(3) De Saksische Keizers (962–1024).

Er bestaat nog een document, het Privilegium Ottonis, dat, afgezien van enkele latere toevoegsels, schijnt opgemaakt te zijn tusschen Otto en Paus Johannes XII. Het bekrachtigt officieel de herleving van het Imperium en de overdracht van de waardigheid van de Frankische aan de Saksische vorsten; het hernieuwt ook alle concessies, die gedaan zijn door de Donaties van Pepijn en Karel de Groote, en geeft aan de Kerk zelfs Venetië, Istrië, Napels, Benevento en ook Sicilië, dat nog in de macht van de Saracenen was!

Maar, wat men ook moge denken van vernieuwde Donaties en het herstelde Imperium, de herleving van de Germaansche heerschappij in Italië was een feit, waarvan de waarheid weldra duidelijk werd; want, toen Paus Johannes, aangespoord door den ontevreden adel, zich met Berengarius in verbinding stelde en Berengarius’ zoon, Adalbert, als zijn gast in Rome ontving, kwam Otto oogenblikkelijk van Noord-Italië terug. Bij zijn nadering namen Adalbert en Paus Johannes de vlucht. Otto trok Rome binnen, riep een Concilie bijeen (het “Concilie van November”), zette Johannes plechtig af en gaf den Romeinen zijn keizerlijke bekrachtiging bij het kiezen van een anderen Paus, Leo VIII, een precedent van groote beteekenis, wanneer men ziet, dat in de volgende honderd jaren de Pausen door de Keizers werden uitgekozen of aangewezen door hun gezanten. Maar de verbannen Paus Johannes was niet gemakkelijk te bedwingen. Hij verwekte een oproer te Rome, en een aanval op Otto, in het Vatikaan, werd met moeite en veel bloedvergieten afgeslagen. Men kan niet zeggen, hoe het verder zou gegaan zijn, want de Romeinen waren zeer verontwaardigd over Otto’s inmenging in hun rechten. Maar Paus Johannes werd door een bedrogen echtgenoot betrapt en zoo duchtig afgerost, dat hij aan de gevolgen stierf. Dadelijk koos men in zijn plaats, zonder zich om Otto’s Paus te bekommeren, een anderen Paus, Benedictus V, die echter, toen de keizerlijke partij ten slotte de overhand kreeg werd afgezet.

Ondertusschen had Otto in Noord-Italië Berengarius gevangen genomen en hem naar Duitschland gezonden, waar hij kort daarna stierf.

In 966, toen er ongeregeldheden te Rome waren voorgevallen, marcheerde Otto wederom zuidwaarts en strafte de rebellen met groote strengheid. De Prefect van de stad, die zich tegen Paus Johannes XIII, den beschermeling van Otto, had verzet, werd aan zijn haren opgehangen aan het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius21, vervolgens omgekeerd op een ezel gezet, door de straten geleid en ten slotte naar Duitschland in de gevangenis gevoerd. Daarna bracht Otto het grootste gedeelte van zijn leven in Italië door, hetgeen bewijst, hoe bezorgd hij ervoor was, niettegenstaande zijn uitgestrekt gebied in het Noorden, den titel van erfelijk Romeinsch Keizer van het Westen te behouden. Deze bezorgdheid bracht er hem toe zijn twaalfjarigen zoon door den Paus met den keizerlijken diadeem te laten kronen, een plechtigheid, die in de St. Pieter op Kerstdag 967 plaats vond. En hiermede nog niet tevreden, deed hij een poging zich door den Keizer van het Oosten te laten erkennen als Keizer van het Westen en vroeg als bruid voor den jongen Otto een Byzantijnsche prinses; maar dit voorstel, dat bovendien de verovering van Sicilië op de Saracenen en den afstand van de Byzantijnsche bezittingen in Zuid-Italië als bruidschat insloot, werd hoogmoedig van de hand gewezen door Nicephorus Phocas, den veroveraar van Creta, die zichzelf als eenig wettig Romeinsch Keizer beschouwde, en Otto’s aanspraken minachtte. Ja zelfs, ofschoon Otto zijn trouwen Liudprand22 als gezant naar Constantinopel zond, verzamelde de Byzantijnsche Keizer een vloot om Adalbert, Berengarius’ zoon, te helpen en, zoo mogelijk, voor het Oostersche Keizerrijk de steden Capua, Benevento, Ravenna—en Rome te heroveren! Derhalve moest Otto vluchten, en belegerde Bari met de hulp van een machtigen Longobardischen Hertog, Pandulf, het IJzeren Hoofd (Testa di ferro), die onder zijn bestuur het gebied van Spoleto, Benevento en Capua vereenigd had; maar Bari lag aan de zee, die door de Byzantijnsche vloot beheerscht werd, en Pandulf viel ongelukkig in een hinderlaag en werd gevangen genomen.

In dezen tijd werd Phocas vermoord door zijn gemalin, die reeds haar vader en haar eersten echtgenoot, Keizer Romanus, had vergiftigd. Haar deelgenoot in de samenzwering, de kleine Johannes Tzimeskes besteeg den Byzantijnschen troon en liet Pandulf vrij; ook bevredigde hij Otto, daar hij de begeerde prinses Theophano, de dochter van de driedubbele moordenares, naar Italië zond. Zij trad in het huwelijk met den jongen mede-keizer en ontving den titel van Keizerin. Een jaar later, Mei 973, stierf Otto de Groote, zooals hij wordt genoemd.

Zijn opvolger, Otto II, was nu zeventien jaar oud. Ofschoon hij het heerschzuchtig karakter van zijn vader niet had, toonde hij toch moed en kracht en had van zijn moeder Adelheid de fijne beschaving geërfd, die zijn vader blijkbaar miste. Zijn tienjarige regeering werd voornamelijk in beslag genomen door oorlog. Eerst werd hij aangevallen door Hendrik van Beieren, dien hij versloeg en onttroonde. Daarna viel Lotharius van Frankrijk hem aan, en nam hem te Aken bijna gevangen; vervolgens voerde hij een leger aan tegen Parijs en ofschoon hij er niet in slaagde die stad te nemen, verzekerde hij zich het ongestoorde bezit van Lotharingen. Vervolgens rukte hij Italië binnen, herstelde een verbannen Paus, en, nadat hij den toestand te Rome, waar heftige twisten tusschen de keizerlijke en pauselijke partijen chronisch waren geworden, geregeld had, opende hij (982) den veldtocht tegen de Saracenen, die nog steeds Sicilië bezet hielden en onlangs in grooten getale wederom waren overgestoken naar Zuid-Italië. Stoutmoedig geworden door zijn succes, handelde Otto overijld, werd overrompeld en niet ver van Cotrone, het oude Crotona volkomen verslagen; hij zou gevangen genomen zijn wanneer hij niet in zee was gesprongen en naar een Byzantijnsch schip was gezwommen, welks bemanning hem gelukkig niet herkende. Het bericht van deze ramp veroorzaakte geweldige woelingen en gevaarlijke opstanden in de noordelijke landen, maar Otto besloot toch eerst zijn gezag en invloed in Italië te herstellen. Hij riep te Verona een groote vergadering van de aanzienlijken van zijn beide volken bijeen en liet zijn zoon, een kind van drie jaar, tot Koning van Duitschland en Italië kiezen. Toen maakte hij zich gereed den oorlog tegen de Saracenen weder te beginnen en trok, nadat hij tevergeefs getracht had de Venetianen te overreden hem een vloot te leenen, nogmaals naar het zuiden. Te Rome werd hij door koorts aangetast en stierf. Hij werd begraven in een oude sarcophaag met een porfieren deksel, dat gestolen was van de graftombe van Hadrianus. Deze sarcophaag stond vijf eeuwen in den Paradiso, het groote atrium (portaal) van de oude basiliek, maar toen Paulus V de gewelven van de kathedraal omstreeks 1610 herstelde, werd het porfieren deksel er afgenomen om als doopvont dienst te doen (zooals ook nu nog geschiedt); de oude sarcophaag werd naar de keuken gebracht om als trog te worden gebruikt en het gebeente van den jongen Keizer werd in de marmeren kist gelegd, die nu in de crypte (Grotte Vecchie) van de St. Pieter staat. Een mozaïek, dat waarschijnlijk door Keizerin Theophano is opgesteld, kan men nog dicht bij de tombe van Otto zien; het is een belangwekkend voorbeeld van de ontaarde kunst van deze periode.

De kleine Otto III, in 980 geboren, was onlangs te Aken door de Duitsche edelen tot Koning van Duitschland en van Italië gekroond, toen het bericht van zijn vader’s dood te Rome kwam. Zijn moeder, Keizerin Theophano, werd regentes en zij bleek die taak waardig, daar zij blijkbaar meer de natuur van haar vader geërfd had, den Keizer van het Oosten, Romanus, dan het schandelijk karakter van haar moeder.

Van de eerste zes jaren van haar regentschap vernemen wij weinig, behalve dat er te Rome, zooals gewoonlijk, hevige twisten waren. Een paus, Benedictus VI, was gevangen gezet en door de volksleiders geworgd; de volgende, Bonifacius VII, was voor de keizerlijken naar Constantinopel gevlucht; een derde, Benedictus VII, door het volk verdreven en door Otto II in zijn ambt hersteld, was opgevolgd door Johannes XIV, Bisschop van Pavia en keizerlijk kanselier. Maar Bonifacius kwam uit het oosten terug (985), zette Johannes af, vergiftigde hem of liet hem dood hongeren, en gedroeg zich zoo wreed, dat het volk opstond, hem vermoordde, zijn lijk door de straten sleurde en onder “het paard van Constantijn”, d.w.z. het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius (zie p. 300) wierp, den grooten heidenschen keizer-philosoof, wiens overpeinzingen zouden verstoord zijn, indien hij had kunnen voorzien, welk een vreemd gebruik men van zijn standbeeld zou maken.

De leider van deze opstanden was Crescentius, wiens vader ook het hoofd van de anti-Duitsche partij was geweest. Crescentius nam den ouden titel “Patricius” aan, en was blijkbaar eenige jaren lang, evenals Alberik vroeger, de machtigste in Rome, en niet alleen koos hij als Paus Johannes XV, die elf jaren regeerde, maar verdreef hem ook, toen hij lastig werd. Het is dus ietwat vreemd, wanneer wij Theophano nog in 989 te Rome vinden en blijkbaar zoowel door Crescentius als door dezen Paus als Keizerin erkend zien; en zelfs, toen de jonge Otto, nu zestien jaar oud, na haar dood en na het korte regentschap van koningin Adelheid, naar Rome kwam (966) om tot keizer gekroond te worden, schijnt Crescentius zich niet verzet te hebben en ook geen straf te hebben ontvangen. Maar hij zou weldra zijn lot ondergaan, zooals wij zullen zien.

Voordat het verhaal wordt voortgezet, moet er iets gezegd worden over de persoonlijkheid van den jongen Saksischen vorst, die negentien jaar regeerde en twee en twintig jaar oud werd. “De Germanen”, zegt een schrijver over deze periode van de Italiaansche geschiedenis, “waren groote, blonde menschen, bierdrinkers, geweldige eters, ruw, ongemanierd, aanmatigend, phlegmatiek en roekeloos”. Men is misschien maar al te zeer geneigd om deze beschrijving toe te passen op de Saksische Otto’s. Wellicht is dit vrij juist ten opzichte van Otto den Groote, die, naar men zegt, zeer onontwikkeld was, ofschoon hij, evenals Karel de Groote, een ijverige beschermer was van de wetenschappen23 en een vriend van geleerden, zooals de polyglotte Liudprand. Maar zeker is het niet juist deze beschrijving toe te passen op Otto II, die dweepte met de beschaving van het zuiden, donker van uiterlijk en klein van gestalte was, zooals gebleken is, toen zijn gebeente uit de sarcophaag werd genomen (vgl. p. 302). Nog minder juist is het ten opzichte van Otto III, ofschoon Gregorovius hem “een Germaan van top tot teen” noemt. Zijn moeder, de Byzantijnsche prinses Theophano, die afstamde van Keizer Basilius en Leo, bekend als philosoof, had hem begiftigd met een oostersch temperament en fantastische neigingen en zij had zijn geestdrift voor de Byzantijnsche beschaving en de idealen van het Christendom in het oosten aangewakkerd.

39. Kathedraal van Ferrara.

39. Kathedraal van Ferrara.

Toen Otto III, als jongeling van zestien jaar, voor het eerst in 996 te Rome kwam, was Paus Johannes XV juist gestorven. Hij liet dadelijk zijn achterneef, Bruno, tot Paus wijden; deze nam den naam Gregorius V aan en plaatste drie weken later den keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn vorstelijken beschermheer. Hij, de eerste Duitsche Paus, begunstigde niet alleen de hervormingen te Cluny (p. 296), maar koesterde, evenals Otto zelf, een warme geestdrift voor het kloosterleven, dat wederom, zooals natuurlijk was in zulk een periode van staatkundige en godsdienstige woelingen, zich in het Christendom deed gelden. Eenige merkwaardige voorbeelden hadden onlangs navolging opgewekt. De H. Nilus, een ongeletterde Calabriër, die als kluizenaar in een grot bij Gaeta leefde, werd door Otto en vele anderen met oprechte vereering aanbeden. De H. Romualdus van Ravenna, die iets later de Gereformeerde (Witte) Benedictijner Orde van Camaldoli stichtte, wekte ook geestdriftige belangstelling; men geloofde, dat door zijn invloed Doge Pietro Orseolo Venetië in stilte als pelgrim vermomd had verlaten, en zich had begraven in een Fransch klooster. Nog dieper indruk maakte Adalbert, de vrome en geleerde Bisschop van Praag, die, nadat hij te Rome de wijding voor het kluizenaarsleven had ontvangen, tegen zijn zin gedwongen werd naar zijn Boheemsche diocese terug te keeren en eindelijk den martelaarsdood zocht en vond onder de woeste heidenen van Noord-Polen.

Door den invloed van dergelijke voorbeelden werd de dweepzieke Otto gemakkelijk tot zonderlinge buitensporigheden verleid. Hij bezoekt nu eens als pelgrim den Monte Gargano en de reliquieën van den H. Bartholomaeus te Benevento24, dan weer gaat hij naar de tombe van den H. Adalbert in de wildernissen van Polen of beraamt een kruistocht om het Heilige Graf uit de macht van de Saracenen te bevrijden, een plan, dat eerst een eeuw later verwezenlijkt werd; soms ook zien wij hem in een aanval van razernij en fanatisme de meest bloeddorstige wreedheden bedrijven. Voorbeelden van dergelijke wreedheden, de onmenschelijke verminking en moord op den “tegen-Paus” Johannes XVI, die door Crescentius was gekozen in plaats van Otto’s neef Gregorius, en de terechtstelling van Crescentius zelf en alle voornaamste magistraten van Rome, zullen later behandeld worden als bewijs van de barbaarschheid der tiende eeuw. Een andere daad van Otto, waardoor hij blijk gaf van zijn zonderlinge neigingen, is het openen van de tombe in de kathedraal te Aken, waarin het lijk van Karel den Groote naar men zeide, op een troon gezeten was. Het is niet mogelijk met zekerheid vast te stellen, wat Otto vond en wat hij deed, met hetgeen hij vond; maar wij weten, dat zijn eigen lichaam te Aken zou begraven worden naast dat van Karel en toen hij in 1003 dicht bij Rome stierf, droegen zij hem daarheen, terwijl zij zich met geweld een weg baanden door Italië, dat in openlijken opstand was; want in de laatste jaren van zijn regeering had hij vergeefsche pogingen aangewend om zijn droom van een hersteld Romeinsch-Byzantijnsch Keizerrijk te verwerkelijken in Rome, dat hij de Eeuwige Stad en de eenige ware hoofdstad van de wereld noemde. Doch de inwoners van Rome koesterden een zoo groote minachting voor zijn staatkundige plannen en zijn religieuze bezieling, dat zij hem bij zijn laatste bezoek uitgelachen en beleedigd, en hem zelfs in zijn paleis op den Aventinus belegerd hadden, zoodat hij hen nauwelijks kon overhalen hem ongedeerd te laten vertrekken. Nadat hij zich een tijdlang in het klooster van St. Romualdus te Ravenna had teruggetrokken, besloot hij, ofschoon de heilige het hem met nadruk afried, het kloosterleven op te geven en nog eens een poging te ondernemen om zijn Imperium Romanum te herstellen. Maar eerst moest hij Rome zelf heroveren en terwijl hij aarzelde het aan te vallen, werd hij door koorts aangetast en stierf in het kasteel van Paterno, bij den berg Soracte. In deze dagen reisde een Byzantijnsche prinses naar Italië om zijn gemalin en de Keizerin van het Keizerrijk zijner droomen te worden. Wanneer wij ons denken, hoe zij zich over zijn levenloos lichaam boog, hebben wij misschien een zinnebeeldige voorstelling van zijn onvervuld gebleven wenschen.

Hendrik II, een Beiersch hertog van het Saksische huis, die Otto opvolgde, had persoonlijk niet veel met Italië te doen, maar zooals ook met andere Duitsche Koningen van Italië en Imperatores Romanorum het geval is, kan zijn regeering dienen als een bruikbare omlijsting van belangrijke gebeurtenissen. Otto’s pogingen om in Italië een Keizerrijk te stichten hadden niet slechts gefaald, maar zelfs een krachtig anti-Germaansch gevoel in het heele land opgewekt. Hij had gehoopt op den steun van de Kerk en den invloed van de geestelijkheid versterkt door te erkennen, dat zij het erfelijk recht op de gunst van de kroon had en onafhankelijk was van andere leenheeren. Hierdoor waren de edelen diep gegriefd en besloten het vreemde juk af te werpen. In Rome bezat de zoon van Crescentius, dien Otto had terechtgesteld, ondanks de keizersgezinde politiek van den wijzen Paus Silvester II, die vroeger de voogd van Otto was geweest, tien jaren lang groote macht als hoofd van de leeken-aristocratie, totdat hij werd opgevolgd door de Graven van Tusculum25, die de stad gedurende een nog langere periode beheerschten. In Noord-Italië was, niet alleen onder den adel, maar ook in de talrijke steden26, wier rijkdom en onafhankelijkheid snel toenam, de vijandige stemming tegen de Noordelijke barbaren zoo sterk, dat een maand na den dood van Otto III de markgraaf van Ivrea, Arduin, met de ijzeren Longobardische kroon te Pavia gekroond werd.

Hendrik, die reeds den titel van Koning der Romeinen had aangenomen, beantwoordde deze uitdaging door het zenden van een kleine legerafdeeling, die door Arduin verslagen werd. Toen kwam hijzelf met een leger en werd eveneens te Pavia met de ijzeren kroon als Koning van Italië gekroond; maar dat zijn rechten allerminst berustten op den wil van het volk, bewijst wel het feit, dat op denzelfden avond een zeer ernstig oproer uitbrak; de Duitschers staken Pavia in brand en verwoestten een groot deel van de stad27.

De republikeinsche beweging breidde zich, zooals overal elders, ook te Rome uit en de Graven van Tusculum zagen zich hierdoor genoodzaakt een tijdlang zich te verbinden met den Paus en de keizerlijke partij tegen Arduin en zijn aanhang. Het gevolg hiervan was, dat Hendrik werd uitgenoodigd den keizerlijken diadeem te aanvaarden; tegelijk met hem werd ook zijn koningin Kunigunde te Rome gekroond (1014). Wederom vonden er heftige anti-Duitsche betoogingen en ernstige onlusten plaats; maar zij werden met geweld onderdrukt en de aanwezigheid van den nieuwen Keizer en zijn machtig leger boezemden Koning Arduin zulk een vrees in, dat hij zich naar een Benediktijner klooster in Piemont terugtrok, waar hij weldra stierf.

De volgende tien jaren kenmerken zich door gebeurtenissen, die weinig verband hebben met Hendrik en zijn Duitschers, maar van groot belang zijn voor de toekomst van Italië. Pelgrims van de Noormannen28, terugkeerend van Jeruzalem (c. 1016), hadden Salerno tegen de Saracenen geholpen en waren door Melo van Bari in dienst genomen tegen de Byzantijnen. Maar de Byzantijnen hadden den rebel Melo en zijn Noormannen bij Canne (op het oude slagveld van Cannae) verslagen en hun heerschappij over het grootste gedeelte van Apulië en Calabrië weder bevestigd, en zelfs ook over Napels, Capua en Salerno.

Deze wending der gebeurtenissen bewoog zoowel Melo als Paus Benedictus VIII de reis naar Duitschland te ondernemen om Hendrik over te halen hen te komen helpen; en hij gaf aan hun verzoek gehoor. Met een groot leger marcheerde hij naar het zuiden en behaalde eenige voordelen; maar hij was weldra gedwongen terug te keeren naar zijn noordelijke landen, waar hij in 1024 stierf.

(4) De Frankische Keizers (1024–1125).

Zoowel Otto III als Hendrik II stierven kinderloos. De Duitschers kozen tot koning Koenraad II van Frankenland, d.w.z. het land van den Main, Würzburg en Nürnberg. De regeeringen van de vier Frankische Keizers, die juist een eeuw duren (1024–1125), behooren voornamelijk bij de geschiedenis van Duitschland en behoeven hier slechts vermeld te worden, voor zoover de geschiedenis van Italië in verband staat met de houding van het Italiaansche volk en de Pausen jegens die vreemde vorsten; deze beschouwden zichzelf en werden, niet alleen door hun noordelijke onderdanen, maar ook door een aantal hunner Italiaansche vazallen, leeken en geestelijken, beschouwd als degenen, die krachtens hun Duitsche koningskroon recht hadden op de ijzeren kroon van Lombardije en, als “aangewezen” Keizers (imperatores designati) op den diadeem van de Caesars. Deze rechten werden echter door de groote meerderheid van het Italiaansche volk allerminst erkend—een feit, dat zeer duidelijk aan het licht komt door de ernstige onlusten, die bijna regelmatig voorkwamen bij de kroningen te Pavia, Milaan en Rome en ook door de vijandige houding, waarmede een Duitsche koning, die Italië kwam bezoeken, ontvangen werd.

Doch om niet te verdwalen in het labyrint van staatkundige verwikkelingen van dit tijdperk en om de juiste verhouding tusschen de Duitschers en Italianen te ontdekken, is het noodig eenige punten vast te stellen en dit kan misschien vergemakkelijkt worden door de volgende opmerkingen. Ten eerste moet de invloed, dien de Duitsche vorsten op een deel van het Italiaansche volk bezat voornamelijk toegeschreven worden aan het feit, dat zij de kleine landbezitters (vooral de geestelijken, die beneficia bezaten) in bescherming namen tegen de machtige edelen, die op hen als hun leenmannen hun rechten wilden laten gelden. Daar zij deze beneficiarii erkenden als rechtstreeksche leenmannen van de kroon en niet als achterleenmannen van de groote edelen, wonnen zij hen voor de zaak van het keizerrijk en tegelijkertijd versterkten zij ten zeerste de onafhankelijkheid en macht van de geestelijken en een groot gedeelte van de leeken. Ten tweede werd Rome voortdurend bezocht door Duitsche vorsten en hun krijgslieden. Aldus verwierf de keizerlijke partij een zeer belangrijken aanhang. Dit verwekte steeds onlusten en bloedvergieten, waarbij de aristocratie, de volkspartij en de aanhangers van den Paus om beurten de hulp van den vreemdeling inriepen om hun tegenstanders te overweldigen. Bovendien waren zoowel de Romeinen als ook de Italianen van het zuiden dikwijls gedwongen de Duitsche vorsten om steun te vragen tegen de Byzantijnen, Saracenen of heerschzuchtige Longobardische hertogen. Ten slotte waren vele steden in Noord-Italië bezig zich onafhankelijk te maken als republieken en verwierven snel een belangrijke welvaart en grooten invloed29, sommige vooral door hun zeemacht, en deze republieken behoorden natuurlijk tot de patriottische, anti-Duitsche partij; doch de onderlinge twisten hadden dikwijls ten gevolge, dat de vreemdeling er bij werd geroepen, die altijd geneigd was tusschenbeide te komen en van die oneenigheden voordeel te trekken.

In dit verband moet men zich herinneren, dat het de gunst van de Frankische en Duitsche Keizers (vooral van de drie Otto’s) was, die het Pausdom tot zulk een machtige positie had verheven, dat het ten slotte in staat was door middel van zijn wereldlijke en geestelijke wapenen zijn beschermheer te trotseeren en vernederen. Dat nu de Kerk, d.w.z. eerst Aribert van Milaan en later Paus Gregorius VII (Hildebrand), de keizerlijke macht aldus weerstreefde, is ongetwijfeld een feit, dat de regeeringen van deze Frankische vorsten buitengewoon belangwekkend voor ons maakt. Derhalve zullen wij hierover nog eenigszins uitvoeriger spreken en het overige gedeelte van dit tijdperk in het kort behandelen, terwijl wij dergelijke onderwerpen als de overheersching van de Noormannen, de opkomst van de Republieken, en de ontwikkeling van de Romaansche bouwkunst voor volgende hoofdstukken zullen bewaren.

Aribert had zich meester gemaakt van de wereldlijke macht in Milaan, waar hij aartsbisschop was. Zijn eerzuchtig doel was, naar het schijnt, de Ambrosijnsche Kerk vrij te maken van Rome. Om zijn plannen te bevorderen noodigde hij Koenraad II uit naar Milaan te komen en kroonde hem met de ijzeren kroon in de kathedraal van S. Ambrogio. Na een verblijf van een jaar in Noord-Italië, trok Koenraad, aangespoord door zijn eerzuchtige gemalin Gisela, naar Rome (1027), waar zij beiden met den keizerlijken diadeem gekroond werden in tegenwoordigheid van vele vorsten, onder wie zich Kanoet (Knut), Koning van Denemarken, Noorwegen en Engeland bevond30. De Keizer bleef eenigen tijd in Zuid-Italië om te trachten zijn gezag aldaar te herstellen. De verwarde toestand in deze streken was bijna niet voor verbetering vatbaar; er was voortdurend oorlog tusschen Byzantijnen, Saracenen, Longobarden en vele steden, zooals Napels en Capua, die onder verschillende bestuurders zich onafhankelijk hadden gemaakt of den vrijen republikeinschen regeeringsvorm hadden aangenomen; en de toestand werd misschien nog erger door het feit, dat avonturiers van de Noormannen, die steeds in aantal toenamen, nu eens aan deze, dan weer aan gene partij hun diensten verhuurden. Het schijnt, dat Koenraad erin geslaagd is sommige deelen van het land tijdelijk aan zijn gezag te onderwerpen, want wij lezen, dat hij den Noormannen plechtig toestemming verleent zich bij Capua te vestigen en hen aldus een eerste pied-à-terre in Italië verschafte. Ten noorden van de Alpen waren zijn krijgsbedrijven zeer belangrijk, daar hij o.a. Bourgondië veroverde en annexeerde. Dit bracht hij tot stand door de hulp van een groot contingent Italiaansche troepen, en deze Longobarden en Toskaners, die Bourgondië bereikten over den Grooten St. Bernard en het meer van Genève, werden aangevoerd door den krijgshaftigen en eerzuchtigen Aartsbisschop Aribert van Milaan en door Bonifacius, den markies van Toskane, den vader van gravin Mathilde, die beroemd is zoowel om haar belangrijke “erfenis”, als ook om de rol die zij misschien vervult in Dante’s Aardsch Paradijs31.

Aribert werd nu bijna almachtig in Milaan, maar Koenraad, die hem niet in alle opzichten vertrouwde, ging naar Milaan en liet hem gevangen zetten. Groot is de verontwaardiging hierover; Aribert slaagt erin te ontvluchten, verschanst zich in het kasteel van Milaan en er wordt een slag geleverd, die onbeslist blijft. Koenraad laat het aan zijn troepen over den rebel te belegeren en gaat zelf naar Rome, waar hij den losbandigen Benedictus IX op den pauselijken troon herstelt32 en hem overreedt den banvloek over Aribert uit te spreken. Maar de aartsbisschop hield dapper stand in Milaan (welke stad hij nog zeven jaar bestuurde) en de Duitsche troepen trokken ten slotte weg naar Parma, waar zij bloedige gevechten leverden met de Italiaansche bevolking en de stad in brand staken. Koenraad trok nog eens naar het zuiden en ondernam met zijn vriend Paus Benedictus een eenigzins vergeefschen veldtocht tegen de Byzantijnen en een zekeren Pandulf van Capua; daarna ging hij weer noordwaarts met een leger, dat door de pest en koorts gedecimeerd was. De belegering van Milaan liet hij over aan zijn Italiaansche leenmannen en keerde zelf naar Duitschland terug, waar hij in 1039, waarschijnlijk aan de pest, stierf.

Hendrik III, de zoon en opvolger van Koenraad, regeerde ongeveer zeventien jaar als koning en tien jaar als keizer. Hij werd eerst ernstig bezig gehouden door onlusten in Hongarije en Carinthië, en toen hij ten slotte in 1046 besloot Italië een bezoek te brengen, deed hij dit blijkbaar niet zoozeer met de bedoeling den keizerlijken diadeem te ontvangen als wel om een eind te maken aan den schandelijken toestand, die toen aan het pauselijke hof heerschte. Hij was zeer godsdienstig van aard, geneigd tot ascetisme33 en begunstigde ernstig de hervorming van de Kerk, waarvoor de monniken van Cluny streden; zelfs was hij een voorstander van het moedige voorstel van een “Godsvrede” (treuga Dei), waarbij alle strijd gedurende vier dagen van de week zou verboden worden. Hoe de stand van zaken in Rome was, kan men eenigszins opmaken uit de volgende feiten; waarschijnlijk was het nooit erger, zelfs niet in de dagen van de Borgia’s. Toen Hendrik in Italië gekomen was, hield hij drie Concilies, te Pavia, in de oude Etrurische stad Sutri, en te Rome. Op deze Concilies werd het feit, dat de pauselijke waardigheid door Benedictus aan Gregorius verkocht was, veroordeeld als de snoodste simonie en werden de drie Pausen afgezet. Silvester trok zich in een klooster terug, Gregorius werd naar Duitschland gevoerd (vergezeld door Hildebrand, den monnik, van wien wij later meer zullen hooren) en Benedictus vluchtte met zijn bloedverwanten naar Tusculum. Hendrik liet den Duitschen Bisschop van Bamberg tot Paus kiezen en werd door hem op Kerstmis 1046 als Keizer gekroond.

40. Baptisterium, Kathedraal en Klokketoren, Pisa.

40. Baptisterium, Kathedraal en Klokketoren, Pisa.

Maar voordat er een jaar was verloopen, werd de Duitsche Paus, Clemens II, vergiftigd door handlangers van Benedictus, die met de hulp van den Toskaanschen markgraaf, Bonifacius, voor de derde maal den pauselijken troon besteeg. Hendrik zette hem weer af en benoemde den Duitschen Bisschop van Brixen; doch na drie en twintig dagen stierf ook deze Paus, Damasus II, plotseling, waarschijnlijk eveneens vergiftigd door handlangers van Benedictus. Wederom liet Hendrik een Duitscher, den Bisschop van Toul (in Lotharingen) tot Paus kiezen. Het schijnt dat Benedictus eindelijk van zijn aanspraken heeft afgezien. Zijn einde is onbekend. Een vriendelijke kroniekschrijver zegt dat hij kluizenaar is geworden en, als een heilige betreurd, is gestorven. Anderen verzekeren dat “hij voortging te leven als een beest”. Men geloofde algemeen, dat hij in het diepst van een donker woud geheime beraadslagingen hield met den Satan.

De Bisschop van Toul, die Rome op zijn bloote voeten (vergezeld door Hildebrand, den monnik, als zijn raadsman) binnenkwam, bleek als Paus Leo IX een ernstig hervormer te zijn en begon met ijver den Augiasstal van Rome te reinigen. Hij bezocht ook eenige van de voornaamste Europeesche steden om de hervorming te bevorderen en misbruiken af te schaffen, zooals simonie en het huwelijk van de geestelijkheid34.

Thans moeten wij onze aandacht richten op het feit, dat er, ten noorden van Rome, en ook ten zuiden, zich machten hadden ontwikkeld, die, in hoogere mate dan de op zich zelf staande republieken der steden, een gevaar voor de Duitsche heerschappij schenen te worden. In het noorden toonde de machtige Markgraaf van Toskane, Bonifacius, die reeds vermeld is als de vader van Gravin Mathilde, een duidelijke neiging om den vreemden overheerscher zijn rechten te betwisten. Zijn grootvader, Azzo, had het kasteel Canossa35 (dat weldra zoo beroemd zou worden) bezeten en had daar prinses Adelheid, met wie Otto de Groote later trouwde, op haar vlucht gastvrij ontvangen. Azzo en zijn zoon Ugo werden daarom zeer begunstigd en ontvingen weldra uitgestrekte beneficia, waartoe ook de steden Mantua, Brescia, Modena en Reggio behoorden. Van Koenraad II kreeg Bonifacius het markiezaat Toskane en hij hielp hem, zooals wij gezien hebben, bij de verovering van Bourgondië; maar in den laatsten tijd koesterde hij eerzuchtige plannen en had zich zelfs verbonden met vijanden van het Keizerrijk, zelfs met dien misdadigen ellendeling, Benedictus IX.

De Noormannen waren de andere vijandige macht. Hun geschiedenis wordt elders verteld. Hier zullen een paar feiten voldoende zijn.

Nadat de Noormannen van Koenraad II toestemming hadden gekregen om zich in de omstreken van Capua te vestigen, werd de stad Aversa hun voornaamste vesting. Ongeveer tien jaar later (c. 1040) kwam, met vele andere avonturiers van de Noormannen, een van de talrijke zonen van Tancred d’Hauteville aldaar aan, en de macht van de Noormannen, die steeds nieuw gebied veroverden en zich nu eens bij deze, dan weer bij gene partij (de Byzantijnen, Longobarden, de hertogen van Napels enz.) aansloten, werd zoo geducht, dat de bevolking van Benevento de hulp van Paus Leo IX inriep en hun stad aan hem overgaf36, op voorwaarde dat hij hen tegen deze lastige vijanden zou helpen. Leo nam dat aan. Hij vertrok dadelijk naar Duitschland en het gelukte hem van Hendrik een aantal soldaten te krijgen. Met deze en zijn eigen troepen marcheerde hij zuidwaarts langs de Adriatische kust, toen hij bij het voorgebergte Gargano de Noormannen ontmoette, onder wier aanvoerders zich thans de beroemde Robert Guiscard bevond; Leo werd volkomen verslagen en gevangen genomen. Maar de overwinnaars wierpen zich eerbiedig voor hem op de knieën en smeekten hem om vergiffenis; daarna voerden zij hem naar Benevento en hielden hem zes maanden als gijzelaar gevangen! Hij kocht zich waarschijnlijk vrij met de belofte hen te zullen bekleeden met de heerschappij over Apulië, Calabrië en zelfs over Sicilië, dat nog altijd in de macht van de Muzelmannen was.

Leo IX stierf kort na die ramp. Hendrik benoemde terstond weder een Duitscher, den Bisschop van Eichstadt (Victor II). Men moet hierbij opmerken, dat dit de vierde Paus was, die door den Keizer werd aangewezen en zonder eenige openlijke oppositie door het volk en de geestelijkheid van Rome werd gekozen. Geen wonder, dat deze Duitsche monarchen de investituur van Pausen en bisschoppen begonnen te beschouwen als een recht, dat onafscheidelijk verbonden was aan de keizerlijke, of zelfs koninklijke, waardigheid.

Hendrik begeleidde den door hem aangewezen Paus naar Italië. De verdachte plannen van den Markies Bonifacius hadden hem ongerust gemaakt en zijn ongerustheid was niet verdwenen door den dood van Bonifacius (1052), want diens weduwe Beatrice had een anderen tegenstander van hem getrouwd, namelijk Godfried van Lotharingen. Na de bruiloft was Godfried naar zijn noordelijke landen vertrokken en om den opstand in de kiem te onderdrukken nam de Keizer zoowel Beatrice als haar dochter Mathilde gevangen en voerde beiden naar Duitschland. Kort daarna, in October 1056, stierf hij.

Zijn zoon, Hendrik IV, een kind van zes jaren, werd als koning uitgeroepen onder het regentschap van zijn moeder Agnes. Om zijn lange regeering van vijftig jaar als een soort van lijst te gebruiken, waarin de schetsen van de vele en bonte tafereelen, die de geschiedenis van Italië van dit tijdperk vormen, gezet kunnen worden, zullen wij die regeering in vier perioden verdeden.

(1) Gedurende zes jaren (1056–1062) neemt de keizerin-weduwe Agnes het regentschap waar, terwijl het haar steeds moeilijker wordt gemaakt door vele oproeren. Daarna ontvoert Anno, de Aartsbisschop van Keulen, den jeugdigen koning en maakt zichzelf regent. (Agnes trekt zich in een klooster terug en sterft later te Rome.) Vervolgens neemt de Aartsbisschop van Bremen het regentschap over. In 1066 komt Hendrik zelf, die daarvoor nu den leeftijd bereikt had, aan de regeering en treedt krachtig en despotisch op, waardoor hij zich vele vijanden maakt. In 1073 breekt er een ernstige opstand onder de Saksers uit, en Hendrik wordt door bijna alle Duitsche edelen in den steek gelaten. De steden evenwel (vooral de steden aan den Rijn, zooals Worms) steunden hem en na veel bloedvergieten krijgt hij eindelijk eenigzins vasten voet en zou misschien zijn macht gevestigd hebben, als hij niet de uitdaging van de Paus had aangenomen.

(2) Van 1073 tot 1084 woedt de lange en dramatische strijd over de investituur tusschen Hendrik en Hildebrand. De voornaamste gebeurtenissen van dit tijdperk zijn de vernedering van den koning, nu een jong man van zeven en twintig jaar, over wien de banvloek is uitgesproken, te Canossa in 1077, de overwinning over zijn mededinger, Rudolf van Zwaben, zijn eindelijke triomf en kroning te Rome (1084); daarna volgde de bevrijding van den Paus en de plundering van Rome door Robert Guiscard en zijn Noormannen en Saracenen.

(3) Van 1085–1095 bestuurt Hendrik met tamelijk gunstig gevolg zijn noordelijke landen en bemoeit zich weinig met Italië, behalve dat hij in 1090 een korten veldtocht leidt tegen Mathilde van Toskane en Mantua en andere steden inneemt.

(4) Van 1095 tot zijn dood in 1106 wordt het leven van Hendrik IV verbitterd door den opstand van zijn zonen. Eerst wordt zijn oudste zoon, Koenraad, overgehaald de partij van den Paus en het Toskaansche hof te kiezen; hij wordt te Monza en later in de S. Ambrogio te Milaan als Koning van Italië gekroond. Zijn jongste innig geliefde zoon, Hendrik, een koelbloedige, berekenende ellendeling, wordt door de priesters en Gravin Mathilde verleid, en nadat hij zijn broeder Koenraad, die in 1101 sterft, heeft onttroond, voegen zich de meeste van de Zuid-Duitsche edelen bij hem. Maar het Rijnland geeft wederom blijk van zijn trouw aan den koning en de jonge rebel wordt gedwongen om vergiffenis te smeeken. Zijn vader ontmoet hem te Coblenz, omhelst hem onder tranen en volgt hem zonder argwaan naar een van zijn kasteelen in het Nahe-dal, waar hij verraderlijk wordt gevangen genomen en hem de belofte wordt afgedwongen, dat hij afstand zal doen van de regeering. Het gelukt hem echter te ontvluchten en hij verzamelt wederom troepen om zijn ontaarden zoon het hoofd te bieden; maar weldra sterft hij. Het lichaam van den koning, over wien nog steeds de ban bleef uitgesproken, werd begraven te Luik; het werd echter door priesters verwijderd en, nadat het een tijdlang op een eiland in de rivier de Maas had gerust, werd het gebracht naar Speyer, waar Hendrik de reusachtige Romaansche kathedraal had laten bouwen, die kort te voren voltooid was. Vijf jaren lang, tot 1111, bleef het lijk boven aarde staan, waarschijnlijk in opgerichte houding, in de zijkapel van St. Afra; maar eindelijk werd de ban opgeheven en werd het stoffelijk overschot in een tombe gelegd37.

In de twee eerste perioden van de regeering van Hendrik IV vonden er eenige belangrijke gebeurtenissen in verschillende deelen van Italië plaats. Dit zal evenwel verteld worden, wanneer de opkomst van de Republieken en de veroveringen van de Noormannen onze aandacht vragen. Hier zullen wij ons beperken tot de oorzaak van den Investituurstrijd en eenige feiten uit dat tijdperk.

De Duitsche Paus, Victor II, dien Hendrik III had benoemd (1054), was vriendelijk of politiek genoeg geweest om te trachten een verzoening tot stand te brengen tusschen het Duitsche en het Toskaansche hof. De Keizerin-weduwe Agnes werd overgehaald Gravin Beatrice en haar dochter Mathilde, die Hendrik als gijzelaars naar Duitschland had gevoerd, in vrijheid te stellen en zij gaf Godfried, den Hertog van Lotharingen, toestemming naar zijn gemalin en stiefdochter te Florence terug te keeren. Na den dood van Victor, werd Godfried’s broeder, de abt van Monte Cassino, gekozen tot Paus (Stephanus IX) en alles scheen goed te zullen gaan. Maar de Paus stierf plotseling te Florence, waarschijnlijk vergiftigd door handlangers van den Romeinschen adel, en deze edelen kozen dadelijk een van Hertogen van Tusculum (Benedictus X). Daarop benoemden Godfried en Beatrice, met toestemming van de Keizerin en op aanraden van den monnik Hildebrand en een ander vurig hervormer en asceet, Pietro Damiano van Ravenna38, den Bisschop van Florence, die als Paus Nikolaas II zich met gunstig gevolg te Rome vestigde, daar hij zijn mededinger Benedictus dwong te vluchten.

Aldus had de nieuwe partij der hervorming, gesteund door de onvermoeide werkkracht en ijver van Hildebrand, de overhand gekregen. In het algemeen moet het ontstaan van deze partij, zooals ook het geval was geweest met de hervormers van Cluny en dertig jaar later het geval was met St. Romualdus en zijn gereformeerde Benedictijnen van Camaldoli, en ook met de Vallombrosiërs en Kartuizers39, toegeschreven worden aan de verontwaardiging over de ruwe onzedelijkheid en simonie van de geestelijken; maar bij een man als Hildebrand was de voornaamste beweegreden zonder twijfel van politieken aard. Door aan te dringen op het celibaat (de slechtste van alle methoden om onzedelijkheid te bestrijden), hoopten dergelijke verdedigers van het Pausdom zich te verzekeren van de gehechtheid van een groote menigte, die geen andere banden had, staccata, zooals Balzani zegt, da ogni cura d’affetti mondani; en deze menschen kwamen in opstand tegen de leeken-investituur, niet slechts om dergelijke redenen, waarom men er toe is overgegaan kosteloos toegankelijke Kerken te stichten, maar ook omdat de handeling van de investituur gepaard ging met het schenken van beneficia (leengoederen), waardoor de geestelijke als vazal aan zijn keizerlijken leenheer gebonden werd. Zoo was Hendrik, toen hij tegen het Pausdom en den hoogen adel streed, in staat den steun van een groot aantal bisschoppen en abten in te roepen, die zijn rechtstreeksche vazallen waren.

Zoowel Nikolaas II als zijn opvolger Alexander II (Bisschop Anselmus van Lucca) waren door de Kardinalen gekozen, zonder de bekrachtiging van Agnes of Hendrik. Zij waren voorgedragen door Hildebrand en door hem daartoe aangezet vaardigden zij decreten uit, die aan de geestelijken het huwelijk verboden en aan de Kardinalen alleen, in overeenstemming met den clerus en het volk van Rome, het recht gaven Pausen te kiezen. En toen in 1073 Hildebrand zelf als Gregorius VII den pauselijken stoel beklom, aarzelde hij niet een besluit af te kondigen, dat feitelijk een oorlogsverklaring aan Hendrik was; want op zijn Concilie van 1075 liet hij een decreet aannemen, dat de investituur door leeken als de ergste simonie veroordeelde; tevens verklaarde hij het schenken van ring en staf door Koning of Keizer van geenerlei waarde, zette de bisschoppen af, die Hendrik had aangesteld en sprak over verscheidene den banvloek uit, als ook over eenige ambtenaren van Hendrik, die, volgens hem, geld hadden aangenomen van die prelaten om hen bij hun benoeming tot bisschoppen te steunen.

Hendrik, zeer verontwaardigd, riep een concilie van zijn geestelijken te Worms bijeen en, blijkbaar zeer gedachtig aan het prerogatief, dat zijn eigen vader zich had aangematigd en had uitgeoefend, zond hij Gregorius bericht, dat hij was afgezet. “Hendrik, koning, niet door usurpatie, maar door den heiligen wil van God, aan Hildebrand, die geen Paus meer is, maar een valsche monnik.” Zoo was de brief geadresseerd en hij eindigde aldus: “Ik, Hendrik, Koning bij God’s genade, en al mijn bisschoppen zeggen tot u: “Wees in alle eeuwigheid vervloekt!

Het antwoord van Hildebrand was de banvloek. In zijn geschriften40 verzekert hij, dat de Paus een hooger gezag bezit dan eenige vorst op aarde en de macht heeft om zelfs Keizers te onttronen: illi licet deponere imperatores. Maar de manier, waarop hij zijn meening duidelijk maakte was ongewoon en een bewijs van zijn grooten moed. De gevolgen waren geweldig, want de Duitsche edelen hielden een vergadering te Tribur, bij Mainz, en berichtten Hendrik, dat zij hem niet langer als hun leenheer zouden erkennen, wanneer hij niet binnen een jaar (dus vóór Februari 1077) absolutie van den ban verwierf. Er bleef nu slechts één uitweg voor hem open. Vergezeld door zijn gemalin en de geëxcommuniceerde bisschoppen en ambtenaren, trok hij midden in den winter de Alpen over om den vrede met den kerkvorst te herstellen. In Lombardije boden velen hem hun diensten aan en trachtten hem over te halen weerstand te bieden; maar hij besloot zijn plan ten uitvoer te brengen en, gekleed als boeteling, barrevoets, kwam hij bij het voorvaderlijke kasteel van Mathilde, Canossa, waar Gregorius zich had teruggetrokken, toen hij gehoord had, dat de Lombardijsche steden Hendrik en zijn gevolg hulp hadden aangeboden.

Drie dagen lang moesten Hendrik en zijn gevolg voor de poort van de binnenplaats in de sneeuw wachten. Toen hij eindelijk werd toegelaten, wierp hij zich op de knieën, verwierf ten slotte vergiffenis en kreeg vergunning om wederom van de heilige hostie te proeven, terwijl hij moest beloven zichzelf als onttroond te beschouwen, totdat zijn edelen en zijn volk hem herkozen zouden hebben41. De verontwaardiging der Duitsche edelen over deze zelf-vernedering verwekte wederom een grooten opstand en Rudolf van Zwaben, Hendrik’s schoonbroeder, werd tot koning uitgeroepen. Maar Hendrik trad krachtig en moedig op en werd geholpen door Frederik van Staufen (van Buren), de eerste bekende persoonlijkheid van dat beroemde huis, die later schoonzoon van Hendrik en Hertog van Zwaben werd. Er werd slag geleverd (October 1080) bij Merseburg, een stad dicht bij Leipzig, die reeds bekend was door de worsteling van Hendrik I tegen de Hongaren. Daar werd Rudolf, naar men zegt, gedood door Godfried van Bouillon, die in Rudolf’s plaats Hertog van Zwaben werd; later werd deze wereld-beroemd als de Kruisvader che ’l gran sepolcro liberò di Cristo en weigerde een koningskroon te dragen in de stad, waar de Koning der Koningen een doornenkroon had gedragen.

41. S. Martino (Kathedraal), Lucca.

41. S. Martino (Kathedraal), Lucca.

Deze daden hadden de veete tusschen Hendrik en den Paus hernieuwd; Gregorius zette hem wederom af, sprak den banvloek over hem uit en erkende Rudolf als koning. Hierop antwoordde Hendrik dadelijk door nog eens een concilie van zijn bisschoppen, nu te Mainz, bijeen te roepen, waar Gregorius van zijn waardigheid vervallen werd verklaard en Wibert, de Aartsbisschop van Ravenna tot Paus werd gekozen. Na zijn overwinning bij Merseburg trok Hendrik naar Italië, ontving de ijzeren kroon te Pavia en sloeg driemaal het beleg voor Rome, terwijl zijn leger hevig te lijden had van malaria; tegen het einde van 1082 drong hij de città Leonina42 binnen. Gregorius vluchtte naar den sterken Engelenburg. In 1083 trok Hendrik den Tiber over, bezette het Lateraan en riep alle edelen en geestelijken van Rome (ook Gregorius, die niet verscheen) op om een Concilie te houden, waar de verkiezing van Wibert als Paus werd bekrachtigd; en Paaschzondag 1084 kroonde deze nieuwe Paus, bekend als de “tegen-Paus” Clemens, in de basiliek van St. Pieter, Hendrik en zijn koningin Bertha als Keizer en Keizerin.

Al dien tijd bleef Paus Gregorius veilig verschanst in den geweldigen burcht van S. Angelo en wachtte op ontzet. Deze hulp verwachtte hij, en niet tevergeefs, van de Noormannen, die zich in deze periode onder verschillende aanvoerders, maar vooral onder Robert Guiscard, blijvend gevestigd hadden in Zuid-Italië en daar een geduchte macht waren geworden. Zij hadden, zooals men zich zal herinneren, Leo IX volkomen verslagen en gevangen genomen. Doch een paar jaren later (1060) schijnt Paus Nikolaas II de veroveringen van de Noormannen te hebben bekrachtigd en hen beloofd, dat hij hen de souvereiniteit over Calabrië en zelfs over Sicilië, zoodra zij dit op de Saracenen konden veroveren, zou toestaan en in 1080 had Robert Guiscard, door Hildebrand tot Hertog van Apulië en Calabrië benoemd, hem, als zijn leenheer, trouw gezworen en de aanspraken van het Pausdom op Benevento erkend.

Door dezen handigen politieken zet had de Paus zich verzekerd van den krachtigen steun der Noormannen. Men kan wel vragen, met welk recht de Pausen aanspraak maakten op het leenheerschap over de Apulische en Calabrische hertogdommen, om niet te spreken van Sicilië, dat nog steeds in de macht van de Saracenen was. Maar, zelfs al berustten hun aanspraken op geen hechter grondslagen dan op de fictieve Donatie van Constantijn, de gevolgen van hun staatkunde waren duidelijk genoeg; want in antwoord op Gregorius’ dringend verzoek om hulp marcheerde Robert Guiscard met ongeveer 40.000 man, waaronder vele Saraceensche huurlingen, naar Rome. Drie dagen voor hun aankomst was Hendrik wijselijk naar het noorden getrokken, terwijl hij beloofde met een groot leger te zullen terugkeeren. De Noormannen drongen met geweld binnen en plunderden de stad (Mei 1084).

Nooit te voren, vertelt men, heeft Rome van haar veroveraars zooveel te lijden gehad. De verwoesting van ontelbare monumenten en vele prachtige kerken (waaronder de S. Clemente) wordt aan de Saracenen van Robert Guiscard toegeschreven. Wat Paus Gregorius betreft, hij werd verlost uit zijn lange gevangenschap in de Moles Hadriani, doch vond het raadzaam Rome met zijn bevrijders te verlaten en stierf in den loop van het volgend jaar te Salerno. Zijn laatste woorden worden dikwijls door zijn bewonderaars aangehaald: Dilexi justitiam, odi iniquitatem; propterea morior in exilio. Maar deze verklaring schijnt niet bijzonder oorspronkelijk en evenmin waar te zijn.

In de derde periode van Hendrik’s regeering (1085–95) vonden slechts een paar gebeurtenissen plaats, die hier moeten vermeld worden. In Rome heerschten, zooals dikwijls het geval was, voortdurend onlusten, die veroorzaakt werden door de eindelooze twisten tusschen de verschillende partijen van clericalen en leeken. De verkiezing van Urbanus II, een Franschen monnik van Cluny en Bisschop van Ostia, die de politiek van Hildebrand krachtig voortzette, verdient vermelding wegens het feit, dat hij Koenraad tegen zijn eigen vader heeft opgestookt en wegens den roem, dien hij heeft verworven door zijn geestdriftvolle opwekking tot den eersten Kruistocht.

Drie jaren na zijn verkiezing werd hij gedwongen Rome een tijdlang te ontvluchten, omdat de Romeinen, nadat Hendrik met goed gevolg een veldtocht in Toskane had ondernomen, uit vrees voor zijn wraak zich meester hadden gemaakt van den Engelenburg en den “tegen-Paus” Clemens hadden uitgenoodigd terug te keeren. Maar de triumf van Clemens duurde niet lang en weldra (1093) nam Urbanus zijn plaats op den troon van het Lateraan wederom in. Andere, misschien meer belangrijke gebeurtenissen, die verhaald zullen worden in een later hoofdstuk, waren de schitterende krijgsdaden van Robert Guiscard en zijn Noormannen in Dalmatië, zijn dood in 1085, de eindelijke overweldiging van de Saracenen en de verovering van Sicilië door zijn broeder, Graaf Roger, in 1091.

De voornaamste gebeurtenis van de vierde periode (1095–1106), een feit dat bijna op de geheele wereld zijn invloed heeft doen gelden, was zonder twijfel de eerste kruistocht. Die invloed werd meer in Italië gevoeld dan in Duitschland, waar men vol verbazing naar de woeste horden van voorbijgaande kluizenaars staarde en waar de beklagenswaardige veete tusschen Hendrik en zijn zonen verhinderde, dat men met geestdrift deelnam aan de onderneming, die door de prediking van Peter van Amiens werd voorbereid; maar Italië zelf werd toch niet meegesleept door den wervelwind, die Frankrijk half ontvolkte43.

Ofschoon verscheidene Pausen, waartoe ook de Duitscher Leo IX behoorde, het verlangen te kennen hadden gegeven om het graf van Christus te bevrijden, had toch het voorstel om het plan te verwezenlijken, dat men waarschijnlijk moet toeschrijven aan de Fransche hervormers van Cluny, den Italianen geen geestdrift kunnen inboezemen, toen te Piacenza en later te Clermont de Franschman Urbanus den Kruistocht afkondigde. Mogelijk ook werd in steden, zooals Genua, Pisa en Venetië door de bezorgdheid voor den uitgestrekten handel het vuur van het fanatisme gedoofd. Wellicht was ook de aanwezigheid van de Muzelmannen op Sicilië en de vijandige houding van de Noormannen tegen den Keizer van het Oosten, die gezanten had gestuurd naar het Concilie te Piacenza om hulp te vragen tegen de Turken, een hinderpaal voor de beweging in Zuid-Italië. Maar niet weinig Italiaansche Noormannen sloten zich bij den Kruistocht aan, waaronder Bohemund, de oudste zoon van Guiscard, uitblonk en Italië verleende krachtigen steun door ontelbare kruisvaarders over te voeren, die Rome doortrokken en zich te Bari inscheepten; deze stonden versteld over den toestand van heidensche verwildering, die zij in de metropolis van de Christelijke wereld aantroffen.

Wij gaan nu over tot de regeering van Hendrik V. Zijn verhouding met het Pausdom leek eerst vriendschappelijk, maar weldra was ook hij van meening, dat hij het recht van investituur, dat hem het leenheerschap over zijn bisschoppen verzekerde, niet kon missen, en toen Paus Paschalis hardnekkig weigerde hem dat recht toe te staan, trok de koning in 1110 met zijn leger de Alpen over. De Lombardijsche steden, behalve Milaan en Pavia, erkenden hem; te Florence werd hij zelfs ontvangen door Gravin Mathilde, die ongeveer twintig jaren geleden, op den leeftijd van drie en veertig, als haar tweeden gemaal had genomen een jongeling van achttien jaren, den stamhouder van het hertogelijk geslacht van de Welfen of Guelfen44, die trouwe bondgenooten van de Pausen en tegenstanders van de Frankische Keizers waren45.

Paus Paschalis was in groote verlegenheid. Hij kon geen hulp verwachten van Mathilde en haar Toskaners en evenmin van de Noormannen van Zuid-Italië, die toen juist door den zwakken en ziekelijken Willem, den kleinzoon van Robert Guiscard geregeerd werden. Hij teekende dus een verdrag, waarbij de Kerk afstand deed van de wereldlijke rechten der investituur, maar de geestelijke rechten behield en stemde er in toe Hendrik als Keizer te kronen. Maar toen het document werd voorgelezen aan de geestelijken en de edelen, die in de St. Pieter verzameld waren om de kroning bij te wonen, ontstond er een hevig tumult en Hendrik vond het raadzaam den Paus en zestien kardinalen gevangen te nemen en naar Tivoli weg te voeren. Eindelijk gaf de Paus toe. Hij teekende een Privilegium, waarbij hij aan den koning het recht van investituur “met ring en staf” toestond, en in April 1111 vond de kroning plaats, die zoo ruw onderbroken was.

Hendrik V had nu het hoogtepunt van zijn macht bereikt en hij versterkte zijn invloed door in 1113 een huwelijk aan te gaan met een Engelsche prinses, Maud of Mathilde, de dochter van Hendrik I, die later de gemalin van Godfried Plantagenet en de moeder van Hendrik II van Engeland werd.

In 1115 stierf Gravin Mathilde, negen en zestig jaar oud. Haar jeugdige echtgenoot had haar reeds lang verlaten en zij had geen wettigen erfgenaam. Zij liet bijna al haar bezittingen aan de Roomsche Kerk na. Welke ook de rechten waren, die zij ten opzichte van haar allodiale bezittingen bezat, zij had zeker niet het recht de erfelijke leengoederen, die zij (op onwettige wijze, zeide men, daar zij een vrouw en een rebel was) als vazal van de kroon had, aan iemand, behalve aan een wettig erfgenaam, na te laten. En zelfs al nemen wij aan, dat haar rechten als onafhankelijke heerscheres bekrachtigd waren door het Toskaansche volk, zij was toch niet gemachtigd om het land, met of zonder souvereine rechten aan de Pausen of aan iemand, wie dan ook, over te geven. Deze erfenis had echter zoowel goede als slechte gevolgen, want, ofschoon Toskane later erg geplaagd en geteisterd werd door Pausen en Keizers, grepen verscheidene steden van Toskane de gelegenheid aan om het leenmanschap af te werpen en zich onafhankelijk te verklaren. De geschiedenis van de Florentijnsche republiek begint met den dood van Gravin Mathilde.

In 1117, toen deze Toskaansche steden weigerden de Vicarissen van Hendrik te ontvangen en Paus Paschalis zijn Privilegium had herroepen, trok de koning wederom met een leger de Alpen over. Het schijnt, dat hij ervoor terugdeinsde een aanval op de verbonden steden te wagen, en hij marcheerde recht op Rome aan, daar hij besloten had niet alleen een bekrachtiging van zijn privileges, maar ook een herhaling van de kroningsplechtigheid te eischen. Maar Paus Paschalis was gevlucht. Hendrik overreedde dus een kardinaal om hem te kronen en vertrok toen. Doch na den dood van Paschalis kwam hij haastig terug en liet dien kardinaal, Burdino, tot Paus kiezen, of liever tot tegen-paus, want het volk van Rome had reeds Gelasius II benoemd. Een geweldig oproer volgde daarop. Eindelijk, toen Paus Gelasius in ballingschap te Cluny was gestorven, werd een bekwame en besliste tegenstander van den keizer door de kardinalen, die te Vienne, in Frankrijk vergaderd waren, gekozen. Deze Paus, die Aartsbisschop van Vienne was en een bloedverwant van den Franschen koning en van Hendrik, nam den naam van Calixtus II aan. Hij sprak terstond den banvloek uit over den tegen-paus van Hendrik en dit flinke optreden had voor hem een gunstig gevolg, want met den tegen-paus liep het ellendig af46 en Hendrik, afgemat door de oppositie in zijn eigen land en daar buiten, nam ten slotte genoegen met de overeenkomst (Concordaat), die het Concilie te Worms in 1122 voorstelde.

Volgens de voorwaarden van het Concordaat deed Hendrik V afstand van het recht om prelaten te kiezen en hen te bekleeden met “ring en staf”. Zijn gezant mocht bij de investituur tegenwoordig zijn; maar dit was een ijdele vorm. Hij had ook het recht door de aanraking van zijn schepter de wereldlijke macht te verleenen, d.w.z. de landen en inkomsten van het ambt aan den nieuw benoemden dignitaris over te geven, hetgeen echter dikwijls een tamelijk onbelangrijk koninklijk privilege was. In het algemeen leed het koningschap door dit Concordaat aanmerkelijke schade. De domeinen van de voorname edelen waren oorspronkelijk veroverde of verbeurd verklaarde landen, waarvoor zij, als leengoederen, trouw schuldig waren aan de kroon; maar deze machtige edelen verpachtten dikwijls hun bezittingen of beloofden op hun beurt bescherming in ruil voor leenmanschap (hetgeen men recommandatie noemde) en verwierven zich aldus een groote menigte van achterleenmannen, die naar hun meening den koning geen trouw schuldig waren. Deze toestand werd door de Duitsche koningen hevig bestreden, doch met weinig goed gevolg. Derhalve vertrouwden zij voornamelijk op de bisschoppen en andere clericale waardigheidsbekleeders, die zij kozen, en die hun leenmannen waren door de uitgestrekte kerkelijke beneficia, waaruit het grondbezit van het rijk voor een groot gedeelte bestond. Maar door het concordaat van Worms verloor de koning de bevoegdheid om personen te kiezen, die voornamelijk zijn belangen behartigden en de koninklijke macht leed ernstig door deze uitbreiding van de pauselijke rechten47.