingen zijn zoon Adalbert te trouwen, dien hij tot deelgenoot in het koningschap van Italië had benoemd. Doch Adelheid wees die eer natuurlijk van de hand. Zij werd dadelijk naar den Lago di Garda gevoerd en daar in een toren gevangen gezet; maar zij ontsnapte en riep de hulp in van Otto van Saksen. Door haar en andere vijanden van den tyrannieken Berengarius uitgenoodigd, rukte Otto met een leger (het eerste Duitsche leger, dat in den loop van een halve eeuw de Alpen overstak) Italië binnen, en, na Pavia veroverd te hebben, trouwde hij met de schoone Adelheid en liet zich tot Koning van Italië kronen, ofschoon Berengarius dien titel nog steeds voerde. Hij stuurde ook een bericht naar Paus Agapetus, dat hij van plan was naar Rome te komen en zich als Keizer te laten kronen. Dit plan evenwel gaf hij wijselijk op, want Alberik liet hem weten, dat zonder zijn toestemming geen koning Rome zou binnentrekken en die toestemming weigerde hij te geven. Maar na Alberik’s dood in 954 werd de toestand te Rome ondragelijk. Octavianus, zijn losbandige zoon, volgde hem als Princeps en Senator op en werd na het overlijden van Agapetus (955) ook tot Paus gekozen onder den naam van Johannes XII.

De verhalen over de pazza bestialità van dezen pauselijken losbol, zooals die niet alleen door onpartijdige schrijvers, b.v. Villari en Gregorovius, gegeven worden maar ook zelfs door partijdige schrijvers als de Abbé Duchesne (in zijn prachtige uitgave van den Liber Pontificalis) zijn bijna ongeloofelijk. Men zegt dat hij er een harem van concubines op na hield. In gezelschap van losbandige vrienden gaf hij zich aan alle mogelijke zinnelijke uitspattingen over. Hij was gewoon op de gezondheid van den duivel te drinken en de heidensche goden aan te roepen. Wij lezen van een geestelijke, die in een stal werd bevestigd; van een bisschop, die op zijn tiende jaar werd gewijd; van een kardinaal, die op schandelijke wijze werd verminkt en gedood op bevel van dezen Vicarius van Christus. Geen fatsoenlijke vrouw durfde een voet in het Lateraan zetten20. En aan het hof en in de legerplaats van Koning Berengarius II was de toestand nauwelijks beter; deze had de Longobardische kroon van den Saksischen Koning te Augsburg terug ontvangen, daar hij beloofd had die te zullen dragen als vazal van Otto. Zijn waanzinnige buitensporigheden en onbeschaamde wreedheid, als ook de woeste bacchanalen van het pauselijk-senatoriale hof te Rome, bewogen de Italianen om nog eens de hulp in te roepen van den Duitschen monarch, die daarop met een groot leger den Brenner-pas doortrok. Toen hij geen weerstand in Noord-Italië vond—want Berengarius’ soldaten weigerden te vechten—en een uitnoodiging ontving van den losbandigen jongeling te Rome, die nu besloten had den Duitschen tegen den Italiaanschen Koning van Italië uit te spelen, trok Otto de stad binnen en werd op den tweeden Februari 962 als Keizer gekroond.

Aldus werd door de met bloed bevlekte handen van dezen jeugdigen schurk ingesteld, wat later bekend was als het Heilige Roomsche Rijk. Hoe Paus Johannes de bewerker kon zijn van zulk een instelling, is een vraagstuk voor de theologen, maar in welk een geringe mate hij den wensch van de inwoners van Rome weergaf, kan men opmaken uit hetgeen een oude kroniekschrijver, Thietmar, mededeelt. De aanzienlijken, zegt hij, verborgen hun gevoel achter een somber stilzwijgen. Op de gezichten van deze Romeinen, wier vrijheid en macht hij kwam vernietigen, las Otto wrok en moordlust en voordat hij zich aan de plechtigheid van de kroning onderwierp, zeide hij tot Ansfried van Leuven: “Wanneer ik voor de tombe van den H. Petrus kniel, houd dan uw zwaard voortdurend boven mijn hoofd, want ik weet, dat mijn voorvaders dikwijls de trouweloosheid van de Romeinen ondervonden hebben”. Men moet er zich dus nauwelijks over verwonderen, dat de nieuwe Keizer, voordat er twee jaren waren verloopen, den Paus afzette, door wiens apostolische zalving hij zijn goddelijke rechten had verkregen en de Romeinen van hun recht om hun eigen Pausen te kiezen beroofde.