Hoofdstuk II.

De Noormannen.

De schitterende episode van de Noormannen-overheersching in Sicilië en Zuid-Italië is zoo belangwekkend1 en had zulk een grooten invloed op de geschiedenis van Italië, dat, ofschoon de voornaamste gebeurtenissen reeds vermeld zijn in het historisch overzicht van dit tijdperk, er toch nog eenige bladzijden aan dit onderwerp zullen gewijd worden.

De Noormannen, wier voorvaders, zooals van de meeste der vroegste bewoners van Noord- en Midden-Europa, waarschijnlijk uit het verre oosten kwamen en tot den zoogenaamden Indo-Germaanschen stam behoorden, schijnen een ras van buitengewoon schoon-gevormde, moedige en geharde Noren geweest te zijn, nauw verwant aan de Denen, en die evenals deze hartstochtelijk van het zeeleven hielden. Gedreven door lust tot avonturen en door een stem uit het zuiden, die in deze Arische indringers van de sombere en ruwe noordelijke landen dikwijls reeds lang sluimerende herinneringen aan een zonniger klimaat wakker riep, begonnen zij de woeste golven op hun vlugge zwarte schepen te doorklieven, “de vlucht van den zwaan volgend”; en weldra verspreidden deze stoutmoedige Vikings (kreek-mannen, fjordmannen) schrik en angst langs de kusten van Duitschland en Frankrijk en voeren met hun lichte vaartuigen zelfs ver het binnenland in, de bevaarbare rivieren op, en droegen soms hun schepen van de eene rivier naar de andere over.

Toen Karel de Groote een vloot van deze Noorsche zeeschuimers in snelle vaart langs de kust van Frankrijk zag zeilen, werd hij door sombere voorgevoelens bevangen. En weldra werd zijn angst bewaarheid. In 845 staken de Noormannen Hamburg in brand en een paar jaren later plunderden zij Keulen, Trier en Aken en gebruikten de prachtige kathedraal van Karel den Groote als stal voor hun paarden. Ongeveer een halve eeuw lang maakten zij deze streken onveilig, maar in 891 viel Arnulf van Carinthië, voordat hij naar Italië kwam en tot Keizer werd gekroond, hun sterke legerplaats in de moerassen van de Dyle aan en bracht hen daar bij Leuven zulk een verpletterende nederlaag toe, dat zij uit Noord-Duitschland wegtrokken, hen in de toekomst met vrede2 lieten en naar het Westen, naar de noordkust van Frankrijk gingen. Zij voeren hier de Seine op, veroverden Rouaan en bezetten het omliggende gebied. In 911 stond de Fransche koning, Karel de Eenvoudige, deze landstreek af aan Rollo, den hertog der Noormannen en het duurde niet lang, of de heidensche “Piraten”, zooals zij gewoonlijk werden genoemd, namen taal (langue d’oïl), godsdienst en zeden, en zelfs de volkslegenden, van hun nieuw vaderland over3.

Toen de Noormannen den Christelijken godsdienst hadden aangenomen en als volk door de andere Christelijke volkeren waren erkend, bracht hun oorlogzuchtige en rustelooze geest, en misschien ook staatkundige troebelen, vele edelen er toe benden van avonturiers naar zuidelijke landen te leiden. Onder deze, die men dolende ridders, doch ook wel pelgrims zou kunnen noemen, waren eenige Noormannen, die zelfs het Heilige Land bereikten en wel ongeveer vijftig jaar, voordat de Noormannen Engeland veroverden en de Turken Jeruzalem innamen. Op hun terugtocht naar het vaderland landden zij in Italië. Daar vonden zij de Saracenen van Sicilië, die hun niet minder vijandig gezind bleken dan de Fatimiden, de kaliefen in Palestina. De Saracenen belegerden de stad Salerno, om haar te dwingen schatting te betalen; ofschoon de Noormannen slechts veertig in getal waren, noodzaakten zij, naar men vertelt, de ongeloovigen het beleg op te breken. De vorst van Salerno, Guaimar, was zoo onder den indruk van dit feit, dat hij de vreemdelingen verzocht in zijn dienst te treden, en toen zij weigerden, daar zij “slechts voor hun geloof en niet voor betaling streden”, gaf hij hun een boodschap, of gezanten, mede naar Normandië, in de hoop daar soldaten te zullen werven. Het was misschien ook deze troep pelgrims, die, toen zij uit Palestina terugkeerden, bij den Monte Gargano (zooals wij vroeger reeds hebben verteld) een zekeren soldaat, een gelukzoeker, Melus of Melo geheeten, ontmoetten. Er wordt verteld, dat deze man gevlucht was uit de stad Bari, die toen in handen van de Byzantijnen was, en dat hij met de Noormannen en met soldaten van Guaimar een overeenkomst heeft gesloten om zich op de Byzantijnen te wreken.4

Dit zijn de gebeurtenissen, die misschien een juiste verklaring geven van de aanwezigheid van verschillende benden van Noorsche krijgslieden in Zuid-Italië, omstreeks 1018. Melo’s poging om wraak te nemen mislukte, niettegenstaande den moed van zijn huursoldaten, de Noormannen, en de Byzantijnen breidden voor eenigen tijd hun macht aanzienlijk uit (zie p. 308). Maar de Hertog van Benevento en andere vorsten streefden er ijverig naar de Noormannen in dienst te nemen en het aantal van deze geweldige krijgers nam zoo snel toe, dat zij weldra in staat waren hun aanspraken op het gebied, dat door hun krachtige hulp veroverd was, te laten gelden; aldus begonnen zij onafhankelijke gemeenten te stichten. Het recht om zoo te handelen was hun omstreeks 1028 door Koenraad II geschonken, die hun had toegestaan zich te vestigen in het gebied van Capua om Pandulf tegen te werken, den oproerigen despoot van die stad; en Pandulf’s vijand, de Hertog van Napels, Sergius, beloonde de Noormannen voor hun hulp door de stad Aversa aan hun aanvoerder, Rainulf te geven. Deze stad Aversa, welke achttien K.M. ten noorden van Napels ligt, was de eerste vaste woonplaats van de Noormannen in Italië en het werd, als het ware, de kern van hun toekomstig koninkrijk.

Behalve de Noormannen te Aversa waren er vele groepen, die zich nog nergens blijvend gevestigd hadden, maar in dienst traden, waar gestreden werd, en hun aantal groeide voortdurend aan door nieuwen aanvoer uit het noorden. Guaimar van Salerno, die steeds door de Saracenen met hun sterke vloten werd lastig gevallen, verbond zich (1038) met de Byzantijnen van Zuid-Italië om een aanval te doen op Sicilië, dat reeds twee eeuwen, sinds den val van Palermo in 831, in de macht van de ongeloovigen was. Deze expeditie, ofschoon die mislukt is, omdat de aanvoerders twist kregen en de strijdkrachten van de Christenen weldra naar Italië terugkeerden, verdient toch onze aandacht, daar een van de voornaamste strijders bij het contingent van de Noormannen een oudere broeder van den beroemden Robert Guiscard was, een van de twaalf zonen van Tancredo d’Hauteville. Zijn naam was Willem Bras de fer, hij noemde zichzelf Graaf van Apulië en volgens zijn levensbeschrijver5 was hij “een leeuw in den oorlog, een lam in gezelschap en een engel in den raad”. Met zijn “ijzeren arm” wierp hij den emir van Syracuse van het paard en doodde hem; zijn kleine troep krijgslieden versloeg 60.000 Saracenen. Doch niettegenstaande dergelijke wapenfeiten was alles vergeefsch en het duurde nog vijftig jaren, voordat de heerschappij der Noormannen op Sicilië gevestigd was.

Gedurende deze vijftig jaar (c. 1040–1090) nam de macht der Noormannen in Zuid-Italië in hooge mate toe. Willem Bras de fer stierf, maar andere dappere zonen van Tancredo d’Hauteville kwamen uit hun vaderland, om zijn plaats in te nemen. Droge was zijn eerste opvolger en toen Droge door de hand van een sluipmoordenaar was gevallen, werd zijn broeder Humfried Graaf van Apulië en nam deze de leiding van de vereenigde strijdkrachten der Noormannen in Apulië en Calabrië op zich. In 1053 vond de slag plaats (vgl. p. 314), waarin de Noormannen van Humfried, geholpen door hun landgenooten van Aversa onder Graaf Richard, de Duitsche en Italiaansche troepen van Leo IX een verpletterende nederlaag niet ver van den berg Gargano, bij de Adriatische kust toebrachten. Paus Leo zelf werd gevangen genomen, en men zal zich herinneren, hoe de overwinnaars zich eerbiedig voor hun gevangene op de knieën wierpen en hem om vergiffenis smeekten—maar hem toch zes maanden als gijzelaar vast hielden. Eindelijk, toen zij hem vrijgelaten hadden, of misschien om zijn vrijheid te herkrijgen, erkende de Paus als een fait accompli de veroveringen van de Noormannen en wanneer hij Humfried niet plechtig bekleed heeft met de waardigheid van Graaf of Hertog van Apulië en Calabrië, dan werd toch zeker zes jaren later door Paus Nicolaas II de broeder en opvolger van Humfried, Robert Guiscard, met die waardigheid bekleed. Nicolaas had blijkbaar niet zulk een reden tot dankbaarheid, als Leo had, maar er waren, zooals wij zullen zien, staatkundige beweegredenen, die de oorzaak waren van zijn blijkbaar groote edelmoedigheid; want hij bevrijdde Robert niet alleen6 van den ban en huldigde hem als Hertog van Apulië en Calabrië, maar beloofde ook hem als Hertog van Sicilië te herkennen, zoodra hij er in zou slagen dit eiland aan de Saracenen te ontrukken.

Robert Guiscard (of Wiscard, “de Wijze), de zesde zoon van Tancredo d’Hauteville, was toen veertig jaar oud. Hij regeerde, nadat hij door Nicolaas als hertog erkend was, vijf en twintig jaar en breidde de macht van de Noormannen in Italië aanmerkelijk uit. Hij was eerst, evenals Richard van Aversa (of beter gezegd, van Capua, want over deze stad had hij de heerschappij gekregen), op goeden voet met de Pausen, maar toen Hildebrand gekozen werd, ontstonden er moeilijkheden; want de toenemende macht van Robert strookte volstrekt niet met de eerzuchtige plannen van den nieuwen Paus. Maar door de listige politiek van Hildebrand veranderde de stand van zaken geheel en al. Men zal zich herinneren, dat Hildebrand, de monnik, lang voordat hij Paus werd, grooten invloed had uitgeoefend op de besluiten van het pauselijk hof; inderdaad waren Nicolaas II en Alexander II slechts zijn werktuigen. Zijn sluwe politiek was het, waardoor Nicolaas er toe overging om Robert als hertog te erkennen en hijzelf had in zoo hooge mate de vriendschap gewonnen van den anderen Noorschen aanvoerder, Richard van Aversa en Capua, dat deze vorst hem had geholpen om den tegenpaus Benedictus den genadeslag te geven. Toen Hildebrand nu Paus werd en de Investituurstrijd uitbrak was hij verstandig genoeg om te voorzien, dat een verbond met de Noormannen voor hem noodzakelijk was met het oog op zijn conflict met den Keizer; en toen, na de vernedering van Hendrik IV te Canossa, het zich liet aanzien, dat de twist weder met groote bitterheid zou losbarsten, was hij vast besloten zich van de vriendschap met Robert Guiscard te verzekeren, die juist onlangs zijn macht had vergroot door zich meester te maken van Salerno en aldus het laatste steunpunt van de Longobardische heerschappij in Zuid-Italië had doen verdwijnen. Hildebrand’s diplomatische bekwaamheid werd in dit geval met een verrassenden uitslag bekroond.

Hertog Robert (het is niet gemakkelijk te begrijpen, om welke redenen) ging niet alleen op zijn voorstellen in, maar bracht hem zelfs wegens zijn hertogdom hulde als leenman (een hulde, die de koningen van Sicilië 600 jaar gebracht hebben) en bevestigde de aanspraak van den Paus op Benevento, een recht dat tot het jaar 1860 erkend is. Sinds dien tijd waren de Noormannen van Zuid-Italië een sterke steunpilaar van de Kerk van Rome.

Ongeveer tien jaar voor deze gebeurtenis was Robert Guiscard zijn jongsten broeder, Roger, te hulp gekomen, dien hij had uitgezonden tegen de Saracenen op Sicilië. In 1072 had hij deelgenomen aan de inneming van Palermo, dat thans, nadat het 240 jaar in de macht van de Arabische en Afrikaansche Muzelmannen was geweest, de hoofdstad zou worden van Christelijke vorsten, wier naaste voorouders Scandinavische Vikings waren geweest. Roger liet zich tot Graaf van Sicilië uitroepen, maar het duurde bijna twintig jaar, voordat hij het geheele eiland volkomen had onderworpen en de Saracenen in zijn leger en zijn rijk had opgenomen.

Onderwijl had Robert Guiscard, nadat de laatste van de Longobardische staten in zijn gebied was ingelijfd, het plan gevormd zijn veroveringen aan de overzijde van de Adriatische zee voort te zetten en zich meester te maken van Constantinopel zelf. Zijn tochten naar Sicilië hadden ten gevolge gehad, dat hij een sterke vloot had gekregen, en het bloed van de oude Vikings klopte in zijn aderen, toen hij voor zijn nieuwe eerzuchtige plannen7 meer dan honderd oorlogsschepen liet bouwen om de zee over te steken met een leger van 30.000 man, naar men zegt, waaronder vele Saracenen waren, die hij in zijn dienst had genomen. Hij bezette Corfu en sloeg het beleg voor Durazzo (Dyrracchium). De Keizer van het oosten, Alexius Comnenus, riep toen de hulp in van Venetië, en Venetië, dat met afgunst een nieuwe macht ter zee zag opkomen, sloeg het verzoek niet af. Met een groote menigte galeien viel Doge Selvo aan en het scheen, alsof hij de vloot der belegeraars zou overweldigen, maar Robert en zijn Noormannen deden de krijgskans keeren en trokken weldra Durazzo binnen (1082). Het leek wel waarschijnlijk, dat hij een aanval zou wagen op Constantinopel, dat men van Durazzo gemakkelijk kon bereiken langs den prachtigen Romeinschen militairen weg, de Via Egnatia. Maar in Rome waren ernstige dingen gebeurd. Keizer Hendrik IV had, zooals wij weten, de città Leonina (de wijk die naar Paus Leo IV heette) bezet, en Paus Gregorius werd ingesloten op den Engelenburg en zond angstige boodschappen aan Robert om hulp. Deze liet daarop den oorlog in Dalmatië aan zijn zoon Bohemund over en ging haastig naar Italië terug, joeg Hendrik op de vlucht, bevrijdde Hildebrand en bracht eeuwigdurende schande over zijn goeden naam, door zijn troepen toestemming te geven Rome te plunderen.

46. Castel del Monte. Apulisch Kasteel van Frederik II.

46. Castel del Monte. Apulisch Kasteel van Frederik II.

Dit gebeurde in het begin van den zomer 1084. In den herfst bereikte hij weder Dalmatië, juist op tijd om een tweeden hevigen aanval van de Venetianen en Byzantijnen af te slaan, die bij deze gelegenheid, zegt men, 13.000 man verloren. Doge Selvo vluchtte naar zijn lagunen met de overblijfselen van zijn vloot en werd afgezet8. Zijn opvolger, Vitale Falieri, wendde krachtige pogingen aan om de nederlaag te wreken, en inderdaad met eenig gunstig gevolg; maar het was de dood van Robert Guiscard, die een einde maakte aan den aanval van de Noormannen op het Oostelijke Keizerrijk. Hij stierf plotseling9, misschien aan de pest of door vergift, terwijl hij een poging deed om het eiland Cephalonia te veroveren (Juli 1085).

De jongste van Robert’s twee zonen, Roger Borsa, was de lieveling van zijn vader geweest en had zich van de opvolging in het hertogdom verzekerd. De oudste, Bohemund, moest zich tevreden stellen met Taranto (Tarente). In 1097 sloot hij zich bij den eersten kruistocht aan met eenige duizenden Normandische krijgslieden. Verhalen, die in verband staan met zijn heldendaden in het oosten—de inneming van Antiochië met de hulp van de Genueezen en Pisanen en door een list, die den zoon van “Guiscard” waardig was (Gibbon noemt hem den Latijnschen Odysseus), de ontdekking van de “heilige speer” en de nederlaag van een geweldig leger der ongeloovigen, de stichting van Christelijk vorstendom in Antiochië—kan men vinden in de Gerusalemne Liberata van Tasso en schilderachtige beschrijvingen kan men lezen in de Decline and Fall of the Roman Empire. Kroniekschrijvers vertellen ook, hoe hij vier jaren in Turksche gevangenis smachtte en eindelijk ontsnapte door de hulp van een Mohammedaansche prinses. Na zijn ontvluchting schijnt hij weder troepen in Italië verzameld te hebben om Antiochië te heroveren, maar zijn aanval op Durazzo was blijkbaar vergeefsch en hij keerde naar Tarente terug, waar hij ongeveer 1112 stierf. Roger Borso was kort tevoren gestorven en het hertogdom van Apulië was overgegaan in de handen van zijn zoon Willem, die, ofschoon zwak van lichaam en geest, toch gedurende de volgende zestien jaren 1111–1127 zijn gezag wist staande te houden.

Ondertusschen had de jongste broeder van Robert Guiscard, Graaf Roger, de Saracenen in Sicilië volkomen overwonnen. Hij bereikte, evenals Robert, den leeftijd van zeventig jaar. Bij zijn dood, in 1101, liet hij slechts twee zonen na, een van acht en een van zes jaar. Hun moeder, de derde vrouw van Graaf Roger, Adelaïda van Monteferrato, was regentes over den oudste, Simon, die in 1105 stierf, en over den jongste, Roger, totdat hij den volwassen leeftijd had bereikt. Zij vertrok naar Palaestina, waar zij trouwde met Boudewijn (den broeder van Godfried), den koning van Jeruzalem.

Wij hooren weinig van Graaf Roger den Tweede van Sicilië, totdat het hertogdom van Apulië en Calabrië openvalt door den dood van zijn achterneef Willem. Hij treedt nu krachtig op, landt bij Salerno, maakt aanspraak op de opvolging, aanvaardt de hulde van zijn aanhangers, stuurt gezanten naar Rome om te berichten, dat het hem aangenaam zal zijn de investituur te ontvangen, en, wanneer Paus Honorius II niet genegen blijkt om op dat voorstel in te gaan, wordt hij door eenig machtsvertoon weldra tot meer inschikkelijkheid gebracht. Nadat hij door dergelijke maatregelen overal in het gebied der Noormannen zijn gezag bevestigd had, riep hij een groot Concilie of Parlement bijeen te Palermo in het jaar 1130 en neemt de koninklijke kroon aan en den titel Koning van Sicilië of misschien van “de Beide Siciliën10”.

Men zal zich herinneren, dat in dezen tijd Paus Innocentius II naar Frankrijk moest vluchten en Anacletus, de tegenpaus, de macht in handen had. Anacletus zond naar Palermo een gezant om de plechtige handeling van de kroning te verrichten; maar deze kroning werd door de orthodoxen als onwettig beschouwd en de toestand werd nog bedenkelijker, toen St. Bernard van Clairvaux en het Lateraan-Concilie van 1133 Innocentius alleen als Paus erkenden en de handelingen van Anacletus nietig verklaarden. Plaat 34 stelt een mozaïek voor, dat Roger in de S. Maria dell’Ammiraglio (thans la Martorana) te Palermo heeft laten aanbrengen. Men ziet daarop den koning, die van Christus de kroon, welke hem door den Paus is geweigerd, ontvangt. Maar kort na het Lateraan-Concilie overkwam Paus Innocentius het ongeluk door Roger gevangen te worden genomen en de overwinnaar behandelde, evenals Robert Guiscard zich ten opzichte van Leo IX had gedragen, zijn gevangene met eerbied, en werd, als belooning hiervoor, erkend als Koning van Sicilië, Hertog van Apulië en Capua11.

De honderd jaren (1087–1189), gedurende welke Sicilië onder de heerschappij der Noormannen stond, vormen een van de meest aantrekkelijke perioden in de lange en merkwaardig afwisselende geschiedenis van het eiland, dat reeds sinds den tijd van de oude Siculi en Sicani (of misschien van de Cyclopen en Laestrygonen) tot de dagen van de Bourbons en Garibaldi het slagveld en het vaderland van vele rassen is geweest. Deze Noorsche vorsten, afstammelingen van de piraten-koningen van Scandinavië, die niet alleen Sicilië, maar ook een groot gedeelte van Zuid-Italië (het oude Magna Graecia) veroverden en een tijdlang belangrijke streken van Dalmatië en Griekenland in hun macht hadden, en wier vloten de kusten van de Adriatische en Aegaeïsche zee en den Levant onveilig maakten en zelfs Constantinopel bedreigden, schijnen de polyglottische menigte van hun Sicilische onderdanen op verstandige en onbekrompen wijze bestuurd te hebben. Zij stonden niet alleen den Muzelmannen vrije uitoefening van hun godsdienst toe, maar namen hen zelfs als soldaten in dienst en ook als ambtenaren; de Noormannen zelf stonden onder den invloed van de Saraceensche wetenschap en kunst. Grieksch en Latijn en Arabisch werden zonder onderscheid in publieke documenten12 gebruikt, en ten aanzien van godsdienst heerschte er blijkbaar een merkwaardige verdraagzaamheid, wanneer men ten minste bedenkt, dat het de tijd van de kruistochten en het fanatisme was. “De Koning”, zegt Villari, “was bij de Katholieke plechtigheden als apostolische afgevaardigde aanwezig, gekleed in een dalmatiek, waarop met gouden Kufische karakters de datum van de Hegira13 geborduurd was. Dicht bij elkander zag men feudale kasteelen, Grieksche steden, Mohammedaansche dorpen, Lombardische kolonies, straten, bevolkt met Pisanen, Genueezen en Amalfitanen. Het geluid van kerkklokken en het gezang van monniken vermengde zich met de stem van den Muezzin, die van zijn minaret de uren van het gebed afriep, en in de menigte zag men naast elkander het Arabische kleed, den Mohammedaanschen tulband, den Noorschen maliënkolder, het lange Grieksche gewaad en het korte Italiaansche wambuis”. Zooals wij zullen zien, draagt hun bouwkunst ook den stempel van deze schilderachtige verscheidenheid. Ofschoon de koningen van de Noormannen in werkelijkheid zeer zeker absolute monarchen waren, droegen zij toch het militaire en burgerlijke gezag op aan hun “Admiraals” (bevelhebbers of ministers, Ammàraglio is het Arabische al Emir), en het schijnt dat zij een soort van Parlement hebben ingesteld, waarin het volk was vertegenwoordigd door aanzienlijke leeken en geestelijken, zoodat wij deze Normandische koningen van Sicilië misschien moeten beschouwen als de eerste constitutioneele vorsten. Aan hun hoven vinden wij vele geleerde en bekwame mannen, b.v. den Engelschman Gualtiero Offamilio (Walter Of a Mill).

De krijgsdaden van Koning Roger waren schitterend, maar hadden geen blijvende gevolgen. Hij maakte eenige veroveringen in Noord-Afrika, en deed, evenals Robert Guiscard had gedaan, een aanval op het oostelijke Keizerrijk, veroverde Corfu, nam Thebe en Corinthe in, en genoot zelfs de voldoening, dat de pijlen der Noormannen tegen de vensters van het keizerlijk paleis te Byzantium hadden gekletterd.

De regeering (1154–1166) van Roger’s zoon en opvolger, Willem I, werd door verschillende opstanden zeer verontrust. Hij had vele machtige vijanden. Tegen den Keizer van het oosten, Manuel Comnenus, handhaafde hij zich krachtig, en veegde de Jonische en Aegaeïsche zee met zijn vloten schoon, zooals zijn voorvaderen, de Vikings, de noordelijke zeeën hadden schoongeveegd; maar gevaarlijker vijand was Barbarossa, die, in bondgenootschap met den Engelschen Paus Hadrianus en vertrouwend op de vloot van de Pisanen, het plan beraamde de “Beide Siciliën” te veroveren, en een ernstigen opstand verwekte onder de edelen van Apulië tegen hun Normandischen vorst. Willem slaagde er evenwel in Paus Hadrianus met zich te verzoenen, en deze waarborgde hem genadiglijk de investituur14. Daarna keerde hij zich woedend tegen de edelen van Apulië en legde hun een verdiende straf op; door zijn wreede wraakneming verwierf hij den naam van Willem den Booze. Ook op Sicilië stonden de feudale edelen op, richtten een bloedbad aan onder de Saraceensche aanhangers van den koning en slaagden er zelfs in hem gevangen te nemen en op te sluiten; maar het volk trad voor hem op en bevrijdde hem; zijn laatste jaren schijnt hij bezoedeld te hebben met verdere wreedheden tegen de oproerige edelen. Zonder twijfel was hij heftig, wraakzuchtig en bloeddorstig van aard; maar zijn biografen behoorden allen tot de feudale en clericale partijen en misschien verdiende hij, van het standpunt van het volk beschouwd, allerminst bij de nakomelingschap bekend te zijn als Willem de Booze.

Hoe dit ook zij, wij behoeven er niet aan te twijfelen, dat zijn zoon terecht Willem de Goede werd genoemd, want gedurende zijn regeering van twee en twintig jaren (of zeventien, indien wij het regentschap van zijn moeder Margherita er aftrekken), was er geen spoor van oproer of ontevredenheid. Toen zijn vader stierf, was hij een jongen van dertien jaar. Zijn opvoeding werd toevertrouwd aan leermeesters, die door zijn vorstelijke verwanten uit Normandië waren gezonden,—aan Stephanus van Rouaan, Petrus van Blois, en den Engelschman Walter Of a Mill, die als zijn particuliere raadsman en kanselier grooten invloed op hem uitoefende, en door middel van hem op den gang der staatszaken, en in later tijden beroemd is geworden door de prachtige kerken, tot wier bouw hij, als Aartsbisschop van Palermo, zijn steun heeft verleend. Door zijn invloed geschiedde het ongetwijfeld, dat Willem met een Engelsche prinses in het huwelijk trad, Johanna, de dochter van Hendrik II en de zuster van Richard Leeuwenhart. Dat Willem II op een verstandige en onbekrompen wijze optrad, blijkt niet alleen uit den vreedzamen en welvarenden toestand van zijn eigen gebied, maar ook uit zijn buitenlandsche staatkunde. Hij sloot een verbond van twintig jaren met Venetië, en waarschijnlijk werd door zijn toedoen verhinderd, dat die stad door de wraakzuchtige Byzantijnen verwoest werd. Hij ondersteunde ook de Noord-Italiaansche republieken krachtig in haar wanhopigen strijd voor de vrijheid en nam door middel van zijn afgevaardigden deel aan de beroemde bijeenkomst te Venetië in 1177, waar Barbarossa met den Paus en de Lombardische steden vrede sloot.

Als een groot en uitstekend regeerder heeft Willem II van Sicilië onsterfelijke eer gekregen door Dante, die zijn ziel, in de gedaante van een schitterende ster, in het sterrebeeld van den machtigen Adelaar plaatst, in den hemel van Jupiter—niet alleen het symbool van het Romeinsche Keizerrijk, maar van elke rechtvaardige regeering15.

Het was evenwel ook naar aanleiding van zijn oorlogen tegen de Muzelmannen en de anti-pauselijke Byzantijnen, dat Willem van de kroniekschrijvers, de monniken, den bijnaam van “de Goede”16 verwierf, ofschoon deze oorlogen niet zeer roemvol of bijzonder gerechtvaardigd waren. Omstreeks 1180 stak een groote vloot, met 80.000 man, naar men zeide, de Adriatische zee over, en veroverde Durazzo. Daarna zeilde men Griekenland om en werd Thessalonica genomen. Maar door een woedenden storm, zooals die, waardoor de vloot van Darius bij Athos schipbreuk leed, verloren 10.000 man het leven; en tegen deze ramp woog nauwelijks een groote overwinning ter zee op, die later op de Grieksche vloot bij Cyprus werd behaald. Willem zond ook schepen naar het oosten, ofschoon hij zelf zich niet aansloot bij den derden kruistocht, toen, zooals wij hebben gezien, de inneming van Jeruzalem door Saladin in 1187 zoovele vorsten opwekte (b.v. de jonge Richard Leeuwenhart en de oude Barbarossa), om in eigen persoon deel te nemen aan de herovering van de Heilige Stad.

Niet lang voordat Frederik Barbarossa naar het oosten trok (vanwaar hij nimmer zou terugkeeren), vond het huwelijk van zijn zoon Hendrik met de erfgenaam van het koninkrijk der Beide Siciliën te Milaan plaats. Willem had geen kinderen. Ongeveer drie jaren voor zijn dood nam hij, gehoor gevend aan den dringenden raad van zijn Engelschen kanselier, Walter Of a Mill, het verderfelijke besluit (verderfelijk voor de toekomst van het Italiaansche patriottisme) om dit huwelijk van zijn tante Constantia met den vorst der Hohenstaufen te begunstigen. Sommige oude schrijvers beweren, dat Constantia, die toen op middelbaren leeftijd was, uit een klooster17 werd gehaald om dat huwelijk aan te gaan. Dante, die dit verhaal gelooft en haar ziel in de sfeer van de veranderlijke maan plaatst, spreekt (bij monde van Beatrice) over haar gehechtheid aan den sluier, dien zij tegen haar wil weder moest afleggen, en geeft ons een preek over geloften, die vrijwillig of gedwongen gebroken worden. Machiavelli verzekert ons, dat Paus Celestinus III (hetgeen onjuist is, want Celestinus werd eerst in 1191 Paus) trasse di monastero Costanza già vecchia figliuola di Guglielmo, om haar aan Hendrik als echtgenoot te geven. Hoe dit ook zij, vrijwillig of onvrijwillig, Constantia trad in het huwelijk met den Duitschen vorst; honderd en vijftig paarden brachten naar Milaan een geweldige hoeveelheid goud en zilver en kostbare stoffen, den bruidschat van haar, die bestemd was de moeder18 te worden van het “Wonder der Wereld”.

Met den dood van Willem den Goede eindigde de dynastie van de Noormannen op Sicilië. Onwettige pretendenten verschenen ten tooneele, maar, zooals wij zullen zien, de Hohenstaufen wonnen het pleit19.


1 Vooral voor een volk, dat er aanspraak op maakt van de Noormannen af te stammen.

2 In 897 slaagde Alfred er in de Deensche Noormannen, voor eenigen tijd, uit Engeland te verdrijven.

3 Hun eigen taal, de lingua Danica, zooals kroniekschrijvers die noemen, werd, zegt men, na het jaar 970 ongeveer niet meer begrepen te Rouaan. Die taal hield nog het langst stand te Bayeux. Willem de Veroveraar gebruikte de lingua Danica met voorliefde. Overblijfselen vindt men nog in eenige namen, zooals Bec (= beck, Bach, beek), Caudebec, enz.

4 Gibbon, die geen melding maakt van het beleg van Salerno, maar een schilderachtige beschrijving geeft van het andere voorval, noemt Melus “een vreemdeling met een Grieksch uiterlijk, die zich weldra bekend maakte als een opstandeling en doodvijand van het Grieksche Keizerrijk”. Andere schrijvers zeggen, dat hij van Lombardische afkomst was, en dat was Guaimar misschien ook, wanneer men ten minste naar zijn naam (Weimar) oordeelt. Wanneer dat zoo is, werd de overeenstemming ongetwijfeld vergemakkelijkt door de gemeenschappelijke noorsche afstamming. Hoe de pelgrims bij den Gargano kwamen en of dit voor of na den strijd voor Salerno plaats vond, is moeilijk te verklaren.

5 Zie Gibbon, hfdst. LVI.

6 Het schijnt dat hij door den ban was getroffen, omdat hij Monte Cassino had genomen en de monniken had weg gejaagd. Men vertelt, dat hij het klooster veroverde door een list; hij liet zich als een doode op een lijkbaar naar binnen dragen. (Zijn naam Guiscard draagt hij dan men eere). Dante plaatst Robert Guiscard in het groote Roode Kruis van Mars in het Paradijs, blijkbaar omdat hij zich later aan de Kerk heeft onderworpen en zoo dapper heeft gestreden tegen de Saracenen op Sicilië.

7 Het schijnt werkelijk, alsof Robert Guiscard het eerzuchtige plan koesterde in zijn persoon het verdeelde Keizerrijk der Romeinen weder te vereenigen.

8 Zijn lange regeering verdient vermelding wegens de vele prachtige marmeren beelden, waarmede hij de onlangs herbouwde St. Marcus versierde.

9 Hij werd begraven te Venusia, de geboorteplaats van Horatius, waar men zijn graftombe nog kan zien in de abdij-kerk van S. Trinità.

10 Zijn handteekening was soms Siciliae et Italiae Rex. De uitdrukking “de Beide Siciliën” schijnt van later datum te zijn.

11 Het verdient opgemerkt te worden, dat het koningschap over het gebied op het vasteland niet vermeld wordt.

12 Het Normandisch-Fransch bleef ongetwijfeld een tijdlang de moedertaal, misschien de hoftaal, van de vorsten en de veteranen. Maar de Noormannen waren begiftigd met een merkwaardig aanpassingsvermogen, zooals blijkt uit het snelle verdwijnen van de lingua Danica in Normandië. Ook was in dezen tijd het Siciliaansch-Italiaansch waarschijnlijk reeds in gebruik als een lingua volgare.

13 Hedschra, de vlucht van Mohammed, 15 Juli 622.

14 Men moet er zich telkens weer over verbazen, dat deze Noorsche vorsten zich er om bekommerden leenmannen van den Paus te zijn; en hoe de Pausen hun fictief recht om de investituur te verleenen handhaafden, is ook een raadsel.

15 Paradiso XX, 62. De op sterren gelijkende zielen van Willem den Goede, van Rhipeus den Trojaan, Hiskia (Ezechias) den koning van Juda, Trajanus en Constantijn den Groote vormen den kring van het oog van den Adelaar, terwijl in het midden van het oog de ziel van David schittert.

16 In verband hiermede verdient het volgende volkslied vermeld te worden:

Rex Gulielmus abiit, non obiit,

Rex ille magnificus, pacificus.

Cuius vita placuit Deo et hominibus,

Eius spiritus Deo vivat coelitus.

Op zijn graf stond: Hic situs est bonus rex Gulielmus, welke woorden later door minder eenvoudige zijn vervangen. [Vertaler].

17 Volgens een oud verhaal werd zij in een klooster gebracht, omdat zij lam en scheel was. [Vertaler].

18 Of, zooals Dante het uitdrukt (Paradiso III, 119), om voor den tweeden stormwind van Zwaben (Hendrik VI) de derde en laatste macht (van die dynastie, Frederik II) voort te brengen.

19 Wat betreft de kerken en paleizen te Palermo tijdens de heerschappij der Noormannen zie men hoofdstuk IV van dit Deel. De edele en voortreffelijke karaktertrekken had Frederik waarschijnlijk aan zijn moeder te danken. Een verovering door de Noormannen zou voor Italië misschien gedaan hebben, wat het voor Engeland is geweest.