1 Dit gebeurde alleen met toestemming van de edelen van het rijk, terwijl Paus Leo III er niet in gekend werd. Waarschijnlijk had zijn onbeschaamd gebruik van Constantijn’s Donatie en zijn uitlegging van Pepijn’s Donatie Karel geprikkeld. De Keizer zelf zette zijn zoon de kroon op of verzocht hem misschien die van het altaar te nemen en op zijn hoofd te plaatsen, “een duidelijke wenk”, zegt Gregorovius, “voor al zijn opvolgers”.
2 De titel, dien de Karolingische en Saksische keizers voerden was Imp. Aug. met de bijvoeging Rex Francorum et Longobardorum (het laatste na de kroning met de ijzeren kroon van Lombardije). Later was het, vóór de kroning met de gouden tiara te Rome, Romanorum Rex semper Aug., en daarna Romanorum Imp. semper Aug.
3 Dat er onder Pausen eenige krachtige en verstandige leiders zijn geweest en een paar werkelijk goede menschen, zal wel blijken, wanneer wij verder komen; maar geen woorden kunnen krachtig genoeg verklaren, dat de idealen van de Pausen niet die van den Stichter van het Christendom waren. De geschiedenis moet het middeleeuwsche Pausdom beschouwen als een zuiver wereldlijke macht en wel als een macht, die een oneerlijk voordeel had door haar misbruik van het bijgeloof der menschheid.
4 Eenige jaren later (871) werd “Keizer” Lodewijk II, met zijn gemalin en gevolg, gevangen genomen door den Hertog van Benevento, die hem een maand vasthield en liet zweren zijn hertogdom nooit weder te betreden. Deze “ongehoorde profanatie” van de heiligheid van de Keizerlijke waardigheid (zooals Gregorovius zegt), schijnt niet weinig vroolijkheid en boosaardig gejubel onder de vele Italiaansche vijanden van het Frankisch-Romeinsche Keizerrijk verwekt te hebben. Het is de moeite waard op te merken, dat deze “profanatie” plaats vond, nadat Lodewijk juist een brief van den Oostelijken “Keizer”, die hem weigerde te erkennen, beantwoord had met een heftigen aanval op de aanspraken van de Byzantijnsche “Romeinsche Keizers” en een krachtige verdediging van zijn eigen rechten. “Weet”, schrijft hij, “dat Wij, indien Wij niet Imperator Romanorum waren, niet Imperator Francorum konden zijn; want van de Romeinen hebben wij dezen naam en deze waardigheid ontvangen.”
5 Portus, aan den noordelijken mond van den Tiber, had reeds lang geleden het oude Ostia aan den zuidelijken arm overvleugeld, maar de toegang tot de zee was verzand en Ostia was weder in gebruik genomen. Gregorius’ Nieuw-Ostia ligt achter de ruïnen van de oude stad. De Portus-monding werd in 1612 heropend en Ostia werd wederom verlaten; maar Porto is nu 2½ K.M. van het strand af, waar de deftige badplaats Fiumicino ligt.
6 Een jaar ongeveer na deze paniek werd de algemeene verslagenheid verergerd door een aardbeving en daarna door den grooten Incendio del Borgo, die de houten woningen van de Saksen en Longobarden vernietigde en den portico van de St. Pieter verwoestte. De brand werd gestuit door Leo, dien men op het Raffael-fresco het teeken van het Kruis ziet maken.
7 Paus Johannes VIII trachtte Leo IV te evenaren door muren te bouwen, om de S. Paolo fuori le mura te beschermen; hij noemde de wijk Johannipolis, maar de muren en de naam verdwenen weldra.
8 Friuli (i. e. Forum Julii), in het noord-oosten van Italië, was door Albion tot een Longobardisch hertogdom gemaakt met Cividale als hoofdstad. Karel de Groote maakte er een mark (markiezaat) van en breidde het uit tot de Adige.
9 Het was geen bewijs van bijzondere dankbaarheid, dat hij een paar jaren later hun legerplaats op den Garigliano verwoestte. (zie p. 283).
10 Het is de moeite waard op te merken, dat Berengar in den beginne de aanspraken van Arnulf op de kroon van Italië erkende.
11 Zie voor deze Magyaren en Hongaren p. 29 n. De tegenwoordige Hongaren stammen van hen af en niet van de Hunnen.
12 Hij was vroeg opgestaan om de Mis bij te wonen in een kerk dicht bij zijn paleis, waarschijnlijk de kleine kerk van SS. Siro e Libera, die nog bij de overblijfselen van Theoderik’s paleis staat.
13 Dat het Pausdom, als wereldlijke macht beschouwd, dikwijls een groot voordeel bezat door de erkenning van zijn voorrechten op geestelijk gebied, kan zelfs niet door hen ontkend worden, die de overdracht van geestelijke voorrechten onaannemelijk vinden in verband met de afschuwelijke misdaden en schandelijke ondeugden, de pazza bestialità (Villari) van vele Pausen, die van het Lateraan een hol van moordenaars en bloedschenders maakten, een toestand, die met eenige onderbreking eeuwen lang heeft geduurd.
14 Men vertelt, dat Ermengard Rudolf betooverd had en hem had veranderd in een klagenden aanbidder; als een nieuwe Circe nam zij hem met een minachtend lachen de Longobardische kroon van het hoofd en gaf die aan haar stiefmoeder.
15 Het staat vast, dat Stephanus VI en Johannes X zijn geworgd.
16 Hij stortte met opzet een beker water of wijn over den koning uit.
17 Wij vernemen niets meer van haar en evenmin van eenig verzoek van Hugo om haar vrij te laten.
18 Het Gerechtshof hield dikwijls zijn zittingen in de Aula ad Lupam van het Lateraan, die zoo heette naar de Capitolijnsche Wolvin, die in dezen tijd daar werd bewaard.
19 De meeste Benediktijner-kloosters waren nu “holen van ondeugden” geworden en zooals Benedictus tot Dante zegt, het overschrijven van den ouden Regel was slechts “papier verkwisten”. De hervormers van Cluny brachten wel iets tot stand, doch de algemeene hervorming geschiedde niet vóór de stichting van de Camaldulenzer-orde van de Witte Benediktijnen door Romualdo, ongeveer 1010. Alberik wilde verandering brengen in de ontzaglijke rijkdom en het territoriale gezag van deze vorstelijke abten, evenzeer als in hun zeden.
20 Vgl. het verhaal van Liudprand, Bisschop van Cremona, in Graaf Balzani’s Cronache italiane. Liudprand (c. 920–970) is de voornaamste bron voor dit tijdperk. Hij schreef, behalve andere werken over de periode 888–962, een Historia Ottonis.
21 Dat beeld stond toen bij het Lateraan, thans op het Capitool. Het heette in de Middeleeuwen “het paard van Constantijn”. (zie p. 303).
22 Hij bleef daar 120 dagen en werd zeer smadelijk behandeld, als wij alles mogen gelooven, wat hij vertelt in zijn “Verslag van het gezantschap naar Constantinopel”. Phocas was vooral verontwaardigd, omdat de Paus hem “Imperator Graecorum” noemde.
23 Otto de Groote wordt, nog meer dan zijn vader Hendrik, beschouwd als de stichter van het Duitsche Keizerrijk en van alles, wat deutsch is, ook literatuur. Tijdens zijn regeering werden de Germanen het eerst officieel het Deutsche d.w.z. het [uitverkoren] volk. Zie p. 143 n. De cultuur van het zuiden drong in deze periode snel in Duitschland door. Zelfs schoolmeisjes leerden Vergilius en Terentius lezen.
24 St. Bartholomaeus, zegt men, is in zijn marmeren sarcophaag van Indië naar de Liparische eilanden gereisd, waar de Saracenen zijn lichaam wegwierpen; maar het kwam toch veilig te Benevento, vanwaar Otto het naar Rome trachtte te brengen. De bewoners van Benevento echter bedrogen hem en gaven hem het gebeente van St. Paulinus. Toch noemden de Romeinen de kerk op de Isola Tiberina naar St. Bartholomaeus en beweerden dat zijn reliquieën daar waren. Deze kerk werd door Otto op de plaats van den ouden tempel van Aesculapius gebouwd en eerst gewijd aan St. Adalbert.
25 Tot deze familie behoorde Benedictus IX, misschien wel de onrechtvaardigste van alle Pausen.
26 B.v. Venetië, Florence, Pisa, Genua. De twee laatste waren machtig ter zee en hadden met goeden uitslag gestreden tegen de Saracenen van Sardinië en Spanje. Milaan en Pavia moesten lang worstelen om zich van de Duitsche overheersching te bevrijden. In het zuiden werd de republikeinsche geestdrift gedoofd door de Byzantijnen, Saracenen en Noormannen.
27 Dergelijke oproeren vonden in het vervolg bijna altijd plaats bij de kroning van een Duitscher als Keizer; het werd steeds op dezelfde barbaarsche wijze gestraft.
28 Zie over de Noormannen hoofdstuk II van dit deel.
29 De prachtige architectuur, die in deze periode in de noordelijke steden optreedt, en een weinig later in het gebied der Noormannen, is een merkwaardig bewijs van den vooruitgang van beschaving en kunst, waar burgertwisten een dergelijke ontwikkeling niet verhinderden, zooals dat in Rome het geval was.
30 Voor bijzonderheden over deze kroning en de onlusten, die daarbij plaats vonden, zie “Verklaring” van de afbeelding van de keizerskroon, plaat 19. Kanoet was als pelgrim gekomen. Hij maakte een enthousiaste beschrijving van Rome voor zijn Engelsche onderdanen. Eenige jaren later (1050) kwam een ander beroemd persoon van de Britsche Eilanden als boeteling naar Rome, volgens de kroniekschrijvers, n.l. Macbeth! (Hij regeerde na de vermoording van Duncan nog acht jaren.)
31 Purg. XXVIII–XXXIII. Dante’s Matelda is een mysterie. Het lijkt ongelooflijk, dat zij gravin Mathilde zou zijn.
32 Toen hij bij deze gelegenheid van Rome naar Cremona vluchtte (1037), dankte hij zijn leven aan een zonsverduistering, waardoor de edelen, die gezworen hadden hem bij het altaar te dooden, werden afgeschrikt. Hij was toen slechts zestien jaar oud, daar hij op zijn twaalfde jaar den pauselijken troon had bestegen.
33 Men vertelt, dat hij nooit den diadeem opzette zonder gebiecht en boete te hebben gedaan, dikwijls door geeseling.
34 Daar over het huwelijk van den clerus de ban was uitgesproken, gaf het, zelfs al was het wettig, aanleiding tot misbruiken, die niet zouden bestaan hebben, indien het als Christelijke instelling was erkend. Maar Pausen als Hildebrand stonden natuurlijk op het celibaat, niet om zedelijke, maar om politieke redenen: om zich te verzekeren van een clerus, die zich alleen om de pauselijke belangen bekommerde.
35 De ruïnen van Canossa bestaan nog, op een hoogte, ongeveer 23 K.M. ten zuid-westen van Reggio, en een weinig verder van Parma.
36 Benevento bleef aan de Pausen onderworpen tot 1860.
37 Daar zijn begraven (de meesten sinds 1900 in nieuwe sarcophagen in het herstelde gewelf) Koenraad II, Hendrik II, Hendrik IV, Hendrik V, Philips, Rudolf van Habsburg, Adolf en Albrecht; ook Gisela.
38 Dante ontmoet hem in het Paradijs (XXI. 121), waar hij heftig uitvaart tegen de moderni pastori. Zijn uitvoerige werken, in proza en poëzie, zijn een eigenaardig mengsel van mysticisme, ascetisme en polemiek.
39 Bij de Cisterciënsers en St. Bernard was dit minder het geval; St. Dominicus en St. Franciscus noemen wij hier niet, want het heftige fanatisme van St. Dominicus was gericht tegen de intellectueele ketterij en St. Franciscus had meer invloed op de harten dan op de stelsels van zijn tijd.
40 Graaf Balzani stelt de geschriften van Gregorius VII op éen lijn met die van Gregorius den Groote. Hij koestert een buitengewone bewondering voor Hildebrand’s karakter.
41 Een merkwaardig verhaal teekent de zedelijke kracht van beide personen. De Paus brak de heilige hostie door en smeekte God hem terstond met den bliksem te treffen, indien hij zich van eenige schuld bewust was. Daarna gaf hij de helft aan Hendrik en verzocht hem hetzelfde te doen. Doch deze waagde dat niet. [Vertaler].
42 Vgl. aanteekening op blz. 263.
43 Men zegt, dat zes millioen het roode kruis hebben aangenomen. Een geweldige menigte volgde Peter en kwam bijna geheel om, voordat het werkelijke leger van de Kruisvaarders Europa verliet.
44 De Guelfen en Ghibellijnen leidden hun namen af van deze Beiersche “Welfen” en van de “Waiblinger” d.w.z. de anti-pauselijke en (later) keizerlijke familie van de Hohenstaufen, wier stamvader door Hendrik IV (p. 320), Hertog van Zwaben was gemaakt en die hun naam hadden ontleend aan hun burcht op den “Hohen Staufer” (2000 voet), ongeveer twintig K.M. ten oosten van Stuttgart. Zij heetten ook “Waiblinger” naar het dorp Waiblingen, dat in diezelfde landstreek ligt.
45 Zoo groote ellende heeft de strijd tusschen Welfen en Ghibellijnen over Italië gebracht, dat men een tijdlang de afleiding van die namen vergat en de fabel ontstond van twee demonen, Ghibel en Guelef, die uit de onderwereld zouden ontvlucht zijn en waaraan de beide partijen haar namen zouden ontleend hebben. [Vertaler].
46 Verraden en gevangen genomen, werd deze ex-kardinaal in de straten van Rome vertoond, omgekeerd op een kameel gezeten en gekleed in een ruig geitenvel. Daarna werd hij weggejaagd en stierf in een klooster.
47 In dit verband is het volgende wel van belang. Willem de Veroveraar beschouwde zich als onafhankelijk hoofd der Engelsche Kerk. Zoowel de geestelijkheid als de adel moest hem eerbied betoonen. Geen synode kon zonder zijn goedkeuring een besluit afkondigen. Hij was de eenige heerscher van zijn tijd, die de aanspraken van Rome verwierp. Toen Gregorius VII hem verzocht voor zijn rijk den eed van trouw af te leggen, weigerde hij dien eisch te erkennen. “Een leeneed”, zeide hij, “heb ik nooit afgelegd, en ik wil dat ook nu niet doen”.
48 Een paar jaren later overreedde Arnold van Brescia de Romeinen het Capitool weder op te bouwen. Te midden van de verlaten, reusachtige ruïnes verrees het “Novum Palatium” (Palazzo del Senatore) op de plaats van het oude Tabularium. In documenten van 1150 wordt dit nieuwe paleis vermeld als vergaderplaats van den republikeinschen Senaat. Hier werd Petrarca in 1341 de dichterkroon op het hoofd gezet. De prachtige trappen van de Piazza del Campidoglio werden ontworpen door Michel Angelo, die een groot gedeelte van het Capitool herbouwde en het beroemde ruiterstandbeeld van M. Aurelius hierheen liet brengen. (p. 300)
49 Hij was gewijd in de Abdij van Tarfa. Dit invloedrijke klooster in de Sabijnsche landstreek, een mededinger van Monte Cassino, was door de Saracenen verwoest, maar weder opgebouwd en werd zoo berucht om zijn onzedelijkheid, dat Alberik het met geweld trachtte te hervormen. Nadat Eugenius eenige malen gepoogd had in Rome vasten voet te krijgen, trok hij naar Frankrijk, preekte daar den kruistocht en gaf zijn wraak lucht door den banvloek over Arnold uit te spreken.
50 Zij waren plechtig in 1139 veroordeeld in het Lateraan door hetzelfde Concilie, dat de veroordeeling van Anacletus door St. Bernard aanvaardde.
51 Paradiso, XXII. 88.
52 Paradiso, XV, 138.
53 Boeleeren met de koningen, Inferno XIX, 108.
54 De oorspronkelijke kampioenen voor de vrijheid waren Milaan, Brescia, Piacenza, Parma en Modena. Aan de andere zijde stonden Pavia, Como, Lodi en een tijdlang Cremona, Genua en Pisa werden door Frederik begunstigd, omdat hij hoopte van hun vloten gebruik te kunnen maken.
55 Men vertelt, dat de belegeraars een aantal gevangen kinderen aan een belegeringstoren bonden; maar de belegerden verdreven hen, daar zij liever hun kinderen dan hun vrijheid prijsgaven. (Zie Bertolini, Medio Evo, p. 589).
56 Zoowel aan het beleg als aan de barbaarsche verwoesting van Milaan namen verscheidene Lombardische steden, waaronder Como, tot haar groote schande, ijverig deel. Weinig kerken werden gespaard. Tot deze behoorde de S. Ambrogio.
57 De Bond bestond in den beginne (December 1167) uit zestien groote steden. In 1168 sloot zelfs Como er zich bij aan. Wat dezen Bond en de opkomst van de Noord-Italiaansche Republieken betreft, zie men Sismondi, Histoire des républiques italiennes.
58 Thomas Becket schreef Paus Alexander een gelukwensch met “het lot van Sennacherib (Sanherib)”.
59 De groote gracht, die in 1157 gegraven en in 1162 onbruikbaar was gemaakt, werd nu wederom in orde gebracht. Dit kostte minder tijd dan het bouwen van een muur en Milaan vertrouwde, nadat de oude Romeinsche muren waren verdwenen, voornamelijk op zijn gracht.
60 De Aartsbisschop van Salerno. De bronzen paarden bij den ingang werden 27 jaar later uit Constantinopel gebracht. De meeste van de tegenwoordige uitwendige mozaïeken zijn moderne kunstwerken van weinig waarde.
61 Maar bij zijn dood in 1181 braken de oude veeten weder uit, en de volgende drie Pausen brachten het grootste deel van hun leven in ballingschap door.
62 Het is de moeite waard op te merken, dat Richard op zijn tocht te Ostia kwam, maar weigerde Rome te bezoeken, omdat het pauselijk hof zoo verdorven was.
63 Purgat. XVIII. 119 “de goede Barbarossa, van wien Milaan nog met droefenis praat”.