Calixtus zoowel als Hendrik V stierven niet lang na het Concordaat van Worms. Hendrik had geen kinderen en wederom kwamen de edelen te Tribur bijeen; de meeste van deze edelen verheugden er zich in hun bevoegdheid als keurvorsten te kunnen uitoefenen en aldus te protesteeren tegen een erfelijk koningschap. Frederik van Staufen, zoon van dien Frederik, die door Hendrik IV tot Hertog van Zwaben was verheven en zijn dochter had getrouwd, was de voornaamste pretendent; maar het Concordaat droeg reeds vruchten en de aartsbisschoppen, gesteund door eenige van de edelen, slaagden erin zoowel de aanspraken van Frederik als van zijn broeder Koenraad te verwerpen, “daar zij te zeer bezield waren met Ghibellijnschen geest”. Een verknochte aanhanger van de Kerk, de vroegere leider van de Saksische en Welfsche rebellen, Lotharius, werd gekozen. Frederik weigerde eerst de koninklijke domeinen op te geven, waarop hij aanspraak had gemaakt, maar eindelijk besloot de familie der Staufen den nieuwen koning te erkennen, doch niet voordat Koenraad als Koning van Italië en “aangewezen” Keizer door het volk van Milaan was erkend (1130) en te Monza met de ijzeren kroon gekroond was. In 1133 kwam Lotharius te Rome. Hier hadden, als gewoonlijk, ernstige onlusten naar aanleiding van de verkiezing van verschillende Pausen plaats gehad. De een was Innocentius II, gesteund door de invloedrijke familie der Frangipani; de ander was Anacletus, behoorende tot de oude Joodsch-Romeinsche familie der Pierleoni, een monnik van Cluny en leerling van den beroemden Abelard van Parijs. Anacletus had in Rome de overhand gekregen en Innocentius was naar Frankrijk gevlucht, waar hij een krachtigen steun vond in St. Bernard van Clairvaux, die een heftig tegenstander van Abélard en zijn leer was.
St. Bernard kreeg van Lodewijk van Frankrijk de opdracht uitspraak te doen tusschen de twee Pausen en besliste natuurlijk ten nadeele van Anacletus. Maar Innocentius moest met geweld worden hersteld; de orthodoxe Lotharius nam die taak op zich en liet zich bij die gelegenheid tevens door Paus Innocentius te Rome als Keizer kronen (1133). Zijn vrome dankbaarheid voor deze gunst bracht er hem toe van den Paus de souvereine rechten over de voormalige bezittingen van Mathilde aan te nemen en aldus erkende hij de geldigheid van Mathilde’s erfenis en degradeerde zichzelf tot een vazal van het Pausdom.
Roger de Noorman, van Sicilië, die zich in 1130 tot koning had laten uitroepen, was door Anacletus erkend, maar niet door Innocentius. Hij begon zich thans meester te maken van Zuid-Italië en Innocentius riep Lotharius te hulp; deze kwam met zijn leger en met Genueesche en Pisaansche schepen en, geholpen door de steden Napels en Capua, die waren opgestaan, was hij in staat Roger naar Sicilië terug te drijven. Maar weldra trokken Lotharius en zijn leger naar het noorden terug en in December 1137, kort nadat hij de Alpen was overgetrokken, stierf hij.
Toen het bericht van zijn dood was gekomen, keerde Roger terug en niet alleen heroverde hij alles, wat hij verloren had, maar ook versloeg hij Innocentius en nam hem gevangen; door een edelmoedige behandeling evenwel verwierf hij eindelijk de bekrachtiging van zijn koninklijken titel.
De Welfsche Hertog van Beieren en Saksen, Hendrik de Trotsche, aan wien Lotharius de landen van Mathilde als achterleen had gegeven en die derhalve over een uitgestrekt gebied heerschte, stelde zich voor tot koning te worden verkozen en had zich reeds van de koninklijke insignia meester gemaakt. Maar wederom schrikte het Duitsche volk er voor terug een al te machtigen vorst te kiezen en de aanspraken van een ander mededingend geslacht te bestendigen. Zelfs nog vóór de bijeenkomst te Tribur werd de Ghibellijn Koenraad van Staufen tot koning uitgeroepen en gekroond, en Hertog Hendrik vond het raadzaam de koninklijke insignia terug te geven; weldra moest hij ook zijn Saksisch Hertogdom overgeven, want de hevige uitbarsting van de veete tusschen Welfen en Ghibellijnen, die in deze jaren het volk in twee partijen verdeeld hield, eindigde ten gunste van Koenraad.
42. La Collegiata, S. Gimignano.
Te midden van zoovele onlusten was het niet waarschijnlijk, dat Koenraad zich veel met Italië kon bemoeien; maar men zal zich herinneren, dat, terwijl hij met Lotharius naar de Duitsche kroon dong, hij erin geslaagd was, hoewel de banvloek over hem was uitgesproken, den Aartsbisschop van Milaan te overreden hem met de ijzeren kroon als Koning van Italië en “aangewezen” Keizer te kronen. Hij streefde er dus naar zijn aanspraken op die titels te verwezenlijken en wij zullen later zien, hoe hij dit trachtte te bereiken. Ondertusschen vraagt Rome wederom onze aandacht.
De republikeinsche beweging, die reeds zeer groote uitbreiding had in het noorden van Italië, werd in het zuiden ernstig tegengewerkt door de veroveringen van de Noormannen. In Rome zelf had de geest van vrijheid, ofschoon deze krachtig onderdrukt werd door invloedrijke families, zooals de Tusculaansche graven, de Crescenzi en de Frangipani, en door die Pausen, die de werktuigen van de aristocratische en keizerlijke partijen waren, zich toch in zooverre laten gelden, dat het burgerlijk bestuur van de stad vrijwel republikeinsch was, terwijl het leger, volgens de twaalf wijken van Rome in twaalf scholae verdeeld, met zijn twaalf bevelhebbers (banderesi) onder toezicht van het volk stond. Maar een plotselinge en hevige uitbarsting zou ten gevolge hebben, dat Rome een tijdlang een volkomen republiek werd. De kleine stad Tibur (Tivoli), wier liefde voor de vrijheid de vrijheidslievende Romeinen ten zeerste had gehinderd, was overweldigd, maar weigerde hardnekkig zich te onderwerpen aan het Romeinsche volk, op grond van de bewering, dat de Paus het eenige hoogste gezag in Rome was; en toen Paus Innocentius openlijk deze theorie steunde, vond er een omwenteling plaats: de Republiek werd afgekondigd, de Prefectuur afgeschaft, en de Senaat, voornamelijk samengesteld uit burgers in plaats van patriciërs, werd geïnstalleerd op het Capitool48. In hetzelfde jaar (1143) stierf Innocentius en eveneens zijn opvolger, Celestinus. De volgende Paus, Lucius II, werd doodelijk getroffen door een steen, toen hij aan het hoofd van een bende edelen het Capitool trachtte te bestormen; zijn opvolger, Eugenius III, die op denzelfden dag werd gekozen, werd genoodzaakt uit Rome te vluchten49. Als Consul of eerste senator van de nieuwe republiek werd Giordano gekozen, blijkbaar een afvallig lid van de aristocratische familie der Pierleoni, want hij was, zeide men, een broeder van den tegen-paus Anacletus. Onder zijn presidium schijnt de herrezen Romeinsche Republiek zich gevestigd te hebben op een stevigen grondslag, waarvan zij zelfs door de vereenigde krachten van Barbarossa en Paus Hadrianus IV niet kon worden afgeworpen. Te oordeelen naar haar munten, erkende de Republiek in den eersten tijd den Keizer als haar vorst, maar stond den Paus geen aandeel in de regeering toe, en dwong hem van alle wereldlijke macht afstand te doen en zich tevreden te stellen met tienden en geschenken.
Men geloofde vroeger, dat deze omwenteling was voorbereid en geleid door Arnold van Brescia; doch het schijnt zeker, dat hij zelf, ofschoon zijn leerstukken reeds over geheel Italië50 waren verspreid en zonder twijfel grooten invloed uitoefenden op de Romeinsche republikeinen, in 1143 niet te Rome was, aangezien hij daar in 1145 voor het eerst kwam.
Arnold, geboortig uit Brescia, had onder Abelard te Parijs gestudeerd en was een geestdriftig bewonderaar geworden van het oude Rome en de republikeinsche vrijheid. Bij zijn terugkeer in Italië werd hij monnik en predikte vurig tegen alle vormen van tyrannie, vooral tegen de wereldlijke macht van de Pausen, terwijl hij met voorliefde de apostolische armoede aanhaalde, die ook St. Benedictus prees, toen Dante hem in den hemel51 ontmoette:
Pier cominciò senz’ oro e senz’ argento,
Ed io con orazione e con digiuno.
Maar Arnold’s welsprekendheid werd koel ontvangen, zelfs te Brescia, en hij keerde naar Frankrijk terug, waar zijn leermeester Abelard hevige aanvallen te verduren had van St. Bernard; en nadat de toornige heilige den ketteraanvoerder verpletterd had, wendde hij zich tegen diens leerling. Arnold werd verbannen en schijnt eenige jaren, misschien als onderwijzer, in Zürich te hebben doorgebracht, een plaats, waar later een gelukkiger hervormer, Zwingli, heeft gewoond. In 1145 vinden wij hem te Rome, waar zijn staatkundige theoriën uitvoerig in praktijk werden gebracht. Tien jaren lang bezielde en leidde zijn ijver en geleerdheid de jonge republiek, en wanneer zijn hoogste ideaal verwerkelijkt was, het ideaal van een waarlijk apostolisch Pausdom, hoog tronend boven elke begeerte naar wereldlijke rijkdom en macht, hoevele eeuwen van ellende zouden Italië, en het menschdom, bespaard zijn gebleven! Maar het laffe weifelen van Koenraad en de blinde staatkunde van Barbarossa in zijn eerste dagen, misbruikt door de verwaande eerzucht van een Engelschen Paus, verijdelden een hervorming, die misschien heilzamer en grondiger was geweest dan die van Luther’s tijd.
In 1147 namen een millioen krijgslieden van West-Europa, voornamelijk opgewekt door de prediking van St. Bernard, deel aan den tweeden kruistocht. Deze verwekte meer geestdrift in Duitschland dan de eerste kruistocht, en Koenraad III besloot eindelijk zich er bij aan te sluiten. Twee jaren was hij in het Oosten, en het verdient vermelding, dat in zijn gevolg zich twee strijders bevonden, die in onzen geest twee zeer levendige, maar geheel verschillende voorstellingen wakker roepen. Een van deze was zijn neef, de jonge Frederik van Staufen (Barbarossa), die vele jaren later, als Kruisvaarder, wederom naar die oostersche landen trok en daar stierf. De ander was een voorvader van Dante, zijn overgrootvader, Cacciaguida, die, toen de dichter hem in den hemel van Mars52 ontmoette, hem vertelde, dat hij op aarde Keizer Koenraad gevolgd was en dat deze hem tot ridder had geslagen (mi cinse della sua milizia).
Maar deze “imperador Currado” werd nooit als Keizer gekroond. Toen hij in 1149 uit het oosten terug kwam, zonden de Romeinsche senatoren, misschien op aanraden van Arnold, hem eenige bombastische epistels. In den laatste van deze, doorspekt met barbaarsche hexameters, wordt hij “de Heerscher over de Stad en de geheele Wereld”, “Koning der Romeinen” en “Augustus” genoemd; men smeekt hem te komen en den roem van het Romeinschen Keizerrijk te herstellen, zooals het onder Constantijn en Justinianus was, voordat het te gronde werd gericht door de Pausen en den adel. Ook werd daarin te kennen gegeven, en terecht, dat het Romeinsche volk, en niet de Paus, de werkelijke bevoegdheid had om iemand met de keizerlijke waardigheid te bekleeden.
Doch Koenraad aarzelde. Hij was noch verstandig noch dapper genoeg om het aanbod aan te nemen. Ten slotte schreef hij, dat hij zou komen “om de orde te herstellen, de trouw van zijn vrienden te steunen en de opstandelingen te straffen”, een ietwat dubbelzinnig antwoord, dat de republikeinsche partij met vrees vervulde. En deze vrees nam grootelijks toe, zoodra het bekend werd, dat Koenraad onderhandelingen had aangeknoopt met Paus Eugenius, die uit Frankrijk was teruggekomen en de laatste drie jaren in Latium van de eene plaats naar de andere rondzwierf. Eindelijk, nadat hij eenige lastige Welfsche rebellen in Duitschland had onderworpen, schreef Koenraad, niet aan den Senaat, dien hij negeerde, maar aan den weder onlangs benoemden Prefect en aan andere magistraten, en gaf als zijn voornemen te kennen, dat hij Rome zou bezoeken en gekroond wilde worden, niet door afgevaardigden uit den Senaat, maar door den Paus. Dit plan echter werd niet uitgevoerd, want hij stierf in Februari 1152, voordat de maatregelen voor zijn reis voltooid waren.
Koenraad liet een zoon na, die slechts acht jaren oud was. Daarom had hij de keurvorsten verzocht zijn neef te kiezen, die met hem aan de kruistocht had deelgenomen, Frederik van Staufen, die nu een en dertig jaar was. Frederik’s staatkunde betreffende Italië werd weldra duidelijk. Toen de Romeinsche Senaat hem, evenals vroeger aan Koenraad, een hoogdravend schrijven zond, waarin werd medegedeeld, dat de S. P. Q. R. er trotsch op zou zijn hem te bekleeden met den titel van Keizer, antwoordde hij, dat zijn voorvaderen dien titel met de wapenen hadden gewonnen en “dat hij, die het durfde, maar moest trachten Hercules de knots te ontwringen”. Hij had besloten de hydra van de republikeinsche vrijheid te dooden. Hij schreef aan Paus Eugenius; deze wakkerde door zijn antwoord Frederik’s toorn jegens de onbeschaamde senatoren nog aan en verklaarde hem te zullen kronen, indien hij kwam en Rome, zooals hij beloofd had, onderwierp aan het Keizerrijk en de Heilige Kerk. En Frederik stelde zijn komst niet lang uit. Zoodra hij zijn gezag in zijn noordelijke landen stevig had gevestigd, de kronen van Denemarken en Boheme had vergeven en Bourgondië had geannexeerd, trok hij de Alpen over en hield in November 1154 een groote bijeenkomst van al zijn Italiaansche leenmannen, leeken en geestelijken, in de vlakte van Roncaglia, dicht bij Piacenza. Trouw aan zijn staatkunde nam hij strenge maatregelen tegen de toenemende onafhankelijkheid van de Lombardische steden; en de nijd, het vergif voor de republieken, bewees hem goede diensten, want bittere afgunst en twisten waren reeds tusschen de steden ontstaan, en sommige grepen de gelegenheid om hun mededingers te beschuldigen gretig aan. Milaan vooral werd heftig aangevallen door andere steden, die minder welvarend en meer imperialistisch waren, zooals Pavia, en wekte Frederik’s misnoegen in hooge mate op door hem de koninklijke rechten (b.v. het munten, het voedsel voor zijn soldaten enz.) te weigeren; ook spoorde zij tot verzet aan, toen hij de consuls en andere republikeinsche magistraten trachtte af te schaffen en Duitsche gouverneurs (Podestà) met dictatoriaal gezag wilde aanstellen. Hij achtte het niet raadzaam Milaan zelf aan te vallen, maar gaf zijn toorn lucht door twee steden van haar bondgenooten te verwoesten, het kleine Tortona, dat twee maanden heldhaftig een belegering doorstond (en weldra herbouwd werd door de Milaneezen) en Asti, later beroemd door haar wijn en Alfieri.
Onderwijl was Paus Eugenius en ook zijn opvolger gestorven en had de Engelschman Breakspear (Hadrianus IV) den pauselijken zetel bezet. Zijn trots en onstuimigheid, die hem voor zijn dood de bekentenis ontlokten, dat een Paus de ongelukkigste sterveling op aarde was, kwamen spoedig aan het licht.
Een kardinaal was op straat aangevallen, misschien door anti-clericale republikeinen. Hadrianus, die wist, dat Frederik weldra zou komen om hem te helpen, deed oogenblikkelijk, wat nog nooit een Paus had gedurfd—hij kondigde over de geheele stad het interdict af. Geen godsdienstige handelingen mochten verricht worden, behalve de doop en het toedienen van het laatste oliesel. De Romeinen waren zoo verschrikt, dat zelfs de senatoren eindelijk om vergiffenis smeekten; en zij verwierven die door de verdrijving van Arnold van Brescia, die als banneling van de eene plaats naar de andere zwierf, bevreesd voor de wraak van den Engelschen Paus, terwijl Hadrianus triomfantelijk in het Lateraan troonde. En nu verscheen Frederik, “bezoedeld met het bloed van de Lombardische steden”, voor de poorten van Rome. Arnold werd verraden en door den Keizer aan den Paus overgeleverd, en door den Paus aan den Prefect, die hem liet ophangen en verbranden. De Senaat, die zich verbeeldde door deze laffe daad de gunst van den Duitschen vorst gewonnen te hebben, zond naar zijn legerplaats een bericht, vol van walgelijke vleierij, en stelde wederom voor hem den titel van Keizer te schenken.
Maar de gezanten werden smadelijk weggezonden en Frederik rukte met zijn soldaten de Città Leonina binnen en bezette de basiliek van St. Pieter; daar legde Paus Hadrianus, een paar dagen, nadat hij Arnold aan de galg en den brandstapel had overgeleverd, den keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn weldoener (Juni 1155).
Maar dit onnatuurlijk verbond, dit puttaneggiar co’ regi, zooals Dante zegt53, was een kort leven beschoren. Een hevig gevecht werd na de kroning geleverd, op en bij de brug van S. Angelo. Ongeveer duizend Romeinsche burgers werden gedood of verdronken. Geweldig was de verontwaardiging en Frederik vond het raadzaam uit Rome te vluchten en naar het noorden te trekken, nadat hij den Paus en zijn kardinalen veilig in Tivoli had achtergelaten. Met moeite baande hij zich een weg door zijn ontrouwe Italiaansche bezittingen, en toen hij weder in zijn land was, begon hij zijn staatkunde te herzien. Hij had zich reeds geërgerd over de Pauselijke aanspraken op Toskane (de domeinen van Mathilde) en over het feit, dat Hadrianus, zooals verscheidene van zijn voorgangers, getracht had zijn macht te versterken door een verbond met roovers en overweldigers, de Noormannen, en zich zelfs had aangematigd als leenheer van Zuid-Italië en Sicilië op te treden en Willem den Booze, den zoon van Roger, met de koninklijke waardigheid te bekleeden. Doch ernstiger gebeurtenissen zouden volgen. Frederik was begonnen, zonder zich te bekommeren om het Concordaat van Worms, zijn eigen Duitsche bisschoppen te benoemen. Hadrianus protesteerde, en in zijn brief maakte hij een toespeling op de kroning, alsof hij Frederik door die daad beleend had met het Keizerrijk als een beneficium, zoodat hij daarmede wilde te kennen geven dat de Keizer zijn leenman was. Daarop volgde een hevige uitbarsting van verontwaardiging. De vriendschap met den Paus werd in flarden gescheurd en Frederik trok wederom (Juli 1158) met een sterk leger en een groot aantal juristen, leeken zoowel als geestelijken over de Alpen om de ongehoorzame steden54 te straffen en eens voor altijd zijn rechten tegenover Pausen en republieken vast te stellen. Milaan werd gedwongen zich over te geven en niet alleen de burgers, maar ook hun aartsbisschop en consuls moesten als smeekelingen, barrevoets, met asch bestrooid, met een koord om den hals voor hem verschijnen; terwijl de vaandels van hun Carroccio (vaandelwagen) als teeken van onderwerping laag werden gehouden, zonk de geheele menigte op de knieën en bad om genade.
De besluiten, die de rechtsgeleerden van Frederik te Roncaglia hadden genomen, berustten voornamelijk op verouderlijke bepalingen van Justinianus en gaven den Keizer een gezag, dat onvereenigbaar was met een constitutioneelen regeeringsvorm. Ja zelfs, er werden zeer onrechtvaardige beslissingen genomen, daar sommige steden groote vrijheid kregen en andere tot slavernij werden gedoemd. Maar de vernedering van Milaan had den tegenstand gebroken. Een dapper stadje, Crema, trotseerde den Duitschen despoot, maar na een belegering55 van zes maanden werd het genomen en verwoest.
De breuk met Frederik bracht den Paus er toe een ander onnatuurlijk verbond te sluiten. Ofschoon de Paus te Rome een doodvijand was van republikeinsche vrijheid, was hij nu verstandig genoeg vriendschap met de steden in Noord-Italië te zoeken en deze te steunen in den strijd tegen den gemeenschappelijken vijand. Na den dood van Hadrianus in 1159 was er door de clericale partij een Paus gekozen, die een even sterken wil en een even groote eerzucht bezat.
Maar geweldige onlusten waren het gevolg van die verkiezing geweest, en de keizerlijke partij had met zulk een goeden uitslag den tegen-paus Victor tegenover Alexander III gesteld, dat deze naar Frankrijk moest vluchten en zich slechts kon troosten door een machteloozen banvloek over den tegen-paus en den Keizer uit te spreken. Aldus werd de zaak van de republieken voorloopig door het verbond met den Paus weinig geholpen, en toen Frederik in 1161, geprikkeld door de hernieuwde onbeschaamdheid van Milaan, het beleg voor die stad sloeg, daagde er geen ontzet op. Na een langen en heldhaftigen tegenstand werd zij genomen (1162), en, zooals wel te verwachten was, geheel en al verwoest en ontvolkt, een lot, dat het in vroeger tijden reeds meerdere malen had ondergaan56.
Maar de strijd voor de vrijheid werd hardnekkig volgehouden. De Noord-Italiaansche steden, tot wanhoop gedreven, door het thans machtige en onafhankelijke Venetië geleid, begonnen zich te vereenigen, en toen, tegen het einde van 1163, Frederik voor den derden keer Italië was binnengedrongen, vond hij het weldra raadzaam terug te trekken. Drie jaar daarna kwam hij terug met een grooter leger; maar ondertusschen had de Bond57, die onlangs door Venetië, Verona, Padua en Vicenza gesticht was, zich uitgebreid over Lombardije en sloten zich daarbij zelfs steden aan als Cremona, dat tot nog toe op de hand van den keizer was geweest. Bovendien verminderde de invloed van de keizerlijke partij in Rome. Victor, de tegenpaus van Frederik, was gestorven en ofschoon de keizerlijken terstond een ander, Paschalis, hadden gekozen, was toch Paus Alexander III uit Frankrijk teruggekeerd en had zijn mededinger verjaagd.
43. Kathedraal van Monreale. Bij Palermo.
Frederik besloot eerst tegen Rome op te trekken. Hij liet de noordelijke steden dus ongemoeid, veroverde Ancona, een strategisch punt, dat hij noodig had om zijn vooruitrukkend leger te dekken, en trok in het midden van een buitengewoon heeten en gevaarlijken zomer (1167) de Città Leonina binnen. Maar de Romeinen boden tegenstand en de Duitschers waren niet in staat zich een weg te banen over den Tiber of den Engelenburg te bemachtigen. Zij konden slechts de St. Pieter met troepen bezetten, terwijl de tegenpaus Paschalis de gemalin van Frederik plechtig tot Keizerin kroonde. En zij waren nauwelijks veertien dagen in Rome, toen er een kwaadaardige malaria-epidemie of misschien een pest uitbrak, en Frederik zijn leger haastig naar het noorden voerde. Velen van zijn gevolg, edelen, generaals en prelaten, vielen als slachtoffers van die ziekte en ongeveer 2000 van zijn krijgslieden; de sterfte hield eerst op, toen men reeds eenigen tijd in Duitschland was58.
Padua was bijna de eenige groote Lombardische stad, die zich niet had aangesloten bij den Bond. Het bleek een voortdurend gevaar voor Milaan, dat door de geestdrift van de bondgenooten in een ongelooflijk korten tijd was herbouwd59. Om Pavia ook van het zuiden te kunnen beteugelen, werd nu de stad Alessandria gesticht, die in korten tijd 15000 krijgslieden kon leveren. Haar naam kenmerkte de vriendschap van den Paus, maar van haar vijanden kreeg zij den hoonenden bijnaam van “stad van stroo”, een toespeling op haar vooronderstelde zwakte of op de haastig opgerichte, met stroo bedekte huizen. Zwak bleek Alessandria niet te zijn, want toen na een pauze van zes jaren Frederik zijn vijfden tocht naar Italië maakte en deze stad van stroo trachtte in te nemen, werd hij na een vergeefsch beleg van vijf maanden gedwongen zijn troepen terug te trekken en kort daarna werd hem door de bondgenooten een verpletterende nederlaag toegebracht bij Legnano, ongeveer twintig K.M. ten noord-westen van Milaan. Zoo verschrikkelijk was de catastrophe, dat, naar men vertelt, Frederik zelf in de algemeene slachting verdween, en eerst drie dagen na het gevecht met groote moeite Pavia bereikte.
Deze ramp gaf Frederik de overtuiging, dat wreedheid en onmenschelijkheid niet in staat waren hen te overweldigen, die bereid waren voor de vrijheid te sterven. Ook was zijn karakter niet zoo hardvochtig en laag, dat hij niet eenige bewondering kon gevoelen voor heldhaftigheid. Hij nam het voorstel van den Doge Ziani aan om te Venetië niet alleen Paus Alexander en de gezanten van Willem den Goede van Sicilië te ontmoeten, maar ook de afgevaardigden van de verbonden steden. Dit was de eerste keer, dat republikeinsche afgevaardigden als gelijken met een Paus of Keizer in onderhandeling traden. Het was dus een gebeurtenis, die belangrijke dingen voorspelde. Misschien was dit de ernstigste crisis, die Italië ooit beleefde. Helaas, dat een zoo schoone belofte zonder uitwerking is gebleven door inwendige twisten, die er de oorzaak van waren, dat Italië een parel van groote waarde wegwierp, en zelfs de herinnering aan de herwonnen vrijheid uitwischte.
De ontmoeting van Frederik Barbarossa en Paus Alexander te Venetië in den zomer van 1177 is zoo dikwijls beschreven, (soms zelfs buiten eenig verband met Legnano en de afgevaardigden van de Lombardische republieken!) dat wij het hier wel kort kunnen behandelen. In den Atrio van de S. Marco zijn drie porfieren steenen, die, naar men gelooft, de schitterende en dramatische plechtigheid vermelden; maar ongetwijfeld gebeurde het, zooals een ooggetuige60 beschrijft, buiten of bij den grooten ingang. Het gevolg van de Venetiaansche bijeenkomst was, dat Calixtus (de derde van Frederik’s tegenpausen) werd afgezet, dat er een vrede van vijftien jaren met Willem van Sicilië werd gesloten en een wapenstilstand van zes jaren met de Lombardische republieken. Bovendien werd er een overeenkomst ten opzichte van de lastige kwestie over Mathilde’s erfenis getroffen; doch deze afspraak bleek niet afdoende of van blijvenden aard te zijn. Paus Alexander trok in triomf Rome weder binnen, onder luide toejuichingen en geestdrift van alle partijen61. Frederik keerde naar Duitschland terug en genoot gedurende de volgende zeven jaren van de trouwe hulde zijner noordelijke onderdanen, terwijl hij de genegenheid van de Lombardische steden door een edelmoedig verdrag, dat hij in 1183 te Constanz teekende, in zoo hooge mate won, dat Alessandria zelfs aanbood zijn naam te veranderen in Caesarea! Duidelijke bewijzen van zijn geluk vindt men ook in de beschrijving, die de kroniekschrijvers geven van een schitterend feest, dat hij in 1184 te Mainz vierde. Zijn laatste bezoek aan Italië droeg een geheel ander karakter dan zijn vroegere tochten. Zonder leger reisde hij van stad tot stad, overal met vroolijk gejuich en hulde ontvangen. In het bijzonder gaf hij blijk van zijn genegenheid voor Milaan en hij maakte plannen om het kleine heldhaftige Crema weder op te bouwen.
In 1186 werd er te Milaan een zeer belangrijke bruiloft gevierd. Willem II, koning van Sicilië, had geen kinderen; hij stemde er derhalve in toe, dat zijn oude tante en erfgenaam Constantia (Costanza) de dochter van wijlen koning Roger, zou trouwen met Frederik’s zoon, Hendrik, een jongen man van een en twintig. Aldus eindigde de langdurige vijandschap van de Noormannen en de Duitschers, en voegden de Hohenstaufen Sicilië en Zuid-Italië bij hun machtig Keizerrijk.
In 1187 werd Jeruzalem door de Turken heroverd en in 1189 nam Frederik, nu 68 jaar oud, met Richard Leeuwenhart van Engeland62 en Philips August van Frankrijk deel aan den derden Kruistocht. Maar voordat hij het Heilige Land had bereikt, verdronk hij in 1190 bij een poging om de rivier den Salef over te zwemmen, niet ver van den Cydnus, waarin Alexander de Groote bijna het leven had verloren. Eeuwen lang bleef in Duitschland het geloof leven, dat de groote Kaiser in werkelijkheid nooit gestorven was, maar onder zijn kasteel op den Kyfhäuserberg sliep en eens zou ontwaken om het Keizerrijk te herstellen, een overlevering, die Rückert in een schoone ballade heeft uitgewerkt. Het karakter van Frederik, zooals wij het uit zijn daden, die ons medegedeeld worden, leeren kennen, is voor ons moeilijk te waardeeren, en misschien maakt het oordeel van Dante, dat waarschijnlijk het oordeel van zijn tijd was, de zaak voor ons nog ingewikkelder; want, ofschoon hij Frederik II in zijn Inferno met het vlammende graf van een ketter straft, spreekt hij van il buon Barbarossa63. Maar wij moeten er bij voegen, dat sommige commentatoren deze uitdrukking ironisch opvatten.
Als omlijsting zijn regeeringen en dynastieën dikwijls zeer bruikbaar en de geschiedenis van Italië in de middeleeuwen heeft zoo weinig innerlijken samenhang, dat het de omlijsting, die de regeeringen en dynastieën van de indringers en van de vreemde, vooral de Duitsche heerschers, verschaffen, zeer noodig heeft. Doch in sommige gevallen beantwoorden de perioden, waarin de Duitsche geschiedenis vervalt, niet aan die, waarin men de Italiaansche historie moet verdeden. De Hohenstaufen-dynastie bleef nog langer dan een halve eeuw regeeren, maar dergelijke gebeurtenissen, als de erkenning van de republieken bij het verdrag van Constanz en het samensmelten van het Koninkrijk der Noormannen met het Duitsche Keizerrijk door het huwelijk van Constantia met Hendrik VI, doen een nieuw tijdperk ontstaan in de Italiaansche geschiedenis en maken het raadzaam hier, in 1190, bij den dood van Barbarossa, af te breken.